De pas verschenen studie The Labor Market Impacts of Universal and Permanent Cash Transfers: Evidence from the Alaska Permanent Fund levert een boeiende bijdrage aan de discussie over de voors en tegens van het onvoorwaardelijk basisinkomen.
De staat Alaska brengt een deel van de inkomsten uit oliewinning onder in een fonds, het Alaska Permanent Fund, waarvan sinds 1982 jaarlijks een deel hoofdelijk wordt verdeeld over alle inwoners van de staat. Dat wil zeggen, aan iedereen die tenminste een jaar in de staat woonachtig is. Het bedrag is afhankelijk van de opbrengsten in de voorgaande vijf jaren en is sinds 1996 meestal meer dan 1000 dollar. Omdat het aan de persoon is gekoppeld, kan het bedrag voor een gezin tot enkele duizenden dollars oplopen.
De onderzoekers bestuderen de effecten van deze vorm van basisinkomen door wat er in Alaska gebeurde na de invoering ervan te vergelijken met wat er in dezelfde tijd gebeurde in andere staten die vergelijkbaar zijn. (Die methode van vergelijking, de zogenaamde synthetic control method, is voor mij te ingewikkeld om precies te kunnen volgen.)
Dat is een boeiende exercitie, omdat ook macro-effecten in beeld kunnen komen. Bedenk dat zulks niet gebeurt in de experimenten met een soort basisinkomen die in ons land in verschillende gemeentes plaats vinden. Zie Wat kunnen we leren en wat kunnen we niet leren van lokale experimenten met het onvoorwaardelijk basisinkomen?
Uit de analyses blijkt dan dat de invoering van het basisinkomen niet of nauwelijks heeft geleid tot een vermindering van het arbeidsaanbod. Alleen in de exportsector nam het arbeidsaanbod iets af en nam het deeltijdwerk toe. De onderzoekers zien dat als een aanwijzing dat de door de invoering toegenomen consumptie zoveel meer vraag naar arbeid uitlokte dat een afname van arbeidsaanbod geheel werd gecompenseerd.
Anders gezegd, mensen gingen minder werken, maar gaven per saldo ook meer uit. En om aan die toegenomen vraag tegemoet te komen, gingen bedrijven meer arbeid aantrekken. (Met hogere lonen, neem ik aan. En/of met betere arbeidsomstandigheden.)
Je kunt je nog afvragen wat er gebeurd zou zijn als hetzelfde totale bedrag dat aan het basisinkomen werd uitgekeerd, door de overheid was uitgegeven. Maar de onderzoekers vinden er geen aanwijzingen voor de overheidsuitgaven aan onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur door het basisinkomen zijn afgenomen.
Ook was er geen afname van uitgaven ten behoeve van de sociale zekerheid (welfare and transfer spending). De invoering van het basisinkomen werkte dus niet verdringend op andere overheidsuitgaven.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label basisinkomen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label basisinkomen. Alle posts tonen
donderdag 15 februari 2018
woensdag 31 januari 2018
De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie
De verschuiving van het na-oorlogse sociaal-economische beleid gericht op volledige werkgelegenheid en verzorgingsstaat naar het neoliberale beleid van het geloof in de markt en de kleine overheid begon zo omstreeks 1970. Een prachtige beschrijving van die verschuiving gaven Bill Mitchell en Joan Muysken al in 2008 in Full employment abandoned: shifting sands and policy failures (zie hier voor de boekuitgave).
Een aspect van die verschuiving ligt op het vlak van de rechten waar je als burger op mag rekenen. Het Keynesiaanse beleid gericht op volledige werkgelegenheid ging samen met de opbouw van de verzorgingsstaat en in het bijzonder met de bijstandswet. Als je geen andere bron van inkomsten had, was er een recht op een bijstandsuitkering. Met als voorwaarde dat je werk moest zoeken en passend werk moest accepteren. Grote problemen leverde dat niet op, want er was immers die overheidsverantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid. Banen waren er. En de overheid trad op als werkgever in laatste instantie. Tot de jaren 70 was de werkloosheid dan ook laag.
Dat veranderde dus daarna. Volledige werkgelegenheid als doelstelling van (macro-)economisch beleid verdween uit het zicht. De markt moest immers zijn werk doen. Werkloos zijn betekende dat je je eisen die je aan een baan stelde, nog niet genoeg naar beneden had bijgesteld. Werkloosheid was een keuze en werd dus ook in de economische modellen als "vrije tijd" beschouwd. De overheidsverantwoordelijkheid voor banen verdween en daarvoor in de plaats kwam de individuele verantwoordelijkheid voor inzetbaarheid (employability).
Dat leidde inderdaad tot hogere werkloosheid en daarmee op den duur tot de afbraak van rechten. Dat begon met verschillende aanpassingen van de bijstandswet. En meer recentelijk hebben we de tegenprestatie leren kennen en de taaltoets. Burgers hebben niet meer een voor ieder geldend recht op bijstand, maar er kan van hen worden verlangd dat ze "in ruil voor hun uitkering" een "maatschappelijk nuttige tegenprestatie verrichten". Of dat ze voldoende goed Nederlands spreken en dus met succes een taaltoets afleggen.
We lopen nu tegen de grenzen aan van waar dit soort beleid toe kan leiden. Want het handhaven van de eis van een tegenprestatie leidde aanvankelijk tot misstanden. Zie Mensenrechten van bijstandsgerechtigden geschonden? Waarna, voor zover bekend, de gemeenten de uitvoering ervan versoepelden. Monique Kremer, Jelle van der Meer en Marcel Ham schreven daarover in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken: Werkt de zachte hand in de bijstand? Voor ruwweg de helft van de mensen in de bijstand krijgt de tegenprestatie vorm als vrijwilligerswerk, mantelzorg of werken aan je schulden of gezondheid.
En gisteren was er het bericht dat gemeenten de wettelijke taaleis voor de bijstand niet of nauwelijks handhaven: Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand, taaltoets nauwelijks afgenomen. Handhaving zou inhouden dat bij het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal of het zich niet voldoende inspannen om die taal te leren, de uitkering gekort zou moeten worden. De eis is door de landelijke politiek bedacht, maar de gemeenten lopen aan tegen de grenzen van de uitvoering ervan.
Heel langzaam wordt duidelijk wat die neoliberale verschuiving van overheidsverantwoordelijkheid naar individuele verantwoordelijkheid allemaal concreet inhoudt. En komt de vraag op of we dat eigenlijk wel willen.
En natuurlijk kunnen dan de pleidooien voor de invoering van het onvoorwaardelijke basisinkomen geen verrassing meer zijn.
Een aspect van die verschuiving ligt op het vlak van de rechten waar je als burger op mag rekenen. Het Keynesiaanse beleid gericht op volledige werkgelegenheid ging samen met de opbouw van de verzorgingsstaat en in het bijzonder met de bijstandswet. Als je geen andere bron van inkomsten had, was er een recht op een bijstandsuitkering. Met als voorwaarde dat je werk moest zoeken en passend werk moest accepteren. Grote problemen leverde dat niet op, want er was immers die overheidsverantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid. Banen waren er. En de overheid trad op als werkgever in laatste instantie. Tot de jaren 70 was de werkloosheid dan ook laag.
Dat veranderde dus daarna. Volledige werkgelegenheid als doelstelling van (macro-)economisch beleid verdween uit het zicht. De markt moest immers zijn werk doen. Werkloos zijn betekende dat je je eisen die je aan een baan stelde, nog niet genoeg naar beneden had bijgesteld. Werkloosheid was een keuze en werd dus ook in de economische modellen als "vrije tijd" beschouwd. De overheidsverantwoordelijkheid voor banen verdween en daarvoor in de plaats kwam de individuele verantwoordelijkheid voor inzetbaarheid (employability).
Dat leidde inderdaad tot hogere werkloosheid en daarmee op den duur tot de afbraak van rechten. Dat begon met verschillende aanpassingen van de bijstandswet. En meer recentelijk hebben we de tegenprestatie leren kennen en de taaltoets. Burgers hebben niet meer een voor ieder geldend recht op bijstand, maar er kan van hen worden verlangd dat ze "in ruil voor hun uitkering" een "maatschappelijk nuttige tegenprestatie verrichten". Of dat ze voldoende goed Nederlands spreken en dus met succes een taaltoets afleggen.
We lopen nu tegen de grenzen aan van waar dit soort beleid toe kan leiden. Want het handhaven van de eis van een tegenprestatie leidde aanvankelijk tot misstanden. Zie Mensenrechten van bijstandsgerechtigden geschonden? Waarna, voor zover bekend, de gemeenten de uitvoering ervan versoepelden. Monique Kremer, Jelle van der Meer en Marcel Ham schreven daarover in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken: Werkt de zachte hand in de bijstand? Voor ruwweg de helft van de mensen in de bijstand krijgt de tegenprestatie vorm als vrijwilligerswerk, mantelzorg of werken aan je schulden of gezondheid.
En gisteren was er het bericht dat gemeenten de wettelijke taaleis voor de bijstand niet of nauwelijks handhaven: Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand, taaltoets nauwelijks afgenomen. Handhaving zou inhouden dat bij het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal of het zich niet voldoende inspannen om die taal te leren, de uitkering gekort zou moeten worden. De eis is door de landelijke politiek bedacht, maar de gemeenten lopen aan tegen de grenzen van de uitvoering ervan.
Heel langzaam wordt duidelijk wat die neoliberale verschuiving van overheidsverantwoordelijkheid naar individuele verantwoordelijkheid allemaal concreet inhoudt. En komt de vraag op of we dat eigenlijk wel willen.
En natuurlijk kunnen dan de pleidooien voor de invoering van het onvoorwaardelijke basisinkomen geen verrassing meer zijn.
woensdag 19 juli 2017
Door meer autonomie op het werk hoger welzijn
We hebben een maatschappij tot stand gebracht waarin het hebben van betaald werk heel belangrijk is voor ons welbevinden, maar waarin tegelijkertijd de activiteit van het betaald werken een van de minst gewaardeerde bezigheden is. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.
Dat we gemiddeld genomen zo ontevreden zijn over de activiteit van het betaald werk kan ermee te maken hebben dat de werkomstandigheden ons weinig gevoel van controle verschaffen. Wat we moeten doen en hoe we dat moeten doen wordt ons in hoge mate voorgeschreven door de leidinggevende en de omschrijvingen van de taken die we uitvoeren. Weinig autonomie op het werk dus en dat probleem neemt en dat probleem neemt volgens de cijfers van het CBS alleen maar toe.
Terwijl autonomie op het werk van groot belang is voor ons welzijn. Een baan met meer autonomie geeft minder kans op een burn out.
Nieuwe aanwijzingen voor het belang van autonomie op het werk voor welzijn en tevredenheid geeft het onderzoek Autonomy in Paid Work and Employee Subjective Well-Being. De gegevens van twee golven (2010-2011 en 2012-2013) van het Understanding Society - panel, waarin 40.000 werknemers werden ondervraagd, bevestigen de positieve welzijnseffecten van autonomie in het werk. Ook bij controle van leeftijd, opleiding, aantal kinderen en inkomen.
Leidinggevenden en managers scoren hoger op autonomie én op welzijn en tevredenheid. Het zou kunnen dat ze inzicht hebben in het verband tussen het en een het andere. Maar ze weten kennelijk in het leiding geven niet goed naar dat inzicht te handelen. Organisaties kennen nog altijd een hoge mate van hiërarchie. Of de hiërarchie op het werk is zelfs aan het toenemen. Voor Amerikaanse toestanden lees: How bosses are (literally) like dictators. Americans think they live in a democracy. But their workplaces are small tyrannies.
Hoe deze negatieve trend te keren? Het ligt voor de hand te denken dat lagere werkloosheid, volledige werkgelegenheid, erg zou helpen. Werknemers kunnen dan hogere eisen stellen. En misschien gaan we echt een ontwikkeling zien in de richting van een coöperatieve economie. Of moeten we naar het onvoorwaardelijke basisinkomen, waardoor je niet meer elke rotbaan hoeft te accepteren?
Dat we gemiddeld genomen zo ontevreden zijn over de activiteit van het betaald werk kan ermee te maken hebben dat de werkomstandigheden ons weinig gevoel van controle verschaffen. Wat we moeten doen en hoe we dat moeten doen wordt ons in hoge mate voorgeschreven door de leidinggevende en de omschrijvingen van de taken die we uitvoeren. Weinig autonomie op het werk dus en dat probleem neemt en dat probleem neemt volgens de cijfers van het CBS alleen maar toe.
Terwijl autonomie op het werk van groot belang is voor ons welzijn. Een baan met meer autonomie geeft minder kans op een burn out.
Nieuwe aanwijzingen voor het belang van autonomie op het werk voor welzijn en tevredenheid geeft het onderzoek Autonomy in Paid Work and Employee Subjective Well-Being. De gegevens van twee golven (2010-2011 en 2012-2013) van het Understanding Society - panel, waarin 40.000 werknemers werden ondervraagd, bevestigen de positieve welzijnseffecten van autonomie in het werk. Ook bij controle van leeftijd, opleiding, aantal kinderen en inkomen.
Leidinggevenden en managers scoren hoger op autonomie én op welzijn en tevredenheid. Het zou kunnen dat ze inzicht hebben in het verband tussen het en een het andere. Maar ze weten kennelijk in het leiding geven niet goed naar dat inzicht te handelen. Organisaties kennen nog altijd een hoge mate van hiërarchie. Of de hiërarchie op het werk is zelfs aan het toenemen. Voor Amerikaanse toestanden lees: How bosses are (literally) like dictators. Americans think they live in a democracy. But their workplaces are small tyrannies.
Hoe deze negatieve trend te keren? Het ligt voor de hand te denken dat lagere werkloosheid, volledige werkgelegenheid, erg zou helpen. Werknemers kunnen dan hogere eisen stellen. En misschien gaan we echt een ontwikkeling zien in de richting van een coöperatieve economie. Of moeten we naar het onvoorwaardelijke basisinkomen, waardoor je niet meer elke rotbaan hoeft te accepteren?
zondag 5 maart 2017
De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?
Op verzoek van het Trendbureau Overijssel schreef ik het essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? Verschenen als Hoofdstuk 3 in: Hans Peter Benschop (red.), Nieuwe tegenstellingen. Wat doen we ermee? Den Haag: Boom bestuurskunde (p. 75-91)
Lees hieronder het begin en lees hier verder.
De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?
Inleiding: “De gemeenschap, georganiseerd in de staat …”
Na de Tweede Wereldoorlog vond er een klein wonder plaats. Vrijwel voor het eerst in de geschiedenis van staten werd besloten om de fundamentele morele intuïties van samenwerking en delen op het niveau van de nationale staat te institutionaliseren. Er was een les geleerd van de crisis van de jaren dertig en van het toen opkomen van het nationaalsocialisme. De vreselijke gevolgen van gebrek aan bestaanszekerheid op grote schaal waren duidelijk geworden, zowel individueel als maatschappelijk. Zo overweldigend groot dat er grote tegenstellingen, maatschappelijke ontwrichting, oorlog en zelfs genocide uit bleken te kunnen voortkomen.
Het algemeen gedeelde gevoelen was dat de maatschappij moest worden ingericht met het oog op het tegengaan van grote tegenstellingen door het streven naar bestaanszekerheid voor iedereen en dat een cruciale rol van de overheid daarin onvermijdelijk was. De Commissie-Van Rhijn, die al gedurende de oorlog aan het werk was gezet (Kappelhof 2004), formuleerde dit als volgt:
‘De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring te verschaffen.’
Dit werd het rechtsbeginsel voor de opbouw van de verzorgingsstaat (Giebels 2009). Het behelst de gedachte dat de staat uitvoerder is van de in de bevolking levende morele beginselen van de gemeenschap. De aansprakelijkheid “voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek” kun je lezen als het gemeenschapsbeginsel dat burgers elkaar via de omweg van de staat bijstaan in het streven naar bestaanszekerheid. Volgens datzelfde beginsel mogen burgers van elkaar verwachten dat ze “het redelijke” doen om te voorkomen dat ze die bijstand nodig hebben.
vrijdag 8 juli 2016
Marx' idee van het valse bewustzijn is weer helemaal terug - en over waarom dat terecht is
Chris Dillow (volg hem op Stumbling and Mumbling!) heeft nu een mooie analyse van hoe kiezers zo opvallend ideeën kunnen aanhangen die tegen hun eigen belangen ingaan. Dit naar aanleiding van Brexit en van het door het kiezersvolk gelaten ondergaan van of zelfs instemmen met het rampzalige Europese bezuinigingsbeleid. Zie Why Anger at Elites Was Channelled Towards Voting for Brexit.
Een en ander wijst er op dat we moeten inzien dat Marx gelijk had:
Dat geldt voor de individuele weg, de uitdaging waar ieder van ons voor komt te staan om uit te vinden hoe je een zinvol leven leidt dat voldoening geeft. Vandaar al die zelfhulpboeken en die hele bedrijfstak van life coaches, therapeuten en psychiaters. Denk ook even aan Aafke Hendriks.
Maar omdat we ook allemaal burgers en kiezers zijn, geldt dat ook voor de collectieve weg, de uitdaging om de maatschappij zo te doorgronden dat je tot gefundeerde oordelen kunt komen over het te voeren overheidsbeleid. En wat dat betreft had Marx (1818-1883) al door dat zulk een gefundeerde oordeelsvorming geenszins gegarandeerd is. Dat was zijn idee van het valse bewustzijn, de gedachte dus dat het kapitalisme een arbeidersklasse genereert die zijn eigen belangen en de weg om die te behartigen maar beperkt kent.
Chris Dillow geeft nu een korte opsomming van gedragseconomisch en sociaalpsychologisch onderzoek dat die gedachte ondersteunt. Dat gaat over cognitive biases, het anchoring effect, sociale vergelijking, wishful thinking, de just world illusion, de status quo bias en adaptive preferences. Als je al die inzichten in een mandje bij elkaar gooit, dan komt daar een theorie uit, de systeemrechtvaardigingstheorie, die verklaart hoe het komt dat ongelijkheid en onrechtvaardigheid blijven voortbestaan.
Specifiek voor Brexit stelt Dillow dat de overwinning van de Leavers verklaard kan worden door de mechanismen van wishful thinking, van de Prospect theory (op verlies reageren door meer risico te nemen) en van de "good begets good"-heuristiek (meer controle is goed, dus zijn ook alle effecten van meer controle goed).
Dillows conclusie:
Hoe dan? Door invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen en door meer democratische besluitvorming in bedrijven, zoals in de vorm van coöperaties.
Wat dat laatste betreft, de eerste tegenwerping is natuurlijk dat zulks sterk ten koste zou gaan van de efficiëntie van de bedrijfsvoering en de productiviteit. Maar dat staat nog te bezien. Er is onderzoek dat wijst op het tegendeel.
Een en ander wijst er op dat we moeten inzien dat Marx gelijk had:
It’s because capitalism generates an ideology which opposes sensible radical reform. The idea of false consciousness should be taken a lot more seriously.We zijn met zijn allen in een maatschappij terecht gekomen waarin we met het er in opgroeien niet zomaar de vermogens ontwikkelen om er onze weg in te vinden.
Dat geldt voor de individuele weg, de uitdaging waar ieder van ons voor komt te staan om uit te vinden hoe je een zinvol leven leidt dat voldoening geeft. Vandaar al die zelfhulpboeken en die hele bedrijfstak van life coaches, therapeuten en psychiaters. Denk ook even aan Aafke Hendriks.
Maar omdat we ook allemaal burgers en kiezers zijn, geldt dat ook voor de collectieve weg, de uitdaging om de maatschappij zo te doorgronden dat je tot gefundeerde oordelen kunt komen over het te voeren overheidsbeleid. En wat dat betreft had Marx (1818-1883) al door dat zulk een gefundeerde oordeelsvorming geenszins gegarandeerd is. Dat was zijn idee van het valse bewustzijn, de gedachte dus dat het kapitalisme een arbeidersklasse genereert die zijn eigen belangen en de weg om die te behartigen maar beperkt kent.
Chris Dillow geeft nu een korte opsomming van gedragseconomisch en sociaalpsychologisch onderzoek dat die gedachte ondersteunt. Dat gaat over cognitive biases, het anchoring effect, sociale vergelijking, wishful thinking, de just world illusion, de status quo bias en adaptive preferences. Als je al die inzichten in een mandje bij elkaar gooit, dan komt daar een theorie uit, de systeemrechtvaardigingstheorie, die verklaart hoe het komt dat ongelijkheid en onrechtvaardigheid blijven voortbestaan.
Specifiek voor Brexit stelt Dillow dat de overwinning van de Leavers verklaard kan worden door de mechanismen van wishful thinking, van de Prospect theory (op verlies reageren door meer risico te nemen) en van de "good begets good"-heuristiek (meer controle is goed, dus zijn ook alle effecten van meer controle goed).
Dillows conclusie:
I contend, therefore, that Marxian theories of ideology are supported by recent research. People aren’t just misinformed about political issues – there’s lots of surveys telling us that. They are irrational too. They have false consciousness.De grote uitdaging is natuurlijk om uit te vinden hoe je ondanks dit alles in een democratie toch nog tot een beleid komt dat in het teken staat van het algemene belang. Dillow laat dat verder aan de lezers over, maar laat nog wel weten dat wat hem betreft het zou helpen als je een beleid voert dat burgers meer het gevoel van controle teruggeeft.
Hoe dan? Door invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen en door meer democratische besluitvorming in bedrijven, zoals in de vorm van coöperaties.
Wat dat laatste betreft, de eerste tegenwerping is natuurlijk dat zulks sterk ten koste zou gaan van de efficiëntie van de bedrijfsvoering en de productiviteit. Maar dat staat nog te bezien. Er is onderzoek dat wijst op het tegendeel.
woensdag 29 juni 2016
Geloof in de enige God als bescherming tegen bestaansonzekerheid - Een biologische antropologie van de Bijbel - 12
Ga er even voor zitten en probeer je eens echt voor te stellen hoe mensen de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouwsamenleving beleefd moeten hebben.
Hoe zo? Was dat dan zo ingrijpend?
Ja, dat was het zeker. Het was, om met Jared Diamond te spreken, de grootste vergissing die de mensheid gemaakt heeft. Want wat waren de gevolgen?
Door permanente vestiging en eigendom ontstonden maatschappelijke en sekse-ongelijkheid, conflicten en oorlogen. Door het zich blijvend vestigen ontstonden problemen op het vlak van hygiëne en een grotere vatbaarheid voor besmettingsziektes. Dat werd versterkt door het dicht opeen gaan wonen met huisdieren en vee.
En het leven van de opbrengsten van landbouw leidde weliswaar tot door de tijd genomen hogere gemiddelde opbrengsten per eenheid arbeid, maar oogsten konden ook mislukken. Plots konden hongersnoden ontstaan.
Door de overgang naar landbouw leerde de mensheid voor het eerst rampen en catastrofes kennen. Grote delen van de bevolking konden door een epidemie of een hongersnood of een inval van vijanden weggevaagd worden. Of konden tot slaven worden gemaakt. Nogmaals, ga er voor zitten en stel je voor hoe overlevenden dat moeten hebben ervaren.
De menselijke behoefte om verklaringen te zoeken, zeker voor iets dat nieuw en onbekend is, ligt aan de bron van het ontstaan van de wereldgodsdiensten ten tijde van de landbouwrevolutie. En aan de bron van de Bijbelverhalen, zoals uiteengezet door Carel van Schaik en Kai Michel in Het Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel. Zie hier voor het vorige bericht in deze reeks.
In hoofdstuk 7 (Mozes: Gods wil wordt wet) gaan Van Schaik en Michel in op "de overvloed aan wetten, regels, aanwijzingen" in de vier Mozes-boeken. Waar kwamen al die wetten vandaan? Waarom?
Ze kwamen er uit voort dat mensen in hun wanhoop niet in staat waren om een andere verklaring voor die rampen en catastrofes te vinden dan dat iemand, een naar de menselijke psychologie gemodelleerd opperwezen, door menselijke misstappen ontstemd was geraakt. Rampen en catastrofes waren straffen:
En daardoor ontstonden de wetten van de eerste categorie, die van de bescherming tegen onderling geweld ("Heb uw naasten lief"), van de tweede categorie, bescherming tegen ziektes, van de derde categorie, bescherming van Gods ordening, van de vierde categorie, bescherming tegen het ongewisse, en van de vijfde categorie, die van de offerpraktijken.
Er valt natuurlijk veel meer over te zeggen, maar mij viel in dat in feite met de overgang naar de landbouwsamenleving het probleem van de bestaansonzekerheid de mensheidsgeschiedenis binnenkomt. En dat misschien vanaf dat moment het overgrote deel van alle menselijke individuele en collectieve inspanningen er op gericht is om die bestaansonzekerheid terug te dringen. Om die ene grote vergissing maar weer zoveel als mogelijk te herstellen.
Toegegeven, het is een flinke sprong, maar wat dat aangaat staat die discussie over morele intuïties en het basisinkomen in een heel lange historische ontwikkeling.
Hoe zo? Was dat dan zo ingrijpend?
Ja, dat was het zeker. Het was, om met Jared Diamond te spreken, de grootste vergissing die de mensheid gemaakt heeft. Want wat waren de gevolgen?
Door permanente vestiging en eigendom ontstonden maatschappelijke en sekse-ongelijkheid, conflicten en oorlogen. Door het zich blijvend vestigen ontstonden problemen op het vlak van hygiëne en een grotere vatbaarheid voor besmettingsziektes. Dat werd versterkt door het dicht opeen gaan wonen met huisdieren en vee.
En het leven van de opbrengsten van landbouw leidde weliswaar tot door de tijd genomen hogere gemiddelde opbrengsten per eenheid arbeid, maar oogsten konden ook mislukken. Plots konden hongersnoden ontstaan.
Door de overgang naar landbouw leerde de mensheid voor het eerst rampen en catastrofes kennen. Grote delen van de bevolking konden door een epidemie of een hongersnood of een inval van vijanden weggevaagd worden. Of konden tot slaven worden gemaakt. Nogmaals, ga er voor zitten en stel je voor hoe overlevenden dat moeten hebben ervaren.
De menselijke behoefte om verklaringen te zoeken, zeker voor iets dat nieuw en onbekend is, ligt aan de bron van het ontstaan van de wereldgodsdiensten ten tijde van de landbouwrevolutie. En aan de bron van de Bijbelverhalen, zoals uiteengezet door Carel van Schaik en Kai Michel in Het Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel. Zie hier voor het vorige bericht in deze reeks.
In hoofdstuk 7 (Mozes: Gods wil wordt wet) gaan Van Schaik en Michel in op "de overvloed aan wetten, regels, aanwijzingen" in de vier Mozes-boeken. Waar kwamen al die wetten vandaan? Waarom?
Ze kwamen er uit voort dat mensen in hun wanhoop niet in staat waren om een andere verklaring voor die rampen en catastrofes te vinden dan dat iemand, een naar de menselijke psychologie gemodelleerd opperwezen, door menselijke misstappen ontstemd was geraakt. Rampen en catastrofes waren straffen:
Wat de Thora ons voorschotelt berust op een simpele vooronderstelling: als een catastrofe of een ziekte een straf is van God, moet daar ook een misstap van een mens aan vooraf zijn gegaan. Niemand straft zonder dat daar een reden voor is. Het gaat er om die reden te ontdekken teneinde te verhinderen dat God opnieuw getart wordt.Bovendien nam daarmee de behoefte toe aan een opperwezen als enige God. Het geloof in één God maakte het immers makkelijker om zijn beweegredenen te doorgronden. Met een heel leger van goden was dat veel te ingewikkeld. Tegelijk maakte de omvang van de rampen en catastrofes die ene God tot ene wel heel grote en machtige.
En daardoor ontstonden de wetten van de eerste categorie, die van de bescherming tegen onderling geweld ("Heb uw naasten lief"), van de tweede categorie, bescherming tegen ziektes, van de derde categorie, bescherming van Gods ordening, van de vierde categorie, bescherming tegen het ongewisse, en van de vijfde categorie, die van de offerpraktijken.
Er valt natuurlijk veel meer over te zeggen, maar mij viel in dat in feite met de overgang naar de landbouwsamenleving het probleem van de bestaansonzekerheid de mensheidsgeschiedenis binnenkomt. En dat misschien vanaf dat moment het overgrote deel van alle menselijke individuele en collectieve inspanningen er op gericht is om die bestaansonzekerheid terug te dringen. Om die ene grote vergissing maar weer zoveel als mogelijk te herstellen.
Toegegeven, het is een flinke sprong, maar wat dat aangaat staat die discussie over morele intuïties en het basisinkomen in een heel lange historische ontwikkeling.
maandag 27 juni 2016
Morele intuïties en het basisinkomen
De roep om een basisinkomen speelt zich af in het publieke domein van een nationale staat. Met de invoering van een basisinkomen zouden we als burgers van een staat elkaar de financiële middelen voor een fatsoenlijk bestaan garanderen.
Als je je afvraagt of daar een moreel draagvlak voor is, dan kom je tot het besef dat onze morele intuïties niet gegarandeerd dezelfde richting uitwijzen.
Enerzijds is er de intuïtie, het gevoel, dat er tegenover een recht ook een plicht moet staan. "Wie niet werkt, zal ook niet eten." We zijn bereid om met zijn allen, dus als overheid, aansprakelijk te zijn "voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van iedereen", maar daar moet wel tegenover staan dat iedereen "zelf al het mogelijke doet om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen" (citaten uit Is er een moreel draagvlak voor het basisinkomen?).
Dus hoort tegenover het recht op een bijstandsuitkering de plicht te staan om je in te spannen om werk te vinden. Of zelfs de plicht om een tegenprestatie te leveren, zoals wij die nu in ons land kennen.
Maar anderzijds is er ook de intuïtie, het gevoel, dat in ons land niemand onder het bestaansminimum mag vallen. Een gevoel dat een uitdrukking heeft gevonden in de opvatting van het College voor de Rechten van de Mens dat het bij wijze van sanctie korten op de bijstandsuitkering in strijd kan zijn met de mensenrechtelijke normen voor een behoorlijke levensstandaard (art. 11 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten).
Twee morele gevoelens, de ene wijst in de richting van "wie niet werkt, zal ook niet eten" (geen basisinkomen) en de ander in de richting van "ieder van ons heeft recht op een behoorlijke levensstandaard" (wel een basisinkomen).
En bij beide gevoelens past morele verontwaardiging. Dat is in het eerste geval de verontwaardiging over "profiteursgedrag". En in het tweede geval de verontwaardiging over de toestand van armoede waarin iemand geduwd wordt.
Het probleem is nu dat in het nadenken of discussiëren over het basisinkomen niet noodzakelijk beide gevoelens op hetzelfde moment beleefd worden. Daardoor kan het gebeuren dat er felle voor- en tegenstanders zijn, niet zozeer doordat ze het oneens zijn, maar doordat hun oordelen op dat moment door het ene dan wel het andere gevoel gestuurd worden.
De paneldiscussie vorige week donderdagavond in De Balie (Ik werk dus ik ben) was een aardige illustratie van dit probleem. Raymond Gradus was in zijn presentatie een uitgesproken tegenstander van het basisinkomen op grond van de morele verontwaardiging over het "profiteursgedrag". Voor degen die er bij waren of de video hebben bekeken: denk aan de dia van de aan het strand van Malibu surfende jongeman, genietend van zijn basisinkomen, dat door ons, belastingbetalers, bijeen was gebracht.
Maar in de paneldiscussie kwam ook dat tweede gevoel aan de orde, het gevoel dat niemand onder het bestaansminimum mag zakken. En de morele verontwaardiging die je zou voelen als dat wel zou gebeuren.
En toen meende ik te zien gebeuren dat Raymond Gradus zich realiseerde dat hij zich in zijn afwijzing van het basisinkomen uitsluitend had laten sturen door de verontwaardiging over het profiteursgedrag. Toen dat tweede gevoel daaraan werd toegevoegd, stelde hij zijn oordeel bij en verklaarde hij in zijn slotwoord dat dat basisinkomen "toch wel ergens aan appelleert". Wat natuurlijk in hem viel te prijzen.
Maar het was dus een mooie illustratie van het gegeven dat ons pakket morele intuïties complex is en ons vaak niet eenduidig één richting uitstuurt. Dat wil zeggen, als we het hele pakket maar tot ons laten doordringen.
Als je je afvraagt of daar een moreel draagvlak voor is, dan kom je tot het besef dat onze morele intuïties niet gegarandeerd dezelfde richting uitwijzen.
Enerzijds is er de intuïtie, het gevoel, dat er tegenover een recht ook een plicht moet staan. "Wie niet werkt, zal ook niet eten." We zijn bereid om met zijn allen, dus als overheid, aansprakelijk te zijn "voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van iedereen", maar daar moet wel tegenover staan dat iedereen "zelf al het mogelijke doet om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen" (citaten uit Is er een moreel draagvlak voor het basisinkomen?).
Dus hoort tegenover het recht op een bijstandsuitkering de plicht te staan om je in te spannen om werk te vinden. Of zelfs de plicht om een tegenprestatie te leveren, zoals wij die nu in ons land kennen.
Maar anderzijds is er ook de intuïtie, het gevoel, dat in ons land niemand onder het bestaansminimum mag vallen. Een gevoel dat een uitdrukking heeft gevonden in de opvatting van het College voor de Rechten van de Mens dat het bij wijze van sanctie korten op de bijstandsuitkering in strijd kan zijn met de mensenrechtelijke normen voor een behoorlijke levensstandaard (art. 11 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten).
Twee morele gevoelens, de ene wijst in de richting van "wie niet werkt, zal ook niet eten" (geen basisinkomen) en de ander in de richting van "ieder van ons heeft recht op een behoorlijke levensstandaard" (wel een basisinkomen).
En bij beide gevoelens past morele verontwaardiging. Dat is in het eerste geval de verontwaardiging over "profiteursgedrag". En in het tweede geval de verontwaardiging over de toestand van armoede waarin iemand geduwd wordt.
Het probleem is nu dat in het nadenken of discussiëren over het basisinkomen niet noodzakelijk beide gevoelens op hetzelfde moment beleefd worden. Daardoor kan het gebeuren dat er felle voor- en tegenstanders zijn, niet zozeer doordat ze het oneens zijn, maar doordat hun oordelen op dat moment door het ene dan wel het andere gevoel gestuurd worden.
De paneldiscussie vorige week donderdagavond in De Balie (Ik werk dus ik ben) was een aardige illustratie van dit probleem. Raymond Gradus was in zijn presentatie een uitgesproken tegenstander van het basisinkomen op grond van de morele verontwaardiging over het "profiteursgedrag". Voor degen die er bij waren of de video hebben bekeken: denk aan de dia van de aan het strand van Malibu surfende jongeman, genietend van zijn basisinkomen, dat door ons, belastingbetalers, bijeen was gebracht.
Maar in de paneldiscussie kwam ook dat tweede gevoel aan de orde, het gevoel dat niemand onder het bestaansminimum mag zakken. En de morele verontwaardiging die je zou voelen als dat wel zou gebeuren.
En toen meende ik te zien gebeuren dat Raymond Gradus zich realiseerde dat hij zich in zijn afwijzing van het basisinkomen uitsluitend had laten sturen door de verontwaardiging over het profiteursgedrag. Toen dat tweede gevoel daaraan werd toegevoegd, stelde hij zijn oordeel bij en verklaarde hij in zijn slotwoord dat dat basisinkomen "toch wel ergens aan appelleert". Wat natuurlijk in hem viel te prijzen.
Maar het was dus een mooie illustratie van het gegeven dat ons pakket morele intuïties complex is en ons vaak niet eenduidig één richting uitstuurt. Dat wil zeggen, als we het hele pakket maar tot ons laten doordringen.
vrijdag 24 juni 2016
Dossier basisinkomen en video Ik werk, dus ik ben
Op Sociaalweb.nl is een dossier basisinkomen samengesteld, waarin de vorige vier berichten op dit blog zijn opgenomen. Zie Dossier basisinkomen.
En de video van de bijeenkomst Ik werk, dus ik ben in De Balie gisteravond is hier te bekijken: Podium / 23 jun 2016 / 20:00 Ik werk dus ik ben. Ik kom nog een keer terug op de discussie.
En de video van de bijeenkomst Ik werk, dus ik ben in De Balie gisteravond is hier te bekijken: Podium / 23 jun 2016 / 20:00 Ik werk dus ik ben. Ik kom nog een keer terug op de discussie.
donderdag 23 juni 2016
Zullen we door het basisinkomen betere keuzes gaan maken over hoeveel we werken?
De vierde en vijfde vraag over het basisinkomen, die ik hier stelde naar aanleiding van Ik werk, dus ik ben, luidden:
Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?Die vragen hangen met elkaar samen. Het gaat er enerzijds om wat (betaald) werk voor mensen betekent, anders en meer dan dat je er geld mee verdient. Dat behelst overigens meer dan dat je aan je werk, meer of minder, je identiteit ontleent. Het hebben van werk (in plaats van werkloos te zijn) en het werk als bezigheid hebben ook effecten op geluk en welbevinden. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee, waarover zo meteen meer.
Anderzijds hangt het antwoord op die vraag er natuurlijk mede van af wat het werk te bieden heeft. Van de kwaliteit van de banen en van de arbeidsomstandigheden. En een van de verwachte effecten van invoering van een basisinkomen is dat mensen gemakkelijker een baan kunnen weigeren, waardoor werkgevers er toe aangezet worden om betere banen aan te bieden.
Maar wat weten we van de effecten van werk op geluk en welbevinden?
Allereerst weten we dat het hebben van werk in vergelijking met werkloosheid een grote bijdrage levert aan geluk en welbevinden. Maar dat komt vooral door de grote negatieve effecten van werkloosheid. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. De ervaring van werkloosheid doet de tevredenheid met het leven ongeveer 2 punten dalen op een schaal van 1-10. Bovendien laat werkloos geweest te zijn een litteken achter. Je houdt er angst en onzekerheid aan over, waardoor het vroegere tevredenheidsniveau niet meer bereikt wordt. En we weten dat werkloosheid van een ouder negatief uitwerkt op de kinderen.
Naast een groot individueel, is werkloosheid ook een maatschappelijk kwaad. Alleen al doordat hoge werkloosheid ook de werkenden ongelukkiger maakt. De vrees voor baanverlies neemt toe en daardoor staan ook de werkenden onzekerder in het leven.
Je kunt een en ander verklaren met behulp van de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan. Volgens die theorie hebben mensen drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid met anderen. Het hebben van werk betekent dat je iets kunt en dat je in je eigen levensonderhoud kunt voorzien en dat zorgt dus voor competentie en autonomie.
We leven in een maatschappij waarin betaald werk dus van groot belang is voor in ieder geval twee van de drie basisbehoeften.
Maar dit alles betekent bepaald niet dat werk ons zo gelukkig maakt. Het is vooral het schrikbeeld van de werkloosheid dat ons er zo toe aanzet om een baan te hebben, werkzekerheid te hebben en carrière te maken. Dat verklaart ook dat het geluk sterk toeneemt bij werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ze zijn dan immers verlost van dat stigma van incompetentie.
Het is misschien vooral dat schrikbeeld dat jong-volwassenen er toe aanzet om zoveel te investeren in opleiding, baan en carrière. Waarna met het ouder worden de opbrengsten van al die inspanningen toch wat blijken tegen te vallen. Neem nu de U-vorm van het geluksniveau gedurende de levensloop. Tot zo ongeveer 40 jaar blijkt de tevredenheid met het leven af te nemen, waarna er weer een toename is. Dat zou kunnen komen doordat we in de eerste helft van ons leven nog teveel verwachten van de opbrengsten van werk en carrière en dat we dat pas later doorkrijgen.
Dat zou goed kloppen met het inzicht van onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman dat de tevredenheid met ons leven zou toenemen als we minder zouden werken. Want boven een redelijk inkomensniveau maakt meer geld ons niet of nauwelijks duurzaam gelukkiger. En de vrijkomende tijd zouden we goed kunnen besteden aan het onderhouden van sociale contacten, waarvan de bijdrage aan ons geluk groot en wel duurzaam is. Het belang van die basisbehoefte aan verbondenheid met anderen lijken we te onderschatten.
Bij wijze van conclusie: het zou goed kunnen zijn dat de invoering van een basisinkomen een gunstige invloed heeft op onze keuzes met betrekking tot betaald werk en carrière.
woensdag 22 juni 2016
Is er een moreel draagvlak voor het basisinkomen?
Laten we er van uitgaan dat de roep om een basisinkomen vooral een antwoord is op de toegenomen bestaansonzekerheid. En laten we er van uitgaan dat invoering van een basisinkomen economisch gezien niet zo rampzalig zal uitpakken als sommige tegenstanders denken, dus dat het betaalbaar is.
Vragen die zich dan nog wel opdringen, zijn die naar het morele draagvlak voor een basisinkomen en die naar wat het voor mensen betekent als werken (meer) een keuze wordt (denk aan: Ik werk, dus ik ben). Eerst maar die vraag naar dat morele draagvlak.
Het pakket morele intuïties dat in dat verband van belang is, is dat van het samenwerken en delen, waarvan de evolutionaire bron ligt bij de sterke onderlinge afhankelijkheid van de jagers-verzamelaars. Intuïties die samenhangen met inzichten als "we moeten hier samen wat van maken" en "we zijn op elkaar aangewezen".
Als we Jonathan Haidt volgen, dan gaat het om de intuïties van het gemeenschapsgedrag: je hoort voor elkaar te zorgen (of elkaar in ieder geval de ander geen leed berokkenen), je moet eerlijk zijn tegenover elkaar (in ieder geval de ander niet bedriegen), je moet elkaar in elkaars vrijheid laten (in ieder geval niet de ander willen overheersen) en je hoort onderling loyaal te zijn zodat je op elkaar kunt rekenen (in plaats van de ander te verraden en te laten vallen).
Die intuïties leren opgroeiende kinderen aan als de sociale omgeving waarin ze opgroeien maar voldoende overeenkomst vertoont met een gemeenschap. Anders gezegd, als de mensen waartussen we opgroeien maar genoeg volgens deze intuïties handelen, dan nemen wij ze over zoals we ook onze moedertaal aanleren.
So far, so good. Gecompliceerder wordt het als we bedenken dat er naast deze gemeenschapsintuïties ook altijd nog onze neiging tot statuscompetitie bestaat. De neiging dus om anderen te willen overheersen en anderen als concurrenten te zien in de strijd om status en de voordelen die met status samenhangen.
Die complicatie was er ook al in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Dat werd toen opgelost door statuscompetitiegedrag en profiteursgedrag collectief de kop in te drukken. Als iemand de baas wilde spelen, meer wilde dan een ander of niet wilde delen, dan werd hem/haar aan het verstand gebracht dat zulks niet werd geaccepteerd.
Daarbij hielp het om verontwaardigd en boos te zijn als zulk gedrag plaats vond. En dat waren precies de voorwaarden waaronder een selectie plaats vond op de neiging om agressief te reageren op al dat gedrag dat met die gemeenschapsmoraliteit in strijd is.
Kortom, tot de morele intuïties van gemeenschapsgedrag behoort ook de emotioneel-agressieve reactie op overtredingen daarvan. We keuren het af als iemand zich oneerlijk gedraagt, meer wil hebben dan anderen en niet zijn bijdrage levert.
Ondertussen zijn we natuurlijk in een gans andere maatschappij beland dan die van de jagers-verzamelaars. Wat doen we dan met die gemeenschapsintuïties, die we altijd nog bij het opgroeien aanleren?
Ze beïnvloeden natuurlijk hoe wij ons in ons persoonlijke leven van dag tot dag opstellen.
Maar we zijn ook allemaal burgers van een nationale staat en dus beïnvloeden ze ook ons politieke denken en handelen. En dat heeft er toe geleid dat algemeen kiesrecht en democratie zich konden ontwikkelen. Met de gedachte dat er op het niveau van een staat een beleid gevoerd zou moeten worden dat iedereen ten goede komt. En zelfs de gedachte dat er op het niveau van de wereldbevolking mensenrechten behoren te worden nageleefd (de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens).
En de geschiedenis leert dat democratieën, als ze niet gekaapt worden door machtige belangengroepen, de neiging hebben zich te ontwikkelen tot verzorgingsstaten. Gemeenschapsintuïties worden dan via het politieke proces omgezet in wetten en regelingen.
Voor ons land is die ontwikkeling in en kort na de Tweede Wereldoorlog mooi beschreven door Ton Kappelhof. Een en ander resulteerde in het rapport van de Commissie-Van Rhijn, waarin de rechtsgrond voor de sociale zekerheid werd omschreven als:
Dat laatste zou je kunnen opvatten als "Wie niet werkt, zal ook niet eten." En dat zou betekenen dat er voor een onvoorwaardelijk basisinkomen geen rechtsgrond is. Dus geen moreel draagvlak.
Maar is dat wel zo? Ik moest denken aan de recente ontwikkelingen met betrekking tot de positie van bijstandsgerechtigden. Die moeten van de huidige regering een tegenprestatie leveren. En als ze daarin tekort schieten of als ze niet op tijd de juiste informatie hebben verschaft, kunnen ze worden gekort op hun uitkering.
Dit nieuwe regime heeft geleid tot wantoestanden in de behandeling van uitkeringsgerechtigden. Ik schreef daarover op Sociaalweb.nl (zie hier en hier). Niet alleen was die behandeling soms vernederend, ook hadden die kortingen tot gevolg dat mensen onder het bestaansminimum terecht kwamen.
Daarover heeft het College voor de Rechten van de Mens geoordeeld. dat dat bestaansminimum hoort te worden gehandhaafd. En als tegenprestatie werk moeten doen waar anderen voor betaald worden, is in strijd met het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk.
Belangrijke oordelen, die inhouden dat je als overheid voorwaarden mag stellen, maar dat je aan het recht op een bestaansminimum en op gelijke behandeling niet mag tornen.
Het lijkt mij dat het College voor de Rechten van de Mens daarmee in feite een concretisering geeft van die gemeenschapsintuïties die de rechtsgrond van de Commissie-Van Rhijn verder invult. Je mag voorwaarden stellen voor de toekenning van bijstand, maar daar zijn grenzen aan. Niemand mag onder het bestaansminimum zakken. Ongelijke behandeling is uit den boze.
Vergis ik me nou als ik denk dat van hieruit de stap naar een (vorm van) basisinkomen niet zo groot meer is?
Vragen die zich dan nog wel opdringen, zijn die naar het morele draagvlak voor een basisinkomen en die naar wat het voor mensen betekent als werken (meer) een keuze wordt (denk aan: Ik werk, dus ik ben). Eerst maar die vraag naar dat morele draagvlak.
Het pakket morele intuïties dat in dat verband van belang is, is dat van het samenwerken en delen, waarvan de evolutionaire bron ligt bij de sterke onderlinge afhankelijkheid van de jagers-verzamelaars. Intuïties die samenhangen met inzichten als "we moeten hier samen wat van maken" en "we zijn op elkaar aangewezen".
Als we Jonathan Haidt volgen, dan gaat het om de intuïties van het gemeenschapsgedrag: je hoort voor elkaar te zorgen (of elkaar in ieder geval de ander geen leed berokkenen), je moet eerlijk zijn tegenover elkaar (in ieder geval de ander niet bedriegen), je moet elkaar in elkaars vrijheid laten (in ieder geval niet de ander willen overheersen) en je hoort onderling loyaal te zijn zodat je op elkaar kunt rekenen (in plaats van de ander te verraden en te laten vallen).
Die intuïties leren opgroeiende kinderen aan als de sociale omgeving waarin ze opgroeien maar voldoende overeenkomst vertoont met een gemeenschap. Anders gezegd, als de mensen waartussen we opgroeien maar genoeg volgens deze intuïties handelen, dan nemen wij ze over zoals we ook onze moedertaal aanleren.
So far, so good. Gecompliceerder wordt het als we bedenken dat er naast deze gemeenschapsintuïties ook altijd nog onze neiging tot statuscompetitie bestaat. De neiging dus om anderen te willen overheersen en anderen als concurrenten te zien in de strijd om status en de voordelen die met status samenhangen.
Die complicatie was er ook al in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Dat werd toen opgelost door statuscompetitiegedrag en profiteursgedrag collectief de kop in te drukken. Als iemand de baas wilde spelen, meer wilde dan een ander of niet wilde delen, dan werd hem/haar aan het verstand gebracht dat zulks niet werd geaccepteerd.
Daarbij hielp het om verontwaardigd en boos te zijn als zulk gedrag plaats vond. En dat waren precies de voorwaarden waaronder een selectie plaats vond op de neiging om agressief te reageren op al dat gedrag dat met die gemeenschapsmoraliteit in strijd is.
Kortom, tot de morele intuïties van gemeenschapsgedrag behoort ook de emotioneel-agressieve reactie op overtredingen daarvan. We keuren het af als iemand zich oneerlijk gedraagt, meer wil hebben dan anderen en niet zijn bijdrage levert.
Ondertussen zijn we natuurlijk in een gans andere maatschappij beland dan die van de jagers-verzamelaars. Wat doen we dan met die gemeenschapsintuïties, die we altijd nog bij het opgroeien aanleren?
Ze beïnvloeden natuurlijk hoe wij ons in ons persoonlijke leven van dag tot dag opstellen.
Maar we zijn ook allemaal burgers van een nationale staat en dus beïnvloeden ze ook ons politieke denken en handelen. En dat heeft er toe geleid dat algemeen kiesrecht en democratie zich konden ontwikkelen. Met de gedachte dat er op het niveau van een staat een beleid gevoerd zou moeten worden dat iedereen ten goede komt. En zelfs de gedachte dat er op het niveau van de wereldbevolking mensenrechten behoren te worden nageleefd (de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens).
En de geschiedenis leert dat democratieën, als ze niet gekaapt worden door machtige belangengroepen, de neiging hebben zich te ontwikkelen tot verzorgingsstaten. Gemeenschapsintuïties worden dan via het politieke proces omgezet in wetten en regelingen.
Voor ons land is die ontwikkeling in en kort na de Tweede Wereldoorlog mooi beschreven door Ton Kappelhof. Een en ander resulteerde in het rapport van de Commissie-Van Rhijn, waarin de rechtsgrond voor de sociale zekerheid werd omschreven als:
De gemeenschap, georganiseerd in de Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden zelf het mogelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.En in die formulering vind je die gemeenschapsintuïties behoorlijk goed terug. We zorgen met zijn allen voor iedereen. Wel onder de voorwaarde dat iedereen ook zichzelf inspant en niet van anderen profiteert.
Dat laatste zou je kunnen opvatten als "Wie niet werkt, zal ook niet eten." En dat zou betekenen dat er voor een onvoorwaardelijk basisinkomen geen rechtsgrond is. Dus geen moreel draagvlak.
Maar is dat wel zo? Ik moest denken aan de recente ontwikkelingen met betrekking tot de positie van bijstandsgerechtigden. Die moeten van de huidige regering een tegenprestatie leveren. En als ze daarin tekort schieten of als ze niet op tijd de juiste informatie hebben verschaft, kunnen ze worden gekort op hun uitkering.
Dit nieuwe regime heeft geleid tot wantoestanden in de behandeling van uitkeringsgerechtigden. Ik schreef daarover op Sociaalweb.nl (zie hier en hier). Niet alleen was die behandeling soms vernederend, ook hadden die kortingen tot gevolg dat mensen onder het bestaansminimum terecht kwamen.
Daarover heeft het College voor de Rechten van de Mens geoordeeld. dat dat bestaansminimum hoort te worden gehandhaafd. En als tegenprestatie werk moeten doen waar anderen voor betaald worden, is in strijd met het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk.
Belangrijke oordelen, die inhouden dat je als overheid voorwaarden mag stellen, maar dat je aan het recht op een bestaansminimum en op gelijke behandeling niet mag tornen.
Het lijkt mij dat het College voor de Rechten van de Mens daarmee in feite een concretisering geeft van die gemeenschapsintuïties die de rechtsgrond van de Commissie-Van Rhijn verder invult. Je mag voorwaarden stellen voor de toekenning van bijstand, maar daar zijn grenzen aan. Niemand mag onder het bestaansminimum zakken. Ongelijke behandeling is uit den boze.
Vergis ik me nou als ik denk dat van hieruit de stap naar een (vorm van) basisinkomen niet zo groot meer is?
dinsdag 21 juni 2016
Is het basisinkomen betaalbaar?
Om maar met de deur in huis te vallen: ik zou het niet weten. Als je "basisinkomen betaalbaar?" en "basisinkomen onbetaalbaar?" googelt, dan ben je binnen een paar minuten geheel ontregeld.
Dat ligt er deels aan dat er allerlei verschillende varianten van het basisinkomen de ronde doen, met bovendien allerlei verschillende voorstellen voor bijkomende maatregelen. Zo is er de vraag of je alle bestaande uitkeringen en sociale voorzieningen kunt afschaffen of niet. (Mij lijkt van niet.)
Maar daar komt bij dat we vooralsnog maar beperkt zicht hebben op welke effecten invoering van een basisinkomen zal hebben. En op hoe groot die effecten zullen zijn.
Zal het arbeidsaanbod er door afnemen? En heeft dat niet alleen negatieve effecten op de economie, maar ook positieve? Als je bedenkt dat werkenden gelukkiger zijn dan werklozen, maar dat betaald werk als bezigheid tot de minst gewaardeerde tijdsbestedingen behoort en dat de kosten van werkstress en burn-out hoog zijn, dan staat nog te bezien wat het saldo van kosten en baten is.
Denk in dat verband ook aan het pleidooi van Rutger Bregman: De oplossing voor bijna alles: minder werken. Onze keuzes voor betaald werken worden mede beïnvloed door de motieven van de statuscompetitie waarin we met elkaar verzeild raken en dat maakt dat die keuzes niet optimaal hoeven uit te vallen. Uitwerkingen van die gedachte vind je bij Robert H. Frank ( The Winner-Take-All Society en Luxury Fever: Money and Happiness in an Era of Excess).
En wat zal de waarde zijn van het onbetaalde werk dat mensen gaan doen als ze minder betaald gaan werken? Misschien gaan ze zich bijscholen. misschien besteden ze meer tijd aan sociale contacten, aan het uitbreiden van hun sociale kring en worden ze actiever in hun buurt. Dat zou goed zijn voor onze gezondheid en voor het opgroeien van kinderen. En het zou een bijdrage kunnen zijn aan het tegengaan van eenzaamheid. Wat natuurlijk weer economische voordelen heeft. Denk aan de kosten van de gezondheidszorg, de jeugdzorg en de kosten in het kader van de Participatiewet en de WMO.
Maar het invoeren van een basisinkomen zal naar verwachting ook de machtspositie van werknemers op de arbeidsmarkt vergroten. Dat lijkt hoognodig, nu het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen al decennia lang gedaald is en daarmee samenhangend de macht van de vakbonden zo is afgenomen. Je mag verwachten dat werkgevers er door geprikkeld worden om de kwaliteit van het werk te verhogen. Wat de overheidsbemoeienis met arbeidsomstandigheden kan terugdringen. En betere arbeidsomstandigheden zouden op hun beurt juist weer kunnen leiden tot een verhoging van het arbeidsaanbod.
Kortom, welke effecten zullen optreden, hoe sterk die effecten zullen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen of tegen elkaar in werken, we weten daar nog weinig van.
Wat dat praktisch en beleidsmatig en op korte termijn betekent? Ik kwam al zoekende ook het betoog Basisinkomen, basisbaan ofgewoon armoede bestrijden? van Paul de Beer tegen. Het lijkt me wel een verstandig pleidooi voor een aantal kleine, concrete stappen in de richting van het basisinkomen: maak het voor uitkeringsgerechtigden makkelijker om naast hun uitkering bij te verdienen, pas de arbeidskorting in de inkomstenbelasting zo aan dat het effectieve tarief voor werkenden met een laag inkomen negatief wordt en voer een algemene basisverzekering voor werkenden in.
Dat ligt er deels aan dat er allerlei verschillende varianten van het basisinkomen de ronde doen, met bovendien allerlei verschillende voorstellen voor bijkomende maatregelen. Zo is er de vraag of je alle bestaande uitkeringen en sociale voorzieningen kunt afschaffen of niet. (Mij lijkt van niet.)
Maar daar komt bij dat we vooralsnog maar beperkt zicht hebben op welke effecten invoering van een basisinkomen zal hebben. En op hoe groot die effecten zullen zijn.
Zal het arbeidsaanbod er door afnemen? En heeft dat niet alleen negatieve effecten op de economie, maar ook positieve? Als je bedenkt dat werkenden gelukkiger zijn dan werklozen, maar dat betaald werk als bezigheid tot de minst gewaardeerde tijdsbestedingen behoort en dat de kosten van werkstress en burn-out hoog zijn, dan staat nog te bezien wat het saldo van kosten en baten is.
Denk in dat verband ook aan het pleidooi van Rutger Bregman: De oplossing voor bijna alles: minder werken. Onze keuzes voor betaald werken worden mede beïnvloed door de motieven van de statuscompetitie waarin we met elkaar verzeild raken en dat maakt dat die keuzes niet optimaal hoeven uit te vallen. Uitwerkingen van die gedachte vind je bij Robert H. Frank ( The Winner-Take-All Society en Luxury Fever: Money and Happiness in an Era of Excess).En wat zal de waarde zijn van het onbetaalde werk dat mensen gaan doen als ze minder betaald gaan werken? Misschien gaan ze zich bijscholen. misschien besteden ze meer tijd aan sociale contacten, aan het uitbreiden van hun sociale kring en worden ze actiever in hun buurt. Dat zou goed zijn voor onze gezondheid en voor het opgroeien van kinderen. En het zou een bijdrage kunnen zijn aan het tegengaan van eenzaamheid. Wat natuurlijk weer economische voordelen heeft. Denk aan de kosten van de gezondheidszorg, de jeugdzorg en de kosten in het kader van de Participatiewet en de WMO.
Maar het invoeren van een basisinkomen zal naar verwachting ook de machtspositie van werknemers op de arbeidsmarkt vergroten. Dat lijkt hoognodig, nu het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen al decennia lang gedaald is en daarmee samenhangend de macht van de vakbonden zo is afgenomen. Je mag verwachten dat werkgevers er door geprikkeld worden om de kwaliteit van het werk te verhogen. Wat de overheidsbemoeienis met arbeidsomstandigheden kan terugdringen. En betere arbeidsomstandigheden zouden op hun beurt juist weer kunnen leiden tot een verhoging van het arbeidsaanbod.
Kortom, welke effecten zullen optreden, hoe sterk die effecten zullen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen of tegen elkaar in werken, we weten daar nog weinig van.
Wat dat praktisch en beleidsmatig en op korte termijn betekent? Ik kwam al zoekende ook het betoog Basisinkomen, basisbaan ofgewoon armoede bestrijden? van Paul de Beer tegen. Het lijkt me wel een verstandig pleidooi voor een aantal kleine, concrete stappen in de richting van het basisinkomen: maak het voor uitkeringsgerechtigden makkelijker om naast hun uitkering bij te verdienen, pas de arbeidskorting in de inkomstenbelasting zo aan dat het effectieve tarief voor werkenden met een laag inkomen negatief wordt en voer een algemene basisverzekering voor werkenden in.
maandag 20 juni 2016
Het basisinkomen is een (de?) oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid
Onder de titel Ik werk, dus ik ben organiseert De Balie a.s. donderdag een avond over het basisinkomen. Omdat ik daar als panellid een rolletje in speel, boog ik me vanochtend over de toelichtende tekst van de organisatoren.
In zijn beknoptheid is die tekst interessant, omdat vrijwel alle vragen die er rond dat basisinkomen de ronde doen, aan de orde komen. Hier mijn poging om een en ander op een rijtje te zetten, met een aanvulling:
Maar laten we eens kijken hoe ver we komen als we de berichten die in de loop van de jaren op dit blog zijn verschenen gebruiken als bron van informatie en inspiratie. Te beginnen met die vraag voor welk probleem het basisinkomen een oplossing zou kunnen zijn.
Wat zeggen de organisatoren daarover? Ze openen hun tekst met een verwijzing naar de Panama-papers en dus naar de grote bedragen die door belastingontwijking en -ontduiking aan de staatskassen worden onttrokken. "Kan al dat geld niet eerlijker verdeeld worden onder de bevolking in de vorm van een onvoorwaardelijk basisinkomen?"
Dat wijst op het basisinkomen als oplossing voor het probleem van de in veel landen sterk gestegen ongelijkheid. Daar zit wat in. Als je de middelen voor het basisinkomen haalt uit het terugdringen van belastingontwijking en -ontduiking en uit verhoging van de hoogste tarieven van de inkomstenbelasting, en die als een basisinkomen over iedereen verdeelt, dan zal dat wel inkomensnivellerend werken.
Maar je haalt wel veel overhoop door met een basisinkomen de ongelijkheid terug te willen dringen. Dat zou ook met andere middelen kunnen.
Ligt het niet meer voor de hand om het basisinkomen te zien als een mogelijke oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid? Die vertoont wel enige samenhang met de toegenomen ongelijkheid, maar is een probleem waarvoor het basisinkomen wel heel direct een oplossing verschaft.
Is die bestaansonzekerheid dan zo toegenomen? En zou dat dan ook verklaren waarom dat idee van een basisinkomen zo in de belangstelling is komen te staan?
Ja, daar valt veel voor te zeggen. Je kon al vermoeden dat de opkomst van die bizarre ideologie van het neoliberalisme (minder overheid, minder bescherming, meer markt) sinds zo ongeveer 1980 (Thatcher, Reagan) negatief heeft uitgewerkt op de bestaanszekerheid van mensen. Dat vermoeden is nu voor Nederland bevestigd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid.
Vrooman laat daar voor Nederland zien dat na 1980 voor de bevolking tussen 18 en 64 jaar de inkomensbescherming door middel van sociale zekerheidsregelingen sterk is afgenomen. In rapportcijfers uitgedrukt daalde die van 7,1 in 1980 naar 4,7 in 2015. Met als gevolg dat de inkomenszekerheid voor dezelfde groep met 34 procent daalde. Bovendien daalde de werkzekerheid met 27 procent.
Schrikwekkende cijfers. Dat ze doen schrikken als je ze zo voor je ziet, zal er mee te maken hebben dat ze beetje bij beetje tot stand zijn gekomen. Dan weer is die regeling verslechterd en dan weer die bescherming en dan weer die voorziening. Alles bij elkaar opgeteld, zie je wat de neoliberale hersenspinsels van de politiek hebben aangericht.
Wat je trouwens ook ziet, is dat die toename van onzekerheid in deze periode veel minder geldt voor de ouderen (65 jaar en ouder). Wat is namelijk het geval? Die hebben, in de vorm van de AOW, eigenlijk al een soort basisinkomen.
Deze ontwikkeling verklaart natuurlijk heel goed hoe het idee van een basisinkomen zo in de belangstelling kon komen te staan.
Want we weten hoe belangrijk bestaanszekerheid voor mensen is. We hebben op dit blog immers gezien dat mensen liever een gestage geringere inkomensgroei hebben dan een per saldo grotere, maar met meer schommelingen. En dat mensen gelukkiger worden van economische groei, maar alleen dan als die gestaag is, zonder recessies er tussen door.
Ook weten we dat economische bestaansonzekerheid met fysiek lijden gepaard gaat en dus met een groter gebruik van pijnstillers. En we kennen de grote negatieve effecten van werkloosheid en van baanonzekerheid.
Kortom, dat het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen nu zo in de belangstelling is komen te staan, dat kan niet verbazen. Mensen zoeken naar oplossingen voor de bedreigingen van hun meest fundamentele behoefte, die van bestaanszekerheid.
De verzorgingsstaat is een stelsel van oplossingen om aan die behoefte tegemoet te komen. Als je denkt dat die verzorgingsstaat zijn langste tijd gehad heeft, omdat die neoliberale ideologie je dat influistert, dan moet je niet vreemd opkijken als veel mensen op het idee komen van een basisinkomen.
In zijn beknoptheid is die tekst interessant, omdat vrijwel alle vragen die er rond dat basisinkomen de ronde doen, aan de orde komen. Hier mijn poging om een en ander op een rijtje te zetten, met een aanvulling:
- De vraag voor welk probleem het basisinkomen geacht wordt te zijn.
- De vraag of het basisinkomen uitvoerbaar is, in het bijzonder of het betaalbaar is. Subvraag: Zet het basisinkomen niet teveel aan tot niet-werken, met negatieve economische gevolgen?
- Is er voor het basisinkomen wel een moreel draagvlak? Moet niet gelden: "Wie niet werkt, zal ook niet eten?"
- Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
- Mijn aanvulling: Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?
Maar laten we eens kijken hoe ver we komen als we de berichten die in de loop van de jaren op dit blog zijn verschenen gebruiken als bron van informatie en inspiratie. Te beginnen met die vraag voor welk probleem het basisinkomen een oplossing zou kunnen zijn.
Wat zeggen de organisatoren daarover? Ze openen hun tekst met een verwijzing naar de Panama-papers en dus naar de grote bedragen die door belastingontwijking en -ontduiking aan de staatskassen worden onttrokken. "Kan al dat geld niet eerlijker verdeeld worden onder de bevolking in de vorm van een onvoorwaardelijk basisinkomen?"
Dat wijst op het basisinkomen als oplossing voor het probleem van de in veel landen sterk gestegen ongelijkheid. Daar zit wat in. Als je de middelen voor het basisinkomen haalt uit het terugdringen van belastingontwijking en -ontduiking en uit verhoging van de hoogste tarieven van de inkomstenbelasting, en die als een basisinkomen over iedereen verdeelt, dan zal dat wel inkomensnivellerend werken.
Maar je haalt wel veel overhoop door met een basisinkomen de ongelijkheid terug te willen dringen. Dat zou ook met andere middelen kunnen.
Ligt het niet meer voor de hand om het basisinkomen te zien als een mogelijke oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid? Die vertoont wel enige samenhang met de toegenomen ongelijkheid, maar is een probleem waarvoor het basisinkomen wel heel direct een oplossing verschaft.
Is die bestaansonzekerheid dan zo toegenomen? En zou dat dan ook verklaren waarom dat idee van een basisinkomen zo in de belangstelling is komen te staan?
Ja, daar valt veel voor te zeggen. Je kon al vermoeden dat de opkomst van die bizarre ideologie van het neoliberalisme (minder overheid, minder bescherming, meer markt) sinds zo ongeveer 1980 (Thatcher, Reagan) negatief heeft uitgewerkt op de bestaanszekerheid van mensen. Dat vermoeden is nu voor Nederland bevestigd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid.
Vrooman laat daar voor Nederland zien dat na 1980 voor de bevolking tussen 18 en 64 jaar de inkomensbescherming door middel van sociale zekerheidsregelingen sterk is afgenomen. In rapportcijfers uitgedrukt daalde die van 7,1 in 1980 naar 4,7 in 2015. Met als gevolg dat de inkomenszekerheid voor dezelfde groep met 34 procent daalde. Bovendien daalde de werkzekerheid met 27 procent.
Schrikwekkende cijfers. Dat ze doen schrikken als je ze zo voor je ziet, zal er mee te maken hebben dat ze beetje bij beetje tot stand zijn gekomen. Dan weer is die regeling verslechterd en dan weer die bescherming en dan weer die voorziening. Alles bij elkaar opgeteld, zie je wat de neoliberale hersenspinsels van de politiek hebben aangericht.
Wat je trouwens ook ziet, is dat die toename van onzekerheid in deze periode veel minder geldt voor de ouderen (65 jaar en ouder). Wat is namelijk het geval? Die hebben, in de vorm van de AOW, eigenlijk al een soort basisinkomen.
Deze ontwikkeling verklaart natuurlijk heel goed hoe het idee van een basisinkomen zo in de belangstelling kon komen te staan.
Want we weten hoe belangrijk bestaanszekerheid voor mensen is. We hebben op dit blog immers gezien dat mensen liever een gestage geringere inkomensgroei hebben dan een per saldo grotere, maar met meer schommelingen. En dat mensen gelukkiger worden van economische groei, maar alleen dan als die gestaag is, zonder recessies er tussen door.
Ook weten we dat economische bestaansonzekerheid met fysiek lijden gepaard gaat en dus met een groter gebruik van pijnstillers. En we kennen de grote negatieve effecten van werkloosheid en van baanonzekerheid.
Kortom, dat het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen nu zo in de belangstelling is komen te staan, dat kan niet verbazen. Mensen zoeken naar oplossingen voor de bedreigingen van hun meest fundamentele behoefte, die van bestaanszekerheid.
De verzorgingsstaat is een stelsel van oplossingen om aan die behoefte tegemoet te komen. Als je denkt dat die verzorgingsstaat zijn langste tijd gehad heeft, omdat die neoliberale ideologie je dat influistert, dan moet je niet vreemd opkijken als veel mensen op het idee komen van een basisinkomen.
vrijdag 11 maart 2016
Armoede, verzorgingsstaat en basisinkomen
Het bericht Zijn we vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen? En nodig hebben? roept bij sommigen de vraag op waarom ik het niet verbonden heb met een pleidooi voor de invoering van het onvoorwaardelijk basisinkomen. Ik denk dat ik hen, waaronder Joop Böhm, een uitleg verschuldigd ben.
Het punt waar het om draait, staat in de titel van het bericht. De opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog was bedoeld om een economie en een maatschappij zonder armoede in te richten.
Niet alleen omdat armoede ellendig is voor degenen die er door getroffen worden, maar ook omdat het bestaan van armoede iets doet met degenen die niet arm zijn. Het verhoogt de algehele bestaansonzekerheid en dat maakt mensen gestresst, wantrouwend, zelfzuchtig en vijandig tegenover buitenstaanders. De gruwelen van het nazi-bewind en de Jodenvervolging hebben natuurlijk veel te maken gehad met het na de Tweede Wereldoorlog alom verbreide vaste voornemen om een verzorgingsstaat op te bouwen.
Maar het lijkt alsof die lessen zijn vergeten. In de kringen van politici en beleidsmakers wordt schamper gedaan over de verzorgingsstaat. Het garanderen van bestaanszekerheid wordt afgedaan als "pamperen". De verzorgingsstaat zou achterhaald en onhoudbaar zijn.
Armoede en werkloosheid worden als individuele problemen gezien, die op te lossen zijn door "disciplinering" en 'tegenprestaties". In plaats van volledige werkgelegenheid als macro-economische doelstelling na te streven, is het bon ton geworden om massawerkloosheid te zien als een middel om de lonen omlaag te brengen als aanpassing aan een nieuw marktevenwicht. In het neoliberale denken gaat het niet meer om wat mensen nodig hebben, maar is de markt van middel tot doel op zichzelf geworden.
Politiek gezien zijn de sociaal-democratie en de christen-democratie, die elk met eigen accenten die verzorgingsstaat hielpen opbouwen, hierin meegegaan. Het zacht gezegd eigenaardige Duitse economische denken, waarin vooral iedereen zijn eigen stoepje moet vegen en waarin mensen door pijn te lijden hun lessen moeten leren, is de Europese politiek gaan domineren. Update. Zie vandaag ook Barry Eichengreen daarover: Confronting the Fiscal Bogeyman.
Dat alles heeft de te verwachten nare gevolgen. In het politieke landschap is vrij baan voor demagogie en vreemdelingenhaat. Overeenkomsten met de jaren 30 van de vorige eeuw dringen zich op.
Mijn conclusie daaruit is dat de strijd, want een strijd is het, nu moet gaan over de verzorgingsstaat. En die strijd kan gewonnen worden, want ondanks alle neoliberale propaganda (there is no alternative) is de steun voor de verzorgingsstaat aanzienlijk. Mensen willen geen kleinere overheid en zijn bereid de belastingen daarvoor op te brengen.
Hoe zit dat dan met dat onvoorwaardelijk basisinkomen? Ik ben daar een voorstander van en vind dat het er moet komen. Maar dan als een sluitstuk van de verzorgingsstaat, niet als een alternatief daarvan. Zie Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat?
Want ook met een basisinkomen zijn armoede en ellende niet de wereld uit. Ook dan is er een overheid nodig die zich om de pechvogels bekommert, die problemen hebben waar ook een basisinkomen niet aan tegemoetkomt . En een overheid die het tot zijn verantwoordelijkheden rekent om een macro-economisch beleid te voeren dat zorgt voor voldoende economische groei om basisinkomen en andere sociale voorzieningen in stand te kunnen houden.
De neoliberale staat is niet minder een nachtmerrie als hij een onvoorwaardelijk basisinkomen kent.
Het punt waar het om draait, staat in de titel van het bericht. De opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog was bedoeld om een economie en een maatschappij zonder armoede in te richten.
Niet alleen omdat armoede ellendig is voor degenen die er door getroffen worden, maar ook omdat het bestaan van armoede iets doet met degenen die niet arm zijn. Het verhoogt de algehele bestaansonzekerheid en dat maakt mensen gestresst, wantrouwend, zelfzuchtig en vijandig tegenover buitenstaanders. De gruwelen van het nazi-bewind en de Jodenvervolging hebben natuurlijk veel te maken gehad met het na de Tweede Wereldoorlog alom verbreide vaste voornemen om een verzorgingsstaat op te bouwen.
Maar het lijkt alsof die lessen zijn vergeten. In de kringen van politici en beleidsmakers wordt schamper gedaan over de verzorgingsstaat. Het garanderen van bestaanszekerheid wordt afgedaan als "pamperen". De verzorgingsstaat zou achterhaald en onhoudbaar zijn.
Armoede en werkloosheid worden als individuele problemen gezien, die op te lossen zijn door "disciplinering" en 'tegenprestaties". In plaats van volledige werkgelegenheid als macro-economische doelstelling na te streven, is het bon ton geworden om massawerkloosheid te zien als een middel om de lonen omlaag te brengen als aanpassing aan een nieuw marktevenwicht. In het neoliberale denken gaat het niet meer om wat mensen nodig hebben, maar is de markt van middel tot doel op zichzelf geworden.
Politiek gezien zijn de sociaal-democratie en de christen-democratie, die elk met eigen accenten die verzorgingsstaat hielpen opbouwen, hierin meegegaan. Het zacht gezegd eigenaardige Duitse economische denken, waarin vooral iedereen zijn eigen stoepje moet vegen en waarin mensen door pijn te lijden hun lessen moeten leren, is de Europese politiek gaan domineren. Update. Zie vandaag ook Barry Eichengreen daarover: Confronting the Fiscal Bogeyman.
Dat alles heeft de te verwachten nare gevolgen. In het politieke landschap is vrij baan voor demagogie en vreemdelingenhaat. Overeenkomsten met de jaren 30 van de vorige eeuw dringen zich op.
Mijn conclusie daaruit is dat de strijd, want een strijd is het, nu moet gaan over de verzorgingsstaat. En die strijd kan gewonnen worden, want ondanks alle neoliberale propaganda (there is no alternative) is de steun voor de verzorgingsstaat aanzienlijk. Mensen willen geen kleinere overheid en zijn bereid de belastingen daarvoor op te brengen.
Hoe zit dat dan met dat onvoorwaardelijk basisinkomen? Ik ben daar een voorstander van en vind dat het er moet komen. Maar dan als een sluitstuk van de verzorgingsstaat, niet als een alternatief daarvan. Zie Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat?
Want ook met een basisinkomen zijn armoede en ellende niet de wereld uit. Ook dan is er een overheid nodig die zich om de pechvogels bekommert, die problemen hebben waar ook een basisinkomen niet aan tegemoetkomt . En een overheid die het tot zijn verantwoordelijkheden rekent om een macro-economisch beleid te voeren dat zorgt voor voldoende economische groei om basisinkomen en andere sociale voorzieningen in stand te kunnen houden.
De neoliberale staat is niet minder een nachtmerrie als hij een onvoorwaardelijk basisinkomen kent.
dinsdag 29 september 2015
Negatieve effecten van armoede bestrijd je door armen minder arm te maken
Het wordt steeds duidelijker dat armoede grote negatieve effecten heeft op de armen en hun kinderen. Ik stond daar eerder bij stil in de berichten Lage status, armoede, piekeren en chronische stress en Opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren.
Bij de bestrijding van armoede gaan we er vaak van uit dat we de oorzaken moeten aanpakken en die denken we te vinden in eigenschappen van de armen. Ze missen vaardigheden en ze hebben te weinig opleiding. En daar moeten we dan dus wat aan doen.
Maar de aanwijzingen worden steeds sterker dat een goede manier van armoedebestrijding er eenvoudigweg uit bestaat dat je de armoede opheft door de financiële positie van armen te verbeteren. Het blijkt dan namelijk dat wat je eerst aanzag voor eigenschappen die de armoede veroorzaakten, in werkelijkheid gevolgen zijn van armoede.
Nu is er weer de studie How Does Household Income Affect Child Personality Traits and Behaviors? De onderzoekers benutten een unieke gelegenheid om de effecten van een "inkomensoverdracht" van rijk naar arm te bestuderen. Het gaat om een longitudinaal onderzoek, de Great Mountains Study of Youth, dat in 1993 begon in Noord-Carolina in de Verenigde Staten. In de steekproef waren kinderen van Cherokee Indiaanse ouders (over-)vertegenwoordigd. Kinderen en hun ouders werden verschillende keren geïnterviewd, de kinderen tot ze 19 en 21 jaar oud waren.
Tijdens het verloop van het onderzoek werd er, zoals in meer Indianenreservaten in de V.S., een casino geopend, dat eigendom werd van het bestuur van de Cherokee indianen. Een deel van de winst werd halfjaarlijks verdeeld over alle volwassen leden van de stam. Zonder enige voorwaarden, anders dan dat je bekend moest zijn als lid. Het ging om bedragen van ongeveer 4000 dollar per jaar, vergelijkbaar met sommige Amerikaanse uitkeringen.
Je zou kunnen zeggen dat hier een "inkomensoverdracht" plaats vond, van de overwegend rijke bezoekers van het casino naar de overwegend arme indianen. Het gevolg hiervan was dat het gemiddelde inkomen van de indianenouders werd opgetrokken tot in de buurt van het gemiddelde inkomen van de andere ouders. De armen werden minder arm.
De onderzoekers konden nagaan wat de effecten hiervan waren op gedrags- en emotionele stoornissen en persoonlijkheidseigenschappen bij de indianenkinderen in de periode daarna. Het bleek toen dat gedragsproblemen sterk afnamen (26,7 procent van een standaarddeviatie) en dat de scores op de persoonlijkheidseigenschap zorgvuldigheid (conscientiousness) sterk toenamen (42,8 procent vaneen standaarddeviatie).
Ook konden ze iets zeggen over de weg waarlangs deze effecten tot stand kwamen. Ze konden namelijk vaststellen dat de fysieke en mentale gezondheid van de ouders verbeterden, wat wijst op een afname van stress. In lijn daarmee verbeterde het ouderlijk toezicht op de kinderen en vonden de kinderen dat de relatie met hun ouders prettiger was. Ook verbeterde de relatie tussen de ouders. Bovendien nam hun alcohol- en druggebruik af.
Sterke aanwijzingen dus voor de effectiviteit van de bestrijding van de negatieve effecten van armoede door armen minder arm te maken. En dus sterke aanwijzingen voor de wenselijkheid van de verzorgingsstaat, voor een beleid gericht op meer inkomensgelijkheid en op inkomensoverdrachten van arm naar rijk. (Zie natuurlijk ook nog eens het bericht Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.)
En je vraagt je af of al die economen die het basisinkomen afdoen als economisch onhaalbaar, wel voldoende met zulke onderzoeksresultaten rekening houden.
Bij de bestrijding van armoede gaan we er vaak van uit dat we de oorzaken moeten aanpakken en die denken we te vinden in eigenschappen van de armen. Ze missen vaardigheden en ze hebben te weinig opleiding. En daar moeten we dan dus wat aan doen.
Maar de aanwijzingen worden steeds sterker dat een goede manier van armoedebestrijding er eenvoudigweg uit bestaat dat je de armoede opheft door de financiële positie van armen te verbeteren. Het blijkt dan namelijk dat wat je eerst aanzag voor eigenschappen die de armoede veroorzaakten, in werkelijkheid gevolgen zijn van armoede.
Nu is er weer de studie How Does Household Income Affect Child Personality Traits and Behaviors? De onderzoekers benutten een unieke gelegenheid om de effecten van een "inkomensoverdracht" van rijk naar arm te bestuderen. Het gaat om een longitudinaal onderzoek, de Great Mountains Study of Youth, dat in 1993 begon in Noord-Carolina in de Verenigde Staten. In de steekproef waren kinderen van Cherokee Indiaanse ouders (over-)vertegenwoordigd. Kinderen en hun ouders werden verschillende keren geïnterviewd, de kinderen tot ze 19 en 21 jaar oud waren.
Tijdens het verloop van het onderzoek werd er, zoals in meer Indianenreservaten in de V.S., een casino geopend, dat eigendom werd van het bestuur van de Cherokee indianen. Een deel van de winst werd halfjaarlijks verdeeld over alle volwassen leden van de stam. Zonder enige voorwaarden, anders dan dat je bekend moest zijn als lid. Het ging om bedragen van ongeveer 4000 dollar per jaar, vergelijkbaar met sommige Amerikaanse uitkeringen.
Je zou kunnen zeggen dat hier een "inkomensoverdracht" plaats vond, van de overwegend rijke bezoekers van het casino naar de overwegend arme indianen. Het gevolg hiervan was dat het gemiddelde inkomen van de indianenouders werd opgetrokken tot in de buurt van het gemiddelde inkomen van de andere ouders. De armen werden minder arm.
De onderzoekers konden nagaan wat de effecten hiervan waren op gedrags- en emotionele stoornissen en persoonlijkheidseigenschappen bij de indianenkinderen in de periode daarna. Het bleek toen dat gedragsproblemen sterk afnamen (26,7 procent van een standaarddeviatie) en dat de scores op de persoonlijkheidseigenschap zorgvuldigheid (conscientiousness) sterk toenamen (42,8 procent vaneen standaarddeviatie).
Ook konden ze iets zeggen over de weg waarlangs deze effecten tot stand kwamen. Ze konden namelijk vaststellen dat de fysieke en mentale gezondheid van de ouders verbeterden, wat wijst op een afname van stress. In lijn daarmee verbeterde het ouderlijk toezicht op de kinderen en vonden de kinderen dat de relatie met hun ouders prettiger was. Ook verbeterde de relatie tussen de ouders. Bovendien nam hun alcohol- en druggebruik af.
Sterke aanwijzingen dus voor de effectiviteit van de bestrijding van de negatieve effecten van armoede door armen minder arm te maken. En dus sterke aanwijzingen voor de wenselijkheid van de verzorgingsstaat, voor een beleid gericht op meer inkomensgelijkheid en op inkomensoverdrachten van arm naar rijk. (Zie natuurlijk ook nog eens het bericht Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.)
En je vraagt je af of al die economen die het basisinkomen afdoen als economisch onhaalbaar, wel voldoende met zulke onderzoeksresultaten rekening houden.
woensdag 22 april 2015
Zijn we vergeten dat de verzorgingsstaat er vooral ook is om machtsongelijkheid tegen te gaan?
De recente berichten over machtsmisbruik van werkmeesters van de sociale dienst jegens bijstandsgerechtigden tijdens re-integratietrajecten in het Amsterdamse Bos stemmen tot nadenken. Er blijken ernstige vermoedens te zijn van machtsmisbruik en intimidatie. Socioloog Henk de Vos: "Zijn we vergeten dat de verzorgingsstaat er vooral ook is om machtsongelijkheid tegen te gaan?"
woensdag 4 maart 2015
Wat kunnen we leren en wat kunnen we niet leren van lokale experimenten met het onvoorwaardelijk basisinkomen?
Er komen experimenten met het onvoorwaardelijk basisinkomen. Marcel Canoy schrijft vandaag over een experiment dat in Leeuwarden op stapel staat. En politieke partijen buitelen over elkaar heen bij het bepleiten van zulke experimenten. Als ik het goed heb bijgehouden, zijn GroenLinks, de PvdA en D'66 nu voorstander.
Dat is een positieve ontwikkeling. Zie mijn eerdere bericht Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat? Waarin ik er ook voor pleit om met experimenten te beginnen, om meer te weten te komen over de gedragseffecten. Full disclosure: Ik ben ondertussen toegetreden tot het Comité van Aanbeveling Onderzoek Basisinkomen.
Maar het denken staat niet stil. En ik vroeg me af wat je nu eigenlijk wel en wat niet kunt leren van zulke experimenten. Want de gedachte is eigenlijk steeds dat het gaat om lokale experimenten, Je geeft mensen in een bepaald omgrensd gebied dan een onvoorwaardelijk basisinkomen, in ruil waarvoor ze moeten afzien van hun rechten op uitkeringen en toeslagen.
Wat je dan kunt leren is hoe die mensen reageren op deze nieuwe omstandigheid. En dan staat al gauw de vraag voorop of ze zich wel of niet minder op de arbeidsmarkt zullen aanbieden. De vrees van tegenstanders van het basisinkomen is dat het arbeidsaanbod zal verminderen en dat zulks negatieve gevolgen zal hebben voor het economisch draagvlak voor de overheidsuitgaven, waaronder dus de uitgaven ten behoeve van dat basisinkomen. Dat is de vrees van de Oblomov-school, zo genoemd door Marcel Canoy, de vrees dus dat mensen lui zijn en minder gaan werken als ze gratis geld krijgen.
Er zijn goede redenen om daar anders over te denken. Zoals dat armoede negatieve gevolgen heeft voor het cognitieve functioneren, waardoor een neerwaartse spiraal kan ontstaan, omdat slecht cognitief functioneren weer de kans op armoede vergroot. En het lijkt er op dat je die spiraal kunt doorbreken door eenvoudigweg met een basisinkomen de armoede te doorbreken. Zie Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft?
Een lokaal experiment kan dus wel inzicht geven in de aard van het effect op het arbeidsaanbod. Maar dat is maar een beperkt inzicht omdat effecten op het, zeg maar, "systeemniveau" niet kunnen optreden. Daarmee doel ik er op dat het basisinkomen het mogelijk maakt om hogere eisen te stellen aan de kwaliteit van een baan. Onveilige omstandigheden op het werk? Geen flexibele werktijden? Geen zorgverlof? Zwaar en ongezond werk? Als je kunt terugvallen op je basisinkomen, wordt het gemakkelijker om een baan met slechte arbeidsomstandigheden te weigeren. En dat betekent weer dat werkgevers geprikkeld worden om betere banen aan te bieden. Wat natuurlijk vervolgens betekent dat mensen zulke banen eerder accepteren, waardoor het arbeidsaanbod dus toeneemt.
Het risico met lokale experimenten is dus dat je alleen iets leert over die individuele effecten op het arbeidsaanbod, niet over de systeemeffecten. Want het is niet te verwachten dat de invloed van het experiment zo groot is dat ook werkgevers er hun gedrag door zullen laten veranderen.
En stel dat een lokaal experiment uitwijst dat het arbeidsaanbod afneemt, dan zullen tegenstanders triomfantelijk uitroepen: Zie je wel, dat zei ik toch? Terwijl dat systeemeffect misschien wel veel belangrijker is, maar wie heeft daar dan nog aandacht voor?
Ik ben dus wel wat bezorgd over dat enthousiasme voor zulke lokale experimenten.
Dat is een positieve ontwikkeling. Zie mijn eerdere bericht Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat? Waarin ik er ook voor pleit om met experimenten te beginnen, om meer te weten te komen over de gedragseffecten. Full disclosure: Ik ben ondertussen toegetreden tot het Comité van Aanbeveling Onderzoek Basisinkomen.
Maar het denken staat niet stil. En ik vroeg me af wat je nu eigenlijk wel en wat niet kunt leren van zulke experimenten. Want de gedachte is eigenlijk steeds dat het gaat om lokale experimenten, Je geeft mensen in een bepaald omgrensd gebied dan een onvoorwaardelijk basisinkomen, in ruil waarvoor ze moeten afzien van hun rechten op uitkeringen en toeslagen.
Wat je dan kunt leren is hoe die mensen reageren op deze nieuwe omstandigheid. En dan staat al gauw de vraag voorop of ze zich wel of niet minder op de arbeidsmarkt zullen aanbieden. De vrees van tegenstanders van het basisinkomen is dat het arbeidsaanbod zal verminderen en dat zulks negatieve gevolgen zal hebben voor het economisch draagvlak voor de overheidsuitgaven, waaronder dus de uitgaven ten behoeve van dat basisinkomen. Dat is de vrees van de Oblomov-school, zo genoemd door Marcel Canoy, de vrees dus dat mensen lui zijn en minder gaan werken als ze gratis geld krijgen.
Er zijn goede redenen om daar anders over te denken. Zoals dat armoede negatieve gevolgen heeft voor het cognitieve functioneren, waardoor een neerwaartse spiraal kan ontstaan, omdat slecht cognitief functioneren weer de kans op armoede vergroot. En het lijkt er op dat je die spiraal kunt doorbreken door eenvoudigweg met een basisinkomen de armoede te doorbreken. Zie Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft?
Een lokaal experiment kan dus wel inzicht geven in de aard van het effect op het arbeidsaanbod. Maar dat is maar een beperkt inzicht omdat effecten op het, zeg maar, "systeemniveau" niet kunnen optreden. Daarmee doel ik er op dat het basisinkomen het mogelijk maakt om hogere eisen te stellen aan de kwaliteit van een baan. Onveilige omstandigheden op het werk? Geen flexibele werktijden? Geen zorgverlof? Zwaar en ongezond werk? Als je kunt terugvallen op je basisinkomen, wordt het gemakkelijker om een baan met slechte arbeidsomstandigheden te weigeren. En dat betekent weer dat werkgevers geprikkeld worden om betere banen aan te bieden. Wat natuurlijk vervolgens betekent dat mensen zulke banen eerder accepteren, waardoor het arbeidsaanbod dus toeneemt.
Het risico met lokale experimenten is dus dat je alleen iets leert over die individuele effecten op het arbeidsaanbod, niet over de systeemeffecten. Want het is niet te verwachten dat de invloed van het experiment zo groot is dat ook werkgevers er hun gedrag door zullen laten veranderen.
En stel dat een lokaal experiment uitwijst dat het arbeidsaanbod afneemt, dan zullen tegenstanders triomfantelijk uitroepen: Zie je wel, dat zei ik toch? Terwijl dat systeemeffect misschien wel veel belangrijker is, maar wie heeft daar dan nog aandacht voor?
Ik ben dus wel wat bezorgd over dat enthousiasme voor zulke lokale experimenten.
woensdag 28 januari 2015
Meer samenwerking en pro-sociaal gedrag als mensen zich prettig en veilig voelen. En over de verzorgingsstaat en het basisinkomen
Er waren al aanwijzingen dat mensen pro-socialer zijn als ze intuïtief en spontaan handelen. Zie het bericht Intuïtief zijn we pro-sociaal. Maar alleen met een sociale omgeving die pro-sociaal is en volg de link daarin naar een vorig bericht met dezelfde strekking. Het nieuwe onderzoek The Collective Benefits of Feeling Good and Letting Go: Positive Emotion and (dis)Inhibition Interact to Predict Cooperative Behavior versterkt die aanwijzingen.
De onderzoekers sluiten aan bij het bekende inzicht dat aan ons gedrag twee onderling concurrerende cognitieve systemen ten grondslag liggen, een dat snel, automatisch, intuïtief en meestal emotioneel is en een dat langzaam, gecontroleerd endeliberatief delibererend verloopt. Denk aan Kahnemans Thinking Fast and Slow.
Dat inzicht combineren ze met de Social Heuristics Hypothesis, die inhoudt dat gedragingen die in ons dagelijkse sociale leven doorgaans succesvol zijn, geautomatiseerd worden tot sociale intuïties. Als onze sociale omgeving voldoende pro-sociaal en coöperatief is, dan is ook onze eigen pro-sociale gedrag meestal succesvol, en ontwikkelen we dus pro-sociale intuïties. (Voor de lezers die nog onbekend zijn met de term pro-sociaal, zie het bericht Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?)
Bovendien veronderstellen ze dat het bekende gegeven dat positieve emoties (je goed voelen) bevorderlijk zijn voor pro-sociaal gedrag, er mee samenhangt dat het op je intuïties kunnen vertrouwen een goed gevoel geeft. Het wijst er op dat de omgeving vertrouwd is en dus veilig.
Maar wat betekent dat alles als we in een sociale situatie terechtkomen die niet meteen bekend en vertrouwd is? Zoals de situatie waarin de personen terechtkwamen die aan dit onderzoek deelnamen. Ze moesten beslissen wat ze zouden doen in een Publiek Goed Spel. Dat houdt in dat de spelers beslissen hoeveel van hun eigen munten ze in een publieke pot zullen doen, waarna de munten in die pot vermeerderd worden en gelijk over iedereen verdeeld. Daarnaast houdt iedereen de eigen munten die hij niet in de pot heeft gedaan.
Dit is een bijzonder geval van het bekende gevangenendilemma. Het zou sociaal optimaal zijn als iedereen alles in de pot zou doen. Dus zou samenwerken. Maar omdat de spelers niet van elkaar weten wat ze doen, is er ook een motief om de munten juist zelf te houden en mee te profiteren van de munten die anderen wel in de pot hebben gestopt. Volgens de speltheorie is het daarom individueel optimaal om niets aan de pot bij te dragen. Waardoor dus het sociale optimum niet bereikt wordt.
We weten al dat veel proefpersonen in zulke situaties niet handelen zoals de speltheorie voorspelt, maar integendeel behoorlijk veel aan het publieke goed bijdragen. Zich coöperatief of pro-sociaal gedragen. En dus het risico op de koop toe nemen dat anderen (de freeriders) daarvan profiteren.
Wat is nu van invloed op hoe mensen zich zullen gedragen? In dit onderzoek werd iedereen gevraagd om kort uit te leggen waarom ze zo gekozen hadden als ze hadden gedaan. De onderzoekers analyseerden hun antwoorden met de Linguistic Inquiry and Word Count, waarna ze op grond van de gebruikte woorden een indeling konden maken in "overwegend positieve emoties", overwegend negatieve emoties" en "overwegend geremd". Waarbij geremd slaat op onderdrukking van spontaniteit (inhibition) en daarentegen juist op je hoede zijn. Hieronder zie je voorbeelden van zinnetjes die werden ingedeeld.

Je ziet dat degenen die in de rechterkolom terechtkwamen, vooral op hun hoede waren. In de middenkolom kwamen de egoïsten terecht en links vind je degenen die zich kennelijk veilig en prettig voelden.
Het bleek toen dat degenen die zich prettig voelden én niet op hun hoede waren, zich het meest pro-sociaal gedroegen. Een goed én een veilig gevoel maken pro-sociaal. In die gevallen waarin mensen wel een goed gevoel hadden, maar ook op hun hoede waren, dus niet vertrouwden op hun intuïties, was het zo dat het pro-sociale gedrag dat anders zou voortkomen uit dat goede gevoel, werd onderdrukt door het op hun hoede zijn.
Kortom, meer aanwijzingen dus dat je samenwerkingsbereidheid en pro-sociaal gedrag kunt bevorderen door er voor te zorgen dat mensen zich prettig en veilig voelen. Onzekerheid maakt mensen alert, wantrouwend en op hun hoede, waardoor ze uit voorzichtigheid meer vooral op eigen gewin uit zijn. Lees ook nog even het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren dat qua strekking hier mee overeenkomt.
Een conclusie daaruit voor hoe wij onze maatschappij zouden moeten inrichten, ligt voor de hand. Denk even aan de berichten Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en, Verzorgingsstaat, welvaart en geluk en De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven.
En bedenk dat al dit onderzoek sterke argumenten verschaft voor de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen.
De onderzoekers sluiten aan bij het bekende inzicht dat aan ons gedrag twee onderling concurrerende cognitieve systemen ten grondslag liggen, een dat snel, automatisch, intuïtief en meestal emotioneel is en een dat langzaam, gecontroleerd en
Dat inzicht combineren ze met de Social Heuristics Hypothesis, die inhoudt dat gedragingen die in ons dagelijkse sociale leven doorgaans succesvol zijn, geautomatiseerd worden tot sociale intuïties. Als onze sociale omgeving voldoende pro-sociaal en coöperatief is, dan is ook onze eigen pro-sociale gedrag meestal succesvol, en ontwikkelen we dus pro-sociale intuïties. (Voor de lezers die nog onbekend zijn met de term pro-sociaal, zie het bericht Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?)
Bovendien veronderstellen ze dat het bekende gegeven dat positieve emoties (je goed voelen) bevorderlijk zijn voor pro-sociaal gedrag, er mee samenhangt dat het op je intuïties kunnen vertrouwen een goed gevoel geeft. Het wijst er op dat de omgeving vertrouwd is en dus veilig.
Maar wat betekent dat alles als we in een sociale situatie terechtkomen die niet meteen bekend en vertrouwd is? Zoals de situatie waarin de personen terechtkwamen die aan dit onderzoek deelnamen. Ze moesten beslissen wat ze zouden doen in een Publiek Goed Spel. Dat houdt in dat de spelers beslissen hoeveel van hun eigen munten ze in een publieke pot zullen doen, waarna de munten in die pot vermeerderd worden en gelijk over iedereen verdeeld. Daarnaast houdt iedereen de eigen munten die hij niet in de pot heeft gedaan.
Dit is een bijzonder geval van het bekende gevangenendilemma. Het zou sociaal optimaal zijn als iedereen alles in de pot zou doen. Dus zou samenwerken. Maar omdat de spelers niet van elkaar weten wat ze doen, is er ook een motief om de munten juist zelf te houden en mee te profiteren van de munten die anderen wel in de pot hebben gestopt. Volgens de speltheorie is het daarom individueel optimaal om niets aan de pot bij te dragen. Waardoor dus het sociale optimum niet bereikt wordt.
We weten al dat veel proefpersonen in zulke situaties niet handelen zoals de speltheorie voorspelt, maar integendeel behoorlijk veel aan het publieke goed bijdragen. Zich coöperatief of pro-sociaal gedragen. En dus het risico op de koop toe nemen dat anderen (de freeriders) daarvan profiteren.
Wat is nu van invloed op hoe mensen zich zullen gedragen? In dit onderzoek werd iedereen gevraagd om kort uit te leggen waarom ze zo gekozen hadden als ze hadden gedaan. De onderzoekers analyseerden hun antwoorden met de Linguistic Inquiry and Word Count, waarna ze op grond van de gebruikte woorden een indeling konden maken in "overwegend positieve emoties", overwegend negatieve emoties" en "overwegend geremd". Waarbij geremd slaat op onderdrukking van spontaniteit (inhibition) en daarentegen juist op je hoede zijn. Hieronder zie je voorbeelden van zinnetjes die werden ingedeeld.
Je ziet dat degenen die in de rechterkolom terechtkwamen, vooral op hun hoede waren. In de middenkolom kwamen de egoïsten terecht en links vind je degenen die zich kennelijk veilig en prettig voelden.
Het bleek toen dat degenen die zich prettig voelden én niet op hun hoede waren, zich het meest pro-sociaal gedroegen. Een goed én een veilig gevoel maken pro-sociaal. In die gevallen waarin mensen wel een goed gevoel hadden, maar ook op hun hoede waren, dus niet vertrouwden op hun intuïties, was het zo dat het pro-sociale gedrag dat anders zou voortkomen uit dat goede gevoel, werd onderdrukt door het op hun hoede zijn.
Kortom, meer aanwijzingen dus dat je samenwerkingsbereidheid en pro-sociaal gedrag kunt bevorderen door er voor te zorgen dat mensen zich prettig en veilig voelen. Onzekerheid maakt mensen alert, wantrouwend en op hun hoede, waardoor ze uit voorzichtigheid meer vooral op eigen gewin uit zijn. Lees ook nog even het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren dat qua strekking hier mee overeenkomt.
Een conclusie daaruit voor hoe wij onze maatschappij zouden moeten inrichten, ligt voor de hand. Denk even aan de berichten Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en, Verzorgingsstaat, welvaart en geluk en De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven.
En bedenk dat al dit onderzoek sterke argumenten verschaft voor de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen.
zaterdag 9 november 2013
Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat?
Dat armoede op zich een oorzaak is van slechter cognitief functioneren en dat armen het geld dat ze krijgen gebruiken om aan de armoede te ontsnappen, zijn extra argumenten die pleiten voor de invoering van een Onvoorwaardelijk Basis Inkomen (OBI). Zie (nog eens) dit bericht. Die mogelijke invoering van het OBI is actueel door het Europese Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen. Zie de website van dat initiatief en de website van de Nederlandse Vereniging Basisinkomen.
Eerlijk gezegd was ik tot voor kort niet op de hoogte van dat Europese Burgerinitiatief. Omdat ik het OBI een intrigerend idee vind, ben ik me er een klein beetje in gaan verdiepen. Al was het maar om de voornaamste argumenten er voor te achterhalen. Ik kwam terecht bij dit artikel (pdf) van Loek Groot (van 1997) en dit inleidende hoofdstuk (pdf) van het boek Basic Income on the Agenda: Policy Objectives and Political Chances (2000) van Loek Groot en Robert van der Veen. Wat leverde dat op?
Het OBI zou best eens een verstandige oplossing kunnen zijn voor de twee grote problemen waar de verzorgingsstaat mee te maken heeft. Het eerste probleem is dat van de armoedeval, waarin we uitkeringstrekkers terecht laten komen. Het aanvaarden van een baan vanuit een uitkeringssituatie levert vaak weinig extra's op en kan zelfs een financiële achteruitgang betekenen. Dat maakt de gemiddelde uitkeringsduur waarschijnlijk langer dan anders het geval was.
En het tweede probleem is dat de verzorgingsstaat nu moeite heeft om grote en langdurige werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt te voorkomen. Het marktmechanisme zorgt er niet als vanzelf voor dat iedereen, ook degenen met weinig opleiding en vaardigheden die nodig zijn voor het functioneren in een arbeidsorganisatie, te werk gesteld kan worden. De productiviteit van hun arbeid is zo laag, vaak lager dan de hoogte van het minimumloon, dat er op de arbeidsmarkt weinig vraag naar is. Arbeidsorganisaties en de arbeidsmarkt zijn als moderne uitvindingen niet als vanzelfsprekend voor iedereen geschikte omgevingen om succesvol in te kunnen functioneren. Ook als overheden het doel van volledige werkgelegenheid serieus zouden nastreven, wat ze tegenwoordig nalaten, dan blijft dit een probleem. Oplossingen daarvoor, zoals het quotum arbeidsgehandicapten en de sociale werkplaatsen die binnen het huidige stelsel van de verzorgingsstaat blijven, lijken niet goed te werken.
Het OBI verschaft voor beide problemen een oplossing. Iedereen (boven de 18) heeft dat basisinkomen en alles wat hij of zij daar bovenop verdient is extra inkomen. Weg armoedeval. En iedereen met een arbeidsproductiviteit die hoger dan nul is, kan profijtelijk worden aangesteld tegen het loon dat met die productiviteit in overeenstemming is. Dat kan dus een laag loon zijn, omdat er al dat basisinkomen is. Daarmee zou ook de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt verleden tijd zijn.
Oké, maar zo'n basisinkomen zal toch wel veel meer voeten in de aarde hebben? Moeten de belastingen niet verhoogd worden om al dat geld op te brengen? Ja, dat lijkt waarschijnlijk. Maar daar staan veel besparingen tegenover. Zoals op het verstrekkingen- en controleapparaat van de huidige uitkeringen.
En het basisinkomen vergroot de countervailing power van de werknemers. Je hoeft niet meer elke rotbaan te accepteren als je een inkomen, ook al is dat laag, achter de hand hebt. Dat kan werkgevers er toe brengen zich meer uit eigen beweging in te spannen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Waardoor de arbeidsomstandighedenwetgeving misschien wel overbodig wordt, evenals de omvangrijke organisatie daaromheen.
Ook zou het kunnen dat het basisinkomen mensen in staat stelt om betere afwegingen te maken tussen werk en andere belangrijke bezigheden. Zoals mantelzorg, informele hulpverlening, vrijwilligerswerk en buurt- en andere sociale activiteiten. Die ook heel belangrijk zijn voor het welzijn en de gezondheid van mensen. Als we de participatiemaatschappij willen, dan moeten we misschien wel de verzorgingsstaat vervolmaken door de invoering van een basisinkomen.
Maar het is natuurlijk ook weer niet realistisch om te denken dat je van te voren alle gedragseffecten van die invoering kunt inschatten en modelleren. Dat pleit er voor om te beginnen met experimenten en met een gefaseerde invoering, waardoor je stapsgewijs meer over die effecten te weten komt. Op de website van de vereniging Basisinkomen vind je een uitgewerkt stappenplan.
Eerlijk gezegd was ik tot voor kort niet op de hoogte van dat Europese Burgerinitiatief. Omdat ik het OBI een intrigerend idee vind, ben ik me er een klein beetje in gaan verdiepen. Al was het maar om de voornaamste argumenten er voor te achterhalen. Ik kwam terecht bij dit artikel (pdf) van Loek Groot (van 1997) en dit inleidende hoofdstuk (pdf) van het boek Basic Income on the Agenda: Policy Objectives and Political Chances (2000) van Loek Groot en Robert van der Veen. Wat leverde dat op?
Het OBI zou best eens een verstandige oplossing kunnen zijn voor de twee grote problemen waar de verzorgingsstaat mee te maken heeft. Het eerste probleem is dat van de armoedeval, waarin we uitkeringstrekkers terecht laten komen. Het aanvaarden van een baan vanuit een uitkeringssituatie levert vaak weinig extra's op en kan zelfs een financiële achteruitgang betekenen. Dat maakt de gemiddelde uitkeringsduur waarschijnlijk langer dan anders het geval was.
En het tweede probleem is dat de verzorgingsstaat nu moeite heeft om grote en langdurige werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt te voorkomen. Het marktmechanisme zorgt er niet als vanzelf voor dat iedereen, ook degenen met weinig opleiding en vaardigheden die nodig zijn voor het functioneren in een arbeidsorganisatie, te werk gesteld kan worden. De productiviteit van hun arbeid is zo laag, vaak lager dan de hoogte van het minimumloon, dat er op de arbeidsmarkt weinig vraag naar is. Arbeidsorganisaties en de arbeidsmarkt zijn als moderne uitvindingen niet als vanzelfsprekend voor iedereen geschikte omgevingen om succesvol in te kunnen functioneren. Ook als overheden het doel van volledige werkgelegenheid serieus zouden nastreven, wat ze tegenwoordig nalaten, dan blijft dit een probleem. Oplossingen daarvoor, zoals het quotum arbeidsgehandicapten en de sociale werkplaatsen die binnen het huidige stelsel van de verzorgingsstaat blijven, lijken niet goed te werken.
Het OBI verschaft voor beide problemen een oplossing. Iedereen (boven de 18) heeft dat basisinkomen en alles wat hij of zij daar bovenop verdient is extra inkomen. Weg armoedeval. En iedereen met een arbeidsproductiviteit die hoger dan nul is, kan profijtelijk worden aangesteld tegen het loon dat met die productiviteit in overeenstemming is. Dat kan dus een laag loon zijn, omdat er al dat basisinkomen is. Daarmee zou ook de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt verleden tijd zijn.
Oké, maar zo'n basisinkomen zal toch wel veel meer voeten in de aarde hebben? Moeten de belastingen niet verhoogd worden om al dat geld op te brengen? Ja, dat lijkt waarschijnlijk. Maar daar staan veel besparingen tegenover. Zoals op het verstrekkingen- en controleapparaat van de huidige uitkeringen.
En het basisinkomen vergroot de countervailing power van de werknemers. Je hoeft niet meer elke rotbaan te accepteren als je een inkomen, ook al is dat laag, achter de hand hebt. Dat kan werkgevers er toe brengen zich meer uit eigen beweging in te spannen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Waardoor de arbeidsomstandighedenwetgeving misschien wel overbodig wordt, evenals de omvangrijke organisatie daaromheen.
Ook zou het kunnen dat het basisinkomen mensen in staat stelt om betere afwegingen te maken tussen werk en andere belangrijke bezigheden. Zoals mantelzorg, informele hulpverlening, vrijwilligerswerk en buurt- en andere sociale activiteiten. Die ook heel belangrijk zijn voor het welzijn en de gezondheid van mensen. Als we de participatiemaatschappij willen, dan moeten we misschien wel de verzorgingsstaat vervolmaken door de invoering van een basisinkomen.
Maar het is natuurlijk ook weer niet realistisch om te denken dat je van te voren alle gedragseffecten van die invoering kunt inschatten en modelleren. Dat pleit er voor om te beginnen met experimenten en met een gefaseerde invoering, waardoor je stapsgewijs meer over die effecten te weten komt. Op de website van de vereniging Basisinkomen vind je een uitgewerkt stappenplan.
maandag 14 oktober 2013
Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft? N.a.v. Rutger Bregman
Rutger Bregman geeft een overzicht van onderzoek dat er op wijst dat je daklozen en in het algemeen armen en werklozen beter geld kunt geven dan ze door hulpverleners te laten begeleiden. Zie de link onderaan dit bericht. Als je ze gewoon geld geeft, zonder voorwaarden, dan blijkt dat ze daar verstandige dingen mee doen en er zuinig mee omgaan.
Hij noemt o.a. een experiment in Londen, waarbij 13 daklozen elk 3000 pond kregen, vrij te besteden. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Integendeel, ze waren zuinig op hun centen en hadden na een jaar gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven. Ze accepteerden opvang, volgden cursussen, leerden koken, kickten af, bezochten hun familie en maakten plannen voor de toekomst, schrijft Rutger Bregman. Na een jaar hadden 11 van de 13 een dak boven hun hoofd. Met vele malen lagere kosten dan "vruchteloos duwen, trekken, pamperen, bekeuren, vervolgen en verzorgen" door hulpverleners en politieagenten.
Rutger pleit daarom voor de invoering van een basisinkomen. In plaats van allerlei voorwaarden stellen aan het ontvangen van bijstand, wat onvermijdelijk gepaard gaat met een duur controleapparaat. Want het klopt niet dat armen lui zijn en niet met geld kunnen omgaan.
Nu is er over dat basisinkomen al veel nagedacht en geschreven. Een deskundige en voorstander er van is Philippe van Parijs. In ons land bepleitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Zo gek is die gedachte niet. Europees is er nu het Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, dat je hier kunt ondertekenen.
Maar hoe verklaar je dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze onvoorwaardelijk geeft? Kennelijk is het een misvatting te denken dat ze lui zijn en niet met geld kunnen omgaan. Maar wat is er dan wel aan de hand?
Ik moest meteen denken aan de studie Poverty Impedes Cognitive Function (betaalpoort) die ruim een maand geleden in Science verscheen. De onderzoekers vinden overtuigende aanwijzingen dat armoede een oorzaak is van slechter cognitief functioneren. Het is bekend dat mensen die arm zijn, minder goed op hun gezondheid passen, minder zorgvuldig hun medicijnen innemen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn en minder goed met geld kunnen omgaan. En het ligt voor de hand om te denken dat dat allemaal eigenschappen zijn die hebben gemaakt dat ze arm zijn.
Maar het zou ook kunnen dat het arm zijn en het hebben van geldzorgen en zorgen over de toekomst een aanslag zijn op je cognitieve capaciteiten. De stress van het arm zijn zou dan een oorzaak zijn van slechter cognitief functioneren. (Vergelijk ook de negatieve effecten van eenzaamheid op emotionele zelf-regulering en op de kans op dementie.)
Een mooie aanwijzing daarvoor is dat Indiase boeren voorafgaand aan de oogst, als ze arm zijn en onzeker over de toekomst, slechter scoren op een cognitieve test dan na de oogst, als ze niet meer arm zijn. De beste aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen armoede en cognitief functioneren.
Dat zou dus verklaren waardoor die Londense zwervers zo verstandig met hun gekregen geld omgingen. Ze waren immers niet meer arm. Wat wil je nog meer om er van overtuigd te raken dat armoede de wereld uit moet?
Waarom we iedereen gratis geld moeten geven:
'via Blog this'
Hij noemt o.a. een experiment in Londen, waarbij 13 daklozen elk 3000 pond kregen, vrij te besteden. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Integendeel, ze waren zuinig op hun centen en hadden na een jaar gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven. Ze accepteerden opvang, volgden cursussen, leerden koken, kickten af, bezochten hun familie en maakten plannen voor de toekomst, schrijft Rutger Bregman. Na een jaar hadden 11 van de 13 een dak boven hun hoofd. Met vele malen lagere kosten dan "vruchteloos duwen, trekken, pamperen, bekeuren, vervolgen en verzorgen" door hulpverleners en politieagenten.
Rutger pleit daarom voor de invoering van een basisinkomen. In plaats van allerlei voorwaarden stellen aan het ontvangen van bijstand, wat onvermijdelijk gepaard gaat met een duur controleapparaat. Want het klopt niet dat armen lui zijn en niet met geld kunnen omgaan.
Nu is er over dat basisinkomen al veel nagedacht en geschreven. Een deskundige en voorstander er van is Philippe van Parijs. In ons land bepleitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Zo gek is die gedachte niet. Europees is er nu het Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, dat je hier kunt ondertekenen.
Maar hoe verklaar je dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze onvoorwaardelijk geeft? Kennelijk is het een misvatting te denken dat ze lui zijn en niet met geld kunnen omgaan. Maar wat is er dan wel aan de hand?
Ik moest meteen denken aan de studie Poverty Impedes Cognitive Function (betaalpoort) die ruim een maand geleden in Science verscheen. De onderzoekers vinden overtuigende aanwijzingen dat armoede een oorzaak is van slechter cognitief functioneren. Het is bekend dat mensen die arm zijn, minder goed op hun gezondheid passen, minder zorgvuldig hun medicijnen innemen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn en minder goed met geld kunnen omgaan. En het ligt voor de hand om te denken dat dat allemaal eigenschappen zijn die hebben gemaakt dat ze arm zijn.
Maar het zou ook kunnen dat het arm zijn en het hebben van geldzorgen en zorgen over de toekomst een aanslag zijn op je cognitieve capaciteiten. De stress van het arm zijn zou dan een oorzaak zijn van slechter cognitief functioneren. (Vergelijk ook de negatieve effecten van eenzaamheid op emotionele zelf-regulering en op de kans op dementie.)
Een mooie aanwijzing daarvoor is dat Indiase boeren voorafgaand aan de oogst, als ze arm zijn en onzeker over de toekomst, slechter scoren op een cognitieve test dan na de oogst, als ze niet meer arm zijn. De beste aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen armoede en cognitief functioneren.
Dat zou dus verklaren waardoor die Londense zwervers zo verstandig met hun gekregen geld omgingen. Ze waren immers niet meer arm. Wat wil je nog meer om er van overtuigd te raken dat armoede de wereld uit moet?
Waarom we iedereen gratis geld moeten geven:
'via Blog this'
Abonneren op:
Posts (Atom)