Posts tonen met het label speltheorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label speltheorie. Alle posts tonen

maandag 2 augustus 2021

Hoe de menselijke hang naar egalitaire verhoudingen voortkwam uit de noodzaak van samenwerken en delen - een speltheoretische analyse van de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis

De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis bestond er naar alle waarschijnlijkheid uit dat jagers-verzamelaars de noodzaak gingen inzien van samenwerken en delen en daarmee van onderlinge gelijkheid. Zie De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 2. 

Die eerste stap hield in dat het gemeenschapspatroon in het onderlinge gedrag ging overheersen en dat het statuscompetitiepatroon individueel en collectief werd onderdrukt. Anders gezegd, de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid, onze moraal, ontwikkelden zich zo sterk dat degenen die nog neigden naar statuscompetitiegedrag, die "de baas wilden spelen", op hun nummer werden gezet en zich neerlegden bij de bestaande, egalitaire verhoudingen. Er ontstond het gemeenschapsevenwicht waarmee de mensheid zich ging onderscheiden van de sociale structuur van de meeste andere primaten en zoogdieren, die van het statuscompetitie-evenwicht. 

Zoals bekend was er ook de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis, de overgang van jagen-verzamelen naar landbouw, waardoor het handhaven van het gemeenschapsevenwicht sterk werd bemoeilijkt. Maar die morele gemeenschapsintuïties kennen we tot vandaag de dag en daarmee onze hang naar egalitaire verhoudingen.

Er is nu de nieuwe studie Gains to cooperation drive the evolution of egalitarianism van Paul L. Hooper, Hillard Kaplan en Adrian V. Jaeggi, die de al bestaande aanwijzingen versterkt dat die hang naar egalitaire verhoudingen inderdaad voortkwam uit de noodzaak van samenwerken en delen. De onderzoekers ontwikkelen een speltheoretische analyse van de situatie waarin jagers-verzamelaars verkeerd moeten hebben. Dat doen ze met behulp van het Hawk-Dove Game (ook wel bekend als het Chicken Game) en het Prisoner's Dilemma Game. In dat laatste spel gaat het erom dat je er door samen te werken allebei een goed resultaat boekt, maar dat de verleiding bestaat om door niet samen te werken (defecteren) er nog beter uit te komen, maar dan wel ten koste van de ander die wel samenwerkt.

Uit simulaties blijkt dan dat een Duif-strategie die het Havik-gedrag bestraft met het defecteren in het Prisoner's Dilemma, de spelers van die Havik-strategie ertoe kan bewegen om zich volgens de Duif-strategie te gaan gedragen. (Mijn uiterst vereenvoudigde samenvatting van de resultaten.) Denk bij de Duif-strategie aan gemeenschapsgedrag en bij de Havik-strategie aan statuscompetitiegedrag. Zodat vervolgens een evenwicht van egalitaire onderlinge verhoudingen ontstaat. Anders gezegd, een gemeenschapsevenwicht. 

Er is enige overeenkomst tussen het gedrag van deze Duif-strategie en dat van de degenen die in het onderzoek van Kelley en Stahelski uit 1970 aangaven dat ze er in het Prisoner's Dilemma op uit waren om samen te werken, maar wel met defecteren reageerden op defectie van andere spelers.

Hooper, Kaplan en Jaeggi laten vervolgens zien dat hun simulaties een behoorlijk goede weerspiegeling vormen van de situatie waarin jagers-verzamelaars zich bevonden van hoe ze daarop reageerden. Kortom, een interessante speltheoretische analyse van de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis.

vrijdag 12 april 2019

Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2

Dit is deel 2 van een reeks berichten over het vak sociologie. Hier lees je deel 1.
En hier lees je deel 3 en hier deel 4. 
Het vorige bericht besloot ik met de constatering dat de twee stellingen van de Dual Mode-theorie aanvulling behoeven met een derde stelling. Dit bericht gaat over die derde stelling.

Maar eerst maar even voor het gemak die eerste twee stellingen aangehaald:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Die twee gaan over wat mensen wat hun sociale gedrag betreft kunnen. Maar wil de theorie dienstig zijn aan het vergroten van het maatschappelijk belang van het vak sociologie, dan moet hij ook iets te zeggen hebben over wat mensen willen, over hun behoeften. Daarover gaat de derde stelling;
Stelling 3. De combinatie van de twee vorige stellingen impliceert dat er in een menselijke samenleving twee evenwichten mogelijk zijn: een waarin iedereen handelt volgens het gemeenschapspatroon en een waarin iedereen handelt volgens het statuscompetitiepatroon. Van die twee evenwichten komt het gemeenschapsevenwicht beter tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht.
De rest van dit bericht en de berichten die er nog wel op zullen volgen, dienen om deze derde stelling toe te lichten.

Eerst maar even over dat begrip evenwicht. Dat slaat op een toestand waarin niemand het een goed idee vindt om voor het andere gedragspatroon te kiezen dan wat hij nu uitvoert. Dat is hetzelfde evenwichtsbegrip als dat van de economie en de speltheorie. Een toestand dus waarin alleen exogene factoren, dus invloeden van buitenaf, kunnen zorgen voor veranderingen.

Waarom dat zo is, blijkt uit Stelling 2. Als iedereen alleen maar in aanraking komt met het gemeenschapspatroon, dan zal iedereen precies daarvoor kiezen. En als iedereen alleen maar in aanraking komt met het statuscompetitiepatroon, dan zal iedereen ook daarvoor kiezen. (Kiezen steeds tussen aanhalingstekens, want veel van de invloed die anderen uitoefenen, voltrekt zich onbewust.)

Van die twee evenwichten die mogelijk zijn, is dus het gemeenschapsevenwicht het beste. In de zin dat het beter tegemoetkomt aan de menselijke behoeften. En dus een hoger welzijn verschaft.

Dat betekent dat we Stelling 3, sterk gestileerd, in het plaatje hieronder kunnen afbeelden. Lees door onder het plaatje.
Het plaatje beeldt de situatie af waarin een persoon i, een lid van een groep of samenleving, zich bevindt. Vanaf het punt linksonder zie je op de horizontale as het aantal andere personen van die groep of samenleving die kiezen voor het gemeenschapspatroon (NG - 1). Stel dat we het hebben over de Nederlandse samenleving, dan staat N - i dus voor alle Nederlanders behalve de persoon i. Helemaal rechts kiezen alle andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag en helemaal links kiezen nul andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag, en dus voor statuscompetitiegedrag.

Op de verticale as is afgebeeld hoeveel welzijn de persoon i ontleent aan oftewel de keuze voor het  gemeenschapspatroon (G) oftewel de keuze voor het statuscompetitiepatroon (S). We zien dat het welzijn heel laag is (C) als i de enige is die kiest voor gemeenschapsgedrag, maar toeneemt met het aantal anderen dat voor het gemeenschapspatroon kiest. Het maximale welzijn (A) is bereikt als alle anderen dat doen.

En we zien dat het welzijn dat i zou ontlenen aan statuscompetitiegedrag (B) behoorlijk hoog is als alle anderen voor datzelfde gedrag kiezen, maar afneemt met het aantal anderen dat kiest voor gemeenschapsgedrag. i komt dan steeds meer in aanraking met gemeenschapsgedrag en heeft dan steeds minder een goed gevoel als hij doorgaat met statuscompetitiegedrag (en dus een lager welzijn) en/of krijgt steeds meer te maken met sociale afwijzing en afkeuring (en dus een lager welzijn).

Wat Stelling 3 zegt is dat punt A hoger ligt op de welzijnsas dan punt B. Het gemeenschapsevenwicht A komt meer tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht B. A is het optimale evenwicht en B het sub-optimale evenwicht. Bedenk dat wat in het plaatje voor persoon i wordt afgebeeld, net zo geldt voor alle andere personen.
Ingewijden in de speltheorie zullen het plaatje hebben herkend als een variant van het plaatje waarmee het N-persoons gevangenendilemma vaak wordt afgebeeld. In dat dilemma gaat het om de keuze tussen Cooperate en Defect (vergelijkbaar met gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag), waarbij Defect altijd een hoger welzijn (in de speltheorie "nut") oplevert dan Cooperate. In dat geval is er dus alleen meer het sub-optimale evenwicht waarin iedereen kiest voor Defect. We zagen al dat proefpersonen zich niet zo goed houden aan de voorspelling van de speltheorie dat iedereen kiest voor Defect. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 
Natuurlijk geeft het plaatje een sterk gestileerd beeld van een heel ingewikkelde sociale situatie. Het is ook niet meer dan een geraamte dat voor concrete toepassingen veel vlees en bloed nodig heeft. Zoals inzichten in de geïnformeerdheid van mensen over het gedrag van anderen. En dus in welke signalen ze daarvan krijgen, zoals via de media. En inzicht in mogelijke verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot het ene dan wel het andere patroon en verschillen in hun beïnvloedbaarheid door wat anderen doen.

En het cruciale punt is dus de "welzijnswinst" die geboekt wordt bij een verschuiving van evenwicht B naar evenwicht A. In het volgende bericht ga ik in op alle empirische aanwijzingen die we hebben voor de stelling dat die welzijnswinst er inderdaad is.

vrijdag 10 november 2017

Mensen gedragen zich pro-socialer als je hen er even aan herinnert wat moreel juist is

Mensen zijn morele wezens, maar geen morele robots. We zijn in staat om rekening te houden met anderen, dus tot pro-sociaal of gemeenschapsgedrag, maar we kunnen ook egoïstisch zijn of zelfs vijandig (statuscompetitiegedrag).

Vaak is het voor de hand liggend en vanzelfsprekend om rekening te houden met anderen. Je komt dan niet eens op het idee om egoïstisch te zijn. Maar vaak is er ook onduidelijkheid; je kunt het ene, maar ook het andere doen.

Hoe krijg je mensen er in zulke situaties toe om voor het morele gedrag te kiezen? Verschillende mogelijkheden zijn bekend en hun effecten zijn ook sociaalwetenschappelijk onderzocht. Zo kun je een kleine beloning in het vooruitzicht stellen. Of juist een boete voor het egoïstische gedrag. Maar zulke "prikkels" hebben hun bezwaren. Zie Waarom het niet eenvoudig is om mensen met prikkels te beïnvloeden en Over waarom je goede burgers niet kunt vervangen door goede prikkels - Sam Bowles.

Nieuw onderzoek wijst nu uit dat je ook kunt volstaan met mensen er even aan te herinneren wat het juiste morele gedrag is. Dus met het geven van een duwtje in de goede richting (een nudge). Zie  What’s the right thing to do? Increasing pro-sociality with simplemoral nudges.

De onderzoekers lieten mensen keuzes maken tussen pro-sociale en egoïstische opties in het Dictator-spel en in het gevangenendilemma. Het bleek toen dat degenen die van te voren de vraag kregen voorgelegd wat volgens hen (of volgens anderen) de moreel juiste keuze zou zijn, meer voor het pro-sociale gedrag gingen.

Dat effect bleef bestaan in een volgende keuzesituatie, waarin ze er niet nog eens die vraag kregen voorgelegd. En hetzelfde effect werd gevonden in een vervolgonderzoekje waarin mensen konden kiezen hoeveel ze aan een goed doel wilden geven.

We zouden met zijn allen, en als maatschappij, beter af zijn als we ons vaker pro-sociaal gedroegen. Maar misschien beseffen we niet genoeg dat mensen vaak een duwtje in de goede richting nodig hebben. We zijn weliswaar morele wezens, maar geen morele robots.

maandag 26 oktober 2015

Varoufakis over de werkloosheidsontkenners - waarom lagere lonen de vraag naar arbeid doen afnemen

Lezende in De economie volgens Yanis Varoufakis, zoals uitgelegd aan zijn dochter, kwam ik in hoofdstuk 6 aan bij het betoog waarin het er om gaat waarom de werkloosheidsontkenners ongelijk hebben.

Economie uitgelegd aan mijn dochterDie werkloosheidsontkenners zijn die economen, en politici, die denken dat onvrijwillige werkloosheid niet bestaat. Want, zo redeneren ze, iedereen die (nog) werkloos is, heeft zijn gewenste loon nog niet genoeg laten zakken. Als hij dat laatste wel zou doen, dan zou er onmiddellijk een werkgever opstaan die hem zou aannemen.

De kern van deze redenering is dat arbeid net zo iets is als huizen, auto's en tomaten: als je de vraagprijs maar genoeg laat zakken, is er altijd een koper te vinden. Net als iemand niet moet klagen dat hij zijn fraai gelegen vakantiehuis niet kwijtraakt (vraag dan minder!), moet ook iemand zonder werk niet klagen (ga dan voor een lager loon werken!).

Het probleem met die redenering is dat de kopers van huizen, auto's en tomaten die producten aanschaffen om ze te "consumeren", om de genoegens die daaruit voortvloeien. En iedere koper bepaalt individueel welke prijs door die genoegens wordt gerechtvaardigd.

Daarentegen neemt een potentiële werkgever een werkloze pas in dienst als hij verwacht dat winstgevend te kunnen doen. En die verwachting hangt er vanaf wat de vooruitzichten zijn. Die weer afhangen van het algemenere economische klimaat. Als de economische activiteit groeit en als de consumenten optimistisch zijn, dan maakt een werkloze meer kans om ergens aangenomen te worden.

Dat maakt dat er een zichzelf versterkend proces kan voordoen. Werkgevers kijken naar elkaar, naar het "producentenvertrouwen", en als dat omhoog gaat, als iedereen optimistisch is, dan worden ze zelf ook optimistisch. Waardoor ze meer mensen aannemen. Maar als het vertrouwen laag is, gebeurt het omgekeerde en krijgen werklozen geen kans.

Maar stel dat werklozen bereid zijn om voor nog lagere lonen aan de slag te gaan? Dan wordt het toch op een gegeven moment wel voordelig voor werkgevers om hen aan te nemen?

Nee, dat kon wel eens niet zo zijn. Omdat de ondernemers een algehele verlaging van de lonen gaan zien als een voorloper van minder economische bedrijvigheid. Iedere werkgever betaalt natuurlijk graag een lager loon, omdat hij daarmee zijn kosten verlaagt. Maar tegelijk zou iedere ondernemer graag hebben dat andere werkgevers hogere lonen betalen, omdat zulks zou bijdragen aan de algehele economische activiteit en het algehele optimisme. De koopkracht die door anderen wordt aangewakkerd, daar profiteert iedere ondernemer van, die desalniettemin zelf graag de lonen zou verlagen.

Dat dilemma is analoog aan het uit de speltheorie bekende dilemma van de hertenjagers (Stag Hunt), dat bij Rousseau vandaan schijnt te komen. Varoufakis verwijst er ook naar. Ik sta nu bij deze passage stil omdat hij er zo duidelijk en beknopt mee laat zien dat een loonsverlaging juist kan leiden tot het afnemen van de vraag naar arbeid.

Die werkloosheidsontkenners hebben dus niet door dat arbeid iets anders is dan huizen, auto's of tomaten. Dat is pijnlijk, want het ontkennen van werkloosheid is onder de huidige politici welhaast gemeengoed.

dinsdag 27 november 2012

Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid

Michael Tomasello, over wie ik eerder schreef (zie hier en hier), heeft samen met co-auteurs een prachtig artikel (pdf) geschreven over de evolutionaire grondslagen van het menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag. De link is naar het manuscript; het artikel is nu verschenen in Current Anthropology.

De auteurs laten zien dat het unieke menselijke vermogen tot gedeelde aandacht, communicatie, samenwerking en pro-sociaal gedrag kon ontstaan als aanpassing aan de mogelijkheid om er in situaties van onderlinge afhankelijkheid gezamenlijk beter van te worden. Het speltheoretische model voor zulke situaties is dat van de Hertenjacht (Stag Hunt). In dat model kan iedereen individueel overleven door op hazen te jagen, maar je kunt ook met zijn allen op herten jagen. Dat vereist samenwerking en coördinatie en de bereidheid om de veel grotere opbrengst eerlijk te delen. Of de bereidheid dat eerlijke delen af te dwingen als dat nodig mocht zijn. De oplossing van die gezamenlijk hertenjacht is precair, want zodra het vertrouwen in elkaar afbrokkelt, heeft iedereen nog altijd dat individuele alternatief van de hazenjacht.

Ik heb het artikel nu eenmaal en vrij snel gelezen, maar het is een uitvoeriger bestudering waard. Het sluit naadloos aan bij deze eerdere berichten over onderlinge afhankelijkheid als voorwaarde voor zelf-organisatie:

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie
Elkaar bij de les houden in zelf-organisatie

Ik heb in het verleden over de evolutionaire grondslagen van pro-sociaal gedrag altijd sterk in de richting gedacht die nu zo voortreffelijk door Tomasello c.s. wordt uiteengezet. Spannend dus om te volgen. Zie voor mijn eigen zeer bescheiden pogingen, samen met Evelien Zeggelink, Donald Elsas en Rita Smaniotto, waarin we onderlinge afhankelijkheid nog als een Prisoner's Dilemma modelleerden :

The emergence of reciprocal altruism and group-living (1994)
Reciprocal altruism in human social evolution (1997)
Reciprocal altruism under conditions of partner selection (2001)

Update. Oei, daar geef ik in de laatste zin zo maar een verkeerd beeld van het eigen werk. Die onderlinge afhankelijkheid modelleerden we juist niet als een gevangenendilemma. Dat kon ook niet omdat we de spelers in het model hun interactiepartners zelf wilden laten kiezen. Dat was toen in simulaties van het evolutionaire ontstaan van pro-sociaal gedrag nog nooit gedaan. Eigenaardig dat ik dat dan verkeerd opschrijf.

dinsdag 27 maart 2012

Hoe leren kinderen eerlijk delen? Eerst: hoe verdelen volwassenen?

Over het algemeen leren kinderen bij het opgroeien om eerlijk te delen. Hoewel ze aanvankelijk nog vooral op eigen voordeel georiënteerd zijn, ontwikkelen ze tussen het derde en het achtste levensjaar een aversie tegen ongelijkheid. Zie hier. Die aversie is een van onze morele intuïties. En gedurende het opgroeien zie je dat ze ook meer gaan delen met anderen. Zie hier. Wat is verantwoordelijk voor deze ontwikkeling? Ligt het aan sociale vaardigheden als het je kunnen verplaatsen in een andere persoon en het kunnen meevoelen met een ander (empathische bezorgdheid)? Of ligt het aan het verstandelijk begrijpen wat eerlijk en rechtvaardig is?

Uit dit recente onderzoek van Steinbeis, Bernhardt en Singer valt op te maken dat het eerst en vooral ligt aan de ontwikkeling van het vermogen tot impulsbeheersing. De onderzoekers lieten kinderen van tussen de zes en dertien jaar oud twee verdelingsopgaven uit de speltheorie spelen, het Dictator-spel en Ultimatum-spel.

In het Dictator-spel moet je een bedrag verdelen tussen jou en een andere persoon. Die andere persoon kan niets anders doen dan accepteren wat hij krijgt. Er staat jou dus niets in de weg om egoïstisch te verdelen: veel voor jezelf en weinig voor de ander. Dat wil zeggen, als je vindt dat eerlijk delen belangrijk is, dan staat dat gevoel je in de weg en zul je het bedrag minder egoïstisch of zelfs precies gelijk verdelen.


De gever kan hier 10 dollar naar eigen goeddunken verdelen. Hij kan 8 zelf houden en dan krijgt de ontvanger 2. Of hij houdt het hele bedrag voor zichzelf. (Je zou het niet een "spel" noemen, maar die naam heeft het nu eenmaal omdat het door speltheoretici is bedacht.)


In het Ultimatum-spel moet je ook een bedrag verdelen, maar heeft de ontvanger de mogelijkheid om de verdeling af te wijzen. En in het geval dat hij dat doet, krijgt geen van beide spelers iets uitgekeerd. Als de ontvanger de verdeling wel accepteert, dan krijgen beiden het bedrag volgens die verdeling (net zoals in het Dictator-spel). In een voorbeeld is speler 1 de verdeler en speler 2 degene die accepteert of afwijst. Speler 1 kan 10 dollar verdelen. Hij kan een bedrag van tussen de 1 cent en 10 dollar aan speler 2 aanbieden. In het plaatje geeft hij een bedrag x (ongeveer 3 dollar) weg en houdt de rest. Als speler 2 het aanbod accepteert, krijgt hij dus dat bedrag x (zeg, 3 dollar) en krijgt speler 1 het bedrag 10-x (zeg, 7 dollar). Maar speler 2 kan het bod ook afwijzen en dan krijgen beide spelers niets.

Bedenk dat in beide gevallen de spelers elkaar niet kennen en elkaar ook niet voor of na het spel ontmoeten. Alles speelt zich af op een computerscherm.

Als je volwassenen beide spelen als gever laat spelen, wat Steinbeis, Bernhardt en Singer gedaan hebben, dan kun je nagaan hoe hun verdelingen verschillen. Het blijkt dan dat ze gemiddeld genomen in het Ultimatum-spel meer aanbieden dan in het Dictator-spel. Je kunt zeggen dat ze er rekening mee houden dat de andere speler hun verdeling kan afwijzen, waardoor ze beide niets krijgen. Je kunt ook zeggen dat ze in het Dictator-spel de mogelijkheid om meer aan zich zelf te geven, benutten. (De onderzoekers geven informatie over de gemiddelde verdeling in het Supplement bij het artikel, maar dat is kennelijk nog niet beschikbaar, want ik krijg geen toegang.)

Hoe dan ook, dit laat zien dat mensen weliswaar houden van eerlijk delen, maar dat ze in hun verdelingsgedrag wel degelijk worden beïnvloed door de macht van de ander. Als die niets heeft in te brengen, dan verdelen ze egoïstischer dan wanneer die wel iets heeft in te brengen. Anders gezegd: als je mensen de kans geeft om zich ongestoord zelf te verrijken ten nadele van anderen, dan hebben ze de neiging om die kans te benutten. Dat zegt toch iets over hoe we de maatschappij moeten inrichten, lijkt me.

In een volgend bericht ga ik in op wat de onderzoekers te melden hebben over hoe kinderen van verschillende leeftijden zich in deze beide spelen gedragen.

vrijdag 4 november 2011

De eurocrisis was voorspeld

Na wat zoeken naar aanleiding van het IMF-paper van Schinasi en Teixeira (zie dit bericht), kwam ik terecht bij het paper Financial Stability and Policy Cooperation van Gaspar en Schinasi. Het werd gepresenteerd op een door de ECB en de Europese Commissie georganiseerde conferentie (12 april 2010).

Het verbazende is dat  de auteurs hier heel precies en uitgebreid uitleggen dat een crisissituatie zoals we nu hebben, kan ontstaan en dat de voorwaarden voor effectief optreden niet aanwezig zijn. Ze baseren zich op de speltheorie en op de inzichten van Elinor Ostrom over de voorwaarden voor succesvolle decentrale organisatie. Ik citeer uit hun conclusies:
We argued that, under current rules, the situation is not far from a noncooperative Nash solution (dat is kort gezegd een toestand die we niet willen.- HdV.) Once authorities have to face the challenge of rescuing financial organizations in the context of a systemic event, conditions are not conducive to the spontaneous emergence of effective cooperative solutions (kort gezegd, toestanden die we wel willen - HdV). In particular, ex post authorities are under tremendous time pressure - leading to very high bargaining and communications costs - having conflicting goals - for example concerning sharing the financial costs and risks - and will be reluctant to share information. Once a crisis is in full swing, authorities no longer have feasible efficient solutions to choose from. The way forward is to have ex ante an institutional framework in which solutions can be quickly developed and implemented without the bias for national solutions to dominate European ones. Such an institutional framework would help in reaching international cooperative outcomes and help to contain many varieties of moral hazard.
To quote Duisenberg (...): "a situation should be reached in which the group of European supervisors works collectively, as a single supervisor, when needed."
De leden van de Europese Centrale Bank en van de Europese Commissie kunnen niet zeggen dat ze niet gewaarschuwd zijn. Ik neem aan dat ze daar aanwezig waren, op die door hen georganiseerde conferentie op 12 april van vorig jaar, waar dit paper gepresenteerd werd. Maar die "weg vooruit", waar de auteurs voor pleiten, hebben ze dus niet ingeslagen. Of hebben ze niet kunnen inslaan omdat de Europese regeringsleiders daar nog niet aan toe waren. En die waren daar nog niet aan toe, tja, omdat de kiezers daar nog niet aan toe waren?

Maar wie vertelt het de kiezers?

Terzijde: in zekere zin heeft Duisenberg ook een vooruitziende blik gehad. Maar of hij daar ook echt iets mee gedaan heeft?
Update. Zie nu ook Winkler over de lessen van de geschiedenis die de Europese regeringsleiders niet kenden of die ze in de wind sloegen.