Posts tonen met het label John Maynard Keynes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label John Maynard Keynes. Alle posts tonen

dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.

dinsdag 16 maart 2021

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op een linkse partij. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

De Tweede Kamerverkiezingen zijn begonnen. Vandaag en woensdag kan er nog gestemd worden. Zeventigjarigen en ouder konden al per post stemmen. Dat gold ook voor mij, maar ik ben niet kwetsbaar en zal woensdag in persoon mijn stem uitbrengen. Dat zal op een linkse partij zijn en hieronder leg ik uit waarom.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen teweer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. En er kwamen de internationale mensenrechtenverdragen. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar 2021 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen. met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal economische hervormingen, die het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechtsextremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Nu hebben we de coronapandemie, met het vooruitzicht dat terug naar normaal er niet inzit. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en heerst nu in de peilingen. En extreemrechts (PVV en FvD) profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers.

En in de Verenigde Staten wijzen de eerste beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover gisteren in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Amerika is toch weer een voorbeeld. Het is tijd voor wij-met-zijn-allen. Dus voor een stem op een linkse partij. Update. Welke? Kijk maar. Het zou veel beter zijn als je niet hoefde te kiezen en er een grote linkse partij was.

vrijdag 13 maart 2020

In de jaren 30 was er een wereldoorlog nodig om politici naar 'gewoon' Keynes te laten handelen. Nu de corona pandemie

'Mijn grondhouding is dat het macro-economische belang van volstrekt andere orde is dan het smalle belang van de schatkist en de overheidsfinanciën'.
Wie zei dit en wanneer? Je zou denken een of andere Keynesiaanse macro-econoom die kritiek heeft op het bezuinigingsbeleid en op het streven naar begrotingsevenwicht dat de Nederlandse, Duitse en eurozone-politiek al zo lang in zijn ban heeft.

Maar nee hoor. De uitspraak werd gisteren gedaan door onze huidige minister van Financiën, Wopke Hoekstra. Zie het bericht in het Financieel Dagblad: Hoekstra zet crisisbuffer in van €90 mrd, zo nodig meer.

Om de gevolgen van de coronacrisis te bestrijden  wil Hoekstra de staatsschuld laten oplopen en zo nodig zelfs tot boven de 60 procent van het bruto binnenlands product, het maximum dat is toegestaan van het begrotingspact van de eurozonelanden.

Er is kennelijk (weer) een wereldwijde crisis nodig om af te kunnen stappen van de deflatoire bezuinigingspolitiek van de afgelopen jaren. Na de Grote Financiële Crisis (de kredietcrisis) van 2008 - 2010 vonden de politici het een goed idee om het begrotingstekort zo snel mogelijk terug te dringen. Dat was wat ik toen, in 2011, de bezuinigingszeepbel ging noemen. Het ging in tegen bekende en onderbouwde economische inzichten, maar very serious people vonden het een goed idee en die zouden wel gelijk hebben.

Tot nu toe vinden politici het moeilijk om van die bezuinigingspolitiek (austerity) afscheid te nemen. Ze wijzen er graag op dat het nu met de economie toch zo goed gaat en dat zulks bewijst dat ze het bij het rechte eind hadden. Maar daarbij negeren ze de schade die dat beleid heeft gehad voor de economie. In 2015 schatte Bas Jacobs die schade op 20 tot 30 miljard per jaar. Zie Waarom het niet klopt dat we nu kunnen investeren doordat we in het verleden zo goed hebben bezuinigd.

En die schade is niet alleen maar een abstract bedrag. Want we zien die schade elke dag. Aan de tekorten in de zorg en het onderwijs, aan de tekorten bij de gemeenten, aan de tekortschietende energietransitie en de stikstofcrisis, aan slechte kwaliteit van het werk en de maar niet afnemende armoede, ook van werkenden. Iedereen zou aan het werk zijn, maar er is nog zeker verborgen werkloosheid en daardoor achterblijvende loongroei. Zo goed gaat het helemaal niet.

Bij die uitspraak van Wopke Hoekstra moest ik eraan denken dat er in de jaren 30 van de vorige eeuw een wereldoorlog nodig was om de politici van hun deflatoire bezuinigingspolitiek af te helpen. Het werk van Keynes ("Zorg voor volledige werkgelegenheid, dan zorgt de overheidsbegroting wel voor zichzelf") was natuurlijk bekend, maar de politiek luisterde nog niet. Ik sloeg er nog even de biografie van Keynes van Peter Clarke op na (p. 17-8):
In Engeland zien we tegen het eind van de jaren dertig dat Neville Chamberlain politiek overwicht begint te krijgen, en dat was geen geweldig nieuws voor John Maynard Keynes. Maar het carrièreverloop van de econoom uit Cambridge nam een andere wending door de komst van de Tweede Wereldoorlog, in het bijzonder de crisis van de zomer van 1940, toen Engeland onder leiding van Winston Churchill alle zeilen bij moest zetten om als zelfstandige staat te overleven.
Dat was het moment waarop Keynes werkelijke politieke invloed begon uit te oefenen door de zorg voor de geldmiddelen voor de oorlog op zich te nemen. Plotseling was hij niet langer alleen maar een wetenschapper, hoe beroemd ook, maar werd hij zelf ook beleidsmaker, op het hoogste niveau van het ministerie van Financiën. Iedereen die vroeg hoe precies zijn taakomschrijving luidde, kreeg als antwoord dat hij 'gewoon' Keynes was.
En nu, in 2020, is er dus weer een wereldwijde crisis nodig om de politiek naar de inzichten van  "'gewoon' Keynes" te laten handelen. In Duitsland zien we dezelfde ontwikkeling en wordt even niet over de in de Grondwet vastgelegde schwarze Null gesproken. Minister van Financiën Olaf Scholz neemt zelfs het woord conjunctuurprogramma in de mond: Coronakrise - Regierung sagt Kredite in unbegrenzter Höhe zu.

En de Europese Commissie kondigt aan dat de regels van het Begrotingspact buiten werking worden gesteld: EU-Kommission lockert Schuldengrenzen für Staaten. Zorg voor de economie, dan komt de begroting later wel.

Prima natuurlijk, maar veel te laat. En pas als het onvermijdelijk is. Vreemd dat de lessen van de jaren 30 steeds opnieuw geleerd moeten worden.

vrijdag 11 november 2016

Hebben we met Trump de "regime change" die nodig is om aan de economische stagnatie te ontsnappen?

(Update. Zie nu ook Bas Jacobs: Economisch succes van Trump kan leiden tot de tirannie van het populisme.)

Van al degenen die zich nu uitlaten over de oorzaken van Trumps verkiezingsoverwinning, is er denk ik niemand die zal ontkennen dat het trage economische herstel na de crisis van 2008 er op een of andere manier mee te maken heeft. Nu herstelt de Amerikaanse economie zich beter dan de Europese. En dat doet dus het ergste vrezen voor de verkiezingen in Europese landen die er zitten aan te komen.

Maar los van de oorzaken, wat zullen de economische gevolgen zijn van Trumps presidentschap? Het is misschien te vroeg om daarover te oordelen, maar toch doet Ryan Avent een heel interessante poging in The Economist: Trump and the political economy of liquidity traps.

Want wat is er aan de hand? We zijn na de crisis van 2008 in een liquiditeitsval beland: een toestand waarin de private sector druk bezig is zijn schulden af te lossen, waarin de rente tot nul nadert, de consumptie en de investeringen inzakken en waarin dus de economie ver onder het niveau van volledige werkgelegenheid presteert. Want ja, de economie is een kringloop; wat de een uitgeeft, is het inkomen voor de ander.
(Een ander woord voor liquiditeitsval is spaarparadox. Paradox omdat als iedereen spaart, met de bedoeling om daar beter van te worden, iedereen er slechter van wordt.)
Sinds John Hicks en John Maynard Keynes weten we dat het recept voor de liquiditeitsval er uit bestaat dat de overheid massief geld moet gaan lenen om daarmee de collectieve investeringen op te voeren. Want het bezwaar tegen dat beleid in normale tijden, dat de publieke investeringen de private zullen verdringen, geldt niet meer.

Die theorie van Hicks en Keynes en hun recept kregen nieuw leven in de jaren 90 van de vorige eeuw, toen Paul Krugman zich verdiepte in de economische problemen van Japan, waar een liquiditeitsval bestond. Hij wees er op dat de centrale bank de inflatieverwachtingen zou moeten aanwakkeren, maar dat daarbij de steun van de begrotingspolitiek noodzakelijk is. En daarbij dreigt het gevaar van de timiditeitsval: door de uitgaven te weinig te verhogen, waardoor het effect op de economische groei te gering is, kan het gebeuren dat het begrotingsbeleid politiek in diskrediet raakt.

Precies dat is gebeurd in de Verenigde Staten, waar Obama de economie wel stimuleerde, overigens met tegenwerking van de Republikeinen, maar niet zo massief dat het effect er van overdonderend was. Het was er wel degelijk, de economie had er nu slechter voor gestaan dan wanneer het niet gebeurd was. Maar hoewel de werkloosheid begon terug te lopen, was er niet het snelle en dramatische herstel dat na een crisis ook op kan treden.



Daarbij vergeleken gebeurde er in Europa een economische ramp. In plaats van te stimuleren, werd daar al gauw begonnen met de bezuinigingspolitiek.

En hoe dat uitpakte, zie je in de afbeelding. Terwijl het BNP per hoofd van de bevolking na 2011 in de V.S. bleef toenemen, ging dat van de eurozone weer naar beneden. In Europa was er zelfs niet een te timide stimulering, nee, integendeel, de kwakzalverseconomie werd ingezet. (Hier de bron van de afbeelding.)

Wat is er wel nodig om uit die economische stagnatie van de liquiditeitsval te ontsnappen? In de woorden van Ryan Avent:
Escaping the liquidity trap means engineering a dramatic rise in expectations for future demand growth. It means a clear departure from past practice: a regime change.
Hét historische voorbeeld van zo'n regime change is het verlaten van de gouden standaard door veel landen in de jaren 30 van de vorige eeuw. Maar natuurlijk vooral ook het in Duitsland aan de macht komen van het Hitler-bewind en de drastische economische koerswijziging die daarmee gepaard ging. Ik ging daar eerder op in: Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann). En niet te vergeten: Hèt probleem van nu is niet Brexit, maar de Duitse dovemansoren - Over Eucken en Schacht.

De vraag die zich nu opdringt is of zo'n radicale beleidsverandering langs politieke en democratische weg mogelijk is. In Japan lijkt dat inderdaad het geval geweest te zijn. Die verandering is ook met zoveel woorden door premier Shinzo Abe aangekondigd.

Maar in Groot-Brittannië lijkt die verandering meer een bijproduct van Brexit. De koers van het pond is gedaald en de inflatieverwachtingen zijn gestegen, meer als gevolg van het aantreden van het nieuwe kabinet dan als een bedoeld beleidseffect.

En Ryan Avent denkt dat zoiets ook wel eens het gevolg kunnen zijn van de verkiezingsoverwinning van Trump. De financiële markten lijken te anticiperen op stijgende inflatieverwachtingen. Waarschijnlijk op basis van de door Trump aangekondigde belastingverlagingen en verhoging van de overheidsuitgaven ten behoeve van bewapening en van de infrastructuur.

Wat Ryan Avent doet verzuchten dat er kennelijk soms eerst een vervelende politieke radicalisering nodig is om als een bijproduct te komen tot het economische beleid dat ons doet ontsnappen uit de liquiditeitsval. Anders gezegd, het zou kunnen zijn dat Trump, net als Hitler dat was in de jaren 30, economisch succesvol is.

En dat maakt angstig voor wat ons in Europa nog te wachten staat. Avent besluit met:
Muddling along is a good-enough way to deal with lots of messes, but it is no way to deal with a liquidity trap. Muddling through will continue until the political system can't bear it any more or the outside world forces a change (and history suggests that either endpoint can be very messy). With so many economies now stuck in liquidity traps, it more political shocks seem inevitable. Europe, I would say, will eventually get out of its liquidity trap. Its escape won't be pretty.

dinsdag 25 oktober 2016

De Nederlandse sociaal-democratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld

Wat te denken van het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA?

Die vraag is van belang in een tijd waarin de sociaal-democratie als intellectuele, maatschappelijke en politieke kracht lijkt te versagen. Ik sta eerst even daar bij stil en keer daarna terug naar dat concept-verkiezingsprogramma.

Avner Offer, emeritus hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit van Oxford, denkt dat de sociaal-democratie staat voor een ander wereldbeeld dan dat van de standaardeconomie, dat wil zeggen het vak aan de beoefenaars waarvan jaarlijks de Nobelprijs wordt uitgereikt.

Offner schreef daarover naar aanleiding van de uitreiking van die prijs een paar weken geleden: The Nobel prize in economics takes too little account of social democracy. En hij schreef daarover samen met Gabriël Söderberg het boek The Nobel Factor: The Prize in Economics, Social Democracy, and the Market Turn.

Zijn betoog komt er op neer dat het Nobelprijs-comité er aan heeft meegewerkt dat het economische wereldbeeld een neo-liberaal stempel heeft gedrukt op het maatschappelijke en politieke denken:
Like market liberalism, economics regards buying and selling in markets as the template for human relations and claims that market choices scale up to the social good. But the doctrines of economics are not well founded: premises are unrealistic, models inconsistent, predictions often wrong. The halo of the prize has lent credibility to policies that harm society, to inequality and financial disorder.
Maar er is ook een ander wereldbeeld, dat van de sociaal-democratie:
Economics does not have the field of policy entirely to itself. A different view of the world – social democracy – is used by governments to allocate about 30% of GDP in most developed countries for employment, healthcare, education, and pensions. Social democracy is not only a political orientation but also a bipartisan method of government. Like economics, it accepts the primacy of markets in production and consumption. Markets reward wealth and success. In social democracy, entitlement is equal, and arises from citizenship, though one-size-fits-all sometimes creates its own problems.
En hoewel het Nobelprijs-comité wel heeft geprobeerd om een evenwicht te bewaren tussen "rechtse" en "linkse" economen, is er toch maar één prijswinnaar geweest die echt als sociaal-democraat kon gelden (Gunnar Myrdal in 1974).  En in ieder geval één sociaal-democraat die hem had behoren te krijgen (John Kenneth Galbraith), zag hem aan zich voorbij gaan.
This is costly. Social democracy is not as deeply theorised as economics, but has been enormously successful in providing social and public goods. It has kept economic insecurity at bay. Its method of mutual support is more efficient and equitable than private healthcare, education, and pensions. Social-democratic politicians do not always understand this. If economics is compelling, social democracy is indispensable. The two doctrines have adapted to each other but their marriage is not happy.
Het zou goed zijn als het vak economie zich daar meer rekenschap van zou geven. En het zou dus goed zijn als dat zou doorklinken in de toekenning van de Nobelprijs. Zie ook dit interview met Avner Offer: The Political Slant of the Nobel Prize in Economics.

Dat in de sociaal-democratie het nastreven van economische bestaanszekerheid zo voorop staat, verklaart ook dat het werk van John Maynard Keynes daar zo goed werd ontvangen. Want Keynes zag dat de markt niet als vanzelf tot het optimale evenwicht tendeert, dat lange perioden van stagnatie (slechte evenwichten) kunnen bestaan en dat de overheid via begrotingsbeleid de taak op zich moet nemen om de daaruit voortkomende bestaansonzekerheid te voorkomen.

En hoe actueel is dat inzicht! We zien om ons heen, dat wil zeggen in Europa, dat het verwaarlozen er van en het stijfkoppig vasthouden aan het primaat van het begrotingsevenwicht, rampzalige gevolgen heeft gehad en heeft. Hoe anders zouden de ontwikkelingen geweest zijn als de invloed van het sociaal-democratisch denken op de inrichting van de eurozone en op het gevoerde beleid groter was geweest!

En inderdaad, de geluiden dat het anders moet en dat het de hoogste tijd is voor een actief begrotingsbeleid om uit de economische stagnatie te ontsnappen, worden sterker. Gisteren Should we rethink fiscal policy? van Sylvia Merler van de denktank Bruegel, die een fraaie opsomming geeft van recente bijdragen. En een paar dagen eerder Secular stagnation, bubbles, fiscal policy, and the introduction of the contraceptive pill van Jason Lu en Coen Teulings. Die laten zien dat de overheidsschulden juist moeten toenemen, om nieuwe financiële zeepbellen, en dus crises, te voorkomen. Maar dat zulks door het Stabiliteitspact van de eurozonelanden onmogelijk wordt gemaakt.

Goed. terug naar het concept-verkiezingsprogramma van de PvdA. Vinden we daarin wat terug van het grote belang van dat sociaal-democratische wereldbeeld als tegenhanger van het neo-liberale?

Als je dat concept doorleest, dan vind je in de eerste 10 van de 11 hoofdstukken een lange opsomming van voornemens en wensen waar je het gemakkelijk mee eens kunt zijn. En die in de media het beeld hebben doen ontstaan van een partij die weer "links opzoekt". Al die voornemens vereisen investeringen, verhoging van de overheidsuitgaven dus. Komen die er?

Nee, want dan arriveer je bij het elfde hoofdstuk, met als titel Financieel kader. En dat is verreweg het kortste hoofdstuk, zo kort dat ik het hier in zijn geheel kan citeren:
De PvdA heeft een traditie van verstandig begrotingsbeleid. Want we weten dat als de begroting uit de hand loopt, uiteindelijk gewone gezinnen en kwetsbare mensen de rekening betalen.
Het begrotingsbeleid van de afgelopen jaren heeft de basis gelegd voor de in dit programma voorgestelde investeringsagenda in de publieke sector: onderwijs, zorg, sociale zekerheid, duurzaamheid en veiligheid.
Aan het eind van de kabinetsperiode wil de PvdA structureel evenwicht op de begroting, zodat we onze kinderen niet opzadelen met de rekening en ouderen ook in een vergrijzende samenleving de zorg kunnen bieden die ze verdienen. Het tekort mag oplopen bij economische tegenslag of onvoorziene omstandigheden. Het belastingstelsel wordt eerlijker en groener.
Het begrotingsbeleid is dienend aan het bereiken van een duurzame, sociale en welvarende samenleving. De PvdA zal haar verkiezingsprogramma laten doorrekenen door het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving en aanbieden aan het Sociaal Cultureel Planbureau om een analyse te maken van de sociale gevolgen van het programma.
En daar lezen we dus dat de PvdA een "structureel evenwicht" op de begroting wil. Tekorten mogen niet, tenzij bij economische tegenslag of onvoorziene omstandigheden. Verdere uitleg ontbreekt. Schulden maken om te investeren? Nee hoor. Wel de demagogie over het opzadelen van onze kinderen met de rekening. En wel het erin volharden dat het met de VVD gevoerde bezuinigingsbeleid "verstandig" was, alle aanwijzingen negerend van de daardoor veroorzaakte economische schade.

Nee. als je hierop afgaat, dan kun je nog niet concluderen dat de Nederlandse sociaal-democratie zich aan de greep van de neo-liberale dominantie ontworsteld heeft.

vrijdag 7 oktober 2016

Is er nu echt, eindelijk, dan toch, het einde van het bezuinigingsbeleid in Europa?

Mijn eerste berichten over de bezuinigingszeepbel dateren van september 2011. Het leek toen al duidelijk dat de politici die gingen denken dat het een goed idee was om op de economische crisis te reageren met een bezuinigingsbeleid, zich niet baseerden op empirische evidentie, maar dat ze integendeel slachtoffer waren geworden van een sociale zeepbel.

Ze waren niet goed geïnformeerd en in plaats van daar wat aan te doen, gingen ze vooral bij elkaar te rade. En omdat sommigen, of omdat ze hun oor te luisteren hadden gelegd bij de verkeerde econoom (Alesina) of omdat ze de ideologie van de kleine overheid aanhingen, gingen roepen dat er nu bezuinigd moest worden, gingen anderen daarin mee. Misschien ook omdat het stoer was om "de broekriem" en het "huishoudboekje" er bij te halen en die stoerdoenerij leek het bij de kiezers wel goed te doen. Zie voor een poging tot historisch overzicht van dit hele sociale proces het bericht
Een economische (en sociale) calamiteit van historische omvang - de Schwäbische Hausfrau en de bezuinigingszeepbel.

Waarom dit nu nog eens naar voren gehaald? Omdat ik tussen toen en nu al verschillende keren heb gedacht dat die sociale zeepbel van het bezuinigingsbeleid al bezig was leeg te lopen. Want de aanwijzingen dat die politiek niet deugde, stapelden zich op. Toch werd het beleid maar voortgezet, met voortgaande stoerdoenerij in bewoordingen als "Er is geen alternatief".

Maar nu is het misschien toch een keer zo ver. In de eurozone is het Stability and Growth Pact, met zijn fixatie op overheidstekorten en zijn verbod op macro-economisch stimuleringsbeleid, een stille dood gestorven. Stil, want het mag niet hardop gezegd worden. Zie Peter Goodman daarover vandaag in de New York Times: Europe May Finally End Its Painful Embrace of Austerity.

En nu is er ook Jason Furman, hoofd van Obama's Council of Economic Advisors, die gehakt maakt van alle argumenten voor dat bezuinigingsbeleid (de "Old View of Fiscal Policy") en er de New View tegenover zet, die qua evidentie overduidelijk als overwinnaar uit de bus komt. En die, o ironie, teruggaat op het werk van Keynes. Zie The New View of Fiscal Policy and Its Application.

Ik citeer even de vijf inzichten waarmee Furman de New View samenvat:
The New View of fiscal policy largely reverses the four principles of the Old View—and adds a bonus one. In stylized form, the five principles of this view are: 
 1. Fiscal policy is often beneficial for effective countercyclical policy as a complement to monetary policy. 
 2. Discretionary fiscal stimulus can be very effective and in some circumstances can even crowd in private investment. To the degree that it leads to higher interest rates, that may be a plus, not a minus. 
 3. Fiscal space is larger than generally appreciated because stimulus may pay for itself or may have a lower cost than headline estimates would suggest; countries have more space today than in the past; and stimulus can be combined with longer-term consolidation.

4. More sustained stimulus, especially if it is in the form of effectively targeted investments that expand aggregate supply, may be desirable in many contexts. 
 5. There may be larger benefits to undertaking coordinated fiscal action across countries. 
Waarna hij elk van die vijf langsloopt en tussendoor laat zien dat er van dat bezuinigingsbeleid helemaal niets deugde.

In een aparte paragraaf behandelt hij de eurzone, de institutionele opzet er van en het op basis daarvan gevoerde beleid. Die begint met de fraaie en bondige zin:
The institutional structure of the euro area reflects the Old View of fiscal policy.
Daarmee is eigenlijk alles gezegd. En pijnlijk is zijn constatering dat de eurolanden er vanwege hun omvangrijkere automatic stabilizers (dan die van de Verenigde Staten) er eigenlijk beter voor hadden moeten staan dan de V.S. Maar dat dat voordeel meer dan teniet is gedaan door dat rampzalige bezuinigingsbeleid. (Automatic stabilizers zijn de werkloosheidsuitkeringen en anders regelingen in het kader van de sociale zekerheid die er voor zorgen dat de inkomens, en dus de consumptie, in tijden van recessie op peil blijven.)

maandag 26 januari 2015

De actualiteit van een brief van Keynes uit 1933 voor de problemen van vandaag

We hebben in Europa nu al zes jaar lang te lijden onder een terugval in publieke kennis, dat wil zeggen, de kennis over wat je als overheid moet doen om uit een recessie te komen. Zie eerder, nu bijna twee jaar geleden, het bericht Jan Pen in 1965 en de onmiskenbare terugval in publieke kennis. Daarin citeerde ik uit het werk van de Keynesiaanse macro-econoom Jan Pen (1921-2010). Wat Arie Glebbeek toen deed verzuchten dat we in de economie en in de economische politiek een merkwaardige terugval in publieke kennis meemaken.

Gisteren heeft Syriza de Griekse verkiezingen gewonnen en lijkt in Europa het einde weer wat dichterbij te komen van een economisch onverstandig en moreel onverdedigbaar beleid.

En vandaag is er dit fraaie blogbericht van Frances Coppola: Reflections on Recovery and Reform. Ze neemt een lang citaat op van een beroemde econoom, die later in het bericht John Maynard Keynes blijkt te zijn. Als je dat citaat leest, uit een open brief aan President Roosevelt uit 1933, dan kost het geen enkele moeite om de actualiteit er van in te zien.

En dan trek je je de haren uit het hoofd, omdat je maar niet kunt begrijpen hoe het heeft kunnen gebeuren dat de Europese politieke leiders de actuele en waardevolle economische inzichten die in het verleden door grondige studie tot stand zijn gekomen, zo roekeloos overboord hebben gegooid. Wat een onwetendheid en wat een hoogmoed.

En wat een halsstarrigheid om daar zes jaar lang mee door te gaan. En wat een moreel laakbaar handelen om in plaats van te werken aan gezamenlijk economisch herstel, grote delen van de Europese bevolking zinloos te bestraffen voor niet door hen gemaakte fouten. Als je een werkloosheid van 25 procent en een jeugdwerkloosheid van 50-60 procent en een algehele verarming van de bevolking, ziet als oorbare instrumenten om jouw doel te bereiken, dan kun je wel zeggen dat je niet alleen onverstandig, maar ook moreel laakbaar, handelt.

Lees vandaag dat blogbericht van Frances Coppola.

woensdag 16 april 2014

Waarom noemde minister Asscher de naam van Keynes? Een waarschijnlijk te optimistisch antwoord

Ik verwonderde me er gisteren over dat minister en vice-premier Lodewijk Asscher zijn speech op de Brokerdag 2014 begon met een citaat van Keynes, de grondlegger van de moderne macro-economie, maar in de rest van zijn betoog er geen enkel blijk van gaf dat hij de actualiteit van de Keynesiaanse macro-economische inzichten onderkende.

De lezing ging over het ideaal van de volledige werkgelegenheid en van Keynes kwam de gedachte dat de overheid een macro-economisch beleid moet voeren gericht op volledige werkgelegenheid. Wat inhoudt dat in tijden van crisis en vraaguitval de overheid door het naar voren halen van investeringen moet proberen om te voorkomen dat we in een evenwicht terecht komen met hoge en langdurige werkloosheid.

Je zou dus verwachten dat het noemen van Keynes de inleiding was van een betoog over het wenselijke macro-economische beleid. Maar, zoals ik gisteren meldde, dat was niet het geval. Het ging alleen maar over micro-economische beleidsvraagstukken en over de aanbodkant. Dat er in Nederland, en in Europa, iets met de vraagkant aan de hand is, dat kon je uit het betoog niet opmaken. Verwonderlijk.

Maar ik bedacht vandaag dat de verwondering ook de andere kant op zou kunnen gaan. Ik bedoel, waarom vond de minister het eigenlijk een goed idee om met een citaat van Keynes te beginnen?

Eigenlijk is dat verwonderlijk. Want je kunt er in de huidige kringen van de politiek-economische elite helemaal niet mee scoren door te laten blijken dat je wel iets van Keynes af weet. Keynes is uit. Je hebt het in die kringen voor je reputatie bepaald niet nodig om Keynes te noemen. Om tot de kring van de Very Serious People (naar Krugman) te blijven behoren, kun je dat zelfs beter vermijden. Ook sociaaldemocraten lijken daarnaar te handelen. Kijk maar naar Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en: Nederland.

Daarentegen is Keynes springlevend in de mainstream academische macro-economie. Economen als Krugman, Wren-Lewis, Summers, DeLong, Thoma en Bas Jacobs (Update: En Coen Teulings) zijn wanhopig dat de politici zich zo weinig gelegen laten liggen aan wat de economiehandboeken voorschrijven. En dat ze een obsessie met het overheidstekort en met de dreiging van te hoge inflatie hebben ontwikkeld. Die politici zijn op het ogenblik de radikalinski's en de academische macro-economen zijn middle of the road.

Dat brengt je op de gedachte dat minister Asscher en/of zijn speechschrijvers, wie weet, een heel klein beetje bezig zijn te twijfelen aan de door deze regering ingeslagen weg. Misschien beginnen ze door te krijgen wat er eigenlijk aan de hand is. Dat de onderbouwing van het bezuinigingsbeleid altijd zwak is geweest en nu al een poos helemaal in elkaar is gestort.

Maar ja, hoe maak je een omslag? Dat kan natuurlijk niet zo maar. Er is een regeerakkoord. Wat zeg ik, er is een hele reeks akkoorden. Die zet je niet zomaar aan de kant. Dat zou als "onverantwoordelijk" gezien worden.

Maar tegelijk ga je denken dat het alvast geen kwaad kan om eens, als dat zo te pas komt, de naam van Keynes te laten vallen. Daarmee wek je alvast de indruk dat je heus wel van de hoed en de rand weet. Je anticipeert op wat je verwacht dat er gaat komen: de ontmaskering van het huidige beleid als een uitkomst van ongeïnformeerdheid en ideologie.

Het is, realiseer ik mij heus wel, waarschijnlijk een te optimistische gedachte.

woensdag 5 februari 2014

Waarom stimulering van de vraag misschien onvoldoende is om volledige werkgelegenheid te bereiken. En over Keynes

In het huidige politieke en economische mainstream denken is de omvang van de werkgelegenheid, en dus van de werkloosheid, een uitkomst van de omvang van de economische bedrijvigheid. Wat we als uiteindelijke doelen horen na te streven ligt op dat terrein van die bedrijvigheid, dus van de investeringen, de totale economische productie en van de economische groei.

Maar moet het streven naar volledige werkgelegenheid, dus naar een toestand waarin iedereen die wil werken een betaalde baan kan vinden, niet het hoogst geordende doel zijn? Daar valt wat voor te zeggen, dacht ik, toen ik Keynes’s Approach to Full Employment: Aggregate or Targeted Demand? (pdf) en Full Employment Through Social Entrepreneurship: The Nonprofit Model For Implementing a Job Guarantee (pdf), beide van de Amerikaanse econome Pavlina Tcherneva, gelezen had. Update. Zie voor meer toelichting ook: Reorienting Fiscal Policy: A Critical Assessment of Fiscal Fine-Tuning (pdf)..

Daarover zo meteen meer. Maar eerst terug naar die mainstream benadering. Eigenlijk valt die uiteen in een politieke en een economische mainstream.

De politieke is het denken dat op het ogenblik in de Europese politiek de dienst uitmaakt: de politieke mainstream dus. Dat is het denken achter het bezuinigingsbeleid. Zeg maar, het neoliberalisme. Om die bedrijvigheid, productie en economische groei op te stuwen is een kleine overheid nodig, zowel qua omvang als mate van ingrijpen in de markt, en bovendien moet die overheidsbegroting zoveel mogelijk in evenwicht zijn. De overheid heeft een ingebakken neiging tot verkwisting en daar moet een rem op worden gezet. Als we dat maar doen en de markt zoveel mogelijk vrij laten ("hervormingen"), dan wordt wat we potentieel kunnen produceren ook zoveel mogelijk geproduceerd. En daar hoort een niveau van werkgelegenheid bij dat maximaal bereikbaar is. Als dat een niveau is met werkloosheid, dan moeten we het daar mee doen.

Het is dit denken dat, afgezien van de allereerste fase in 2008, de politieke reactie op de financiële crisis heeft bepaald. En dat er voor heeft gezorgd dat die crisis aanzienlijk langer voortduurt dan nodig was geweest, met veel ellende en hoge werkloosheid. Tja, werkloosheid is nu eenmaal slechts een variabele in het marktmechanisme. Het is neoliberaal beleid, maar wat zegt die naam nog als ook sociaaldemocraten, in Nederland, Duitsland, Engeland en Frankrijk, zich er achter scharen? Het is helaas het politieke midden geworden.

Die economische mainstream bestaat uit die macro-economen die, voortbouwend op Keynes, pleiten voor het stimuleren van de vraag. Ze baseren zich op het inzicht dat door vraaguitval marktevenwichten mogelijk zijn met hoge werkloosheid. Dat kan het geval zijn als de spaarparadox is ingetreden en de rente dus heel laag is. Als daardoor monetair beleid maar weinig effect meer heeft, dan is macro-economisch gezien het aangewezen beleid om de totale vraag te stimuleren. Door meer overheidsuitgaven, ook als daardoor het tekort toeneemt. De ontstane kloof tussen de potentiële productie en de feitelijke productie moet worden gedicht en dat kan alleen de overheid.

Ja, het blijft merkwaardig dat de mainstream macro-economie door de politici wordt genegeerd. Maar zie daarover Zullen politici (en kiezers) ooit het verschil begrijpen tussen de overheidsbegroting en het huishoudboekje? en Politici zijn verbazend consistent: ze kiezen altijd het verkeerde beleid - Paul de Grauwe. En ja, dit is echt de hoofdstroming in de macro-economie. Zie daarover Simon Wren-Lewis, in dit bericht en in dit bericht.

Wat deze twee gemeen hebben is, volgens Tcherneva, dat ze voor wat de werkgelegenheid betreft teveel verwachten van de markt. Voor de eerste is de spontane werking van de markt maatgevend. De werkgelegenheid die daaruit voortkomt, ook al is die niet volledig, daar moeten we het maar mee doen. En de tweede denkt dat de markt volledige werkgelegenheid zal genereren als de overheid maar het juiste beleid voert om te zorgen voor voldoende vraag.

Als we de eerste sowieso niet willen, blijft de tweede over. Maar Tcherneva brengt daar tegenin dat ook die niet volledige werkgelegenheid kan verzekeren. En dat die gedachte juist ook bij Keynes te vinden is. Hoewel Keynes zeker van mening was dat het stimuleren van de vraag in een recessie goed is voor de werkgelegenheid, zou er voor het bereiken van volledige werkgelegenheid meer nodig zijn. Want het is maar de vraag tot welke extra banen die hogere vraag aanleiding geeft en hoeveel werklozen die banen kunnen bezetten. Er ontstaan dan verdelingsproblemen. Terwijl sommige lonen stijgen, zullen er werklozen blijven. Zo is ongeveer de redenering, als ik die goed begrijp.

En daarom moet Keynes niet alleen gepleit hebben voor stimulering van de totale vraag, wat hij ook deed, maar vooral voor stimulering van de effectieve vraag, dat wil dus zeggen, de vraag naar de arbeid van degenen die werkloos zijn. De werklozen moeten aan werk geholpen worden. Hoe? Door publieke werken, dus door de overheid gefinancierde projecten, die natuurlijk wel nuttige opbrengsten moeten hebben. Maar elke opbrengst die een aan het werk geholpen werkloze produceert, tegen een acceptabel loon, is welvaartswinst. En de overheid heeft tot taak die welvaartswinst tot stand te helpen brengen.

Zijn er dan wel genoeg nuttige projecten? Niet als je de markt als maatgevend beschouwt. Want dan had de markt immers wel voor die werkgelegenheid gezorgd. Maar er zijn natuurlijk goede redenen om de markt niet als maat te nemen. Ik citeer Tcherneva die Keynes citeert:
Keynes never believed that public employment schemes could not be executed in a well-devised manner. Could we not use more universities, more local schools, and recreation areas, more theaters, museums, and galleries, more cafes or dance halls, Keynes asked. But surely there are many other pressing needs that Britain can address: public works can increase housing, improve the transportation infrastructure, and “replan the environment of our daily life […] Not only shall we come to possess these excellent things, but […] we can hope to keep employment good for many years to come” (Keynes 1980: 270). This is the essence of a good policy; it is not only driven by the intellectual conviction that full employment is essential and achievable, but it is also designed with imagination and cleverness in creating projects that are beneficial to the community as a whole.
Dit roept natuurlijk nog allerlei vragen op, maar het zette mij wel aan het denken. Het zou best kunnen zijn dat we in ons kapitalistische economisch stelsel een grotere rol moeten geven aan de overheid bij het behalen van volledige werkgelegenheid dan "alleen" het zorgen voor voldoende vraag. Zodat voor de rest de markt er wel mee redt. Dat is misschien wel niet zo.

Ik dacht natuurlijk ook even aan die ontmoetingsplekken die zo hoog nodig zijn om eenzaamheid te voorkomen en die door de markt te beperkt tot stand komen. We zouden natuurlijk meer in het algemeen ons vaker moeten afvragen wat er allemaal in ons leven waardevol is en wat daarvan niet door de markt, dus commercieel, verschaft kan worden. Sociale welvaart dus.

donderdag 17 oktober 2013

Mensen hebben liever een gestage geringere inkomenstoename dan een per saldo grotere, maar met ups en downs. En over wat dat voor het beleid betekent

Uit grafieken als deze blijkt dat meer geld niet gelukkig maakt:

Money doesn't buy happiness

Terwijl het gemiddelde inkomen (in deze grafiek in de Verenigde Staten) sterk is gestegen, is in dezelfde tijd het percentage mensen dat aangeeft zeer gelukkig te zijn gelijk gebleven. Daar zijn wel mogelijke verklaringen voor, zoals gewenning, waardoor je met meer geld eerst wel wat gelukkiger bent, maar later niet meer, en sociale vergelijking, waardoor je niet gelukkiger wordt als niet alleen jijzelf, maar iedereen meer is gaan verdienen.

Maar er is nu een nieuwe mogelijke verklaring bij gekomen. In de studie Money, Well-Being, and Loss Aversion: Does an Income Loss Have a Greater Effect on Well-Being Than an Equivalent Income Gain (betaalpoort) laten onderzoekers zien dat mensen minder tevreden worden van een inkomenstoename dan dat ze ontevreden worden van een inkomensdaling van dezelfde grootte. Dat vonden ze door in twee grote databestanden, een in Duitsland en een in Engeland, het verband te analyseren tussen veranderingen in het inkomen van mensen van jaar tot jaar en hun tevredenheid, ook van jaar tot jaar. En dan blijkt inderdaad dat wij een afkeer hebben van achteruitgang, loss aversion. Een verschijnsel dat eerder experimenteel is aangetoond door Tversky en Kahneman (pdf).

Zo verbazend is het dus op zichzelf niet. Maar het biedt wel een mogelijke nieuwe verklaring voor dat gegeven dat ons geluk niet toeneemt in een periode waarin het gemiddelde inkomen wel sterk is gestegen. Zoals in de grafiek hierboven. Want een toename van het gemiddelde inkomen door de jaren heen kan tot stand komen doordat er ook wel eens een jaar met een daling is geweest. En ook als het gemiddelde inkomen wel is toegenomen, zijn er ook altijd mensen bij wie het inkomen juist is gedaald, bijvoorbeeld door werkloosheid. En die dalingen blijken dus behoorlijk veel zwaarder uit te werken op de gemiddelde tevredenheid dan de toenames.

En wat volgt daaruit? Dat wij met zijn allen tevredener worden als onze inkomens gestaag en gering toenemen, zonder tussentijdse dalingen, dan wanneer de toename per saldo groter is, maar met ups en downs. Het gaat dus niet om de totale inkomenstoename over een bepaalde periode, maar veel meer om een stabiele toename, dus zonder fluctuaties. Kennelijk speelt hier zoiets als onze subjectief ervaren bestaanszekerheid, die we erg belangrijk vinden. Van een fluctuerend, maar uiteindelijk hoger inkomen, worden we onzeker en daar houden we niet van. Dan maar liever wat minder, maar dan stabiel.

Belangrijk om te weten. Een sterk motief voor politici en beleidsmakers om te streven naar een stabiele welvaartstoename, die niet per se maximaal hoeft te zijn. En een sterk motief voor sociale zekerheid en collectieve sociale voorzieningen. Kortom, voor een anticyclisch (Keynesiaans) macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid, samen met een behoorlijke verzorgingsstaat.

En als de democratie goed werkt, en de voorkeuren van burgers in beleid vertaald worden, dan zouden we die ook moeten hebben.

donderdag 5 september 2013

Duitse en Nederlandse sociaal-democraten bieden geen Keynesiaans alternatief. Opportunisme of onwetendheid?

Wolfgang Münchau roept de Duitse SPD op om voor de bezuinigingspolitiek van de regering-Merkel een Keynesiaans alternatief te bieden. Zie de link onderaan dit bericht. En hij verbaast zich er over dat ze dat niet al doen. Want de geschiedenis van de SPD is nauw verbonden met Keynesiaanse macro-economische inzichten. Denk aan Willy Brand, Karl Schiller en Helmut Schmidt. En in de macro-economie is in bijna de hele wereld een Keynesiaanse renaissance aan de gang.

Voor de Nederlandse sociaal-democraten geldt natuurlijk precies hetzelfde. (En voor de Engelse, de Franse, etc.) Is dat opportunisme? Denken ze dat het Neo-Keynesiaanse recept van nu de economie stimuleren en later geleidelijk bezuinigen niet door de kiezers begrepen kan worden en dat je dus maar net als de VVD het bereiken van begrotingsevenwicht boven alles moet stellen? In de trant van de valse slogan "Orde op zaken"? Of is het onwetendheid?

Als het onwetendheid is, dan zouden ze zich daarvoor moeten schamen. (Ook voor dat opportunisme, natuurlijk.) Want zoals Simon Wren-Lewis vorige week nog weer eens duidelijk maakte (zie Macro workers and macro wars) is het Neo-Keynesiaanse model nu al weer jaren lang dominant in de macro-economie. Nadat het eerder door de neoklassieke revolutie tijdelijk aan de kant was geschoven. Tijdelijk, omdat al gauw bleek dat die revolutie een achteruitgang in het vak betekende.

Met andere woorden, het vak macro-economie valt niets te verwijten. Wel valt die sociaal-democraten, en al die andere politici, te verwijten dat ze zich niet op de hoogte stellen.

Wat niet wegneemt dat die macro-economen ook wel nog wat meer van zich zouden kunnen laten horen.

Wolfgang Münchau über die Wirtschaftspolitik der SPD - SPIEGEL ONLINE:

'via Blog this'

zaterdag 17 augustus 2013

Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann)

In de herinneringen aan zijn jeugd in Duitsland (Erinnerungen und Gedanken. Eine Jugend in Deutschland, Frankfurt a.M., 1986, vertaald als In de schaduw van de tovenaar, A'dam 1993) gaat de historicus Golo Mann, zoon van de schrijver Thomas Mann, ook in op hoe hij de jaren 30 beleefde. En dan in het bijzonder de periode van de deflatiepolitiek van de regering-Brüning, die sterk overeenkomt met de bezuinigingspolitiek ("austeriteitspolitiek" raakt nu in zwang), die nu door Europese regeringen en de Europese Commissie als het juiste antwoord op de economische crisis wordt gezien.

Een politiek die in beide gevallen massawerkloosheid, armoede, uitzichtloosheid en politieke ontwrichting met zich meebrengt.

Waarschijnlijk had Hitler in Duitsland niet aan de macht kunnen komen als de regering-Brüning een verstandiger en dus Keynesiaans economisch beleid had gevoerd. En op het ogenblik zien we in Europese landen ook de signalen van politieke ontwrichting. Door te volharden in het rampzalige bezuinigingsbeleid straalt het politieke centrum steeds meer machteloosheid uit, daarmee bijdragend aan de toenemende populariteit van extremistische partijen.

Daar is al verschillende malen op gewezen. Denk aan de waarschuwing van Barry Eichengreen eind vorig jaar (Europe's Populists at the Gate en dit bericht). (Update. En niet te vergeten: James Galbraith.) En aan The Centre Cannot Hold? van Simon Wren-Lewis van vijf dagen geleden, dat eindigt met de volgende alinea:
So in the Netherlands and elsewhere in Europe, on the issue of the stupidity of pro-cyclical fiscal policy, it is only the views of politicians on the far-left or far-right that matches those of the majority of macroeconomists. Given the social, economic and political consequences of declining real wages and rising unemployment, which fiscal austerity only makes worse, this is both a very sad and rather dangerous state of affairs.
Een zeer droevige en nogal gevaarlijk toestand.

Hoe groot dat gevaar in de jaren 30 was, dat heeft de geschiedenis ons met harde hand geleerd. Golo Mann beschrijft het in het hoofdstuk dat hij wijdt aan Leopold Schwarzschild (1891-1950), de publicist die zijn politieke mentor was. Schwarzschild was al op de hoogte van het werk van Keynes en probeerde met artikelen in zijn eigen weekblad Das Tagebuch de regering-Brüning op andere gedachten te brengen. Hij riep op tot stimulering van de economie. Maar de regering volhardde en reageerde op de groei van Hitlers aanhangers met een meer nationalistisch beleid om zo de gevoelens van gekrenkte nationale trots te bevredigen. Dat zou Hitler wel de wind uit de zeilen nemen.

Het zou anders lopen en Schwarschild moet dat hebben zien aankomen. In zijn artikel Ja, als het oorlog was verzuchtte hij dat een oorlog ineens alles mogelijk zou maken wat nu werd afgewezen. In de woorden van Mann (p. 341):
dan zouden er in één klap honderdduizenden niet te vervullen arbeidsplaatsen zijn in plaats van miljoenen werklozen (...) waarom dan niet in vredestijd, voor betere doeleinden? Toen het inzicht zich aan hem opdrong dat Brüning niet van zijn harde methode wilde afstappen, toen de economische verschrikkingen van '31 precies zo verliepen als die van het vorig jaar, toen geen van de noodverordeningen die tot de 'sanering van de economie' moesten leiden ook maar het beperkte doel, dat van de sanering der staatsfinanciën, bereikten, omdat elke belastingverhoging door een nieuwe inkrimping van het nationaal produkt weer teniet werd gedaan, kwam er verandering in Schwarzschilds taal. Nu vinden we schrille, door de nood om hem heen maar al te gegronde formuleringen: 'helse cirkel van gestage belastingverhoging en inkomenskorting', 'economie verwoestende waanzin'. 'Begrijpt men wat het betekent dat een armzalig technisch hulpmiddel (namelijk het geld, GM) een volk van vijfenzestig miljoen mensen in wanhoop, ellende en oproer moet storten?'.
In het volgende hoofdstuk beschrijft  Mann dan hoe de regering-Brüning aan de kant wordt gezet en dat niet lang daarna Hitler aan de macht komt, eigenlijk dat hem de macht wordt aangeboden. Waarna hij in staat is om een persoonlijke dictatuur te vestigen en om successen te boeken door wel al die werklozen aan het werk te krijgen. Lees nog eens dit bericht en dit bericht. Maar dan door middel van de voorbereidingen op de oorlog.

Het klinkt, gelukkig nog niet tot en met die laatste stappen, allemaal verontrustend actueel.

maandag 1 april 2013

De watersnoodramp in 1953 als Keynesiaanse ‘game changer’ | Lux et Veritas

Vandaag een zeer informatief en leerzaam verhaal van Merijn Knibbe over de economische gevolgen van de watersnoodramp in 1953 en over de lessen die de politici daar nu uit zouden moeten trekken voor het economische beleid. De bestedingen moeten omhoog! In plaats van te wachten op een echte ramp of oorlog. Lezen!

Van interne devaluatie naar expansie. De watersnoodramp in 1953 als Keynesiaanse ‘game changer’ | Lux et Veritas:

'via Blog this'

woensdag 13 maart 2013

Het is niet goed om evenwicht van de overheidsbegroting als doel op zich na te streven

Vandaag heeft het Centraal Planbureau het Centraal Economisch Plan 2013 uitgebracht. Er blijkt uit dat het huidige bezuinigingsbeleid geen goede strategie is om uit de crisis te komen. De interessantste passage vind ik paragraaf 1.2, waarin het CPB een beschouwing geeft over de zich steeds maar opstapelende aanwijzingen dat bezuinigingen in een recessie dwaas zijn (woorden van Paul de Grauwe) en averechts werken. En waarin het CPB probeert een verklaring te geven voor het merkwaardige fenomeen dat politici er voor kozen, en er tot nu toe voor blijven kiezen, om het verkeerde beleid te voeren. Ik kom daar nog op terug.

Maar nu al vast even een sprong over de Oceaan, met een citaat van president Obama uit een interview met ABC News van eergisteren (mijn vertaling):
Het is niet mijn doel om een begrotingsevenwicht na te jagen alleen maar voor dat evenwicht. Mijn doel is hoe we de economie laten groeien, mensen terug naar het werk te brengen, en als we dat doen dan slagen we er ook in om meer opbrengsten te genereren.
(Dat het wat krom Nederlands is, ligt er aan dat het ook wat krom Engels is. Ja, het is spreektaal.) Zie hier de video van het interview. Dit zijn vrijwel de woorden van John Maynard Keynes: "zorg voor volledige werkgelegenheid, dan zorgt het overheidsbudget voor zichzelf".

O, laat het moment dichtbij zijn dat we net zo'n verstandige uitspraak van een Europese politieke voorman kunnen verwelkomen.