maandag 17 november 2014

Maatschappelijke stage geeft gelegenheid tot pro-sociaal gedrag - En daardoor worden jongeren pro-socialer

Uit een kleine vijftig studies blijkt dat de maatschappelijke stage gunstige effecten heeft op jongeren. De ervaringen die ze opdoen, samen met de reflectie daarover, vergroten hun zelfinzicht, hun sociale vaardigheden, hun verantwoordelijkheidsgevoelens en hun maatschappelijke betrokkenheid. Dat ondersteunt het belang van de maatschappelijke stage en doet hopen dat scholen er mee doorgaan ondanks dat ze daartoe niet meer verplicht zijn. Zie het bericht Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter.

Je verwacht dan dat jongeren er ook pro-socialer door worden, dus meer bereid om anderen te helpen. En dat is ook zo. De pas verschenen studie How does community service promote prosocial behavior? Examining the role of agency and ideology experience (betaalpoort) toont dat aan. En laat bovendien zien waardoor dat komt.

De onderzoekers volgden tegen de 2000 jongeren (14-15 jaar) een jaar lang. Ongeveer de helft van hen volgde in dat jaar of in het jaar daarvoor een maatschappelijke stage. Dat hield in dat ze meehielpen in een vrijwilligersorganisatie, een sportvereniging, een politieke partij, een vakvereniging, een kerkgenootschap, een liefdadigheidsproject of in de informele hulpverlening . Aan het begin en aan het eind van dat jaar werden ze ondervraagd.

Het bleek toen dat de jongeren die stage hadden gedaan, vaker dan de anderen pro-sociaal gedrag hadden vertoond. Let wel, buiten hun stage-activiteiten om. Bovendien was dat pro-sociale gedrag toegenomen. Dat bleek uit hun antwoorden op het volgende vragenlijstje, vergeleken met de antwoorden van de jongeren die geen stage hadden gedaan:
I help people in need, when I see that they need help.
I help strangers, if they get lost.
I help old people to cross the street.
I help others by getting off the train or the bus if that person does not get it alone.
I would help another person, if the person falls off the bike.
I would help another person, if the person’s shopping bag burst.
Het doen van een maatschappelijke stage lijkt jongeren dus hulpvaardiger te maken. Maar waar zou dat aan liggen?

Dit onderzoek zegt daarover dat het er vooral aan ligt dat die stage de jongeren de gelegenheid geeft om iets voor anderen of voor de maatschappij te doen. Het gaat om de ervaringen van "een bijdrage te kunnen leveren", "het verschil te kunnen maken", "anderen te helpen", "iets nuttigs te doen", "iets waardevols te doen" en "iets te kunnen veranderen". Hoe meer ze die ervaringen in hun stage hadden gehad, hoe meer hun pro-sociale gedrag was toegenomen.

Het is goed om daar even bij stil te staan. Bedenk even dat wij jongeren niet zoveel andere mogelijkheden gunnen om zulke ervaringen op te doen. En bedenk dat ieder van ons meteen inziet hoe waardevol het is om zulke ervaringen te hebben.

Die maatschappelijke stage, dat is zo'n gek idee nog niet. Sterker, jongeren zouden eigenlijk veel vaker die ervaringen moeten opdoen. Want die horen bij een sociale en morele ontwikkeling die jongeren nodig hebben om als verantwoordelijke volwassene in het leven te kunnen staan. Denk nog even aan Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

En we weten dat misschien de belangrijkste voorwaarde voor hulpvaardigheid er uit bestaat dat mensen voldoende gelegenheid moeten hebben om iets voor anderen te doen. Het is natuurlijk gedrag, maar het moet wel gecultiveerd worden. Zie Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever.

zondag 16 november 2014

Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter

Sinds 2011 kennen we in ons land voor scholieren de verplichte maatschappelijke stage. Ze moeten minimaal 30 uur vrijwilligerswerk doen. Meestal gebeurt dat bij een vrijwilligersorganisatie, vereniging, instelling of maatschappelijke organisatie, maar ook kunnen ze iets doen op het terrein van de informele hulpverlening. Zie de website van de maatschappelijke stage.

Of wacht. Die website wordt met ingang van dit schooljaar niet meer bijgehouden. Want het verplichte karakter van de maatschappelijke stage is opgeheven. Scholen beslissen nu zelf of zij de stage onderdeel maken van hun programma. En de subsidie voor de website is geschrapt.

Dat het nu aan scholen wordt overgelaten, zou je op het idee kunnen brengen dat de maatschappelijke stage minder gunstige effecten heeft dan aanvankelijk werd gedacht. Maar het tegendeel is het geval. Alle onderzoek wijst er op dat de stage over een breed terrein positief uitwerkt op de ontwikkeling van adolescenten. De nieuwe studie The Role of Reflection in the Effects of Community Service on Adolescent Development: A Meta-Analysis (betaalpoort) laat dat overduidelijk zien.

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht, samen met Daniel Hart van Rutgers University, voerden een meta-analyse uit op de gegevens van 49 onderzoeken naar de effecten van de maatschappelijke stage (community service). Vooral als de stage werd gecombineerd met reflectie over de opgedane ervaringen waren de effecten sterk. Het ging om onderzoeken met een voor- en een nameting en met vergelijking met groepen scholieren die geen stage liepen. Of de stage verplicht was of vrijwillig bleek voor het effect niets uit te maken. Als de opgedane ervaring er maar was. En hoe meer tijd er aan besteed werd, hoe beter. En hoe meer tijd er werd besteed aan reflectie, hoe beter. Aanwijzingen voor een teveel zijn er voorlopig niet.

Het gaat inderdaad om sterke effecten op een breed terrein. Adolescenten weten nog maar weinig van de maatschappij waarin ze opgroeien. Directe, persoonlijke kennismaking met maatschappelijke situaties buiten hun leefwereld blijkt bij te dragen aan hun intellectuele ontwikkeling. En de opgedane ervaringen vergroten hun zelfinzicht, hun sociale vaardigheden en hun maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoelens en hun maatschappelijke betrokkenheid.

Eigenlijk is dat niet verwonderlijk. Want voor de rest doen wij met zijn allen nauwelijks iets om onze adolescenten bij de maatschappij te betrekken en om hen aan te spreken op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Het onderwijs is vrijwel exclusief gericht op intellectuele vorming. Daarbuiten is er de peer group van leeftijdsgenoten om zich sociaal in te ontwikkelen, maar we weten dat die sociale omgeving over het algemeen niet gunstig uitwerkt. Zie het bericht De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en de berichten achter het label pesten.

En verder hebben we onze maatschappij zo ingericht dat onze jongeren vooral commercieel worden aangesproken. De belangen daarachter liggen natuurlijk meer op het terrein van hun "ontwikkeling" als consument, van materiële goederen en ervaringsgoederen, zeg maar spanning en amusement. Daar zou niet zoveel mis mee zijn als het minder overheersend was.

Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid betreft, sturen wij onze adolescenten dus eigenlijk een sociale woestijn in. En dat we dat doen, dat blijkt ook precies uit dit onderzoek naar de effecten van de maatschappelijke stage. Want waar niets is, heeft een kleine dosis al een groot effect. Een stage van 30 uur op een schoolloopbaan stelt natuurlijk niet zoveel voor. Maar het blijkt dus veel verschil te maken of die stage er wel is of niet is. Nog er van afgezien dat nog meer beter zou zijn.

Dat maakt nieuwsgierig naar wat we nu in ons land zullen zien gebeuren. Je zou wensen dat alle scholen het grote belang van de maatschappelijke stage inzien. En hem blijven opnemen in hun programma. Het gaat om de keus tussen een sociale woestijn zonder of met een enkele oase.

Zondagochtendmuziek, nee, - fotografie: Het raadsel Vivian Maier, Straatfotografe

Ook het hoofd van een muziekliefhebber staat wel eens niet naar muziek. Daarom vandaag aandacht voor Vivian Maier (1926-2009), de straatfotografe. Aan wie FOAM aan de Keizersgracht in Amsterdam een kleine, maar intrigerende expositie wijdt.

Eigenlijk was Vivian Maier geen fotografe. Ze voorzag in haar levensonderhoud door zich als nanny te verhuren aan rijke families, het grootste deel van haar leven in Chicago. Maar ze maakte foto's. Vooral op straat, vaak vergezeld door de kinderen die ze onder haar hoede had.

Dat we van haar bestaan en van haar foto's op de hoogte zijn, is te danken aan John Maloof, die in 2007 op een veiling een koffer kocht die vol bleek te zitten met fotorolletjes. En met een verwijzing naar de naam Vivian Maier. Pas in 2009, aan de hand van een overlijdensadvertentie, achterhaalde hij haar identiteit.

Ze had vanaf de jaren 50 naar schatting 150.000 foto's gemaakt. Foto's, filmpjes, audio-opnamen en ander materiaal, ze moet aan een hamsterwoede hebben geleden, lagen tot 2007 in een opslagruimte in Chicago, waarvan ze toen niet meer de huur kon betalen. Een kleine selectie daaruit is nu in Amsterdam te zien.


Het is wat mij betreft een ontroerende tentoonstelling. Door de stuk voor stuk adembenemend mooie foto's, maar ook door het verhaal daarachter. Ik denk dat het vorig jaar was dat ik de documentaire The Vivian Maier Mystery zag. En kortgeleden was Finding Vivian Maier op televisie te zien. 

In FOAM kun je het boek Vivian Maier. Street Photographer uit 2011 kopen en dat ligt nu voor mij. Je kunt er de foto's in terugzien die in FOAM hangen. En ik blijf er in bladeren. Zoals je ook blijft kijken als je vivian maier photography googelt (afbeeldingen).

Dan is een regenachtige zondagochtend in november snel voorbij.

vrijdag 7 november 2014

Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis

Wat was de centrale boodschap van de WRR-lezing The Future of Globalization door Joseph Stglitz gistermiddag in een stampvolle zaal van Diligentia Theater in Den Haag?


Die valt al af te leiden uit een van de eerste dia's, die je hierboven ziet. Door globalisering zijn landen veel sterker van elkaar en elkaars gedrag afhankelijk geworden. En uit de economische leerboeken leren we dat door onderlinge afhankelijkheden externaliteiten ontstaan. En om die op te lossen is meestal meer nodig dan vrijblijvend onderling overleg en onderhandelingen. Er zijn nieuwe instituties nodig waarin alle betrokken landen zich vertegenwoordigd voelen, om de onderlinge problemen op te lossen en de wereldwijde ontwikkelingen in goede banen te leiden.

Anders gezegd, net zo als op het niveau van de landen zelf, kun je er niet mee volstaan te denken dat alles vanzelf goed komt. Dus door de markt maar zijn werk te laten doen. Door zoveel mogelijk te dereguleren en door kapitaalsstromen zo weinig mogelijk in de weg te leggen, ontstaat niet een breed gedeelde economische welvaart.

Concreter: zo nu en dan overleg tussen de G20 (19 grote landen en de EU) is onvoldoende om de globalisering te temmen, dat wil zeggen, om er voor te zorgen dat welvaart niet alleen tot stand komt, maar ook eerlijk verdeeld wordt. Daarom pleitte Stiglitz voor een meer geïnstitutionaliseerde governance onder de vleugels van de Verenigde Naties.

Dat is wel een heel korte, veel te korte, samenvatting. Aan de hand van deze onderliggende problemen (zie boven) hield Stiglitz een breed uitwaaierend betoog, met veel concrete voorbeelden. Gelukkig is de lezing vanaf vanavond in zijn geheel te bekijken op het YouTube-kanaal van de WRR. Neem er even de tijd voor.

Ik bedacht dat het betoog eigenlijk onderdeel is van een breder betoog over het belang en de noodzaak van centrale en democratisch gelegitimeerde sturing. Want dat beginnen we na tientallen jaren van geloof in het sprookje van het neoliberalisme zo langzamerhand wel in te zien. Niet alleen op het internationale niveau is het duidelijk geworden dat vrijhandel en ongebreidelde financialisering niet als vanzelf de uitkomsten genereren die we willen. Ook nationaal is de tijd gekomen voor bezinning op de overschatting van wat de markt kan en de onderwaardering van het belang van centrale sturing.

De eurocrisis kwam ook nog even langs. Arnout Boot sloot af met de vraag aan Stiglitz wat hij zou adviseren aan de Europese politici, als hij ook rekening zou moeten houden met de politieke obstakels. Hij doelde uiteraard op de halsstarrige en economisch domme opstelling van Duitsland.

Stiglitz had helemaal gelijk toen hij zich van die voorwaarde niets aantrok. Hij pleitte voor invoering van eurobonds en voor andere maatregelen om de bij de invoering van de euro bedoelde convergentie dichterbij te brengen. In plaats van de treurig makende divergentie die we zien. Kortom, doe wat economisch gezien verstandig is.

Maar ik vond die vraag van Arnout Boot wel frappant. Hij leek mij te staan voor de algemener heersende onderdanigheid, zeker ook in Nederland, tegenover de economische onzin van de Duitse opstelling. En onzin moet je bestrijden, ook als hij met veel aplomb en vertoon van zelfverzekerdheid en gewichtigheid wordt gebracht.

Maar het is hoopgevend dat we na Thomas Piketty nu ook Joseph Stiglitz in ons land zo uitgebreid aan het woord hebben gelaten. Misschien begint de politiek iets door te krijgen van dat bredere betoog over markt en centrale sturing. Update. Vanavond in Nieuwsuur een interview met Piketty en met Stiglitz. Tweede update. En zie hier het interview bij RTL met Stiglitz.

Net zo hoopgevend is trouwens dat Paul Krugman op diens uitnodiging op bezoek is geweest bij Shinzo Abe, de premier van Japan. Om hem te adviseren over wat te doen om de Japanse economie weer op de rails te krijgen. Na de economische stagnatie waar het land nu al tientallen jaren onder te lijden heeft. Er is daar meer overheidsstimulering nodig. En dus alsjeblieft niet nu de omzetbelasting verhogen.

Interessant dat de Japanners inzien dat ze bij iemand als Krugman te rade moeten gaan. Misschien mogen we nog meemaken dat de Europeanen dat ook inzien. Laat Juncker hem uitnodigen.

Dat zou een grote vooruitgang zijn vergeleken met vorig jaar, toen Ollie Rehn, die toen eurocommissaris was en een groot voorstander van de bezuinigingspolitiek, onderzoek dat er op wees dat de negatieve effecten daarvan veel groter waren dan verwacht, "not helpful" vond. Dat is nog eens een manier om om te gaan met een weerlegging van je overtuiging.

donderdag 6 november 2014

Vanmiddag naar WRR-lezing Joseph Stiglitz: The Future of Globalization

Vanmiddag ga ik naar de WRR-lezing The Future of Globalization door Joseph Stiglitz. Misschien krijgt dit evenement minder aandacht in de media dan Thomas Piketty gisteren kreeg, die de Tweede Kamer toesprak en een lezing gaf in Paradiso. Maar het is even belangrijk, zo niet belangrijker.

Nobelprijswinnaar Stiglitz is op dit blog verschillende malen voorbijgekomen. Zie de berichten achter het label met zijn naam. De lezing vanmiddag zal gaan over de kansen en bedreigingen van de economische globalisering. Zijn laatste boek daarover is Making Globalization Work. Ik moet toegeven dat ik dat nog niet heb gelezen. (Zoals ik ook moet toegeven dat ik Piketty's Capital in the Twenty-First Century nog niet uit heb. Maar dat zouden misschien meer mensen moeten toegeven.)

Stiglitz schreef o.a. ook, samen met Bruce Greenwald, Creating a Learning Society: A New Approach to Growth, Development, and Social Progress.

En over de grote gevaren van de extreem toegenomen ongelijkheid in de Verenigde Staten The Price of Inequality: How Today's Divided Society Endangers Our Future.

En samen met Amartya Sen en Jean-Paul Fitoussi het belangrijke Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress (pdf). En zo zou je nog even kunnen doorgaan.

Maar hij was ook de man die al in 2010 in Freefall: America, Free Markets, and the Sinking of the World Economy de oorzaken en de gevolgen van de financiële crisis van 2008 en de daardoor teweeggebrachte recessie analyseerde. Zo indringend dat er daarna eigenlijk niet zo veel aan is toegevoegd. Ik gaf er in 2012 een gastcollege over aan Groningse sociologiestudenten. Zie hier de powerpointdia's. Lees ook nog eens mijn bericht Een diepzinnige beschouwing over de economische crisis.

En hij was een van de vele, en niet de minste, economen die het Europese bezuinigingsbeleid bekritiseerden. Ik citeer uit het bericht Na de bezuinigingszeepbel - Joseph E. Stiglitz (en Paul Krugman) van mei 2012, maar nu niet minder actueel:

Joseph Stiglitz nog maar eens over wat Europa zichzelf aandoet. De financiële elite blijft het mantra van de bezuinigingen als oplossing voor alle kwalen herhalen. In mijn vertaling:
Het is wat vreemd om die gewichtigdoenerij te horen van diegenen die, aan het roer van de centrale banken, ministeries van financiën en particuliere banken, het globale financiële systeem aan de rand van de afgrond hebben gebracht - en de huidige puinhoop hebben gecreëerd. Erger, zelden wordt uitgelegd hoe de cirkel vierkant te maken. Hoe kan het vertrouwen worden hersteld als de crisiseconomieën in een recessie terecht komen? Hoe kan groei weer gestimuleerd worden als bezuinigingen vrijwel zeker een verdere afname van de totale vraag veroorzaken en de productie en de werkgelegenheid nog verder doen dalen?
Dit zouden we zo langzamerhand moeten weten: markten zijn aan zichzelf overgelaten niet stabiel. Niet alleen genereren ze herhaaldelijk destabiliserende zeepbellen, maar, als de vraag inzakt, komen er krachten in het spel die de neergang versterken. Werkloosheid en de vrees dat die zich zal verspreiden drijft de lonen, inkomens en de consumptie naar beneden - en dus de totale vraag. (...) Landen die een begrotingsevenwicht opgelegd hebben gekregen, zijn gedwongen om hun uitgaven terug te brengen terwijl de belastingopbrengsten dalen - een automatische destabilisator die Europa nonchalant lijkt te omarmen.
Er zijn alternatieve strategieën. Sommige landen, zoals Duitsland, hebben de ruimte om hun overheidsuitgaven in te zetten. Investeringen zouden de lange termijn-groei bevorderen, met positieve effecten voor de rest van Europa. Een al lang bekend principe is dat een evenwichtige expansie van belastingen en uitgaven de economie stimuleert; als het programma goed wordt ontworpen (hogere belastingen aan de top, gecombineerd met uitgaven voor onderwijs), dan kan de toename van het nationale product en de werkgelegenheid aanzienlijk zijn.
Europa als geheel doet het niet slecht; de verhouding tussen schulden en bruto nationaal product steekt gunstig af bij die van de V.S. (...) De les is duidelijk: het geheel is meer dan de som van zijn delen. Als Europa - in het bijzonder de Europese Centrale Bank - meer zou lenen en de opbrengsten zou uitlenen, zouden de kosten van het financieren van de Europese schulden afnemen, waardoor ruimte ontstaat voor het soort bestedingen dat groei en werkgelegenheid bevorderen. (...)
Europa's obsessie met bezuinigingen is het resultaat van een verkeerde diagnose van zijn problemen. Griekenland gaf te veel uit, Maar Spanje en Italie hadden voor de crisis begrotingsoverschotten  en een lage schuldquote. (...)
De gevolgen van Europa's bezuinigingswedloop zullen langdurend en waarschijnlijk ernstig zijn. Als de euro overleeft, zal dat gebeuren ten koste van hoge werkloosheid en enorm lijden, vooral in de crisislanden. (...) er is geen voorbeeld van een grote economie - en Europa is de grootste van de wereld - die hersteld is als gevolg van bezuinigingen.
Als resultaat wordt het meest waardevolle bezit van een land, zijn menselijk kapitaal, verspild en zelfs vernietigd. Jonge mensen die langdurig geen fatsoenlijke baan hebben - en de jeugdwerkloosheid benadert of overschrijdt in sommige landen de 50 procent, en is sinds 2008 onaanvaardbaar hoog geweest - raken vervreemd. Als ze uiteindelijk werk vinden, zal dat voor een veel lager loon zijn. Normaliter is het jong zijn een periode waarin vaardigheden worden opgebouwd; nu is het een periode waarin ze wegkwijnen.
Zoveel economieën zijn kwetsbaar voor natuurrampen - aardbevingen, overstromingen, typhoons,  orkanen, tsunami's - dat het toevoegen van een door mensen gemaakte ramp des te tragischer is. Maar dat is wat Europa aan het doen is. Zeker, de welbewuste onwetendheid van zijn leiders van de lessen van het verleden is misdadig.
De pijn die Europa, in het bijzonder zijn armen en jongeren, lijdt is niet noodzakelijk. Gelukkig is er een alternatief. Maar nog langer wachten met het aangrijpen daarvan zal zeer kostbaar zijn. De tijd raakt op.
Maar vanmiddag dus naar de WRR-lezing. Later daarover meer. Update. Zie Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis

woensdag 5 november 2014

Zoveel symptoombestrijding! Naar aanleiding van Rutger Bregman over de Week van de Werkstress

Het is de Week van de Werkstress. Stress op het werk leidt tot gezondheidsproblemen en ziekteverzuim en de kosten daarvan lijken hoog te zijn.

Je zou denken dat het voor de hand ligt om te zoeken naar de oorzaken. Hoe komt het dat werkstress toeneemt? Misschien heeft het er mee te maken dat we teveel verwachten van het aanwakkeren van concurrentie tussen bedrijven. En met de flexibilisering van de arbeidsmarkt. En met het ontbreken van een macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid. Allemaal zaken die de baanonzekerheid bevorderen. Op zich is dat al een oorzaak van stress. Maar bovendien verhoogt het de prestatiedruk en de concurrentie tussen werknemers. Die nog eens de stress verhogen.

Het zou dus goed zijn om in de Week van de Werkstress bij die oorzaken stil te staan. Vooral de politiek zou zich achter de oren moeten krabben. Moeten we niet meer naar wetgeving toe die recht doet aan de noodzaak van een meer ontspannen samenleving? Die de autonomie op het werk verhoogt? Moeten we daar niet eens goed over gaan nadenken? Zie ook mijn bericht Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk.

Maar nee, dat doen onze politici niet. Rutger Bregman wijst er terecht op dat de Week van de Werkstress geheel in het teken staat van symptoombestrijding. Zie Een Week van de Werkstress en dan hup: gauw weer aan het werk. Want het enige wat er deze week gebeurt is het geven van voorlichting. Voorlichting? Ja, kennelijk is het heel urgent dat iedereen er goed van op de hoogte is dat werkstress zo maar op de loer ligt en wat je daar als individuele werknemer dan aan moet doen. Je moet je er niet voor schamen. Je moet het aankaarten. En je moet het bespreekbaar maken.

De probleemdiagnose van de politiek en van minister Asscher is kennelijk dat er nog een taboe rust op werkstress en dat als we dat taboe maar opheffen, dat dan alles beter wordt.

En dat is uiterst merkwaardig. Want eerst creëer je als overheid de voorwaarden waaronder werkstress gemakkelijk ontstaat en vervolgens leg je dat probleem neer bij de slachtoffers van dat beleid. Doe er wat aan. Schizofreen, ja, dat woord lijkt van toepassing.

En Bregman heeft ook gelijk dat we in een tijdperk van symptoombestrijding lijken te leven. Want als je goed om je heen kijkt, zie je die praktijk overal. De werkloosheid pakken we aan met sollicitatietrainingen. Depressies? Meer psychologen.

Ik dacht natuurlijk ook aan ons jeugdbeleid. Door het toegenomen sociaal isolement van de gezinnen groeien onze kinderen niet meer op in een sociale omgeving die ze nodig hebben. Dat is slecht voor hun sociale en morele ontwikkeling en dat uit zich in gedragsproblemen en psychosociale problemen.

We zouden ons eens goed kunnen bezinnen op de oorzaken van dat toegenomen sociaal isolement. Die liggen op het terrein van de economie en de fysieke infrastructuur. Dan hebben we het over de schaalvergroting en de centralisatie van allerlei voorzieningen, waardoor in buurten niet meer als vanzelf ontmoetingsplekken bestaan. En we hebben het over functiescheiding, waardoor de woon-werkafstand is toegenomen en waardoor onze sociale netwerken zijn gefragmenteerd. En we hebben het over de toename van verhuizingen over langere afstanden, waardoor familie minder bij elkaar in de buurt woont.

Maar nee, in plaats daarvan hebben we de nieuwe sector van de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening en de opvoedondersteuning laten ontstaan. Die allemaal erg hun best doen, maar pas in actie komen als de problemen al zijn ontstaan en daarna niet veel meer kunnen doen dan symptomen te bestrijden.

Wel iets aan die oorzaken doen, dat zou betekenen dat we echt kiezen voor omwegbeleid. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Maar ik moest natuurlijk ook denken aan de Week van de Eenzaamheid. Die ook nagenoeg geheel gewijd is aan voorlichting en bewustwording. En aan de noodzaak van trainingen voor hulpverleners in het herkennen van eenzaamheid. Ook daar ontbreekt vrijwel geheel het besef dat eenzaamheid oorzaken heeft die in maatschappelijke ontwikkelingen zijn gelegen. Vrijwel dezelfde ontwikkelingen die het sociaal isolement van gezinnen hebben vergroot.

En tenslotte moest ik denken aan hoe we het pestprobleem op scholen aanpakken. Of dus eigenlijk niet aanpakken. In plaats van in te zien dat we met de leeftijdssegregatie waaraan we onze kinderen blootstellen, het pesten in de hand werken, laten we dat gewoon gebeuren en vinden we dat pesten met anti-pestprogramma's moet worden bestreden. En o ja, we hebben immers ook een Week Tegen het Pesten. Zie nog eens Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen en mijn discussie met Mieke van Stigt.

Je zou natuurlijk denken dat er hier bij uitstek een grote opdracht ligt voor de sociale wetenschappen. Maar helaas, wat je in feite ziet is dat die zich nogal dienstbaar maken aan deze trend van de symptoombestrijding. Zo is er op het gebied van pesten vele malen meer sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van anti-pestprogramma's dan naar de oorzaken van de toename van pesten. Tragisch is dat.

dinsdag 4 november 2014

Leeftijdsgemengde schoolklassen bevorderen vriendschappen tussen jongere en oudere kinderen - waardoor er minder gepest wordt

Leeftijdsgemengde schoolklassen zouden wel eens een goed middel kunnen zijn om pesten tegen te gaan. Zie Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen. Onderzoek dat ik in dat bericht noemde, laat zien dat dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn.

Dat wijst er overduidelijk op dat in zulke groepen ook pesten minder vaak voorkomt. En dan nog afgezien van andere positieve effecten die ook werden gevonden, namelijk op leerprestaties en cognitieve ontwikkeling.

Eerder meldde ik al dat Groningse sociologen bezig zijn met onderzoek naar het verband tussen leeftijdsmenging versus leeftijdssegregatie en pesten. Zij het dat het daar niet gaat om het mogelijke effect van het wel of niet combineren van verschillende groepen in een klaslokaal. Ik sta met hen in overleg en kom er op terug als er resultaten zijn.

Maar ondertussen vroeg ik me af of er niet meer onderzoek is geweest naar de sociale voordelen van leeftijdsmenging op scholen voor kinderen. Na wat zoeken vond ik nog de studie Social Impact of Age Mixing and Age Segregation in School: A Context-Sensitive Investigation uit 1989. Dat onderzoek gebeurde bij een school met drie vestigingen, waarvan een met leeftijdsmenging. De leerlingen waren deels verdeeld naar voorkeuren van de ouders en voor de rest willekeurig. Voor het overige kwamen de vestigingen sterk met elkaar overeen.

Dat verschafte dus een mooie vergelijkingsbasis. Maar helaas is het onderzoek wat beperkt in de uitkomsten waarop werd vergeleken: competenties en vriendschappen. Dus niets over problematisch gedrag, agressie, sociaal-emotionele problemen en niets over pesten.

Toch is er wel een interessant resultaat. Het bleek namelijk dat leeftijdsmenging er inderdaad voor zorgt dat er meer vriendschappen bestaan tussen jongere en oudere kinderen. En het frappante was dat het vooral de leerlingen waren met wat achterstand in sociale en cognitieve ontwikkeling die zulke vriendschappen hadden. Dus vriendjes waren met oudere of jongere klasgenoten.

Dat geeft toch een fraai inkijkje in een voordeel van leeftijdsmenging. Want die achterstandsleerlingen bleken dus de mogelijkheden te benutten die hun leeftijdsgemengde klas hen bood. De mogelijkheid namelijk om de groep van leeftijdsgenoten wat te ontwijken. Dat is immers de groep waarin statuscompetitie gemakkelijker de kop opsteekt. Zie Pesten hoort bij statuscompetitie. Wil je pesten terugdringen, doe dan iets aan de statuscompetitie en De statushiërarchie van de schoolklas.

De leerlingen met een vergelijkbare ontwikkelingsachterstand in de leeftijdsgesegregeerde klassen hadden die mogelijkheid niet. Dus zullen ze meer geconfronteerd zijn geweest met de uitdagingen van de statuscompetitie. En je zou dus verwachten dat ze daardoor meer sociale problemen hadden en meer gepest werden. Alleen, helaas, dat was in dit onderzoek niet meegenomen.

Dat er in leeftijdsgemengde klassen minder gepest wordt, zou er dus wel eens aan kunnen liggen dat de wat kwetsbaardere leerlingen vriendschappen kunnen aangaan met jongere of oudere leerlingen. Waardoor er over de hele linie in leeftijdsgemengde klassen minder gepest wordt.

maandag 3 november 2014

Een land is geen onderneming - en ook geen huishouden

Sinds de opkomst van het neoliberalisme in de jaren 80 van de vorige eeuw is het gemeengoed geworden om hoog op te geven van de prestaties van het marktmechanisme en laatdunkend te doen over wat de overheid daar nog aan zou kunnen bijdragen. Vaak gaat dat gepaard met het geloof dat een succesvolle ondernemer ook over de inzichten en bekwaamheden zou beschikken om een land te besturen. Als je dat gelooft, dan maak je de vergissing te denken dat een land zoiets is als een onderneming.

Aan die vergissing wijdt Paul Krugman vandaag zijn column. Zie Business vs. Economics. Zie ook zijn artikel A Country Is Not A Company uit 1996. Komt die vergissing dan zoveel voor?

Ja, dat is zeker het geval. Een groot deel van de economische problemen die we nu in Europa meemaken, komen er namelijk uit voort. Aangevoerd door Duitsland, denken veel Europese politici die nu aan de macht zijn, dat hun landen onderling behoren te concurreren zoals ondernemingen dat doen. Dat wil zeggen, ondernemingen die op dezelfde markt opereren. Net zo als ondernemingen de productiekosten zoveel mogelijk moeten beperken, zouden ook landen met elkaar moeten concurreren door flexibilisering van arbeid en verlaging van de lonen. Vandaar dat we nu in Europa al jaren lang de pleidooien moeten aanhoren voor "structurele hervormingen".

Maar je ziet dan over het hoofd dat er op het niveau van de economie van een land feedback-mechanismen spelen waarmee een onderneming zelden te maken heeft. Zoals de feedback dat een verlaging van de lonen in een land een dempend effect heeft op de vraag naar goederen en diensten. Als een onderneming de lonen verlaagt, is dat effect er natuurlijk ook, maar het wordt uitgesmeerd over de hele economie, waardoor de onderneming zelf er weinig last van heeft.

Nu kunnen in een land natuurlijk ook wel eens de lonen te hoog zijn. Maar als dat zo is, dan merk je dat aan een stijgende inflatie. De bekende loon-prijsspiraal. Als die inflatie niet toeneemt, integendeel, zoals nu, sterk afneemt, dan lijden we niet onder een probleem van te hoge, maar van te lage lonen. En dan kun je maar beter niet politici aan het roer hebben die denken dat het besturen van een land net zoiets is als het besturen van een onderneming.

Dat is allemaal goed te begrijpen. Waardoor het verbazingwekkend is dat die vergissing dan toch zoveel voorkomt.

Maar het altijd goed op de kosten letten komt goed overeen met de logica, en de moraal, van het huishoudboekje. Dus deze vergissing wordt nog eens ondersteund door die andere: de vergissing te denken dat een overheid net zo iets is als een huishouden. En als een overtuiging een keer een morele lading heeft gekregen, dan is er heel wat overredingskracht voor nodig om iemand aan het twijfelen te krijgen.

Ik moest terugdenken aan een twittercommunicatie die ik al weer een poos geleden had met iemand die zich als VVD-lid bekend maakte. Ik probeerde haar duidelijk te maken dat je als overheid soms nog grotere schulden moet maken om de economie in een recessie weer aan de praat te krijgen. Ik drong er op aan om enkele berichten op dit blog te lezen, zoals Bezuinigers gevangen in de beeldspraak van de broekriem, Over de broekriem en het huishoudboekje en Keynesiaans stimuleringsbeleid: economische argumenten zijn dwingend, maar politieke missie is vereist.

En ik kreeg een tweet terug met de melding dat ze dat ook inderdaad had gedaan. Maar toch niet overtuigd was. Dat maakte mij benieuwd naar de tegenargumenten.

Maar die waren er niet. In plaats daarvan kreeg ik een link toegestuurd naar een website waarop je zogenaamd kunt volgen hoe de Nederlandse staatsschuld zich van minuut tot minuut ontwikkelt. Je ziet een teller met een heel groot bedrag, dat steeds maar blijft oplopen. Althans, dat deed het toen.

Het was zo'n voorbeeld van een confrontatie tussen argumenten en een rotsvaste overtuiging. Een morele reflex, aangewakkerd door dat beeld van die oplopende teller. Maar wel een reflex die wijd verbreid is.

zondag 2 november 2014

Zondagochtendmuziek - Passacaglia for Violin and Viola (Halvorsen, Johan)

Daartoe aangezet door de CD Duos for violin and viola (2006), waarop Tabea Zimmerman en Antje Weithaas twee van zulke niet veelvoorkomende duo's van Mozart en een van Louis Spohr uitvoeren, ging ik op zoek naar meer. Want hoewel er redenen zijn om de combinatie van viool en altviool te vermijden, ze worden in de CD-boekje opgesomd, laten deze drie werken zien dat hij ook verrassende voordelen heeft:
because the viola is in harmony with the sound of the violin in every register, and is able to take on soloist, imitating dialogue and accompanying functions. One look at the recorded duets quickly confirms that Mozart and Spohr know how to make perfect use of such possibilities. We sometimes get the impression that there are more than two string instruments, since both can play chords. In many instances, the composers arrive at an intensity of expression that is reminiscent of the potential offered by a string quartet, and the duets become its tonal substrate.
Die uitvoering van Spohrs duet kun je hier beluisteren, alleen audio, maar wel met prachtige plaatjes.

Maar ik vond ook deze prachtige uitvoering van de Passacaglia van Johan Halvorsen (1864-1935), op een thema van Händel. Door twee 15-jarige Koreaanse musici. Ik leerde ook nog dat Itzhak Perlman en Pinchas Zuckerman datzelfde stuk als een toegift plachten te gebruiken. Maar deze Koreaanse uitvoering is veel strakker en krachtiger. Er zijn trouwens ook versies met cello in plaats van altviool, zoals deze door Julia Fischer en Daniel Müller-Schott.