vrijdag 23 augustus 2013

De neiging tot gemeenschapsgedrag is goed voor je (maar dat zou er van af kunnen hangen met wie je omgaat)

De neiging tot gemeenschapsgedrag maakt dat je je beter voelt, dat je tevredener bent met jezelf en met je relaties en daarin meer liefde ervaart. Het is zelfs zo dat je meer liefde op kunt brengen voor de gehele mensheid.

Dat komt naar voren uit de studie The Personal and Interpersonal Rewards of Communal Orientation (pdf). De onderzoekers lieten proefpersonen vier weken lang een dagboek bijhouden, nadat ze een vragenlijst hadden ingevuld waarin o.a. die neiging tot gemeenschapsgedrag (communal orientation) werd gemeten. Die maat bestond uit een aantal stellingen waarmee je het eens of oneens kon zijn, over je neiging om anderen te helpen (zoals "Ik stel vaak alles in het werk om anderen te helpen") en om datzelfde ook van anderen te verwachten (zoals "Als ik ergens behoefte aan heb en anderen negeren dat, dan voel ik mij gekwetst"). In dat dagboek noteerden ze per dag hoe ze zich voelden (met vier positieve en vier negatieve emoties), hoe goed ze over zichzelf dachten (zelfwaardering of self-esteem), hoe tevreden ze waren met hun relaties, hoeveel liefde ze ervoeren in die relaties en of ze liefde voor de mensheid als geheel voelden.

Uit de statistische analyses bleek toen dat degenen met meer neiging tot gemeenschapsgedrag een hogere zelfwaardering hadden, tevredener waren met hun relaties en meer liefde voelden in hun relaties en met betrekking tot de mensheid als geheel. En het bleek dat die verbanden tot stand kwamen via hoe goed ze zich voelden (meer positieve en minder negatieve emoties).

Interessant is dat toen de onderzoekers dat gemeenschapsgedrag uit elkaar haalden en de analyses apart deden voor de neiging om anderen te helpen en de neiging om hulp van anderen te verwachten, bleek dat de verbanden alleen bleven bestaan met die neiging om anderen te helpen. Het is dus allereerst die hulpbereidheid, de bereidheid tot pro-sociaal gedrag, die samengaat met dat zich beter voelen en met die grotere tevredenheid en het ervaren van liefde. Hoewel het voor de hand ligt om ook hulp van anderen te verwachten als je zelf graag anderen helpt, ga je je niet beter voelen etc. hoe meer je die hulp verwacht.

Opvallend is in dat verband dat de onderzoekers niet ingaan op de mogelijkheid of wat mij betreft waarschijnlijkheid dat degenen met een grote neiging tot gemeenschapsgedrag ook vooral relaties hadden met anderen met dezelfde neiging. Het ligt voor de hand te verwachten dat gemeenschapsmensen meer een voorkeur hebben voor het omgaan met andere gemeenschapsmensen.

Dat verwijst naar dat complexe zoek- en selectieproces dat zich in maatschappijen als de onze onophoudelijk afspeelt en waar ik het eerder over had (waar, dat moet ik even weer opzoeken). En het zou kunnen dat juist die sociale homogeniteit, gemeenschapsmensen gaan om met gemeenschapsmensen (waardoor statuscompetitiemensen het maar zelf moeten uitzoeken), maakt dat die neiging tot gemeenschapsgedrag zulke aangename gevolgen heeft. Dat zou dan niet de uitkomst zijn van een individueel, maar van een sociaal proces. Het zou er dus van afhangen met wie je omgaat.

maandag 19 augustus 2013

Wat betekent onveilige gehechtheid voor je morele intuïties?

We leven in een maatschappij waarin gezinnen historisch gezien behoorlijk sociaal geïsoleerd zijn en waarin het niet vanzelf spreekt dat kinderen in een veilige sociale omgeving opgroeien. Daardoor kennen we het probleem dat kinderen bij het opgroeien een onveilige hechtingsstijl ontwikkelen. Ze hebben dan oftewel een vermijdende oftewel een angstige hechtingsstijl. Zie ook dit bericht, waaruit ik het volgende citeer:
Als we in onze vroege jaren vertrouwde anderen om ons heen hebben die beschikbaar zijn en op onze behoeften reageren, dan hebben we een sociale omgeving die een veilige basis verschaft. We leren dat we in tijd van nood anderen kunnen vertrouwen en dat die anderen ons "de moeite waard vinden". Anders gezegd: we ontwikkelen een veilige hechtingsstijl.
Maar als die anderen om ons heen minder op onze behoeften reageren of als ze daarin wisselvallig zijn, dan ontwikkelen we een onveilige hechtingsstijl. Ons hechtingssysteem wordt dan gedeactiveerd, zodat we een vermijdende hechtingsstijl ontwikkelen, of gehyperactiveerd, en dan ontwikkelen we een angstige hechtingsstijl.
In het geval van de vermijdende hechtingsstijl zien we het zoeken van nabijheid en intimiteit als vruchteloos of zelfs gevaarlijk, omdat we verwachten teleurgesteld te worden. We gaan er van uit dat anderen ons niets te bieden hebben en we proberen om onafhankelijk te zijn en onze behoeften aan intimiteit en gehechtheid te onderdrukken. Daarbij past dat we proberen om een positief zelfbeeld in stand te houden. We deactiveren ons hechtingssysteem.
In het geval van de angstige hechtingsstijl denken we niet op eigen benen te kunnen staan en dus nabijheid van anderen nodig te hebben. Maar door de ervaringen van afgewezen te zijn, zijn we ons hulpeloos en kwetsbaar gaan voelen. Met twijfel over of we wel genoeg waard zijn. Daardoor zijn we hypergevoelig voor potentiële bedreigingen en afwijzingen. We hebben de neiging om dubbelzinnige sociale signalen vooral als negatief te interpreteren.
Datzelfde bericht noemt enkele bekende gevolgen van het onveilig gehecht zijn, zoals op het gebied van emotieverwerking, aandachtssturing en toenadering of juist afstand zoeken. Er is nu het nieuwe onderzoek The Moral Compass of Insecurity: Anxious and Avoidant Attachment Predict Moral Judgment (pdf) dat wijst op de relaties tussen onveilige gehechtheid en morele intuïties.

De onderzoekers vinden er aanwijzingen voor dat mensen die meer vermijdend gehecht zijn, minder sterk de morele intuïtie aanhangen dat je anderen geen schade en leed mag toebrengen en dat je dat soort gedrag van anderen hoort af te wijzen. Ook is de intuïtie van eerlijkheid en rechtvaardigheid bij hen minder sterk. Dit lijkt er aan te liggen dat mensen die vermijdend gehecht zijn, een cynische en pessimistische opvatting hebben over de menselijke natuur en dus ook minder vertrouwen hebben in anderen. Dat klopt met de bevinding in dit onderzoek dat het verband tussen vermijdende gehechtheid en die zwakkere morele intuïties deels tot stand komt door een geringere neiging tot empathie. Als je vermijdend gehecht bent, voel je minder empathie tegenover anderen en dat verklaart weer die zwakkere morele intuïties.

Hoe zit dat dan met het angstig gehecht zijn? Je hebt wel het gevoel anderen erg nodig te hebben, maar je twijfelt of anderen je wel genoeg de moeite waard vinden. In dat geval, zo komt uit het onderzoek naar voren, hang je die twee morele intuïties juist sterker aan. Je onderschrijft sterker dat je anderen geen schade of leed mag toebrengen en je bent misschien zelfs wel wat geobsedeerd door de eisen van eerlijkheid en rechtvaardigheid. En ook hier is je neiging tot empathie de tussenliggende factor. Die angstige hechting maakt dat je erg geneigd bent tot empathie en daardoor juist sterk die morele intuïties aanhangt. Het lijkt alsof je daarmee hoopt meer door anderen geaccepteerd te worden, hoewel dat niet een bewust motief hoeft te zijn.

Dat we niet allemaal veilig gehecht zijn, werkt dus op moreel vlak verschillend uit. Vermijdende gehechtheid lijkt de kans op immoreel gedrag te vergroten, wat overeenkomt met een grotere kans op psychopathische trekken. Dat wijst op de schadelijke gevolgen er van. De negatieve gevolgen van angstige gehechtheid lijken er uit te bestaan dat de obsessie met die morele intuïties het moeilijker maakt om met anderen ontspannen relaties aan te gaan en te onderhouden.

Al met al krijgen we steeds meer inzicht in de nadelen van het opgroeien en leven in een maatschappij waarin veilige gehechtheid niet vanzelfsprekend is. Zie ook nog eens het bericht over culturele verschillen in hechting.

zondag 18 augustus 2013

Muziek voor de zondagochtend - Beethoven Piano Sonata 2 A major Barenboim - YouTube

Wat maakt die Pianosonate nr. 2 van Beethoven toch zo prettig om naar te luisteren? Volg de link onderaan voor een uitvoering door Daniel Barenboim. En zie hier voor een uitvoering met uitleg door Andras Schiff (alleen audio).

Jan Caeyers schrijft er over:
Beethoven droeg deze sonates (de drie sonates nr.2 op. 2) (...) op aan zijn ex-leraar Haydn, wiens hand echter nauwelijks nog te horen is. Indien men toch enige invloed zou willen bemerken, komt hij eerder van Haydns symfonische werk dan van de pianomuziek. Beethoven nieuwe sonates zijn, net als Haydns symfonieën, vierdelig opgevat - met een menuet of scherzo na het langzame deel, en een echte finale op het einde - ook hun lengte - gemiddeld anderhalve keer meer dan wat met tot nog toe gewoon was - verraden een symfonische allure.(...)
In de korte periode dat Beethoven les had genomen bij Haydn was hij zeer onder de indruk gekomen van diens verworvenheden op het vlak van de symfonische stijl. Maar het mes sneed langs twee kanten. Enerzijds had hij vanuit de eerste rij kunnen observeren, analyseren en assimileren hoe Haydn te werk ging bij het schrijven van symfonieën, en popelde hij van ongeduld om deze ervaringen in zijn eigen werk te integreren. Anderzijds was hij dermate geparalyseerd door de allure van Haydns Londense symfonieën, dat hij de tijd nog niet rijp achtte om zijn meester op dit vlak naar de kroon te steken. Door 'symfonisch' te gaan denken bij pianowerken vond Beethoven een uitweg voor deze impasse. Op die manier stelde hij ook een belangrijke historische daad door definitief de stilistische muur tussen de genres te slopen.
▶ Beethoven Piano Sonata 2 A major Barenboim - YouTube: "http://youtu.be/EnXnNADtHw8"

'via Blog this'

zaterdag 17 augustus 2013

Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann)

In de herinneringen aan zijn jeugd in Duitsland (Erinnerungen und Gedanken. Eine Jugend in Deutschland, Frankfurt a.M., 1986, vertaald als In de schaduw van de tovenaar, A'dam 1993) gaat de historicus Golo Mann, zoon van de schrijver Thomas Mann, ook in op hoe hij de jaren 30 beleefde. En dan in het bijzonder de periode van de deflatiepolitiek van de regering-Brüning, die sterk overeenkomt met de bezuinigingspolitiek ("austeriteitspolitiek" raakt nu in zwang), die nu door Europese regeringen en de Europese Commissie als het juiste antwoord op de economische crisis wordt gezien.

Een politiek die in beide gevallen massawerkloosheid, armoede, uitzichtloosheid en politieke ontwrichting met zich meebrengt.

Waarschijnlijk had Hitler in Duitsland niet aan de macht kunnen komen als de regering-Brüning een verstandiger en dus Keynesiaans economisch beleid had gevoerd. En op het ogenblik zien we in Europese landen ook de signalen van politieke ontwrichting. Door te volharden in het rampzalige bezuinigingsbeleid straalt het politieke centrum steeds meer machteloosheid uit, daarmee bijdragend aan de toenemende populariteit van extremistische partijen.

Daar is al verschillende malen op gewezen. Denk aan de waarschuwing van Barry Eichengreen eind vorig jaar (Europe's Populists at the Gate en dit bericht). (Update. En niet te vergeten: James Galbraith.) En aan The Centre Cannot Hold? van Simon Wren-Lewis van vijf dagen geleden, dat eindigt met de volgende alinea:
So in the Netherlands and elsewhere in Europe, on the issue of the stupidity of pro-cyclical fiscal policy, it is only the views of politicians on the far-left or far-right that matches those of the majority of macroeconomists. Given the social, economic and political consequences of declining real wages and rising unemployment, which fiscal austerity only makes worse, this is both a very sad and rather dangerous state of affairs.
Een zeer droevige en nogal gevaarlijk toestand.

Hoe groot dat gevaar in de jaren 30 was, dat heeft de geschiedenis ons met harde hand geleerd. Golo Mann beschrijft het in het hoofdstuk dat hij wijdt aan Leopold Schwarzschild (1891-1950), de publicist die zijn politieke mentor was. Schwarzschild was al op de hoogte van het werk van Keynes en probeerde met artikelen in zijn eigen weekblad Das Tagebuch de regering-Brüning op andere gedachten te brengen. Hij riep op tot stimulering van de economie. Maar de regering volhardde en reageerde op de groei van Hitlers aanhangers met een meer nationalistisch beleid om zo de gevoelens van gekrenkte nationale trots te bevredigen. Dat zou Hitler wel de wind uit de zeilen nemen.

Het zou anders lopen en Schwarschild moet dat hebben zien aankomen. In zijn artikel Ja, als het oorlog was verzuchtte hij dat een oorlog ineens alles mogelijk zou maken wat nu werd afgewezen. In de woorden van Mann (p. 341):
dan zouden er in één klap honderdduizenden niet te vervullen arbeidsplaatsen zijn in plaats van miljoenen werklozen (...) waarom dan niet in vredestijd, voor betere doeleinden? Toen het inzicht zich aan hem opdrong dat Brüning niet van zijn harde methode wilde afstappen, toen de economische verschrikkingen van '31 precies zo verliepen als die van het vorig jaar, toen geen van de noodverordeningen die tot de 'sanering van de economie' moesten leiden ook maar het beperkte doel, dat van de sanering der staatsfinanciën, bereikten, omdat elke belastingverhoging door een nieuwe inkrimping van het nationaal produkt weer teniet werd gedaan, kwam er verandering in Schwarzschilds taal. Nu vinden we schrille, door de nood om hem heen maar al te gegronde formuleringen: 'helse cirkel van gestage belastingverhoging en inkomenskorting', 'economie verwoestende waanzin'. 'Begrijpt men wat het betekent dat een armzalig technisch hulpmiddel (namelijk het geld, GM) een volk van vijfenzestig miljoen mensen in wanhoop, ellende en oproer moet storten?'.
In het volgende hoofdstuk beschrijft  Mann dan hoe de regering-Brüning aan de kant wordt gezet en dat niet lang daarna Hitler aan de macht komt, eigenlijk dat hem de macht wordt aangeboden. Waarna hij in staat is om een persoonlijke dictatuur te vestigen en om successen te boeken door wel al die werklozen aan het werk te krijgen. Lees nog eens dit bericht en dit bericht. Maar dan door middel van de voorbereidingen op de oorlog.

Het klinkt, gelukkig nog niet tot en met die laatste stappen, allemaal verontrustend actueel.

donderdag 15 augustus 2013

Een Centrum voor Jeugd en Gezin dat werkt, kan dat? Over Evalien Verschuren en het CJG Beijum

Je hoort weinig meer over de Centra voor Jeugd en Gezin. De eerste werden geopend in 2008, maar het is onduidelijk of ze al in het hele land zijn "uitgerold", zoals zulks is gaan heten. Vorig jaar waren er berichten dat ze niet goed functioneren en dat sommige al weer werden gesloten. Zie mijn eerdere bericht daarover, waarin ik het CJG Beijum (Groningen) als voorbeeld noemde van hoe het zou moeten.

Voor het succes van dat CJG Beijum is allereerst Evalien Verschuren verantwoordelijk. Zij is de drijvende kracht en was dat al toen het nog het Ouder-en Kind Centrum heette. Over haar werk en haar ervaringen heeft ze nu het boekje Het CJG werkt! geschreven en het is heel leerzaam om dat te lezen. Ik kreeg het van haar toegestuurd, met als opdracht: "Beste Henk. Ik lees altijd met veel plezier je inspirerende blogs. Hoop dat je mijn boekje ook met plezier leest. Groet, Evalien".

Ik meld dat maar, om het verwijt dat ik heimelijk reclame maak te voorkomen. Ik kan dus wat bevooroordeeld zijn in positieve zin. (Maar ik heb, aan het eind, ook een bedenking.)

Wat leer je van Evalien?

Allereerst dat het mogelijk is om in een buurt vanuit het niets een trefpunt te creëren waar ouders elkaar ontmoeten. Evalien begon heel eenvoudig, met een koffietafel en een speelhoekje in de wachtkamer van het consultatiebureau. Een bloemetje op tafel. En ook omdat ze daar natuurlijk zelf aanwezig was, veranderde de sfeer, bleven ouders napraten en werd de wachtkamer al gauw te klein. Dus kwam er een huiskamer.

Maar ook trok Evalien de wijk in.
Ik liep vaak door het winkelcentrum en over de wijkmarkt, ging schoolpleinen en speeltuintjes af, schoof aan bij de koffietafel van de peuterspeelzaal en was te vinden op alle wijkfeesten en informatiemarkten.
Dat werkte en er kwam een groepsruimte bij, een kantoortje en een keuken. En tien vaste vrijwilligers, doorlopende enkele stagiaires en heel veel bezoekers. Die laatsten waren wel vooral moeders. Evalien bracht ze niet alleen met elkaar in contact, maar wist hen ook allerlei ideeën voor activiteiten te ontlokken. Die ze dan vooral ook zelf, met enige hulp, organiseerden. Zo ontstond bijvoorbeeld het ruilwinkeltje. En er ontstonden moedergroepen, zoals een jonge moeder-groep en een groep voor moeders met een kind met een beperking. En er ontstond een naschoolse opvang voor kinderen die thuis weinig aandacht en niet zo goed te eten kregen.

Het blijkt dan dat het CJG voor moeders met geldzorgen, beperkte sociale vaardigheden, gezondheidsproblemen of weinig stabiele relaties een heel belangrijke functie gaat vervullen. Niet alleen omdat ze wat meer onder de mensen komen, maar ook omdat ze de kans krijgen ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar ook komen er moeders zonder zulke problemen, maar die wel erg bezig zijn met de opvoeding. Of, anders gezegd, die perfecte opvoeders willen zijn en daar hulp bij zoeken. Die twee groepen blijken nauwelijks te mengen.
De moeders-met-problemen praten over eten, seks en relaties en zijn erg direct. De anderen willen bijvoorbeeld weten wat een goede moederfiets is en wat de leukste vakanties en uitjes met kinderen zijn. De groepen gebruiken verschillende woorden, zien er anders uit en irriteren elkaar. Je ziet ouders die in het CJG komen, eerst kijken wie er in de huiskamer zitten, en dan pas de keuze maken of ze wel of niet plaatsnemen.
En Evalien meldt dat het niet werkt om te proberen die afstand te doorbreken. Maar is het al niet mooi dat ze elkaar eens van dichtbij meemaken? Het verkleinen van sociale afstand gaat altijd in kleine stapjes. (Ik moest even denken aan die man van de Marokkaanse Ouderraad van een wijk in Utrecht die mij vertelde dat hij drie jaar lang zijn Nederlandse buurman elke dag netjes bleef groeten en dat ze vervolgens de beste vrienden waren geworden.)

Wat is mij na lezing van Het CJG werkt! vooral bijgebleven?
  1. De indruk dat het initiëren en ondersteunen van ontmoeting tussen ouders (eigenlijk alleen moeders) voorop stond. En de indruk dat het beantwoorden van opvoedvragen daarbij vergeleken een bijzaak is. Mij lijkt dat de goede prioriteit.
  2. De indruk dat het succes van het CJG op deze manier sterk afhankelijk is van de persoon van de professional en dus van het vermogen van die persoon om persoonlijke relaties aan te gaan. Zo iemand moet betrokken, hulpvaardig, stevig, energiek, vasthoudend, realistisch en creatief zijn. In staat zijn om "echt contact" te maken. Evalien houdt daarom bewust privé en werk niet strikt gescheiden. In haar woorden: "Laat gerust zien dat je een 'gewoon mens' bent en vertel ook over jezelf. Als ik doe wat ik op de opleiding geleerd heb, zou ik ontwijkend moeten antwoorden op vragen als: 'Heb je zelf ook kinderen?' Onzin. Als ik denk dat het in de situatie past, heb ik het gewoon over mijn kinderen of mijn huis. Belangrijk is dat je écht in contact komt, dat je mensen weet te binden. Dat lukt niet als je je opstelt als een koele, afstandelijke professional."
  3. Met dat laatste samenhangend, de indruk dat er voor dit soort werk misschien geen opleiding bestaat. Of in ieder geval dat de huidige opleiding er niet goed op voorbereidt. En de indruk dat verwerkte levenservaring misschien van groter belang is dan dat wat je op een opleiding leert. In dat verband, zijn het niet te vaak juist de jongeren, die net van de opleiding komen, die dit soort belangrijke werk krijgen toegewezen? Zodat de ouderen een managementfunctie kunnen vervullen?
  4. De indruk dat dit succes alleen is te bereiken bij volstrekte afwezigheid van een afrekencultuur. Zo meldt Evalien dat ze geen registratie bij houdt van de bezoekers en waarvoor ze komen. Dat lijkt mij belangrijk.
Tenslotte de aangekondigde bedenking. Mijn visie op de Centra voor Jeugd en Gezin houdt in dat ze een functie zouden moeten vervullen in het tot stand brengen van buurten voor kinderen. Omdat het sociale isolement van gezinnen slecht uitwerkt voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen. Naast de ouders, die werk en gezin moeten zien te combineren, zijn het de kinderen die van dat sociale isolement de nadelen ondervinden. Die nadelen zijn uit sociaalwetenschappelijk onderzoek bekend.

Maar het lijkt er op dat de nadelen voor de ouders meer aandacht krijgen. Hoe dat komt, ik weet het niet. Maar daardoor lijkt het wel alsof die Centra voor Jeugd en Gezin eigenlijk beter Centra voor Ouders genoemd zouden kunnen worden. Wat kinderen aan sociale opgroei-omgeving nodig hebben, dat komt maar beperkt in beeld.

En dat geldt ook voor het CJG Beijum, hoe succesvol dat ook is in het bij elkaar brengen van moeders. Evalien meldt dat ze in de beginfase op moest boksen tegen het "misverstand" dat het CJG een instantie was voor kinderen. Ze moest vaak uitleggen dat het CJG zich niet richt op kinderen, maar op opvoeders. 

Maar ik pleit er juist voor dat de CJG's kinderen centraal stellen en wat kinderen in sociaal opzicht nodig hebben. En er aan bijdragen dat kinderen in buurten opgroeien die aan hun sociale ontwikkelingsbehoeften tegemoet komen. Buurten waarvan bewoners elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen of samen doen. Waardoor kinderen veel met zulk gedrag in aanraking komen in plaats van alleen maar "opgevoed" te worden. Zie bijvoorbeeld dit bericht over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat het CJG er is voor kinderen, nee, dat zou ik dus geen misverstand noemen. Toch nog een bedenking.

zaterdag 13 juli 2013

De vervreemde mantelzorgers - Mantelzorgers mishandelen uit stress - TROUW

Trouw schrijft dat ouderenmishandeling toeneemt doordat mantelzorgers steeds vaker overbelast raken. Zie de link onderaan. En lees ook eens de vele reacties op dat bericht.

Ouderenombudsman Jan Romme zegt dat iedereen ontzettend zijn best doet, maar dat de regering op de "jonge ouderen" een steeds groter beroep doet. Die moeten niet alleen voor hun kleinkinderen zorgen, omdat de kinderopvang onbetaalbaar is geworden, maar ook hun oude vader of moeder verzorgen, terwijl de dagopvang voor ouderen wordt afgebouwd. En ze moeten langer doorwerken en vrijwilligerswerk doen. Overbelaste mantelzorgers hebben last van slapeloosheid, tobben veel en hebben geen tijd meer voor werk of sociale activiteiten. Dat kan door onmacht en wanhoop leiden tot verwaarlozing en mishandeling.

Stress dus. Die eruit voortkomt dat wij een sterke zorgimpuls hebben, terwijl wij die zorg in onze huidige maatschappelijke omstandigheden en sociale omgeving nauwelijks nog met anderen kunnen delen. Anderen hebben om voor te zorgen ervaren we als een verrijking van het leven, behalve als we er helemaal alleen voor staan. En de kans daarop wordt bij kleinere en sociaal geïsoleerde gezinnen steeds groter. Dat is de tragiek van de vervreemding: De vervreemding van de overbelaste mantelzorger.

Mantelzorgers mishandelen uit stress - Gezondheid - TROUW:

'via Blog this'

vrijdag 12 juli 2013

NRCnext checkt "Werklozen blijvend beschadigd" - Conclusie: dat klopt inderdaad

NRCnext checkte gisteren de bewering van Peter van der Meer in de Volkskrant dat werkloosheid ongelukkiger maakt en dat het eenmaal werkloos zijn geweest leidt tot blijvende schade. Ik maakte melding van het artikel van Peter van der Meer in het vorige bericht. Er is geen link naar het NRCnext artikel zelf, maar wel naar dit artikel in NRC/Handelsblad dat daar over bericht.

Het was niet zo moeilijk om de waarheid te checken, omdat het overzichtsartikel "Verhoogt werk ons welzijn" (Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 2011) van Rudi Wielers, Peter van der Meer en de schrijver van dit blog daar voor beschikbaar was. In dat artikel geven we een overzicht van het onderzoek naar de welzijnseffecten van het hebben van werk of werkloos zijn en van werken als tijdsbesteding vergeleken met andere bezigheden. Dat onderzoek laat zien dat werkloosheid tot een aanzienlijke welzijnsachteruitgang leidt, die blijft bestaan ook als daarna weer werk wordt gevonden. Het laat een litteken na en heeft negatieve gevolgen voor de kinderen van werklozen. Zie ook Are European leaders aware of the miseries of mass unemployment?

Dit was de conclusie van Geertje Tuenter, die voor NRCnext de check uitvoerde:
In de Volkskrant schrijft econoom Peter van der Meer dat langdurig werklozen ongelukkiger zijn dan werkenden. Dat klopt inderdaad, ook voor mensen die korter werkloos zijn, mits het gaat om mensen die onvrijwillig thuiszitten. Het rapportcijfer dat werklozen aan hun eigen leven geven op een schaal van 1 tot 10, is gemiddeld twee punten lager dan bij mensen met een baan. Daarnaast beschrijft Van der Meer dat langdurig werklozen beschadigd raken. Wetenschappelijk onderzoek onderschrijft dat. Gemiddeld gezien komen werklozen na het vinden van een baan niet meer op hetzelfde welzijnsniveau als voorheen. De stelling is dus waar.
Dat was niet zo verrassend. Ik was eerlijk gezegd wel wat verbaasd dat NRCnext de stelling van Peter van der Meer toch nog zo controversieel leek te vinden dat ze een check op het waarheidsgehalte nodig en interessant vonden. Dat bevestigt het angstige vermoeden dat de kwalijke gevolgen van werkloosheid niet genoeg onder de aandacht komen. En maakt het begrijpelijker dat politici denken dat ze hun gang kunnen gaan bij het overboord gooien van die eens zo belangrijke doelstelling van volledige werkgelegenheid. Ze zijn daarmee op de verkeerde weg. En misschien helpt deze check van NRCnext ook weer een beetje om hen dat te laten inzien.

maandag 8 juli 2013

Overheid, doe eens wat aan de werkloosheid - Peter van der Meer in De Volkskrant

Overheid, doe eens wat aan de werkloosheid. Onder die titel herinnert Peter van der Meer er vandaag in De Volkskrant aan dat de overheid ooit haar best deed
volledige werkgelegenheid na te streven, naast een stabiel prijspeil, evenwicht op de betalingsbalans, een bevredigend percentage van (selectieve) economische groei en een redelijke inkomensverdeling. Geen van deze doelstellingen lijkt meer in de belangstelling te staan
Het enige doel is nog begrotingsevenwicht, waarvan we weten dat dit juist geen doel op zich zou moeten zijn. Momenteel zitten we in een situatie van onderbesteding, dat zien we aan de werkloosheid en onbenutte kapitaalgoederen, zie de bouw.
Het zijn werkgevers die niet investeren en consumenten die niet consumeren, bang als ze zijn hun kapitaal als appeltje voor de dorst nodig te hebben. In zo'n situatie zou het juist de overheid moeten zijn die de economie weer aanjaagt. Zij moet als vliegwiel fungeren en niet op de rem trappen. Op die manier bestrijd je de werkloosheid, volksvijand nummer één, het best.
Het huidige beleid heeft tot gevolg dat de economie blijft steken op een niveau met veel te hoge werkloosheid. (...)
Waar blijven de politici die het opnemen voor de werklozen?
Laten we Peter van der Meer maar in een adem noemen met Paul Krugman. Want die vraagt zich vandaag in The New York Times ook af waar die politici blijven. Wordt die dramatische terugval in publieke kennis nog eens gerepareerd? Je kunt nog zo intelligent zijn als Diederik Samsom schijnt te zijn, maar als je niet goed bent geïnformeerd, dan schiet dat niet op.

donderdag 4 juli 2013

Zomerse onderbreking

Dit blog houdt een zomerse onderbreking. Met minder en onregelmatig geplaatste berichten.

Wegens vakantie en bezigheden buitenshuis.

Zoals op de groentetuin.

Peter Bofinger pleit voor paradigma-verandering in beleid eurozone. En ziet Merkel daartoe in staat | Re-Define

Sony Kapoor interviewt Peter Bofinger, een van de "vijf wijze mannen" die de Duitse regering op economisch gebied adviseren. Zie de link onderaan. Van hem is bekend dat hij het bezuinigingsbeleid als oplossing voor de crisis niet ziet zitten. Zoals hij ook in dit interview zegt, heeft dat beleid de problemen alleen maar erger gemaakt. Hij wijst er dan ook op dat Duitsland ook zelf nu de kwalijke gevolgen er van gaat ondervinden.

Dat is belangrijk, omdat de Duitse bevolking tot nu toe alleen van de crisis wist omdat het daar op de televisie over ging. Zal het beleid nu veranderen als ook de Duitsers de crisis gaan ondervinden? Interessant is dat hij denkt dat Angela Merkel kennelijk toch zo flexibel is dat ze dan het roer om zal gooien.

Laten we het hopen. Het wordt de hoogste tijd. Lezen dat interview!

Eurocrisis Conversation with Peter Bofinger | Re-Define:

'via Blog this'