woensdag 17 december 2014

Postnatale depressie en het sociale isolement van gezinnen

In de nieuwe studie Is Postpartum Depression a Disease of Modern Civilization? (betaalpoort) vragen de psychologen Jennifer Hahn-Holbrook en Martie Haselton zich af of de hoge prevalentie van postnatale depressie voortkomt uit kenmerken van onze huidige leefwijze. Is postnatale depressie net als obesitas, diabetes en hart- en vaatziekten een moderne beschavingsziekte? En spelen ook sociale kenmerken daarin een rol, zoals het historisch gezien grote sociale isolement van onze gezinnen?

Allereerst: komt postnatale depressie inderdaad zoveel voor? Ja, dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Wereldwijd wordt geschat dat 13 procent van de vrouwen last heeft van depressieve symptomen in de eerste drie maanden na de bevalling. (Na wat zoeken kom ik voor Nederland schattingen tegen van tussen de 10 en 14 procent. En ik ontdek dat postnatale depressies niet worden geregistreerd.) Dat is een hoog percentage, gezien de schadelijke effecten die bekend zijn, zoals minder goede zorg voor de pasgeborene en grotere kans op cognitieve, sociale en gezondheidsproblemen op latere leeftijd. Er is zelfs een verband met kindersterfte.

De onderzoekers gaan na of dit er aan zou kunnen liggen dat onze leefwijze teveel afwijkt van de omstandigheden waaraan wij in ons evolutionaire verleden zijn aangepast. De omstandigheden dus van de pre-landbouwsamenlevingen. Deze mismatch-hypothese onderzoeken ze op het vlak van dieet, borstvoeding, fysieke beweging en blootstelling aan zonlicht.

Maar ook op het sociale vlak, namelijk als het gaat om het sociale isolement van gezinnen, dat zo kenmerkend is voor onze huidige leefwijze in vergelijking met de Paleo Sociale Omgeving.

Het blijkt namelijk dat de kans op postnatale depressie groter is bij minder sociale steun van de kant van grootouders, familie en vrienden. En dat komt natuurlijk doordat familie en vrienden vaak niet in de buurt wonen en doordat het veel voorkomt dat wij onze buren niet zo goed kennen. Bovendien zijn onze gezinnen klein en worden onze kinderen veelal met korte tussenpozen geboren. Daardoor is er ook weinig kans dat oudere kinderen bij de zorg te hulp kunnen schieten. (Wat trouwens ook goed zou zijn voor hun sociale ontwikkeling.)

Historisch gezien is dat een uitzonderlijke toestand. De grote mate van sociale steun voor en na de bevalling die in de Paleo Sociale Omgeving bestond, is waarschijnlijk cruciaal geweest in de selectie waaraan onze verre voorouders werden blootgesteld. Zonder die coöperatieve zorg hadden wij nu niet bestaan.

Jammer dat wij er met zijn allen zo slecht in slagen om die sociale omgeving die moeders en kinderen, en wij allemaal, zo nodig hebben ook voldoende tot stand te brengen.

Meer weten? Zie ook dit artikel op het blog van de Huffington Post.

dinsdag 16 december 2014

Gaat het vuurwerkverbod werken?

De komende Oudejaarsdag is het voor het eerst verboden om overdag vuurwerk af te steken. Tot vorig jaar mocht dat nog vanaf 10 uur (tot 2 uur 's nachts). Maar de Tweede Kamer heeft besloten dat het nu pas vanaf 18 uur is toegestaan. Bovendien hebben veel gemeenten vuurwerkvrije zones ingesteld, zoals gebieden rondom winkelcentra, verzorgingshuizen, monumentale panden en waar veel dieren verblijven.

Ik noteer dat natuurlijk met veel instemming. Want in eerdere berichten behandelde ik de argumenten die voor deze maatregelen pleiten. Zie Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen (van 30 november 2012) en Verbieden en ontmoedigen - rookverbod en vuurwerkverbod (van 31 januari 2013).

Eigenlijk is hiermee alsnog een voornemen uitgevoerd van het kabinet-Balkenende IV (2007-2010). Dat kabinet slikte echter dat voornemen in na het advies van de Commissie - De Graaff. De vertegenwoordiging van de politie in die Commissie had een negatief advies weten te bewerkstelligen, met als argument dat de politie het verbod niet zou kunnen handhaven. De grote politie-inzet in de Oudejaarsnacht zou extra inzet overdag onmogelijk maken.

Voor dat argument is natuurlijk wel begrip op te brengen. Maar ik vond het een te strikt bestuurlijke aanpak. Want een verbod kan ook sociale gevolgen hebben. In de zin dat mensen de rechtvaardigheid er van kunnen inzien en dus ook zonder meer politiecontrole bereid zijn om het verbod op te volgen. Bovendien wordt het met een wettelijk verbod voor ouders (van rotjes afstekende jongens) en voor buurtbewoners gemakkelijker om er wat van te zeggen als er toch vuurwerk wordt afgestoken. Ik ben dus optimistisch over de werking van het verbod.

Wetgeving heeft naast bestuurlijke implicaties ook vaak sociale gevolgen en het is zaak om daar ook goed oog voor te hebben. Lees zo nodig nog eens die twee berichten waar ik hier boven naar link.

Ik bedacht overigens dat die berichten best nog wel van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming. Want ze zijn veel gelezen. Dat eerste bericht staat op plaats 4 van de meest gelezen berichten van dit blog (dat sinds augustus 2011 in de lucht is), met op dit moment 1401 hits en dat loopt nog steeds op. (Op nummer 1 staat Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag? met 8182 hits.)

Maar nu komt straks natuurlijk het uur van de waarheid. Want de politie heeft al aangekondigd dat er op Oudejaarsdag overdag geen extra inzet zal zijn. En de burgemeesters hebben daar kennelijk mee ingestemd of zich er bij neergelegd. Zie Geen extra politie voor vuurwerkoverlast. Als het nu een fiasco wordt en ons overdag weer als vanouds de rotjes om de oren vliegen, dan is dat natuurlijk wel een weerlegging van mijn argumenten.

Ik ben heel benieuwd.

maandag 15 december 2014

Politieke partijen moeten kritischer zijn over het Centraal Plan Bureau

Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog hebben we in Nederland het Centraal Plan Bureau, dat o.a. tot taak heeft om de gevolgen voor de economie van nieuw beleid en beleidswijzigingen te analyseren. Dat heeft er in de loop van de jaren toe geleid dat politieke partijen hun verkiezingsprogramma's door het CPB laten doorrekenen.

Dat heeft voordelen, omdat je daarmee voorkomt dat politici van alles beloven dat ze later niet waar kunnen maken. En zo de kiezers een rad voor ogen draaien. Er zijn andere landen die graag ook zo een instituut zouden hebben.

Maar er zijn ook nadelen. Want het CPB heeft voor die analyses een model van de gehele economie nodig waarin nogal wat veronderstellingen liggen besloten. Uiteraard horen die zo goed mogelijk empirisch te zijn onderbouwd. En als dat niet goed mogelijk is, omdat er nog niet genoeg onderzoek is of omdat verschillende studies elkaar tegenspreken, dan zou het CPB daar met zoveel woorden op moeten wijzen. En zeker zou het CPB moeten zien te voorkomen dat er twijfels ontstaan over de zorgvuldigheid waarmee met die veronderstellingen van het model wordt omgegaan.

En helaas bestaan die twijfels er. Hans de Geus wijst daarop in zijn HET CPB, MACHTIG INSTITUUT MET TUNNELVISIE van twee dagen geleden. Aan de hand van drie onderwerpen (loonmatiging, pensioensparen en bezuinigen) laat hij zien hoe het CPB in zijn analyses keuzes maakt ten aanzien van de veronderstellingen die in het model worden gestopt, die niet goed empirisch zijn onderbouwd. Dat wil zeggen, het CPB schiet tekort in het duidelijk naar voren halen van die keuzes en het wijzen op de onzekerheden die daarmee samenhangen.

Waarom doet het CPB dat? Het kan zijn dat de mensen die er werken gewoon niet goed genoeg zijn. Niet goed op de hoogte zijn van het gehele scala aan het beschikbare onderzoek. Zich dus niet goed genoeg informeren. Ik ging daarop in in het bericht Hoe goed is het Centraal Planbureau? CPB beoordeeld. En in het bericht Prestatiebeloning in het onderwijs geen goed idee.

Daarin verbaasde ik me er over dat de meeste politieke partijen ineens voorstander waren geworden van prestatiebeloning in het onderwijs. Ik ontdekte toen dat het CPB had besloten om in de doorrekening van verkiezingsprogramma's extra punten toe te kennen aan het voornemen om in het onderwijs prestatiebeloning in te voeren. Op grond waarvan? Op grond van één onderzoek, dat bovendien voortijdig werd afgebroken. Waarbij het vele onderzoek dat wijst op negatieve effecten van prestatiebeloning gewoon was genegeerd.

Dat zoiets gebeurt, stemt bepaald niet gerust. Maar het kan bovendien zijn dat de medewerkers van het CPB zelf ook een visie hebben op welke beleidsvoornemens meer gewenst zijn dan andere. En dus door die visie (ideologie) gekleurde keuzes maken over welk onderzoek ze wel of niet in de onderbouwing van hun veronderstellingen meenemen. 

En volgens Hans de Geus is dat laatste ook het geval. Verwijzend naar het onderzoek ‘As the Central Planning Bureau says’. The Dutch wage restraint paradigm, its sustaining epistemic community and its relevance for comparative research van Becker en Hendriks, maakt hij aannemelijk dat het CPB een centrale rol heeft gespeeld in het groepsdenken dat op bredere schaal bestond (en bestaat) over de wenselijkheid van loonmatiging.

Evenzo heeft het CPB meegezongen in het groepsdenken, de bezuinigingszeepbel noem ik dat, over de noodzaak van bezuinigen na het uitbreken van de eurocrisis en het nut van besparingen.

Bovendien kun je je afvragen waarom het CPB bepaalde studies die voor de hand hadden gelegen niet uitvoerden. Denk aan die mooie studie van de Brusselse denktank Bruegel over de schadelijke gevolgen van het Nederlandse bezuinigingsbeleid. Zie Vernietigend oordeel denktank Bruegel over Nederlands bezuinigingsbeleid.

Aan het werk van het CPB lijkt dus wel wat verbeterd te kunnen worden. Trouwens, dat is niet zomaar een particuliere mening. Want het CPB wordt ook zelf geëvalueerd. Dat is nog vorig jaar gebeurd door de Commissie Beleidsgerichte Toetsing. En wat beveelt die Commissie aan? Om de buiten het CPB aanwezige kennis beter te benutten. Zie Hoe goed is het Centraal Planbureau? CPB beoordeeld

Politieke partijen zouden dus wel eens wat kritischer mogen zijn over het CPB. Misschien zelf ook eens wat meer nadenken en zich beter laten informeren. In plaats van zich maar slaafs te conformeren aan wat het CPB aan veronderstellingen in hun model stopt.

zondag 14 december 2014

Zondagochtendmuziek - Benita Valente "Auf dem Strom" Schubert

Het begin van Schuberts Mis nr. 6 D 950,  vrijdagavond in de uitverkochte Grote Zaal van Tivoli/Vredenburg uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Philippe Herreweghe met het Groot Omroepkoor en solisten, deed me denken aan Auf dem Strom D 943.

Dus zocht ik thuis de CD uit de kast met de uitvoering daarvan door Benita Valente met Myron Bloom (hoorn) en Rudolf Serkin (piano). Ik ken natuurlijk niet alle uitvoeringen, maar deze, uit de jaren 60, in 1992 door Sony heruitgegeven, moet wel tot de mooiste behoren. Afscheid, weemoed, wanhoop en berusting. Ik zocht Benita Valente op en ontdekte dat die in 2000 gestopt is met zingen en nu 80 jaar is. Wat had ze een mooie stem en wat was die stem geschikt voor dit larmoyante Schubert-lied!

Schubert moet het hebben gecomponeerd voor het concert in de Wiener Musikverein op 26 maart 1828, een van de weinige momenten in zijn leven waarop hij grote successen boekte. Het CD-boekje zegt daarover:
In addition to several other lieder and chamber works, the programma included a setting of Rellstab's Auf dem Strom, which Schubert had written specially for the occasion. "The hall was packed to the rafters," one contemporary witness recalled, "each individual piece was received with tumultuous applause and the composer was called out on to the platform countless times."
En ik ontdekte dat deze uitvoering met Benita Valente ook op YouTube staat, zij het alleen audio. Luister maar eens. Afscheid, weemoed, wanhoop en berusting.

vrijdag 12 december 2014

Hoe komt het dat we zoveel last hebben van narcistische leiders?

Als je het nieuws een beetje volgt, dan kun je zomaar op het idee komen dat we in de wereld van bedrijfsleven, overheid en politiek veel last hebben van narcistische leiders. Anders gezegd: het lijkt wel alsof narcisten een grotere kans hebben om leider te worden, maar slecht functioneren als ze eenmaal die positie hebben verworven.

Eerder onderzoek wees al uit dat narcisten in groepsdiscussies gemakkelijk als leider naar voren komen. Naar het oordeel van de andere groepsleden en van onafhankelijke waarnemers. Zie het bericht Zijn narcisten goed in verwerven van leiderschap en slecht in uitoefenen daarvan?

Nu is er nieuw onderzoek dat hier meer inzicht in verschaft. Zie The Leader Ship is Sinking: A Temporal Investigation of Narcissistic Leadership (betaalpoort). Het blijkt namelijk dat narcisten in groepen van mensen die elkaar nog niet goed kennen, en waar geen leiders zijn aangewezen, door de andere groepsleden meer als leiders worden gezien en meer leiderschapskwaliteiten krijgen toegedicht. Dat laatste slaat op het zogenaamde transformationele leiderschap, dat er o.a. uit bestaat dat je een visie hebt op wat er moet gebeuren en dat je mensen weet te inspireren en te motiveren.

Maar na verloop van tijd verandert dat beeld volledig. Mensen leren elkaar beter kennen en de andere groepsleden krijgen door wat voor vlees ze in de kuip hebben. Visie, inspiratie en motivatie blijven belangrijk voor de oordelen over wie leiderschapskwaliteiten heeft. Alleen: narcisten worden steeds minder gezien als dragers van die kwaliteiten.

Het blijkt dus dat narcisten goed in staat zijn om zulke kwaliteiten voor te wenden in situaties waarin mensen nog weinig ervaring met hen hebben. Ze zijn daartoe ook gemotiveerd, omdat een leiderschapspositie hen de kans geeft om macht over anderen uit te oefenen en daar zijn ze op uit. Die ervaring leidt er dan vervolgens toe dat ze door de mand vallen. Naar hun daden te oordelen, blijken ze namelijk aan egoïsme, arrogantie, zelfoverschatting en een gebrek aan empathie te lijden.

De onderzoekers herhaalden hun onderzoek met mensen die elkaar al wel kenden. En toen bleek dat narcisten al vanaf het begin door de andere groepsleden niet als leiders werden gezien. De eerder opgedane ervaringen waren al voldoende om door te hebben dat ze slechte leiders zouden zijn.

Kortom, de kans dat narcisten leider worden en leider blijven is het grootst bij een vlottende samenstelling van de groep of de organisatie. Of wanneer ze zelf op tijd van organisatie wisselen. Lijken die voorwaarden niet een beetje op de omstandigheden die we in ons bedrijfsleven, ons openbaar bestuur en onze politiek kunnen waarnemen? Dat zou dan verklaren waarom je zomaar op dat idee komt waarmee ik dit bericht begon.

dinsdag 9 december 2014

Psychopathie en dominantie

Mensen die hoog scoren op een vragenlijst voor psychopathie hebben de neiging tot zelfoverschatting (grandioos zelfbeeld) en minachting voor anderen. En ze zien anderen als potentiële slachtoffers die ze ten eigen bate kunnen manipuleren. Anderen zijn minderwaardig en horen te worden gedomineerd. Daarbij gaat psychopathie samen met weinig empathie en een oppervlakkige charme. Er is een sterke overlap tussen psychopathie en narcisme. Zie De donkere drie: psychopathie, narcisme en Machiavellianisme.

Al die trekken samen zorgen er voor dat psychopaten het beste gedijen in contacten met anderen die hen nog niet goed kennen. Als relaties langer duren en persoonlijker worden, dan gaan de partners doorkrijgen wat voor vlees ze in de kuip hebben. En zullen ze zich als dat mogelijk is uit de relatie terugtrekken.

Vandaar dat wel gezegd wordt dat psychopaten altijd wisselende contacten nodig hebben en die ook zoeken. Ze handhaven zich beter in meer individualistische maatschappijen en in meer stedelijke omgevingen. Omdat ze ook oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers, verklaart dat voor een deel de criminaliteitsverschillen tussen stad en platteland. Zie bijvoorbeeld Psychopathy as an Adaptation van Stuart Kinner.

Dat gedijen in contacten met onbekende anderen blijkt ook uit de nieuwe studie Subclinical Primary Psychopathy, but Not Physical Formidability or Attractiveness, Predicts Conversational Dominance in a Zero-Acquaintance Situation.

De onderzoekers lieten mensen die elkaar niet kenden tien minuten lang met elkaar converseren. Waarna ze analyseerden wie in die gesprekken het meest dominant waren. Dat wil zeggen, wie het meest aan het woord waren, het meest bepaalden waarover gepraat werd en het meest anderen interrumpeerden.

Je kunt verschillende kenmerken bedenken die dan van belang zouden kunnen zijn. In dit onderzoek werd gekeken naar fysieke aantrekkelijkheid, fysieke indrukwekkendheid (formidability), sociaal-economische status en prestige.

Maar de onderzoekers namen ook een psychopathievragenlijst af, die je hier ook zelf kunt invullen. Voorbeelden van uitspraken waarvan je moet aangeven of je het er mee eens of oneens bent, zijn:
  • Success is based on survival of the fittest; I am not concerned about the losers
  • In today's world, I feel justified in doing anything I can get away with to succeed
  • People who are stupid enough to get ripped off usually deserve it
Degenen van de proefpersonen die hoger scoorden, hebben dus meer psychopathische trekken.

Het bleek toen dan van al die kenmerken alleen de mate van psychopathie voorspellend was voor de mate van dominantie in die gesprekken. Niet status of prestige of fysieke verschijning, maar alleen de mate van psychopathie.

Kennelijk is zo een setting van een gesprek met onbekenden precies de omgeving waarin de psychopaat geprikkeld wordt tot overheersing. Het is een situatie waarin je ook zou kunnen overwegen om als gelijken met elkaar om te gaan. Als je nog niets van elkaar weet, zou dat ook het uitgangspunt kunnen zijn. Maar daarvoor zou een psychopaat nooit kiezen. Je moet domineren, want anders doen anderen dat.

Bedenk daarbij dat we in een maatschappij leven waarin veel van dit soort situaties voorkomen, vooral in de sfeer van werk en organisatie. Dat zou kunnen betekenen dat psychopaten een meer dan gemiddelde invloed hebben op de uitkomsten daarvan.

maandag 8 december 2014

Niet-Westerse kinderen leren sneller om eerlijk te delen dan Westerse

De geneigdheid tot eerlijk delen kun je bij mensen vaststellen door hen iets te geven (geld of iets anders) en hen te vragen hoe ze dat het liefst over zichzelf en een andere persoon, die ze niet kennen en ook niet zullen ontmoeten, te verdelen. Deze keuzesituatie staat bekend als het Dictator-spel, zo genoemd omdat de persoon geheel in vrijheid kan beslissen wat hij zelf krijgt en wat een ander krijgt.

Dat spel is al vele malen in onderzoek gebruikt om na te gaan hoe altruïstisch mensen zijn of hoe veel belang ze hechten aan eerlijk delen. Ook is het spel al vaak aan kinderen voorgelegd. Zie eerder het bericht Hoe leren kinderen eerlijk delen? Eerst: hoe verdelen volwassenen? Daar noemde ik onderzoek waaruit bleek dat jonge kinderen eerst behoorlijk egoïstisch zijn, maar bij het opgroeien leren om eerlijk te delen. En dat leren lijkt er vooral uit te bestaan dat ze leren om hun eerste (egoïstische) impuls te beheersen. En zich dus socialer te gedragen.

Er is nu de nieuwe studie Little Dictators: A Developmental Meta-analysis of Prosocial Behavior, waaruit blijkt dat het leertraject van kinderen in Westerse samenlevingen sterk verschilt van dat van kinderen in niet-Westerse samenlevingen. De onderzoeker (Paul Ibbotson) verrichtte een meta-analyse op onderling vergelijkbare onderzoeken naar de keuzes van in totaal 1601 kinderen tussen 3 en 18 jaar in verschillende landen.

Daar kwam zoals verwacht uit dat kinderen aanvankelijk egoïstisch kiezen. Maar er kwam ook uit dat de niet-Westerse kinderen (Brazilië, China, Peru, Fiji) veel sneller leren om eerlijk te delen dan de kinderen uit de Westerse landen (Verenigde Staten, Engeland, Duitsland, Zwitserland). Hun leercurve gaat veel steiler omhoog. Met als gevolg dat ze op ongeveer 5- à 7-jarige leeftijd gemiddeld de helft weggeven. Terwijl Westerse kinderen dan nog overwegend minder dan de helft weggeven. Voor vroege impulsbeheersing bij kinderen moet je dus niet in Westerse samenlevingen zijn.

Dat kan er op wijzen dat de niet-Westerse kinderen meer opgroeien in een sociale omgeving waarin eerlijk delen meer verbreid is. En dat klopt. De studie Dictator Games: A Meta Study (pdf) laat zien dat mensen in niet-Westerse landen meer weggeven (gemiddeld 35 procent) dan mensen in Westerse landen (gemiddeld 27 procent). In jagers-verzamelaarssamenlevingen is het weggeven van de helft, dus eerlijk delen, zelfs de meest voorkomende keuze.

Kortom, kinderen komen ter wereld met het vermogen om zich aan te passen aan de aard van de sociale omgeving die ze aantreffen. Hoe egoïstischer die is, hoe meer moeite het kost om te leren om eerlijk te delen. En hoe pro-socialer de omgeving, hoe gemakkelijker en hoe vanzelfsprekender dat leren wordt.

En zo reproduceren samenlevingen zich. En de sociale omgevingen binnen die samenlevingen. Omdat de menselijke sociale natuur nu eenmaal duaal is, kan het dus beide kanten op. Zie bijvoorbeeld ook nog eens Statuscompetitie is bij mensen nooit ver weg - maar gemeenschap ook niet.

zondag 7 december 2014

Zondagochtendmuziek - Patricia Kopatchinskaja & Sol Gabetta - "Pas de deux" Violin and Cello

Ik kreeg een tijdje terug de CD Rapsodia (Naive 2010) in handen, waarop de Moldavische violiste Patricia Kopatchinskaja samen met haar ouders werk van o.a. Enescu, Ligeti, Kurtág en Ravel speelt. Guido van Oorschot schreef daarover:
met Patricia Kopatchinskaja (is het) gewoon lekker roffelen, glijden, stampen, kwetteren en swingen in de ciocârlia, de hora, de calusari en hoe het daar in de Moldavisch-Roemeense grensstreek ook allemaal mag heten.
Ik heb haar een paar jaar geleden in de Zaterdagmatinee meegemaakt. Toen ze zoals ze vaker doet op blote voeten op het podium stond. Op de vraag waarom ze altijd van de partituur speelt, zegt ze:
Some people ask why I play from notes. Yes, I need the music before my eyes while playing to get full experimental freedom. I want to ask the text what he tells us in just this moment. This can be surprising and even disconcerting and one can indeed get lost. So I prefer to have the music at hand. The alternative would be to learn one rigid version of the piece by heart and play accordingly. But I'm not a CD-player.
En over die blote voeten:
Others ask why I play sometimes barefooted: Could be that I just forgot to pack my concert shoes. But sometimes it really feels better to have direct contact with the earth. One needs a stable stance to reach for the stars...
Hier een prachtig concert van een uur en een kwartier samen met Sol Gabetta op de cello in het kerkje van Saanen bij Gstaad in Zwitserland. Bach, Xenakis, Kodály, Vasks en Ravel.

donderdag 4 december 2014

Is er naast een cultuur van bedrog bij banken ook een cultuur van vernedering bij uitkeringsinstanties?

De Nationale Ombudsman heeft vandaag een vernietigend rapport uitgebracht over de aanpak van uitkeringsfraude. De uitkeringsinstanties (UWV, SVB en gemeentes) leggen hoge boetes op ook in die gevallen waarin overduidelijk geen opzet in het spel is. Dat gebeurt niet incidenteel, maar in 70 procent van de gevallen dat een boete werd opgelegd. Zie hier het rapport van de Ombudsman.

Eerder besliste de Centrale Raad van Beroep dat het UWV een veel te hoge boete had opgelegd aan iemand die een verandering in zijn situatie te laat had gemeld. Naar aanleiding daarvan heeft het UWV nu de boetes opgeschort. Zie het bericht in Trouw van vandaag.

Als je kennis neemt van voorbeelden van bizarre toekenningen van boetes, dan schrik je behoorlijk. Neem de drie gevallen waar Trouw melding van maakt:
'Ik word als een crimineel behandeld'
Na 42 jaar werken raakt mijnheer Smetsers zijn baan kwijt en meldt zich voor een uitkering bij het UWV. Al snel vindt hij werk bij de bezorgdienst van een apotheek. Hij geeft dit door op de website van het UWV, maar weet nog niet hoeveel uren hij gaat werken en meldt ook dat. Hij belt ook nog twee keer met het UWV en krijgt te horen dat alles wordt verrekend met zijn uitkering. Vervolgens krijgt hij een boete van 1700 euro. Omdat Smetsers aantoont dat hij heeft gemeld dat hij werkt, wordt de boete verlaagd naar 440 euro. "Ik bied aan om terug te betalen, maar word als een crimineel behandeld."
'Er is gewoon niets met mijn formulier gedaan'
Meneer Gaal vindt een baan en meldt dat onmiddellijk bij de sociale dienst. De bijstandsuitkering wordt nog een paar maanden doorbetaald. Hij meldt nogmaals dat hij werk heeft gevonden en reserveert het te veel ontvangen bedrag. Plotseling valt er een acceptgiro op de deurmat met een bedrag dat veel hoger is dan een paar maanden uitkering. Het bedrag is verhoogd met een boete van 100 procent. De heer Gaal: "Degene die mijn dossier behandelde, is inmiddels weg. Er zijn acht mensen betrokken bij mijn dossier. In een gesprek met de sociale dienst voel ik mij overrompeld. Het leek wel een verhoor. Ik heb een formulier ingevuld en er is gewoon niets mee gedaan."
'We dachten persoonlijk te gaan praten'
Een vrouw heeft een flexibel contract en vraagt per e-mail aan het UWV of zij moet blijven solliciteren. Ja, dat moet, laat het UWV weten. Maar wat de regels zijn, is mevrouw Van Vliet niet helemaal duidelijk en zij vraagt, samen met haar man, een persoonlijk gesprek aan. In dat onderhoud vertelt zij dat zij inmiddels een aantal uren heeft gewerkt. Het UWV laat weten dat zij dat binnen zeven dagen had moeten melden, dat er inmiddels tien zijn verstreken en legt een boete op van 150 euro. Haar man: "Wij dachten er goed aan te doen persoonlijk te gaan praten. Wij waren ons van geen kwaad bewust."
Hoe kunnen zulke dingen gebeuren? Je kunt redeneren dat mensen de inlichtingenplicht niet zijn nagekomen. Die plicht is geregeld in de Wet aanscherping handhaving en sancties SZW-wetten, die sinds 1 januari 2013 van kracht is. Met een negatief advies van de Raad van State, die de omvang van de fraude niet zodanig vond dat er zulke hoge straffen zouden moeten worden opgelegd.

Opvallend is dat de waarborgen in het strafrecht hoger zijn dan in het bestuursrecht, waar deze wet onderdeel van is. In het strafrecht moet kwade opzet worden aangetoond. Maar in deze Fraudewet moet de uitkeringsgerechtigde aantonen dat hij het niet zo bedoelde, dat zijn nalatigheid niet of verminderd verwijtbaar is. Wat is er met onze politici aan de hand dat ze zo een wet hebben aangenomen?

Maar ook kun je je natuurlijk afvragen wat er met die ambtenaren aan de hand is die die bizarre boetes opleggen. Geldt misschien voor hen net als voor de bankiers dat ze onderhevig zijn aan een cultuur op het werk die maakt dat zulk gedrag als vanzelfsprekend wordt gezien? Want waarom hebben ze niet geprotesteerd? Of veel meer de randen van de wet opgezocht?

We hebben gezien dat een cultuur van bedrog in de bankensector is gaan heersen. Zie Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog. Wat ze in het gewone leven niet zouden doen, dat werd op de werkvloer vanzelfsprekend.

Is er ook zoiets aan de hand met de ambtenaren bij die uitkeringsinstanties? Is daar een cultuur van vernedering gaan heersen? In de hand gewerkt door populistische politici die zo graag daadkracht willen uitstralen en fraude "keihard willen aanpakken"?

Dat zou wel eens een uitvloeisel kunnen zijn van een algemenere golf van minachting voor en neerkijken op de onderkant van de samenleving. Zijn we al in een maatschappij verzeild geraakt waarin je het wel kunt vergeten als je pech hebt of waarin je niet zo goed kunt meekomen? En waarin je moet dulden door anderen te worden vernederd? Een maatschappij dus waarin de statuscompetitie het heeft gewonnen van de gemeenschap?

woensdag 3 december 2014

De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren

Als je over anderen bezorgd bent en hen te hulp schiet, dan gebeurt er niet alleen iets in je hoofd, maar ook in een groot deel van je lichaam. Anders gezegd, pro-sociaal gedrag is belichaamd. Hoe zit dat dan in elkaar?

De studie Vagal Activity Is Quadratically Related to Prosocial Traits, Prosocial Emotions, and Observer Perceptions of Prosociality leert ons dat pro-sociaal gedrag te maken heeft met de activiteit van de nervus vagus, ook wel de zwerfzenuw genoemd. Die zenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (zie Wikipedia).

De activiteit van die zenuw kun je afmeten aan de hartslag en de hartslagvariabiliteit. Als je hartslag lager is en de variabiliteit hoger, dan is je nervus vagus gematigd geactiveerd. Je bent dan in een toestand die je als veilig ervaart, ook wel aangeduid met rest and digest. Je bent kalm en rustig en je autonome zenuwstelsel kan zijn gewone werk doen, zoals spijsvertering. Het tegengestelde van paniek (fight of flight), zou je kunnen zeggen.

Dat betekent dat je in die toestand goed in staat bent om je emoties te reguleren en dus om adequaat te reageren op een stressvolle gebeurtenis. Bovendien worden je stembanden, je ogen en oren en je gezichtsspieren zo gereguleerd dat je gemakkelijker sociaal communiceert en emotioneel betrokken bent bij anderen.

Let wel, dat geldt voor een gematigd verhoogde activering van die nervus vagus. Een sterk verlaagde activering gaat samen met depressie, angststoornis en posttraumatische stress. En een te sterk verhoogde activiteit betekent dat je een manische periode doormaakt.

Maar precies die toestand van gematigde activering blijkt nu de toestand te zijn waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Waarin pro-sociaal gedrag wordt bevorderd. Anders gezegd, als uit hartslagmetingen die gematigde activering blijkt, dan is de kans groot dat je met iemand te maken hebt die hulpvaardig is en zich betrokken voelt bij anderen. In termen van persoonlijkheid: een aardiger persoon (agreeableness). Die bovendien meer compassie voelt voor anderen en gevoelens van dankbaarheid koestert.

Als pro-sociaal gedrag op deze wijze belichaamd is, valt dat dan ook door anderen waar te nemen?

En ja, dat blijkt het geval te zijn. De onderzoekers lieten beoordelaars videoclips zien van personen die face-to-face naar iemand luisterden die vertelde over een emotioneel pijnlijke ervaring. Zonder geluid, om het effect van de inhoud van het verhaal uit te schakelen. De beoordelaars keken dus naar de toehoorder. De clips duurden slechts 20 seconden. Vlak voor dat de clips waren opgenomen, was er een hartslagmeting gedaan bij degenen die naar het verhaal luisterden.

De beoordelaars, die uiteraard niet van de uitslag van die hartslagmetingen op de hoogte waren, moesten de personen beoordelen op hoe betrouwbaar (trustworthy), mededogend (compassionate) en aardig (kind) ze de persoon vonden. Die drie oordelen hingen sterk samen en werden gebruikt als maat voor pro-socialiteit. Het bleek toen dat het verband tussen de hartslagmeting en de waargenomen pro-socialiteit zoals verwacht curvilineair was. Degenen met een gematigd verhoogde activiteit van de nervus vagus werden als pro-socialer beoordeeld dan degenen met een verlaagde of sterk verhoogde activiteit. De lichamelijkheid "zorgde er voor" dat de mate van pro-socialiteit binnen 20 seconden kon worden afgelezen.

Al met al dus sterke aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag belichaamd is. En het blijkt dus precies die lichamelijke toestand te zijn die optreedt in omstandigheden van veiligheid, waarin mensen pro-sociaal zijn. Je hebt dan een evenwicht tussen aan de ene kant het meeleven met de pijn van de ander (empathie) en aan de andere kant het vermogen om de eigen negatieve gevoelens die je daardoor hebt, goed te reguleren.

Waardoor je niet door negatieve emoties overmand wordt en vooral met je zelf bezig bent. Waardoor je bijvoorbeeld zou besluiten om je van het lijden van de ander af te sluiten. In de trant van "Ik kan het niet langer aanzien". Nee, je bent in staat om die emoties om te zetten in een pro-sociale reactie: je schiet te hulp en/of je biedt troost.

En eigenlijk leren we daarvan hoe het kan dat pro-sociaal gedrag pro-sociaal gedrag uitlokt.

Want dat wisten we: hoe meer pro-sociaal gedrag mensen in hun omgeving meemaken, hoe groter de kans dat ze zichzelf ook pro-sociaal gaan gedragen. Denk nog even terug aan de Dual Mode-theorie, die ik voor het eerst hier besprak. Mensen zijn in staat tot gemeenschapsgedrag (pro-sociaal) of tot statuscompetitiegedrag en "kiezen" voor dat gedrag dat in hun sociale omgeving het meest voorkomt.

En wat is het geval? Hoe meer jij omgeven bent door anderen die zich pro-sociaal gedragen, hoe veiliger die omgeving voor jou is. En dat gevoel van veiligheid is een belichaamd gevoel, een lichamelijke toestand dus die gemakkelijk tot pro-sociaal gedrag leidt.

Pro-sociaal gedrag creëert veiligheid voor anderen, waardoor ook die anderen zich pro-sociaal gaan gedragen.