Posts tonen met het label verhuisgedrag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhuisgedrag. Alle posts tonen

dinsdag 7 maart 2023

Over sociale vluchtigheid, sociaal isolement van gezinnen en de toegenomen afstand tot familie - En over sociologie

Vanuit het langetermijnperspectief van de mensheidsgeschiedenis gezien leven we in een maatschappij met een hoge mate van sociale vluchtigheid en sociaal isolement van gezinnen. (Volg de links voor alle berichten achter die twee labels.) Veel van de huidige sociale en maatschappelijke problemen hebben daar direct of indirect mee te maken. Het is het soort maatschappij met een grote kans op eenzaamheid en op het ontstaan van psychische aandoeningen. We zijn immers een bij uitstek sociale diersoort, die een behoorlijke dosis sociale vertrouwdheid nodig heeft om zich veilig te voelen en om sociaal betrokken te kunnen zijn. Bovendien maakt het gemis aan dat gevoel van sociale veiligheid mensen ontvankelijk voor de statuscompetitieve wereldbeelden van het rechts-extremisme.

In de loop van de mensheidsgeschiedenis is dus een maatschappij ontstaan waarin bepaald niet alles spontaan goed gaat. Vandaar de sterke noodzaak van een democratische overheid waarin we met zijn allen proberen een samenleving dichterbij te brengen waarin iedereen meetelt. Een maatschappij dus die ons dochter bij het "gemeenschapsevenwicht" brengt. De geschiedenis heeft ons ertoe veroordeeld om bewust en met veel inspanning aan een beter samenleving te werken.

Een van de processen waarlangs we in dit soort samenleving terecht zijn gekomen, is dat we individueel geografisch mobieler zijn geworden. Dat heeft ertoe geleid dat we minder omringd zijn door en daardoor minder contact hebben met de meest vertrouwde anderen, onze eigen familie. We groeien op in een gezin en in de sociale omgeving van dat gezin. Maar die aanvankelijke vertrouwdheid blijft heel vaak niet in stand.

Dat brengt ons bij de aanleiding tot dit bericht, de nieuwe studie Keeping kin close? Geographies of family networks by race and income, 1981–2017. De onderzoekers laten met de data van de Panel Study of Income Dynamics zien dat in de Verenigde Staten tussen 1981 en 2017 de geografische afstand tot familieleden van Amerikanen is toegenomen. Maar dat geldt in het bijzonder voor de witte Amerikanen en meer voor de hogere inkomens. Bij de zwarte bevolking is er ook een toename, maar dan alleen in de laatste jaren van die periode.

Voor Nederland gaven Clara Mulder en Matthijs Kalmijn in 2004 vergelijkbare cijfers: Even bij oma langs. Volgens de Netherlands Kinship Panel Study zou tussen 1940 en 1990 het percentage mensen van wie de ouders in dezelfde plaats wonen zijn gedaald van rond de 50 tot tussen de 35 en 40 procent. Daarbij is er een groot verschil tussen hoog- en laagopgeleiden, wat erop wijst dat in diezelfde periode het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking sterk steeg. Verhuisbewegingen lijken samen te hangen met studie en met het daarna zoeken van werk in een groter gebied.

Daarmee zal ook de "structurele" oorzaak van schaalvergroting en concentratie te maken hebben. Economische activiteiten en dus werkgelegenheid zijn in de naoorlogse periode minder homogeen gespreid geraakt over de ruimte. Dat was een vooral economische gemotiveerde ontwikkeling. Bedrijven zoeken hun optimale, vaak grotere, omvang en vestigen zich graag bij elkaar in de buurt. 

In de sociologie is er eigenlijk altijd weinig aandacht geweest voor dit proces en de gevolgen ervan. Of het werd als een ontwikkeling gezien die nu eenmaal hoorde bij de "modernisering". Denk aan Jacques van Doorn, die in 1955 schreef over de ontwikkeling van de ouderwetse, romantische "territoriale integratie" naar de moderne "functionele integratie. En die het toenemende "gezinsindividualisme" wel opmerkte, maar niet als een probleem zag. Zie Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde. 

Een uitzondering is het voor het eerst in 1960 verschenen Family and Class in a London Suburb van Peter Willmott en Michael Young, een boekje dat ik nog altijd in de kast heb staan. Dat heeft altijd veel te weinig aandacht gekregen, maar nu zie ik dat de uitgever een herdruk aankondigt. Dat is heel opvallend, Ik kom er een keer op terug.

dinsdag 30 juli 2019

Wat maakt het uit om vaker verhuisd te zijn? Over vertrouwdheid en sociale vluchtigheid

In de mensheidsgeschiedenis heeft de periode dat mensen hun leven doorbrachten in de sociale kring van vertrouwde anderen, verreweg het langst geduurd. Op die onderlinge vertrouwdheid zijn we als groepsdier nog altijd ingesteld. Maar we leven tegenwoordig in een nog maar klein kringetje van onderlinge vertrouwdheid, omgeven door een zee van sociale vluchtigheid.

Dat neemt niet weg dat er grote verschillen bestaan tussen mensen in de mate waarin ze vertrouwdheid dan wel sociale vluchtigheid ervaren. Veel sociaalwetenschappelijk onderzoek gaat over die verschillen en over de oorzaken daarvan.

Een onderzoekslijn in dat verband gaat over wat het voor mensen betekent om vaak verhuisd te zijn of om in een buurt te wonen met een hoge mate van "residentiële mobiliteit", een buurt dus met sterk wisselende samenstelling.

Een bekend onderzoeker op dat terrein is Shigehiro Oishi. Sterker, hij is die onderzoekslijn. We kwamen hem al tegen in het bericht Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen.

Nu is er van Oishi, samen met Hyewon Choi, een nieuw overzicht van onderzoek: The Psychology of Residential Mobility: A Decade of Progress. Hieronder een lijstje met inzichten die daaruit zijn voortgekomen.

1. Mensen die in hun jeugd vaker verhuisd zijn, zien hun eigen persoonlijkheid (personal self) als centraler dan hun groepslidmaatschappen (collective self).

2. Mensen die vaker verhuisd zijn of in buurten wonen waarin vaker verhuisd wordt (mobiele buurten), hebben een meer voorwaardelijke (minder hechte) band met de groepen waartoe ze zich rekenen. En ze hebben een voorkeur voor zulke groepen, waar je makkelijk kunt toetreden en ook makkelijk weer afscheid van kunt nemen. In lijn daarmee zijn er in meer mobiele Amerikaanse staten meer megakerken en in meer mobiele steden meer meetup-groepen.

In dit NRC.nl bericht uit 2017 over megakerken in Nederland (Een reuzenhal waar je de ‘flow’ voelt) komt een bezoeker aan het woord die verklaart: „Tijdens zo’n dienst voel je je enorm connected met anderen.” Wat suggereert dat die megakerken een instant-verbondenheid bieden als substituut voor meer authentieke verbondenheid die mensen in hun dagelijks leven missen.
Ik vroeg me in dat verband af of het gebruik van dating apps zoals Tinder in de meer mobiele omgeving van de grote stad meer voorkomt (ook als je controleert voor leeftijd) of daar meer een andere functie heeft dan in de meer stabielere sociale omgeving van het platteland. Het zou kunnen dienen als middel tot instant-verbondenheid in de gevallen waarin het gaat om one-night stands. Maar anders dan met die megakerken gaat het hier vaak om de zoektocht naar een stabiele partner. En in die gevallen is in de stedelijke omgeving het aanbod groter, waardoor de stad aantrekkelijker is als je op zoek bent. Lees stadsgeograaf Cody Hochstenbach daarover naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek dat laat zien dat inmiddels bijna 40 procent van de heteroseksuele stellen elkaar online heeft ontmoet: Hoe Tinder de stad woest aantrekkelijk maakt.

3. Mensen die vaker verhuisd zijn hebben gefragmenteerde (minder dichte) netwerken, wat wil zeggen dat hun contacten meer gespreid zijn over activiteiten of contexten. De een ontmoet je alleen bij de sportclub, de ander alleen op je werk of alleen als buur en nog weer een ander alleen als familielid. Het gefragmenteerde zit er in dat de mensen die jij kent elkaar niet kennen.

4. Het op jeugdige leeftijd vaker verhuisd zijn heeft negatieve effecten op het gebied van onderwijsloopbaan, welzijn en gezondheid

5. Alleen voor mensen in een meer mobiele, dus wisselende, sociale omgeving is een groter sociaal netwerk belangrijk voor financieel succes en sociale stijging. Hoe wisselender je sociale omgeving, hoe meer het er dus op aankomt om meer mensen te kennen. Dat zijn dan instrumentele contacten, waarmee je hulp en informatie uitwisselt.

Tenslotte: Choi en Oishi noemen als een mogelijk voordeel van een een meer wisselende sociale omgeving dat mensen minder wantrouwend en vijandig zouden staan tegenover vreemden, zoals immigranten.
Maar is dat wel zo? In een meer stabiele sociale omgeving voelen mensen weliswaar meer verbondenheid met de eigen groep (in-group loyalty), maar dat gaat niet systematisch samen met vijandigheid tegenover andere groepen (intergroup hostility). Die is er alleen in het geval van echte of vermeende bedreigingen. Zie nog eens het bericht De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

maandag 29 mei 2017

Met het verstrijken van de levensloop minder contacten met vrienden - Nieuwe aanwijzingen

Een bekend sociologisch inzicht is dat voor het ontstaan en onderhouden van sociale contacten nodig is dat er geregelde spontane ontmoetingen zijn in een veilige sfeer waarin mensen niet op hun hoede hoeven te zijn.

En evenzeer weten we dat in onze huidige manier van samenleven maar beperkt aan deze voorwaarden is voldaan. Dat verklaart onder meer dat we in ons volwassen leven nog maar weinig nieuwe vrienden maken. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

Er is nu het nieuwe onderzoek Getting Together: Social Contact Frequency Across the Life Span dat in dezelfde richting wijst. De onderzoekers konden met behulp van gegevens van het German Socioeconomic Panel mensen van tussen de 15 en 85 jaar gedurende vijftien jaar volgen.

In dat panel was onder meer gevraagd naar hoe vaak mensen bezoek uitwisselden met buren, familie en vrienden. Uit de analyses blijkt dat die frequentie gedurende de levensloop alleen maar afneemt. Vooral tot het vijftigste levensjaar is die afname opvallend sterk. Daarna zwakt hij wat af, waarna hij na de leeftijd van 70 jaar weer steiler wordt. (Zie over de afname van het uitwisselen van bezoek in Nederland: We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.)

Er was ook bekend of mensen waren verhuisd over een afstand van 100 kilometer of meer. Hoewel we weten dat het vaker verhuisd zijn tot een grotere sociale vluchtigheid leidt, bleek er in dit onderzoek geen verband tussen verhuisd zijn en de frequentie van contact met buren, vrienden en kennissen.

De algemenere les lijkt te zijn dat het in onze huidige maatschappij moeilijk is om gedurende de volwassen levensloop sociale contacten in stand te houden en nieuwe contacten aan te gaan. Vandaar dat we een eenzaamheidsprobleem hebben.

Bedenk daarbij dat contacten via telefoon en sociale media een beperkte vervanging zijn voor het bij elkaar over de vloer komen. Zie Facebook is leuk, maar geen vervanging voor echte sociale contacten en Gelukkiger door real-life vrienden, niet door on-line vrienden.

En het is natuurlijk een aanleiding om weer eens stil te staan bij alles wat we weten over de negatieve gezondheidseffecten van weinig sociale contacten.

En bij de negatieve effecten van het sociale isolement van gezinnen op het opgroeien van kinderen.

maandag 17 april 2017

Naast gehechtheid aan personen is er natuurlijk ook de gehechtheid aan plekken - Over je thuis voelen en nostalgie

In ons sociale verkeer speelt vertrouwdheid een grote rol. Na de geboorte hechten we ons aan vertrouwde zorgverleners. Met als andere kant van de medaille dat we een angst voor vreemden kunnen ontwikkelen, vooral als gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn.

Die gehechtheid aan vertrouwde anderen lijkt de uitkomst van een evolutionair proces dat ons er toe heeft aangezet om onzekerheid en risico te vermijden. Als er anderen zijn die ons goedgezind zijn, dan is het "verstandig" om die contacten in stand te houden en om nabijheid van die anderen te waarderen. Vandaar onze positieve gevoelens van gehechtheid en vertrouwdheid en negatieve gevoelens van eenzaamheid en van afgewezen zijn.

Dat mechanisme van waardering voor het vertrouwde en ongemak bij het onbekende lijkt in de evolutie al te zijn ontstaan op het moment dat organismen in staat waren zich voort te bewegen. Zodra je je kunt voortbewegen, dus bij het ontstaan van de eerste dieren, heb je te maken met de uitdaging uit te vinden waar je je het beste kunt bevinden.

En omdat je je altijd ergens bevindt, al was het maar de plek waar je leven begint, is er dus onvermijdelijk ook de grens tussen de plek die je kent en die je vertrouwd is (geworden) en alle andere plekken, die onbekend zijn en dus risico's in zich dragen. Het kan elders beter zijn, maar ook slechter.

Er is aanleiding om te denken dat de plek waar je geboren bent een goede plek is. Dat is zo doordat je moeder die plek heeft uitgekozen en op dat keuzeproces is in het verleden ook weer geselecteerd. Denk aan Bernd Heinrichs Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere dieren.

Dat doet vermoeden dat mensen niet alleen een hechting aan personen kennen, maar ook een hechting aan plekken. En onderzoek naar place attachment bevestigt dat.

In die lijn van onderzoek is er nu de studie Place Attachment Enhances Psychological Need Satisfaction.

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat hechting aan plekken psychologisch functioneert op een manier die vergelijkbaar is met hechting aan personen. Al was het maar in de zin dat nabijheid tot de plek waaraan je gehecht bent net zo je welbevinden vergroot als nabijheid tot de personen waaraan je gehecht bent.

In deze nieuwe studie gaat het om de vraag of dat positieve effect op welbevinden ook al optreedt als je je alleen maar voorstelt om op die gehechtheidsplek aanwezig te zijn.

Proefpersonen werd gevraagd om zich een plek voor te stellen waaraan ze zich gehecht voelden. Dat gebeurde met omschrijvingen als "Deze plek is een deel van wie ik ben", "Op deze plek voel ik mij het gelukkigst", "Op deze plek heb ik een gevoel van thuis zijn" en "Op deze plek wil ik blijven".

In vergelijking met andere proefpersonen die zich een neutrale plek hadden voorgesteld, bleek dat het zich een gehechtheidsplek voorstellen tot hogere scores leidden op aspecten van welbevinden.

Het lijkt een verklaring te verschaffen voor het verschijnsel van de nostalgie, dat we kennen omdat we in een maatschappij leven met een grote mate van mobiliteit. Denk even aan Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen en Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

donderdag 1 september 2016

Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen

Als mensen een fundamenteel sociale diersoort zijn, dan mag je verwachten dat de behoefte aan een stabiele en vertrouwde sociale omgeving groot is. Als die er niet is, dan liggen de bekende negatieve effecten van eenzaamheid en statuscompetitie op de loer. (Zie Draait alles om vertrouwdheid? en De stress van statuscompetitie en eenzaamheid.)

Een en ander doet vermoeden dat het vaak veranderen van sociale omgeving, zoals door te verhuizen, negatieve gevolgen heeft.

En dat klopt. We hebben al gezien dat het vaak verhuisd zijn leidt tot sociale vluchtigheid, d.w.z. met het onvermogen of het gebrek aan bereidheid om je aan anderen te hechten.

En we hebben gezien dat het vaak verhuisd zijn samengaat met verlies aan sociale contacten, de kans op eenzaamheid en met de negatieve gevolgen daarvan voor welbevinden en gezondheid.

Een fraai overzicht van het onderzoek naar de negatieve gevolgen van geografische mobiliteit voor het individu zowel als voor de buurt en de maatschappij geeft Shigehiro Oishi in The Psychology of Residential Mobility: Implications for the Self, Social Relationships, and Well-Being.

Je zou kunnen denken dat die negatieve gevolgen er vooral ook voor kinderen zullen zijn. Dat zou verklaren dat gezinnen door niet te verhuizen proberen om hun sociale contacten in stand te houden. Zie Hoe gezinnen pogen om sociale contacten in stand te houden - door niet te verhuizen.

Er is nu het nieuwe onderzoek Cumulative, Timing-Specific, and Interactive Models of Residential Mobility and Children's Cognitive and Psychosocial Skills dat ingaat op die negatieve gevolgen voor kinderen. De onderzoekers analyseerden gegevens van de Early Childhood Longitudinal Study, Kindergarten Class of 1998–1999 (ECLS-K). Ze vinden, weliswaar kleine, negatieve effecten van vaker verhuisd zijn, vooral op jonge leeftijd, op het psychosociaal functioneren (zelfbeheersing, sociale vaardigheden, internaliserende en externaliserende problemen). Bovendien blijven die effecten langere tijd bestaan. (De kinderen werden gevolgd van de kinderopvang tot groep 8.)

Het is niet verrassend dat zulke negatieve effecten optreden. Zie het begin van dit bericht. Maar de vraag is of wij daar ieder voor zich en collectief wel voldoende rekening mee houden. Een maatschappij waarin mensen gemakkelijker in staat zijn om een stabiele en vertrouwde sociale omgeving in stand te houden, zou in ieder geval in sociaal opzicht voordelen hebben. Misschien moeten we ons daar meer rekenschap van geven dan we tot nu toe doen.

Mijn oog viel op dit fraaie citaat dat Oishi aanhaalt in dat artikel dat ik hierboven noem:
My father grew up in a small town and worked for the same company. He knew the same fourteen people in his entire life. I meet more people than that in any given day.
Het is afkomstig uit The rise of the creative class van Richard Florida (2002). Dat zou suggereren dat creativiteit en sociale vluchtigheid samengaan. Of dat zo is?

dinsdag 1 maart 2016

Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

Mensen zijn sociale dieren. Bij het opgroeien hechten we ons aan de vertrouwde relaties om ons heen. Evolutionair gezien boden die doorgaans de veiligheid die voor overleving nodig was. En dat opgroeien in die vertrouwde kring zorgt er voor dat we onze moedertaal aanleren en dat we een sociale en morele persoon worden.

Maar terwijl in de Paleo Sociale Omgeving die vertrouwde kring altijd aanwezig was en gedurende de levensloop aanwezig bleef, is dat in onze huidige wijze van samenleven niet meer gegarandeerd.

Daardoor kennen we natuurlijk de problemen van eenzaamheid.

Maar ook zien we dat het voor de ontwikkeling van kinderen uitmaakt of ze in een stabiele en vertrouwde sociale omgeving opgroeien of niet.

In het eerste geval leren ze dat mensen zijn te vertrouwen en ontwikkelen ze een veilige hechtingsstijl. Dat kun je een gunstige sociaal-emotionele en morele ontwikkeling noemen. Omdat mensen zijn te vertrouwen, ben je bereid om anderen bij te staan als ze hulp nodig hebben. Biologen spreken van een langzame levensloopstrategie. De mensen om je heen zijn goedwillend en blijven beschikbaar. Daardoor loont het om te investeren in de toekomst en directe behoeftebevrediging uit te stellen. Kansen die er nu zijn, zullen er in de toekomst ook nog zijn.

Dat ligt heel anders als de omgeving instabiel en onveilig is. De snelle levensloopstrategie is daarop het geëigende antwoord. Wees opportunistisch en sla toe als het kan. Vertrouw niemand. Je weet niet hoe lang je nog te leven hebt.

Bij die snelle levensloop past dat kinderen eerder in de puberteit komen, meisjes vroeger menstrueren en vroeger moeder worden. Dat alles gebeurt later in de langzame levensloop, samengaand met een hogere motivatie om een opleiding te (blijven) volgen. Zie Jay Belski's The Development of Human Reproductive Strategies. Progress and Prospects voor een overzicht van onderzoek.

Die beide levensloopstrategieën kun je zien als aanpassingen aan de aard van de sociale omgeving waar in je terecht bent gekomen. De menselijke sociale natuur is flexibel. Er zijn weliswaar allerlei aanwijzingen dat die langzame strategie aangenamer is en minder stressvol, maar gegeven een instabiele en onveilige omgeving is die snelle strategie dan toch "beter" dan die langzame.

Maar instabiliteit kan ook op een andere wijze tot stand komen, namelijk als mensen vaak van sociale omgeving wisselen. Zoals wanneer ze vaak verhuizen. We weten al dat het in je jeugd vaak verhuisd zijn een risicofactor is voor gezondheid en welzijn op latere leeftijd.

En nu is er de nieuwe studie Generalizing disposability: Residential mobility and the willingness to dissolve social ties die laat zien dat het vaak verhuisd zijn samengaat met een grotere sociale vluchtigheid. Dat wil zeggen, met het gemak waarmee je sociale contacten (partner, vrienden) inwisselt voor andere. Anders gezegd, met het onvermogen of gebrek aan bereidheid om je aan anderen te hechten. Vaak verhuisd zijn zal doorgaans betekenen dat relaties en vriendschappen zijn beëindigd en dat er andere voor in de plaats zijn gekomen. En dat lijkt er toe te leiden dat je een kijk op de sociale wereld ontwikkelt waarin mensen vervangbaar zijn.

En omdat verhuizingen en andere wisselingen van sociale omgeving, zoals door baanveranderingen, wel zo'n beetje bij de huidige samenleving horen, verklaart dat dus de grote mate van sociale vluchtigheid die je soms denkt waar te nemen. Update. En waar je jezelf soms op betrapt.

dinsdag 24 november 2015

Hoe gezinnen pogen om sociale contacten in stand te houden - door niet te verhuizen

De aanwijzingen zijn sterk dat gezinnen historisch gezien in hoge mate sociaal geïsoleerd zijn. Bovendien lijkt dat isolement ook nu nog toe te nemen, er uit blijkend dat we steeds minder bij elkaar op bezoek gaan. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.

In overeenstemming daarmee zou zijn dat mensen graag meer sociale contacten zouden willen dan ze hebben. En uit de CBS-publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten blijkt dat dit ook inderdaad het geval is. Er is duidelijk een onvervulde behoefte aan (ontmoetingsplekken en) sociale contacten.

Natuurlijk zou daarmee ook in overeenstemming zijn dat we in onze maatschappij een eenzaamheidsprobleem kennen. En wie zou willen ontkennen dat dat probleem er is? Zie Bijna veertig procent van de volwassen Nederlanders voelt zich eenzaam - RIVM.

En er zou mee in overeenstemming zijn dat het in ons volwassen leven nog maar weinig gebeurt dat we nieuwe vrienden maken. De vrienden die we hebben wonen vaak ver weg en ontmoeten we uitsluitend nadat langdurig de agenda's zijn geraadpleegd. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

En tenslotte zou je ook kunnen denken dat ons verhuisgedrag er door wordt beïnvloed. Want stel dat je ergens woont waar je dan toch, tegen alle kansen in, vrienden hebt gemaakt. Jonge gezinnen willen nog al eens vrienden maken via hun kinderen. Je treft elkaar in of bij de school en leert elkaar kennen via logeerpartijtjes van de kinderen.

De vrienden die je daar mee maakt, zijn dan natuurlijk een kostbaar "bezit". Misschien zo kostbaar dat je zelfs kansen op de arbeidsmarkt laat liggen omdat je er voor terugdeinst om daar voor te gaan verhuizen.

Volgens het mooie artikel Growing Families That Stay Put in de New York Times van een maand geleden is dat een opkomende trend. Ook als gezinnen door uitbreiding eigenlijk te klein behuisd zijn, kiezen ze er toch vaak voor om te blijven waar ze zijn. Vanwege de sociale inbedding in een netwerkje van buren- en vriendschapsrelaties. Lees dat artikel en bekijk ook de mooie foto's.

Zou je deze trend, als het een trend is, ook kunnen terugzien in de verhuisstatistieken? Misschien een beetje, want er zijn natuurlijk veel factoren die het aantal verhuizingen beïnvloeden. Zo wordt er in een economische crisis, na sterk gestegen huizenprijzen, weinig verhuisd. Zie Verhuizingen, 2014 van het Compendium voor de Leefomgeving.

Maar daar lees je ook dat ruim een derde van de verhuizingen voor rekening komt van twintigers, omdat mensen op die leeftijd het ouderlijk huis verlaten. En daarna een partner en/of een baan vinden, wat ook weer "verhuisbewegingen" tot gevolg heeft.

Maar al snel daarna wordt er minder verhuisd. Vooral minder als er tieners in het huis zijn. Want die hebben dan vriendjes gemaakt. En ouders hebben contacten opgedaan.

Samengevat: "Naarmate mensen ouder worden, is de verhuismobiliteit steeds lager". Want mensen koesteren dat kostbare bezit van vrienden die ze ondanks alles toch gemaakt hebben.

maandag 24 februari 2014

Waarom hebben lageropgeleiden vaker sociale contacten? Ze zijn honkvaster

Het CBS heeft de publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten (pdf) uitgebracht. Ze hebben de gegevens uit de enquête Sociale samenhang en Welzijn 2012 gebruikt om na te gaan hoe de samenhangen zijn tussen hoe vaak mensen contact hebben met familie, vrienden en buren, de behoefte aan vaker contact, de kwaliteit van de sociale contacten en allerlei achtergrondkenmerken (herkomst, inkomen, leeftijd, geslacht, stedelijkheid, opleiding, huishoudsamenstelling en positie in het huishouden).

Een van de resultaten (op andere kom ik nog terug) is dat lageropgeleiden vaker contact hebben  met familie, vrienden en buren dan hogeropgeleiden. Hetzelfde verschil zie je als je vergelijkt naar inkomen. Waar zou dat aan kunnen liggen?

Het zou er mee te maken kunnen hebben dat lageropgeleiden minder vaak verhuizen. En het lijkt er op dat ze daardoor meer sociale contacten hebben en vooral meer vanzelfsprekende sociale contacten. Familie en vrienden die je gewoon hebt omdat ze in de buurt wonen en omdat ze al langer deel uitmaken van je leven. Dat die aanwezig zijn, zal er aan liggen dat die met een grotere kans ook lager opgeleid zijn en dus ook honkvaster zijn.

Hogeropgeleiden verhuizen vaker. Dat kan er mee te maken hebben dat ze voor het volgen van die opleidingen zijn gaan verhuizen (naar de universiteit of hogeschool). Maar ook ligt het er waarschijnlijk aan dat ze in aanmerking komen voor banen die meer ruimtelijk geconcentreerd zijn. Door dat vaker verhuizen blijkt het moeilijker te zijn om sociale contacten in stand te houden. En de contacten die je wel hebt weten te maken, zijn vaak wat oppervlakkiger, wat minder vertrouwd en vanzelfsprekend. Zie Residential Mobility, Well-Being, and Mortality (pdf).

Dat verklaart ook dat het vaak verhuisd zijn samengaat met een lager welzijn en met een verhoogde kans op overlijden. Je profiteert minder van de vertrouwdheid van de sociale omgeving die mensen nodig hebben. Waarbij het wel blijkt uit te maken of je qua persoonlijkheid meer introvert dan wel meer extravert bent. Zie Residential Mobility, Personality, and Subjective and Physical Well-Being.An Analysis of Cortisol Secretion (betaalpoort).

Dat alles wijst er op dat het niet aan het laag opgeleid zijn op zichzelf ligt dat laagopgeleiden vaker contacten hebben met familie en vrienden. Ze kunnen gemakkelijker samen met hun familie en vrienden honkvaster zijn. Het is de mate van honkvastheid, het "verhuisgedrag", dat het verschil met de hoogopgeleiden tot stand brengt.

Dat je dan toch vaak dat verband met opleiding tegenkomt, ligt er aan dat onderzoekers in vragenlijsten altijd standaard naar opleiding vragen. En niet naar "aantal keren verhuisd", terwijl informatie daarover zeker zo belangrijk zo niet belangrijker is. Zie The Psychology of Residential Mobility. Implications for the Self, Social Relationships, and Well-Being (betaalpoort).