Nadat Stravinsky zijn Vioolconcert had gecomponeerd, voor zijn vriend, de violist Samuel Dushkin (zie hier voor die prachtige uitvoering door Leila Josefovics in de Zaterdagmatinee), gingen ze samen op tournee. Ten behoeve daarvan bewerkte Stravinsky verschillende delen van zijn Suites voor viool en piano. Zo ontstonden o.a. de Suite Italienne (uit Pulcinella), de Ballad (uit Le Baiser de la Fée) en de Danse Russe (uit Petroesjka).
Maar wat schreef hij eigenlijk rechtstreeks voor viool en piano? Uit een bak in het Muziekcentrum van de Openbare Bibliotheek aan de Oudegracht in Utrecht viste ik de dubbel-CD van Isabella van Keulen en Olli Mustonen met het complete werk van Stravinsky voor viool en piano. Uit eind jaren 80 al weer. En toen bleek me dat hij, ook voor die tournee, het Duo Concertant componeerde.
De uitvoering van Van Keulen/Mustonen is niet op YouTube. Wel die van Stravinsky en Dushkin zelf, uit 1933. Alleen audio, maar met foto's.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
zondag 16 juni 2013
vrijdag 14 juni 2013
Inzicht in de denkfouten van de Duitse (en de Nederlandse!) financieel-economische leiders - Wolfgang Lieb
Wolfgang Lieb geeft helder en, als het niet zo treurig was, vermakelijk inzicht in de drie denkfouten van de Duitse financieel-economische elite. Volg de link onderaan en klik de pdf aan voor zijn presentatie. Die drie denkfouten zijn:
„Die schwäbische Hausfrau“, die Wettbewerbsfähigkeit, die Inflationsangst – die drei Säulenheiligen der deutschen Wirtschafts- und Finanzpolitik | NachDenkSeiten – Die kritische Website:
'via Blog this'
- De fout te denken dat de overheid de economie moet besturen zoals een huisvrouw het huishoudboekje beheert (zie ook hier)
- De fout te denken dat inflatie het grootste gevaar is dat ons nu bedreigt
- De fout te denken dat landen op dezelfde wijze met elkaar moeten concurreren als ondernemingen dat moeten doen
„Die schwäbische Hausfrau“, die Wettbewerbsfähigkeit, die Inflationsangst – die drei Säulenheiligen der deutschen Wirtschafts- und Finanzpolitik | NachDenkSeiten – Die kritische Website:
'via Blog this'
donderdag 13 juni 2013
Waar zijn de leuke initiatieven tegen de eenzaamheid? Petra Metz
Petra Metz reageerde als volgt op het bericht Door eenzaamheid meer stress, grotere kans op ontstekingen en eerder overlijden:
Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplekken
Zelf-organisatie: Groen Dichterbij
Mini-bibliotheekjes in de buurt
Gemeenschappelijk wonen
Een rijk sociaal leven en sterke sociale cohesie zijn maakbaar: de Kersentuin
Is een sociaal buurtleven maakbaar?
LETS en Time Banks (vervolg)
Tellen honden en katten ook mee?
Genoeg tegenwicht tegen berichten waar je treurig van wordt?
Ik wordt altijd zo treurig van zo'n website zoals van "De week tegen de eenzaamheid" vol met onderzoeken over eenzaamheid, uitspraken van experts en nog erger...een vragenlijst "Voel ik me eenzaam". Daar ga ik me pas eenzaam van voelen!Ja, daar zit wat in. Er is niet alleen aandacht voor de problemen nodig, maar ook voor de oplossingen. Vooral als mensen zelf, door zelf-organisatie, die oplossingen bedenken en uitvoeren. En mensen doen zeker al heel veel om eenzaamheid tegen te gaan en om de sociale cohesie te bevorderen. Daar zou dit blog inderdaad meer aandacht aan hebben kunnen besteden, maar toch waren er al deze berichten:
Ik mis op deze site de nadruk op leuke initiatieven zoals oma's die gezamenlijk mee breien aan een kunstwerk, internetclubjes, hoe fijn het is om een hond te hebben of hoe je met je kookkunsten een hoop mensen over de vloer kunt hebben én je nuttig kunt voelen (http://www.thuisafgehaald.nl/).
Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplekken
Zelf-organisatie: Groen Dichterbij
Mini-bibliotheekjes in de buurt
Gemeenschappelijk wonen
Een rijk sociaal leven en sterke sociale cohesie zijn maakbaar: de Kersentuin
Is een sociaal buurtleven maakbaar?
LETS en Time Banks (vervolg)
Tellen honden en katten ook mee?
Genoeg tegenwicht tegen berichten waar je treurig van wordt?
Informatie-asymmetrie en het opgeheven crediteurenvingertje - Jesse Frederik
Als er riskant en onverantwoordelijk uitgeleend en geleend is, ja, dan ligt het toch voor de hand dat beide partijen, de debiteur en de crediteur, daarvoor verantwoordelijkheid dragen. Dat is zo voor de geldstromen die van de Duitse en Nederlandse banken naar Spanje en Griekenland vloeiden en die de Eurocrisis in werking hebben gezet. Je zou zeggen dat het redelijk is dat niet alleen de Spaanse en Griekse overheden en vooral niet alleen de Spaanse en Griekse burgers moeten boeten, maar dat ook die banken hun steentje bijdragen om de problemen op te lossen. Maar nee, vinden de Europese leiders, het is beter de banken te ontzien en om de Spaanse en Griekse burgers offers te vragen. Werkloosheid is natuurlijk wel erg, maar ja, de prijs van arbeid moet nu eenmaal naar beneden.
Het tragische is dat er zich binnen onze landsgrenzen een zelfde proces afspeelt. De banken die er met volle overgave aan hebben meegewerkt om de huizenzeepbel te doen ontstaan, door riskante en exotische hypotheken te verstrekken, slagen er in de huizenbezitters volledig voor de ontstane restschulden te laten opdraaien. De overheid grijpt niet in. Jesse Frederik verbaast zich er over. Zie de link onderaan.
En hij wijst er terecht op dat de banken juist meer verantwoordelijkheid zouden moeten dragen vanwege de op de hypotheekmarkt zo overduidelijk aanwezige informatie-asymmetrie. Informatie is asymmetrisch als de ene partij van een transactie beter op de hoogte is van de kwaliteit van het product dan de andere partij. In dit geval waren de hypotheekverstrekkers veel beter geïnformeerd over de risico's van die exotische hypotheken dan hun klanten. Ze hebben dus heel veel meer omzet gedraaid en winst gemaakt dan ze hadden gedaan als ze hun klanten beter hadden voorgelicht. Of als de overheid hen daartoe eerder had verplicht of als de overheid de hypotheekmarkt strenger had gereguleerd of de hypotheekrente-aftrek nooit had ingevoerd of eerder had beëindigd. Kortom, ligt er nu ook niet een verantwoordelijkheid bij de banken? En dus ook bij de overheid?
Maar nee, deze regering vindt dat alleen de debiteuren, de huizenbezitters met grote restschulden, voor de gevolgen moeten opdraaien. Dat is akelig voor hen. Maar bovendien draagt dat bij aan de verdere stagnatie van de economie. Onbegrijpelijk. Lees vandaag Jesse Frederik.
Het opgeheven crediteurenvingertje - Follow the Money
Het tragische is dat er zich binnen onze landsgrenzen een zelfde proces afspeelt. De banken die er met volle overgave aan hebben meegewerkt om de huizenzeepbel te doen ontstaan, door riskante en exotische hypotheken te verstrekken, slagen er in de huizenbezitters volledig voor de ontstane restschulden te laten opdraaien. De overheid grijpt niet in. Jesse Frederik verbaast zich er over. Zie de link onderaan.
En hij wijst er terecht op dat de banken juist meer verantwoordelijkheid zouden moeten dragen vanwege de op de hypotheekmarkt zo overduidelijk aanwezige informatie-asymmetrie. Informatie is asymmetrisch als de ene partij van een transactie beter op de hoogte is van de kwaliteit van het product dan de andere partij. In dit geval waren de hypotheekverstrekkers veel beter geïnformeerd over de risico's van die exotische hypotheken dan hun klanten. Ze hebben dus heel veel meer omzet gedraaid en winst gemaakt dan ze hadden gedaan als ze hun klanten beter hadden voorgelicht. Of als de overheid hen daartoe eerder had verplicht of als de overheid de hypotheekmarkt strenger had gereguleerd of de hypotheekrente-aftrek nooit had ingevoerd of eerder had beëindigd. Kortom, ligt er nu ook niet een verantwoordelijkheid bij de banken? En dus ook bij de overheid?
Maar nee, deze regering vindt dat alleen de debiteuren, de huizenbezitters met grote restschulden, voor de gevolgen moeten opdraaien. Dat is akelig voor hen. Maar bovendien draagt dat bij aan de verdere stagnatie van de economie. Onbegrijpelijk. Lees vandaag Jesse Frederik.
Het opgeheven crediteurenvingertje - Follow the Money
woensdag 12 juni 2013
Rudi Wielers over de gevaren van ongelijkheid. Nivelleren is geen feest, maar wel bitter noodzakelijk
Vandaag is Rudi Wielers te gast. Gisteravond sprak hij de onderstaande column uit tijdens het debat Nivelleren, een feest? van het Groninger Forum.
Nivelleren is geen
feest (maar bittere noodzaak)!
Nivelleren is geen feest. Mensen vinden het heel vervelend om iets kwijt te raken dat ze als
hun eigendom beschouwen. Het is nog veel vervelender om iets te verliezen
doordat het wordt afgepakt. Veel mensen, zeker ook de mensen met een hoog
inkomen, hebben hoge vaste lasten en zien door nivelleringsoperaties hun vrije
bestedingsruimte aanzienlijk aangetast. Het huis verkopen is geen optie meer.
Nivelleren creëert onzekerheid en onrust. Nivelleren is een pijnlijke operatie.
In politieke discussies over nivelleren is een belangrijke
vraag of de financiële opbrengsten opwegen tegen de kosten van een dergelijke
operatie. Het antwoord is nee. Er zijn zeer ingrijpende operaties nodig wil
nivellering ongelijkheid substantieel reduceren. Nivelleren leidt niet eens tot
een substantiële verbetering van de overheidsfinanciën. Financieel is een
nivelleringsoperatie vrijwel nutteloos.
Toch is nivelleren noodzakelijk om ongelijkheid te
verkleinen. Inkomensongelijkheid gaat
gepaard met veel symptomen van een ernstig ziektebeeld. Ongelijkheid maakt
ziek. Ongelijkheid maakt een samenleving ziek.
Ongelijkheid maakt mensen ziek. Maatschappelijk ongewenste verschijnselen
komen vaker voor in meer ongelijke dan in meer gelijke samenlevingen.
Criminaliteit is een duidelijk voorbeeld. Naarmate de samenleving ongelijker
is, is er meer criminaliteit. Dat is geen vanzelfsprekend verband. Juist in
ongelijke samenlevingen wordt veel, heel veel geïnvesteerd in veiligheid. Door
particulieren, die hun eigendommen beschermen, en door de overheid, die steeds meer gevangenissen
bouwt om het steeds grotere aantal criminelen in op te sluiten. Een aanzienlijk
deel van het verdiende inkomen gaat op aan het verhogen van de veiligheid, maar
in ongelijke samenlevingen blijft de criminaliteit hoog, ondanks de hoge en
dikke muren.
Ongelijke samenlevingen vertonen andere symptomen van
ziekte. Veel van wat we beschouwen als
onze grootste maatschappelijke problemen
hangen direct samen met ongelijkheid. In meer ongelijke samenlevingen hebben
burgers minder sociale relaties met elkaar. In meer ongelijke samenlevingen is
minder verticale sociale mobiliteit, is het dus moeilijker om van een
‘dubbeltje’ een ‘kwartje’ te worden. In ongelijke samenlevingen is niet alleen
meer vermogenscriminaliteit, maar ook meer geweldscriminaliteit. In meer ongelijke samenlevingen worden meer
drugs gebruikt. In meer ongelijke samenlevingen zijn over het geheel genomen de
schoolprestaties van kinderen slechter en is de schooluitval aanmerkelijk
groter. In meer ongelijke samenlevingen is het aantal tienerzwangerschappen
groter. In meer ongelijke samenlevingen
lijden meer mensen onder obesitas. In
meer ongelijke samenlevingen lijden meer mensen onder psychische klachten. In meer ongelijke samenlevingen zijn mensen
minder gezond en leven ze minder lang.
Er is, kortom, een waslijst aan kwalijke symptomen die met
ongelijkheid samenhangen. In de wetenschappelijke literatuur is de afgelopen
jaren op dit terrein veel vooruitgang geboekt.
In de jaren negentig was het verband tussen ongelijkheid en deze
symptomen nog dubieus, net zoals ook het kwalijke effect van roken op de
ongezondheid lang omstreden is geweest. Door de artikelen en het boek The Spirit Level van Richard Wilkinson
en Kate Pickett is die twijfel voor een groot deel weggenomen. Het boek van Wilkinson en Pickett is eigenlijk een saai boek. Ze laten van het
ene na het andere maatschappelijke probleem zien hoe sterk het samenhangt met
ongelijkheid. Hun grafieken laten voortdurend hetzelfde stijgende verband
zien: Hoe groter de ongelijkheid, hoe
groter het probleem. Dat geldt niet alleen voor verschillen tussen landen, maar
ook voor die tussen de staten van de
V.S.
In de wetenschappelijke literatuur is het statistische
verband tussen de ernst van maatschappelijke problemen en de mate van ongelijkheid na het onderzoek
van Wilkinson en Pickett vrijwel niet meer omstreden. De discussie spitst zich
toe op de vraag of ongelijkheid de oorzaak is van het ziektebeeld, of dat
ongelijkheid slechts één van de symptomen is van een dieper proces.
Voor wat
betreft dat diepere proces spitst de belangstelling zich toe op de zogenoemde
‘winnaars-‘ en ‘verliezers-‘effecten. Winnaars
en verliezers-effecten zijn effecten van ongelijkheid, die die ongelijkheid
bestendigen en verder vergroten.
In onze samenleving
komt iemands maatschappelijke positie voor een groot deel tot uitdrukking in de
positie in de inkomenshiërarchie. We
leven niet meer in een standensamenleving, waarin de maatschappelijke positie
al bij de geboorte werd vastgelegd. In een democratische marktsamenleving
kunnen mensen hun talenten ontplooien en worden ze geacht en gestimuleerd om
dat ook te doen. Naarmate de bijdrage
aan de samenleving groter is, zal ook het inkomen hoger zijn; mensen die niet
willen of niet kunnen bijdragen hoeven niet op een houtje te bijten, maar
moeten het met heel wat minder doen. Hun
inkomen is lager, en ze zijn ook opvallend minder gezond. Sociaal-geneeskundigen
en medisch sociologen hebben lang geprobeerd de grote gezondheidsverschillen
tussen de boven- en de onderkant te herleiden tot verschillen in leefstijl.
Lager opgeleiden roken meer, eten vaker vet en drinken meer alcohol.
Maar het wordt steeds
duidelijker dat er vooral ook op het terrein van de gezondheid sterke
‘verliezers’-effecten bestaan. Een kenmerkend voorbeeld van een
verliezerseffect is dat mensen onderaan de inkomenshiërarchie veel meer aan
stress zijn blootgesteld. Stressniveaus
zijn te meten en de laatste jaren is aanmerkelijke vooruitgang geboekt in
kennis van de omstandigheden waaronder stress ontstaat. Stress is een fysieke
reactie op een ongewenste situatie. Ons lichaam produceert het stress-hormoon
cortisol om aan te geven dat we ons in een gevaarlijke situatie bevinden en dat
we er goed aan doen die situatie te ontvluchten. In situaties waarin anderen
over ons oordelen en we het risico van een negatief oordeel niet kunnen
ontlopen, wordt veel cortisol geproduceerd. Mensen laag in de inkomenshiërarchie
zijn veel vaker aan dergelijke situaties blootgesteld dan mensen hoog in de
hiërarchie. De gevolgen van langdurige blootstelling aan stress zijn
groot. Overmatige productie van cortisol
verhoogt de kans op hart- en vaatziekten en tast het immuunsysteem aan. Dat uit zich in psychische klachten, zoals
depressies en burn-out. De persoonlijke
en sociale schade van die gezondheidsproblemen is groot. Evenals de financiële
schade, in de vorm van een verhoogd gebruik van medische zorgvoorzieningen.
Helaas nemen onze rekenmeesters de hoge kosten van die verliezerseffecten niet
waar.
Dit wil niet zeggen dat grote inkomensongelijkheid weldadige
effecten heeft voor mensen bovenin de inkomenshiërarchie. Integendeel, ook zij
zijn gebaat bij gelijkheid. Weliswaar lijden ze minder aan stress, omdat ze
situaties meer naar de hand kunnen zetten, maar het is zeker niet zo dat de rijkste
mensen in een meer ongelijke samenleving gelukkiger zijn dan de rijkste mensen
in een meer gelijke samenleving. De empirische gegevens wijzen eerder op het
tegendeel.
Een verklaring is wellicht
dat rijke mensen in een ongelijke samenleving meer het risico lopen slachtoffer
worden van ‘winnaars’-effecten. Een
‘winnaars’-effect is dat mensen zich niet tevreden stellen met hun succes, maar
bij het inboeken van de overwinning ook hun verwachting naar boven
bijstellen. De zoete smaak van het
succes doet het verlangen naar nog meer succes alleen maar toenemen. Het is dit
mechanisme dat ertoe leidt dat een CEO van een groot bedrijf niet tevreden is
met zijn toch al hoge inkomen, maar vindt dat hij gezien de goede
bedrijfsresultaten recht heeft op meer. Het is lang niet iedereen gegeven om
die verwachtingen onder controle te houden.
Ook hier spelen fysiologische processen. Succes stimuleert de
productie van testosteron, het hormoon dat ons zelfvertrouwen geeft en mensen
niet alleen opgewonden maar ook agressief maakt. Dat zelfvertrouwen en die
agressie zijn nodig om nieuwe prestaties neer te zetten. Succes leidt ook tot
de productie van dopamine, een neurotransmitter, ook wel het
‘verleidingshormoon’ genoemd: de vreugde van het succes gaat gepaard met een
verlangen naar nog groter succes.
Het onder controle houden van verwachtingen is des te
moeilijker in een meer ongelijke samenleving.
In ongelijke samenlevingen wordt de eigen positie zeer sterk bepaald
door de positie in de inkomenshiërarchie en zijn er altijd mensen die op
onterechte gronden meer verdienen. Het gevolg is dat juist in ongelijke
samenlevingen mensen hoog in de inkomenshiërarchie regelmatig ‘footloose’ raken, dat wil zeggen teveel bezig zijn met
hun eigen inkomen en hun positie in de statushiërarchie, waardoor ze het zicht
op de realiteit verliezen. Het gaat dan niet alleen om kunstenaars, voetballers
of popsterren, die het vanwege een uitzonderlijk talent is gelukt een heel hoog
inkomen te verwerven, maar ook om politici en CEO’s van grote bedrijven die de
weg kwijtraken. Pas veel later, in een interview met omroep Max, zijn ze in staat om dat toe te geven.
Er zijn, kortom, goede redenen waarom ook mensen bovenaan de
inkomenshiërarchie gebaat zijn bij meer gelijkheid. We zouden daarom met ons
allen voor ons allen die meer gelijke samenleving moeten nastreven en
maatregelen moeten nemen om die meer gelijke samenleving tot stand te brengen.
Nivelleren is geen feest. Het is een bij tijd en wijle noodzakelijke operatie
om gezond te blijven!
dinsdag 11 juni 2013
Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?
Jantje Beton heeft onderzoek laten doen om uit te zoeken of onze kinderen wel genoeg buiten kunnen spelen. En ze zijn zo verstandig geweest om kinderen zelf daarnaar te vragen. En wat blijkt?
De drie favoriete speelplekken zijn natuur/bos, het schoolplein en een grasveld. Dat natuur/bos staat zowel bij de 6-8 jarigen als bij de 9-12 jarigen bovenaan.
Wat doen kinderen het liefst als ze buiten spelen? Zowel bij de jongere als bij de oudere kinderen staan klimmen/klauteren, fietsen, zelfverzonnen spelletjes, tenten/hutten bouwen en verstoppertje spelen bovenaan.
Is de buurt daarvoor geschikt? Ja, als het gaat om fietsen, zelfverzonnen spelletjes en verstoppertje spelen. Maar nee, als het gaat om klimmen en klauteren en om tenten of hutten bouwen. En ja, ook geschikt om te chillen, springtouwen, stoepkrijten en skateboarden, maar die bezigheden vinden de kinderen juist minder leuk.
Verder vindt tegen de helft van de kinderen de stoepen en pleintjes bij hun huis saai. Evenals de speelplekjes met speeltoestellen in de buurt. Opvallend is dat de 9-12 jarigen de plekken in hun buurt veel saaier vinden dan de 6-8 jarigen. Onze buurten lijken juist voor die iets oudere kinderen tekort te schieten.
Wat moet er volgens de kinderen zelf aan hun buurt verbeteren? Bovenaan staat: meer spannende plekken om te spelen. Maar ook valt op: meer dingen voor oudere kinderen. En: meer kinderen om mee te spelen. En: mensen zouden aardiger en vriendelijker moeten zijn. Zouden ze daardoor meer gaan buitenspelen? Jazeker. Meer dan de helft (54%) zegt dat ze dat zouden doen. En bijna de helft (49%) zegt dat ze dan minder tv zouden kijken en minder op de computer zouden spelen.
Zouden kinderen willen meedenken over hoe je het buitenspelen in hun buurt minder saai zou kunnen maken. Ja! 60% zou dat wel willen. Maken de gemeentes gebruik van die bereidheid? Nee, helemaal niet. Slechts 6% is het afgelopen jaar gevraagd om mee te denken.
Voer om over na te denken. Zoals over dat gegeven dat kinderen meer zouden buiten spelen als meer andere kinderen dat ook zouden doen. Dat betekent dat hier een geweldige winst is te behalen. Elk kind meer dat we naar buiten krijgen, zorgt er voor dat ook andere kinderen dat doen. Dit vraagt om actie! Van die kinderen zelf. Maar ook van hun ouders.
Maar natuurlijk ook van de gemeentes. Er moet hier in de buurten en dorpen nog veel meer gebeuren. Niet alleen maar die obligate speelplekken met die "speeltoestellen". Oké, die moeten er ook zijn. Maar alsjeblieft, meer spannende plekken, meer groen en niet alleen maar de keurig aangeharkte parkjes. Zie ook: Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplaatsen in de wijk. En zou niet elke buurt een kinderraad moeten hebben? Dát zou pas goed zijn voor kinderen.
En: als kinderen meer buiten spelen, heeft dat voor iedereen positieve effecten. Want volwassenen en ouderen horen mee te maken dat kinderen buiten spelen. Dat maakt het leven aangenamer. En misschien worden ze daardoor ook wel aardiger en vriendelijker en zorgen ze er daarmee voor dat nog meer kinderen buiten gaan spelen.
De drie favoriete speelplekken zijn natuur/bos, het schoolplein en een grasveld. Dat natuur/bos staat zowel bij de 6-8 jarigen als bij de 9-12 jarigen bovenaan.
Wat doen kinderen het liefst als ze buiten spelen? Zowel bij de jongere als bij de oudere kinderen staan klimmen/klauteren, fietsen, zelfverzonnen spelletjes, tenten/hutten bouwen en verstoppertje spelen bovenaan.
Is de buurt daarvoor geschikt? Ja, als het gaat om fietsen, zelfverzonnen spelletjes en verstoppertje spelen. Maar nee, als het gaat om klimmen en klauteren en om tenten of hutten bouwen. En ja, ook geschikt om te chillen, springtouwen, stoepkrijten en skateboarden, maar die bezigheden vinden de kinderen juist minder leuk.
Verder vindt tegen de helft van de kinderen de stoepen en pleintjes bij hun huis saai. Evenals de speelplekjes met speeltoestellen in de buurt. Opvallend is dat de 9-12 jarigen de plekken in hun buurt veel saaier vinden dan de 6-8 jarigen. Onze buurten lijken juist voor die iets oudere kinderen tekort te schieten.
Wat moet er volgens de kinderen zelf aan hun buurt verbeteren? Bovenaan staat: meer spannende plekken om te spelen. Maar ook valt op: meer dingen voor oudere kinderen. En: meer kinderen om mee te spelen. En: mensen zouden aardiger en vriendelijker moeten zijn. Zouden ze daardoor meer gaan buitenspelen? Jazeker. Meer dan de helft (54%) zegt dat ze dat zouden doen. En bijna de helft (49%) zegt dat ze dan minder tv zouden kijken en minder op de computer zouden spelen.
Zouden kinderen willen meedenken over hoe je het buitenspelen in hun buurt minder saai zou kunnen maken. Ja! 60% zou dat wel willen. Maken de gemeentes gebruik van die bereidheid? Nee, helemaal niet. Slechts 6% is het afgelopen jaar gevraagd om mee te denken.
Voer om over na te denken. Zoals over dat gegeven dat kinderen meer zouden buiten spelen als meer andere kinderen dat ook zouden doen. Dat betekent dat hier een geweldige winst is te behalen. Elk kind meer dat we naar buiten krijgen, zorgt er voor dat ook andere kinderen dat doen. Dit vraagt om actie! Van die kinderen zelf. Maar ook van hun ouders.
Maar natuurlijk ook van de gemeentes. Er moet hier in de buurten en dorpen nog veel meer gebeuren. Niet alleen maar die obligate speelplekken met die "speeltoestellen". Oké, die moeten er ook zijn. Maar alsjeblieft, meer spannende plekken, meer groen en niet alleen maar de keurig aangeharkte parkjes. Zie ook: Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplaatsen in de wijk. En zou niet elke buurt een kinderraad moeten hebben? Dát zou pas goed zijn voor kinderen.
En: als kinderen meer buiten spelen, heeft dat voor iedereen positieve effecten. Want volwassenen en ouderen horen mee te maken dat kinderen buiten spelen. Dat maakt het leven aangenamer. En misschien worden ze daardoor ook wel aardiger en vriendelijker en zorgen ze er daarmee voor dat nog meer kinderen buiten gaan spelen.
donderdag 6 juni 2013
Door eenzaamheid meer stress, grotere kans op ontstekingen en eerder overlijden
Mensen hebben met andere sociale dieren gemeen dat ze slecht tegen eenzaamheid kunnen. Sterker, ze worden er ziek van. Er is al veel onderzoek dat in die richting wijst. Zie Eenzaamheid maakt ziek. Maar hoe?, Gezondheid en sociale omgeving (1), Gezondheid en sociale omgeving (3): sociale relaties en mortaliteit, een meta-analyse en Gezondheid en sociale omgeving (6): de lichamelijke mechanismen.
Maar er zijn nog wel vragen over hoe dat precies werkt. Hoe kan het dat als je eenzaam bent, maar niet rookt, niet teveel drinkt, gezond eet en genoeg beweegt, toch een verhoogde kans hebt om ziek te worden?
Een van de wegen waarlangs dat kan gebeuren is dat eenzaamheid onveiligheidsgevoelens en chronische (allostatische) stress met zich meebrengt en dat daardoor het immuunsysteem slechter gaat functioneren. Wat zich uit in een verhoogde kans op inflammaties (een duur woord voor ontstekingen), wat weer samenhangt met cardiovasculaire problemen (hart en bloedvaten) en met verschillende vormen van kanker. En daardoor met een verhoogde kans op overlijden (mortaliteit).
De nieuwe studie Social Isolation and Adult Mortality: The Role of Chronic Inflammation and Sex Differences (betaalpoort) versterkt de al bestaande aanwijzingen die in deze richting wezen. In de Verenigde Staten werd een representatieve steekproef van ruim 9000 mensen van 40 jaar en ouder 18 jaar lang gevolgd. Hun mate van eenzaamheid werd gemeten met een index bestaande uit: wel/niet getrouwd, wel/niet contacten met vrienden en familie, wel/niet kerkbezoek en wel/niet lid van verenigingen. Het blijkt dan dat de meer eenzamen onder hen een verhoogde kans hadden op overlijden en dat die kans samenhing met chronische ontstekingen. De kans is groter voor mannen dan voor vrouwen.
Hoe komt het toch dat wij mensen een zo essentiële en fysieke behoefte hebben aan sociale contacten en tegelijkertijd een maatschappij inrichten of laten ontstaan waarin eenzaamheid zoveel voorkomt? Dat moet wel haast betekenen dat we, dat wil zeggen, de niet-eenzamen of de nog niet-eenzamen, de gevaren van eenzaamheid systematisch onderschatten. Misschien omdat we het moeilijk vinden om er bij stil te staan. Dat maakt initiatieven als De week tegen de eenzaamheid heel nuttig en belangrijk.
Maar er zijn nog wel vragen over hoe dat precies werkt. Hoe kan het dat als je eenzaam bent, maar niet rookt, niet teveel drinkt, gezond eet en genoeg beweegt, toch een verhoogde kans hebt om ziek te worden?
Een van de wegen waarlangs dat kan gebeuren is dat eenzaamheid onveiligheidsgevoelens en chronische (allostatische) stress met zich meebrengt en dat daardoor het immuunsysteem slechter gaat functioneren. Wat zich uit in een verhoogde kans op inflammaties (een duur woord voor ontstekingen), wat weer samenhangt met cardiovasculaire problemen (hart en bloedvaten) en met verschillende vormen van kanker. En daardoor met een verhoogde kans op overlijden (mortaliteit).
De nieuwe studie Social Isolation and Adult Mortality: The Role of Chronic Inflammation and Sex Differences (betaalpoort) versterkt de al bestaande aanwijzingen die in deze richting wezen. In de Verenigde Staten werd een representatieve steekproef van ruim 9000 mensen van 40 jaar en ouder 18 jaar lang gevolgd. Hun mate van eenzaamheid werd gemeten met een index bestaande uit: wel/niet getrouwd, wel/niet contacten met vrienden en familie, wel/niet kerkbezoek en wel/niet lid van verenigingen. Het blijkt dan dat de meer eenzamen onder hen een verhoogde kans hadden op overlijden en dat die kans samenhing met chronische ontstekingen. De kans is groter voor mannen dan voor vrouwen.
Hoe komt het toch dat wij mensen een zo essentiële en fysieke behoefte hebben aan sociale contacten en tegelijkertijd een maatschappij inrichten of laten ontstaan waarin eenzaamheid zoveel voorkomt? Dat moet wel haast betekenen dat we, dat wil zeggen, de niet-eenzamen of de nog niet-eenzamen, de gevaren van eenzaamheid systematisch onderschatten. Misschien omdat we het moeilijk vinden om er bij stil te staan. Dat maakt initiatieven als De week tegen de eenzaamheid heel nuttig en belangrijk.
dinsdag 4 juni 2013
De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie
De sociale omgeving die wij voor onze adolescenten creëren, is die van hun leeftijdsgenoten, hun peers. En in die omgeving moeten ze hun weg zien te vinden. Wat betekent dat?
Wij mensen zijn zo geëvolueerd dat we van nature uitgerust zijn met twee gedragspatronen, het gemeenschapsgedrag en het statuscompetitiegedrag.
Gemeenschapsgedrag bestaat uit het onderhouden van goede relaties met anderen en het met elkaar pro-sociaal gedrag tot stand brengen, door het goede voorbeeld te geven en zo nodig door elkaar terecht te wijzen (sociale controle). En statuscompetitie gedrag bestaat er uit, het woord zegt het al, dat je met elkaar in een strijd verwikkeld bent om de hoogste status en dat je weet te functioneren in een statushiërarchie als die er eenmaal is. Je domineert de anderen of je onderwerpt je aan anderen.
Kort gezegd, zul je gemeenschapsgedrag vertonen als anderen om jou heen dat ook doen. En zul je "kiezen" voor statuscompetitiegedrag als je dat gedrag om jou heen waarneemt. Het is slim om meer dan één gedragsrepertoire te hebben en de evolutie heeft daar "dus", door fenotypische plasticiteit, voor gezorgd. Zie Dual Mode-theorie.
Maar het is natuurlijk niet altijd even duidelijk in wat voor sociale omgeving je bent beland. Die onduidelijkheid creëren wij van dag tot dag voor onze adolescenten. Die groeien niet op, zoals in de Paleo Sociale Omgeving, in een leeftijdsheterogene groep van mensen die ze kennen en die elkaar kennen. Dat zou eenduidig wijzen in de richting van gemeenschapsgedrag. Maar in de leeftijdshomogene peer group van onze huidige maatschappij, waarvan de leden niet samen zijn opgegroeid, heerst er ambivalentie. Gaan we de gemeenschapskant op? Wat zou kunnen, want dat gedrag dat kennen we allemaal. Of beginnen we de statuscompetitie? Kan ook, want ook daartoe zijn we in staat.
En dat is precies de sociale uitdaging van de adolescentie. Dat die uitdaging reëel is, blijkt het het vele onderzoek naar wat pubers belangrijk vinden en zeggen na te streven. In zulk onderzoek, zoals in de pas verschenen studie Adolescents’ Social Status Goals: Relationships to Social Status Insecurity, Aggression, and Prosocial Behavior (betaalpoort) van Yan Li en Michelle F. Wright, krijgen pubers vragenlijstjes voorgelegd over wat ze nastreven. Zo wordt het nastreven van gemeenschapsgedrag (in het onderzoek sociale preference goal genoemd) gemeten door pubers te vragen in hoeverre ze deze vijf uitspraken onderschrijven:
Dat wijst op die ambivalentie: de aard van de sociale omgeving laat nog beide mogelijkheden open. Nog, want gedurende het ouder worden blijken adolescenten meer voor het ene of het andere te kiezen. Daar moet een ingewikkeld sociaal proces aan ten grondslag liggen. Enerzijds komen sommigen toevallig terecht in een oftewel meer gemeenschapsomgeving oftewel meer statuscompetitie-omgeving en daar passen ze zich bij aan. Maar anderzijds creëren adolescenten ook zelf hun eigen sociale omgeving, door elkaar te selecteren. Degene die meer naar gemeenschapsgedrag neigen zoeken elkaar op, evenals degenen die meer neigen tot statuscompetitiegedrag. Anders gezegd, terwijl eerst iedereen wel alles wil, ontstaat er een proces van beïnvloeding en herschikking, waardoor er gemeenschapsgroepjes en statuscompetitiegroepjes uitkristalliseren. En zo komen adolescenten de volwassen maatschappij binnen. Vandaar dat onze maatschappij een amalgaam is van gemeenschap en statuscompetitie.
Wat zegt dit nu over het gedrag? Wat je zou verwachten. Als je statistisch constant houdt voor het nastreven van statuscompetitie, dan zijn degenen die meer streven naar gemeenschap minder (fysiek en relationeel) agressief en meer pro-sociaal. En andersom, degenen die meer statuscompetitie nastreven, vertonen meer agressief en minder pro-sociaal gedrag. Hier vind je dus de differentiatie tussen het zogenaamde positieve en het negatieve ontwikkelingstraject. Door de sociale uitdaging waaraan wij onze adolescenten blootstellen, kan het de goede kant opgaan, maar ook de verkeerde. En dat lijken wij vanzelfsprekend te vinden.
Die sociale uitdaging kan pubers natuurlijk ook onzeker maken. Onzeker over of ze wel aardig genoeg gevonden worden en onzeker over of ze wel populair genoeg zijn. En het blijkt nu dat die onzekerheid op zich maakt dat pubers meer neigen naar die statuscompetitie. Als een uitweg uit de onzekerheid. Onzekerheid maakt dat je vooral status gaat nastreven. Pijnlijk en jammer.
Wij mensen zijn zo geëvolueerd dat we van nature uitgerust zijn met twee gedragspatronen, het gemeenschapsgedrag en het statuscompetitiegedrag.
Gemeenschapsgedrag bestaat uit het onderhouden van goede relaties met anderen en het met elkaar pro-sociaal gedrag tot stand brengen, door het goede voorbeeld te geven en zo nodig door elkaar terecht te wijzen (sociale controle). En statuscompetitie gedrag bestaat er uit, het woord zegt het al, dat je met elkaar in een strijd verwikkeld bent om de hoogste status en dat je weet te functioneren in een statushiërarchie als die er eenmaal is. Je domineert de anderen of je onderwerpt je aan anderen.
Kort gezegd, zul je gemeenschapsgedrag vertonen als anderen om jou heen dat ook doen. En zul je "kiezen" voor statuscompetitiegedrag als je dat gedrag om jou heen waarneemt. Het is slim om meer dan één gedragsrepertoire te hebben en de evolutie heeft daar "dus", door fenotypische plasticiteit, voor gezorgd. Zie Dual Mode-theorie.
Maar het is natuurlijk niet altijd even duidelijk in wat voor sociale omgeving je bent beland. Die onduidelijkheid creëren wij van dag tot dag voor onze adolescenten. Die groeien niet op, zoals in de Paleo Sociale Omgeving, in een leeftijdsheterogene groep van mensen die ze kennen en die elkaar kennen. Dat zou eenduidig wijzen in de richting van gemeenschapsgedrag. Maar in de leeftijdshomogene peer group van onze huidige maatschappij, waarvan de leden niet samen zijn opgegroeid, heerst er ambivalentie. Gaan we de gemeenschapskant op? Wat zou kunnen, want dat gedrag dat kennen we allemaal. Of beginnen we de statuscompetitie? Kan ook, want ook daartoe zijn we in staat.
En dat is precies de sociale uitdaging van de adolescentie. Dat die uitdaging reëel is, blijkt het het vele onderzoek naar wat pubers belangrijk vinden en zeggen na te streven. In zulk onderzoek, zoals in de pas verschenen studie Adolescents’ Social Status Goals: Relationships to Social Status Insecurity, Aggression, and Prosocial Behavior (betaalpoort) van Yan Li en Michelle F. Wright, krijgen pubers vragenlijstjes voorgelegd over wat ze nastreven. Zo wordt het nastreven van gemeenschapsgedrag (in het onderzoek sociale preference goal genoemd) gemeten door pubers te vragen in hoeverre ze deze vijf uitspraken onderschrijven:
1. I want to be well liked by my peersEn bij statuscompetitiegedrag (popularity goal genoemd) gaat het om deze zes uitspraken:
2. I want to be accepted by my peers
3. I want to be perceived as a good person
4. I want to be accepting to my peers
5. I don’t want to be disliked
1. I want to be popular among my peersEn wat blijkt nu? Kinderen en adolescenten onderschrijven in behoorlijke mate beide groepen uitspraken. Er is een gematigd positieve correlatie tussen die twee.
2. I want to be included in popular peer groups
3. I want to have influence over my peers
4. I want to be well-known among my peers
5. I want to be dominant among my peers
6. I want to be socially central among my peers
Dat wijst op die ambivalentie: de aard van de sociale omgeving laat nog beide mogelijkheden open. Nog, want gedurende het ouder worden blijken adolescenten meer voor het ene of het andere te kiezen. Daar moet een ingewikkeld sociaal proces aan ten grondslag liggen. Enerzijds komen sommigen toevallig terecht in een oftewel meer gemeenschapsomgeving oftewel meer statuscompetitie-omgeving en daar passen ze zich bij aan. Maar anderzijds creëren adolescenten ook zelf hun eigen sociale omgeving, door elkaar te selecteren. Degene die meer naar gemeenschapsgedrag neigen zoeken elkaar op, evenals degenen die meer neigen tot statuscompetitiegedrag. Anders gezegd, terwijl eerst iedereen wel alles wil, ontstaat er een proces van beïnvloeding en herschikking, waardoor er gemeenschapsgroepjes en statuscompetitiegroepjes uitkristalliseren. En zo komen adolescenten de volwassen maatschappij binnen. Vandaar dat onze maatschappij een amalgaam is van gemeenschap en statuscompetitie.
Wat zegt dit nu over het gedrag? Wat je zou verwachten. Als je statistisch constant houdt voor het nastreven van statuscompetitie, dan zijn degenen die meer streven naar gemeenschap minder (fysiek en relationeel) agressief en meer pro-sociaal. En andersom, degenen die meer statuscompetitie nastreven, vertonen meer agressief en minder pro-sociaal gedrag. Hier vind je dus de differentiatie tussen het zogenaamde positieve en het negatieve ontwikkelingstraject. Door de sociale uitdaging waaraan wij onze adolescenten blootstellen, kan het de goede kant opgaan, maar ook de verkeerde. En dat lijken wij vanzelfsprekend te vinden.
Die sociale uitdaging kan pubers natuurlijk ook onzeker maken. Onzeker over of ze wel aardig genoeg gevonden worden en onzeker over of ze wel populair genoeg zijn. En het blijkt nu dat die onzekerheid op zich maakt dat pubers meer neigen naar die statuscompetitie. Als een uitweg uit de onzekerheid. Onzekerheid maakt dat je vooral status gaat nastreven. Pijnlijk en jammer.
zondag 2 juni 2013
Muziek voor de zondagochtend - Igor Stravinsky: Symfonie voor blazers
Na vorige week het Vioolconcert van Stravinsky in de zondagochtendmuziek, was er deze week veel media-aandacht voor zijn Sacre du Printemps, omdat precies 100 jaar geleden de première daarvan nogal wat ophef veroorzaakte. We hebben dus genoeg gelegenheid gehad om naar de Sacre te luisteren. Daarom nu een uitvoering door het Nederlands Blazersensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw van zijn Symfonie voor blazers. Gecomponeerd in 1920, maar dit is de versie uit 1947. Aan het eind een kijkje in het verleden: een bejaarde Stravinsky met wandelstok op het dek van een passagiersschip.
zaterdag 1 juni 2013
Het gaat niet om de economen, maar om hun modellen - De glibberige blunderjacht van Jesse Frederik
Jesse Frederik had vandaag een lang en vermakelijk stuk in de Vonk-bijlage van De Volkskrant. Onder de titel Een glibberige blunderjacht doet hij verslag van, ja, eigenlijk van zijn belevenissen bij het schrijven van een artikel over de verkeerde voorspellingen van enkele Nederlandse economen. Zoals daar zijn: Van Wijnbergen, Boelhouwer, Eiffinger en Bouman.
Over economenblunders dus. Hij had hun twijfelachtige uitspraken uit het verleden bijgehouden en hen daar nu mee geconfronteerd en om een reactie gevraagd. Die bleef uit of was zo agressief (Van Wijnbergen) dat de redactie ging twijfelen of ze het wel aandurfden om het artikel te plaatsen. Uiteindelijk is het dan dit artikel geworden, een persoonlijk verslag van iemand die flaters verzamelde en van de communicatie (of de afwezigheid daarvan) met de economen die die flaters maakten. Overbodig te zeggen dat die economen hun fouten niet toegaven.
Vermakelijk. Maar ik moest ook denken aan een blogbericht van Paul Krugman al weer een tijd geleden. Zoals bekend maakt Krugman zich geregeld druk over vakgenoten die het bij het verkeerde eind hadden en hebben. En hij is gewend om zulke dingen ronduit, zonder omhaal van woorden, te zeggen. Dat levert hem vaak agressieve reacties op, maar ook veel bijval.
Beide zijn vaak persoonlijk van aard. Wat voor hem aanleiding was om aan zijn vele volgers (was niet onlangs het miljoen overschreden?) uit te leggen dat het er niet om gaat welke persoon gelijk heeft, maar welk model de goede voorspellingen weet te genereren.
Dat leek mij een heel belangrijke aansporing: het gaat niet om de personen en om hun bijzondere begaafdheden of juist het ontbreken daarvan. Het gaat er om welk onderliggend model van de economische werkelijkheid is gebruikt om tot een voorspelling of een stellingname te komen. En de discussies moeten dus gaan over de waarde van die modellen, want die kun je aanpassen, of overboord gooien, als de er uit afgeleide voorspellingen niet uitkomen. De personen zijn slechts bijzaak.
Jammer dat Jesse Frederik het te weinig, eigenlijk helemaal niet, over die modellen heeft. Dat maakt het artikel wel vermakelijk omdat het personen zijn die geblunderd hebben. Maar ik had toch liever het intellectuele genoegen gehad van te zien hoe modellen gefaald hebben.
Dat blogbericht van Paul Krugman kan dit geweest zijn, dat van november vorig jaar dateert. Het eindigt, op zijn Krugmaniaans, met:
Over economenblunders dus. Hij had hun twijfelachtige uitspraken uit het verleden bijgehouden en hen daar nu mee geconfronteerd en om een reactie gevraagd. Die bleef uit of was zo agressief (Van Wijnbergen) dat de redactie ging twijfelen of ze het wel aandurfden om het artikel te plaatsen. Uiteindelijk is het dan dit artikel geworden, een persoonlijk verslag van iemand die flaters verzamelde en van de communicatie (of de afwezigheid daarvan) met de economen die die flaters maakten. Overbodig te zeggen dat die economen hun fouten niet toegaven.
Vermakelijk. Maar ik moest ook denken aan een blogbericht van Paul Krugman al weer een tijd geleden. Zoals bekend maakt Krugman zich geregeld druk over vakgenoten die het bij het verkeerde eind hadden en hebben. En hij is gewend om zulke dingen ronduit, zonder omhaal van woorden, te zeggen. Dat levert hem vaak agressieve reacties op, maar ook veel bijval.
Beide zijn vaak persoonlijk van aard. Wat voor hem aanleiding was om aan zijn vele volgers (was niet onlangs het miljoen overschreden?) uit te leggen dat het er niet om gaat welke persoon gelijk heeft, maar welk model de goede voorspellingen weet te genereren.
Dat leek mij een heel belangrijke aansporing: het gaat niet om de personen en om hun bijzondere begaafdheden of juist het ontbreken daarvan. Het gaat er om welk onderliggend model van de economische werkelijkheid is gebruikt om tot een voorspelling of een stellingname te komen. En de discussies moeten dus gaan over de waarde van die modellen, want die kun je aanpassen, of overboord gooien, als de er uit afgeleide voorspellingen niet uitkomen. De personen zijn slechts bijzaak.
Jammer dat Jesse Frederik het te weinig, eigenlijk helemaal niet, over die modellen heeft. Dat maakt het artikel wel vermakelijk omdat het personen zijn die geblunderd hebben. Maar ik had toch liever het intellectuele genoegen gehad van te zien hoe modellen gefaald hebben.
Dat blogbericht van Paul Krugman kan dit geweest zijn, dat van november vorig jaar dateert. Het eindigt, op zijn Krugmaniaans, met:
So you should try to think in terms of models; it will make you a better person.
Abonneren op:
Posts (Atom)