woensdag 5 februari 2014

Waarom stimulering van de vraag misschien onvoldoende is om volledige werkgelegenheid te bereiken. En over Keynes

In het huidige politieke en economische mainstream denken is de omvang van de werkgelegenheid, en dus van de werkloosheid, een uitkomst van de omvang van de economische bedrijvigheid. Wat we als uiteindelijke doelen horen na te streven ligt op dat terrein van die bedrijvigheid, dus van de investeringen, de totale economische productie en van de economische groei.

Maar moet het streven naar volledige werkgelegenheid, dus naar een toestand waarin iedereen die wil werken een betaalde baan kan vinden, niet het hoogst geordende doel zijn? Daar valt wat voor te zeggen, dacht ik, toen ik Keynes’s Approach to Full Employment: Aggregate or Targeted Demand? (pdf) en Full Employment Through Social Entrepreneurship: The Nonprofit Model For Implementing a Job Guarantee (pdf), beide van de Amerikaanse econome Pavlina Tcherneva, gelezen had. Update. Zie voor meer toelichting ook: Reorienting Fiscal Policy: A Critical Assessment of Fiscal Fine-Tuning (pdf)..

Daarover zo meteen meer. Maar eerst terug naar die mainstream benadering. Eigenlijk valt die uiteen in een politieke en een economische mainstream.

De politieke is het denken dat op het ogenblik in de Europese politiek de dienst uitmaakt: de politieke mainstream dus. Dat is het denken achter het bezuinigingsbeleid. Zeg maar, het neoliberalisme. Om die bedrijvigheid, productie en economische groei op te stuwen is een kleine overheid nodig, zowel qua omvang als mate van ingrijpen in de markt, en bovendien moet die overheidsbegroting zoveel mogelijk in evenwicht zijn. De overheid heeft een ingebakken neiging tot verkwisting en daar moet een rem op worden gezet. Als we dat maar doen en de markt zoveel mogelijk vrij laten ("hervormingen"), dan wordt wat we potentieel kunnen produceren ook zoveel mogelijk geproduceerd. En daar hoort een niveau van werkgelegenheid bij dat maximaal bereikbaar is. Als dat een niveau is met werkloosheid, dan moeten we het daar mee doen.

Het is dit denken dat, afgezien van de allereerste fase in 2008, de politieke reactie op de financiële crisis heeft bepaald. En dat er voor heeft gezorgd dat die crisis aanzienlijk langer voortduurt dan nodig was geweest, met veel ellende en hoge werkloosheid. Tja, werkloosheid is nu eenmaal slechts een variabele in het marktmechanisme. Het is neoliberaal beleid, maar wat zegt die naam nog als ook sociaaldemocraten, in Nederland, Duitsland, Engeland en Frankrijk, zich er achter scharen? Het is helaas het politieke midden geworden.

Die economische mainstream bestaat uit die macro-economen die, voortbouwend op Keynes, pleiten voor het stimuleren van de vraag. Ze baseren zich op het inzicht dat door vraaguitval marktevenwichten mogelijk zijn met hoge werkloosheid. Dat kan het geval zijn als de spaarparadox is ingetreden en de rente dus heel laag is. Als daardoor monetair beleid maar weinig effect meer heeft, dan is macro-economisch gezien het aangewezen beleid om de totale vraag te stimuleren. Door meer overheidsuitgaven, ook als daardoor het tekort toeneemt. De ontstane kloof tussen de potentiële productie en de feitelijke productie moet worden gedicht en dat kan alleen de overheid.

Ja, het blijft merkwaardig dat de mainstream macro-economie door de politici wordt genegeerd. Maar zie daarover Zullen politici (en kiezers) ooit het verschil begrijpen tussen de overheidsbegroting en het huishoudboekje? en Politici zijn verbazend consistent: ze kiezen altijd het verkeerde beleid - Paul de Grauwe. En ja, dit is echt de hoofdstroming in de macro-economie. Zie daarover Simon Wren-Lewis, in dit bericht en in dit bericht.

Wat deze twee gemeen hebben is, volgens Tcherneva, dat ze voor wat de werkgelegenheid betreft teveel verwachten van de markt. Voor de eerste is de spontane werking van de markt maatgevend. De werkgelegenheid die daaruit voortkomt, ook al is die niet volledig, daar moeten we het maar mee doen. En de tweede denkt dat de markt volledige werkgelegenheid zal genereren als de overheid maar het juiste beleid voert om te zorgen voor voldoende vraag.

Als we de eerste sowieso niet willen, blijft de tweede over. Maar Tcherneva brengt daar tegenin dat ook die niet volledige werkgelegenheid kan verzekeren. En dat die gedachte juist ook bij Keynes te vinden is. Hoewel Keynes zeker van mening was dat het stimuleren van de vraag in een recessie goed is voor de werkgelegenheid, zou er voor het bereiken van volledige werkgelegenheid meer nodig zijn. Want het is maar de vraag tot welke extra banen die hogere vraag aanleiding geeft en hoeveel werklozen die banen kunnen bezetten. Er ontstaan dan verdelingsproblemen. Terwijl sommige lonen stijgen, zullen er werklozen blijven. Zo is ongeveer de redenering, als ik die goed begrijp.

En daarom moet Keynes niet alleen gepleit hebben voor stimulering van de totale vraag, wat hij ook deed, maar vooral voor stimulering van de effectieve vraag, dat wil dus zeggen, de vraag naar de arbeid van degenen die werkloos zijn. De werklozen moeten aan werk geholpen worden. Hoe? Door publieke werken, dus door de overheid gefinancierde projecten, die natuurlijk wel nuttige opbrengsten moeten hebben. Maar elke opbrengst die een aan het werk geholpen werkloze produceert, tegen een acceptabel loon, is welvaartswinst. En de overheid heeft tot taak die welvaartswinst tot stand te helpen brengen.

Zijn er dan wel genoeg nuttige projecten? Niet als je de markt als maatgevend beschouwt. Want dan had de markt immers wel voor die werkgelegenheid gezorgd. Maar er zijn natuurlijk goede redenen om de markt niet als maat te nemen. Ik citeer Tcherneva die Keynes citeert:
Keynes never believed that public employment schemes could not be executed in a well-devised manner. Could we not use more universities, more local schools, and recreation areas, more theaters, museums, and galleries, more cafes or dance halls, Keynes asked. But surely there are many other pressing needs that Britain can address: public works can increase housing, improve the transportation infrastructure, and “replan the environment of our daily life […] Not only shall we come to possess these excellent things, but […] we can hope to keep employment good for many years to come” (Keynes 1980: 270). This is the essence of a good policy; it is not only driven by the intellectual conviction that full employment is essential and achievable, but it is also designed with imagination and cleverness in creating projects that are beneficial to the community as a whole.
Dit roept natuurlijk nog allerlei vragen op, maar het zette mij wel aan het denken. Het zou best kunnen zijn dat we in ons kapitalistische economisch stelsel een grotere rol moeten geven aan de overheid bij het behalen van volledige werkgelegenheid dan "alleen" het zorgen voor voldoende vraag. Zodat voor de rest de markt er wel mee redt. Dat is misschien wel niet zo.

Ik dacht natuurlijk ook even aan die ontmoetingsplekken die zo hoog nodig zijn om eenzaamheid te voorkomen en die door de markt te beperkt tot stand komen. We zouden natuurlijk meer in het algemeen ons vaker moeten afvragen wat er allemaal in ons leven waardevol is en wat daarvan niet door de markt, dus commercieel, verschaft kan worden. Sociale welvaart dus.

dinsdag 4 februari 2014

Ontmoetingsplekken: wanneer kan zelforganisatie succesvol zijn? Over focal points

Kunnen we uit de voorbeelden van ontmoetingsplekken die op dit blog langskwamen, iets leren over de kans dat zulke plekken door zelforganisatie tot stand komen? Laten we een poging wagen.

Een behoorlijk zuiver voorbeeld van geslaagde zelforganisatie is de ontmoetingsplek die in de New Yorkse wijk Queens tot stand kwam. Zie Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie? Wat leren we daar van?

In de eerste plaats: er was al een plek die voor ontmoeting geschikt was, namelijk de MacDonald's op de hoek. Een commerciële voorziening dus, die daar om andere redenen was gevestigd dan om eenzaam wordende ouderen een plek te bieden om elkaar te treffen. Maar de aanwezigheid er van maakte de plek tot een soort focal point, een oplossing van een collectief probleem dat mensen geneigd zijn te kiezen zonder dat ze daarover kunnen of hoeven te communiceren. Laat staan dat er, van boven af, organisatie voor nodig is.

Hoe werkt dat dan? Stel, je dreigt thuis te vereenzamen. Dat is niet iets waarmee je te koop loopt. En je zult ook niet iemand op straat aanklampen met dat probleem en proberen om contact te maken. Maar je wilt wel eens je huis uit en onder de mensen. Dan is een horecagelegenheid in de buurt een geschikte bestemming. Je kunt anderen en jezelf voorhouden dat je er komt om een kop koffie te drinken. En je kunt in je achterhoofd hebben dat sommige anderen daar net zo achter een kop koffie zitten. Anderen die datzelfde in hun achterhoofd hebben. Dan kun je al gauw met elkaar aan de praat komen. Al was het maar door voor de hand liggende vragen als: Woon je hier in de buurt? Of: door banale constateringen als "dat het hier een geschikte plek is om een kop koffie te drinken".

Het grote voordeel daarvan is dat het niet over eenzaamheid hoeft te gaan. Je hebt elkaar getroffen en je weet dat er een kans is dat je elkaar de volgende dag, ongeveer om dezelfde tijd, weer treft. Daarbij kan helpen dat in dat geval van die MacDonald's je achter grote ramen zit, waardoor je van de weg zichtbaar bent en voorbijgangers zichtbaar zijn. Iemand die je eerder hebt getroffen en waarmee je een paar woorden hebt gewisseld, loopt langs en je steekt je hand op. Die ander komt binnen, voor een kop koffie. Maar vooral ook om het gesprek van de dag daarvoor voort te zetten.

Als je daar met zijn tweeën zit, komt er een derde langs die vaag bekend is. Er zijn blikken van herkenning en die derde denkt, kom, ik heb zin een kop koffie. En zo gaat dat verder en is er spontaan, door middel van zelforganisatie, een ontmoetingsplek ontstaan. Elke dag om ongeveer dezelfde tijd verzamelt zich een groepje in de MacDonald's, niet meer alleen voor de koffie, maar ook vooral om bij te praten. Het leven van een groep ouderen die dreigden te vereenzamen is binnen korte tijd totaal veranderd.

Heel anders liggen de zaken als zo'n focal point in de buurt ontbreekt. En dat zie je bij die ontmoetingsplekken in Oss en in Doetinchem. Daar zijn het een voormalig gymnastieklokaal en een ruimte in een seniorenflat die tot ontmoetingsplek zijn gemaakt. Maar dat heeft in beide gevallen heel wat voeten in de aarde gehad. Omdat beide plekken zeg maar gerust onzichtbaar waren. Spontaan gebeurt er dan weinig. Er moest een gedreven beroepskracht aan te pas komen, zoals in Oss. (Denk ook aan Evalien Verschuren, die van het CJG Beijum een ontmoetingsplek voor ouders maakte.) Of een groepje heel actieve vrijwilligers, zoals in Doetinchem. Dan wordt het organisatie, in plaats van zelforganisatie. En dat kan verklaren dat er veel minder ontmoetingsplekken zijn dan waar behoefte aan is.

Die voorwaarde van gemakkelijke communicatie en onderlinge zichtbaarheid lijkt dus in te houden dat de aanwezigheid van een focal point heel belangrijk is. Vandaar dat het zo goed zou zijn als horecagelegenheden veel meer over de wijken verspreid zouden zijn in plaats van geconcentreerd in de binnensteden.

maandag 3 februari 2014

Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening?

Vertrouwdheid zou wel eens de voorwaarde kunnen zijn geweest voor de ontwikkeling van ons vermogen tot pro-sociaal gedrag (altruïsme). In de literatuur over de mogelijke biologische mechanismen achter dat vermogen, gaat het vooral om verwantschapsaltruïsme en wederkerigheidsaltruïsme. Zie het bericht Draait alles om vertrouwdheid.

In dat bericht had ik al, laten we zeggen, aannemelijk gemaakt, dat verwantschapsaltruïsme uiteindelijk is terug te voeren op vertrouwdheid. Bij afwezigheid van een perfect vermogen tot verwantschapsherkenning is vertrouwdheid de beste benadering daarvan. Dat maakt dat vertrouwdheid gaat fungeren als een omstandigheid die pro-sociaal gedrag uitlokt.

Hoe dan? Waarschijnlijk doordat het gevoel van vertrouwdheid overlapt met gehechtheid. En het vermogen tot hechting aan vertrouwde anderen, samen met de neiging tot zorg, is onlosmakelijk verbonden met de evolutie van zoogdieren. Zie Caregiving: The Forgotten Element in Attachment (betaalpoort).

Maar hoe zit het met wederkerigheidsaltruïsme?

Volgens dat mechanisme zou pro-sociaal gedrag evolutionair levensvatbaar zijn als het vooral tussen altruïsten wordt uitgewisseld. De altruïsten bevorderen zo de eigen en elkaars overleving en procreatie en voorkomen dat ze door egoïsten worden uitgebuit.

Maar wat houdt dat mechanisme precies in? Je zou kunnen denken dat het niet alleen ultimaat om uitwisseling moet gaan, maar ook proximaat. Ik bedoel de gedachte dat het gepaard zou moeten gaan met het vermogen en de motivatie om in de omgang met anderen berekenend te zijn en dus steeds goed in de gaten te houden wat jij hebt gegeven en wat je hebt teruggekregen. Dat je dus voortdurend een mentale boekhouding bijhoudt.

Maar de vraag is of dat wel klopt. Is het niet net als bij dat verwantschapsaltruïsme veel meer zo dat vertrouwdheid een uitwisseling mogelijk maakt die niet berekenend is, maar voortkomt uit empathie en zorg om elkaars welzijn? Dat daar dan ook wel eens uitkomsten uit kunnen voortkomen die op evenwicht wijzen, dus laten zien dat iedereen ruwweg evenveel gegeven heeft dan ontvangen, kan op toeval berusten. En dat zou dan dus niet tot de conclusie moeten leiden dat de partijen berekenend hebben gehandeld.

Wat zijn de aanwijzingen voor de ene gedachte, die van berekening, en voor de andere, die van vertrouwdheid?

Het mooiste overzicht van die aanwijzingen vind je zonder twijfel in het inleidende hoofdstuk van het proefschrift You Scratch My Back and I Scratch Yours Versus Love Thy Neighbour. Two proximate mechanisms of reciprocal altruism van Rita Smaniotto.

Rita laat daar zien dat de aanwijzingen voor berekening (scorekeeping) niet sterk zijn, noch bij niet-menselijke primaten, noch bij jagers-verzamelaars. De studies naar jagers-verzamelaars, waarvan hoofdstuk 2 een overzicht geeft, laten veel meer zien dat het delen van voedsel er op gebaseerd is dat behoefte, het in nood verkeren, richtinggevend is voor wie geholpen wordt. Met nauwelijks een rol voor berekening.

Dat patroon is beter te verklaren met een op vertrouwdheid en gehechtheid gebaseerde motivatie om te zorgen. Bovendien wijzen computersimulaties (hoofdstuk 3; zie ook hier) er op dat een strategie die naar evenwicht streeft tussen wat je gegeven hebt en wat je terugkrijgt, het minder goed doet dan een strategie die berust op de motivatie om vertrouwde anderen te helpen. Berekening lijkt niet te lonen onder omstandigheden waarin je van elkaar afhankelijk bent in een risicovolle omgeving.

Daar komen aanwijzingen bij dat studies naar vriendschap uitwijzen dat berekenend gedrag tussen vrienden als onverenigbaar met vriendschap wordt beschouwd. Vriendschap is een waarde op zichzelf, niet instrumenteel voor iets anders. Dat wijst evenzeer op een uit vertrouwdheid voortkomende motivatie om de ander bij te staan en de relatie op zich in stand te houden. Geen berekening, maar bonding.

Zijn mensen dan niet tot berekenend gedrag in staat? Dat lijkt natuurlijk ook weer niet het geval. Want we staan niet geheel met lege handen als we tussen anderen verkeren met wie we niet vertrouwd zijn. In omgang met vreemden zijn we behoorlijk goed tot berekenend gedrag in staat. Maar dit vereist, als aanpassing aan de meer anonieme sociale omgeving van de hedendaagse maatschappij, meer cognitieve inspanning. Onze voorkeur lijkt uit te gaan naar relaties met anderen waarin we niet voortdurend op onze qui-vive hoeven te zijn.

Vandaar de grote weerstand tegen de opkomst van de marktmaatschappij in de loop van de meer recente geschiedenis. En de grote steun voor de verzorgingsstaat, die je kunt zien als een arrangement om op de grote schaal van de nationale staat toch nog iets van die op vertrouwdheid gebaseerde motivatie tot zorg voor elkaar in stand te houden.

zondag 2 februari 2014

Muziek voor de zondagochtend - Taraf de Haïdouks - "Romanian Folk Dances"

De Roemeense band Taraf de Haïdouks, wat "de band van de eerbiedige rovers" moet betekenen, speelde vrijdagavond in Rasa, Utrecht. Dat optreden, zie hier, heb ik helaas gemist. Hier is de toelichting uit het Rasa-programma:
Toen in 1990 het IJzeren Gordijn viel was Taraf de Haïdouks één van de eerste zigeunerorkesten die in West-Europa succes boekten. Een weergaloos optreden op het Womad Festival van 1991 was de opmaat voor twee decennia met succesvolle tournees en plaatopnames. Succes of niet, de bandleden wonen nog altijd in Clejani, een dorpje op het platteland van Roemenië. Muziek is voor de bandleden een familiebedrijf en inmiddels is de derde generatie aan muzikanten ingestapt. Deze twintigers kregen de typische Taraf-sound met de paplepel mee. Iedereen die Taraf de Haïdouks eerder zag spelen weet wat dat betekent. De groep wisselt eeuwenoude ballades af met razendsnelle dansmuziek vol met opzwepende Turkse ritmes. En altijd is er die doorleefde zang, zo typisch voor de muziek van de Roma. Het onverwoestbare Taraf de Haïdouks behoort nog altijd tot de beste zigeunergroepen van de wereld.
Waarom ik niet in Rasa was? Omdat ik de boekpresentatie bijwoonde van het boek van Govert Jan Bach over de Mattheus Passion van Johann Sebastian Bach in de Centrale Bibliotheek aan de Oude Gracht.

Maar nu ter compensatie aandacht voor Taraf de Haïdouks. Dit filmpje gaat over hun bewerking, terug naar de volksmuziek, van de Roemeense Volksdansen van Belá Bartók. Die dansen kwamen al eens langs in de zondagochtendmuziek, toen in de oorspronkelijke, klassieke, versie voor viool en piano. Zie Muziek voor de zondagochtend - Roemense volksdansen van Bartok.

donderdag 30 januari 2014

Ontmoetingsplekken door zelforganisatie? Hoe pessimistisch moet je zijn?

Wat valt er te zeggen over de kansen dat ontmoetingsplekken in buurten door zelforganisatie tot stand komen?

Om daar een antwoord op te vinden, liep ik de berichten op dit blog over zelforganisatie door. Laten we, sterk vereenvoudigend, zeggen dat voor succesvolle zelforganisatie aan twee voorwaarden moet zijn voldaan:
  1. De potentiële deelnemers aan de zelforganisatie moeten elkaar iets te bieden hebben. Ze moeten onderling afhankelijk zijn. Zoals die onderlinge afhankelijkheid van landbouwers of van vissers die samen landbouw- respectievelijk visgronden beheren. Denk aan het onderzoek van Elinor Ostrom. Uiteraard moeten ze die onderlinge afhankelijk ook beseffen en moeten ze inzicht hebben in wat dit voor hun gedrag betekent.
  2. De potentiële deelnemers moeten bovendien gemakkelijk met elkaar kunnen communiceren en hun gedrag moet zichtbaar zijn. Er moeten allerlei afspraken worden gemaakt, die ook nog eens van tijd tot tijd moeten worden bijgesteld. En het wel of niet nakomen van die afspraken, en de reacties van anderen daarop, moeten zoveel mogelijk voor iedereen zichtbaar zijn.
Bestaat die onderlinge afhankelijkheid er voor buurtbewoners die eenzaam zijn of dreigen dat te worden? Ja, natuurlijk, ze zijn sociaal van elkaar afhankelijk. Eenzaamheid hef je op door sociale contacten aan te gaan. Welnu, die liggen voor het oprapen, zou je zeggen.

Maar of mensen die onderlinge afhankelijkheid doorhebben, is maar de vraag. Want juist door die (dreiging van) eenzaamheid zijn mensen zich er maar weinig van bewust dat er in de straat en in de buurt ook nog anderen zouden kunnen wonen die ook eenzaam zijn. Ze komen elkaar niet tegen en kennen elkaar niet.

En dan komen we al meteen terecht bij die tweede voorwaarde, die van de gemakkelijke communicatie en onderlinge zichtbaarheid. Juist door die eenzaamheid is daar in de beginsituatie dus nooit aan voldaan. En dan zinkt je meteen de moed in de schoenen, want dat schiet dus niet op. Mensen zijn eenzaam, maar hebben daardoor niet door dat anderen in de nabijheid dat ook zijn en beseffen dus niet hun onderlinge afhankelijkheid.

Laten we zeggen dat dit de beginsituatie is. En dat die pessimistisch stemt. Maar laten we vervolgens kijken naar voorbeelden van succesvolle zelforganisatie en daaruit leren of wat meer optimisme gerechtvaardigd is. In volgende berichten daarover meer.

woensdag 29 januari 2014

Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie?

Zo nu en dan zijn er berichten (zie hier en hier) dat er in een buurt een ontmoetingsplek tot stand is gekomen. Waar mensen, vaak ouderen, die dreigen te vereenzamen, naar toe kunnen gaan om een praatje te maken, samen iets te doen en om contacten te leggen. Al was het maar om te voorkomen dat iemand pas na tien jaar dood in huis wordt aangetroffen. Zie nog eens de reportage Eenzaam in een dichtbevolkte stadswijk terug.

Het bestaan van zulke ontmoetingsplekken in de buurt, dicht bij huis, lijkt het beste antwoord op de om zich heen grijpende eenzaamheid die voor onze maatschappij zo kenmerkend is. Toch zijn zulke plekken niet standaard aanwezig. Een woonbuurt is heel vaak gewoon een buurt om in te wonen, niet om elkaar te ontmoeten.

Als je weet hoe zulke ontmoetingsplekken soms toch tot stand komen, dan denk je, het had ook net zo goed niet kunnen gebeuren. Een of enkele beroepskrachten en/of vrijwilligers hebben het voortouw genomen, er was een geschikte locatie en de gemeente heeft wat subsidie verstrekt. En dat brengt je op de gedachte dat er in veel buurten een nog onvervulde behoefte is aan een ontmoetingsplek. Wat te doen om op grotere schaal in die behoefte te voorzien?

Ik stelde me die vraag toen ik eerder vandaag dit bericht las in The New York Times. Het gaat over ouderen in de New Yorkse wijk Queens, allen met een Koreaanse achtergrond, die een MacDonald's op de hoek hebben uitgekozen als ontmoetingsplek. Ze zijn niet rijk, kunnen geen auto bekostigen of rijden niet meer. Ze zijn elkaar gaan treffen en maakten met elkaar kennis in de MacDonald's, voor hen op loopafstand. Ze zouden ook naar een lokaal ouderencentrum kunnen, maar dat is een paar kilometer verderop. Er is een busje dat hen daar heen kan rijden, maar daar voelen ze niet voor. Ze willen elkaar treffen op momenten dat het uitkomt. Niet als kinderen in een schoolbus op een vastgesteld tijdstip.

En zo werd de MacDonald's op de hoek hun tweede thuis. (Denk aan dat mooie boek van Ray Oldenburger, The Great Good Place: Cafes, Coffee Shops, Bookstores, Bars, Hair Salons, and Other Hangouts at the Heart of a Community. Een beter pleidooi voor ontmoetingsplekken is er niet.) De meesten kenden elkaar eerst niet. Maar ze werden aangetrokken door de nabijheid en de lage prijzen. En de grote ramen waardoor ze zichtbaar zijn en iedereen kunnen zien voorbijkomen. En ze bleven komen voor het samen zijn. "Zo houden we elkaar wat in de gaten", zegt een van hen. "Iedereen meldt zich hier minstens een keer per dag, en zo weten we dat ze O.K. zijn."

Je zou kunnen gaan denken dat de markt, de commercie, op deze manier ook heel goed kan voorzien in ontmoetingsplekken. Maar in Queens ontstonden wel problemen. Want de filiaalhouder van de MacDonald's was maar matig blij met die groep ouderen die met een kop koffie van een dollar en negen cent uren bleven hangen. Niet goed voor de omzet.

Toen kwamen er berichten dat de politie werd ingeschakeld om de ouderen uit de zaak te verwijderen. Wat leidde tot koppen in de kranten, zelfs tot in Seoul, Korea. Maar er werd uiteindelijk een compromis gevonden. Tijdens piekuren maakt het groepje plaats voor andere klanten.

Maar er is natuurlijk een probleem van andere orde met de marktoplossing voor het probleem. Want het is geen toeval dat in heel veel buurten geen horeca is om als ontmoetingsplek te dienen. Horecabedrijven hebben uit bedrijfseconomische redenen sterk de neiging om bij elkaar te kruipen, liefst in de binnensteden en de winkelstraten.

Dat is onderdeel van de grootscheepse concentratie van commerciële voorzieningen, die zich vooral de laatste halve eeuw heeft voltrokken. (Update. Zie nog eens Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid.) Economisch gezien profiteren voorzieningen die afhankelijk zijn van klanten van elkaars nabijheid. En dus kruipen ze het liefst bij elkaar. Daar is zelfs een economische wet voor opgesteld: Hotelling's Law, genoemd naar de bedenker er van, Harold Hotelling.

En als je als overheid die ontwikkeling zijn gang laat gaan, dan krijg je dus concentraties in de binnensteden en daarbuiten saaie woonbuurten waar mensen vereenzamen. Vandaar dat het zo toe te juichen is dat de gemeente Utrecht probeert om de daghoreca en de restaurants meer over de wijken te verspreiden. Update. Functiemenging heet dat.

Er ligt dus op het vlak van de behoefte aan ontmoetingsplekken wel degelijk een grote taak weggelegd voor de overheid.

En verder: als markt en overheid tekort schieten, dan rest altijd nog de mogelijkheid van zelforganisatie. En dat lukt soms.

dinsdag 28 januari 2014

Weer een ontmoetingsplek er bij

Na het bericht over een succesvolle ontmoetingsplek in het Brabantse Oss, is er nu een hartverwarmend verhaal over Doetinchem. Daar is in een voormalige school met weinig subsidie van de gemeente en met veel inzet van vrijwilligers een seniorenontmoetingsplek tot stand gekomen. Doordeweeks overdag geopend en in het weekend op zondagmiddag. En enkele avonden per week voor activiteiten. Zie het bericht Doorzettingsvermogen ouderen levert eigen ontmoetingsplek op van de nationale Coalitie Tegen Eenzaamheid. Het is er een drukte van belang.

Er is gewoon in het hele land heel veel vraag naar zulke ontmoetingsplekken. Niet alleen voor ouderen. Als iemand maar begint, dan melden zich wel vrijwilligers. Met weinig subsidie, zonder beroepskrachten en met veel zelforganisatie is er veel te bereiken. Want buurten horen ontmoetingsplekken te hebben, voor kinderen, voor volwassenen, voor ouderen. Een betere "eenzaamheidsinterventie" is er niet.

Politici zijn verbazend consistent: ze kiezen altijd het verkeerde beleid - Paul de Grauwe

Paul de Grauwe reageert vandaag op de bekering van de Franse president Hollande tot het volledig op de aanbodkant gerichte economische beleid. Zie Yes, it’s the economy, stupid, but is it demand or supply?

Hollande sluit zich aan bij de consensus onder de Europese politieke elite dat de huidige economische problemen moeten worden opgelost door hervormingen aan de aanbodkant. De arbeidsmarkt moet flexibeler, mensen moeten gemakkelijker kunnen worden ontslagen, de lonen moeten naar beneden en de concurrentie moet worden bevorderd.

Zijn zulke hervormingen dan niet wenselijk? Ja, sommige wel, maar dat waren ze ook al voorafgaand aan de crisis. Die crisis is er eerst en vooral door een tekortschietende vraag. Hoe kan het dat politici dat niet in de gaten hebben?

Dat is historisch te verklaren. Als je terugkijkt naar de naoorlogse geschiedenis, dan zie je dat politici consistent verkeerd reageerden op economische crises. Tot 1970 domineerde het Keynesiaanse model in het politiek-economische denken. Dat model was er door het beheersen van de vraagkant van de economie op gericht om een slecht en langdurig evenwicht van lage productie en hoge werkloosheid te voorkomen. Er was weinig aandacht voor de mogelijkheid dat ook de aanbodkant van de economie een oorzaak van problemen zou kunnen zijn. Verwacht werd dat het aanbod zich altijd wel aan de vraag zou aanpassen.

Maar toen kwamen de jaren 70. Het aanbod zakte in, bij gelijkblijvende prijzen. En dus zonder automatische correcties. Omdat politici de neiging hadden alles als een vraagprobleem te zien, gingen ze de vraag aanwakkeren. Maar dat creëerde onder die omstandigheden een loon-prijsspiraal en snel oplopende inflatie. Door dat foute beleid ontstond de onjuiste indruk dat al dat Keynesiaanse beleid van vraagbeheersing voor geen cent deugde.

Vanaf toen groeide de opvatting dat alle economische problemen die er zijn altijd te maken hebben met de aanbodkant. En dat de vraag zich altijd wel aanpast aan het aanbod. Stimulering van de vraag leidde toen tot inflatie en daaruit werd geconcludeerd dat stimulering van de vraag altijd, onder alle omstandigheden zal leidden tot inflatie.

Daar kwam een ideologische verschuiving bij. Die inhield dat markten het beste werken als je ze zoveel mogelijk vrij laat. Dus aan de aanbodkant zoveel mogelijk dereguleren, privatiseren en uitbesteden. En de macht van de vakbonden zien terug te dringen. Je komt dan vanzelf in het goede evenwicht terecht van hoge economische groei en lage werkloosheid.

Dit werd, aldus Paul de Grauwe, de officiële zienswijze in Europa, van de Europese Commissie en van de Europese Centrale Bank.

Maar toen kwam in 2008-09 de grote schok aan, ja, precies, de vraagkant. De private schulden waren torenhoog geworden en iedereen ging aflossen. En dus stortte de vraag in. Gedurende korte tijd werd dit ook gezien als wat het was: een vraagprobleem bij uitstek. Maar toen er werd gestimuleerd, begonnen de overheidstekorten op te lopen.

Dat hoort onder die omstandigheden ook de bedoeling te zijn. Maar toen:
something remarkable happened in Europe. Once it became clear that the debt overhang would not easily disappear and in fact triggered a sovereign debt crisis in the eurozone, economists and policy-makers started looking at the world through the spectacles of their supply-side models. As a result, eurozone policymakers shifted gears and started to interpret the shock as one arising from the supply side and applied the wrong medicine.
De bril van de aanbodkant werd opgezet. En daarmee werd dezelfde fout gemaakt als in de jaren 70, toen met de bril van de vraagkant naar een aanbodprobleem werd gekeken. En net zo als toen werd gekozen voor een beleid dat de problemen verergerde. In plaats van de problemen op te lossen. Er moest worden bezuinigd. En er moest worden hervormd. Daardoor ontstond de dubbele-dip recessie van 2012-2013.

Want het bleek dat de multiplier van overheidsuitgaven niet nul was, zoals in de jaren 70, maar hoger en zelfs hoger dan 1. Door minder uit te geven maakten overheden niet de weg vrij voor economische groei, nee, integendeel, die zakte nog verder in. De problemen aan de vraagkant werden er door verergerd. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) is dat ook gaan inzien. Tot nu toe ontbreken aanwijzingen voor dat inzicht bij de Europese Commissie. (Wel met uitzondering van Laszlo Andor, hoort daaraan te worden toegevoegd.)

Het is al met al een droevig geheel. Paul de Grauwe:
Five years after the negative demand shock of 2008-09, policy-makers continue to misdiagnose the nature of that shock. Now the French President François Hollande has joined the crowd of European policy-makers who strongly believe that supply-side measures are all that matters in Europe and that such measures will automatically lead to solving an insufficiency of demand. This is a surprising change of strategy especially now that, for at least one year, the rate of inflation in Europe, and especially in the eurozone, is declining continuously. In early 2014, it reached 0.8%. If the shock had come from the supply side, one would have observed an increase in inflation, very much like in the 1970s when the European and American economies were hit by a negative supply shock. (...)
European policy-makers are determined to cure a demand-side problem by focusing exclusively on supply-side medicine
Blijft de vraag hoe het toch mogelijk is dat een hele politiek-economische elite zo consistent verkeerd reageert op economische crises. Terwijl de kennis en inzichten voor een juiste reactie al die tijd aanwezig zijn. Waarom dringen die inzichten niet door tot de plaatsen waar ze nodig zijn? Anders gezegd: waarom schermt die elite zich van cruciale informatie af? Je zou gaan denken dat we door een sekte geregeerd worden.
 Update 31-01-2014. Zie ook nog eens terug Het Centraal Planbureau geeft de politici een lesje van nu bijna een jaar geleden.

maandag 27 januari 2014

Draait alles om vertrouwdheid?

Stilstaand bij de sociale voorwaarden voor gezondheid en pro-sociaal gedrag kun je op het idee komen dat alles draait om vertrouwdheid. Om het wel of niet voldoende omgang hebben met vertrouwde anderen. Dus met anderen met wie je een gezamenlijke geschiedenis hebt. Een gemeenschapskring. Als die er onvoldoende is, dan is eenzaamheid en/of statuscompetitie altijd dichtbij. Ongunstig voor pro-sociaal gedrag en, vanwege de stress, slecht voor welzijn en gezondheid.

Een andere keer meer over vertrouwdheid en gezondheid. Nu, in dit bericht en waarschijnlijk in enkele vervolgberichten, iets over vertrouwdheid en pro-sociaal gedrag.

We weten al dat pro-sociaal gedrag gemakkelijk tot stand komt tussen mensen die elkaar vertrouwd zijn. Zie het bericht Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever. Het deel uitmaken van zo'n gemeenschapskring zegt meer over hoe pro-sociaal iemand zich gedraagt dan informatie over de eigenschappen van die persoon. De gelegenheid maakt pro-sociaal.

Maar het is waarschijnlijk meer dan de gelegenheid. Als je bedenkt dat het met mensen, maar waarschijnlijk met zoogdieren in het algemeen, altijd twee kanten op kan, die van gemeenschap of statuscompetitie, dan dan zie je dat het voor pro-sociaal gedrag altijd nodig is om de statuscompetitie te onderdrukken. En die vertrouwdheid zou wel eens het eerste en betrouwbaarste signaal kunnen zijn dat statuscompetitie niet nodig is. Vertrouwdheid is geruststelling. Een signaal dat het niet het moment is voor vechten of vluchten of voor onderdrukking of onderdanigheid, maar voor tolerantie, welwillendheid en zelfs zo nodig goedgeefsheid.

Dat zou geheel overeenkomen met de analyse die Stephanie Preston en Frans de Waal gaven (pdf) van de ultimate en proximate oorzaken van empathie, het vermogen je in de ander in te leven en daardoor pro-sociaal te kunnen reageren op iemands noden. (Die ultimate oorzaak slaat op die oorzaken waardoor een bepaalde vaardigheid in de evolutionaire ontwikkeling van een soort is ontstaan. Terwijl de proximate oorzaak verwijst naar de omstandigheden in de omgeving waardoor die vaardigheid ook in gedrag wordt omgezet.)

 In die analyse van Preston en De Waal is een prominente rol voor vertrouwdheid weggelegd. De aanwijzingen zijn legio dat de neiging tot empathie sterk wordt aangewakkerd als de ander een vertrouwd iemand is. Of als de ander sterk met ons overeenkomt, wat we kennelijk zien als een aanwijzing voor vertrouwdheid. En we weten dat de activiteit van spiegelneuronen, waar empathie op berust, met vertrouwdheid samenhangt. Zie Empathie en de grenzen van het zelf: het belang van vertrouwdheid.

Dat zou dus kunnen betekenen dat groepsleven, het in groepen van onderlinge vertrouwdheid gaan samenleven, de vonk is geweest (de ultimate oorzaak) die de ontwikkeling van pro-sociaal gedrag in de evolutie in gang heeft gezet.

En dat is opmerkelijk. Want de twee oorzakelijke mechanismen die tot nu toe in de biologie naar voren zijn geschoven als mogelijke verklaringen voor pro-sociaal gedrag (of altruïsme) maken van vertrouwdheid weinig melding. Het gaat dan om verwantschapsaltruïsme en wederkerigheidsaltruïsme. Er is nog een derde, groepsselectie, maar die reken ik even tot het wederkerigheidsaltruïsme.
  • Verwantschapsaltruïsme stelt als verklaring dat het pro-sociale gedrag gericht is op anderen waarmee genen gedeeld worden, dus op genetisch verwanten. Daarmee wordt dus ook de verspreiding van de genen bevorderd die ten grondslag liggen aan dat pro-sociale gedrag. En inderdaad, zo kan pro-sociaal gedrag zich evolutionair in stand houden, maar dan moet het wel op verwanten gericht zijn.
  • Wederkerigheidsaltruïsme zou ook zonder de gerichtheid op verwanten kunnen bestaan, als het pro-sociale gedrag steeds tussen dezelfde personen wordt uitgewisseld. Dat elkaar bij staan bevordert ieders overleving en reproductie en het voorkomt uitbuiting door egoïstische anderen. Bij groepsselectie komt daar nog bij dat groepen onderling concurreren en dat groepen met meer onderling pro-sociaal gedrag beter zouden overleven dan groepen met minder.
 Maar zit vertrouwdheid niet eigenlijk besloten in deze mechanismen van verwantschap en wederkerigheid? Ja, dat lijkt wel degelijk zo te zijn.

Neem nu die verwantschap. Want hoewel mensen tegenwoordig in staat zijn tot het uitvoeren van een DNA-test, heeft de evolutie natuurlijk nooit gezorgd voor een perfect vermogen tot verwantschapsherkenning. En daarmee is in feite vertrouwdheid de beste benadering. Terwijl het (ultimaat) om verwantschap draait, is het (proximaat) de vertrouwdheid die het gedrag stuurt. Denk nog eens aan Over de kracht van vertrouwdheid en hechting, over die twee Japanse stellen die te horen krijgen (in de film Like father, like son) dat hun zesjarige zoontjes kort na de geboorte in het ziekenhuis zijn verwisseld.

Dat vertrouwdheid, ook bij dieren, inderdaad fungeert als benadering van verwantschap, blijkt uit de studie Pro-social behavior in rats is modulated by social experience. Onderzoekers gaven ratten de mogelijkheid om een in een buisje opgesloten soortgenoot te bevrijden. Die die benarde positie duidelijk niet waardeerde. En ze leerden hoe dat buisje open te maken.

Maar deden ze dat in alle gevallen waarin een soortgenoot was opgesloten? Als de soortgenoot iemand uit  de eigen kooi was, met hoge onderlinge verwantschap en vertrouwdheid, ja, dan werd die meteen bevrijd. Maar ook een vreemde soortgenoot werd bevrijd, dat wil zeggen, als die van hetzelfde ras was, dus in die zin een vertrouwde was. Dat gold niet voor een soortgenoot van een ander ras, die er anders uitzag en dus in die zin minder vertrouwd.

Zijn ratten dan racistisch? Nee, want het blijkt te gaan om vertrouwdheid. Als ze van te voren een poosje met een rat van een ander ras hadden samengewoond, dan werd die andere rat ook bevrijd. En: in dat geval werden zelfs ook andere ratten van dat andere ras uit hun benarde positie geholpen. Vertrouwdheid met een lid van dat andere ras was voldoende voor welwillendheid tegenover alle andere leden.

En uiteindelijk bleek dat vertrouwdheid zelfs domineerde over ras. Een rat die was grootgebracht (geadopteerd) in een groep van een ander ras, bevrijdde wel de leden van dat andere ras en niet die van het eigen ras.

Kortom, net zo als bij mensen blijkt het te gaan om met wie je contact hebt gehad en met wie je vertrouwd bent. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Tenslotte: wederkerigheid als verklaring voor pro-sociaal gedrag lijkt evenzeer gewoon te berusten op wederzijdse vertrouwdheid. Zie daarover eigen werk, namelijk: Reciprocal Altruism under Conditions of Partner Selection. Meer daarover een volgende keer.

zondag 26 januari 2014

Muziek voor de zondagochtend - Purcell: The Fairy Queen ~ Orquestral suites | Jordi Savall & Le Concert...

Gisteren in de Matinee Jordi Savall met zijn Le Concert des Nations. Ze besloten met deze suite uit The Fairy Queen van Purcell. Gisteren in een volgepakt Concertgebouw.