Posts tonen met het label vervreemding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vervreemding. Alle posts tonen

woensdag 19 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -22 - Van Marx' visie op de menselijke sociale natuur naar zijn macrosociologie

Dat structureel-functionalisme als een vorm van macrosociologie was dus in de tijd dat ik studeerde en in de eerste jaren van mijn aanstelling aan de universiteit in het vak het meest invloedrijk. Hier het vorige bericht. Maar ik noemde al dat er een alternatief bestond, dat ik nu maar even de marxistische (macro-)sociologie noem. Marx werd, naast Weber en Durkheim, beschouwd als een van de drie klassieke sociologen, die nog altijd zo belangrijk werden gevonden dat wij er in het eerste studiejaar meteen uitgebreid mee dienden kennis te maken. 

Dat Marx juist toen in de belangstelling van sociologen stond, had er ook mee te maken dat er in 1953 (toegankelijke) uitgaven waren verschenen van niet eerder gepubliceerd werk. Die Frühschriften en Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie. Daaraan voorafgaand heerste het beeld van Marx als een econoom die op grond van zijn analyse van het kapitalistische stelsel in Das Kapital, waarvan alleen het eerste deel nog tijdens zijn leven, in 1867, verscheen, de onafwendbare ineenstorting daarvan voorspelde. Uit dat nieuw verschenen werk kon worden opgemaakt dat er onder die analyse  wel degelijk een inzicht viel aan te wijzen in de aard van de menselijke sociale natuur. Dat was de ontdekking van "de vroege Marx", die Erich Fromm in in 1961 inspireerde tot zijn Marx's Concept of Man en een jaar later tot Beyond the Chains of Illusion. My Encounter with Marx and Freud. 

Wat was dat inzicht in de menselijke sociale natuur? En hoe hing het samen met die voorspelling van de onvermijdelijke instorting van het kapitalisme? En waarom noem ik dat alternatief toch de marxistische macrosociologie?

Om dat uit te leggen, ging ik te rade bij wat ik van Marx, maar vooral over Marx, nog in mijn boekenkast heb staan. En ik bleef hangen bij Philosophy and Myth in Karl Marx van Robert C. Tucker, dat in 1972 verscheen en dat ik in 1977 aanschafte. Niet alleen aanschafte, maar ook intensief gelezen, want het staat vol met potloodonderstrepingen en -aantekeningen. Ik herinnerde me weer hoe dat boek mij destijds een heldere toegang verschafte tot de toch soms moeilijk toegankelijke geschriften van Marx zelf. Robert Tucker (1918 - 2010) verdiepte zich niet alleen in Marx, maar was ook een kenner van Rusland en de Sovjet-Unie. Over het werk van Marx schreef hij ook The Marxian Revolutionary Idea, dat in 1969 verscheen.

Wat Marx als de aard van de menselijke sociale natuur zag, wordt duidelijk uit zijn betoog over vervreemding en vervreemdende arbeid. Mensen moeten arbeid verrichten om in leven te blijven en in de menselijke geschiedenis is die arbeid altijd vervreemdend geweest. Tucker daarover (p.132-133):

The act of world history is man's becoming as man taken as a whole. For an ultimate revolution is required, according to Marx, in order to consummate it. Regarded at any prior point, the process presents itself under the aspect of estrangement. The history of externalization is an Entfremdungsgeschichte, a history of man's self-alienation. Man in history reifies himself in an objective world of material things (Sachenwelt). He becomes object to himself in this way, and 'looks at himself in a world that he has created'. When he does so, the objects into which he has externalized himself confront him as 'alien beings', and what he sees when he looks at himself in the vast aggregate of these objects is 'an alien and hostile world standing over against him'. (...) moreover, the experience of the objective world as alien and hostile is an experience of bondage or, as Marx prefers to phrase it, 'object-bondage' (Knechtschaft des Gegenstandes). What working man sees in the world that he has created is a gigantic fetter upon him.

 (Tucker citeert uit de Historisch-Kritische Gesamtausgabe, Berlijn, Marx-Engels Verlag, 1927-1932.)

Maar wat is er dan eigenlijk zo vervreemdend aan die menselijke arbeid? Dat bestaat eruit dat mensen in hun arbeid nooit volledig zichzelf zijn. Tucker (p.134 - 135):

... man has never been fully himself in this creative activity. This activity has never been 'self-activity' (Selbstbetätigung), by which Marx means free creativity in which a person feels thoroughly at home with himself, enjoys a sense of voluntary self-determination to action, and experiences his energies as his own. (...)

'The whole character of a species, its species-character, lies in the character of its life-activity', writes Marx, 'and free conscious activity is the species-character of man.' The lower animals also produce, he observes, but only under the spur of immediate physical need, whereas man produces even when free from physical need and he only genuinely produces when he is free from it. Spontaneous, voluntary producing activity is his element, and in such activity he expresses himself as an artist. Man for Marx is essentially an artistic being (...)

 Self-activity would be activity in which he experiences the productive powers latent in him as his own. (...) And whereas self-activity would be spontaneous and free, the essence of labour is compulsiveness. Labour, says Marx, is 'nicht freiwillig'. It is 'servitude'. It is by its very nature 'forced labour' (Zwangsarbeit), hence 'labour of self-sacrifice, of mortification'. (...) Accordingly, concludes Marx, labour does not belong to man's essence; it contradicts his species-character.

Daar hebben we dus een karakterisering van de menselijke natuur. De mens onderscheidt zich van andere diersoorten door zijn vermogen tot innerlijk aangestuurde activiteit, waarin hij dus uitdrukking geeft aan wat in hem leeft. De mens als kunstenaar. Maar wat is er dan aan de hand met arbeid dat die innerlijke aansturing belemmert?

Dat ligt er niet aan dat die arbeid nodig is om te overleven. Tucker (p.137-138):

A being who spontaneously tends to be productive might well experience self-activity in work that he performs for a living. Thus, a carpenter might derive creative satisfaction and a personal sense of fulfillment from the carpentry by which he lives. (...) There is no necessary connection between self-alienation and the need to work for a living.

Nee, en daar komt Marx' menselijke sociale natuur aan het licht, wat de arbeid vervreemdend maakt is het egoïstische motief om er rijkdom mee te vergaren.

Marx's alienated man is a man who produces 'under the domination of egoistic need'. This is the need 'outside' the labour process to which the proces is subordinated. The compulsion that transforms free creative self-activity into alienated labour is the compulsion to amass wealth. Marx portrays it (...) as a maniacal obsession with the accumulation of capital, a veritable fanaticism of appropiation of the world of created things, a lust for money. He entitles it 'greed' (Habsucht), and ascribes the concept of it to political economy: 'The only wheels that political economy sets in motion are greed and the war between the greedy - competition.' (...)

Thus he describes greed as a kind of acquisitive mania that sees in money the means of exercising power over everything. 

En dat kan niet anders betekenen dan dat die menselijke sociale natuur zo in elkaar zit dat de mens zichzelf in de weg zit, innerlijk tegenstrijdig is. Die wezenlijke behoefte aan innerlijk aangedreven spontane activiteit staat tegenover de eveneens wezenlijke egoïstische behoefte om rijkdommen te vergaren en daarin met anderen te concurreren. Met vervreemdende arbeid als resultaat.

En met als resultaat de klassenstrijd waaraan het kapitalisme uiteindelijk zal bezwijken. Want als de arbeid vervreemdend is, niet van mijzelf is, van wie is hij dan wel? Tucker (p. 145-146):

'If my own activity does not belong to me, and is an alien compulsive activity, to whom does it belong?' 'To a being other than myself', he replies, and then inquires further: 'who is this being?' To this his answer is: 'The alien being to whom the labour and the product of labour belong, in whose service and for whose enjoyment the labour is performed, can only be man himself (kann nur der mensch selbst sein) .... Not the gods, not nature, but only man himself can be this alien power over man (nur der Mensch selbst kann diese fremde Macht über den Menschen sein).' Thus, the alien being in whose service alienated man labours can be no other than himself. However, adds Marx in the same breath, himself apprehended as another man outside of himself:

(...) If he experiences his own activity as an unfree activity, he experiences it as activity in the service, under the domination, compulsion and yoke of another man (so verhält er sich zu ihm als der Tätigkeit im Dienst, unter der Herrschaft, dem Zwang und dem Joch eines andern Menschen). 

 En die andere mens kan niemand anders zijn dan degene die niet arbeid verricht, dus de kapitalist. 

He identifies this other man as the capitalist, whom he proceeds to describe as the non-worker (Nicht-Arbeiter). Instead of one being - working man alienated from himself in the labour process - there are now two. Man as such has vanished, and in his place two personalities, the worker and the capitalist, stand in hostile confrontation. Neither is fully human. (...)

But this self-alienated producing man was conceived by Marx as mankind or the human species. Hence the splitting of his personality means the splitting of humanity into warring classes of workers and capitalists. The war of self-alienated Marxian man with himself has become a class war across the battlefield of society. If the proletariat is for Marx the collective incarnation of Unmensch, the capitalist class is the collective incarnation of the unmenschliche Macht. As he sees it, mankind has split apart between these two forces, and the scene of history is set for the ultimate battle.

Wat hebben we? Een menselijke sociale natuur die innerlijk tegenstrijdig is. Die in twee verschijningsvormen ("persoonlijkheden") optreedt, die van de arbeider en die van de kapitalist, en diedaarmee een klassenstrijd ontketent. Waarmee een historische maatschappelijke ontwikkeling in gang wordt gezet. Anders gezegd, we begonnen met Marx' visie op de menselijke sociale natuur en we zijn opgeklommen naar zijn macrosociologie.

Daarover meer in het volgende bericht.

donderdag 8 februari 2018

Terug naar het ambacht? Over ons lage welzijn als we werken - Marx' vervreemding is nog lang niet opgeheven

Ryan Avent, de auteur van THE WEALTH OF HUMANS. Work, Power, and Status in the Twenty-first Century, wijst op de trend dat witte boordenwerknemers hun baan opzeggen en een nieuw leven beginnen als ambachtsman of - vrouw.

Zie Crafting a Life, waarin het gaat over IT-professionals, managers, PR-consultants, juristen en lobbyisten, die nu ambachtelijk whiskey distilleren, bier brouwen, potten bakken, koffie branden, kleren maken, tafelzuur produceren of leer verwerken.

Op de schaal van de gehele economie is het natuurlijk nog slechts een onbeduidende ontwikkeling, maar Avent vraagt zich toch af of het niet het begin zou kunnen zijn van een lange termijn-verandering van de wereld van de arbeid. Waarin mensen weer controle hebben over hun werk en waarin hun prestaties niet voortdurend aan die van hun collega's worden afgemeten. Waarin ze persoonlijke relaties met leveranciers en klanten kunnen hebben. Waarin ze niet in een hiërarchie te hoeven functioneren.

Terug dus naar een tijd waarin je nog niet van je arbeid en van de producten van je arbeid was vervreemd. Die term doet aan Karl Marx (1818-1883) denken en die naam komt dan ook voorbij:
The living conditions of Washington’s professionals are incomparably better than those of the 19th-century workers Karl Marx observed, yet his notion that capitalism deprived labour of the deep satisfaction work can provide has a contemporary resonance in downtown Washington.
Stof tot nadenken over hoe wij de wereld van de arbeid hebben georganiseerd en hoe wij die ervaren.

Want als zo'n ontwikkeling als Ryan Avent die schildert inderdaad zou doorzetten, dan is dat niet verrassend als je bedenkt dat werk ons maar een heel laag welzijn oplevert. Ondanks dat de arbeidsomstandigheden over het algemeen veel beter zijn dan in de 19-de eeuw.

Het welzijn dat we ervaren als we aan het werk zijn, kun je meten zoals Kahneman et al dat deden in 2004. Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende haalden dat onderzoek aan in Verhoogt werk ons welzijn? Een bespreking van onderzoeksresultaten. Kahneman c.s. lieten ruim 900 werkende Texaanse vrouwen aangeven welke activiteit ze de vorige dag hadden verricht en hoe ze zich daarbij hadden gevoeld. Daaruit kwam naar voren dat de bezigheid van het werken bij positieve gevoelens (geluk, plezier, warm/vriendelijk) op de op een na onderste plek stond, net boven woon-werkverkeer. En bij negatieve gevoelens (gefrustreerd, depressief, vijandig, bezorgd, bekritiseerd) stond werk onbedreigd bovenaan.

Nu kun je nog denken dat het hier gaat om een merkwaardige onderzoeksgroep, alleen vrouwen en alleen uit Texas.

Maar twee jaar geleden verscheen ook de in Engeland uitgevoerde studie Are You Happy While You Work?, met een veel grotere onderzoeksgroep. (Bij een voorpublicatie ervan stond ik stil in dit bericht.) Het betrof 26.682 personen, die via een op hun telefoon geïnstalleerde app gemiddeld 60 keer, tussen de 2 en 5 keer per dag, aangaven hoe ze zich voelden op een willekeurig gekozen moment. Daarbij ging het om hoe gelukkig ze zich voelden, hoe ontspannen en hoe wakker.

En ook daaruit komt ondubbelzinnig naar voren hoe weinig welzijn werk oplevert in vergelijking met andere activiteiten. Want werk stond op de voorlaatste plaats, net boven "ziek in bed liggen".

Bedenk daarbij dat in de onderzoeksgroep de hogere inkomens waren oververtegenwoordigd. En die hebben over het algemeen banen met betere arbeidsomstandigheden en ze kunnen hogere eisen stellen. In een representatieve steekproef zouden de uitkomsten voor werk dus waarschijnlijk nog slechter zijn uitgevallen.

Sinds de 19-de eeuw zijn de fysieke arbeidsomstandigheden ongetwijfeld sterk verbeterd. Maar arbeid zou natuurlijk aan veel hogere eisen moeten voldoen. Denk even aan de drie fundamentele levensbehoeften volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan: verbondenheid met anderen, gevoel van autonomie en gevoel van competentie. Dan snap je meteen dat verlangen naar ambachtelijkheid waar Ryan Avent op wijst.

maandag 20 januari 2014

Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is

Zijn wij mensen van nature zorgverleners? In de zin dat we goed gedijen als we voor een ander zorgen? Dat we ons er beter bij voelen, dat onze gezondheid er baat bij heeft en dat we er zelfs langer door leven?

De onderzoekers Michael en Stephanie Brown komen in Informal Caregiving: A Reappraisal of Effects on Caregivers (betaalpoort) tot de conclusie dat dat inderdaad zo is. Maar dat heeft nog heel wat voeten in de aarde.

Want onderzoek levert tegenstrijdige conclusies op. Er is onderzoek dat juist wijst op negatieve effecten van zorgen voor een ander. Van mantelzorg, zoals we dat in Nederland zijn gaan noemen. Maar Brown en Brown laten zien dat er in dat onderzoek niet goed rekening wordt gehouden met al bestaande gezondheids- en leeftijdsverschillen verschillen op het moment dat de mantelzorg begon. Als je partner oud en zorgbehoeftig wordt, dan is de kans groot dat jezelf ook al op leeftijd bent en gezondheidsproblemen hebt. Een onderzoeker moet jou dan niet gaan vergelijken met een jonger iemand die geen mantelzorg geeft. Je komt er dan uit met meer gezondheidsproblemen, maar die komen dan niet voort uit het geven van mantelzorg.

Daar komt nog bij dat in veel van dat onderzoek speciaal aandacht is voor mogelijke negatieve effecten. En ja, als je niet vraagt naar mogelijke positieve effecten, dan zul je ze ook niet aantreffen.

Aan de andere kant is er onderzoek dat wijst op positieve effecten van het zorgen voor anderen. Zo is er de studie Providing social support may be more beneficial than receiving it: results from a prospective study of mortality (betaalpoort), waarin oudere echtparen 5 jaar lang werden gevolgd. Gecontroleerd voor de gezondheid aan het begin van die periode (en voor een aantal andere factoren), was de mortaliteit voor die personen lager die meer hulp hadden gegeven aan vrienden, familie en buren en die hun partner meer emotioneel ondersteund hadden. En in de studie Caregiving Behavior Is Associated With Decreased Mortality Risk werd bij oudere echtparen gevonden dat het zorgen voor de partner de levensduur verlengde, ook weer met controle voor aanvankelijke gezondheidstoestand en andere factoren. Zie ook nog eens eerder dit bericht. En zie Brown en Brown (link bovenaan) voor meer onderzoek met overeenkomstige resultaten.

Dat wij goed gedijen bij het helpen van en zorgen voor anderen is niet zo gek. In de Paleo Sociale Omgeving deden we dat al, getuige de archeologische vondsten die laten zien dat onze verre voorouders al hun best moeten hebben gedaan om gebrekkigen in leven te houden en te ondersteunen. Ook zijn er duidelijke aanwijzingen dat jonge kinderen van 18 maanden gevoelig zijn voor noden van anderen en dat ze gemotiveerd zijn om te helpen. Die gevoeligheid en motivatie zijn kennelijk al als potentie aanwezig. Dat wordt bevestigd door hersenonderzoek en onderzoek naar de werking van oxytocine en progesteron. En bovendien weten we al dat het leiden van een zinvol leven, o.a. gekenmerkt door zorg voor anderen, meer samengaat met welbevinden en gezondheid dan "alleen maar" een gelukkig leven.

Maar dat alles wijst er ook op dat die natuurlijke behoefte om voor anderen te zorgen zijn beperkingen heeft. We zorgen eerder voor degenen met wie we vertrouwd zijn dan voor vreemden. Daar kunnen wij natuurlijk bewust over nadenken, maar het gedrag lijkt meer onbewust en automatisch tot stand te komen. Het wijst op de grote rol van vertrouwdheid in het gedrag van zoogdieren in het algemeen. Ik moest daar aan denken toen ik vorige week de studie Pro-social behavior in rats is modulated by social experience las, die laat zien dat ratten elkaar helpen (om uit een kooitje te ontsnappen), maar alleen als de ander een vertrouwde is. Zo heel bijzonder zijn wij mensen ook weer niet.

En er zijn situaties waarin je in je natuurlijke behoefte om te helpen gefrustreerd wordt door praktische beperkingen. Dat slaat op de vervreemding van de overbelaste mantelzorger. Juist omdat we die zorgbehoefte hebben, levert het stress op als we er niet naar kunnen handelen.

zaterdag 13 juli 2013

De vervreemde mantelzorgers - Mantelzorgers mishandelen uit stress - TROUW

Trouw schrijft dat ouderenmishandeling toeneemt doordat mantelzorgers steeds vaker overbelast raken. Zie de link onderaan. En lees ook eens de vele reacties op dat bericht.

Ouderenombudsman Jan Romme zegt dat iedereen ontzettend zijn best doet, maar dat de regering op de "jonge ouderen" een steeds groter beroep doet. Die moeten niet alleen voor hun kleinkinderen zorgen, omdat de kinderopvang onbetaalbaar is geworden, maar ook hun oude vader of moeder verzorgen, terwijl de dagopvang voor ouderen wordt afgebouwd. En ze moeten langer doorwerken en vrijwilligerswerk doen. Overbelaste mantelzorgers hebben last van slapeloosheid, tobben veel en hebben geen tijd meer voor werk of sociale activiteiten. Dat kan door onmacht en wanhoop leiden tot verwaarlozing en mishandeling.

Stress dus. Die eruit voortkomt dat wij een sterke zorgimpuls hebben, terwijl wij die zorg in onze huidige maatschappelijke omstandigheden en sociale omgeving nauwelijks nog met anderen kunnen delen. Anderen hebben om voor te zorgen ervaren we als een verrijking van het leven, behalve als we er helemaal alleen voor staan. En de kans daarop wordt bij kleinere en sociaal geïsoleerde gezinnen steeds groter. Dat is de tragiek van de vervreemding: De vervreemding van de overbelaste mantelzorger.

Mantelzorgers mishandelen uit stress - Gezondheid - TROUW:

'via Blog this'

zaterdag 16 februari 2013

De vervreemding van de overbelaste mantelzorger

We weten dat mensen graag betaald werk hebben, maar ook dat van alle bezigheden die we op een dag kunnen hebben, betaald werk bijna onderaan staat wat betreft het geluk en de ontspanning die we dan ervaren. We worden gelukkiger van het hebben van betaald werk, in vergelijking met werkloosheid, maar de bezigheid van het werk ervaren we als de op een na (ziek op bed liggen) meest onaangename. Ik ging daar in dit bericht op in, waarin ik dit bij nadere beschouwing merkwaardige fenomeen als vervreemding karakteriseerde.

Maar er viel me nog iets anders op aan dat onderzoek waar ik aan refereerde. Van de 40 bezigheden die mensen konden doen, stond "Zorgen voor of helpen van volwassenen" (zeg, mantelzorg) ook heel laag in de rangorde, precies een plaats boven werken, zowel wat geluk als ontspanning betreft. Om de gedachten te bepalen: heel laag staan ook "Wachten, in de rij staan" (toch nog een plaats hoger) en "Reizen, woon-werk verkeer". Kennelijk worden we heel ongelukkig en gespannen van het zorgen voor volwassenen, van mantelzorg.

Dat is opvallend, want uit ander onderzoek blijkt dat het anderen helpen en het voor anderen zorgen een positief gezondheidseffect kan hebben en de levensduur kan verlengen. In dit bericht ging ik op dat onderzoek in.

Wat is hier aan de hand? Wat ik kan bedenken is dat het hebben van anderen die jou hulp en zorg nodig hebben (partner, familielid, buren, vrienden), je een goed gevoel geeft, omdat het de zin van je leven verhoogt en een doel aan het leven geeft. Het gaat dan om het gevoel nodig te zijn. De afwezigheid van dat gevoel komt misschien al gauw in de buurt van het gevoel van eenzaamheid en daarvan is het negatieve gezondheidseffect bekend.

Tegelijkertijd kan het zijn dat de bezigheid van dat zorgen en helpen vergeleken met andere bezigheden juist heel weinig geluksgevoel en ontspanning verschaft. En dat zou er weer mee te maken kunnen hebben dat deze zorg en hulp, de mantelzorg, vaak op te weinig mensen neerkomt. Door ons sterke sociale isolement van gezinnen raken mantelzorgers snel overbelast.

Dus eigenlijk zouden we een toestand willen waarin we die mantelzorg meer met anderen kunnen delen, zodat het ons wat gemakkelijker gemaakt wordt om aan die natuurlijke behoefte om voor anderen te zorgen, tegemoet te komen. Dat die toestand niet bestaat, is dat eigenlijk ook niet een soort vervreemding?
Update. Net zoals cooperative breeding de natuurlijke toestand is voor het grootbrengen van kinderen, is cooperative care dat voor de zorg voor hulpbehoevende volwassenen en ouderen.

maandag 11 februari 2013

Betaald werk hebben maakt gelukkig, maar betaald werken maakt ongelukkig. Was dat niet vervreemding?

De nieuwe studie Are You Happy While You Work? bevestigt dat het verrichten van betaald werk een bezigheid is die van alle andere bezigheden die mensen op een dag hebben, het geringste geluksgevoel oplevert (en de meeste stress). Alleen het ziek in bed liggen wordt nog minder gewaardeerd. Betaald werk is een last. Maar tegelijk zijn mensen met een betaalde baan gelukkiger dan werklozen. Het hebben van betaald werk geeft zin en waarde aan het leven. Zie eerder het bericht Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Je zou hier schouderophalend kennis van kunnen nemen. Maar het lijkt mij iets om over na te denken. Want wat verlangen wij van de inrichting van een maatschappij? Dat hij ons de mogelijkheden verschaft om de middelen van bestaan te verwerven. Maar in de biologie is het zo dat organismen er zo op geselecteerd zijn dat de handelingen en bezigheden waarmee ze overleven en zich reproduceren ook precies die handelingen en bezigheden zijn die genoegen verschaffen. Dat is het fundamentele biologische mechanisme, althans vanaf de periode in de evolutie dat organismen emoties hadden en zo beoordeelden wat goed voelt en wat niet.

Met dat fundamentele biologische mechanisme hebben wij tot nu toe niet voldoende rekening gehouden bij de inrichting van onze maatschappij. En bovenal bij de inrichting van ons werk en van de arbeidsorganisatie. Want de bezigheid van het betaalde werk blijkt stress op te leveren. En meer stress, hoe hoger de werkdruk en hoe geringer de mogelijkheid om het werk zelf in te richten. En ook het moeten werken in afwezigheid van gezelschap blijkt het werk onaangenamer te maken.

Volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan hebben mensen drie fundamentele levensbehoeften: verbondenheid met anderen, een gevoel van competentie en een gevoel van autonomie. Zie ook dat artikel van Rudi Wielers, Peter van der Meer en mijzelf, waar dat bericht over gaat waar ik in de eerste alinea naar link. Als we inderdaad die drie dingen willen, waarvoor veel empirische evidentie is, dan is het hebben van betaald werk, in plaats van werkloos zijn, inderdaad een goed middel om je een gevoel van competentie te verschaffen. Je kunt voor jezelf zorgen en hoeft je hand niet op te houden.

Maar de bezigheid van betaald werk bestaat er doorgaans uit dat je deel uit maakt van een statushiërarchie, waarbinnen verbondenheid met anderen altijd precair is als hij er al is. En je hebt maar beperkt zeggenschap over de indeling van je werk. Betaald werk komt dus slecht tegemoet aan de behoeften aan verbondenheid en autonomie.

Kortom, daar mee is verklaard dat we allemaal graag een betaalde baan willen, vanwege dat gevoel van competentie, maar dat tegelijkertijd het werk zelf ons niet gelukkig maakt, vanwege de gebrekkige verbondenheid met anderen en de gebrekkige autonomie.

De voor de hand liggende conclusie hoort nu te worden getrokken: er is natuurlijk sinds de tijd van Karl Marx (1818-1883) veel verbeterd, maar nog altijd is de vervreemding niet opgeheven. Ik citeer voor de aardigheid maar even hoe Wikipedia dat begrip uitlegt:
De vervreemding kan op verschillende gebieden plaatsvinden:
  • de arbeider heeft geen controle over het productieproces, maar wordt gecontroleerd door de kapitalist. De arbeider kan alleen maar zijn arbeidskracht aanbieden op de markt;
  • doordat de arbeider slechts een middel is en geen controle heeft over het arbeidsproces, gaat een groot deel van de meerwaarde naar de kapitalist en heeft hij ook geen inspraak op de productie. Hierdoor is het arbeidsproces een sleur en verliest hij de arbeidsvreugde; 
  • ook is hij vervreemd van de maatschappij in het geheel. Vroeger draaide alles meer rond sociale relaties, maar nu is louter het financieel aspect belangrijk; 
  • de creatieve bezigheid in het arbeiden gaat eveneens verloren. De arbeider moet zich schikken naar de wil van de kapitalist.