Posts tonen met het label sociale omgeving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale omgeving. Alle posts tonen

woensdag 9 september 2020

Of pro-sociaal gedrag je gelukkiger maakt, hangt er van af of degenen met wie je omgaat zich ook pro-sociaal gedragen - Over eudaimonisch welzijn en de Dual Mode-theorie

We zagen al aanwijzingen voorbijkomen dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt. Mensen voelen zich beter als ze anderen bijstaan, met anderen rekening houden en iets goeds doen voor anderen. 

Er is nu de pas verschenen meta-analyse Rewards of kindness? A meta-analysis of the link between prosociality and well-being, waarin het gaat om 201 onafhankelijke steekproeven met in totaal bijna 200.000 onderzochte personen. Pro-sociaal gedrag was soms informeel, zoals het helpen van vrienden, en soms formeel, zoals vrijwilligerswerk.

Over dat geheel genomen was er een zwak, maar statistisch significant, positief verband tussen pro-sociaal gedrag en welzijnsindicatoren (hedonisch of eudaimonisch geluk, psychisch functioneren en fysieke gezondheid). Dat het verband zwak is, hoeft niet te verbazen als je bedenkt dat er natuurlijk meer zaken zijn die ons welzijn beïnvloeden.

Onder dat gemiddelde zit een grote spreiding van de uitkomsten verborgen. In sommige studies was het verband veel sterker en in andere veel zwakker. De onderzoekers keken naar allerlei zogenaamde moderatoren die die verschillen zouden kunnen verklaren. Zo bleek bijvoorbeeld dat het verband groter was als het om het eudaimonische geluk ging. Daar kom ik zo op terug. Ook was het verband groter als pro-sociaal gedrag met een gevalideerde schaal was gemeten, dat wil zeggen met een vragenlijstje over hoe vaak je in bijvoorbeeld de afgelopen veertien dagen iets pro-sociaals hebt gedaan. En het verband was sterker bij informeel dan bij formeel pro-sociaal gedrag.

Zoals al eerder opgemerkt, is er het manco aan al dit onderzoek dat geen rekening wordt gehouden met de sociale omgeving van de onderzochte personen. Zie deel 3 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? Want het valt immers te verwachten dat het pro-sociale gedrag van anderen jou het veiligheidsgevoel verschaft dat jouw eigen pro-sociale gedrag uitlokt. Mensen zijn van nature altruïstisch, maar dan wel in een veilige en hen goedgezinde sociale omgeving. Zie Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt. 

En het zou goed kunnen dat de wel of niet aanwezigheid van een veilige sociale omgeving, dus van een sociaal netwerk van anderen die zich ook pro-sociaal gedragen, de belangrijkste moderator is voor het verband met welzijn. Als jij je pro-sociaal zou gedragen in een statuscompetitieve en dus onveilige of zelfs vijandige omgeving, dan wordt je daar meestal niet gelukkiger van. Vandaar immers Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Mensen zijn wel goed, maar niet gek.

Dat je gelukkiger wordt van pro-sociaal gedrag zou volgens die gedachte sterk afhangen van hoeveel anderen in jouw omgeving dat ook doen. Pro-sociaal gedrag is minder een kenmerk van individuen dan van sociale netwerken. Maar dat inzicht is nog maar heel weinig tot sociaalwetenschappelijk onderzoekers doorgedrongen.

Die gedachte wordt overigens wel opvallend ondersteund door de al genoemde bevinding van deze meta-analyse dat het verband groter is als welzijn is opgevat als eudaimonisch welzijn. Want hoe wordt dat eudaimonische welzijn gemeten? Met een vragenlijstje van 8 items waarvan twee precies slaan op de aard van die sociale omgeving, namelijk "Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol" en "Mensen respecteren mij". Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter. 

Anders gezegd, eudaimonisch welzijn is dus eigenlijk niet een individueel kenmerk, maar een kenmerk van een sociaal, "ego-gecentreerd", netwerk. Van jou en de mensen met wie je omgaat. En wat blijkt? Dan komt er precies uit wat de Dual Mode-theorie voorspelt: de mate waarin pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt, hangt af van de mate van pro-sociaal gedrag van de sociale omgeving.

donderdag 26 april 2018

Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven

We weten al dat je met pro-sociaal gedrag aan anderen het goede voorbeeld geeft. Pro-sociaal gedrag van de een lokt pro-sociaal gedrag van anderen uit. Zie het laatste bericht daarover: Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk - Nieuwe aanwijzingen.

Het zou kunnen zijn dat het een natuurlijke neiging van mensen is om pro-sociaal gedrag van anderen te imiteren. Een neiging dus om dat pro-sociale gedrag van anderen op te merken en als aanwijzing te zien dat het in de betreffende omstandigheden het juiste gedrag is.

Een aanwijzing in die richting zou zijn dat die neiging al bij heel jonge kinderen valt waar te nemen. Het onderzoek Modeling Prosocial Behavior Increases Helping in 16-Month-Olds verschaft zo een aanwijzing.

Dreumesen van 16 maanden konden iemand helpen die hulp kon gebruiken, in een geval waarin ze vlak daarvoor iemand hadden zien helpen en in een geval waarin iemand wel aanwezig was, maar niet had geholpen. In beide gevallen ging het om het aanreiken van een of meer van 6 voorwerpjes die iemand nodig had om een taak uit te voeren, die daar niet makkelijk zelf bij kon. In het geval dat ze iemand hadden zien helpen, reikten de dreumesen gemiddeld 3,9 voorwerpjes aan en in het andere geval 1,6, een significant verschil.

In het geval dat de persoon die ze konden helpen die hulp niet echt nodig had, omdat de voorwerpjes binnen handbereik lagen, werd minder geholpen, maar wel meer als de dreumesen iemand anders hadden zien helpen. Dat de behoefte aan hulp een rol speelde, geeft aan dat ze niet alleen maar gedrag imiteerden, maar dat het ook echt ging om pro-sociaal gedrag. Zowel het inzicht van de behoefte aan hulp als het goede voorbeeld speelden dus een rol.

Er is natuurlijk al wel meer onderzoek gedaan naar dit zogenaamde observational learning, maar dan ging het vooral om oudere kinderen en om het leren van nieuwe vaardigheden en om agressief gedrag. Denk aan de sociale leertheorie van Albert Bandura.

Ook is er al veel onderzoek naar spontaan helpen door dreumesen, zoals door Warneken en Tomassello (The roots of human altruism).

Dit nieuwe onderzoek is het eerste dat laat zien dat dreumesen zich bij hun pro-sociale gedrag al iets aantrekken van een goed voorbeeld. Het wijst erop dat we bij het grootbrengen van onze kinderen niet teveel alleen maar moeten vertrouwen op de expliciete instructie ("opvoeden"), maar er vooral ook rekening mee moeten houden dat kinderen zich laten leiden door wat anderen daadwerkelijk doen. Dus door wat ze in hun sociale omgeving waarnemen. Denk aan de mythe van de opvoedbaarheid.

vrijdag 6 april 2018

Zelfverheffing is goed voor je, maar niet als het de narcistische variant is

We leven onder condities van sociale vluchtigheid. Vriendschappen zijn maar weinig stabiel. En daarnaast hebben we vaak wel veel contacten, maar die zijn vluchtig van aard. Dat is een sociale omgeving waarin mensen elkaar niet zo goed kennen, omdat ze niet een lange gemeenschappelijke geschiedenis hebben.

Hoe reageren mensen op sociale vluchtigheid. Enerzijds met pogingen om contacten met anderen aan te gaan en om die te intensiveren. Het gaat er dan om aantrekkelijk te zijn voor anderen, eventueel aantrekkelijker dan je misschien echt bent.

Maar anderzijds lokt sociale vluchtigheid ook gemakkelijk statuscompetitie uit. Anderen zijn tegenstanders in de strijd om status, bewondering en aandacht. In die strijd is het zaak om je sterk en competent voor te doen, sterker en competenter dan je misschien echt bent.

In beide gevallen kan het zijn dat je zelf ook gaat geloven in hoe je je voordoet. Omdat het lastig is altijd iets voor te wenden, ga je zelf geloven in wat je voorwendt te zijn. In de sociaalwetenschappelijke literatuur staat dat bekend als zelfverheffing (self-enhancement). Een extreme variant daarvan, waarbij je jezelf zo verheft dat je op anderen neerkijkt, is narcisme. Zie Narcisten hebben baat bij sociale vluchtigheid.

Is dat verstandig om te doen? In de zin dat je je er beter door voelt?

In zekere zin wel, want je kunt er in de statuscompetitie succes mee hebben. Zelf geloven dat je competent bent, maakt dat je zelfverzekerder overkomt, waardoor anderen gaan geloven dat je ook echt competent bent. Zie Als je maar denkt dat je geweldig bent, dan ga je je zo gedragen dat anderen ook denken dat je geweldig bent.

Maar anderzijds stort je je daarmee in de statuscompetitie en dat levert stress op.

Wat is er bekend over de welzijnseffecten van zelfverheffing? De nieuwe overzichtsstudie Self-Enhancement and Psychological Adjustment: A Meta-Analytic Review geeft daar een antwoord op.

Daaruit komt naar voren dat zelfverheffing goed voor je is in de zin dat je je er beter bij voelt (positive affect) en gelukkiger en tevredener met je leven. De onderzoekers zien dat als een bevestiging van de gedachte dat mensen een fundamentele behoefte hebben om goed over zichzelf te denken.

Maar hoe goed is het om jezelf te verheffen als je ook streeft naar goede relaties met anderen, naar verbondenheid? Als je die verbondenheid met anderen afmeet aan de mate waarin anderen jou waarderen of zich met jou verbonden voelen, dan blijkt dat jouw zelfverheffing, als die meer de kant op gaat van narcisme, juist slecht voor jou uitpakt. Je maakt er geen vrienden mee. Dan gaat het om  de variant van de agentic self-enhancement.

Dat positieve welzijnseffect lijkt dus vooral tot stand te komen door die andere variant van zelfverheffing: jezelf zien als aardiger, warmer, pro-socialer dan je misschien zelf bent (communal self-enhancement).

En dat zou kunnen wijzen op een sociaal selectieproces onder condities van sociale vluchtigheid. Narcistische zelfverheffing leidt er toe dat anderen zich van je afwenden, omdat ze doorhebben dat jij op hen neerkijkt. Daarentegen straal je met pro-sociale zelfverheffing uit dat je verbondenheid met anderen zoekt, waardoor contacten met gelijkgestemde anderen juist gemakkelijk tot stand komen.

woensdag 1 november 2017

Waardoor neemt de criminaliteit af? De rol van buurtorganisaties in de Verenigde Staten - En over het hart van de sociologie

Update. Ook de New York Times besteedt nu aandacht aan dit onderzoek. Zie The Unsung Role That Ordinary Citizens Played in the Great Crime Decline van Emily Badger.
De politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten zijn zacht gezegd zorgwekkend. Maar laten we eens stilstaan bij een trend die opvallend positief is: de sinds het midden van de jaren 90 steeds maar dalende criminaliteitscijfers. De cijfers voor de geweldsmisdrijven halveerden en de vermogensmisdrijven namen af met ruim 40 procent (What Caused The Crime Decline?).

Dat is een indrukwekkende daling. Wat kunnen daarvan de oorzaken zijn geweest? Een reeks van meer of minder goed onderbouwde verklaringen is aangedragen. Zie voor overzichten 10 (Not Entirely Crazy) Theories Explaining the Great Crime Decline, What Caused the Crime Decline? en
What Caused the Great Crime Decline in the U.S.?.
Ook in Nederland maken we een opvallende daling van de criminaliteit mee. Zie Verdere daling geregistreerde misdrijven en verdachten voor de cijfers sinds 2007 (maar de daling was al eerder ingezet). En ook hier zijn allerlei mogelijke verklaringen aangedragen, zoals hier door het WODC.
Maar er is nu de nieuwe Amerikaanse studie Community and the Crime Decline: The Causal Effect of Local Nonprofits on Violent Crime, die laat zien dat in de Verenigde Staten de daling van de geweldsmisdrijven in ieder geval voor een deel ook is toe te schrijven aan de toegenomen activiteit van nonprofit organisaties die op lokaal niveau werkzaam zijn.

Het gaat dan om organisaties die
  • zich specifiek richten op misdaadpreventie
  • werken aan buurtontwikkeling (denk aan wat wij opbouwwerk noemen)
  • zich bezig houden met drugsbestrijding
  • job training aanbieden en arbeidspotentieel vergroten (workforce development programs)
  • vrijetijds- en sociale activiteiten organiseren voor jongeren.
Kortom, om organisaties die proberen om lokaal een veilige, sociale omgeving proberen tot stand te brengen, waarin mensen elkaar kennen, waarin degenen die dat nodig hebben worden geholpen en waarin mogelijkheden bestaan om je vrije tijd zinvol en samen met anderen te besteden.

En ja, dat is natuurlijk eigenlijk "gewoon" de sociale omgeving zoals mensen die nodig hebben om zich tot verantwoordelijk en moreel persoon te kunnen ontwikkelen. Zeg maar een gemeenschapsomgeving. Die tegenwoordig niet meer als vanzelfsprekend aanwezig is, maar die je wel met inspanning (soms veel inspanning) en goede wil (soms veel goede wil) tot stand kunt brengen.

En die dus aanwijsbaar lagere criminaliteitscijfers tot gevolg heeft.
De onderzoekers plaatsen hun werk terecht in de theoretische traditie van het "systemische model van de gemeenschapsorganisatie" en van de sociale desorganisatietheorie, die tot het hart van de sociologie gerekend kunnen worden. Denk aan het werk van Robert J. Sampson (Mensen wonen in buurten! Nieuw boek van Robert Sampson).

maandag 24 juli 2017

Is slechts een op de vijf mensenlevens een leven zonder een psychische aandoening?

Er zijn aanwijzingen voor een ernstige mismatch tussen de fysieke en sociale omgeving waarin mensen tegenwoordig hun leven doorbrengen en het soort omgeving waarop mensen in het verleden werden geselecteerd en waarop ze qua aanleg zijn voorbereid.

Dat is niet verwonderlijk, want een zo grote en snelle verandering in de leefomgeving zoals de mensheid die sinds de landbouwrevolutie heeft meegemaakt, komt in het dierenrijk maar weinig voor. Of leidt, als hij voorkomt, al gauw tot het uitsterven van de soort.

De gevolgen van die snelle verandering valt af te lezen aan het voorkomen van fysieke en psychische gezondheidsproblemen. Het opgroeien in een omgeving die niet zo goed bij ons past, gaat gepaard met type II allostatische stress, die op den duur gezondheidsproblemen met zich brengt. Een belangrijke oorzaak lijkt te zijn dat we meer dan goed voor ons is geconfronteerd worden met de uitdagingen van statuscompetitie en eenzaamheid. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Er kan discussie zijn over hoe ernstig de problemen zijn. Je kunt je schouders erbij ophalen en erop vertrouwen dat mensen zo flexibel zijn dat ze zich wel aan van alles kunnen aanpassen. Dat is de gedachte van de menselijke natuur als een onbeschreven blad (blank slate). Maar die gedachte is in de sociale wetenschappen al tientallen jaren op zijn retour.

Dat de problemen wel degelijk serieus zijn, zou je kunnen beseffen als je bedenkt hoeveel mensen lijden aan een psychische aandoening. Er zijn schattingen dat per jaar tegen de 40 procent last heeft van enige psychische aandoening (angststoornis, depressie, slapeloosheid, somatomorfe stoornis, alcohol- en drugsverslaving of ADHD). Dat die stoornissen te maken hebben met het soort omgeving waaraan mensen zich moeten aanpassen, lijkt waarschijnlijk als je bedenkt dat de meeste problemen beginnen gedurende de adolescentie en jongvolwassenheid. Zie Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis? En zie voor aanwijzingen voor een toename van psychische problemen: De toename van psychische problemen is een echte toename, niet alleen maar een toename van diagnoses.

Wat zou dat betekenen als je zou kunnen kijken naar hoeveel mensen gedurende hun leven tenminste één periode doormaken waarin ze aan een psychische aandoening lijden? Of anders gezegd, hoeveel mensen blijven er gedurende hun leven van gevrijwaard?

Het nieuwe onderzoek Enduring Mental Health: Prevalence and Prediction geeft daar een antwoord op. Zie ook Mental Illness Is Far More Common Than We Knew. De onderzoekers volgden een generatie inwoners van een stad in Nieuw-Zeeland van de geboorte tot dat ze 38 jaar waren. Wat de jaarlijkse prevalentie betreft, wijkt de stad niet af van wat een normaal gemiddelde is. Het blijkt dan dat voor ruim 80 procent van deze generatie geldt dat ze op tenminste enig moment in hun leven een (overigens vaak korte) periode doormaakten waarin ze last hadden van een psychische aandoening. Slechts 17 procent bleef van enige aandoening gevrijwaard.

Andere studies wijzen in dezelfde richting wijzen. Het meemaken van een periode van psychische lijden lijkt dus eerder de norm dan een uitzondering.

maandag 15 mei 2017

Na, en door, overgang naar voortgezet onderwijs meer statuscompetitie onder leerlingen

Hoe onze kinderen opgroeien verschilt sterk van de stabiele en leeftijdsheterogene sociale omgeving waar ze naar aanleg op zijn voorbereid en waar ze het beste in gedijen.

Want buiten het eigen gezin is er tegenwoordig vooral de leeftijdshomogene groep van de klasgenoten. We weten dat die omgeving gemakkelijk statuscompetitie uitlokt, de strijd om wie populair en wie cool en wie stoer is. En we weten dat het meedoen aan die competitie negatief uitwerkt op het welbevinden. En trouwens ook op de schoolprestaties. Zie nog eens de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait. En zie over het verband tussen statuscompetitie en pesten: Pesten is een vorm van statuscompetitie - Nieuwe aanwijzingen.

Daar komt bij dat die sociale omgeving weinig stabiel is. In een stabiele omgeving leren kinderen elkaar beter kennen, waardoor gemakkelijker onderlinge vertrouwdheid en vriendschappen ontstaan en waardoor de strijd om populariteit wordt teruggedrongen.

Maar door overgangen tussen onderwijsniveau's vinden er van tijd tot tijd reshuffles plaats in de groepssamenstellingen, die de kans op een opleving van de statuscompetitie doen toenemen.

Dat dat laatste inderdaad het geval is, blijkt uit de nieuwe studie The Trajectory of Popularity Goal During the Transition to Middle School. De onderzoekers volgden leerlingen voor en na die overgang en namen op gezette tijden een vragenlijstje af met onder meer vragen naar hoe belangrijk leerlingen het vonden om populair te zijn en om populariteit na te streven.

Het bleek toen dat het populariteitsdoel na de overgang naar het voortgezet onderwijs gedurende een bepaalde periode significant meer werd nagestreefd.

Wat bovendien naar voren kwam is dat leerlingen ook zelf die toename van de statuscompetitie waarnamen. En dus werden beïnvloed om er aan mee te doen. Ja, je past je aan aan wat je om je heen ziet gebeuren. Denk aan Het puberbrein en de peergroup.

Die kunstmatige sociale omgeving van leeftijdshomogeniteit en instabiliteit waaraan we onze kinderen blootstellen, die heeft door dat aanwakkeren van de statuscompetitie voorspelbare negatieve gevolgen.

En we hebben daar, zo lijkt het, onvoldoende oog voor.

maandag 20 maart 2017

Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

Voor het project "50 years" ben ik bezig met de vraag naar het leren van lessen uit het verleden. Die vraag kun je opvatten als de vraag naar persoonlijke ontwikkeling gedurende de levensloop. En die persoonlijke ontwikkeling kan betekenen dat je, zeg maar, beter leert te leven. Het leek me dat verschillende berichten op dit blog iets zouden kunnen vertellen over wat dat "beter leren te leven" inhoudt. Vandaar dat ik ze bij elkaar gezocht heb en hieronder heb weergegeven.


Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

(Blog 29 oktober 2011)

Iedereen wil graag gelukkig zijn, maar verstaan we wel hetzelfde onder geluk? Nee, er zijn verschillen tussen mensen in de betekenis die ze aan geluk geven. Een interessant verschil is dat naar leeftijd en dus naar hoeveel verleden iemand heeft om lessen uit te trekken.
Er zijn aanwijzingen (Mogilner, Kamvar en Aaker, 2011) dat jongeren bij geluk meer denken aan opwindende ervaringen ("excitement"), terwijl ouderen geluk meer opvatten als vredigheid ("peacefulness"). Dit lijkt er mee samen te hangen dat jongeren meer op de toekomst georiënteerd zijn en ouderen meer op het heden.

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Bij persoonlijke ontwikkeling kun je dus denken aan het leren van lessen uit je ervaringen met het oog op waar het in het leven echt om gaat.

(Blog 24 mei 2012)

Nieuw onderzoek (Brassen, Gamer, peters, Gluth en Büchel, 2012) wijst erop dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hiervan op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde erdoor vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. 

En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

(Blog 21 maart 2014 en 7 januari 2013)

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er onderzoek waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd (Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. 2015). Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die
geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Brittannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het eraan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van word? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is. Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan. En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn.

We weten weliswaar dat met het ouder worden onze cognitieve vermogens achteruitgaan. We verwerken informatie minder snel en ons geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho, 2013) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

En die grotere selectiviteit zou er weleens aan kunnen bijdragen dat ouderen de stress van de statuscompetitie achter zich kunnen laten.

Ik denk dus dat die U-vorm van geluk voortkomt uit de grote mate van statuscompetitie die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang-oetans zien we diezelfde U-vorm (Weiss, King, Inoue-Murayama, Matsuzawa en Oswald, 2012).

Samengevat: dat wij mensen zoiets als persoonlijke ontwikkeling kennen, en dat we dus lessen uit ons verleden leren, betekent dat we met het ouder worden (uiteindelijk) gelukkiger worden, onze authentieke behoeftes beter kennen, beter met onze emoties omgaan en selectiever worden. En dat alles hangt er weer mee samen dat we opgroeien in een statuscompetitieve maatschappij, dat wil zeggen in een mismatch tussen onze natuurlijke aanleg tot goedheid en de statuscompetitieve omgeving waarin we opgroeien.

Wat zijn eigenlijk die aanwijzingen voor onze natuurlijke goedheid? Daarover gaan de volgende drie blogberichten.

(Blog 29 december 2016)

Zijn wij van nature goed? Ja, volgens nieuw onderzoek is dat zo.

Daarover zo meteen meer. Eerst: wat betekent het eigenlijk om "van nature" iets te zijn of "van nature" iets te kunnen?

Ik dacht daarover na toen ik bij hoofdstuk 2 (The Testimony of the Senses) van David Eagleman's boek Incognito. The Secret Lives of the Brain) was aangekomen. Hersenonderzoeker Eagleman legt daarin uit hoe wij leren zien.

Dat gebeurt niet alsof wij met een leeg schoolbord in onze hersenen geboren worden waarop dan vervolgens alle binnenkomende prikkels worden geprojecteerd en opgeslagen. Dat zou betekenen dat er pas hersenactiviteit ontstaat als er van buiten prikkels arriveren.

Nee, er is in die hersenen al van alles aan de gang en die activiteit wordt veranderd en bijgesteld (gemoduleerd) door wat er binnenkomt.

Waarnemen is dus nooit alleen maar registreren. Het is het bijstellen van wat er al aan activiteit is. Eagleman (p. 45):
internally generated activity is modulated by sensory input. In this view, the difference between being awake and being asleep is merely that the data coming in from the eye anchors the perception. Asleep vision (dreaming) is perception that is not tied down to anything in the real world; waking perception is something like dreaming with a little more commitment to what's in front of you.
Hetgeen verklaart dat wij "hallucinaties" krijgen bij zintuiglijke deprivatie, zoals in een donkere en geluidsdichte kamer. We blijven dan waarnemen, maar zonder input van de buitenwereld.

We worden dus al waarnemend geboren, maar dat speelt zich dan nog af binnen het gesloten systeem van onze hersenen. Op grond daarvan gaan we de externe wereld waarnemen, doordat de interne "beelden" worden bijgesteld aan de hand van wat er binnenkomt.

Vergelijk dat met het programma voor lopen dat in ons zenuwstelsel bij de geboorte klaarligt. Leren lopen betekent dat dat programma wordt bijgesteld zodra een volwassene je onder je armpjes pakt en je met je voetjes op de vloer zet. Je hebt dan al van nature de neiging om een soort pasjes te maken. Wat je dan voelt, zijn de prikkels waarmee je loopprogramma wordt bijgesteld en verfijnd.

Nu terug naar de vraag of wij van nature goed zijn. Zijn wij net zoals op waarnemen en lopen ook voorbereid op een sociaal leven waarin mensen elkaar goedgezind zijn?

Je zou zulks kunnen verwachten omdat kinderen gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis geboren werden in (jagers-verzamelaars-)groepen waarin delen en samenwerken vanzelfsprekend waren. In de huidige samenleving is er daarnaast ook vrijwel altijd statuscompetitie en statushiërarchie, maar die toestand bestaat nog maar zo'n acht- tot tienduizend jaar.

Een aardig inzicht in onze natuurlijke goedheid geeft de studie The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture (Hepach, Vaish en Tomasello, 2017). Zie ook de eerdere studie Young children are intrinsically motivated to see others helped van dezelfde onderzoekers.

De onderzoekers lieten kinderen van twee en een half jaar een spelletje doen waarbij ze konden slagen of niet. De positieve emotie bij het slagen werd, volgens een bekende procedure, afgelezen aan de lichaamshouding en de gelaatsuitdrukking (glimlachen). Het bleek toen dat de kinderen net zo positief reageerden als ze zelf slaagden als wanneer ze een ander hadden geholpen met te slagen.

In die eerdere studie was al gebleken dat kinderen van twee jaar even positief reageerden als zij zelf iemand hadden geholpen dan wanneer een ander die persoon hielp. Een aanwijzing dat het er om ging dat iemand hulp kreeg. In plaats van dat jij je erop zou willen voorstaan dat jij had geholpen. In dat laatste geval zou het gaan om berekenend pro-sociaal gedrag.

Aanwijzingen dus dat wij van nature goed zijn. Dat we er op zijn voorbereid om anderen bij te staan en om het als plezierig te ervaren dat anderen worden geholpen.

En dat brengt je tot het inzicht dat het opgroeien en het opgevoed worden en het socialiseren in de maatschappij waarin wij leven, er in resulteert dat die natuurlijke goedheid wordt bijgesteld, veranderd en, ja, deels de kop ingedrukt.

Ik moest denken aan Picasso, die gezegd moet hebben dat elk kind als kunstenaar wordt geboren, waarna dat talent in de opvoeding en het onderwijs wordt verdrongen.

(12 januari 2017)

Een andere aanwijzing voor onze natuurlijke goedheid zou zijn als zou blijken dat wij meer pro-sociaal zijn als we minder tijd hebben om na te denken. Als het onze eerste impuls is om iemand te helpen die hulp kan gebruiken, dan wijst dat erop dat die goedheid als het ware is ingebakken. Zeker als zou blijken dat we minder zouden helpen als we meer tijd hebben. Het nadenken over wat het helpen ons zou kosten, zou dan tot gevolg moeten hebben dat we onze help-impuls onderdrukken.

Of dat zo werkt, is onderzocht in de studie Intuitive help and punishment in the field van onderzoekers van de Erasmus Universiteit (Artavia-Mora, Bedi en Rieger, 2017). Ze deden dat onderzoek op het Malieveld in Den Haag. Een van de onderzoekers stelde zich daar op en liet een handschoen op de grond vallen als er een voorbijganger naderde. Daarbij de indruk wekkend dat hij dat zelf niet merkte.Hij deed dat oftewel als die voorbijganger op 13 meter afstand was oftewel als die al tot 4,5 meter genaderd was.

Die afstanden waren gemarkeerd met fietsen die
daar onopvallend waren neergezet (er stonden meer fietsen). Op de foto zie je een situatie met een korte afstand.

Gekeken werd of de voorbijganger gewoon doorliep of op de ene of de andere manier hielp (de handschoen oppakken en aanreiken of erop attenderen dat de handschoen was gevallen). Naderhand werden alle voorbijgangers ondervraagd, waarbij bij degenen die gewoon waren doorgelopen gevraagd werd of ze het vallen van de handschoen hadden opgemerkt. Als dat niet het geval was, werden ze niet meegeteld.

Het bleek toen dat in die gevallen waarin de afstand 4,5 meter was, waarin je ongeveer 3,5 seconden de tijd hebt, meer voorbijgangers hielpen (74,6 procent) dan wanneer de afstand 13 meter was en je ongeveer 10 seconden de tijd hebt (56,5 procent), een statistisch significant verschil. Hoe minder tijd je hebt om na te denken, hoe groter de kans dat je helpt.

(21 mei 2012)

Er is meer onderzoek dat in deze richting wijst. Uit Are social value orientations expressed automatically? Decision making in the dictator game (Cornelissen, Dewitte en Warlop, 2011) valt op te maken dat als we niet te veel nadenken, zeg maar spontaan of automatisch handelen, pro-socialer zijn dan wanneer we weloverwogen handelen.

De onderzoekers baseren zich op de inzichten die we hebben in de verschillen tussen mensen in hun sociale waardenoriëntaties. Mensen lijken behoorlijk goed te kunnen worden ingedeeld in aanhangers van pro-sociale waarden en aanhangers van egoïstische waarden. Als je mensen vraagt om te kiezen tussen allerlei verdelingen over henzelf en "een andere persoon", dan blijken sommigen een voorkeur te hebben voor zo groot mogelijke en zo gelijk mogelijke opbrengsten voor beiden. Dit zijn de pro-socialen. Maar anderen, de egoïsten, geven er blijk van dat ze alleen maar zelf een zo hoog mogelijke opbrengst willen (de individualisten) of een zo groot mogelijk verschil met de andere persoon in hun eigen voordeel (de competitievelingen). Deze waarden blijken behoorlijk stabiel te zijn. En de meeste mensen blijken ingedeeld te kunnen worden als pro-sociaal of egoïstisch.

Van de 159 proefpersonen die aan dit onderzoek meededen, bleken er 80 voldoende consistent pro-sociaal te zijn en 70 voldoende consistent egoïstisch. Deze 150 personen kregen vijf munten van €0,20, die ze moesten verdelen over zichzelf en een willekeurige andere, anonieme, deelnemer, waarbij gold dat ze konden houden wat ze voor zichzelf hielden. Met andere woorden, ze speelden een zogenaamd Dictator Spel.

Voorafgaand aan dat spel kreeg de ene helft van de deelnemers de opdracht om dit getal van zeven cijfers te onthouden: 5684524. Terwijl de andere helft het getal 1234567 moest onthouden. Beide getallen waren gedurende 8 seconden op het computerscherm te zien. Deze opdracht was bedoeld om te kunnen nagaan wat het effect zou zijn van het cognitief afgeleid worden bij het spelen van het Dictator Spel. Uiteraard vergt het veel meer bewuste aandacht om dat eerste getal te onthouden dan het tweede. En de gedachte was dat daardoor de beslissing over hoeveel munten weg te geven veel meer automatisch en minder weloverwogen zou worden genomen.

Wat was het resultaat? De cognitieve afleiding zorgde er alleen bij de pro-socialen voor dat ze meer munten weg gaven. Als ze niet werden afgeleid, en er dus meer over na dachten, gaven ze minder weg en wel net zo veel als de egoïsten. De bestaande neiging tot pro-sociaal gedrag komt dus gemakkelijker tot uiting als je meer automatisch handelt.

Wat gebeurt er dan precies bij dat meer weg geven als je automatisch handelt? De onderzoekers vermoedden dat pro-socialen meer de neiging hebben om zich verbonden te voelen met anonieme, andere personen. En dat egoïsten minder die neiging hebben. Dat bleek in een vervolgonderzoek ook inderdaad het geval te zijn. (Voor de geïnteresseerden: ze deden dat met de Inclusion of Other in the Self Scale.) En bovendien bleek dat grotere gevoel van verbondenheid voor een deel te verklaren waarom pro-socialen meer weg gaven als ze werden afgeleid. Als pro-socialen er minder over nadenken, nemen ze gemakkelijker aan dat een anonieme andere persoon iemand is waar mee je je wel verbonden kunt voelen. En dus geven ze meer weg.

Dat werd tenslotte nog eens op een andere manier bevestigd door in een derde onderzoek de helft van de proefpersonen de indruk te geven dat ze het Dictator Spel speelden met een andere persoon die wat interesses en dagelijkse bezigheden sterk op hen leek. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen zich gemakkelijker verbonden voelen met anderen die op hen lijken. En wat bleek? Degenen die speelden met iemand die op hen leek gaven meer weg dan degenen die speelden met iemand die juist weinig op hen leek, maar alleen als ze werden afgeleid. En dit gold niet alleen voor de pro-socialen, maar ook voor de egoïsten. Ook de egoïsten geven meer weg aan iemand waarmee ze zich verbonden voelen, maar alleen als ze er niet te lang over kunnen nadenken.

Wat leren we hiervan? Dat waarschijnlijk ook in situaties in het dagelijks leven waarin mensen meer of minder met anderen rekening kunnen houden, en waarin geen duidelijke normen bestaan over hoe je je hoort te gedragen, mensen die al pro-sociaal van aard zijn, zich pro-socialer gedragen als ze meer op de automatische piloot handelen. En dat laatste geldt zelfs ook voor egoïsten, maar alleen als ze zich met anderen verbonden voelen.

Dit alles lijkt mij te suggereren dat onze impuls tot pro-sociaal gedrag ook echt een impuls is. En dus vanuit een "dieper" niveau van onze hersenen afkomstig is dan daar waar we bewust en weloverwogen over ons gedrag nadenken.

(6 februari 2017)

Dat mensen van nature goed zijn, betekent natuurlijk niet dat ze zich altijd pro-sociaal gedragen. Belangrijk is of ze signalen waarnemen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen.

Want mensen zijn zowel in staat tot gemeenschapsgedrag als tot statuscompetitiegedrag en laten zich bij de "keuze" daartussen leiden door wat ze anderen zien doen.

Het mooie van pro-sociaal gedrag is dus dat je er dubbel goed mee doet: niet alleen doe je zelf iets goed voor anderen, maar je draagt er ook toe bij dat derden dat waarnemen en zich daardoor ook pro-sociaal gaan gedragen.
Dat dat zo werkt, blijkt nu weer eens uit het nieuwe onderzoek: Indirect reciprocity and prosocial behaviour: Evidence from a natural field experiment (Mujcic en Leibbrandt, 2017).

Het gaat om een experimenteel veldonderzoek, uitgevoerd op een grote parkeerplaats in een stad in Australië. Die parkeerplaats had een serie uitgangen naar een over de gehele breedte gelegen weg. Als je die parkeerplaats verlaat, dan kan het gebeuren dat er van rechts een auto komt aanrijden die jou wel of niet de gelegenheid geeft om de weg op te rijden. Als de bestuurder van die auto dat doet, dan is dat een vorm van pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers hadden het experiment zo opgezet dat ze eerst na gingen hoe vaak het gebeurde dat als een van hen de parkeerplaats wilde verlaten op het moment dat een auto aan kwam rijden, die automobilist inhield in plaats van door te rijden. Dat bleek in bijna 15 procent van de gevallen te gebeuren. Dat is, zou je kunnen zeggen, in deze situatie de hoeveelheid pro-sociaal gedrag die je als baseline kunt verwachten.

Maar wat gebeurde er als die automobilist die aan kwam rijden, even daarvoor zelf bij het verlaten van de parkeerplaats voorrang had gekregen? Dat gebeurde in die experimentele conditie door de andere onderzoeker die daar "toevallig" net kwam aanrijden en hoffelijk inhield.

In die gevallen verdubbelde het pro-sociale gedrag tot ruim 32 procent, een statistisch significant verschil.

We kunnen dus allemaal iets bijdragen aan een aardiger maatschappij. Door aardig gedrag van anderen uit te lokken door zelf aardig te zijn. Niet als een voor-wat, hoort-wat, maar gewoon als het goede voorbeeld. Als een herinnering aan hoe we zouden willen dat we met elkaar omgaan.

En ook dit onderzoek wijst erop dat we een natuurlijke neiging hebben tot pro-sociaal gedrag, maar dat die in werking treedt als we maar genoeg aanwijzingen krijgen voor de aanwezigheid van een sociale omgeving van wederzijdse hulpvaardigheid en goedgezindheid.

Literatuur
Artavia-Mora, L., Bedi, A.S. en Riger, M. (2017). Intuitive Help and Punishment in the Field. European Economic Review 92: 133-145
Brassen, S., Gamer, M., Peters, J., Gluth, S. en Büchel, C. (2012). Don’t Look Back in Anger! Responsiveness to Missed Chances in Succesful and Nonsuccesful Aging. Science 336: 612-614
Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. (2015). Longitudinal Evidence for a Midlife nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets. The Economic Journal 127: 126.142
Cornelissen, G., Dewitte, S. en Warlop, L. (2011). Are Social values Orientations Expressed Automatically? Decision Making in the Dictator Game. Personality and Social Psychology Bulletin 37: 1080-1090
Eagleman, D. (2016). Incognito. The Secret Lives of the Brain. Canongate Books, Edinburgh en Londen
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2012). Young children are intrinsically motivated to see others helped. Psychological Science 23: 967-972
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2017). The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture. Developmental Psychology 53: 100-113
Mogilner, C.; Kamvar, S.D. en Aaker, J. (2011). The Shifting Meaning of Happiness. Social Psychological and Personality Science 2: 395-402
Mujcic, R. en Leibbrandt, A. (2017). Indirect Reciprocity and Prosocial Behaviour: Evidence From a Natural Field Experiment. The Economic Journal Accepted manuscript online 24 Januari
Sheldon, K.M. en Kasser, T. (2001). Getting older, Getting Better? Personal Strivings and Psychological Maturity Across the Life Span. Developmental Psychology 37: 491-501
Stone, A.A., Schwartz, J.E., Broderick, J.E. en Deaton, A. (2010). A Snapshot of the Age Distribution of Psychological Well-Being in the United States. PNAS 107: 9985-9990
Weiss, A., King, J.E., Inoue-Murayama, M., Matsuzawa, T. en Oswald, A.J. (2012). Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being. PNAS 109: 19949-19952
Zhang, X., Fung, H.H., Stanley, J.T., Isaacowitz, D.M., en Ho, M.Y. (2013). Perspective Taking in Older Age Revisited: A Motivational Perspective. Developmental Psychology 49: 1848-1858

dinsdag 14 maart 2017

Naast het ontvangen van steun is het geven van steun goed voor je

Toen sociaalwetenschappelijk onderzoekers zich bezig gingen houden met het verband tussen sociale omgeving en welbevinden en gezondheid, zaten ze aanvankelijk op het spoor dat het ontvangen van sociale steun voor dat verband verantwoordelijk is. Volgens die redenering is het hebben van relaties met familie en vrienden goed voor je doordat zij jouw (materiële en emotionele) steun geven als je die nodig hebt en is het die ontvangen steun die positieve effecten heeft. Zie Gezondheid en sociale omgeving (2): sociale steun ontvangen, waarnemen en geven.

Die redenering was nog gebaseerd op een economisch gedragsmodel van eigenbelang en het afwegen van kosten en baten. Ontvangen steun ligt aan de batenkant en het is dus "logisch" dat je je daardoor beter voelt.

Volgens diezelfde redenering zou dus het geven van steun aan anderen negatieve effecten moeten hebben. Het gaat immers om kosten. Maar dat bleek dus al gauw niet te kloppen. Als je in onderzoek mensen vraagt naar hoeveel steun ze ontvangen en hoeveel ze geven, dan komt daar eigenlijk altijd uit dat beide positief uitwerken op het welbevinden en de gezondheid en de levensduur.

En dat is in de sociale wetenschappen een van de aanleidingen geweest om dat economische gedragsmodel te vervangen door een evolutionair-psychologisch model van de mens als een sociale diersoort. Exemplaren van een sociale diersoort zijn voor hun overleving en reproductie afhankelijk van het hebben van goede relaties met anderen en zijn er op geselecteerd om het prettig te vinden die anderen bij te staan. Niet uit economische (!) berekening, maar doordat het goed voelt. Vandaar het inzicht dat mensen van nature goed zijn. Zie Zijn wij van nature goed? Ja, maar... en Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is.

Het nieuwe onderzoek The psychological costs of social support imbalance: Variation across relationship context and age is de aanleiding om daar weer eens bij stil te staan. Uit analyses van het Midlife in the United States - project blijkt dat zowel het ontvangen als het geven van steun elk op zich samen gaan met minder stress, minder depressieve klachten, minder angstgevoelens en een betere stemming.

Wat er weer eens op wijst dat mensen van nature zorgverleners zijn. Denk er ook nog even aan dat een zinvol leven leiden, wat onder meer inhoudt dat je anderen bijstaat, beter voor je is dan gelukkig zijn (Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter).

In het onderzoek werd ook gekeken naar de effecten van onevenwichtigheid in het uitwisselen van steun, dus van het meer steun krijgen dan geven en andersom. Daaruit blijkt dat beide minder gunstig uitwerken in vergelijking met een toestand van evenwicht, dus niet alleen het minder krijgen dan geven, maar ook het minder geven dan krijgen. Maar dat laat onverlet dat het geven van steun goed voor je is.

woensdag 18 januari 2017

Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging

Beau Oldenburg promoveert morgen in Groningen op het proefschrift Bullying in schools. The role of teachers and classmates. Ze stuurde mij de elektronische versie toe, waarvoor dank.

Haar onderzoek ging vooral over de rol van leraren in het bestrijden van pesten. Het blijkt dat leraren het lastig vinden om pesten te herkennen en dat ze niet goed zijn toegerust om pesten aan te pakken.

Er is aandacht voor in de media. Zie bijvoorbeeld Leraren doen te weinig tegen pesten: 'Ze durven het niet te zien'. Beau zegt daar dat pesten in elke klas voorkomt en
geeft als advies dat er altijd iemand in de buurt van de kinderen moet zijn. Er moeten zo min mogelijk onbewaakte momenten zijn. Dus is het zaak om ook in de pauzes op het schoolplein te surveilleren. "Blijf goed opletten en luister naar de signalen."
En dan denk je natuurlijk, wat doen we onze kinderen aan dat we ze in scholen bij elkaar brengen en dat daar altijd iemand in de buurt moet zijn om te voorkomen dat er dingen misgaan. Is dat niet heel vreemd?

Ja, dat is vreemd en dat ligt er aan dat we op school overwegend leeftijdshomogeen groeperen. Dus leerlingen van dezelfde leeftijd bij elkaar zetten.

Dat is een onnatuurlijke sociale omgeving. Kinderen horen te verkeren en op te groeien in settingen van verschillende leeftijden. Dat is beter voor ze omdat oudere kinderen dan van nature gemotiveerd zijn om een oogje in het zeil te houden. De aanwezigheid van jongere en kwetsbaardere kinderen doet gemakkelijk een beroep op hun verantwoordelijkheidsgevoel. En jongere kinderen nemen daar weer een voorbeeld aan. Zie mijn eerdere berichten over de voordelen van leeftijdsmenging, zoals Meer over waardoor leeftijdsmenging pesten tegengaat.

En wat is nu het geval? Hoewel het in dit onderzoek dus ging om de rol van leraren, is er als een bijvangst de uitkomst dat als je schoolklassen vergelijkt, pesten inderdaad minder voorkomt in klassen met verschillende leeftijden.

Dat zijn enerzijds klassen die uit twee of meer groepen zijn samengesteld, zoals dat op kleinere scholen gangbaar is. Maar anderzijds ook klassen van scholen waarin leeftijdsmenging als pedagogisch principe wordt gehanteerd, zoals Jenaplanscholen.

En als je nog even dat vorige bericht bekijkt, dan zie je daar dat op scholen met die pedagogische leeftijdsmenging pesten twee maal minder voorkomt.

Kijk, die bijvangst zou nu eens groot in het nieuws moeten komen.

Laten we ophouden met onze leraren de problemen te laten oplossen die we eerst zelf gecreëerd hebben door kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar te zetten. Zodat er altijd iemand toezicht moet houden. Wat een rare logica.

maandag 5 december 2016

Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren

Komen kinderen wel genoeg buiten? Zitten ze niet teveel op de bank? En zitten ze niet teveel naar een scherm(pje) te staren?

Dat zijn belangrijke vragen, want we weten dat het voor de fysieke en sociale ontwikkeling van kinderen goed is dat ze veel buiten spelen, met andere kinderen van verschillende leeftijden. Zie
Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?

Maar er is buiten vaak niet veel te doen. Een saaie woonwijk, met alleen maar straten en huizen, nodigt er niet toe uit om naar buiten te gaan. Het zou dus van de fysieke inrichting van de buurt kunnen afhangen hoe vaak kinderen het huis uit gaan. In plaats van thuis naar een scherm(pje) te zitten staren.

Het Australische onderzoek Nowhere to Go and Nothing to Do but Sit?Youth Screen Time and the Association With Access to Neighborhood Destinations bevestigt dat vermoeden. Kinderen die in buurten wonen met meer winkels en andere voorzieningen en met meer openbare ruimte (park, sportveld, schoolplein) besteden naar hun eigen oordeel of, bij jongere kinderen, naar het oordeel van de ouders, minder tijd aan televisiekijken, computeren, gamen en sociale media.

Een nieuwe aanwijzing voor het belang van buurten en dus vooral voor het belang van buurten waar iets valt te beleven, waar ontmoetingsplekken zijn. Als die er niet zijn, groeien kinderen sociaal geïsoleerder op en bewegen ze te weinig.

dinsdag 8 november 2016

Kapitalisme maakt competitiever en minder pro-sociaal

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn in staat tot pro-sociaal gedrag en samenwerking (gemeenschapsgedrag), maar ook tot egoïsme en tegenwerking (statuscompetitiegedrag). 

Welke potentie tot uiting komt, hangt er van af hoe anderen zich gedragen. Als we veel pro-sociaal gedrag om ons heen zien, dan leren we dat gemakkelijk aan als we nog opgroeien en doen we daar gemakkelijk aan mee als we volwassen zijn. Maar ook andersom: opgroeien en leven in een statuscompetitieve omgeving vergroot de kans op statuscompetitief gedrag.

Anders gezegd, afgezien van de (geringe) invloed van persoonlijkheidsverschillen, is ons pro-sociale gedrag "sociaal ingebed". Onze "keuze" hoe ons te gedragen, is maar heel beperkt autonoom. We laten ons, vaak onbewust, leiden door wat anderen doen. Dat inzicht kun je op zijn kortst onder woorden brengen in wat ik de Dual-Mode theorie noemde.

Je kunt er veel van wat zich in onze huidige maatschappij afspeelt, behoorlijk goed mee verklaren en begrijpen. Scrol maar eens door de berichten op dit blog achter het label Dual-Mode theorie.

Maar het inzicht kan ook helpen bij het begrijpen van de mensheidsgeschiedenis, met name bij het doorgronden van de effecten van de landbouwrevolutie op het menselijk gedrag. Want terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen gemeenschapsgedrag (delen en samenwerken) vanzelf sprak, kwam er met de landbouw ruimte voor eigendomsclaims en daarmee voor ongelijkheid, conflict en statuscompetitiegedrag.En die ruimte is tot vandaag de dag, in onze kapitalistische maatschappij, aanwezig.

Bovendien werden samenlevingen grootschaliger en anoniemer, waardoor het waarnemen van elkaars gedrag minder rechtstreeks is geworden. Over hoe anderen zich gedragen, zijn we vaak alleen heel indirect geïnformeerd.

Dat betekent dat we met onze ambivalente sociale natuur terecht zijn gekomen in een sociale omgeving die al even ambivalent is. Vaak vangen we signalen op over gedrag van anderen die ons er toe brengen om ons pro-sociaal te gedragen. Maar ook gebeurt het dat anderen bij ons egoïsme en statuscompetitie aanwakkeren. Het overall resultaat is dat sinds die landbouwrevolutie naast het gemeenschapsgedrag het statuscompetitiegedrag tot ons dagelijks leven is gaan behoren. Gevolg van de dubbele ambivalentie: die van onze natuur en die van wat wij om ons heen zien.

Zou je dat historische proces nog concreet kunnen waarnemen als je kleinschalige samenlevingen bestudeert die nog in verschillende fasen van die historische ontwikkeling verkeren? Dat zou een toets mogelijk maken van de hierboven genoemde inzichten.

Precies dat is geprobeerd in de nieuwe studie Social Value Orientation and Capitalism in Societies. De onderzoekers vergeleken drie regio's van Bangladesh, de hoofdstad Dhaka, die kapitalistisch mag worden genoemd, het zuidelijke district Dacope, waar nog kleinschalige landbouw wordt bedreven, en een aantal dorpen in het noordelijke district Bogra, die een tussenpositie innemen. Drie gebieden dus waarin het kapitalisme in verschillende mate het dagelijks leven domineert. Hoewel er in Dacope dus al wel landbouw wordt beoefend, is die nog kleinschalig en deels gericht op zelfvoorziening.

In elk van deze drie gebieden namen de onderzoekers bij een steekproef van 334 bewoners een test af op zogenaamde social value orientations. Die bestond er uit dat je een keuze moest maken uit bijvoorbeeld de volgende drie opties:
  • Option 1: You receive 500, and the other receives 100.
  • Option 2: You receive 500, and the other receives 500.
  • Option 3: You receive 560, and the other receives 300.
De getallen stonden voor hoeveelheden geld, die ook echt werden uitgekeerd. Die andere persoon was een "onbekend iemand".

Een voorkeur voor optie 1 is een aanwijzing voor het hebben van een competitieve oriëntatie. Je ziet dan graag dat jij heel veel hebt en de ander juist zo weinig mogelijk. Voorkeur voor optie 2 staat voor een pro-sociale oriëntatie: je houdt rekening met de ander en wilt graag dat die net zo profiteert als jij.
En optie 3 staat voor een individualistische (egoïstische) oriëntatie: je wilt gewoon het maximale voor jezelf.

De proefpersonen moesten een aantal van dit soort keuzes maken waarbij de precieze sommen geld varieerden. Door die keuzes te aggregeren, kon meestal bepaald worden wie er meer competitief was, meer pro-sociaal of meer individualistisch.

Als je nu veronderstelt dat die kleinschalige samenleving van Dacope van de drie nog het dichtst staat bij de jagers-verzamelaars samenleving waarin delen en samenwerken voorop stond, en dat de hoofdstad Dhaka daarvan het verst verwijderd is, dan verwacht je dat in Dacope nog het meest voor optie 2 wordt gekozen en in Dhaka het meest voor optie 1. Welnu, de resultaten zie je afgebeeld in de tabel.


En wat blijkt? Zoals verwacht waren de proefpersonen die in het kapitalistische Dhaka woonden, het meest competitief, die in Dacope het minst en zaten die in Bogra daartussen in. En omgekeerd: de proefpersonen in Dacope waren het meest pro-sociaal, die in Dhaka het minst pro-sociaal en die in Bogra namen ook hier een tussenpositie in.

Na uitgebreidere statistische analyses komen de onderzoekers tot de conclusie:
This result illustrates a clear change from prosocial to competitive value orientations with respect to the degree of capitalism in societies. That is, as societies become more capitalistic, people tend to become less prosocial and more competitive.
Dat in het meer kapitalistische Dhaka mensen ook inderdaad competitief tegenover elkaar staan, illustreren ze met een beschrijving van hun gedrag bij bushaltes:
We can provide one simple example of how competition for survival and success as a cultural trait engenders human behaviors: competition for buses in Dhaka. Many people usually wait at bus stops in Dhaka. When a bus approaches the stop, it is usually filled with more passengers than its capacity. Only a few more people can take the bus on each occasion. Therefore, people waiting at the stop compete to get on the bus by pushing and pulling each other. In this case, survival and success means that each person goes home as early as possible. There are two ways to survive and achieve success: (1) forming a first-come and first-served queue and (2) competing by pushing and pulling at a bus stop. Unfortunately, in Dhaka, pushing and pulling to get on a bus is a common behavior due to the propagation of competition for survival and success.
En de dagelijkse praktijk van samenwerken en delen in het agrarische Dacope illustreren ze als volgt:
(...) in Dacope, economic activities require cooperation rather than competition to ensure mutual long-term survival under natural uncertainty and hardship. In Dacope, people enter the adjacent forest, the Sundarbans, to collect wood or honey, and they need to cooperate for ensuring their safety from wild animals, such as tigers. Moreover, it is common to share the profits or goods equally, regardless of how much wood or honey they collect individually. The same type of sharing practices can be seen among the fishermen who harvest together in adjacent rivers. Due to the existence of such cooperative practices and needs, in the long run, cooperation for survival and success is still dominant. As a consequence, people in this region are more prosocial than those in Dhaka and Bogra (...).
Zou het dan ook zo zijn dat de mensen in Dacope vaker contacten hebben met hun buren dan in het kapitalistische en dus anoniemere Dhaka? Ja, de onderzoekers waren zo vooruitziend geweest om ook daarnaar te vragen en dat bleek inderdaad het geval te zijn.Gemiddeld was er in Dacope ruim 30 maal per maand contact met de buren (elke dag dus), tegenover bijna 13 maal in Dhaka.

Je ziet in zo'n onderzoekje in een miniatuur wat zich in die mensheidsgeschiedenis heeft afgespeeld. En het beeld komt overeen met de berichten op dit blog over verschillen tussen stad en platteland.

zaterdag 1 oktober 2016

Is er een gen voor eenzaamheid? En over maatschappijvergelijking

Is er een gen voor eenzaamheid? Nee, dat lijkt niet het geval te zijn. Uit vorig onderzoek kwamen wel varianten van bepaalde genen als kandidaat naar voren, maar in nieuw onderzoek met een groot databestand (10.760 Amerikanen van 50 jaar en ouder) houdt geen van die mogelijke verbanden stand (Genome-Wide Association Study of Loneliness Demonstrates a Role for Common Variation). Zie ook de samenvatting van het onderzoek in ScienceDaily.

Ik was er benieuwd naar om welk gen of samenstel van genen het zou kunnen gaan en naar de associaties met andere gedragskenmerken. Toch geeft dit nieuwe onderzoek over dat laatste wel enig inzicht.

Want de onderzoekers konden een schatting maken van de overerfbaarheid van eenzaamheid. Eenzaamheid, niet als een tijdelijk fenomeen, maar als de kans op eenzaamheid gedurende de levensloop, blijkt voor 14 tot 27 procent genetisch bepaald.

Wat dat precies betekent, wordt iets duidelijker als je bedenkt dat er een gemeenschappelijke overerfbaarheid blijkt te zijn van eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressieve symptomen. Dat doet vermoeden dat een genetische "verklaring" voor eenzaamheid en een maatschappelijke verklaring niet los van elkaar staan.

Want het zou kunnen zijn dat je in een land als de Verenigde Staten behoorlijk emotioneel stabiel moet zijn (tegenovergestelde van neuroticisme), behoorlijk extravert en weinig depressief om niet eenzaam te worden. In andere landen of sociale omstandigheden zou dat anders kunnen zijn.

Denk (weer) even aan de Boliviaanse Tzimane, die misschien qua aanleg voor neuroticisme niet verschillen van Amerikanen, maar die in een sociale omgeving hun leven doorbrengen waarin die aanleg helemaal niet tot uiting kan komen. Zie (nog eens) het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Want Amerikanen (en wij Nederlanders) leven in een maatschappij waarin we bloot staan aan de uitdagingen van het vermijden van sociaal isolement en van het moeten meedoen aan de statuscompetitie. Wat onder meer inhoudt dat je je voortdurend beter en krachtiger en slimmer moet voordoen dan je bent. Dat wij met die uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben..

Dat is dus een sociale omgeving waarin het helpt, ja, noodzakelijk is, om emotioneel stabiel te zijn, om extravert te zijn en om niet last te hebben van een neiging tot depressiviteit.

Vergelijk dat met de uitdagingen waar de Tzimane mee te maken krijgen: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

Een sociale omgeving waar je, als je die uitdagingen voldoende aan kunt, als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd om wie je bent. Een sociaal veilige omgeving, waarin verschillen in de aanleg voor eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressie niet aan het licht komen.

Zo kom je van een onderzoek naar de genetische aanleg voor eenzaamheid zomaar terecht bij een sociaalwetenschappelijke maatschappijvergelijking.

maandag 15 februari 2016

Wat maakt het uit waar je je partner hebt ontmoet? Over gezinnen en sociale netwerken

Het CBS geeft een mooi diagram van hoe of waar mensen de partner hebben ontmoet met wie zij nu maximaal vijf jaar samenwonen.


We zien dat uitgaan/vakantie/recreatie de omvangrijkste categorie is waar mensen hun partner hebben ontmoet. Dat lijkt er op te wijzen dat we onze partner meestal niet in ons eigen bestaande en lokale sociale netwerk vinden. En dat zal vaak ook het geval zijn bij de categorieën school/opleiding, internet en werk. Grof opgeteld komen zo'n driekwart van de partners "van buiten".

Het overige kwart komt misschien overwegend van dichtbij: via familie, vereniging en via vrienden/kennissen/ buren.

Wat maakt het uit waar je je partner hebt gevonden? Daarover schreef Elizabeth Bott in 1957 haar boek Family and Social Network. Dat boek wordt wel gezien als het begin van de sociale netwerktheorie in de sociologie. Het is nu nagenoeg vergeten, maar dat is niet terecht. Want het geeft een mooi, zij het schetsmatig, beeld van de grote verandering die zich zo ongeveer vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw heeft voorgedaan in, zeg maar, de sociale inbedding van het gezin. Of anders gezegd, in de ontwikkeling van het sociale isolement van het gezin in de tweede helft van de vorige eeuw.

Want Bott beschrijft in dat boek een patroon dat toen nog veel meer gewoon was dan nu. Man en vrouw deelden al een sociaal netwerk op het moment dat ze elkaar "vonden" en een gezin stichtten. Ze kenden elkaar dus ook al langer, vaak omdat ze in hetzelfde dorp of buurt woonden. Dat al voor het huwelijk delen van het sociale netwerk betekent, in de woorden van Bott, dat:
the marriage will be superimposed on these pre-existing relationships, and both spouses will continue to be drawn into activities with people outside their own elementary family (family of procreation). Each wil get some emotional satisfaction from these external relationships and will be likely to demand correspondingly less of the spouse.
De echtelijke relatie dus als een toevoeging aan het bestaande door beiden gedeelde sociale netwerk.

Dat bestaande gedeelde sociale netwerk ontbreekt als de partner "van buiten" komt:
If husband and wife come to marriage with such loose-knit networks or if conditions are such that their networks become loose-knit after marriage, they must seek in each other some of the emotional satsifaction and help with familial tasks that couples in close-knit networks can get from outsiders. Joint organization becomes more necessary for the succes of the family as an enterprise.
Daarmee is in een notendop de transitie verwoord van het sociaal geïntegreerde gezin naar het sociaal geïsoleerde gezin.

We kennen de gevolgen van die transitie. Partners zijn voor hun sociale behoeften sterker op elkaar aangewezen dan goed lijkt te zijn. Wat een verklaring zou kunnen zijn voor  de toename van echtscheidingen vanaf zo ongeveer eind jaren zestig. Update. En een verklaring voor het verschijnsel van het alles-of-niets huwelijk: The All-or-Nothing Marriage.

En kinderen groeien minder op in een sociaal netwerk rondom het gezin. Wat ongunstig is voor hun sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Wat weer een verklaring is voor de toegenomen jeugdproblematiek en de toename van overheidsbemoeienis met de jeugdzorg.

En het verklaart waarom jonge ouders tegenwoordig zo veel energie moeten steken in het opbouwen van een sociaal netwerk.

dinsdag 26 januari 2016

Hoe meer gemeenschap en hoe minder statuscompetitie, hoe gezonder we zijn en hoe langer we leven

Mensen hebben sociale behoeften en hebben dus voor een goed gedijen sociale contacten nodig. Dat we ons met dat inzicht op het terrein van de biologie bevinden, blijkt er uit dat een gebrek aan sociale contacten of het hebben van slechte sociale contacten negatieve effecten hebben op gezondheid en levensduur. Zie de berichten achter het label gezondheid.

En in lijn daarmee krijgen we ook steeds meer inzicht in de biologische (fysiologische) mechanismen waarlangs deze effecten hun werk doen. Ik besteedde daar eerder aandacht aan in het bericht Gezondheid en sociale omgeving (6): de lichamelijke mechanismen.

Nu komt daar de studie Social relationships and physiological determinants of longevity across the human life span bij. De onderzoekers analyseerden de data van vier longitudinale bevolkingsonderzoeken in de Verenigde Staten. Daardoor konden ze de effecten nagaan van het aantal sociale contacten (sociale integratie), van de verkregen sociale steun en van het ondergaan van sociale stress. Effecten zowel rechtstreeks op gezondheid en levensduur als effecten via fysiologische mechanismen. En dat alles gedurende de levensloop. Zie de onderzoeksopzet zoals in de Figuur afgebeeld.


Het blijkt dan dat sociale contacten hun uitwerking hebben op gezondheid en levensduur via biomarkers als inflammatie (ontstekingen), hart- en vaatproblemen (bloeddruk) en energiemetabolisme (obesitas). De onderzoekers concluderen dat de aanwijzingen voor pad C in de Figuur al met al robuust zijn. De aard van de sociale omgevingen waarin wij gedurende onze levensloop verkeren, blijkt biologisch relevant. Wij zijn inderdaad fundamenteel sociale dieren. Zie Hoe fundamenteel sociaal zijn wij?
Update. En voor de volledigheid: het effect van sociale contacten op gezondheid en levensduur (A) blijkt te verlopen via (wordt verklaard door) die fysiologische mechanismen (C en B).

En bedenk dat het er om gaat of die sociale omgeving meer het karakter heeft van een gemeenschap (sociale integratie en sociale steun) dan wel meer de kenmerken heeft van statuscompetitie (sociale stress). Hoe meer gemeenschap (of hoe minder eenzaamheid) en hoe minder statuscompetitie, hoe gezonder we zijn en hoe langer we leven.

maandag 11 januari 2016

Meer over waardoor leeftijdsmenging pesten tegengaat

(Update. Zie nu ook Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging.)

Berekeningen op data van het Groningse KiVa-project bevestigen het vermoeden dat pesten minder voorkomt in leeftijdsgemengde schoolklassen. Zie Leeftijdsgemengde schoolklassen verminderen het pesten - Nieuwe aanwijzingen.

Maar leeftijdsmenging komt in twee vormen voor. Als het gescheiden lesgeven van verschillende jaargroepen in hetzelfde leslokaal, zoals op kleine scholen gebeurt. En als het doelbewust kiezen van lesgeven aan leeftijdsgemengde groepen, zoals de praktijk is in Jenaplan- en Montessorischolen.

In dat laatste geval is uit pedagogische overwegingen voor leeftijdsmenging gekozen. Zo luidt een van de basisprincipes van het Jenaplan-onderwijs:
In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
En op de website van het Montessori-onderwijs lees je dit citaat van Maria Montessori:
Klassen met alleen kinderen van dezelfde leeftijd, zoals in gewone scholen, raad ik af. Veel mensen denken dat ik bijvoorbeeld kinderen van 3 tot 6 jaar bij elkaar zet in een ruimte, omdat ik te weinig lokalen beschikbaar heb of niet genoeg kinderen om drie aparte klassen te maken. Maar zelfs als er meer dan duizend kinderen waren en een heel groot gebouw, dan zou ik het nog wenselijk vinden om kinderen die drie jaar in leeftijd verschillen bij elkaar in een groep te plaatsen.' Kinderen worden op deze manier in groepen geplaatst om een proces van continu leren en ontwikkelen mogelijk te maken. Bovendien is de sociale opvoeding gediend met een zo natuurgetrouw mogelijke manier van samen leven.
Maakt het nu uit om welke vorm van leeftijdsmenging het gaat? Ja, dat blijkt veel uit te maken. Ashwin Rambaran stuurde me zijn paper Who Bullies Whom? Level and Direction in Single-Grade and Multi-Grade Classrooms (samen met Marijtje van Duijn, René Veenstra en Jan Kornelis Dijkstra), waarin pedagogisch gemengde schoolklassen worden vergeleken met schoolklassen zonder leeftijdsmenging of met gescheiden onderwijs aan verschillende jaargroepen in hetzelfde klaslokaal.

En dan blijkt dat gepest worden in de pedagogisch gemengde schoolklassen de helft minder voorkomt dan in de andere twee typen schoolklassen. Het gaat dus echt om het leeftijdsgemengd les krijgen. Het samen in een klaslokaal zitten is niet voldoende.

Opvallend is dat dit gunstige effect al bereikt wordt met leeftijdsverschillen van niet meer dan drie jaar. Dat is nog maar een beperkte benadering van de sociale omgeving die er in het verleden, voorafgaand aan de "uitvinding" van de school, voor kinderen altijd was.

Je moet natuurlijk wel bedenken dat de Jenaplan- en Montessori-scholen ook op andere kenmerken zouden kunnen verschillen dan alleen de leeftijdsmenging. Het onderwijs lijkt er ook in meer algemene zin op het bevorderen van samenwerking gericht. Idealiter zou je het effect van de leeftijdsmenging op zich en van die algemene gerichtheid op samenwerking uit elkaar willen kunnen halen.

Maar het is natuurlijk ook weer niet toevallig dat die twee in de praktijk samen gaan. Als je vindt dat het belangrijk is om kinderen in een natuurlijke sociale omgeving te leren samenwerken en voor elkaar te zorgen, dan bedenk je meteen dat het lesgeven in jaargroepen geen goed idee is.

donderdag 7 januari 2016

Leeftijdsgemengde schoolklassen verminderen het pesten - Nieuwe aanwijzingen

(Update: Zie nu ook het vervolg op dit bericht: Meer over waardoor leeftijdsmenging pesten tegengaat.)

Gepest worden op school is voor leerlingen een kwelling. Bovendien zijn er aanwijzingen voor grote negatieve lange-termijn effecten. Dat het een groot maatschappelijk probleem is, blijkt uit de veelheid van anti-pestprogramma's die zijn ontwikkeld en uit de wettelijke verplichting voor scholen om pesten met zulke programma's aan te pakken.

Maar zijn we met al die anti-pestprogramma's wel op de goede weg? Het staat natuurlijk wel goed om als school te kunnen uitdragen dat je een anti-pestprogramma hanteert. Maar de echte oorzaken van het pesten laat je er mee bestaan.

Hoezo? Welnu, in verreweg de meeste scholen brengen kinderen hun tijd door in leeftijdshomogene groepen. En we weten dat het verkeren onder leeftijdsgenoten de onderlinge statuscompetitie aanwakkert. Vooral als leerlingen elkaar nog niet langdurig kennen, gaat het er dan al gauw om wie stoer en cool is, wie weet te intimideren en wie kwetsbaar blijkt te zijn. En pesten is een gedrag dat onderdeel is van die statuscompetitie.

Dat we onze kinderen zo extreem onder leeftijdsgenoten laten opgroeien, is een merkwaardig sociaal arrangement. Voor hun sociale en emotionele ontwikkeling is het veel beter dat ze meer in aanraking komen met oudere en jongere kinderen. En met volwassenen. Dat is ook de sociale omgeving die er in de mensheidsgeschiedenis altijd voor kinderen is geweest. Toen we scholen "uitvonden", lijken we ons dat niet gerealiseerd te hebben.

Maar er zijn scholen met leeftijdsgemengde groepen en klopt het dan dat pesten daar minder voorkomt? Ja, daarvoor zijn aanwijzingen. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Dat suggereert dat er in zulke groepen minder gepest wordt. Oudere kinderen voelen de verantwoordelijkheid om zich wat over de jongere kinderen te ontfermen en jongere kinderen oriënteren zich op dat voorbeeldgedrag.

Zou dat in Nederland ook zo zijn? Ja, dat blijkt nu uit resultaten van berekeningen die zijn uitgevoerd op data van het TRAILS-onderzoek, die ik kreeg toegestuurd. (Waarvoor dank.) Als onderdeel van dat onderzoek wordt ook pesten bestudeerd, onder meer om de werking van het KiVa anti-pestprogramma te evalueren. Maar doordat ook scholen met leeftijdsmenging werden onderzocht, kun je dus nagaan of die twee groepen scholen verschillen in hoeveel pesten er voorkomt.

De berekeningen waarvan ik de resultaten kreeg waren uitgevoerd op de eerste meting, voorafgaand aan de KiVa-interventie. Het ging om 99 scholen met in totaal 9504 leerlingen. Leeftijdsgemengde schoolklassen kwamen in twee vormen voor.

In de ene vorm is de leeftijdsmenging een bedoeld pedagogisch arrangement, zoals op de Jenaplan- en de Montessorischolen. De filosofie van deze scholen gaat er van uit dat leeftijdsmenging gunstig is voor de ontwikkeling van kinderen en de onderwijsvormen en de training van de leerkrachten is daar ook op afgestemd.

Maar er is daarnaast ook een leeftijdsmenging die er uit voortkomt dat sommige scholen zo klein zijn dat verschillende jaargroepen les krijgen in hetzelfde lokaal. Die groepen krijgen meestal apart les. Je zou kunnen zeggen dat de leeftijdsmenging hier onbedoeld is.

In de berekeningen zijn deze twee groepen scholen samengenomen en is het pesten vergeleken met scholen zonder enige vorm van leeftijdsmenging.

En wat blijkt? In de leeftijdsgemengde schoolklassen zijn er significant minder leerlingen die aangeven slachtoffer te zijn geweest van pesten door klasgenoten dan in de leeftijdshomogene klassen. 

Kortom, ook in Nederland vermindert leeftijdsmenging het pesten.

Wat dit nog niet duidelijk maakt is of het voldoende is om leerlingen van verschillende leeftijden in hetzelfde lokaal les te geven of dat het daarnaast ook nog nodig is om de onderwijsvormen daarop af te stemmen.

Hoe dan ook, nieuwe aanwijzingen dus dat leeftijdsmenging het beste middel is tegen pesten. 

Laten we er dus mee ophouden met eerst de oorzaken van het pestprobleem te creëren, die oorzaken niet aan te pakken, maar vervolgens wel allerlei anti-pestprogramma's te laten ontwikkelen om de gevolgen te bestrijden. Logisch lijkt dat niet.