Posts tonen met het label Harold Kelley. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Harold Kelley. Alle posts tonen

donderdag 17 oktober 2024

Een sociaalwetenschappelijk zicht op het fenomeen van de foute leider - 4 - De drie-eenheid van zelfbewondering, vijandigheid en onveranderlijkheid

Sociaalwetenschappelijk gezien is het gedrag van de foute leider te begrijpen als voortkomend uit de extreme activering van het statuscompetitiepatroon. Hier het vorige bericht. Die toestand bestaat eruit dat de narcistische zelfbewondering botst met de lastige werkelijkheid dat die bewondering niet, nog niet, door anderen gedeeld wordt. 

Voor anderen zou die botsing aanleiding zijn om dat zelfbeeld wat te corrigeren. Niet zo voor de foute leider. Hij concludeert eruit dat al die anderen nog moeten gaan inzien dat zijn mateloze zelfbewondering volkomen terecht is. Zijn superioriteit dient door iedereen, door "het volk", erkend te worden. En precies dat is de statuscompetitieve drijfveer die aanzet tot het moeten bereiken van de top van de statushiërarchie. En zolang die universele erkenning en bewondering niet bereikt is, leeft de foute leider in een onveilige, vijandige wereld. Want iedereen die hem niet bewondert, of die hem zelfs tegenspreekt en tegenwerkt, is een vijand die geïntimideerd en uitgeschakeld moet worden.

Het sterke punt van deze sociaalwetenschappelijke diagnose is dat het gedrag van de foute leider er gemakkelijk mee kan worden begrepen. In het vorige bericht ging het erover dat het gedrag van Geert Wilders er voorspelbaar door wordt. Iedereen die zijn superioriteit nog niet erkent, is een vijand die geïntimideerd en beledigd dient te worden. De verbale agressie is niet een weloverwogen tactiek, maar welt rechtstreeks op uit die statuscompetitieve emotie van wrok en zich miskend voelen. Zijn politieke gedrag staat geheel in het teken van de wens om eens de alleenheerschappij te bereiken. Al het andere is daaraan ondergeschikt.

Daarmee wijst de diagnose ook op het opvallende verschijnsel van de onveranderlijkheid van het gedrag van de foute leider. De narcistische zelfbewondering sluit uit dat er ooit corrigerende informatie tot hem kan doordringen. Waardoor groei en persoonlijke ontwikkeling niet tot de mogelijkheden behoort. Want alles wat hij uit de realiteit oppikt, bevestigt wat hij al wist: zijn eigen superioriteit en de vijandschap van de boze buitenwereld die hem tegenspreekt.

Dat verband tussen het wereldbeeld van vijandschap en de onveranderlijkheid van gedrag is een belangrijk sociaalwetenschappelijk inzicht, dat naar mijn smaak toch te weinig aandacht krijgt. Ik denk dat het voor het eerst tot mij doordrong toen ik het artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal psychologen Harold H. Kelley en Anthony J. Stahelski onder ogen kreeg. Ik schreef daar eerder over in het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 

Kelley en Stahelski lieten proefpersonen keuzes maken in een zogenaamd herhaald gevangenendilemma. (In dat bericht vind je meer uitleg.) Daarin kunnen mensen ervoor kiezen om wel of niet samen te werken. Als je samenwerkt, draag je bij aan de gezamenlijke opbrengst. En als je niet samenwerkt, draag je daar niet aan bij, maar profiteer je wel van diezelfde gezamenlijke opbrengst. Hoewel dat volgens de rationale keuzetheorie niet de beste keuze is, kiezen veel proefpersonen er voor om samen te werken, hoewel ze dus het risico lopen dat anderen, de afvalligen, dat niet doen, maar wel meeprofiteren. 

Wat daar precies aan de hand is, wordt duidelijk doordat de onderzoekers de proefpersonen van te voren ondervroegen over wat ze in het dilemma wilden nastreven. Het bleek toen dat degenen die voor samenwerking kozen ook precies die samenwerking op het oog hadden. Ze streefden naar een voor iedereen zo hoog mogelijke opbrengst. Daarentegen hadden de afvalligen juist de competitie op het oog. Ze waren alleen in hun eigen opbrengsten geïnteresseerd. 

Bovendien bleek dat de afvalligen een competitief wereldbeeld hadden: ze verwachtten dat anderen ook alleen maar in hun eigen opbrengst waren geïnteresseerd en dus graag profiteerden van de samenwerking door anderen. Terwijl de samenwerkers ervan uitgingen dat er naast afvalligen ook andere samenwerkers zouden zijn. Daardoor begonnen ze met te kiezen voor samenwerking en stopten ze daar pas mee als bleek dat anderen daar niet aan mee deden. 

Het gevolg daarvan was dat de afvalligen in hun wereldbeeld bevestigd werden. Ze merkten immers dat hun afvallige gedrag met gelijke munt werd terugbetaald. Dat er anderen zouden kunnen zijn die uit waren op een zo hoog mogelijke gezamenlijk opbrengst, kon niet tot hen doordringen. Daarentegen leerden de samenwerkers dat er ook andere samenwerkers bestonden.

Conclusie: er zijn mensen die de wereld als competitief en dus vijandig zien en die door hun eigen gedrag en de reacties daarop voortdurend in dat wereldbeeld worden bevestigd. Met als onvermijdelijke uitkomst de onveranderlijkheid van hun gedrag.

En precies dat wereldbeeld en die onveranderlijkheid van gedrag treffen we dus aan bij foute leiders.

Ik moest meteen denken aan die treffende karakterisering door Sebastian Haffner van het schoolvoorbeeld van de foute leider, Adolf Hitler. Ik haalde die aan in het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon (met paginaverwijzingen naar Kanttekeningen bij Hitler):  

De karaktertrek waaruit dit streven (naar alleenheerschappij) voortkwam noemt Haffner op drie plaatsen in het boek (58, 139 en 141) bindingsangst, ook omschreven als vrees voor het definitieve, en, door Frits Boterman in het nawoord, als de angst om zich vast te leggen. Haffner denkt dat die bindingsangst samenhing met:

zijn bewondering voor zichzelf (...) Omdat hij zich als onfeilbaar beschouwde en blindelings op zijn intuïtie vertrouwde, kon hij geen instellingen scheppen die hem in de weg zouden zitten; en omdat hij zich als onvervangbaar beschouwde en zijn hele programma in ieder geval tijdens zijn leven gerealiseerd wilde zien, kon hij niets planten dat tijd nodig had om te groeien, kon hij niets aan zijn opvolgers toevertrouwen, zelfs niet eens voor opvolgers zorgen (de gedachte aan opvolgers had hij altijd opvallend onplezierig gevonden). (139)
Die bewondering voor zichzelf noemt Haffner ook:
een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van. (15)
 Dat gebrek aan zelfkritiek kan er de oorzaak van zijn dat er bij Hitler
geen sprake (is) van een ontwikkeling en rijping van zijn karakter of persoonlijkheid. Zijn karakter ligt al vroeg vast - een betere formulering is misschien 'loopt al vroeg vast' - en blijft op een verbazingwekkende manier altijd dezelfde; er wordt niets meer aan toegevoegd. Een weinig innemend karakter overigens. Alle zachte, vriendelijke en verzoenende trekken ontbreken, tenzij men zijn contactschuwheid, die soms op schuchterheid lijkt, als een verzoenende karaktertrek wil beschouwen. Zijn positieve eigenschappen - wilskracht, durf, dapperheid, uithoudingsvermogen - behoren alle tot de 'harde' kant. En dat geldt al helemaal voor zijn negatieve eigenschappen: meedogenloosheid, wraakzucht, trouweloosheid en wreedheid. (14)

Ziedaar de drie-eenheid van zelfbewondering, vijandigheid van en tegenover de wereld en onveranderlijkheid van gedrag. In het vervolg meer over die drie-eenheid bij andere foute leiders. Hier het vervolg.

maandag 1 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 6

Als het inderdaad zo is dat aan het ontstaansproces van alle psychische aandoeningen "fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid" ten grondslag liggen (zie hier het vorige bericht), langs welke weg of langs welke wegen voltrekt zich dan dat proces?

Caspi en Moffitt noemen drie van zulke wegen. (Eigenlijk vier, maar de vierde slaat op genetische verschillen is stressgevoeligheid.) 

De eerste weg noemen ze stress inbedding en dat slaat erop dat onveiligheid neurale veranderingen in bedreigingssystemen teweegbrengt die de kwetsbaarheid voor het optreden van latere aandoeningen vergroten. Daarbij verwijzen ze naar literatuur die suggereert dat die aanvankelijke veranderingen adaptief zouden kunnen zijn, dus een adequaat antwoord op bedreigingen, maar dat ze niet meer passen bij latere, niet-bedreigende omgevingen. Als dat aanvankelijke adequate gedrag dan toch in stand blijft, is er de kans op wat we dan een psychische aandoening noemen.


Maar nu alvast mijn vertaling van deze weg in termen van het duale mensbeeld (de Dual Mode-theorie) dat je op dit blog zo vaak tegenkomt. Volgens dat mensbeeld zijn kinderen er bij hun geboorte op voorbereid om op te groeien in een zorgzame gemeenschapsomgeving. Waarin er voor hen gezorgd wordt en waarin ze die ervaren zorg beantwoorden, als en zodra ze daartoe in staat zijn, met hetzelfde gedrag. Door dat zorgzame gedrag waarmee ze omringd worden, ervaren ze de omgeving waarin ze terecht zijn gekomen als veilig en een gevoel van veiligheid roept gemakkelijk gemeenschapsgedrag op. Vandaar dat heel jonge kinderen vaak al geneigd zijn tot hulpvaardigheid. Zie Zijn wij van nature goed? Ja, maar...

Maar de menselijke sociale natuur is flexibel. Als die zorgzame omgeving niet of maar beperkt wordt aangetroffen, dan ligt er ook nog dat andere gedragspatroon klaar, dat van de statuscompetitie. Als de omgeving onveilig blijkt te zijn, met mishandeling of emotionele verwaarlozing, dan zal statuscompetitiegedrag in verschillende varianten de kop opsteken. En omdat kinderen doorgaans niet kunnen "vluchten", zal dat de vorm aannemen van "vechten", dus verdedigen, of van verschillende vormen van "berusting" of "onderdanigheid". Wat in de polyvagaaltheorie van Stephen Porges de reactie van bevriezing of immobilisering wordt genoemd. Je wordt bedreigd en kruipt als reactie in je schulp. Om maar zo weinig mogelijk aanleiding te geven tot nog meer agressieve bejegening.

Het punt van die stress inbedding lijkt nu te zijn dat kinderen (of adolescenten) door die statuscompetitiereactie (vechten of bevriezen) anders naar de wereld gaan kijken. Overal en altijd gevaar en bedreigingen zien. Of nog een stap verder: door hun eigen gedrag gevaar en bedreiging uitlokken. Denk aan die heel vroege experimenten van Kelley en Stahelski die lieten zien dat competitief gedrag hetzelfde gedrag van anderen uitlokt. Terwijl dat niet had gehoeven als je maar in staat was geweest om dat allesoverheersende beeld van gevaar en bedreiging los te laten.

En daarmee wordt wat begon als aanpassing aan de omgeving een "psychische aandoening". Als de vechtreactie overheerst, gaat het om een externaliserende stoornis, met agressief en antisociaal gedrag. En als de bevriezingsreactie overheerst, wordt het een aandoening binnen de internaliserende categorie: depressie, angststoornis, sociale fobie.

Dat was de eerste weg van onveiligheid naar een psychische aandoening. In een volgend bericht meer over die twee andere wegen. Zie hier het volgende bericht.