Posts tonen met het label luisteren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label luisteren. Alle posts tonen

zaterdag 22 augustus 2026

Liever praten dan luisteren - Een sociaalwetenschappelijk zicht op het probleem dat we te weinig luisteren

Laten we het weer eens over luisteren hebben. Ik had het daar eerder over in  Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie en In een gemeenschapsrelatie luister je naar elkaar. En in een vluchtige relatie kan goed luisteren een middel zijn om een gemeenschapsrelatie tot stand te brengen. Maar met een risico.

De aanleiding om er opnieuw bij stil te staan is het essay Luisteren is geen wondermiddel, wel een kunst die je kunt leren van Rick Pullens, dat eerder dit jaar in Trouw verscheen. Daarin gaat het erover dat we zo weinig en steeds minder naar elkaar luisteren. Het is bij mijn weten nooit echt onderzocht, maar je komt vaak dat vermoeden of zelfs de overtuiging tegen. Pullens haalt filosoof Miriam Rasch aan, die in Luisteroefeningen; over aandacht en ontvankelijkheid  stelt dat luisteren ‘Een zeldzame vaardigheid (is), die veel mensen zijn kwijtgeraakt of misschien wel nooit hebben geleerd’. Het zal best waar zijn, want de tegenovergestelde klacht, dat mensen teveel luisteren en te weinig praten, die hoor je eigenlijk nooit.

In het domein van de persoonlijke relaties kom je het probleem tegen in de vorm van het door elkaar heen praten. Doordat de meesten liever praten dan luisteren, wordt iedereen die iets probeert te vertellen voortdurend onderbroken. Als we met zijn tweeën zijn, wachten we vaak nog wel onze beurt af. Dat wordt met zijn drieën al wat lastiger en met vier of meer ontaardt het gesprek al snel in aan kakofonie van onafgemaakte zinnen en uitroepen. Zonder een goede voorzitter gebeurt hetzelfde met vergaderingen. 

In het publieke domein van de onpersoonlijke relaties wordt het liever praten dan luisteren in verband gebracht met de maatschappelijke polarisatie. Pullens vertelt dat Miriam Rasch vaak de reactie kreeg dat haar onderwerp van groot belang was "in deze tijden van polarisatie". Daarmee zal worden gedoeld op het verschijnsel dat mensen zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze niet meer in staat zijn tot een gesprek, een dialoog, met andersdenkenden. Mensen zijn dan zo vertrouwd met de eigen mening, dat ze een tegengestelde mening alleen nog maar als een aanval kunnen zien. Een aanval op hoe volgens jou de wereld in elkaar zit, die daarom niet meer met argumenten kan worden bestreden, maar alleen met een tegenaanval. Niet de andere mening moet worden bestreden, maar de persoon die hem uitdraagt. Overigens: mijn indruk is dat we niet in tijden van polarisatie leven, maar in tijden van rechts-extremisme. 

Sociaalwetenschappelijk gezien valt er over praten en luisteren wel het een en ander te zeggen. Mensen begonnen er al eerder mee, maar waren zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden volledig in staat om te praten en naar het praten van anderen te luisteren. Rond die tijd moet het proces van de ontwikkeling van het vermogen om taal te leren voltooid zijn geweest. Lees Taalontwikkeling voor een mooi overzicht van hoe dat leren in de eerste levensjaren in zijn werk gaat. En merk op dat het luisteren naar praten en het graag willen luisteren daar een wezenlijke rol in speelt. In dat proces leren kinderen niet alleen om anderen, maar ook zichzelf, toe te spreken. Dus om een innerlijke dialoog te voeren, waardoor ze het typisch menselijke zelfbewustzijn ontwikkelen. Lees (nog eens): Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. Taal, dus praten en luisteren, en zelfbewustzijn zijn nauw met elkaar verbonden.


Terence Deacon vraagt zich in zijn The Symbolic Species af (p.384) hoe dat taalvermogen, such an unlikely and novel means of social communication as the use of symbols, in de menselijke evolutie heeft kunnen ontstaan. Wat was er zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden met onze verre voorouders aan de hand dat mensen taal gingen gebruiken om te communiceren? Dat ze gingen praten en luisteren? Dat het sindsdien bestaat, betekent dat we er op geselecteerd werden om het te kunnen. En betekent dat het van cruciaal belang moet zijn geweest voor onze overleving en reproductie.

En dat was natuurlijk zo. Want alleen met een coöperatief groepsleven, met samenwerken en delen, waren jager-verzamelaars in staat om hun kinderen groot te brengen. Dat wij naast het bij zoogdieren meest voorkomende statuscompetitiepatroon in ons gedrag ook in staat zijn tot het unieke gemeenschapspatroon, moet er wel mee te maken hebben dat ooit de coöperatieve zorg voor kinderen (cooperative breeding) onze evolutie binnenkwam. Die coöperatieve zorg, dus hulp bij die zorg door anderen dan de eigen moeder en zelfs door niet-verwante groepsleden, stond ermee in verband dat kinderen zo vroeg en onrijp werden geboren dat een groot deel van de hersengroei en -ontwikkeling zich nog na de geboorte voltrok. 

Daardoor raakten pasgeborenen er op voorbereid om in hun eerste levensjaren de sociale motivaties en vaardigheden op te doen die hen deelgenoot maakten van een gemeenschap. Waarin intensief moest worden gecommuniceerd vanwege dat samenwerken en delen. Zonder de gelijktijdige ontwikkeling van dat gemeenschapspatroon zou dat vroeg en onrijp geboren worden een evolutionair doodlopende weg zijn geweest. Praten en vooral ook goed kunnen luisteren was veel meer dan een kers op de taart, alleen voor de gezelligheid, het was cruciaal voor het voortbestaan. 

vrijdag 6 maart 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -32 - Een periode van fragmentatie

Nadat ik vanaf september 1970 student-assistent was bij Pedagogiek en Onderwijskunde, begon mijn academische loopbaan op 1 maart 1971 bij de Groningse sociologie. Dat assistentschap hield in dat ik meedeed aan een zogenaamd actie-onderzoek naar kleine scholen op het platteland. Actie, omdat het onderzoek erop gericht was ouders te doen inzien dat een grotere school voor hun kinderen beter zou zijn. Het was, ik noemde het al, de tijd van het begin van de schaalvergroting. Ik had daarnaast nog andere baantjes, zoals loopjongen bij Vroom & Dreesmann en interviewer voor een groot onderzoek van de Fryske Akademy naar het lezen van Friestalige boeken. Ik was ondertussen getrouwd en vader van twee kinderen en er moest geld verdiend worden. (Omdat dit geen autobiografie is, komen alle gebeurtenissen op het meer persoonlijke vlak niet of maar summier aan de orde.) Hier het vorige bericht.

Mijn aanstelling begon als wetenschappelijk medewerker van Lolle Nauta (1929 - 2006), die hoogleraar wetenschapsfilosofie en sociale filosofie was aan de faculteit Wijsbegeerte en de Subfaculteit Sociaal-Culturele Wetenschappen, die bestond uit Sociologie en Culturele Antropologie. Maar na een paar jaar was ik op de wetenschapsfilosofie wel uitgekeken. Dat klinkt wat wijsneuzig, maar ik had het idee dat wat ik daar kon leren wel geleerd had. Zo ingewikkeld is het ook weer niet om te bepalen wat wetenschap precies inhoudt. Het Subfaculteitsbestuur willigde mijn verzoek in om mijn taakomschrijving te veranderen in sociologie, in het bijzonder sociologische theorie. 

Maar wat moest die sociologische theorie inhouden? We zijn in de jaren 70 beland. Het was duidelijk geworden dat het structureel-functionalistische systeemdenken niet voldeed als de theoretische grondslag voor een vak sociologie. Hetzelfde gold voor de al genoemde ruiltheorie, die was voortgekomen uit Homans' keuze voor de Skinneriaanse gedragstheorie, en het marxistische historisch-materialisme. Er bestond kortom geen sociologisch zicht op mensen en hun samenleving. Er was weliswaar het in 1959 verschenen boekje The Sociological Imagination, waarin C. Wright Mills probeerde om zo'n sociologisch zicht te presenteren, maar dat bleef toch in algemeenheden steken over de wisselwerkingen tussen persoonlijke levenslopen en maatschappelijke ontwikkelingen. Joshua Pritchard daarover:

Neither the life of an individual, nor the history of a society,” writes Mills, “can be understood without understanding both.” This was a relatively new idea during Mills’s time, when the modern understanding of sociology as an academic discipline and a social science in general was in its infancy.

Dat zo'n algemeenheid, zo niet een open deur, als relatief nieuw gezien werd, zegt inderdaad veel over de onderontwikkelde staat van het vak. 

Er nu op terugblikkend was dat een toestand die in drie opzichten met fragmentatie gepaard ging: de fragmentatie van de specialisaties, de fragmentatie van de sociologische "referentiekaders" en de fragmentatie van de middle-range theorieën. 

De eerste bestond eruit dat je als je je als socioloog bekendmaakte, meteen de vraag kreeg: Socioloog van wat? Want je was een gezinssocioloog of een medisch socioloog of een socioloog van arbeid en organisatie of een rechtssocioloog of een socioloog van bouwen en wonen of een politiek socioloog of een socioloog van kunst en cultuur. Ik moest dan zeggen dat ik niets van dat alles was, maar een theoretisch socioloog. Dan viel het stil, ook van mijn kant, want daar viel verder weinig over te vertellen. En er waren specialisaties of vakken die buiten de sociologie waren ontstaan, maar daarnet zo goed toe hadden kunnen behoren, zoals criminologie en bedrijfskunde en politicologie. 

Binnen het vak was er niet te vergeten ook de specialisatie van de methoden en technieken. Want die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting dat alleen onderzoeksuitslagen, de "sociale feiten", wetenschappelijk relevant konden zijn, leidde tot een groot gewicht van het doen van onderzoek. Als er maar genoeg sociale feiten werden verzameld, dus statistisch vastgestelde samenhangen tussen variabelen, dan zouden daar op den duur, inductief, wel theorieën uit naar voren komen. 

Als tweede was er de fragmentatie van de sociologische referentiekaders. In het Groningse studieprogramma was er in het tweede studiejaar een vak met die naam. Dat er ook een aan het vak eigen, gemeenschappelijk theoretisch kader zou kunnen bestaan, een sociologisch zicht op mensen en hun samenleving, kwam niet eens ter sprake. De theoretische fragmentatie was de als vanzelfsprekend geaccepteerde stand van zaken. Het ging over, jawel, het structureel-functionalisme, de ruiltheorie, de conflictsociologie, het symbolisch interactionisme, de historisch sociologie. Ik gaf een aantal jaren het symbolisch interactionisme, omdat ik in George Herbert Mead (1863 - 1931), de grondlegger daarvan, geïnteresseerd was geraakt. 

Tenslotte die middle-range theorieën. Dat gemis aan een gemeenschappelijk theoretisch kader werd ook wel degelijk door sommigen opgemerkt. Hoe daarmee om te gaan? Door van de nood een deugd te maken. Dat was de oplossing die Robert K. Merton al in 1949 voorstelde in zijn On Sociological Theories of the Middle Range, als hoofdstuk verschenen in zijn monumentale Social Theory and Social Structure, dat in 1957 en 1968 werd heruitgegeven. Die laatste editie heeft lang in mijn boekenkast gestaan. 

Merton nam waar dat er in het vak aan de ene kant die ambitieuze, "alles verklarende", systeemtheorieën waren, hij zal ongetwijfeld aan het werk van zijn collega Talcott Parsons hebben gedacht, en aan de andere kant de "werkhypothesen" die je tegenkomt in het verspreide day-to-day onderzoek. Denk wat dat laatste betreft weer aan aan "zoveel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie". Dat eerste moeten we niet willen, want daar is het vak nog lang niet aan toe. En dat tweede vinden we te weinig. Precies daartussenin moeten we middle-range theorieën willen ontwikkelen en dat doen we ook al. 

Middle-range theory is principally used in sociology to guide empirical inquiry. It is intermediate to general theories of social systems which are too remote from particular classes of social behavior, organization, and change to account for what is observed and to those detailed orderly descriptions of particulars that are not generalized at all. 

Waar denkt Merton dan aan? Aan de theorie over sociale vergelijking (referentiegroepen), de theorie over sociale mobiliteit, de theorie over rolconflicten en de theorie over het ontstaan van sociale normen. Als we zulke deeltheorieën nu maar in onderzoek verder ontwikkelen, dan komen we op den duur en stap voor stap wel tot een algemenere theorie. Maar hoe die er uit zal zien, dat kunnen we nu nog niet weten. En dat is ook de normale gang van zaken, want dat gebeurde in de natuurwetenschappen immers ook. Daarin zijn we immers ook stapsgewijs opgeklommen naar Einsteins relativiteitstheorieën en de kwantumfysica.

En precies daar zien we dat Mertons betoog zich blijft afspelen binnen die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting die bij Durkheim begon. Er hoort geen verschil te zijn tussen hoe de natuurwetenschappen naar hun object van onderzoek kijken en hoe de sociologie dat doet. Dat sociologen deel uitmaken van hun object van onderzoek, daarin zijn opgegroeid en in gesocialiseerd, hoort geen rol te spelen. Ze moeten er naar kijken als een nog onbekend terrein. Alleen de door middel van onderzoek vastgestelde "sociale feiten" zijn van belang. 

Merton was weliswaar Amerikaan, maar bleef als socioloog binnen het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. En dat had dus ook anders gekund. Er had ook een vak sociologie kunnen ontstaan op de basis van de Angelsaksische "omgekeerde methode" van Thomas Hobbes en de latere Schotse moraalfilosofen Locke, Hume, Ferguson, Smith). Waarin we uitgaan van bekende, maar natuurlijk altijd voor verbetering vatbare, inzichten in de menselijke sociale natuur en van daaruit "opklimmen" naar inzichten in samenleving en maatschappij. Denk weer terug aan aflevering 24 van deze reeks: Had het met de sociologie ook anders gekund? 

Meer over hoe het anders gekund had en alsnog kan in het vervolg. Hier het vervolg.

vrijdag 2 juni 2023

In een gemeenschapsrelatie luister je naar elkaar. En in een vluchtige relatie kan goed luisteren een middel zijn om een gemeenschapsrelatie tot stand te brengen. Maar met een risico.

Waarom vinden we het vaak moeilijk om te luisteren en praten we zo vaak door elkaar heen? Dat vroeg ik me al eens af. Het lijkt er mee te maken hebben dat ons sociale leven zich voor een groot deel afspeelt in het domein van de vluchtige relaties. Relaties dus waarin het statuscompetitiepatroon de kop kan opsteken. Doordat de relatie nog niet zo diep in ontwikkeld dat beide partijen ervan uit kunnen gaan dat het gesprek volgens het gemeenschapspatroon zal verlopen. 

Als je dan teveel luistert, en dus de ander teveel aan het woord laat, dan zou dat opgevat kunnen worden als een statusverschil. Degene die dan het meest aan het woord is, heeft kennelijk meer te vertellen en dat zou opgevat kunnen worden als een aanwijzing voor een hogere status (kennis, competentie, wereldwijsheid, noem maar op). Omdat beide partijen niet in die lage statuspositie terecht willen komen, zullen ze dus willen vermijden om teveel alleen maar te luisteren. Dat leidt tot een bekend gesprekspatroon: elkaar veel onderbreken. Veel bezig zijn met wat jij in zou kunnen brengen, met wat het volgende is dat jij zult gaan zeggen. In plaats van te luisteren. Je krijgt dan het door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie. 

In de nieuwe studie Listening and the Pursuit of Communal Relationships geven de auteurs een mooi overzicht van onderzoek dat erop wijst dat mensen in gemeenschapsrelaties, dus relaties waarin het gemeenschapspatroon vanzelfsprekend is, juist heel gemotiveerd zijn om naar elkaar te luisteren. Omdat ze in elkaars welbevinden zijn geïnteresseerd. En natuurlijk omdat luisteren niet kan worden opgevat als een signaal van lagere status.

En van onderzoek dat laat zien dat mensen in een vluchtige relatie goed luisteren ook kunnen gebruiken als een signaal dat ze een diepere relaties, dus een gemeenschapsrelatie op prijs zouden stellen. Ze nemen dan dus het risico dat de ander dat verkeerd zou kunnen opvatten, namelijk als lage statusgedrag. Zodra ze de indruk krijgen dat dat het geval is, zullen ze natuurlijk stoppen met dat luisteren. En dan begint weer het door elkaar heen praten.

dinsdag 10 september 2019

Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie

Charlotte Bouwman twitterde op 4 augustus:
Ik praat heel vaak door mensen heen. Onbewust. Waarom? Geen idee. Denk een mix van enthousiasme, angst voor stilte, snel denken en geen geduld. Wie heeft dit ook? Iemand tips?
Net zoals veel van degenen die hierop reageerden, herkende ik dat. Dat wil zeggen, ik herkende het verschijnsel van door elkaar heen pratende mensen.
Zelf praat ik niet graag door anderen heen. Het voelt niet goed om iemand te onderbreken. En natuurlijk ook niet om zelf te worden onderbroken. Ik ben geloof ik wel een goede toehoorder.
Wat je Charlotte moet toegeven is dat ze het als een probleem ziet. Ze zou het liever niet doen. Maar kennelijk heeft ze het vaak al gedaan voor ze het zich realiseert. En ze zou het liever minder doen.

Hoe komt het dat we vaak door elkaar heen praten? De eerste reactie op de tweet van Charlotte wijst op een mogelijk antwoord:
Een 'gewoon' groepsgesprek is vaak niets meer dan een wedstrijd om aandacht. Je kan voorstellen de spreekstok in te voeren, zoals bij de Indianen. Of een gespreksleider wil ook weleens helpen.
Een reactie verderop gaat in dezelfde richting:
Het is vaak ook onzekerheid volgens mij: het (onbewuste) idee dat je je moet laten gelden.
Het zou kortom kunnen zijn dat het door elkaar heen praten een verschijningsvorm is van onze neiging tot statuscompetitie. We zijn bang niet genoeg aan bod te komen. Dat anderen ons niet zien staan. Degene die het woord voert, heeft daarmee de aandacht, want anderen luisteren. Die aandacht heb jij dan dus niet.

O jee, dat zou zo kunnen worden opgevat dat jij minder voorstelt. Dat er in de groep het begin van een statushiërarchie bezig is te ontstaan, waarin jij misschien wel ergens onderaan belandt. Hoe voorkom je dat? Door je te laten gelden. Door tenminste dezelfde status te claimen als degene die op dat moment het woord voert. En het enige middel om dat te doen is om hem of haar te onderbreken.

Of om dat te proberen. Want als hij of zij zich niet laat onderbreken, dan zijn we bezig met door elkaar heen praten. Wat we dus zo vaak doen.

Als deze "analyse" iets voorstelt, dan zijn er twee situaties waarin we niet of minder door elkaar heen praten, die van de gevestigde, stabiele statushiërarchie en die van het ontbreken van statuscompetitie.

Als de statushiërarchie gevestigd is, dan is vooral degene aan het woord met de hoogste status en de anderen luisteren. Als ze al iets zeggen, dan is dat onderdanige bijval. In het geval dat er nog twee gegadigden zijn voor de top, dan zie je steevast, althans naar mijn ervaring met het universitaire leven, dat als de een het woord gevoerd heeft, de ander daar meteen op volgt.

Maar in een gesprek tussen goede vrienden kan de statuscompetitie ook geheel ontbreken. Er is dan niet meer de strijd om aandacht, want iedereen weet zich geaccepteerd. Die veiligheid maakt het mogelijk om in elkaar geïnteresseerd te zijn. Er kunnen zelfs stiltes vallen.

Waarmee verklaard is dat Charlotte Bouwman liever minder door mensen heen zou willen praten. Ze zou veel liever vaker gesprekken voeren met goede vrienden en vriendinnen, waarin onderlinge acceptatie vanzelfsprekend is. Waarin je in elkaar geïnteresseerd bent.