dinsdag 18 oktober 2016

Meer over het littekeneffect en het angsteffect van werkloosheid - En over het belang van volledige werkgelegenheid

In het huidige sociaal-economische beleid, dat sterk geïnspireerd is door de neo-liberale fantasiewereld van zoveel mogelijk marktwerking en een zo klein mogelijke overheid, wordt lichtzinnig omgesprongen met werkloosheid. Het lijkt al weer lang geleden dat volledige werkgelegenheid als doel van het macro-economische en het begrotingsbeleid vanzelfsprekend was.

Die vanzelfsprekendheid kwam voort uit het inzicht dat je als overheid (wij met zijn allen) een verantwoordelijkheid draagt voor het realiseren van bestaanszekerheid voor je burgers. En in de maatschappij waarin wij leven is betaald werk voor vrijwel iedereen de basis van die bestaanszekerheid.

De toename van bestaansonzekerheid als gevolg van dat neo-liberale beleid is goed gedocumenteerd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid. De negatieve gevolgen daarvan zijn bekend. Mensen hechten aan stabiliteit. Bestaansonzekerheid blijkt gepaard te gaan met fysieke pijn en een een groter gebruik van pijnstillers. Zie Het basisinkomen is een (de?) oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid.

En we weten dat werkloosheid de bestaansonzekerheid aanwakkert, niet alleen bij de werklozen zelf, maar ook bij de werkenden. Waardoor werkloosheid een breed scala aan ernstige negatieve effecten heeft, ook voor de kinderen van werklozen. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. En we kennen de negatieve effecten van baanonzekerheid. Zie Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid.

Er waren dus heel goede redenen om als overheid volledige werkgelegenheid als belangrijk doel voorop te stellen. Temeer omdat het macro-economische instrumentarium ook voorhanden is om dat doel te bereiken.

Maar in de neo-liberale fantasiewereld is werkgelegenheid slechts een middel om andere doelen te bereiken. De fantasie is dat het voor economische groei, de maat voor menselijk welzijn, noodzakelijk is dat het bereik van het marktmechanisme zo groot mogelijk moet zijn en dat van de overheid zo klein mogelijk. En dat de markt altijd weer als vanzelf naar evenwicht tendeert als je dat proces maar zijn gang laat gaan. Update. En de fantasie dat het bereikte evenwicht ook altijd het best mogelijke is.

Werkloosheid is in die fantasie niet meer dan een middel op weg naar dat evenwicht. Een aanwijzing dat de lonen te hoog zijn. En dus zorgt het leger van
werklozen er als vanzelf voor dat de lonen omlaag gaan. Werkloosheid wordt dus eigenlijk weg gedefinieerd: iedereen vindt werk, als hij maar niet een te hoog loon wil. Vandaar ook die neo-liberale behoefte om uitkeringen te verlagen en uitkeringstrekkers het leven moeilijk te maken.

Al met al een lange inleiding tot waar het vandaag eigenlijk om gaat. Onderzoekers van de Gentse Universiteit hebben gegevens van de European Social Survey (ESS) geanalyseerd op het verband tussen werkloosheid en de latere levenstevredenheid. En ze doen daarvan verslag in ESB: De gevolgen van (jeugd)werkloosheid voor de latere levenstevredenheid.

Hun analyses zijn belangrijk voor hoe we de langdurende negatieve gevolgen van werkloosheid moeten begrijpen. Bekend is dat werkloosheid een zogenaamd littekeneffect heeft en een angsteffect. Het littekeneffect houdt in dat werkloos geweest zijn een blijvend lagere levenstevredenheid tot gevolg heeft. Ook als je daarna weer werk gevonden hebt, blijft er een litteken achter.

Een deel van dat negatieve effect hangt er mee samen dat werkloos geweest zijn de angst vergroot dat nog een keer te worden. Anders gezegd, de werk- of baanonzekerheid neemt er door toe.

Uit de analyses blijkt nu dat beide effecten bestaan voor de gehele steekproef, dat wil zeggen voor alle 25 tot 69-jarigen. Dus ook als je dat angsteffect meeneemt, blijft het littekeneffect significant. Mensen zijn angstiger geworden, maar ook zonder die vrees om weer werkloos te worden, is de levenstevredenheid blijvend lager.

Maar als je kijkt naar de groep van jongeren (25 tot 34 jaar), dan blijkt dat daar de gehele achteruitgang van levenstevredenheid als gevolg van werkloosheid kan worden toegeschreven aan het angsteffect. Werkloos geweest zijn op jonge leeftijd verlaagt het welzijn door de toegenomen angst voor herhaling. Maakt jongeren onzeker en met die angst en onzekerheid staan ze dus aan het begin van hun werkzame leven.

Wel curieus, en tekenend voor de neo-liberale tijdgeest, dat de auteurs volstaan met beleidsaanbevelingen op het vlak van de begeleiding van werklozen en het vergroten van hun inzetbaarheid. De gedachte dat hun bevindingen aanleiding zouden kunnen geven om weer eens na te denken over dat belang van volledige werkgelegenheid, die komt niet bij hen op.

maandag 17 oktober 2016

Pro-sociaal gedrag en keuze-architectuur - Over het naar voren halen van schuldgevoel

De menselijke sociale natuur is voor een belangrijk deel gevormd in de Paleo Sociale Omgeving, de manier van samenleven van jagers-verzamelaars die voor hun overleving waren aangewezen op samenwerking en delen.

Dat hield in dat de mogelijkheden tot pro-sociaal gedrag, dus tot gedrag waarvan de resultaten ook anderen ten goede komen, zich frequent aanboden en dat zulk gedrag ook van je verwacht werd. Dat het van je verwacht werd, leerde je van kindsbeen aan, want die samenwerking strekte zich uit tot de zorg voor kinderen (cooperative breeding).

De huidige maatschappij wijkt daar natuurlijk sterk van af. Maar er is, gelukkig, ook nu nog pro-sociaal gedrag. Maar wanneer wel en wanneer niet? Een voor de hand liggend vermoeden is dat de kans er op groter is hoe meer de sociale situatie overeenkomt met die van de Paleo Sociale Omgeving. Dat is het inzicht van het sociaal ingebed zijn van pro-sociaal gedrag. Zie het bericht Pro-sociaal Gedrag.

Die sociale inbedding komt er bijvoorbeeld uit naar voren dat de invloed van de omvang van iemands sociale netwerk op de kans op pro-sociaal gedrag groter is dan die van de persoonlijkheid. Zie Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever.

Een andere manier waarop die sociale inbedding blijkt, is dat het geven van een duwtje in de goede richting kan helpen om pro-sociaal gedrag tot stand te brengen. Denk aan het boek Nudge. Improving Decisions About health, Wealth and Happiness van Thaler en Sunstein, waarin het onder meer gaat over orgaandonaties en bescherming van het milieu.

En waarin Thaler en Sunstein het begrip keuze-architectuur introduceren. Wat inhoudt dat je een pro-sociale keuze kunt bevorderen door de wijze waarop de keuzesituatie wordt aangeboden. (Denk ook even aan het verbod op gratis plastic tasjes.)

Een voorbeeld daarvan is dat je de kans op het kiezen van een groene (maar duurdere) energie-aanbieder kunt vergroten door dat groene alternatief als default aan te bieden. Als het standaardalternatief. Voor een ander alternatief moet je daar dan dus expliciet van afwijken. Het is inderdaad gebleken dat in dat geval meer mensen kiezen voor groene energie dan wanneer groene energie niet het default-alternatief is.

Je zou kunnen zeggen dat mensen dat standaardalternatief opvatten als de keuze die gangbaar is, die zo hoort. De keuze wordt dus sociaal ingebed.

Maar nu blijkt uit nieuw onderzoek dat je de kans op een groene keuze nog meer kunt vergroten door mensen expliciet de keuze voor te leggen tussen een groene, en duurdere, leverancier en een niet-groene, goedkopere. Zie Does Active Choosing Promote Green EnergyUse? Experimental Evidence (met Cass Sunstein als tweede auteur).

1245 bezoekers van Amazon Mechanical Turk kregen verschillende keuzepresentaties voorgelegd. En toen bleek dat in die gevallen waarin de groene energie duurder was, aanzienlijk meer mensen voor groene energie kozen als ze expliciet tussen groen en niet-groen moesten kiezen (56 procent) dan wanneer de groene energie hen als standaardalternatief werd gepresenteerd (26 procent).

Een mogelijke verklaring voor dit toch op het eerste gezicht wat verrassende resultaat is dat mensen bij die expliciete keuze vrezen zich schuldig te zullen gaan voelen als ze voor de niet-groene en goedkopere energie zouden kiezen. Door de keuze-architectuur wordt dat mogelijke schuldgevoel als het ware naar voren gehaald, pregnant gemaakt.

Terwijl daartegenover weerstand (tegen bedreiging van gedragsvrijheid) kan worden opgewekt als je het groene alternatief als standaard aanbiedt. Weerstand dus tegen dat duwtje.

Ondervraging van de deelnemers aan het experiment leverde ook inderdaad op dat degenen die expliciet voor het niet-groene alternatief hadden gekozen zich schuldiger voelden dan degenen die niet het groene standaardalternatief hadden gekozen. Waarschijnlijk had die laatste groep meer gehandeld uit dat gevoel van weerstand. (Zie ook Is Guilt a Good Motivator for Pro-social Behaviour?)

De aanbeveling is dus: voorkom die weerstand en speel in op schuldgevoel.

De keuze voor groene, en duurdere, energie is duidelijk een geval van pro-sociaal gedrag. Maar die keuze is natuurlijk vele malen minder sociaal ingebed dan de keuzes die jagers-verzamelaars moesten maken als het ging om samenwerken en delen. Op zijn kortst samengevat gaat het om het verschil tussen onpersoonlijk en persoonlijk.

Maar het blijkt dus mogelijk te zijn om dat grote verschil wat te overbruggen. Door dat gevoel van schuld, dat natuurlijk zijn oorsprong heeft in het domein van de persoonlijke relaties, bij zo'n onpersoonlijke keuze naar voren te halen.

zondag 16 oktober 2016

Zondagochtendmuziek - Dvořák Symphony No 9 "New World" Celibidache, Münchner Philharmoniker, 1991

In het vrijdagse lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg dirigeerde Ludovic Morlot het Radio Filharmonisch Orkest in Antonín Dvořáks Negende Symfonie. Gistermiddag herhaald in de Zaterdagmatinee. De dirigent was mij onbekend, maar wat een prachtige uitvoering!

Maar deze mag er natuurlijk ook zijn: door de Münchner Philharmoniker onder leiding van de legendarische Sergiu Celibidache. Langzaam, langzaam, langzaam. Wikipedia daarover:
An oft-mentioned feature of many of his concerts, captured in the live recordings of them, is a slower tempo than what is considered the norm, while, in fast passages, his tempos often exceeded expectations.[10] In Celibidache's own view, however, criticism of a recording's tempo is irrelevant, as it is not (and cannot be) a critique of the performance but rather of a transcription of it, without the ambience of the moment, for him, a key factor in any musical performance. As Celibidache explained, the acoustic space in which one hears a concert directly affects the likelihood of the emergence of his sought-after transcendent experience. The acoustic space within which one hears a recording of one of his performances, on the other hand, has no impact on the performance, as it is impossible for the acoustic features of that space to stimulate musicians to play slower or faster.

donderdag 13 oktober 2016

Neo-liberalisme en psychisch lijden - Wat te doen?

Naar aanleiding van nieuwe cijfers over psychische problemen bij kinderen in Groot-Brittannië ging George Monbiot gisteren in de Guardian in op het mogelijke verband tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de toename van psychische stoornissen als angst, stress, depressie, sociale fobieën, eetstoornissen en automutilatie. Zie Neoliberalism is creating loneliness. That’s what’s wrenching society apart.

Dat er in veel landen, ja wereldwijd, een toename is van psychische stoornissen lijkt niet langer omstreden. Monbiot verwijst naar dit artikel uit 2014: The global prevalence of common mental disorders: a systematic review and meta-analysis 1980–2013, waaruit blijkt dat op basis van studies in 63 landen 1 op de 5 personen in het jaar voorafgaand aan de meting leden aan een mentale stoornis. En van bijna 30 procent kon worden vastgesteld dat ze gedurende hun leven aan een stoornis hadden geleden.

Ik moest ook even denken aan de in april van dit jaar verschenen studie Scaling-up treatment of depression and anxiety: a global return on investment analysis, waarin wordt berekend hoeveel gezonde levensjaren zouden kunnen worden gewonnen door meer te investeren in de behandeling van depressie en angststoornissen en hoe groot de economische opbrengsten van die investeringen zouden zijn.

Tegen zulke alarmerende cijfers wordt wel eens ingebracht dat die toename niet zozeer een echte toename zou zijn, maar vooral een toename van aandacht voor psychische problemen en dus een toename van diagnoses. Hoewel dat laatste ook zeker het geval lijkt te zijn, zijn daarnaast de aanwijzingen sterk voor een echte toename van psychisch lijden. Zie De toename van psychische problemen is een echte toename, niet alleen maar een toename van diagnoses en Over psychisch lijden en de mythe van de verwende baby.

Ook is er in het publieke debat een zekere terughoudendheid om die toename in verband te brengen met maatschappelijke ontwikkelingen. Maar Monbiot windt er geen doekjes om:
There are plenty of secondary reasons for this distress, but it seems to me that the underlying cause is everywhere the same: human beings, the ultrasocial mammals, whose brains are wired to respond to other people, are being peeled apart. Economic and technological change play a major role, but so does ideology. Though our wellbeing is inextricably linked to the lives of others, everywhere we are told that we will prosper through competitive self-interest and extreme individualism.
En wie zijn het die ons dat vertellen?
men who have spent their entire lives in quadrangles – at school, at college, at the bar, in parliament – instruct us to stand on our own two feet. The education system becomes more brutally competitive by the year. Employment is a fight to the near-death with a multitude of other desperate people chasing ever fewer jobs. The modern overseers of the poor ascribe individual blame to economic circumstance. Endless competitions on television feed impossible aspirations as real opportunities contract.
Kan het nog krachtiger en korter worden gezegd? En hoe goed dat het wordt gezegd. Want helaas, niet alleen de onwaarheid, maar ook de waarheid moet vaak herhaald worden om te worden geaccepteerd.

De vraag is natuurlijk: wat er aan te doen? En op die vraag geeft Monbiot dit toch wat onbevredigende antwoord:
This does not require a policy response. It requires something much bigger: the reappraisal of an entire worldview. Of all the fantasies human beings entertain, the idea that we can go it alone is the most absurd and perhaps the most dangerous. We stand together or we fall apart.
Onbevredigend, want het is natuurlijk niet het een of het ander. Natuurlijk moeten we met zijn allen veel meer onder ogen zien dat de mens een sociale diersoort bij uitstek is. Maar tegelijk; als het overheidsbeleid zo overduidelijk geïnfecteerd is geraakt door de neoliberale fantasieën over mens en maatschappij en als zulk beleid zo overduidelijk de oorzaken van eenzaamheid en psychisch lijden heeft aangewakkerd, dan is het zaak om dat beleid zo gauw mogelijk om te buigen.

Tal van min of meer concrete beleidsmaatregelen dringen zich op als je dit blog een beetje gevolgd hebt. Zonder uitputtend te zijn:
  • Zorg voor meer bestaanszekerheid door een beleid ter bevordering van volledige werkgelegenheid en/of door uitbouw van de sociale zekerheid met een onvoorwaardelijk basisinkomen (beter en dan of). 
  • Zorg voor betere arbeidsomstandigheden en meer baanzekerheid (in plaats van rotbanen en flexwerk).
  • Bevorder de coöperatieve ondernemingsvormen (Gisteren Stiglitz daarover: Joseph Stiglitz proposes co-op models as an alternative to trickle-down economics)
  • Geef je er rekenschap van dat de participatiemaatschappij en de verzorgingsstaat geen alternatieven zijn, maar elkaar aanvullen. 
  • Voorkom een te grote nadruk op verspillende en ziekmakende statuscompetitie door een grotere inkomens- en vermogensgelijkheid, zoals door terugkeer naar progressievere belastingtarieven.
  • En natuurlijk door terugdringing van reclame en commercialisering.
  • Zorg voor een veiliger schoolomgeving door leeftijdsgemengde groepering
  • Bestrijd eenzaamheid door buurtcontacten te bevorderen (ontmoetingsplekken, buurtrechten). 
Update. Lees nu ook Chris Dillow: CAPITALISM & LONELINESS..

woensdag 12 oktober 2016

Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme - Een biologische antropologie van de Bijbel - 15

In hoofdstuk 9 (Het morrende volk: Protest van onze eerste natuur) en 10 (De les van de uittocht: De erfenis van de Thora) van Het  Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel gaan Van Schaik en Michel in op de opkomst en vestiging van de intellectueel-institutionele religie, die van Jahwe als staatsgod. Zie Wat is de oorsprong van de God die overwon? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 14 voor het vorige bericht in deze reeks.

Dat was een volkomen nieuwe ontwikkeling en de grote vraag is hoe die zich heeft kunnen voltrekken. Hoe kon deze staatsgod zich ontwikkelen "bovenop" het al bestaande domein van religie dat meer rechtstreeks voortkwam uit de aangeboren intuïties van mensen?

Die intuïtieve religie betrof vooral het alledaagse leven van individu, familie, dorp en de boven-lokale cultus. Daarin gaat het om welzijn, gezondheid, vriendschappen, goede oogst en vruchtbaarheid. En om voorschriften op het gebied van het geven van geschenken, het bereiden van voedsel, het vieren van feesten, het vereren van voorouders. In deze religie van de alledaagse werkelijkheid speelden vrouwen de belangrijkste rol.

Dat alles vinden we niet terug in het nieuwe domein van de intellectueel-institutionele religie. Dat is het domein van mannen en van "de God die overwon", van de staatsgod die geen andere goden naast zich duldt. En dat maakt meteen al duidelijk waar de oorsprong van dat domein ligt: in de komst van koninkrijken en staten. Van Schaik en Michel:
Met de komst van koninkrijken en staten ontstaat er een derde domein van goden met een politieke functie. Dat domein kent professionele priesters. In hun heiligdommen wordt steeds meer expertise opgebouwd. Met de komst van het schrift ontstaan er bundels met heilige teksten. Vaak fungeert de vorst als opperpriester voor de staatsgod. Omdat staatsvorming met centralisatie gepaard gaat, moet ook op religieus gebied elke vorm van tussenmacht verwijderd worden.
Ik moest wat Van Schaik en Michel daar verder over te melden hebben een poos tot me laten doordringen voor ik tot de conclusie kwam dat het ontstaan van die staatsgod twee ontstaansgronden gekend moet hebben.

De eerste is dat er voor dat nieuwe grootschalige publieke domein van omgang met vreemden nieuwe richtlijnen en voorschriften ("wetten") nodig waren. Vooral omdat grootschalige rampspoed moest worden voorkomen: epidemieën, mislukte oogsten, gewelddadige conflicten en verovering door naburige volken.

Dat alles was nieuw en kon worden begrepen als bestraffing van door een oppermachtige god. Die dus door goed gedrag gunstig gestemd moest worden. En de priesters en de opperpriester (de koning zelf) waren er om studie te maken van wat God wel en niet goedkeurde en om de uitkomsten daarvan in wetten vast te leggen. Dat werd de lijst van 613 geboden en verboden van de Thora.

Intellectueel ("rationeel") opgebouwd, zonder veel verband met bestaande intuïties. Vandaar de noodzaak van propaganda en indoctrinatie. De nieuwe regels moesten geïnternaliseerd worden. En dat verklaart de praktijk van de dagelijkse zelfhypnose, zoals Van Schaik en Michel dat noemen. Zoals in het Sjema Israël (de Joodse geloofsbelijdenis):
Luister Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.
Je zou kunnen zeggen dat deze eerste ontstaansgrond gelegen is in de maatschappelijke functie er van: bevordering van samenwerking, tegengaan van rampspoed. Het hele intellectuele en institutionele gebouw had zulke gunstige uitwerkingen dat het zich kon handhaven.

Maar tegelijk was er bij voortduring het thema van "het morrende volk". En dat moet wel wijzen op een tweede ontstaansgrond, die van de statushiërarchieën en de machtsconcentraties die door de overgang naar landbouw, eigendom en ongelijkheid de mensheidsgeschiedenis binnenkwamen. Anders gezegd, er was ook een seculiere ontwikkeling, die van overheersing en onderdrukking. Met een volk dat zich daarin schikte of in opstand kwam.

En in de instituties van de staatsgod lijken de religieuze en de wereldlijke ontwikkelingen hand in hand te gaan. De koning, het hoofd van de statushiërarchie is altijd beducht op interne en externe concurrenten. Die moeten worden uitgeschakeld. Dan helpt het als hij als opperpriester een speciale band met God kan claimen, ja, kan claimen zelf goddelijk te zijn.

Dat versterkt de noodzaak van het beeld van een oppermachtige god, die niemand naast zich duldt. En die niet alleen gehoorzaamheid eist, maar meer dan dat, oplegt dat het volk hem lief moet hebben.

Het zou wel eens kunnen zijn dat we hier in de mensheidsgeschiedenis de introductie zien van het sociale verschijnsel van de oppermachtige leider, ja, van de oppermachtige, narcistische leider. Die niet alleen overal tegenstanders ziet, maar die ook ten koste van alles uit de weg wil ruimen. En die elke associatie met gewone en dus minderwaardige schepsels zo onverdraaglijk vindt dat hij zichzelf wel een goddelijke status moet toe-eigenen.

Want aangenomen dat narcisten altijd hebben bestaan, is het te verwachten dat als er een keer statushiërarchieën bestaan ze er meer dan gemiddeld op uit zijn om aan de top daarvan terecht te komen.

Ze blijven ook in dat opzicht actueel, die verhalen van het Oude Testament. Ik denk maar even aan
Foute leiders vergeleken. Over narcisten aan en op weg naar de macht. En over Geert Wilders en Zijn narcisten goed in verwerven van leiderschap en slecht in uitoefenen daarvan?

maandag 10 oktober 2016

De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen

We hebben op dit blog al verschillende malen onderzoek voorbij zien komen dat licht werpt op de negatieve gezondheidseffecten van eenzaamheid en sociale stress. Omdat wij een fundamenteel sociale diersoort zijn, hebben we een vertrouwde en veilige en dus vanzelfsprekende sociale omgeving nodig om goed te gedijen en te floreren. Ook hebben we gezien dat een groot deel van de negatieve effecten van eenzaamheid en een onveilige sociale omgeving  verlopen via een verhoogde ontstekingsactiviteit. Zie Hoe meer gemeenschap en hoe minder statuscompetitie, hoe gezonder we zijn en hoe langer we leven voor het meest recente bericht.

Er is nu een fraai overzicht verschenen van al het onderzoek naar sociale omgeving en ontstekingsactiviteit: In Sickness and in Health: The Co-Regulation of Inflammation and Social Behavior, met Naomi Eisenberger, directeur van het Social and Affective Neuroscience Laboratory (UCLA)als eerste auteur.

Daarin gaat het zowel om de effecten van ontstekingen op sociaal gedrag en daarmee op iemands sociale omgeving als over de effecten van de sociale omgeving op ontstekingsactiviteit. Wat die laatstgenoemde effecten betreft, gaat het om onderzoek dat laat zien:
  1. dat gedurende de levensloop ervaren sociale stress (sociale afwijzing, echtscheiding ouders, negatieve en competitieve relaties met anderen, verlies van partner) de ontstekingsactiviteit verhoogt
  2. dat in het laboratorium opgeroepen stress (zoals abrupt moeten presteren voor een beoordelend publiek) de ontstekingsactiviteit verhoogt
  3. dat eenzaamheid en sociaal isolement samengaan met verhoogde ontstekingsactiviteit en met een verhoogde ontstekingsreactie op bedreigingen van het immuunsysteem.
En dat alles heeft dus die negatieve effecten op de gezondheid, dat wil zeggen dat de kans op ontstekingsgerelateerde ziektes toeneemt (arthritis, diabetes, obesitas, aderverkalking en sommige typen kanker).

De auteurs geven ook een mogelijke ultimate verklaring voor het bestaan van deze effecten. (Zie "Wij samen" maakt pro-socialer voor het verschil tussen een ultimate en en proximate verklaring.) Het zou namelijk kunnen zijn (en dit citeer ik maar even):
that, through neural-immune connections, the immune system may have evolved to ‘listen in’ to certain features of the social environment to anticipate what kinds of immune processes might be most needed and to redirect energy and resources to those critical needs (Cole, 2013,2014; Eisenberger and Cole, 2012). To the extent that a lack of social connection is a survival risk, leading individuals to be more vulnerable to attack (by predators and hostile conspecifics) and thus more prone to wounding and infection, the body may respond to these social stressors by upregulating proinflammatory activity.
Anders gezegd, ons immuunsysteem is in het verleden zo geëvolueerd dat het in staat is om veranderingen in onze sociale omgeving te signaleren en op mogelijke bedreigingen vooruit te lopen. Dat gevoel van sociale onveiligheid dat je ervaart als je eenzaam bent of in een competitieve omgeving verkeert, dat vertaalt zich in een alvast verhoogde ontstekingsactiviteit. Of andersom: die verhoogde ontstekingsactiviteit vertaalt zich in dat onveiligheidsgevoel.

zondag 9 oktober 2016

Zondagochtendmuziek - BWV 1065 - Concert voor vier klavecimbels in a klein - All of Bach

Op de prachtige website All of Bach van de
Nederlandse Bachvereniging kun je nu kijken en luisteren naar de uitvoering van het Concert voor vier klavecimbels in A klein BWV 1065. Volg de link:

BWV 1065 - Concert voor vier klavecimbels in a klein - All of Bach:
'via Blog this'

Bach bewerkte het Concert voor vier violen en orkest van Vivaldi. De toelichting op de website daarover:
Het was allicht een opwindende uitdaging om vier enkele sololijnen uit te breiden tot vier complete klavierpartijen voor twee handen, van vier naar tientallen snaren. Bachs extra noten vullen Vivaldi vaak aan, maar waar de begeleiding het toelaat zet hij ze graag in dialoog. Dit is zeer duidelijk in de laatste fase van het eerste deel, als herhaalde akkoorden in Bachs handen uitbarsten in een wirwar van melodische motiefjes. Het indrukwekkendst – en het meest trouw aan het origineel – is het tweede deel vol gebroken akkoorden, die omgezet van viool naar klavecimbel een ongelooflijke kracht en rijkdom krijgen.
Ongelooflijk mooi. En opbeurend.

vrijdag 7 oktober 2016

Is er nu echt, eindelijk, dan toch, het einde van het bezuinigingsbeleid in Europa?

Mijn eerste berichten over de bezuinigingszeepbel dateren van september 2011. Het leek toen al duidelijk dat de politici die gingen denken dat het een goed idee was om op de economische crisis te reageren met een bezuinigingsbeleid, zich niet baseerden op empirische evidentie, maar dat ze integendeel slachtoffer waren geworden van een sociale zeepbel.

Ze waren niet goed geïnformeerd en in plaats van daar wat aan te doen, gingen ze vooral bij elkaar te rade. En omdat sommigen, of omdat ze hun oor te luisteren hadden gelegd bij de verkeerde econoom (Alesina) of omdat ze de ideologie van de kleine overheid aanhingen, gingen roepen dat er nu bezuinigd moest worden, gingen anderen daarin mee. Misschien ook omdat het stoer was om "de broekriem" en het "huishoudboekje" er bij te halen en die stoerdoenerij leek het bij de kiezers wel goed te doen. Zie voor een poging tot historisch overzicht van dit hele sociale proces het bericht
Een economische (en sociale) calamiteit van historische omvang - de Schwäbische Hausfrau en de bezuinigingszeepbel.

Waarom dit nu nog eens naar voren gehaald? Omdat ik tussen toen en nu al verschillende keren heb gedacht dat die sociale zeepbel van het bezuinigingsbeleid al bezig was leeg te lopen. Want de aanwijzingen dat die politiek niet deugde, stapelden zich op. Toch werd het beleid maar voortgezet, met voortgaande stoerdoenerij in bewoordingen als "Er is geen alternatief".

Maar nu is het misschien toch een keer zo ver. In de eurozone is het Stability and Growth Pact, met zijn fixatie op overheidstekorten en zijn verbod op macro-economisch stimuleringsbeleid, een stille dood gestorven. Stil, want het mag niet hardop gezegd worden. Zie Peter Goodman daarover vandaag in de New York TimesEurope May Finally End Its Painful Embrace of Austerity.

En nu is er ook Jason Furman, hoofd van Obama's Council of Economic Advisors, die gehakt maakt van alle argumenten voor dat bezuinigingsbeleid (de "Old View of Fiscal Policy") en er de New View tegenover zet, die qua evidentie overduidelijk als overwinnaar uit de bus komt. En die, o ironie, teruggaat op het werk van Keynes. Zie The New View of Fiscal Policy and Its Application.

Ik citeer even de vijf inzichten waarmee Furman de New View samenvat:
The New View of fiscal policy largely reverses the four principles of the Old View—and adds a bonus one. In stylized form, the five principles of this view are: 
 1. Fiscal policy is often beneficial for effective countercyclical policy as a complement to monetary policy. 
 2. Discretionary fiscal stimulus can be very effective and in some circumstances can even crowd in private investment. To the degree that it leads to higher interest rates, that may be a plus, not a minus. 
 3. Fiscal space is larger than generally appreciated because stimulus may pay for itself or may have a lower cost than headline estimates would suggest; countries have more space today than in the past; and stimulus can be combined with longer-term consolidation.

4. More sustained stimulus, especially if it is in the form of effectively targeted investments that expand aggregate supply, may be desirable in many contexts. 
 5. There may be larger benefits to undertaking coordinated fiscal action across countries. 
Waarna hij elk van die vijf langsloopt en tussendoor laat zien dat er van dat bezuinigingsbeleid helemaal niets deugde.

In een aparte paragraaf behandelt hij de eurzone, de institutionele opzet er van en het op basis daarvan gevoerde beleid. Die begint met de fraaie en bondige zin:
The institutional structure of the euro area reflects the Old View of fiscal policy.
Daarmee is eigenlijk alles gezegd. En pijnlijk is zijn constatering dat de eurolanden er vanwege hun omvangrijkere automatic stabilizers (dan die van de Verenigde Staten) er eigenlijk beter voor hadden moeten staan dan de V.S. Maar dat dat voordeel meer dan teniet is gedaan door dat rampzalige bezuinigingsbeleid. (Automatic stabilizers zijn de werkloosheidsuitkeringen en anders regelingen in het kader van de sociale zekerheid die er voor zorgen dat de inkomens, en dus de consumptie, in tijden van recessie op peil blijven.)

dinsdag 4 oktober 2016

Een sociale werkomgeving waar mensen zich mee kunnen identificeren, draagt bij aan hun gezondheid

In de kapitalistische maatschappij waarin we verzeild zijn geraakt is betaald werk de belangrijkste bron van levensonderhoud. En meestal betekent dat dat we een groot deel van ons leven doorbrengen als werknemer in een arbeidsorganisatie.

Daarmee hebben we voor onszelf een historisch gezien nieuwe sociale omgeving gecreëerd: die van collega's, superieuren en ondergeschikten op het werk. En dat is een gemaakte sociale omgeving. De organisatie is uitgedacht, de taken en verantwoordelijkheden zijn geïnventariseerd en verdeeld en er zijn gezagsrelaties gevormd. Alles beschreven en vastgelegd in een organisatiestructuur en -hiërarchie en per werknemer een arbeidsovereenkomst.

Bevalt ons de sociale omgeving die voor ons klaar ligt als we werknemer worden? Over het algemeen niet. Want hoewel werk hebben ons beter bevalt dan werkloos zijn, verschaft ons de bezigheid van betaald werk een heel laag welzijn in vergelijking met vrijwel alle andere bezigheden (zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee).

Bovendien weten we dat de bezigheid van betaald werk gedoseerd moet worden, want langere werkweken blijken de kans op een beroerte en hartproblemen te vergroten. Dat kan er mee te maken hebben dat bij een langere werkweek de werkdruk hoog is en een hoge werkdruk vergroot de kans op een burn-out.

Maar we weten ook dat een goed sociaal klimaat en meer autonomie de kans op burn-out verkleinen. Dat suggereert dat minder statuscompetitie op het werk en minder hiërarchie kenmerken zijn van een gunstiger (want meer natuurlijke) sociale werkomgeving. Vandaar mijn eerdere pleidooi voor meer autonomie en dus minder hiërarchie in arbeidsorganisaties. En dat pleidooi is nodig, want volgens de cijfers van het CBS neemt de mate van zelfstandigheid op het werk alleen maar af.

Er is nu de nieuwe studie A Meta-Analytic Review of Social Identification and Health in Organizational Contexts, die licht werpt op het grote belang van een goed sociaal klimaat op het werk voor de gezondheid van werknemers. Het gaat om een meta-analyse van ruim 100 gepubliceerde en ongepubliceerde onderzoeksresultaten over het verband tussen de mate waarin mensen zich met hun team op het werk of met hun organisatie identificeren en hun gezondheid.

Die identificatie met het team of met de organisatie was vastgesteld met verschillende bekende lijstjes van uitspraken als "Als iemand kritiek heeft op mijn team/organisatie, dan voel ik dat als een persoonlijke belediging", "Als ik het over mijn team/organisatie heb, dan heb ik het meestal over 'wij" in plaats van 'zij'", "Het succes van mijn team/organisatie is mijn succes" en "Ik voel een sterke band met mijn collega's".

Hoe meer je het met zulke uitspraken eens bent, hoe gunstiger jouw sociale werkomgeving. Je werkt dan niet alleen vanwege de financiële prikkels, maar ook vanwege de sociale.

En het blijkt dat identificatie de binding met de organisatie vergroot, wat trouwens ook gunstig is voor de werkgever (zie Employees’ Organizational Identification and Affective Organizational Commitment: An Integrative Approach).

Maar wat uit dit onderzoek blijkt is dat identificatie ook goed is voor de psychische en fysieke gezondheid van de werknemer. Die ruim 100 onderzoeksresultaten tezamen genomen wijzen er op dat er een klein-tot-matig verband bestaat (r = .21). En dat zegt nogal wat als je bedenkt dat onze gezondheid daarnaast natuurlijk nog door allerlei andere zaken wordt beïnvloed.

Interessant is dat de onderzoekers ook vaststellen dat het verband sterker is als niet alleen jijzelf je met je team of je organisatie identificeert, maar als je collega's dat ook doen. Het functioneren in een groep of organisatie met een gedeelde identificatie werkt dus voor iedereen extra goed uit.

Kortom, hoewel de sociale omgeving op het werk qua opzet en inrichting flink afwijkt van onze natuurlijke sociale omgeving, is er een flinke variatie in hoe gunstig of ongunstig hij voor ons is. Een gunstige sociale omgeving, waar we ons prettig bij voelen en die zelfs iets bijdraagt aan onze psychische en fysieke gezondheid, blijkt wel degelijk mogelijk.

Blijft de vraag waarom we het blijven tolereren dat er nog zoveel werkomgevingen zijn met een te hoge werkdruk, te weinig autonomie en een slecht sociaal klimaat, die burn-outs in de hand werken en ons ziek maken. Bedenk nog even dat volgens de laatste cijfers die ik kon vinden 12,4 procent van de mensen met betaald werk in 2013 leed aan een burn-out.

zaterdag 1 oktober 2016

Is er een gen voor eenzaamheid? En over maatschappijvergelijking

Is er een gen voor eenzaamheid? Nee, dat lijkt niet het geval te zijn. Uit vorig onderzoek kwamen wel varianten van bepaalde genen als kandidaat naar voren, maar in nieuw onderzoek met een groot databestand (10.760 Amerikanen van 50 jaar en ouder) houdt geen van die mogelijke verbanden stand (Genome-Wide Association Study of Loneliness Demonstrates a Role for Common Variation). Zie ook de samenvatting van het onderzoek in ScienceDaily.

Ik was er benieuwd naar om welk gen of samenstel van genen het zou kunnen gaan en naar de associaties met andere gedragskenmerken. Toch geeft dit nieuwe onderzoek over dat laatste wel enig inzicht.

Want de onderzoekers konden een schatting maken van de overerfbaarheid van eenzaamheid. Eenzaamheid, niet als een tijdelijk fenomeen, maar als de kans op eenzaamheid gedurende de levensloop, blijkt voor 14 tot 27 procent genetisch bepaald.

Wat dat precies betekent, wordt iets duidelijker als je bedenkt dat er een gemeenschappelijke overerfbaarheid blijkt te zijn van eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressieve symptomen. Dat doet vermoeden dat een genetische "verklaring" voor eenzaamheid en een maatschappelijke verklaring niet los van elkaar staan.

Want het zou kunnen zijn dat je in een land als de Verenigde Staten behoorlijk emotioneel stabiel moet zijn (tegenovergestelde van neuroticisme), behoorlijk extravert en weinig depressief om niet eenzaam te worden. In andere landen of sociale omstandigheden zou dat anders kunnen zijn.

Denk (weer) even aan de Boliviaanse Tzimane, die misschien qua aanleg voor neuroticisme niet verschillen van Amerikanen, maar die in een sociale omgeving hun leven doorbrengen waarin die aanleg helemaal niet tot uiting kan komen. Zie (nog eens) het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Want Amerikanen (en wij Nederlanders) leven in een maatschappij waarin we bloot staan aan de uitdagingen van het vermijden van sociaal isolement en van het moeten meedoen aan de statuscompetitie. Wat onder meer inhoudt dat je je voortdurend beter en krachtiger en slimmer moet voordoen dan je bent. Dat wij met die uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben..

Dat is dus een sociale omgeving waarin het helpt, ja, noodzakelijk is, om emotioneel stabiel te zijn, om extravert te zijn en om niet last te hebben van een neiging tot depressiviteit.

Vergelijk dat met de uitdagingen waar de Tzimane mee te maken krijgen: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

Een sociale omgeving waar je, als je die uitdagingen voldoende aan kunt, als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd om wie je bent. Een sociaal veilige omgeving, waarin verschillen in de aanleg voor eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressie niet aan het licht komen.

Zo kom je van een onderzoek naar de genetische aanleg voor eenzaamheid zomaar terecht bij een sociaalwetenschappelijke maatschappijvergelijking.