Posts tonen met het label grootouders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label grootouders. Alle posts tonen

maandag 7 september 2020

Aanvullende zorg door familieleden draagt bij aan ontwikkeling van peuters - Meer aanwijzingen voor belang van coöperatieve zorg

Het is maar een klein onderzoekje, maar toch belangrijk om te vermelden. Al was het maar om aandacht te vragen voor dit soort onderzoek, dat veel meer gedaan zou moeten worden.

Waar gaat het om? Om de studie Familial allomaternal care exposure is predictive of infant development die net is verschenen. Daarin gaat de Amerikaanse antropologe Britt Singletary na wat het voor de ontwikkeling van peuters (13 - 18 maanden) uitmaakt of ze meer of minder sociaal contact hebben met anderen dan de eigen moeder. Dat is dus het thema van het belang van coöperatieve zorg voor kinderen (allomaternal care). Zie de berichten op dit blog achter het label cooperative breeding. 

In het vorige bericht ging het over het belang van die mate van coöperatieve zorg voor de geneigdheid tot pro-sociaal gedrag. Hier gaat het over het belang daarvan voor de algehele ontwikkeling van peuters, dat wil zeggen voor de sociaal-emotionele, cognitieve, motorische en taalontwikkeling.

Daaruit komt naar voren dat die algehele ontwikkeling wordt bevorderd door de mate waarin de peuter intensieve zorg heeft ervaren van familieleden van buiten het gezin. Dat verband is in sterkte vergelijkbaar met het bekende gegeven dat meisjes zich sneller ontwikkelen dan jongens.

Het onderzoek maakt daar geen melding van, maar je denkt natuurlijk meteen aan de rol die grootouders spelen in die intensieve zorg van buiten het gezin. Denk aan Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen. En denk aan de Grootmoederhypothese. 

Zoals gezegd, het is maar een klein onderzoek. De moeders van 52 jongetjes en 50 meisjes werden ondervraagd. Dat zulk onderzoek maar weinig wordt gedaan, kan er aan liggen dat het wat meer inspanning, en dus geld, kost om die zorg van buiten het eigen gezin in kaart te brengen. In dit onderzoek werden moeders niet alleen geïnterviewd, maar werd hen ook gevraagd om gedurende twee weken een dagboek bij te houden.

Maar het kan ook zijn dat sociaalwetenschappelijk onderzoekers niet zo bekend zijn met de theorie over het belang van coöperatieve zorg. Zie nog eens het vorige bericht. Ook onderzoekers groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. En als je dan niet verder kijkt dan je neus lang is, en je je dus niet realiseert hoe merkwaardig dat eigenlijk is, dan kom je niet op het idee om daar onderzoek naar te doen. Het is niet toevallig dat Britt Singletary antropologe is.

dinsdag 30 januari 2018

Weer minder kindvriendelijk - Weer toename leeftijd vrouwen bij geboorte eerste kind

Update. Zie nu ook dit bericht in de New York Times: Even in Family-Friendly Scandinavia, Mothers Are Paid Less. Researchers say motherhood is one of the biggest causes of the gender pay gap. It might take fathers to change that.'
Update. Zie nu ook Vrouw, wil je gelijkheid? Stop met baren van Tamar Stelling op De Correspondent.
We, onze maatschappij en onze manier van samenleven, zijn weer iets minder kindvriendelijk geworden. De kindvriendelijkheid van een maatschappij kun je afmeten aan de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van het eerste kind. Het CBS meldt vandaag:
Vanaf de jaren zeventig is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen aan kinderen beginnen, toegenomen. Aan deze stijging leek aan het begin van deze eeuw een einde te zijn gekomen. Vanaf 2004 bleef de gemiddelde leeftijd bij het eerste kind een tijdlang stabiel op 29,4 jaar. Vanaf 2014 is deze leeftijd echter weer verder opgeschoven.
En die is in 2017 uitgekomen op 29,8 jaar. Je ziet de ontwikkeling hieronder afgebeeld.

Het zou om verschillende redenen beter zijn als we minder uitstel van het moederschap hadden. Kinderen zouden jongere ouders hebben. En jongere grootouders. En we weten dat in een tijd van sterk sociaal isolement van gezinnen de rol van grootouders in het opgroeien van kinderen van groot belang is: Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen.

Ook is de kans op zwangerschap en op een zwangerschap zonder complicaties kleiner bij vrouwen boven de 30. Volgens Ouders van nu is het voor vrouwen biologisch gezien het beste om tussen en 20 en 25 jaar een kind te krijgen. (Lijkt mij plausibel, maar onderzoek is mij niet bekend.) Uitstel van het eerste kind vergroot daarmee ook de kans op ongewenste kinderloosheid.

Dat steeds maar toenemende uitstel van het eerste kind, ook nog na de introductie van de pil in 1964, wijst erop dat we in een kindonvriendelijke maatschappij leven. Heel concreet komt dat naar voren uit het onderzoek waar ik in dit bericht naar verwees, waaruit blijkt dat jongere moeders, of ze nu laag- of hoogopgeleid zijn, over hun gehele leven een lager arbeidsinkomen hebben. Een citaat uit dat bericht:
Onze arbeidsmarkt en de maatschappij in het algemeen is zo ingericht dat je je vooral in je jonge en jong-volwassen jaren moet uitsloven om maatschappelijk succes te hebben. De ratrace speelt zich vooral in die periode af en daar kun je niet even uitstappen om kinderen te krijgen. Die hele constellatie is sterk discriminerend voor vrouwen.
Iets anders is dat er goede redenen zijn om de bevolkingsaanwas binnen de perken te houden. De capaciteit van de aarde is nu eenmaal niet onbeperkt. Denk aan de Doughnut-economie van Kate Raworth.

Maar we zouden de maatschappij ook zo kunnen inrichten dat vrouwen weinig kinderen krijgen, maar wel op jongere leeftijd. Je zou om maar wat te noemen de kinderopvangsubsidie kunnen verhogen, zoals Matthijs Bouman bepleit.

maandag 25 september 2017

Grootouderschapsverlof maakt samenleving kindvriendelijker en is goed voor kinderen

In het Belgische parlement is vorige week een wetsvoorstel ingediend om een grootouderschapsverlof in te voeren voor werkende grootouders. Zie Krijgen werkende opa's en oma's in België straks grootouderverlof?

Dat is om allerlei redenen een goed initiatief. Door demografische ontwikkelingen zijn grootouders gemiddeld jonger geworden. En leven ze langer. Waardoor ze meer beschikbaar zouden kunnen zijn om te helpen bij het grootbrengen van de kleinkinderen.

Die hulp blijkt heel belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen. Gezinnen zijn behoorlijk sociaal geïsoleerd geraakt, waardoor elke hulp die er nog wel kan zijn, belangrijk is. Het blijkt dat jonge stellen eerder (nog) een kind "nemen" als grootouderhulp aanwezig is. En het blijkt dat die hulp goed is voor hoe kinderen zich sociaal ontwikkelen. Kijk eens naar de eerdere berichten op dit blog over het belang van grootouders.

woensdag 27 januari 2016

Zegt de daling van het geboortecijfer iets over de kindvriendelijkheid van onze maatschappij?

Het CBS meldt vandaag dat het geboorteoverschot in 2015 met 23 duizend erg laag was. Het geboorteoverschot is het saldo van sterfte en geboorte. Je ziet de ontwikkeling sinds 1805 hieronder afgebeeld.


Eerder schatte het CBS dat het vruchtbaarheidscijfer (het gemiddelde aantal kinderen per vrouw) zou dalen van 1,71 in 2014 naar 1,66 in 2015. Het is voor het eerst sinds 1871 (!) dat de bevolking zo weinig groeide door natuurlijke aanwas. Dat we in 2015 nog groeiden, kwam vooral door het migratiesaldo.

De daling van het geboortecijfer is vooral te wijten aan het uitstel van het krijgen van kinderen. Het CBS daarover:
Ook over een langere periode is er sprake van uitstel van het moederschap. Vooral jonge twintigers krijgen nu later kinderen dan tien jaar geleden. Zo daalde het aantal geboorten per duizend twintigjarigen van 20 naar 12. Ook vrouwen van eind dertig tot begin veertig stellen nog wat verder uit.
Hier zie je dat uitstel in de periode 2004-2014 afgebeeld:

Je ziet dat de curve in het korte tijdsbestek van 10 jaar voor het oog zichtbaar naar rechts schuift.

Dat we het krijgen van kinderen steeds maar meer uitstellen, heeft grote nadelen. Al was het maar doordat kinderen opgroeien met oudere ouders en oudere grootouders. Zie Afstand en leeftijd van belang voor zorg door grootouders voor kleinkinderen.

Waarom stellen we zo uit? Hoogleraar sociale demografie Jan Latten zegt daar in Trouw over:
Het zou kunnen dat de flexibele arbeidsmarkt een rol speelt. Gemiddeld doen jongeren er langer over voor ze een vast contract hebben en daardoor hebben ze minder bestaanszekerheid. Dat kan een verklaring om nog geen gezin te stichten.
Ja, dat lijkt heel plausibel. Maar die flexibilisering heeft natuurlijk een proces versterkt dat al langer aan de gang was. Onze arbeidsmarkt en de maatschappij in het algemeen is zo ingericht dat je je vooral in je jonge en jong-volwassen jaren moet uitsloven om maatschappelijk succes te hebben. De ratrace speelt zich vooral in die periode af en daar kun je niet even uitstappen om kinderen te krijgen. Die hele constellatie is sterk discriminerend voor vrouwen.

En het blijkt te kloppen dat het niet meedoen met die ratrace, dus het niet uitstellen van kinderen, wat om allerlei andere redenen een goede keuze is, materieel slecht uitwerkt. Uit het net verschenen Deense onderzoek The Relationship between Age at First Birth and Mother's Lifetime Earnings: Evidence from Danish Data blijkt dat jonge moeders (jonger dan 25 jaar) niet alleen op korte termijn een lager arbeidsinkomen hebben, maar ook over hun gehele arbeidsleven. Dit geldt zowel voor lager- als voor hoger-opgeleiden, met dien verstande dat het verlies voor de hoger-opgeleiden groter is.

We zijn als maatschappij niet kindvriendelijk genoeg. Want het zou niet zo moeten zijn dat de kinderwens en de wens om het in je leven materieel goed te hebben tegen elkaar in werken.

dinsdag 6 januari 2015

Veel praten met kinderen is beter voor hun ontwikkeling dan veel voorlezen

Kinderen veel voorlezen is goed voor hun ontwikkeling, dat weten we. Maar nu blijkt dat veel tegen kinderen praten nog beter is. Dat is de uitkomst van de studie Does reading to infants benefit their cognitive development at 9-months-old? An investigation using a large birth cohort survey (betaalpoort).

De Ierse onderzoekers ondervroegen een representatieve steekproef van ouders van 9 maanden oude kinderen. De opzet van het onderzoek was om te kijken of het klopt dat veel voorlezen goed is voor de ontwikkeling van kinderen. Maar als vergelijking werd de moeder o.a. ook gevraagd naar hoe veel ze tegen het kind praatte terwijl ze met andere dingen bezig was, zoals met het huishouden.

Het blijkt dan dat zowel voorlezen als praten positief samenhangen met communicatie- en probleemoplossingsvaardigheden van het kind. Maar verrassend was dat praten flink meer bijdroeg aan die vaardigheden dan voorlezen.

Om wat voor vaardigheden ging het precies? Daarvoor moet je te rade gaan bij de Ages and Stages Questionnaire.  Bij communicatie gaat het bijvoorbeeld om geluidjes maken (da, ga, ka, ba), hetzelfde geluidje herhalen als iemand dat heeft gemaakt, een spelletje als kiekeboe kunnen spelen en opdrachten zoals "Kom eens hier" kunnen uitvoeren. En bij probleemoplossing om vaardigheden als een speeltje van de ene hand naar de andere brengen, twee speeltjes kunnen oppakken, in elke hand een, en vasthouden, en proberen om een lekkernij uit een fles te bemachtigen.

Doordat de onderzoekers allerlei controlevariabelen meenamen, kunnen ze aannemelijk maken dat het verband ook inderdaad oorzakelijk is. Dus dat het meer voorlezen, maar vooral dus het meer praten, bijdroeg aan de ontwikkeling van die vaardigheden. Bijvoorbeeld: de ontwikkeling gaat sneller bij borstvoeding en niet te vroeg geboren zijn. Dat zou kunnen betekenen dat de kinderen die borstvoeding kregen en niet te vroeg geboren waren, zich sneller ontwikkelden en daardoor meer voorlezen en praten van de ouders uitlokten. Maar de verbanden bleven bestaan bij statistische controle.

Veel met taal in aanraking komen doordat er veel met je gepraat wordt, blijkt dus belangrijker dan voorlezen. Hoe dat komt? De onderzoekers suggereren dat het er aan ligt dat dat praten meer gebeurt en betrekking heeft op de wereld om je heen. Verwijzingen in taal naar wat er echt om je heen is en gebeurt, dringen waarschijnlijk meer door en beklijven meer dan naar een abstracte wereld van een verhaal. Ook als dat met plaatjes wordt ondersteund. De wereld om je heen is nu eenmaal echter dan de wereld van een plaatje. Dit zou overeenkomen met de ideeën van de leertheoreticus Vygotsky (zie bijvoorbeeld hier).

Als dat praten zo belangrijk is, dan verwacht je dat het meer meemaken dat anderen dan je eigen moeder tegen je praten, ook bevorderlijk is voor de ontwikkeling van die communicatieve en oplossingsvaardigheden. Wat dit onderzoek daarover kan zeggen is niet eenduidig. Meer oppas door familie, zoals door grootouders, blijkt significant bij te dragen aan de communicatieve vaardigheden. Wat dus sterk pleit voor het terugdringen van het sociale isolement van gezinnen.

Maar meer formele kinderopvang gaat juist ten koste van die vaardigheden. Dat komt overeen met het vermoeden dat er op de crèche misschien niet zoveel tijd is om met elk kind te praten.

En je zou verwachten dat het hebben van meer oudere broers en zussen een gunstig effect heeft. Maar dat blijkt juist negatief uit te werken. En dat is wel verrassend.

Bij dat alles moeten we bedenken dat de ontwikkeling van kinderen natuurlijk meer omvat dan precies die vaardigheden waar het in dit onderzoek om gaat.

Update. Toevallig is er vandaag ook het artikel The Talking Cure van Margaret Talbot in The New Yorker over programma's in de Verenigde Staten om te bevorderen dat armere en lager opgeleide ouders meer met hun kinderen praten. Het schijnt inderdaad zo te zijn dat rijkere en hoger opgeleide ouders dat meer doen. In dat Ierse onderzoek hierboven was dat ook het geval, zij het dat er in de regionen van de hoogste opleiding weer minder gepraat werd. Overigens meldt Talbot dat de kans op praten met de kinderen sterk stijgt als de televisie uit staat.

woensdag 9 april 2014

Afstand en leeftijd van belang voor zorg door grootouders voor kleinkinderen

We weten dat de ontwikkeling van kinderen gunstig wordt beïnvloed als grootouders bij het grootbrengen betrokken zijn. De sociale omgeving van het gezin waarin het kind opgroeit, is kindvriendelijker als grootouders meehelpen. Zie Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen, De Grootmoeder Hypothese en de menselijke levensduur en Belang van kinderopvang en van grootouders voor het krijgen van kinderen.

Er is nu nieuw onderzoek dat licht werpt op de vraag wanneer grootouders meer of minder of helemaal niet meehelpen bij het grootbrengen van hun kleinkinderen.Voor de studie Predictors of Grandparental Investment Decisions in Contemporary Europe: Biological Relatedness and Beyond werden gegevens verzameld voor 12 Europese landen, waaronder Nederland. Grootouders werd gevraagd of ze de laatste 12 maanden op hun kleinkinderen gepast hadden en zo ja, hoe vaak.

Twee zaken vielen mij op. In de eerste plaats blijkt dat hoe dichter grootouders en ouders bij elkaar in de buurt wonen, hoe groter de betrokkenheid van de grootouders. De geografische afstand is een belangrijke voorspeller.

En in de tweede plaats blijkt dat de betrokkenheid groter is, hoe jonger de grootouders, de ouders en de kleinkinderen zijn. Dus hoe eerder de grootouders en de ouders aan gezinsvorming zijn begonnen, hoe meer de grootouders meehelpen.

Misschien voor de hand liggend, maar toch interessant genoeg om even bij stil te staan. Want het zegt nogal wat over hoe onze samenleving verschilt van die van de Paleo Sociale Omgeving. Daarin was het coöperatief grootbrengen van kinderen vanzelfsprekend, evenzeer als de betrokkenheid van grootouders daarbij. Er was dan ook de voortdurende onderlinge nabijheid. En er waren jonge moeders en dus jonge grootouders, juist omdat de moeders er niet alleen voor hoefden te staan.

Wat we in onze huidige maatschappij zien is daartegenover een grote mate van geografische mobiliteit en een historisch ongekend uitstel van de geboorte van het eerste kind. Waardoor komt dat eigenlijk?

Natuurlijk door de grote mate waarin wij ons leven laten bepalen door de eisen die economie en arbeidsmarkt aan ons stellen. En door het in de tijd uit elkaar liggen van belangrijke beslissingen, waardoor we de consequenties niet altijd goed voor ogen hebben.

We zijn op jonge leeftijd bereid om te verhuizen ten behoeve van opleiding en kansen op de arbeidsmarkt. We worden daarbij geleid door uitzicht op een hoger inkomen en dus materiële welvaart. Op een later moment stichten we een gezin en ontdekken we dat hulp bij het grootbrengen van onze kinderen zeer welkom zou zijn.

Maar dan ineens blijkt dat de meest voor de hand liggende verschaffers van die hulp, de grootouders, te ver weg wonen om intensief betrokken te zijn.

En daar komt bovenop dat we op grond van dezelfde materiële overwegingen de geboorte van het eerste kind zo lang mogelijk uitstellen. Want eerst moet er carrière gemaakt worden. Als dat twee generaties na elkaar gebeurt, dan is de kans groot dat grootouders te oud zijn om veel hulp te kunnen geven. In plaats daarvan beginnen ze zelf hulpbehoevend te worden. En zo laten we de sandwichgeneratie ontstaan.

De vraag komt dus op of we met zijn allen een goede afweging maken tussen onze materiële wensen en ons streven naar het goed laten opgroeien van onze kinderen.

Want bedenk ook even dat uit ditzelfde onderzoek naar voren komt dat de helft van de (biologische) grootouders helemaal niet blijkt mee te helpen bij het grootbrengen van de kleinkinderen. Dat is wel een heel groot verschil met wat mensen in die Paleo Sociale Omgeving voor elkaar kregen.

dinsdag 29 januari 2013

Nogmaals over de opvoedondersteuning Triple P

Door het sociale isolement van gezinnen kon de mythe van de opvoedbaarheid zich wijd verspreiden. We zijn gaan denken dat een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen bereikt wordt door dat ouders hen goed opvoeden. En als we aanwijzingen krijgen dat het met die ontwikkeling van kinderen niet zo goed gaat, dan vinden we dus dat we ouders daarop moeten aanspreken en dat we opvoedinterventies en opvoedondersteuning moeten aanbieden. Als ouders hun werk niet goed doen, dan moeten ze daarbij worden geholpen.

Maar we schepen ouders op met een onmogelijke taak. Want het is nog nooit zo geweest dat opvoeding door de ouders voldoende was voor een goede sociale en morele ontwikkeling van kinderen. Kinderen zijn altijd, tot voor kort, grootgebracht door een grotere sociale kring om het gezin heen (cooperative breeding). Opvoeding is een moderne uitvinding, uit nood geboren, doordat die sociale kring nu veel minder bestaat.

Maar we hebben veel te hoge verwachtingen van deze uitvinding. Hoe ouders hun kinderen opvoeden blijkt weinig effect te hebben op hoe kinderen zich sociaal en moreel ontwikkelen. Dat komt door dat sociale isolement: kinderen leren al gauw dat de buitenwereld heel anders kan zijn dan de wereld van het gezin en dat verklaart verschillen tussen hoe ze zich thuis gedragen en hoe ze zich in die buitenwereld gedragen. Daar komt bij dat we geneigd zijn om overeenkomsten in gedrag tussen kinderen en ouders toe te schrijven aan die opvoeding door de ouders. Als kinderen "deugen", dan denken we dat dat komt doordat ouders hen zo goed hebben opgevoed. Maar een flink deel van dat "effect" ontstaat door overerving van eigenschappen. De kans dat ouders die "deugen", kinderen krijgen die ook "deugen", is al vrij groot ook zonder dat effect van opvoeding. Zie Judith Rich Harris over het misverstand opvoeding.

Als we ouders met een onmogelijke taak opschepen, dan is het niet te verbazen dat ze om zich heen gaan kijken voor hulp en ondersteuning. En dat lukt hen vaak door grootouders in te schakelen en/of op andere manier hun sociale isolement te verminderen en met andere ouders hulp en steun uit te wisselen. Het krijgen van kinderen is vaak niet voor niets een fase waarin ouders actief zijn in het leggen van nieuwe contacten.

Maar daarnaast is er ook die "bedrijfstak" van opvoedinterventies en opvoedondersteuning ontstaan. Een van die interventies is het programma Triple P dat in Nederland op grote schaal wordt aangeboden. Maar een overzicht van onderzoek wees uit dat er maar weinig aanwijzingen zijn voor positieve effecten. Die effecten die zijn gevonden, zijn van korte duur en alleen voorzover gerapporteerd door de eigen moeder. In gevallen van rapportages door de vader of onafhankelijke beoordelaars werden geen positieve effecten gevonden. Zie mijn eerdere bericht daarover. En zie ook dit blogbericht. Ik was daarover niet verbaasd. Dat de eigen ouders zich gesteund kunnen voelen door deel te nemen aan zo'n programma, valt te begrijpen. Maar dat dat veel effect heeft op de ontwikkeling van de kinderen zelf, dat valt minder te verwachten.

Het Nederlands Jeugd Instituut, dat verantwoordelijk is voor de invoering van Triple P in Nederland,  reageert nu op de negatieve publiciteit. Ze werpen tegen dat er meer onafhankelijke onderzoekingen zijn die niet in dat overzicht werden meegenomen, die wel positieve effecten laten zien. (De kritiek was dat veel onderzoekers een band hadden met Triple P en dus belangen hadden bij een positieve uitkomst.) Maar die onderzoeken zijn niet Engelstalig gepubliceerd en dat is een aanwijzing, let wel, een aanwijzing, dat ze nog niet een strenge beoordeling hebben doorstaan. Vandaar dat de auteurs van dat overzichtsartikel zich tot Engelstalige publicaties hadden beperkt.

Het belangrijkste punt, namelijk dat er alleen kort durende positieve effecten zijn vastgesteld en dan alleen voorzover gerapporteerd door de moeder, blijft bestaan. En dus ook dat onafhankelijke beoordelaars geen positieve effecten op het kind vast konden stellen. Het lijkt er toch op dat opvoedondersteuning inderdaad enig soelaas kan bieden aan de ouders, maar dat de kinderen zelf er niet beter van worden.

dinsdag 30 oktober 2012

De Grootmoeder Hypothese en de menselijke levensduur

In een pas verschenen studie gingen onderzoekers door middel van computersimulatie na wat het voor de menselijke levensduur uitmaakt of er grootmoeders beschikbaar zijn om te helpen bij het grootbrengen van hun kleinkinderen. Dat is een uiterst interessante vraag omdat wij mensen in vergelijking met andere primaten, zoals de chimpansees, opvallen door:
  1. onze betrokkenheid van anderen dan de eigen moeder bij de zorg voor en het grootbrengen van kinderen (vader, grootouders, andere familie en vrienden),
  2. onze hoge levensverwachting vergeleken met bijvoorbeeld de chimpansees. Mensen hebben tegenwoordig een levensverwachting van bijna 70 jaar (zie hier). En hoewel wij voor de ontwikkeling van de moderne geneeskunde minder oud werden, waren leeftijden van 50 en 60 jaar niet ongewoon bij de jagers-verzamelaars. Chimpansees worden zelden ouder dan 40 jaar (zie hier).
Tegelijk is de periode waarin vrouwen vruchtbaar zijn vergelijkbaar met die van de andere grote apensoorten (beide begin 40). Dat betekent dat de verlenging van onze levensduur vrijwel uitsluitend een verlenging is van de periode na de vruchtbaarheid van vrouwen. En inderdaad vormden post-menopauze vrouwen een substantieel deel van de bevolkingsopbouw van de jagers-verzamelaars.

Dit gegeven leidde tot de Grootmoederhypothese, de gedachte dat de bijdrage van grootmoeders aan de overleving van hun kleinkinderen een selectiedruk creëerde op een langer leven. Eenvoudig gezegd: de genen die grootmoeders tot zorg voor hun kleinkinderen aanzetten, en de genen die een langere levensduur mogelijk maakten, leidden er samen toe dat hun genen zich  meer in volgende generaties verspreiden. Dus tegelijk meer grootmoederzorg en een langere levensverwachting.
Steun voor deze Grootmoederhypothese komt er nu ook uit dit nieuwe simulatie-onderzoek. De onderzoekers stelden een wiskundig model op voor een populatie met een levensverwachting die overeenkwam met die van chimpansees. Ze voegden toe dat grootmoeders bijdroegen aan de zorg voor kleinkinderen, waardoor de moeders eerder konden bevallen van een volgend kind. Als je, met allerlei bijkomende assumpties, dat model laat "draaien", dan neemt de levensverwachting in volgende generaties toe. En komen er dus ook steeds meer van die grootmoeders bij als proportie van de bevolking.

In die simulaties waren het alleen grootmoeders die zorg gaven. Het effect zou dus nog groter zijn als ook grootvaders en andere familieleden bronnen van zorg zijn.

Zie ook deze eerdere berichten:

Belang van kinderopvang en van grootouders voor het krijgen van kinderen

voor hedendaagse aanwijzingen dat steun, of zelfs alleen maar nabijheid, van grootouders de kans vergroten dat ouders een (volgend) kind krijgen. Grootouders dragen bij aan een kindvriendelijker sociale omgeving. Zie ook nog eens het bericht Cooperative Breeding.

donderdag 27 september 2012

Grootouderschapsverlof (in Duitsland)

De Duitse regering maakt plannen voor de invoering van het grootouderschapsverlof. Zie de link hieronder naar het bericht in Der Spiegel van vandaag. Het zou inhouden dat werkende grootouders het recht krijgen om tijdelijk verlof op te nemen met recht op terugkeer naar de arbeidsplek. Om het gemakkelijker te maken dat grootouders bijspringen en een rol spelen in het grootbrengen van hun kleinkinderen.

Het lijkt een goede ontwikkeling. Grootouders kunnen een belangrijke rol spelen in het terugdringen van het sociale isolement van onze gezinnen, dat zo slecht uitwerkt op hoe onze kinderen opgroeien. En de meeste grootouders willen ook graag die rol spelen. Het is goed om de arbeidsovereenkomst wettelijk zo in te richten dat daarmee rekening wordt gehouden. Dat hoort onderdeel te zijn van de kosten van arbeid voor ondernemingen.

Hoe zit dat dan in Nederland? Wij hebben al een algemenere wettelijke regeling die hierin voorziet, namelijk het wettelijke recht op deeltijdwerk. Daar mogen we best trots op zijn. Want veel landen zijn daar jaloers op. Zie Juliet Schor daarover.

Zie ook deze eerdere berichten over het belang van grootouders voor het goed opgroeien van kinderen:

DEMOS over grootouders en over deeltijdwerk
Belang van kinderopvang en van grootouders voor het krijgen van kinderen
Belang van nabijheid grootouders voor arbeidsparticipatie
Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen
Belang van grootouders (vervolg)
Belang van grootouders

Schröder legt Gesetzentwurf für Großelternzeit vor - SPIEGEL ONLINE:

'via Blog this'

vrijdag 24 februari 2012

DEMOS over grootouders en over deeltijdwerk

Demos (hier de pdf) heeft een artikel over het belang van grootouders, waar ik eerder over berichtte. Zie hier voor mijn vorige bericht daarover. In dezelfde aflevering ook een artikel over deeltijdwerk in Nederland. Zie daarover ook dit bericht.

zaterdag 7 januari 2012

Belang van kinderopvang en van grootouders voor het krijgen van kinderen

In dit bericht en in dit bericht maakte ik melding van het belang van nabijheid van en contact met grootouders voor het "nemen" van kinderen. De mogelijkheid dat grootouders geregeld of incidenteel te hulp schieten bij het grootbrengen van kinderen is een belangrijk bestanddeel van de kindvriendelijkheid van de sociale omgeving van gezinnen. Ik vond nu ook dit Duitse onderzoek dat laat zien dat de kans op het krijgen van het eerste kind met twintig procent toeneemt als de grootouders in dezelfde stad wonen. Het komt overeen met het inzicht dat mensen eigenlijk coöperatieve grootbrengers van kinderen zijn. Zie dit bericht over cooperative breeding. Er komt ook mee overeen dat de meeste kinderopvang gebeurt in het informele circuit van de persoonlijke relaties en daarin spelen grootouders de grootste rol.

Een interessante vraag is in welke mate de formele kinderopvangvoorzieningen een vervanging kunnen zijn voor dit coöperatieve grootbrengen. Draagt de beschikbaarheid en toegankelijkheid van formele kinderopvangvoorzieningen bij aan de kindvriendelijkheid en dus aan het krijgen van kinderen? Vandaag opent de Volkskrant met een melding van een literatuurstudie van (ex-collega) Melinda Mills en anderen, waaruit blijkt dat de toegankelijkheid en de kwaliteit van kinderopvangvoorzieningen de kans op het eerste kind vergroot. Overheden kunnen dus inderdaad het geboortecijfer laten stijgen door te investeren in goede kinderopvang.

Waarschijnlijk niet doordat de kinderopvang de rol van grootouders overneemt, want die rol blijft groot. Maar waarschijnlijk wel doordat ook als grootouders als hulp en achterwacht aanwezig zijn, het nog altijd niet meevalt om kinderen groot te brengen en om werk en zorg te combineren. Het kan zijn dat de totale belasting (voor ouders én grootouders) gewoon te hoog is.

Je zou eigenlijk een onderzoek willen waarin beide "factoren", de wel of niet nabijheid van grootouders en de wel of niet beschikbaarheid van goede en betaalbare kinderopvang, worden bekeken op hun invloed op het krijgen van kinderen. Dan zou kunnen blijken of die formele kinderopvang een toevoeging is aan de nabijheid van de grootouders. Of dat het (ook) een vervanging is. Dat zou het geval zijn als de kans op het krijgen van het eerste kind door ouders zonder grootouders in de nabijheid, maar wel met goede en betaalbare kinderopvang, even groot zou zijn als de kans  voor ouders met wel die grootouders in de nabijheid. Of zulk onderzoek bestaat, heb ik niet kunnen achterhalen.

dinsdag 27 december 2011

Belang van nabijheid grootouders voor arbeidsparticipatie

Ik heb verschillende keren bericht over het belang van contacten met grootouders voor kinderen en hun ouders. Zo besluiten stellen eerder om een kind "te nemen" als ze meer contacten met hun ouders hebben. De verwachte nabijheid en aanwezigheid van grootouders vergroot de kindvriendelijkheid van de omgeving waarin die kinderen geboren worden. Ook zijn er aanwijzingen dat het pro-sociale gedrag van kinderen wordt bevorderd door het veel contact hebben met hun grootouders.

Er zijn meer aanwijzingen voor de gunstige gevolgen van de bijdrage die grootouders leveren aan het verminderen van het sociale isolement van gezinnen. Ik zag nu dit paper dat gebaseerd is op twee grote data sets in de Verenigde Staten. De onderzoekers concluderen dat het dicht in de buurt wonen van grootouders sterk bijdraagt aan de kans dat gehuwde moeders met jonge kinderen een betaalde baan hebben. Dat die moeders meer gaan werken dan moeders die geen ouders in de buurt hebben wonen, komt niet alleen doordat die grootouders hun geregelde bijdrage leveren aan de kinderopvang en het oppassen, maar ook doordat ze beschikbaar zijn voor het geval dat er ongeplande hulp nodig is. Ze dragen gewoon bij aan de gezins- en kindvriendelijkheid van de omgeving. En maken het daardoor gemakkelijker voor moeders om betaald werk te doen.

De onderzoekers maken melding van studies in Europa (en in Nederland) die dezelfde resultaten laten zien.

donderdag 17 november 2011

Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen

Er zijn al veel aanwijzingen dat de betrokkenheid van grootouders bij hun kleinkinderen bijdraagt aan de goede ontwikkeling van die kinderen. Dit artikel somt een aantal onderzoeksresultaten op. Hoe meer kinderen een goede relatie met hun grootouders hebben, hoe geringer de kans op (internaliserende en externaliserende) gedragsproblemen, hoe minder depressieve symptomen en emotionele problemen en hoe meer pro-sociaal gedrag.

Dit doet vermoeden dat de sociale en morele ontwikkeling van kinderen wordt bevorderd als het gezin minder sociaal geïsoleerd is, in dit geval doordat grootouders bij het gezin betrokken zijn. Maar je kunt niet helemaal uitsluiten dat de oorzakelijke relatie omgekeerd is. Dat kinderen waar het goed mee gaat, leuker zijn voor grootouders om mee om te gaan.

Dat artikel, naar de samenvatting waarvan ik hierboven heb gelinkt, geeft een aanwijzing voor het tegendeel. Het laat zien dat de betrokkenheid van grootouders bij kleinkinderen en het contact met kleinkinderen als die kinderen tussen de 10 en 14 jaar oud zijn, samenhangt met hoe pro-sociaal die kinderen een jaar later zijn.

We kunnen de sociale en morele ontwikkeling van kinderen bevorderen door het sociale isolement van gezinnen te verminderen. En grootouders spelen daarin een heel concrete en belangrijke rol.

zondag 2 oktober 2011

Belang van grootouders (vervolg)

Volgens dit onderzoek in Engeland was voor 30-jarigen die vaker ontmoetingen hadden met hun ouders en die een betere band hadden met hun ouders de kans groter dat ze tussen hun dertigste en hun vierendertigste een kind kregen. Dat is dus ook een aanwijzing voor het belang van (contacten met) grootouders voor de kindvriendelijkheid van de sociale omgeving van het gezin.

Opvallend is dat het er niet toe deed of die grootouders financiële hulp gaven of hielpen bij de zorg voor de kleinkinderen. Contact en een goede band is voldoende.

vrijdag 30 september 2011

Belang van grootouders

Een aardig Nederlands onderzoek op het terrein van het coöperatief grootbrengen van kinderen verscheen vorig jaar in Human Nature. Het laat zien dat hulp van grootouders bij de zorg voor kinderen de kans vergroot dat ouders meer kinderen "nemen". Die hulp door grootouders draagt er toe bij dat kinderen meer welkom zijn, dus in een kindvriendelijker sociale omgeving opgroeien. En helpt bij het cultiveren van het pro-sociale gedrag.
("Disclosure": Ik ben een dag in de week oppas-opa.)