vrijdag 21 maart 2014

Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er de studie Longitudinal Evidence for a Midlife Nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets, waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd. Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Britannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het er aan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van wordt? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is (Geluk en ouder worden). Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan (Succesvol ouder worden en omgaan met emoties). En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn (Maakt ouder worden minder empathisch? Of maakt het selectiever?) En zo laten we de stress van de statuscompetitie achter ons.

Ik denk dus dat het aan de grote mate van statuscompetitie ligt die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang oetans (Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being).

donderdag 20 maart 2014

Is Wilders een narcist?

Felix Rottenberg vandaag over Wilders:
'Wilders gaat voortdurend te ver. Dat zal nooit ophouden. Je kunt me deze vraag over twee maanden weer stellen. Hij provoceert en wacht op reacties. Wilders is een halve artiest, die op zijn hoofd gaat staan en kijkt naar het effect. Een narcist, een onevenwichtige persoonlijkheid, dat zie je in zijn ogen.'
Of je dat in zijn ogen kunt zien, dat weet ik niet. Maar dat zijn gedrag dat van een narcist is, dat lijkt wel erg waarschijnlijk als je deze omschrijvingen van een narcistische persoonlijkheidsstoornis leest:
In de DSM IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) staat beschreven dat er sprake is van narcistische persoonlijkheidsstoornis als er zich een patroon voordoet waarbij een persoon zich in grote mate geweldig vindt, lijdt aan grootheidswaanzin, de noodzaak voelt om bewonderd te worden en een gebrek heeft zich in te leven in anderen. Personen die lijden aan narcistische persoonlijkheidsstoornis zullen dit gedrag dus vrijwel voortdurend vertonen. (...)
Personen die lijden aan deze stoornis hebben vaak de eigenschap geen rekening te houden met anderen, dulden vaak geen tegenspraak en voelen zich boven de wet verheven. Vaak uit zich dit in frustratie en uitspraken die normale mensen zich niet snel in hun hoofd zullen halen. Door het gevoel van zelfverhevenheid gedragen deze personen zich vaak als geniaal of superieur. Ze zullen hun eigen zwaktes nooit toegeven en die van anderen juist benadrukken. Personen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis manipuleren anderen vaak om hun doel te bereiken. Verder zijn ze continu op zoek naar aandacht en bevestiging. Omgaan met personen die aan deze stoornis lijden is vaak moeilijk en compromissen sluiten vaak onmogelijk. Het gedrag van deze personen is vaak zo onmogelijk dat dit leidt tot conflicten en onoplosbare problemen, zelfs met familie en vrienden. (...)
Narcisten zijn snel beledigd en eisen dat ze de juiste hoeveelheid aandacht krijgen. Ze bouwen een dik pantser om zich heen zodat ze niet gekwetst kunnen worden en alleen nog zichzelf belangrijk vinden. Door het lage gevoel van zelfwaarde gaan narcisten zich zo gedragen dat ze zich verheven voelen boven iedereen. Zoals gezegd, iedereen lijdt wel een beetje aan narcisme, het wordt een stoornis wanneer de omgeving van een narcist er last van begint te krijgen en moeite krijgt om deze persoon om te gaan. Veel narcisten hebben zelf niet door dat ze lijden aan de narcistische persoonlijkheidsstoornis. Zij vinden hun gedrag vaak normaal. Narcisten hebben vaak geen besef van hun eigen arrogantie en weten hun opgeblazen gedrag vaak te presenteren als de normaalste zaak van de wereld.
Op het eerste gezicht stralen personen die lijden aan narcistische persoonlijkheidsstoornis veel zelfvertrouwen en een zeer sterk gevoel van eigenwaarde uit. Vaak is echter het tegendeel het geval. Narcisten proberen, meestal onderbewust, hun lage gevoel van zelfwaarde te compenseren door zich belangrijker of beter te beschouwen dan anderen. Dit noemt men de narcistische paradox. Ze hebben vaak een onderontwikkeld inlevingsvermogen en kunnen moeilijk functioneren in de uitoefening van functies waarbij ze anderen moeten beoordelen.
Zie ook: Zijn narcisten goed in verwerven van leiderschap en slecht in uitoefenen daarvan? en Foute leiders vergeleken. Over narcisten aan en op weg naar de macht. En over Geert Wilders

dinsdag 18 maart 2014

Niet alleen vertrouwen in de banken sinds 2007 sterk gedaald, ook vertrouwen in de overheid

De OECD heeft het rapport Society at a Glance 2014 uitgebracht. Mijn oog viel op twee plaatjes. Het eerste laat de procentuele verandering zien in het vertrouwen van mensen in de financiële sector. Het is het plaatje links onderaan hier beneden. (Het is wat klein, maar als ik het groter maak, past het niet op de pagina.) Je ziet dat het vertrouwen in de financiële sector in alle OECD-landen samen (het rode lijntje) is afgenomen. Die afname is vooral groot in Ierland, België, Verenigde Staten, Spanje, Portugal en: in Nederland.

Dat we de banken minder vertrouwen, dat hoeft natuurlijk niet te verbazen. Maar je zou denken dat de overheden sterk in vertrouwen hadden kunnen winnen als ze deskundig en krachtdadig op het falen van de financiële sector en op de gevolgen daarvan voor de economie hadden gereageerd. Als ze hadden gedaan wat de economieboeken als verstandig beleid aanbevelen in een tijd dat de particuliere sector op grote schaal zijn schulden probeert terug te brengen.

Maar, je raadt het al, dat hebben ze niet gedaan. Integendeel, ze hebben er voor gekozen om de overheidstekorten terug te brengen, alsof daar de grote problemen lagen. Fout beleid.

En dus is ook het vertrouwen in de overheden sterk gedaald. Zie het plaatje rechtsboven. Het rode lijntje geeft weer aan wat de daling is voor alle OECD-landen samen. Je ziet dat in 25 landen, waaronder Nederland,  het vertrouwen in de overheid is teruggelopen. Negatieve uitschieters zijn Ierland, Portugal, Slovenië, Griekenland en India.

Niet alleen de banken, ook de overheden hebben in de ogen van de burgers gefaald. Dat had niet gehoeven.

maandag 17 maart 2014

Foute leiders vergeleken. Over narcisten aan en op weg naar de macht. En over Geert Wilders

Foute leiders, zoals Hitler, Stalin, Mao Zedong, Idi Amin en Gadaffi, hebben duidelijk sterk narcistische trekken gemeenschappelijk.

Die narcistische trekken bestaan er uit dat de persoon een grandioos en overdreven positief zelfbeeld heeft, een negatieve kijk op anderen (superioriteitsgevoelens) en een sterke behoefte aan aandacht en bewondering, Dat brengt met zich mee dat hij (meestal hij) naar macht streeft. Of fantaseert over het uitoefenen van macht, als dat streven nog niet realistisch is. Want zolang je niet aan de macht bent, is er reden om aan het waarheidsgehalte van dat positieve zelfbeeld te twijfelen.

Naast die foute leiders die we kennen, zijn er natuurlijk ook narcisten die nooit leider geworden zijn, die het nog niet zijn en die het misschien nooit zullen worden. Zo kun je je afvragen of Geert Wilders een narcist is die een foute leider zou kunnen worden.

Ja, dan vergelijk je Wilders met bijvoorbeeld Hitler. Peter Storm doet dat vandaag in zijn Open brief aan Geert Wilders: "U treedt in Hitlers voetsporen". Zijn argument is dat Wilders net als Hitler destijds een bevolkingsgroep wegzet, er allerlei angsten op projecteert en gevoelens van afkeer bespeelt. En net zo als Hitler destijds zou Wilders dat doen als strategie in het streven naar macht.

Nu is het de vraag of Hitlers afkeer van de Joodse bevolkingsgroep wel zo strategisch gemotiveerd was. Want hij had er in zijn pogingen om via democratische weg aan de macht te komen meer last van dan voordeel. Velen die toch op hem stemden, deden dat vooral om het vooruitzicht op een beter economisch beleid en geneerden zich voor "dat met die Joden". Zie Hoe ontstond de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind?

Nee, het lijkt meer een persoonlijke obsessie van Hitler geweest te zijn dat de Joden het kwaad belichaamden. Antisemitisme kwam natuurlijk meer voor, maar zo obsessief als bij Hitler was het zeldzamer. Dat obsessieve zal met Hitlers narcisme te maken hebben gehad. Joden waren succesvol en "vreemd" en dus waren ze een bedreiging voor zijn grandioze zelfbeeld. Dat waren ze al toen hij nog niet meer was dan een narcistische mislukkeling. Een obsessief geloof in jezelf combineert goed met obsessieve haat tegenover "vijanden".

Algemener gezegd: een narcist heeft altijd iets obsessiefs met zichzelf en met tegenstanders of vermeende tegenstanders. Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille. En die combinatie brengt twee opvallende gedragspatronen voort: een extreme neiging tot beledigen van tegenstanders en een ongeremd streven naar macht. En die patronen, die zie je bij al die foute leiders die ik hierboven noemde.

Die lust tot beledigen, vooral ook als je de macht nog niet hebt, maar wel op weg daarnaar toe, is in het geval Hitler heel goed gedocumenteerd. Denk maar aan de beelden en de teksten van zijn redevoeringen.

En dat streven naar macht, daarvan is zijn politieke loopbaan doordrenkt. Vanaf dat hij zich voorneemt om politicus te worden, kiest hij een dan nog onooglijk klein partijtje uit om zich bij aan te sluiten. Omdat hij al snel in staat is om in dat kleine verband de alleenheerschappij uit te oefenen. Macht delen met anderen zou onverdraaglijk geweest zijn. Hij past zijn politieke standpunten aan als dat de kans op stemmenwinst vergroot.

Daarna duurt het nog lang, maar uiteindelijk krijgt hij min of meer de democratische macht in de schoot geworpen. Die moet nog even gedeeld worden, maar dan is er al snel de gewenste alleenheerschappij over de nationale staat. Het hele apparaat van politiek, bestuur en rechtspraak is ondergeschikt aan die ene persoon. Die zijn fantasieën tot werkelijkheid ziet worden.

En dat heeft naar we weten rampzalige gevolgen. Obsessies kunnen dan worden uitgeleefd. In de vorm van persoonsverheerlijking. En niet langer "alleen maar" verbale agressie en intimidatie, maar ook vernedering, fysiek geweld, verwijdering en vernietiging. Als de narcist zo onbelemmerd de kans krijgt om zijn vijanden, de "vijanden van het volk", te vernietigen, dan slaat hij toe. En handlangers, medeplichtigen, meelopers en andere-kant-op-kijkers zijn er dan als regel meer dan je voor mogelijk had gehouden.

En nu over Geert Wilders. Het klopt dat hij een obsessie heeft met een bevolkingsgroep. En laten we er niet voor weglopen, dat lijkt op een narcistische obsessie met vermeende vijanden. Het is niet een rationele strategie, want electoraal levert dat maar beperkt succes op.

Maar voor de rest is hij in zijn standpunten flexibel. Begonnen in de rechtervleugel van de VVD, is Wilders naar het midden opgeschoven. Op zoek naar kiezers en naar de macht. Hij treft het dat zijn tegenstanders een verkeerd economisch beleid voeren, met hoge werkloosheid en ellende tot gevolg. Dat vergroot zijn kansen. Denk ook aan Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann).

Tot het delen van de macht is hij natuurlijk niet in staat. Dus richt hij zijn eigen partij op, maar met alleen hem aan het roer. Statutair vastgelegd. Hij beseft dat hij kiezers nodig heeft. Maar hij wil geen gelijken naast zich, waar hij mee zou moeten overleggen. Liever dan mee te regeren, gedoogt hij een regering. Zodat hij op de achtergrond oekazes kan uitvaardigen in plaats van te onderhandelen als tussen gelijken.

Hij moet er niet aan denken om in alle gemeenten aan de gemeenteraadsverkiezingen mee te doen. Allemaal PVV-ers die een functie gaan bekleden en die eigen standpunten gaan innemen. Allemaal bedreigingen voor de alleenheerschappij. Die fractieleden in de Tweede Kamer doen soms al dingen zonder vooraf Geert om toestemming te hebben gevraagd. Bedreigend, dat alles.

De macht is nog niet in handen, maar hij fantaseert daar al wel over. "De mooiste tijd voor de PVV komt nog." Hij leeft zich uit in het beledigen van tegenstanders. Omdat hij dan niet anders kan. In de omgang met mensen die hem niet tegenspreken is hij de beminnelijkheid zelve. Hij is dan in wat Rutte "de comfortzone van Geert" noemde.

Wat binnen zijn bereik lijkt te liggen, is de macht over Nederland. Maar dat hij die dan zou moeten uitoefenen onder de beperkingen van Europa en Brussel, nee, daar moet hij niet aan denken. Alleenheerschappij is alleenheerschappij. Dus moet Nederland uit de Europese Unie.

Dat laatste is, wonderlijk genoeg, vergelijkbaar met Stalins besluit dat het socialisme vanaf het moment dat hij aan de macht was, ook in één land gerealiseerd moest kunnen worden. In plaats van de tot dan aangehangen leer van de socialistische wereldrevolutie. De alleenheerschappij was immers bereikt. Er restte alleen nog het afrekenen met de interne "vijanden van het volk".

Ja, ik vind het wel verhelderend om Wilders te vergelijken met narcisten aan of op weg naar de macht.

Waarom muziek? Omdat er daarzonder geen taal zou zijn

Hoewel sommigen (zo'n 2-3 procent) met muziek "niets hebben", speelt muziek een grote rol in ons leven. Veel mensen maken graag muziek en nog veel meer luisteren er naar. Dat vinden we opvallend omdat muziek eigenlijk geen nut lijkt te hebben. Hoe valt de plaats van muziek in ons leven evolutionair te verklaren?

Margreet Vermeulen schreef daarover zaterdag in De Volkskrant het artikel Human Beatbox. Ze interviewt hersenonderzoekers die zich met die vraag hebben beziggehouden. Interessant artikel. Maar mij viel op dat het mogelijke verband tussen muziek en taal niet aan de orde komt. Er is alleen de opmerking dat er veel meer onderzoek naar taal is dan naar muziek.

Opmerkelijk, omdat er zich toch meteen aan je opdringt dat taal en muziek allebei gaan over communiceren. Dat taal is om te communiceren, spreekt vanzelf. Maar muziek is natuurlijk ook een communicatiemedium. Margreet Vermeulen vermeldt al dat iedereen het er over eens is dat muziek het groepsgevoel verhoogt en de samenwerking bevordert. Samen muziek maken of samen op muziek dansen. Dat daar iets gecommuniceerd wordt, dat lijkt wel duidelijk.

Maar muziek en taal zouden wel eens veel nauwer kunnen samenhangen. Denk eens terug aan het bericht Muziek, taal en coöperatief grootbrengen van kinderen. Dat verwijst naar onderzoek dat doet vermoeden dat baby's eigenlijk naar muziek luisteren als wij tegen ze praten. En dat wij intuïtief op diezelfde lijn gaan zitten, omdat wij tegenover baby's niet "het woord voeren", maar een babytaal hanteren.

En die babytaal, met veel herhalingen, ritme en melodie (waaristiedan? waaristiedan? enzovoort) lijkt net als de brabbeltaal van die baby's zelf veel op muziek. Er is eerst de synchronisatie door middel van zoiets als muziek en die lijkt een soort vloer te leggen waarop taal zich ontwikkelt. Taal zou dus zonder die oorspronkelijke muziek niet kunnen ontstaan.

En dat betekent dus ook dat het coöperatief grootbrengen van kinderen ten grondslag ligt aan zowel taal als muziek. Want dat baby's en wij die synchronisatie willen, is kenmerkend voor de coöperatieve zorg. Baby's zijn er op voorbereid dat ze niet alleen de eigen moeder, maar ook andere nabije personen, voor zich moeten zien te engageren. De moeder kan het niet alleen. Er is hulp van anderen nodig (allocare). Vandaar dat baby's hun muzikale brabbeltaal gebruiken om door ons schattig gevonden te kunnen worden. Ze zijn niet in zichzelf gekeerde wezentjes, maar uit op contact. En wij zijn er op voorbereid om dat alles schattig te vinden en om er een warm en zorgzaam gevoel bij te krijgen.

Vandaar dat andere soorten die aan coöperatieve zorg doen, neem de klauwaapjes, datzelfde interactiepatroon tussen pasgeborenen en volwassenen kennen. Jonge klauwaapjes hebben ook een soort brabbeltaal, die door volwassen aapjes wordt beantwoord. Wie weet, ontwikkelen klauwaapjes ooit ook eens taal.

Om het evolutionaire raadsel van de muziek op te lossen, lijkt het dus zaak om muziek niet los van de taal te zien.

zondag 16 maart 2014

Muziek voor de zondagochtend - Lake Street Dive "Clear A Space"

Laten we vanochtend nog eens naar Lake Street Dive luisteren. Eerder traden ze hier op samen met Joy Kills Sorrow. Wat een geweldige groep!

Maak wat ruimte, zodat je naast me kunt komen zitten. Zie hier de tekst. Niet diepzinnig. Gewoon vrolijk.

vrijdag 14 maart 2014

"Het beste middel tegen pesten" verschenen in Mensenkinderen. Tijdschrift voor en over Jenaplanonderwijs

Het blogbericht Het beste middel tegen pesten is, gecombineerd met het bericht Er komt onderzoek naar de vraag of leeftijdsgemengde schoolklassen een goed middel zijn tegen pesten,als artikel opgenomen in het blad Mensenkinderen. Tijdschrift voor en over jenaplanonderwijs.

Dat is meteen een goede aanleiding om eens bij René Veenstra te informeren hoe het staat met dat onderzoek naar de vraag of in leeftijdsgemengde groepen inderdaad en ook in Nederland minder gepest wordt.

donderdag 13 maart 2014

Wat heeft "de doorgaande lijn" die we voor kinderen willen, te maken met wat kinderen sociaal-emotioneel nodig hebben?

Komt het streven naar een doorgaande lijn voor kinderen van peuterspeelzaal naar dagverblijf naar school  voort uit een intuïtief vermoeden van het belang van een vertrouwde sociale omgeving? Je zou het bijna gaan denken als je het blog Doorgaande lijn: noodzaak of nonsense? van Su'en Verweij-Kwok leest op de website van het Nederlands Jeugd Instituut.

Blijkbaar is er in kinderopvang- en onderwijsland veel te doen om de doorgaande lijn. Als de buitenstaander die ik natuurlijk ben, had ik daar nog niet veel van meegekregen. Dus ik googelde "doorgaande lijn" en kreeg 266.000 hits en de eerste paar pagina's hadden met meetkunde niets te maken. Waar die doorgaande lijn voor staat, wordt misschien duidelijk uit een concreet voorbeeld dat Su'en in haar bericht opneemt:
Ik sprak laatst mijn buurvrouw. Haar zoon Yassin had net afscheid genomen van de peuterspeelzaal omdat hij naar groep 1 gaat. De buurvrouw heeft naast een stapel knutselwerkjes en tekeningen ook een dossier van Yassin meegekregen die ze aan de juf van groep 1 moet geven. De leidster zei: “Voor de overdracht”. Zo weet de juf van groep 1 aan de hand van zijn dossier wat voor een soort kind ze in de klas krijgt. Is Yassin bijvoorbeeld verlegen? Hoe is zijn taalontwikkeling? Hoe gaat hij om met andere kinderen? Waar wordt hij blij van? That makes sense. Alhoewel, daarover zijn de meningen verdeeld. Wordt de juf van groep 1 daar echt wijzer van? Wil zij wel aan de slag met het beeld van een ander? Wat als er geen overdrachten zouden zijn, gaat er dan iets mis met de kinderen
Het gaat dus om een goede overdracht. We hebben het voor onze kinderen zo ingericht dat we hen niet een stabiele sociale omgeving bieden om sociaal-emotioneel goed op te groeien. Nee, we sturen ze naar de peuterspeelzaal en naar het kinderdagverblijf (voor de voorschoolse educatie) en dan naar de vroegschoolse educatie van groep 1 en 2 van het basisonderwijs.

Die opeenvolging van verschillende sociale omgevingen, met wisselende volwassen en andere kinderen (wel altijd leeftijdsgenootjes!), betekent voor kinderen nogal wat. Denk even terug aan het vorige bericht, met dat onderzoek dat liet zien wat zulke overgangen betekenen voor (het verlies van) de vriendschappen van kinderen. Terwijl kinderen in een stabiele sociale omgeving gemakkelijker leren om anderen te vertrouwen en een veilige hechtingsstijl ontwikkelen, doen wij er alles aan om die stabiliteit tegen te werken. Zie nog eens Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht?

Het kan haast niet anders dan dat de werkers in het veld een intuïtief idee hebben dat daar iets niet aan deugt. En dat zal de achtergrond zijn van dat streven naar de doorgaande ontwikkeling. Maar waar kan dat op neer komen als de hele institutionele inrichting als een soort natuurlijk gegeven in stand blijft? Als daar niet over nagedacht wordt?

Ja, dan bedenken we dat bij elke overgang een goede overdracht moet plaats vinden. Het probleem van de instabiele sociale omgeving maken we tot een kennisoverdrachtsprobleem. Daar kan iets in zitten als het gaat om de vorderingen voor taal en rekenen. Maar voor de sociaal-emotionele ontwikkeling?

Mijn blik viel op deze Checklist voor de doorgaande lijn van voor- naar vroegschoolse educatie (pdf), die begint met:
Er is sprake van één doorlopend programma met de voorschoolse instelling(en) en/of duidelijk afspraken van taal, rekenen en sociaal-emotionele ontwikkeling
Programma voor sociaal-emotionele ontwikkeling? Jazeker, verderop in die checklist lees je:
Het is duidelijker waar de voorschoolse instelling(en) aan gewerkt hebben wat betreft de sociale ontwikkeling; de basisschool bouwt verder voort aan vaardigheden omtrent ‘jezelf’, ‘jezelf en de ander’ en ‘jezelf en de groep’.
Dus in plaats van kinderen een stabiele sociale omgeving te bieden waarin ze zich als vanzelf ("natuurlijk") sociaal-emotioneel goed ontwikkelen, zoals de geschiedenis van de mensheid ons heeft geleerd, verstoren we die stabiliteit zo veel mogelijk.

De intuïtieve bedenkingen die we daar, terecht, bij hebben, lossen we vervolgens op door die sociaal-emotionele ontwikkeling over te hevelen naar het domein waarover je kunt lesgeven. We maken een "programma voor sociaal-emotionele ontwikkeling". Waarin kinderen worden onderwezen in vaardigheden omtrent "jezelf", "jezelf en de ander" en "jezelf en de groep".

Ja, we blijken echt te denken dat we de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen in lesstof kunnen transformeren en dat we die succesvol aan kinderen kunnen bijbrengen. Zie maar eens De doorgaande lijn van Goed gedaan! Sociaal-emotionele ontwikkeling. Alle stapjes op een rij (pdf).

Die op zich juiste intuïtie dat er iets mis is met wat wij onze kinderen aandoen, leidt tot, ja, tot weer een lesprogramma. (Naast die programma's die we hebben bedacht om het pesten tegen te gaan.) Dat alles ligt overigens geheel in dezelfde lijn als die van de mythe van de opvoedbaarheid.

woensdag 12 maart 2014

Zijn we bezig het sociale leven te verwaarlozen?

Het Duitse weekblad Der Spiegel geeft zo nu en dan aardige informatie over sociaalwetenschappelijk onderzoek. Vandaag is dat een artikel over twee studies naar vriendschappen.

Die eerste studie, Peer Relationships Across the Preschool to School Transition (betaalpoort), gaat over vriendschappen bij kinderen van vier jaar (in Dublin, Ierland) die de overgang maakten van de kleuterschool (preschool) naar de basisschool.

Het gaat maar om een klein aantal kinderen, die bovendien een bijzondere groep vormden omdat ze een Head Start programma volgden. Maar de resultaten wijzen uit dat de vriendschappen die de kinderen op de kleuterschool hadden ("beste vrienden") vrijwel geheel ophielden te bestaan na de overgang naar de basisschool. En dat lag er aan dat die vrienden naar verschillende scholen gingen of in verschillende klassen van dezelfde school terecht kwamen.

Dat patroon zou wel eens veel algemener kunnen zijn. Kinderen hebben al vroeg "vriendjes". En het schijnt (ik ben de bron kwijt) dat als je kinderen vraagt waarom een ander kind hun vriend is, ze antwoorden geven in de trant van "Omdat hij/zij naast ons woont". Anders gezegd: ze hebben de neiging om andere kinderen als vriend te beschouwen eenvoudig omdat ze er nu eenmaal zijn. Vrienden zijn andere kinderen waarmee je samen speelt. Vertrouwdheid is de eerste basis voor vriendschap. Kinderen zijn er op "geprogrammeerd" om vertrouwdheid te herkennen en te waarderen.

En in de Paleo Sociale Omgeving (zie ook Angst voor vreemden en het sociale isolement van gezinnen) was er ook altijd die vertrouwdheid en bleef die gedurende het leven bestaan. De mensen die je kende, die waren je ook vertrouwd. En vreemden ontmoette je zelden. Die alomtegenwoordige vertrouwdheid zal met zich hebben meegebracht dat mensen zich gemakkelijk veilig voelden, dat ze veilig gehecht waren, zoals wij dat tegenwoordig noemen.

Onze manier van samenleven leidt er toe dat een op de drie mensen niet veilig gehecht is, dus vermijdend of angstig. Wat inhoudt dat ze moeilijk contacten aangaan en in stand kunnen houden. Dat heeft vele oorzaken, maar een daarvan zou kunnen zijn dat we jonge kinderen al snel de les bijbrengen dat een vertrouwde sociale omgeving altijd tijdelijk en precair is.

Want we hebben het onderwijs zo georganiseerd dat de behoefte van kinderen aan een vertrouwde sociale omgeving daarin slechts bijzaak is. En onze economie, onze ruimtelijke ordening en onze arbeidsmarkt zijn zo ingericht dat geografische mobiliteit (verhuizen) normaal en wenselijk is. Dat gaat ten koste van de voordelen van vertrouwdheid en dat heeft negatieve gezondheidseffecten, die overigens wel afhankelijk zijn van hoe introvert mensen zijn.

Wat al op jonge leeftijd begint, vriendschappen verliezen en proberen nieuwe vrienden te maken, dat gaat verder een leven lang door. Dat laat die tweede studie die vandaag in Der Spiegel besproken wordt, Social Network Changes and Life Events Across the Life Span: A Meta-Analysis (pdf), goed zien. Terwijl het sociale netwerk van vrienden tot de jongvolwassen leeftijd groeit, neemt het daarna alleen nog maar gestaag af.

Maar tegenwoordig hebben we bovendien minder vrienden dan in 1980-1985. De meta-analyse van onderzoeken die sinds die tijd en tot 2000-2005 werden uitgevoerd, laat zien dat het aantal leden van het zogenaamde persoonlijke netwerk (familie, vrienden en andere vertrouwde relaties) in elke 5 jaar met gemiddeld 1,6 personen afnam. En dat het vriendschapsnetwerk in elke 5-jaarsperiode gemiddeld afnam met 0,9 personen. In 1980-1985 hadden mensen gemiddeld 6,3 personen meer in hun persoonlijke netwerk. En gemiddeld 3,6 vrienden meer.

We slagen er dus met zijn allen steeds minder in om tegemoet te komen aan onze behoefte aan vertrouwde sociale contacten. Zijn we bezig het sociale leven te verwaarlozen?

dinsdag 11 maart 2014

De vier grote gemeenten hebben gelijk dat ze uitbreiding van het vuurwerkverbod tot 23 uur op oudejaarsavond willen

Zouden de berichten op dit blog over een vuurwerkverbod op oudejaarsdag iets uitgehaald hebben? Zie Vuurwerkverbod wenselijk? en Verbieden en ontmoedigen. De vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) bepleiten vandaag in een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken een vuurwerkverbod op oudejaarsdag tot 23 uur (en na 1 uur 's nachts). Nu is het afsteken van vuurwerk op oudejaarsdag toegestaan na 10 uur. Ook willen de vier gemeenten kunnen bepalen op welke plaatsen vuurwerk mag worden afgestoken.

Dat eerste bericht (Vuurwerkverbod wenselijk?) dateert van 30 november 2012 en staat op plaats 3 van de meestgelezen berichten van dit blog. In dat bericht nam ik de tekst op van mijn artikel Wanneer verbieden? dat in december 2009 in Openbaar Bestuur verscheen.

Wat was ook al weer de aanleiding tot dat artikel? Dat was het besluit van het toenmalige kabinet (Balkenende IV) om af te zien van het aanvankelijke voornemen om het vuurwerkverbod op oudejaarsdag uit te breiden tot 18 uur. De reden daarvoor was dat de politie had gewaarschuwd voor handhavingsproblemen. Er zou een te grote uitbreiding van politie-inzet voor nodig zijn.

Ik vond dat toen een te beperkt bestuurlijke gedachtegang. Die inhield dat naleving van een verbod alleen er van afhangt of de politie wel genoeg kan handhaven (controleren, boetes uitschrijven, arresteren). Te beperkt bestuurlijk, omdat ook burgers zelf aan naleving van een verbod kunnen bijdragen. Niet alleen door geen vuurwerk meer af te steken, omdat het immers niet meer is toegestaan, maar ook door er wat van te zeggen of in te grijpen als anderen dat wel doen. Of als ouders het de kinderen verbieden om het te doen.

Want als er een verbod bestaat, heb je een voor de hand liggend argument: jongens, het mag niet. Terwijl je nu, zonder een verbod, er wel wat van kan zeggen, maar je meteen de tegenwerping krijgt: maar het mag toch? Anders gezegd: het instellen van een verbod verandert ook iets in de relaties tussen mensen. Degenen die de overlast van het vuurwerk ondervinden krijgen het wat gemakkelijker om er wat van te zeggen. En de afstekers hebben een argument minder. Dus ook zonder handhaving door de politie kan een verbod wel degelijk effect hebben. Ik vond het jammer dat dit inzicht kennelijk niet had meegespeeld.

Misschien heeft het nu wel meegespeeld in het besluit van de vier gemeenten om die brief aan de minister te schrijven. Naast het andere argument van de aanzienlijke schade die door het zo onbelemmerd kunnen afsteken van vuurwerk wordt aangericht (brandwonden, te amputeren handen en vingers, oogletsels). Het is niet alleen maar een kwestie van overlast.

De bestuurlijke en politieke molens malen over het algemeen langzaam. In 2009 was een uitbreiding van het verbod tot 18 uur nog een brug te ver. De meeste politieke partijen schrokken er voor terug, bang om "impopulaire maatregelen" te nemen. Maar de publieke opinie is al om. Gezegd moet worden dat Groen Links daaraan heeft bijgedragen, o.a. door het meldpunt vuurwerkoverlast.  Nu, in 2014, komt er misschien een uitbreiding tot 23 uur.