zondag 30 november 2014

Eerst was er de staat, toen het geld en de markt. En dat primaat van de overheid is ook nu nog essentieel

Onze huidige economische crisis is niet een noodlot dat ons treft, maar de uitkomst van slecht economisch beleid. Doordat een groot deel van de private sector bezig is schulden af te lossen, is er een probleem van een tekortschietende vraag.

Tekortschietend in de zin van niet tegemoetkomend aan de bestaande productiecapaciteit. Er zijn veel mensen die zouden willen werken of meer uren zouden willen werken. Denk maar even aan het drama van de hoge (jeugd-)werkloosheid in landen als Griekenland, Italië en Spanje. Maar ook in andere Europese landen is er bepaald geen volledige werkgelegenheid. Veel fysiek kapitaal ligt ongebruikt en er wordt niet geïnvesteerd. Hoewel er geld genoeg is. Alleen: niet bij de mensen die het graag zouden uitgeven, maar bij de kapitaalverschaffers die liever veilige staatsobligaties kopen dan dat ze het productief investeren. Logisch, wie wil geld steken in producten die niet zullen worden verkocht?

Die tekortschietende vraag veroorzaakt dus economische stagnatie, deflatie of een te lage inflatie. Maar dat is helemaal niet nodig. In de huidige omstandigheden is stagnatie een beleidskeuze. En een foute keuze. Want waarom zouden we die ongebruikte productiecapaciteit ongebruikt moeten laten? Daarvoor is geen zinnig economisch argument.

Beleid dat de stagnatie doorbreekt, kan globaal worden aangeduid met het trefwoord helikoptergeld. Zie voor een mooie analyse The Simple Analytics of Helicopter Money: Why It Works – Always van Willem Buiter van Citygroup (zoon van Harm Buiter, oud-burgemeester van Groningen, en bekend van zijn slecht afgelopen affaire met Heleen Mees, maar dat geheel terzijde). Je kunt de vraag aanwakkeren, door bij iedereen die bezig is schulden af te lossen geld op de bankrekening over te maken.

De Centrale Bank kan dat geld bijdrukken of de overheid kan het op de kapitaalmarkt lenen, op het ogenblik tegen een rente van bijna nul procent. Maar een variant van helikoptergeld is dat je als overheid dat gedrukte of geleende geld gebruikt voor investeringen in infrastructuur of andere publieke goederen. Als je er maar voor zorgt dat er meer geld onder de mensen komt. Afhankelijk van hoe dringend zulke investeringen zijn, is die variant beter dan gewoon het geld op bankrekeningen overmaken.

Hoe dan ook, omdat ons geld fiat geld is, kan een tekortschietende vraag als gevolg van te weinig geld in omloop (liquiditeit) nooit een reden zijn om stagnatie te laten voortbestaan en passief te gaan zitten wachten op betere tijden. In geen geval zou een obsessie met begrotingsevenwicht, zoals die nu in Europa heerst, in de weg behoren te staan.

Dit alles overdacht ik toen ik bezig was Debt. The First 5,000 Years van David Graeber te herlezen. Zie ook Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber. Graeber heeft in dat boek met veel succes een vergeten theorie over het ontstaan van geld en van de markt, het Chartalisme, opnieuw onder de aandacht gebracht. Volgens die theorie was de uitvinding van geld niet een spontane oplossing voor het probleem van de inefficiëntie van ruilhandel, maar een middel van staten om economische activiteit te bevorderen en belastingen te heffen. Volgens die theorie was er dus niet eerst een markt in de vorm van ruilhandel en kwam toen het geld. Integendeel, eerst was er de staat (vorstendommen) en toen kwam het geld.

Hoe ging dat in zijn werk en waarom is dat ook nu nog interessant? Graeber maakt aannemelijk dat vorstendommen zich de controle over goud- en zilvermijnen toe-eigenden, om met de munten een probleem op te lossen dat ontstond als ze oorlog wilden of moesten voeren. Want hoe breng je een leger soldaten op de been en hoe voorzie je die van voedsel, kleding, onderdak en materieel? Je kunt ze laten plunderen, maar dat is niet goed voor je relatie met het volk.

Daarom is het beter om je soldaten met die munten te betalen. Daar hebben ze op zich niets aan, behalve als je tegelijk belasting oplegt aan je onderdanen, te betalen met precies die munten. Want dat geeft de hele bevolking een prikkel om die soldaten van alles te voorzien wat ze nodig hebben, uiteraard in ruil voor munten. In de woorden van Graeber (p. 49-50):
if one simply hands out coins to the soldiers and then demands that every family in the kingdom was obliged to pay one of those coins back to you, one would, in one blow, turn one's entire national economy into a vast machine for the provisioning of soldiers, since now every family, in order to get their hands on the coins, must find some way to contribute to the general effort to provide soldiers with things they want. Markets are brought into existence as a side effect.
Dit is een wat gestileerd verhaal van hoe het in werkelijkheid zal zijn gegaan. Maar de portee is duidelijk: hoewel er nog geen helikopters waren, was er al wel helikoptergeld. En met de munten die iedereen meer wist te verwerven dan er nodig waren om de belastingen te betalen, ontstond, zonder dat het zo bedoeld was, een markt voor goederen en diensten. Eerst was er het geld, toen kwam de markt. Omdat met dat geld de vraag naar goederen en diensten werd gestimuleerd.

Overgeheveld naar het heden: We hebben nu wel een markt, maar een markt die stagneert. En er is een duidelijke parallel: net zo als de vorst toen de markt in het leven riep door geld te verdelen, kunnen we nu de stagnatie opheffen door datzelfde te doen. Door "de economie te stimuleren".

Alleen hoeven we dat nu natuurlijk niet te doen door oorlog te gaan voeren. (Zoals we wel deden toen we de Tweede Wereldoorlog ingingen en daarmee een einde maakten aan de Grote Depressie van de jaren 30 van de vorige eeuw.) Er zijn gelukkig vreedzamere en productievere manieren.

En heel langzaam, veel te langzaam, lijkt dat tot de Europese politici door te dringen. De overheid was lang geleden niet alleen essentieel om het geld en de markt in het leven te roepen, hij is nu ook essentieel om de markt in een recessie aan de praat te houden.

donderdag 27 november 2014

Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber

Een korte notitie naar aanleiding van David Graeber, Debt. The First 5,000 Years, dat ik aan het herlezen ben. Zie eerder het bericht Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber.

Graeber weerlegt in dat boek de gedachte dat de uitvinding van het geld een oplossing was voor het probleem van de inefficiëntie van ruil-in-natura (barter). Die gedachte is een hardnekkige mythe, die in veel economiehandboeken gedachteloos wordt opgevoerd.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar er hangt nogal wat mee samen. Want onderdeel van die mythe is een bepaalde visie op de "oertoestand" van de mensheid. En dus op wat het betekent om mens te zijn. Die oertoestand zou namelijk een samenleving zijn die geheel is gebaseerd op het voor-wat, hoort-wat principe. Mensen doen alleen wat voor elkaar als er genoeg tegenover staat. Eigenbelang staat voorop.

Is er op die basis wel een vreedzame maatschappij mogelijk? Ja zeker, want volgens diezelfde mythe is dat de marktmaatschappij. De marktmaatschappij is de vervulling van wat mensen kunnen en willen. Hij komt volop tegemoet aan onze ideeën over welke verantwoordelijkheden mensen tegenover elkaar hebben.

Graeber noemt Nietzsche en Smith als uitgesproken aanhangers van deze mythe. Maar wat die twee in feite doen, is dat ze de burgermansmoraal van de achttiende en negentiende eeuw katapulteren naar de gehele mensheidsgeschiedenis. (Ik vind overigens Smith nogal wat interessanter dan Nietzsche.)

Uiteraard weten we dat dat van geen kant klopt. De menselijke morele intuïties hebben zich ontwikkeld in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars sterk van elkaar afhankelijk waren. En doorhadden dat samenwerking en onderlinge hulpverlening cruciaal waren voor hun overleving. Graeber noemt dit het baseline communism. Niet de burgermansmoraal, maar het "van ieder naar zijn vermogens en voor ieder naar zijn behoeften", domineerde de oertoestand van de mensheid. Vergelijk mijn Paleo Sociale Omgeving, als bron van onze morele intuïties.

Een andere keer meer hierover, maar nu de notitie dat dit meer is dan alleen een intellectueel of wetenschappelijk twistpunt. Want het lijkt me politiek-maatschappelijk uiterst actueel. Veel van het huidige, zeg maar, neoliberale denken lijkt namelijk precies dat te zijn, een maatschappijvisie geheel gebaseerd op die burgermansmoraal van Nietzsche en Smith.

Mensen komen alleen maar tot iets goeds als we ze via het marktmechanisme laten concurreren. Want het eigenbelang overheerst altijd. De overheid is nodig, maar die moet je vooral niet zien als een middel om onderlinge solidariteit te organiseren. Want die solidariteit is een hersenschim. Waardoor overheden altijd het gevaar lopen een middel te worden voor sommigen om op kosten van anderen te leven. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar.

Het is niet alleen een sombere, maar vooral ook werkelijkheidsvreemde visie op wat mensen zouden kunnen en willen. Maar later dus meer.

dinsdag 25 november 2014

In Europa opnieuw een stap in richting van het gezonde verstand?

In Europa zijn nu al jaren de radicalen aan de macht. De rechtse radicalen welteverstaan. Die er van overtuigd zijn dat alles goed komt als de overheidsbegrotingen maar op orde zijn. Als dat zo is, dan zullen ons de zegeningen van de vrije markt als vanzelf in de schoot vallen. Vandaar dat de bezuinigingszeepbel kon ontstaan. Het is een extremistische opvatting, niet gesteund door de empirie, noch door het vak economie, en voortkomend uit een fantasiewereld.

Er is nu vandaag weer een stapje gezet terug naar het gezonde verstand. Het Europese Parlement (EP) heeft met grote meerderheid een resolutie aangenomen, op initiatief van de sociaal-democraten, die er voor pleit dat sociale en werkgelegenheidscriteria hetzelfde gewicht moeten hebben als de budgettaire criteria. Zie het Vlaamse lid van het EP, Kathleen van Brempt, daarover.

Het EP is dus van mening dat lidstaten niet alleen verantwoording moeten afleggen over hun begroting en hun schuldgraad, maar evenzeer en met hetzelfde gewicht over armoede, werkloosheid, inkomensongelijkheid of gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Dat is zoals ik eerder meldde inderdaad een stap terug naar het gezonde verstand van beleid dat ooit georiënteerd was op onomstreden economische doelstellingen als duurzame economische groei, volledige werkgelegenheid, een stabiel prijspeil, een evenwichtige betalingsbalans en een rechtvaardige inkomensverdeling. Zie nog eens Komt het gezonde verstand terug in het Europese economische beleid? En over Thomas Fazi.

Deze stap komt bovenop die van de vorige Europese Commissie, die op initiatief van László Andor, er voor pleitte om de sociale dimensie te versterken door vijf indicatoren voor het economische beleid te gaan monitoren: armoede, ongelijkheid, huishoudinkomens, werkloosheid en jeugdwerkloosheid. Ik veronderstel dat de nieuwe Europese Commissie, onder leiding van Juncker, hier werk van gaat maken.

Velen zich zullen in de toekomst verbazen over die merkwaardige, Tea Party-achtige golf van marktfundamentalisme die de afgelopen jaren Europa heeft kunnen beheersen. En over de economische en sociale rampen die daardoor zijn aangericht.

Een hogere status verandert je stem - En anderen horen dat (En over Ivo Opstelten en Margaret Thatcher)

Naast gemeenschapsgedrag beheersen we statuscompetitiegedrag als een natuurlijk patroon, waar we meestal niet bewust bij stilstaan. We pikken de bijpassende omgevingssignalen op en gedragen ons daarnaar zonder dat in de gaten te hoeven hebben. Zo blijkt dat je anders gaat praten als je in een hogere statuspositie terecht komt. En dat is merkbaar voor anderen. Zie de studie The Sound of Power: Conveying and Detecting Hierarchical Rank Through Voice (betaalpoort).

De onderzoekers namen van proefpersonen het stemgeluid op en analyseerden dat op toonhoogte en toonhoogtevariatie, volume en volumevariatie en resonantie en resonantievariatie. Dat deden ze met de Praat software. Vervolgens lieten ze hen een tekst voorlezen die diende ter introductie van een onderhandeling, waarbij ze van te voren in een hoge of een lage statuspositie waren gebracht. Dat deden ze door hen te vertellen dat ze een sterke onderhandelingspositie hadden of dat ze een hoge statuspositie in een bedrijf innamen of door hen te vragen zich een ervaring te herinneren waarin ze macht konden uitoefenen.

Het bleek toen dat degenen met een hogere status met een hogere toonhoogte, met meer variatie in de toonhoogte en met meer variatie in het volume spraken dan degenen met lagere status. Waarbij gecontroleerd werd voor de kenmerken van het "normale", het eerder opgenomen, stemgeluid.

Het effect van een hoge of een lage statuspositie was dus meetbaar. Maar zou het ook voor anderen merkbaar zijn?

Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Beoordelaars luisterden de opnames af en moesten het stemgeluid blind (dus zonder voorkennis) beoordelen op 12 indicatoren van hoge of lage statuspositie. Zoals bijvoorbeeld "Hoe waarschijnlijk is het dat deze persoon in een positie verkeert dat hij/zij anderen kan belonen?" of "Denk je dat deze persoon zich gemakkelijk door anderen laat beïnvloeden?" En daar kwam uit dat de beoordelaars de sprekers met een hoge status goed wisten te onderscheiden van de sprekers met een lage status.

Aan welke stemkenmerken herkenden ze de hoge status? Aan de hogere toonhoogte en aan de grotere variatie in volume. Dus aan twee van de drie kenmerken van het stemgeluid van degenen met een hogere status. Daarnaast gingen de beoordelaars af op een hoger volume. Ook harder praten werd dus gezien als een teken voor hogere status. Het kan zijn dat de grotere variatie in volume van de personen met hoge status door de beoordelaars vooral is waargenomen als een hoger volume.

Het is misschien contra-intuïtief dat hogere status samengaat met een hogere toonhoogte in plaats van een lagere. Dat kan er aan liggen dat we juist een lage toonhoogte (barse stem) associëren met een dominante persoonlijkheid. Die we weer associëren met een hoge status. Maar in dit onderzoek ging het niet om persoonlijkheid, maar om het effect van het in een hoge status terechtkomen op het stemgeluid.

Denk even aan onze minister Opstelten, die een dominante persoonlijkheid lijkt te zijn en die we op televisie eigenlijk altijd meemaken in een hoge statuspositie. Wat er met zijn stemgeluid zou gebeuren als we zijn statuspositie zouden kunnen manipuleren, dat weten we niet. Maar als we hem succesvol in een lage positie zouden kunnen doen belanden, dan zou zijn toonhoogte dus nog lager moeten zijn dan hij nu al is.

De onderzoekers illustreren hun betoog met een aardige verwijzing naar de intensieve stemlessen die Margaret Thatcher nam toen ze premier werd. Ze nam die lessen omdat ze krachtiger wilde overkomen. Vergelijking van haar stem voor en na die lessen wijst uit dat haar toonhoogte en de variatie in volume en resonantie toenamen. Zie ook dit YouTube-filmpje.

zondag 23 november 2014

Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog

Het heeft al veel aandacht gehad, het onderzoek dat er op wijst dat er in de bankensector een cultuur van bedrog is ontstaan en dat de vele fraudeschandalen door die cultuur in de hand zijn gewerkt. Het gaat om de studie Business culture and dishonesty in the banking industry (betaalpoort), met o.a. Ernst Fehr als onderzoeker. Zie als voorbeeld voor die aandacht dit artikeltje in Trouw (met dank aan Joop Böhm).

Het onderzoek is belangrijk omdat het handen en voeten geeft aan een vermoeden dat wijdverbreid is, namelijk dat in de financiële sector fraude en bedrog tot het normale gedrag is gaan behoren. Kennelijk heeft dat gedrag daar iets vanzelfsprekends gekregen, waardoor je inderdaad van een cultuur kunt spreken.

Hoe hebben de onderzoekers dat aangetoond? Als het echt om een cultuur in de sector zelf gaat, dus een cultuur die heerst op de werkvloer, dan zou je verwachten dat de bankwerknemers oneerlijker zijn in hun rol van bankier dan wanneer ze gewoon als persoon worden aangesproken. En precies dat hebben de onderzoekers aangetoond.

Ze wisten een groep werknemers uit de bankensector zover te krijgen om aan een onderzoek mee te doen. Die werden willekeurig verdeeld over twee experimentele condities. De ene groep kreeg de "experimentele manipulatie" toegediend. Dit hield in dat ze een aantal vragen over hun werk moesten beantwoorden, zoals "Bij welke bank werkt u?" en "Welke functie heeft u daar?" De andere groep moest vragen beantwoorden als "Hoeveel uren per dag kijkt u televisie?"

Na nog een aantal vragen, waarover straks meer, moesten ze tien maal een munt opgooien, waarbij ze van te voren wisten dat het aantal keren kruis of het aantal keren munt hen een financiële beloning op kon leveren, die tot 20 dollar kon oplopen. Het opgooien van die munt gebeurde geheel privé. Niemand anders dan zijzelf kon de resultaten zien. Na afloop rapporteerden ze zelf hoeveel keren ze kruis of munt hadden gegooid en op grond daarvan werden ze al of niet betaald.

Een opzet dus die het mogelijk maakt om bedrog te plegen. Maar ook een opzet waarmee je dat bedrog kunt ontdekken. Want als het aantal keren munt (of kruis) significant afwijkt van 50 procent, in de richting van het resultaat dat gewin oplevert, dan is dat een aanwijzing voor bedrog. Deze opzet is ook in eerder onderzoek gebruikt en het is al gebleken dat de resultaten betrouwbaar zijn. Iemand die in dit spelletje bedrog pleegt, blijkt met een grotere kans in andere situaties ook oneerlijk te zijn.

En wat bleek? De groep bankwerknemers die vragen over hun werk hadden beantwoord, weken significant af van de 50 procent en in de voor hen gunstige richting. Dit in tegenstelling tot het gedrag van de groep collega's die andere vragen hadden beantwoord. Ze waren dus oneerlijker. Dit wijst er op dat bankwerknemers als persoon niet oneerlijker zijn, maar alleen als ze herinnerd worden aan het werk dat ze doen. In de woorden van de onderzoekers: als ze hun identiteit als bankwerknemer aannemen. Op het moment dat ze dat doen, zijn ze onderhevig aan de invloed van de bankencultuur, die hen er toe brengt om meer bedrog te plegen.

Het verschil tussen de twee groepen is niet heel groot, maar dus wel statistisch significant. En dat lijkt toch een belangrijk resultaat. Ik stel me zo voor dat ook als bankwerknemers een ietsje meer neigen tot oneerlijkheid, dat dat gezien de aard van hun werk en de grote sommen geld waar ze mee omgaan, grote gevolgen kan hebben.

En het blijkt dus dat het de heersende cultuur op de werkvloer is die hen oneerlijker maakt. Het zou ook nog kunnen dat de bankensector aantrekkelijker is voor mensen die het niet zo nauw nemen en dat die dus al oneerlijker waren voor ze tot de sector toetraden. Dat zou het zogenaamde selectie-effect zijn, dat in ander verband ook wel is gevonden. Maar dit onderzoek wijst er dus op dat de cultuur echt een oorzaak is van die neiging tot bedrog.

Belangrijk om te weten. Het onderzoek kan ook nog iets zeggen over hoe die invloed van de cultuur dan verloopt. Want een van de vragen die de proefpersonen moesten beantwoorden, was de vraag of ze het er mee eens waren dat sociale status in de eerste plaats wordt bepaald door hoeveel financieel succes je hebt. En het bleek dat degenen die aan hun werk bij de bank herinnerd waren, daar meer mee instemden. En bovendien waren degenen die meer instemden, ook degenen die meer bedrog pleegden. De onderzoekers concluderen daaruit dat materialisme het cruciale element van die bankencultuur is dat mensen oneerlijker maakt.

Dat is om over na te denken. Want materialisme komt natuurlijk meer voor dan in de bankensector.

Maar er is ook een interessante link met eerder onderzoek dat liet zien dat materialisme, het najagen van status, geld en bezit, mensen ongelukkiger maakt. Maar dat blijkt minder het geval te zijn als je werkzaam bent in een sector waarin dat materialisme meer verbreid is.

Zoals: in de bankensector! Dat betekent dus dat een "nadeel" van materialisme, namelijk dat je je er ongelukkiger door voelt, in de cultuur van de bankensector is opgeheven. Interessant hoe een cultuur op mensen kan uitwerken. Zie het bericht Materialisme maakt ongelukkig - daarover is nu weinig twijfel meer.

woensdag 19 november 2014

Peuters leren beter als je reageert op hun nieuwsgierigheid

Dat wat we bij volwassenen al weten, dat je datgene wat je nieuwsgierigheid opwekt, beter leert als het je wordt uitgelegd, is nu ook vastgesteld bij peuters van 16 maanden oud. Onderzoekers lieten peuters steeds paarsgewijs verschillende voorwerpjes zien die ze niet kenden. Zie Infants Learn What They Want to Learn: Responding to Infant Pointing Leads to Superior Learning. Als de peuter naar een van de twee voorwerpen, wees, lieten ze zien waarvoor je het zou kunnen gebruiken. Zoals bijvoorbeeld dat je je haar er mee zou kunnen borstelen. Elk voorwerp werd dus met een unieke handeling verbonden.

Maar in andere condities van het onderzoek demonstreerden ze juist het gebruik van het voorwerp waar de peuter niet naar had gewezen. Of lieten ze maar één voorwerp zien en demonstreerden daarvan het gebruik.

Na een onderbreking van 10 minuten kregen de peuters de voorwerpen opnieuw te zien, met de vraag waarvoor je ze zou kunnen gebruiken. Het bleek toen dat ze dat het beste hadden onthouden als het ging om de voorwerpen waar ze naar hadden gewezen.

Daaruit valt op te maken: (1) dat ze in staat waren duidelijk te maken waar ze het meest in geïnteresseerd waren (door er naar te wijzen), en (2) dat ze door die grotere interesse ook beter onthielden wat ze hadden geleerd. En het suggereert dat de geneigdheid van peuters om ergens naar te wijzen een communicatieve bedoeling heeft. De bedoeling dus om de eigen interesse aan de ander duidelijk te maken, samen met de wens om uitleg te krijgen.

Kortom, onze peuters zijn nieuwsgierig naar sommige dingen die in hun blikveld komen en willen die nieuwsgierigheid delen met anderen, in de hoop op uitleg en instructie.

Nu hebben wij als volwassenen, met goede bedoelingen, een sterke geneigdheid om kinderen uitleg en instructie te geven over zaken die wij belangrijk vinden. Dat noemen we opvoeding en onderwijs. En dat gaat er mee gepaard dat wij kinderen eerst moeten aansporen om op te letten.

De noodzaak van die aansporing wijst er dus al op dat veel van de zaken die wij belangrijk vinden niet samenvallen met de dingen waar kinderen in geïnteresseerd zijn. We weten dat het dan desondanks toch nog behoorlijk lukt om kinderen iets te leren. Maar dat gaat dan vaak met tegenzin. En de resultaten vallen soms nogal tegen.

Het leren zou beter gaan als we meer zouden reageren op de signalen van nieuwsgierigheid die onze kinderen uitzenden. Anders gezegd: niet onze kinderen zouden beter moeten opletten als wij ze iets willen leren. Nee, wij zouden beter moeten opletten als zij proberen ons duidelijk te maken wat ze interessant vinden.

dinsdag 18 november 2014

Hoe komt het dat we meer statusgedrag bij anderen zien dan bij ons zelf? Een sociaal informatieprobleem

Uit onderzoek blijkt dat wij statusgedrag afkeuren en het meer waarnemen bij anderen dan bij onszelf. Ik besprak dat onderzoek in het bericht Statusgedrag zien we wel bij anderen, maar niet bij onszelf. Volgens de onderzoekers komt dat resultaat er uit voort dat mensen dat afkeurenswaardige gedrag van zichzelf niet willen toegeven. Misschien omdat wij van onszelf graag een positief beeld hebben. Onze zelfwaarneming zou dus verstoord zijn in de meer rooskleurige richting.

Uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn vaak wel duidelijk. Iets is zo of het is niet zo. Maar hoe je die uitkomst dan moet interpreteren, is een tweede. 

In dat bericht ging ik een eind mee met de interpretatie van de onderzoekers. Er van uitgaande dat statusgedrag een natuurlijk gedrag is, dat wij dus meestal automatisch en onbewust uitvoeren, bedacht ik dat we het van onszelf minder gemakkelijk opmerken dan van anderen. Ik citeer mezelf:
Een antwoord zou kunnen zijn dat veel van dat statusgedrag zo natuurlijk is, dat we ons er maar weinig van bewust zijn. We zijn al bezig met ons beter voor te doen dan we eigenlijk zijn zonder dat we daar over hebben nagedacht. Het verbergen van onze zwaktes en kwetsbaarheden, dat doen we als vanzelf. En waar je niet bij stilstaat, dat weet je niet van jezelf.
Bij anderen zie je het gemakkelijker, want dan ben je de toeschouwer die even de tijd kan nemen om zich af te vragen waar hij naar kijkt.
Maar toeschouwer zijn van je eigen gedrag, dat is veel moeilijker.
In beide interpretaties gaat het dus om een verstoorde waarneming die veroorzaakt dat we statusgedrag meer bij anderen zien dan bij onszelf.

Het zou kunnen. Maar ik bleef er over nadenken en bedacht dat je er ook anders naar kunt kijken.

Want hoe komt onze waarneming van ons eigen gedrag en van het gedrag van anderen tot stand? Ons eigen gedrag nemen we waar in alle situaties waarin we komen te verkeren. Zowel in de omgang met familie en vrienden, dus in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, als in de omgang met degenen die verder van ons af staan of zelfs met vreemden. Dat laatste is het (publieke) domein van de onpersoonlijke relaties.

Maar kijk nu naar alle anderen waarvan we gedrag waarnemen. Het grootste deel van die waarnemingen speelt zich af in dat publieke domein. Want daar is waar we de meeste mensen tegenkomen. Of waarover we informatie krijgen via de media, zoals door wat we zien als we naar televisiepersoonlijkheden zitten te kijken. Per dag doen we veel meer van dat soort waarnemingen, verspreid over een veel groter aantal personen, dan dat we in onze eigen vertrouwde kring doen van vrienden en familie.

Als dat zo is, dan is de waarneming van het gedrag van anderen meer een specifieke selectie daarvan dan van ons eigen gedrag. Het gedrag van anderen in het publieke domein is oververtegenwoordigd. Want die vele anderen waarover we iets te weten komen, die maken we niet mee in hun eigen persoonlijke domein. Er zijn immers maar weinigen onder hen die we persoonlijk kennen en bij wie we over de vloer komen.

Wat betekent dat? Het betekent dat we meer met statusgedrag van anderen in aanraking komen dan met statusgedrag van onszelf. Want we zijn met zijn allen meer met statuscompetitie bezig in dat publieke domein. Omdat we elkaar daar niet zo goed kennen, proberen we om ons beter voor te doen dan we zijn. We maken ons daar drukker om status, prestige en de dunk die anderen van ons hebben.

In het persoonlijke domein is al dat statusgedoe veel minder aanwezig. Sterker, daarin keuren we het af. Stel je niet zo aan. Doe maar gewoon. Als we elkaar goed kennen, weten we van elkaar wat voor vlees we in de kuip hebben. En laten we ons niet intimideren of overheersen of een rad voor ogen draaien.

Omdat het publieke gedrag van anderen in onze waarnemingen oververtegenwoordigd is, wekt dat bij ons dus de indruk dat anderen veel meer met statuscompetitie bezig zijn dan wijzelf.

En dat is wel vervelend. Want ieder van ons gaat daardoor denken dat de maatschappij als geheel meer beheerst wordt door statuscompetitie dan hij in werkelijkheid is. We hebben hier te maken met een probleem van onvolledige sociale informatie.

En sociale beïnvloeding zorgt er dan voor dat we verleid worden om aan die statuscompetitie mee te doen. Dat lijkt op een ingebouwde positieve feedback, die steeds meer statuscompetitie genereert.

maandag 17 november 2014

Maatschappelijke stage geeft gelegenheid tot pro-sociaal gedrag - En daardoor worden jongeren pro-socialer

Uit een kleine vijftig studies blijkt dat de maatschappelijke stage gunstige effecten heeft op jongeren. De ervaringen die ze opdoen, samen met de reflectie daarover, vergroten hun zelfinzicht, hun sociale vaardigheden, hun verantwoordelijkheidsgevoelens en hun maatschappelijke betrokkenheid. Dat ondersteunt het belang van de maatschappelijke stage en doet hopen dat scholen er mee doorgaan ondanks dat ze daartoe niet meer verplicht zijn. Zie het bericht Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter.

Je verwacht dan dat jongeren er ook pro-socialer door worden, dus meer bereid om anderen te helpen. En dat is ook zo. De pas verschenen studie How does community service promote prosocial behavior? Examining the role of agency and ideology experience (betaalpoort) toont dat aan. En laat bovendien zien waardoor dat komt.

De onderzoekers volgden tegen de 2000 jongeren (14-15 jaar) een jaar lang. Ongeveer de helft van hen volgde in dat jaar of in het jaar daarvoor een maatschappelijke stage. Dat hield in dat ze meehielpen in een vrijwilligersorganisatie, een sportvereniging, een politieke partij, een vakvereniging, een kerkgenootschap, een liefdadigheidsproject of in de informele hulpverlening . Aan het begin en aan het eind van dat jaar werden ze ondervraagd.

Het bleek toen dat de jongeren die stage hadden gedaan, vaker dan de anderen pro-sociaal gedrag hadden vertoond. Let wel, buiten hun stage-activiteiten om. Bovendien was dat pro-sociale gedrag toegenomen. Dat bleek uit hun antwoorden op het volgende vragenlijstje, vergeleken met de antwoorden van de jongeren die geen stage hadden gedaan:
I help people in need, when I see that they need help.
I help strangers, if they get lost.
I help old people to cross the street.
I help others by getting off the train or the bus if that person does not get it alone.
I would help another person, if the person falls off the bike.
I would help another person, if the person’s shopping bag burst.
Het doen van een maatschappelijke stage lijkt jongeren dus hulpvaardiger te maken. Maar waar zou dat aan liggen?

Dit onderzoek zegt daarover dat het er vooral aan ligt dat die stage de jongeren de gelegenheid geeft om iets voor anderen of voor de maatschappij te doen. Het gaat om de ervaringen van "een bijdrage te kunnen leveren", "het verschil te kunnen maken", "anderen te helpen", "iets nuttigs te doen", "iets waardevols te doen" en "iets te kunnen veranderen". Hoe meer ze die ervaringen in hun stage hadden gehad, hoe meer hun pro-sociale gedrag was toegenomen.

Het is goed om daar even bij stil te staan. Bedenk even dat wij jongeren niet zoveel andere mogelijkheden gunnen om zulke ervaringen op te doen. En bedenk dat ieder van ons meteen inziet hoe waardevol het is om zulke ervaringen te hebben.

Die maatschappelijke stage, dat is zo'n gek idee nog niet. Sterker, jongeren zouden eigenlijk veel vaker die ervaringen moeten opdoen. Want die horen bij een sociale en morele ontwikkeling die jongeren nodig hebben om als verantwoordelijke volwassene in het leven te kunnen staan. Denk nog even aan Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

En we weten dat misschien de belangrijkste voorwaarde voor hulpvaardigheid er uit bestaat dat mensen voldoende gelegenheid moeten hebben om iets voor anderen te doen. Het is natuurlijk gedrag, maar het moet wel gecultiveerd worden. Zie Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever.

zondag 16 november 2014

Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter

Sinds 2011 kennen we in ons land voor scholieren de verplichte maatschappelijke stage. Ze moeten minimaal 30 uur vrijwilligerswerk doen. Meestal gebeurt dat bij een vrijwilligersorganisatie, vereniging, instelling of maatschappelijke organisatie, maar ook kunnen ze iets doen op het terrein van de informele hulpverlening. Zie de website van de maatschappelijke stage.

Of wacht. Die website wordt met ingang van dit schooljaar niet meer bijgehouden. Want het verplichte karakter van de maatschappelijke stage is opgeheven. Scholen beslissen nu zelf of zij de stage onderdeel maken van hun programma. En de subsidie voor de website is geschrapt.

Dat het nu aan scholen wordt overgelaten, zou je op het idee kunnen brengen dat de maatschappelijke stage minder gunstige effecten heeft dan aanvankelijk werd gedacht. Maar het tegendeel is het geval. Alle onderzoek wijst er op dat de stage over een breed terrein positief uitwerkt op de ontwikkeling van adolescenten. De nieuwe studie The Role of Reflection in the Effects of Community Service on Adolescent Development: A Meta-Analysis (betaalpoort) laat dat overduidelijk zien.

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht, samen met Daniel Hart van Rutgers University, voerden een meta-analyse uit op de gegevens van 49 onderzoeken naar de effecten van de maatschappelijke stage (community service). Vooral als de stage werd gecombineerd met reflectie over de opgedane ervaringen waren de effecten sterk. Het ging om onderzoeken met een voor- en een nameting en met vergelijking met groepen scholieren die geen stage liepen. Of de stage verplicht was of vrijwillig bleek voor het effect niets uit te maken. Als de opgedane ervaring er maar was. En hoe meer tijd er aan besteed werd, hoe beter. En hoe meer tijd er werd besteed aan reflectie, hoe beter. Aanwijzingen voor een teveel zijn er voorlopig niet.

Het gaat inderdaad om sterke effecten op een breed terrein. Adolescenten weten nog maar weinig van de maatschappij waarin ze opgroeien. Directe, persoonlijke kennismaking met maatschappelijke situaties buiten hun leefwereld blijkt bij te dragen aan hun intellectuele ontwikkeling. En de opgedane ervaringen vergroten hun zelfinzicht, hun sociale vaardigheden en hun maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoelens en hun maatschappelijke betrokkenheid.

Eigenlijk is dat niet verwonderlijk. Want voor de rest doen wij met zijn allen nauwelijks iets om onze adolescenten bij de maatschappij te betrekken en om hen aan te spreken op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Het onderwijs is vrijwel exclusief gericht op intellectuele vorming. Daarbuiten is er de peer group van leeftijdsgenoten om zich sociaal in te ontwikkelen, maar we weten dat die sociale omgeving over het algemeen niet gunstig uitwerkt. Zie het bericht De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en de berichten achter het label pesten.

En verder hebben we onze maatschappij zo ingericht dat onze jongeren vooral commercieel worden aangesproken. De belangen daarachter liggen natuurlijk meer op het terrein van hun "ontwikkeling" als consument, van materiële goederen en ervaringsgoederen, zeg maar spanning en amusement. Daar zou niet zoveel mis mee zijn als het minder overheersend was.

Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid betreft, sturen wij onze adolescenten dus eigenlijk een sociale woestijn in. En dat we dat doen, dat blijkt ook precies uit dit onderzoek naar de effecten van de maatschappelijke stage. Want waar niets is, heeft een kleine dosis al een groot effect. Een stage van 30 uur op een schoolloopbaan stelt natuurlijk niet zoveel voor. Maar het blijkt dus veel verschil te maken of die stage er wel is of niet is. Nog er van afgezien dat nog meer beter zou zijn.

Dat maakt nieuwsgierig naar wat we nu in ons land zullen zien gebeuren. Je zou wensen dat alle scholen het grote belang van de maatschappelijke stage inzien. En hem blijven opnemen in hun programma. Het gaat om de keus tussen een sociale woestijn zonder of met een enkele oase.

Zondagochtendmuziek, nee, - fotografie: Het raadsel Vivian Maier, Straatfotografe

Ook het hoofd van een muziekliefhebber staat wel eens niet naar muziek. Daarom vandaag aandacht voor Vivian Maier (1926-2009), de straatfotografe. Aan wie FOAM aan de Keizersgracht in Amsterdam een kleine, maar intrigerende expositie wijdt.

Eigenlijk was Vivian Maier geen fotografe. Ze voorzag in haar levensonderhoud door zich als nanny te verhuren aan rijke families, het grootste deel van haar leven in Chicago. Maar ze maakte foto's. Vooral op straat, vaak vergezeld door de kinderen die ze onder haar hoede had.

Dat we van haar bestaan en van haar foto's op de hoogte zijn, is te danken aan John Maloof, die in 2007 op een veiling een koffer kocht die vol bleek te zitten met fotorolletjes. En met een verwijzing naar de naam Vivian Maier. Pas in 2009, aan de hand van een overlijdensadvertentie, achterhaalde hij haar identiteit.

Ze had vanaf de jaren 50 naar schatting 150.000 foto's gemaakt. Foto's, filmpjes, audio-opnamen en ander materiaal, ze moet aan een hamsterwoede hebben geleden, lagen tot 2007 in een opslagruimte in Chicago, waarvan ze toen niet meer de huur kon betalen. Een kleine selectie daaruit is nu in Amsterdam te zien.


Het is wat mij betreft een ontroerende tentoonstelling. Door de stuk voor stuk adembenemend mooie foto's, maar ook door het verhaal daarachter. Ik denk dat het vorig jaar was dat ik de documentaire The Vivian Maier Mystery zag. En kortgeleden was Finding Vivian Maier op televisie te zien. 

In FOAM kun je het boek Vivian Maier. Street Photographer uit 2011 kopen en dat ligt nu voor mij. Je kunt er de foto's in terugzien die in FOAM hangen. En ik blijf er in bladeren. Zoals je ook blijft kijken als je vivian maier photography googelt (afbeeldingen).

Dan is een regenachtige zondagochtend in november snel voorbij.