woensdag 31 december 2025

Over het niet normaliseren en zo nodig verbieden van vuurwerk en het niet normaliseren en zo nodig verbieden van rechts-extremistische politieke partijen

Het ziet ernaar uit dat deze jaarwisseling de laatste is zonder een landelijk vuurwerkverbod. In het bijna afgelopen jaar hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer ingestemd met zo'n landelijk verbod. Een nieuwe regering zal en wil weinig anders kunnen doen dan die wens van de kamers in wetgeving om te zetten. Daar zal, volgens een enquête van Kieskompas en ANP, zo'n twee derde van de Nederlanders mee instemmen. 

Vuurwerk afsteken rondom de jaarwisseling is een gedrag waar de afstekers, en veel omstanders en toeschouwers, genoegen aan beleven. Het wordt ook gezien als een traditie en veel mensen ontlenen genoegen aan het in standhouden van tradities. In lijn daarmee riep het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed het afsteken van vuurwerk nog in 2015 uit tot Nederlands cultureel erfgoed.

Maar het is ook een gedrag dat schade en leed toebrengt. Er is een kans dat afstekers en omstanders fysiek letsel oplopen. En die schade en overlast nemen toe hoe meer vuurwerk er wordt gekocht en afgestoken. Zolang het op kleine schaal gebeurt, zijn degenen die overlast ondervinden bereid om die te accepteren. Ze hebben weliswaar moreel gezien het recht op het niet te hoeven ondergaan van schade en overlast, maar zolang die binnen de perken blijven, maken ze daar geen punt van. Je gunt anderen een pleziertje, zo lang het niet uit de hand loopt.

Maar het is dus wel uit de hand gelopen. In de loop van de afgelopen tientallen jaren zijn de verkoop en het afsteken van vuurwerk sterk toegenomen. Afstekers van vuurwerk zijn nog altijd een minderheid, maar hun gedrag heeft gevolgen voor veel anderen. Vlak na de jaarwisselingen worden er in de stedelijke gebieden sterk verhoogde concentraties fijnstof gemeten, meer dan wat alle wegverkeer samen in een heel jaar uitstoot. De zware metalen in vuurwerk (barium, antimoon, koper en strontium) zijn schadelijk voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier. Rond de jaarwisseling zijn eerste hulpposten en oogklinieken druk met het zo goed mogelijk behandelen van hand- en oogblessures, met vaak blijvende verminkingen. Het is ook uit de hand gelopen in de zin dat sommige afstekers hun vuurwerk inzetten tegen hulpverleners, politieagenten en brandweerlieden. Frank Straver en Stefan Keukenkamp geven vandaag in Trouw een overzicht van "de jaarlijkse schade en ellende": In cijfers: hoe vuurwerk een spoor van vernieling trok.

Toen tijdens de coronajaren 2020 en 2021 geen vuurwerk mocht worden verkocht, om de zorg te ontlasten, namen de letselcijfers drastisch af. Oogarts Tjeerd de Faber verklaarde daarna tegenover de Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie:

„Ik zei: we hebben twee jaar eigenlijk een vuurwerkverbod gehad. Ik ben wetenschappelijk opgeleid. Als je tijdens een experiment een ziekmakende factor weghaalt en je ziet de ziektecijfers met 75 procent zakken, dan is er geen enkele medisch ethische commissie die zegt: laten we het toch maar terugdraaien om te kijken of het aantal slachtoffers dan weer omhoog gaat.”

Kortom, het wel of niet verbieden van vuurwerk is een ethische kwestie. Het gaat om een moreel afgekeurd gedrag, anderen schade toebrengen. Dat kan aanvankelijk en zolang het op kleine schaal plaatsvindt, getolereerd worden. Maar door die tolerantie kunnen meer mensen die aan dat gedrag genoegen ontlenen, zich erbij aansluiten. Dat het wordt geaccepteerd, zijn ze als een aanwijzing gaan zien dat het met die schade en de overlast wel meevalt. Het is niet iets waar je bij stil hoeft te staan. Als die schade echt zo groot was, dan zou het toch wel verboden worden? Dat maakt dat het niet verboden zijn niet alleen de problemen laat bestaan, maar daarbovenop vergroot.

En zo ontwikkelt zich het proces van het "uit de hand lopen". Het moreel afgekeurde gedrag wordt "genormaliseerd". Zo genormaliseerd dat het zelfs tot het culturele erfgoed werd gerekend.

Sociaalwetenschappelijk gezien hebben we hier te maken met een interessant geval van complicaties bij het naleven van het morele grondprincipe van het anderen geen schade of leed toebrengen. Dat grondprincipe is de kern van het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee waartoe mensen in hun gedrag tegenover anderen in staat zijn. Je hoort anderen zo nodig te hulp te schieten als je daartoe in staat bent, maar minimaal hoor je met hun welzijn en belangen rekening te houden en hen dus niet te benadelen.

We weten dat mensen daartegenover ook in staat zijn tot het amorele ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Je ziet dan anderen als tegenstrevers en vijanden, die op eigen gewin uit zijn, juist ook als dat ten koste van jou gaat. Als dat patroon in ons gedrag domineert, dan brengen we met zijn allen een sociaal inferieure toestand tot stand. Onze gemeenschapsmoraal hebben we nodig om het statuscompetitiepatroon te ontmoedigen en te onderdrukken.

Complicaties ontstaan doordat we tegenwoordig niet alleen verkeren in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, het domein waarin lang geleden dat morele grondprincipe evolueerde, maar ook in het domein van de onpersoonlijke, anonieme relaties. Zoals in het domein van de democratie, waarin dat morele grondprincipe van het iedereen-telt-mee vorm krijgt in het algemeen kiesrecht. Waarin we met miljoenen anderen in een veel meer abstracte, want onpersoonlijke, zin zijn verbonden. 

In dat domein wordt bij ons het gemeenschapspatroon minder direct, minder "automatisch" geactiveerd. Want we verkeren meer in sociale onzekerheid. We weten niet goed hoe anderen zich opstellen. Misschien is ook bij hen het gemeenschapspatroon geactiveerd, maar het kan ook zijn dat het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon actief is. Terwijl in het domein van de persoonlijke relaties meestal het gemeenschapsevenwicht ontstaat, behoort in het onpersoonlijke, anonieme domein ook een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht tot de mogelijkheden. 

Anders gezegd, in het persoonlijke domein ervaren we over het algemeen de sociale veiligheid van de verwachting dat de anderen het goed met ons voor hebben, terwijl we daar in het onpersoonlijke domein niet standaard van uit gaan. De democratie is wel bedoeld om sociale veiligheid te verschaffen (denk aan "de gemeenschap georganiseerd in de staat" en "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal,...), maar die bedoeling wordt altijd maar beperkt gerealiseerd. Dat zien we terug in de verdeling van politieke voorkeuren van links tot rechts, want uit onderzoek is bekend dat mensen bij wie meer het gemeenschapspatroon geactiveerd is, meer links stemmen en dat mensen bij wie meer het statuscompetitiepatroon actief is, meer rechts stemmen.

Terug naar dat vuurwerk. Het proces van uit de hand lopen kon zich ontwikkelen doordat we aanvankelijk bereid waren om de afstekers van vuurwerk hun pleziertje te gunnen. Maar daardoor nam het aantal vuurwerkafstekers toe. Doordat anderen ook dat pleziertje wilden. Maar ook doordat het belang van dat morele grondprincipe van het anderen geen leed of schade toebrengen minder manifest werd. Mensen zijn nu eenmaal geen morele automaten. Als er aanwijzingen zijn dat een morele overtreding getolereerd wordt, dan is het gemakkelijker om hem te begaan. Ook al doordat dit alles zich afspeelt in dat onpersoonlijke, anonieme domein.

Een tweede complicerende factor is die van de schaalgrootte. Al die negatieve effecten van vuurwerk afsteken treden op doordat het zo massaal gebeurt. Doordat het al uit de hand is gelopen. Dan geldt voor iedereen afzonderlijk dat de eigen bijdrage tot die negatieve effecten maar zeer gering is. Iedereen ziet de bijdrage van zijn vuurwerk tot de totale schade en ellende als verwaarloosbaar. Sociaalwetenschappelijk staat dat bekend als het publieke goed dilemma: niemand wil die schade en ellende, maar die is wel de uitkomst van de optelsom van alle individuele gedragingen. Onze moraal "dient" nu juist om die sociaal inferieure uitkomst zo veel mogelijk te voorkomen.

En zo dringt zich het inzicht op dat het probleem van het uit de hand gelopen vuurwerk afsteken staat voor het algemenere probleem van de altijd onvolkomen werking van de moraal in het grootschalige, onpersoonlijke sociale domein. En dus ook in het domein van de democratie. Want het is niet toevallig dat het in de Tweede Kamer (op de SP na) vooral de linkse partijen waren die het landelijk vuurwerkverbod ondersteunden en dat de rechtse partijen, PVV, BBB, FvD en JA21, tegen stemden. Dat komt ermee overeen dat de stemmers op de Partij voor de Dieren, GroenLinks/PvdA en Volt het meest voor een verbod zijn en de stemmers op Forum voor Democratie, PVV, BBB en JA21 het vaakst tegen.

In die zin is het uit de hand gelopen probleem van het vuurwerk afsteken te vergelijken met het uit de hand gelopen probleem van het rechts-extremisme in de politiek. De schade en ellende van het vuurwerk tijdens de jaarwisseling moest, na aanvankelijke tolerantie en "normalisering", uiteindelijk ingedamd worden door een landelijk vuurwerkverbod. Zo zal ook de schade en ellende van het uit de hand gelopen rechts-extremisme, na de huidige tolerantie en "normalisering", misschien ook een keer door een verbod op rechts-extremistische politiek partijen moeten worden ingedamd. 

donderdag 18 december 2025

Voor de derde keer: Hoe zal het met Trump aflopen?

Op 19 maart 2018 vroeg ik me af hoe het met Trump zou aflopen. Dat was ten tijde van zijn eerste presidentschap. En in een fase daarvan waarin niet langer kon worden ontkend dat hij, als kwaadaardige narcist en foute leider, niet in staat was om te functioneren binnen de grondwettelijke beperkingen van het presidentschap. Voor zover hij nog adviseurs had die hem op die beperkingen wezen, stuurde hij ze de laan uit. In zijn grootheidswaan meende hij alleen nog te kunnen vertrouwen op wat in hem zelf opwelde, op zijn eigen intuïties. We weten nu dat hij, na twee mislukte pogingen om hem af te zetten (impeachments), en na twee rechterlijke veroordelingen, er toch in slaagde zijn termijn vol te maken, maar wel tegen een verkiezingsnederlaag opliep. 

Nog twee weken voorafgaande aan die verkiezingen, op 18 oktober 2020, vroeg ik me voor de tweede keer af hoe het met Trump zou aflopen. We weten nu dat hij weigerde zich bij zijn nederlaag neer te leggen, door zijn aanhangers het Capitool te laten bestormen en door pogingen om het vaststellen van de verkiezingsuitslag in zijn voordeel te beïnvloeden. Uiteindelijk verliet hij een dag voorafgaande aan de inauguratie van zijn opvolger het Witte Huis. Daarna kon de hoop postvatten dat het daarmee zou zijn afgelopen. Zijn opvolger, Joe Biden, voerde een economisch verstandig en succesvol, maar propagandistisch minder geslaagd, beleid. Dat aanleiding gaf om te denken dat een nieuw politiek tijdperk was aangebroken, waarin bestaanszekerheid voor iedereen weer leidraad zou worden voor het politieke handelen.

En nu maken we Trumps tweede termijn mee, doordat de Amerikaanse kiezers hem een tweede kans hebben gegeven. Het is een nog altijd onopgelost vraagstuk hoe die kiezers dat een verstandig idee hebben kunnen vinden. Hoe dan ook, in die tweede termijn zijn alle remmen los. Met een "beleid", als je dat nog zo kunt noemen, dat een chaotische resultante is van Trumps intuïties en van zijn afnemende inhibities en cognitieve vermogens en van de sinistere plannen van degenen die hem opnieuw in het zadel hebben geholpen, de fundamentalistische christelijk-nationalisten van de Heritage Foundation (Project 2025), de in de high tech-sector miljardair geworden ondernemers als Elon Musk, Jeff Bezos en Mark Zuckerberg en de naar de tijd van de Sovjet-Unie hunkerende dictator in het Kremlin. 

En we zijn voor de derde keer op een punt aangekomen waar de vraag zich aandient hoe het met Trump zal aflopen. Zijn "beleid" is zo impopulair dat de eerste aanhangers de moed bij elkaar rapen en afhaken. De Epstein Files komen een dezer dagen in de openbaarheid. De ongemakkelijke vraag is tot welke wanhoopspogingen hij in staat zal zijn. Om de aandacht af te leiden. Om het onvermijdelijke noodlot af te wenden.

Robert Reich heeft er slecht van geslapen (The real threat in Trump’s madness. I hate to say this, but it must be faced). En hij is niet de enige. 

dinsdag 9 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -25 - Bringing men back in

Er zijn al weer zestig jaar verstreken sinds ik mijn studie sociologie begon. Ik heb nog allerlei levendige herinneringen aan die tijd, en aan de eerste jaren dat ik daarna bij de Vakgroep Sociologie werkte, maar ik moet natuurlijk ook veel zijn vergeten. Wat ik bijvoorbeeld niet meer weet is wanneer ik voor het eerst hoorde of las over de socioloog George C. Homans (1910 - 1989). 

Ik vroeg me dat af, omdat Homans toen een van de weinigen, zo niet de enige, was die dat zo dominante structureel-functionalisme bekritiseerde en een alternatief te bieden had. Weliswaar een gebrekkig alternatief, maar toch.

Wat ik wel kan vaststellen is dat ik in 1971, het jaar dat ik afstudeerde en aan mijn universitaire loopbaan begon, zijn boek Social Behaviour. Its Elementary Forms, dat in 1961 in eerste druk uitkwam, en het boekje The Nature of Social Science uit 1967 kocht. (Ik schreef toen nog mijn naam en het jaartal in aangeschafte boeken). Homans was toen in de sociologie een bekende naam. Ik herinner me vaag discussies met medestudenten over wie wij de "grootste socioloog" vonden en dat daar naast Robert K. Merton ook de naam van Homans viel. Hij was in 1964 voorzitter van de American Sociological Association en zijn Presidential Address verscheen als tijdschriftartikel onder de titel Bringing Men Back In

Wanneer ik dat artikel voor het eerst las, kan ik niet meer achterhalen. Had ik maar een dagboek bijgehouden. Wel herinner ik me dat het veel indruk op me maakte. Dit is de eerste alinea. Bedenk dat dit zijn toespraak was, als jaarlijks roulerend voorzitter, tot de verzamelde Amerikaanse sociologen.

I am going to talk about an issue we have worried over many times. I have worried over it myself. But I make no excuses for taking it up again. Although it is an old issue, it is still not a settled one, and I think it is the most general intellectual issue-in sociology. If I have only one chance to speak ex cathedra, I cannot afford to say something innocuous. On the contrary, now if ever is the time to be nocuous. 

Dat issue is dat er in de sociologie sinds de jaren dertig een denkschool domineert, het structureel-functionalisme, die in de weg staat van de ontwikkeling van het vak:

 For a whole generation it has been the dominant, indeed the only distinct, school of sociological thought. I think it has run its course, done its work, and now positively gets in the way of our understanding social phenomena. And I propose to ask, Why? 

En vervolgens geeft hij een kritiek op dat structureel-functionalisme die in dezelfde lijn ligt van de twee mankementen die ik al besprak. En hij laat zien dat het denken in termen van een sociaal systeem met functionele vereisten waaraan moet zijn voldaan voor de instandhouding ervan, niet leidt tot een theorie als deductief stelsel van uitspraken waarmee je iets kunt verklaren. 

What the functionalists actually produced was not a theory but a new language for describing social structure, one among many possible languages; and much of the work they called theoretical consisted in showing how the words in other languages, including that of everyday life, could be translated into theirs. They would say, for instance, that what other people called making a living was called in their language goal-attainment. But what makes a theory is deduction, not translation.

En als je sociale verschijnselen wilt verklaren, wat de sociologie zou moeten willen, dan moet je theorie ontwikkelen die laat zien hoe die verschijnselen voortkomen uit het gedrag van mensen. De maatschappij is mensenwerk. Daarom moeten mensen en hun gedrag in het vak worden teruggebracht. Bringing men back in.

 If a serious effort is made to construct theories that will even begin to explain social phenomena, it turns out that their general propositions are not about the equilibrium of societies but about the behavior of men. This is true even of some good functionalists, though they will not admit it. They keep psychological explanations under the table and bring them out furtively like a bottle of whiskey, for use when they really need help. What I ask is that we bring what we say about theory into line with what we actually do, and so put an end to our intellectual hypocrisy. It would unite us with the other social sciences, whose actual theories are much like our actual ones, and so strengthen us all. Let us do so also for the sake of our students. I sometimes think that they begin with more understanding of the real nature of social phenomena than we leave them with, and that our double-talk kills their mother-wit. Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?  

Dat ik Homans graag citeer, komt ook doordat ik de eenvoud en helderheid van zijn stijl, en dus van zijn denken, hogelijk bewonder. Hij ging daar, in 1964, dwars in tegen wat gebruikelijk was. Hij stelde de gangbare gewichtigdoenerij aan de kaak. En riep op tot intellectuele eenvoud en eerlijkheid. 

Dat hij ertoe in staat was om tegen de consensus in te gaan, zal ook met zijn achtergrond te maken hebben gehad. Hij studeerde niet sociologie, maar Engelse en Amerikaanse literatuur, aan de Universiteit van Harvard. Hij ambieerde aanvankelijk om schrijver en dichter te worden en was kort werkzaam in de journalistiek. In 1988 publiceerde hij de dichtbundel The Witch Hazel. Gedurende de Tweede Wereldoorlog diende hij bij de Amerikaanse marine. 

Hij kwam in de sociologie terecht als "a matter of chance; or rather, I got into sociology because I had nothing better to do". Hij volgde colleges van de biochemicus en socioloog Lawrence Joseph Henderson en van de arbeidssocioloog Elton Mayo. In 1953 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Harvard. Dat zijn opleiding zich niet geheel binnen de muren van het vak sociologie afspeelde, zal het hem gemakkelijker hebben gemaakt om zich er afstandelijk een oordeel over te vellen. Zonder de nadelen van het in de gebruiken, de do's and dont's, van het vak gesocialiseerd zijn.

Maar hij had niet alleen kritiek, hij stelde ook een alternatief voor. Of beter gezegd, dat had hij al in 1961 gedaan met zijn Social Behaviour. Its elementary forms. Een gebrekkig alternatief, ik noemde dat al. Daarover meer in het vervolg.

dinsdag 2 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -24 - Had het met de sociologie ook anders gekund?

Recapitulerend: het vak sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: de eis van een curieuze wetenschapsopvatting (alleen "sociale feiten" tellen) en de eis van (de fictie van) het eigen domein. In de poging om aan die twee eisen te voldoen ging het vak de richting op van de theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie) en de richting van de macrosociologie. Maar ik kondigde nog een derde "richting" aan, die van het niet zo serieus nemen van die twee eisen. Hier het vorige bericht.

Als je er op terugkijkt, kun je haast niet anders concluderen dan dat die twee eisen irreëel waren. Ze stonden een vruchtbare ontwikkeling van het vak in de weg. En doordat het vak er nooit met zoveel woorden afscheid van heeft genomen, is dat eigenlijk nog steeds zo. Want doordat die twee eisen in de retoriek van het vak hun invloed bleven uitoefenen, ontstond er niet de ruimte om een theoretisch kader te ontwikkelen waarmee "de maatschappij als mensenwerk" kon worden bestudeerd en waarmee de uitkomsten van dat mensenwerk konden worden beoordeeld aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. De sociologie moest het doen en moet het tot op de dag van vandaag blijven doen zonder een realistisch normatief kader.

Dat was een stand van zaken die met zich meebracht dat die twee eisen weliswaar in de retoriek werden beleden, maar in de praktijk niet zo serieus werden genomen. 

En dat is al meteen vanaf het begin, dus in het werk van Durkheim, waar te nemen. Hij grijpt in zijn redeneringen achter zijn zoektocht naar "sociale feiten" (statistische verbanden tussen variabelen) vrijelijk terug op inzichten waarvan hij zelf ook zou toegeven dat ze tot het domein van de psychologie behoren. Of tot het domein van de alledaagse, en dus "onwetenschappelijke", kennis.  Denk aan zijn redenering hoe de arbeidsverdeling kan zorgen voor solidariteit. De solidariteit was er voorafgaand aan de arbeidsverdeling op gebaseerd dat mensen met elkaar overeenkomen en daarna op de omstandigheid dat mensen weliswaar verschillen, maar juist daardoor elkaar aanvullen. Als mensen met elkaar overeenkomen, dan leiden ze hetzelfde soort leven en raken ze gemakkelijk met elkaar vertrouwd. Maar ook, als mensen van elkaar verschillen, dan is de kans groot dat elk iets te bieden heeft waarover de ander niet beschikt. Dan zijn ze aanvankelijk misschien wel vreemden voor elkaar, maar doordat ze elkaar iets te bieden hebben, groeit er toch solidariteit.

Dat was niet een in de psychologie van Durkheims tijd bestaande theorie. Het is een (ad hoc) theorie van zijn eigen makelij, die hij ontleende aan zijn eigen alledaagse mensenkennis. In zijn eigen ogen dus onwetenschappelijk, maar wel noodzakelijk  voor het "ontdekken" van het wetenschappelijke "sociale feit" van het verband tussen de variabele "mate van arbeidsverdeling" en "mate van solidariteit". In die zin zijn in Durkheims werk allerlei psychologische theorieën aan te wijzen. Zie ook Three psychological theories of a classical sociologist uit 1975 van Siegwart Lindenberg (die in 1981 mijn copromotor was).

Het was dus een ongemakkelijke situatie waarin het vak sociologie zich met die twee mankementen had gemanoeuvreerd. Die psychologische en/of alledaagse inzichten werden weggezet als onwetenschappelijk, maar in de praktijk bleek je er niet zonder te kunnen.

Had dat niet anders gekund? Jazeker. Met Durkheim kreeg het vak sociologie een positivistische oorsprong, namelijk in het werk van Saint-Simon (1760 - 1825) en August Comte (1798 - 1857). De laatste introduceerde de term sociologie en zag het als taak van die nieuwe wetenschap om de wetten te doorgronden en te formuleren die de sociale werkelijkheid beheersen. In navolging van Saint-Simon meende hij dat er een historisch, 'wetmatige", ontwikkeling is in drie stadia, het theologische stadium, waarin verklaringen gezocht worden in bovennatuurlijke krachten, het metafysische stadium, waarin de verschijnselen teruggevoerd worden tot abstracte begrippen (de Ziel, de Rede) en het positieve stadium, waarin verschijnselen door middel van wetten door andere verschijnselen verklaard worden. Die "historisch wetmatigheid" doet denken aan Karl Marx. En het is inderdaad zo dat Marx al heel jong in aanraking kwam met de ideeën van Saint-Simon (George Lichtheim, Marxism. An historical and critical study, 1964, p. 20).

 Dat was dus het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. Maar er was ook het Angelsaksische denken, dat een heel andere weg was ingeslagen. Ik herinnerde me dat ik me in mijn proefschrift Verklaring en interpretatie in de sociologie in 1981 met Thomas Hobbes, John Locke en de Schotse moraalfilosofen had beziggehouden en zocht dat even op (p. 15-19). 

Hobbes kende, via zijn vriend de anatoom William Harvey (1578 - 1657), de natuurwetenschappelijke methode als het leren kennen van dingen door ze, in realiteit of in gedachten, te ontbinden in hun eenvoudigste elementen (de methode van ontbinding) en ze vervolgens uit deze elementen opnieuw samen te stellen (de methode van compositie). Deze compositie zal slagen als de 'eerste principes' zijn ontdekt die de eenvoudigste elementen sturen. In de natuurwetenschappen zijn de te ontbinden verschijnselen ons het meest vertrouwd. Dat zijn de dingen 'van middelbare grootte', die zich direct aan ons voordoen. En die eenvoudigste elementen en eerste principes moeten ontdekt worden. 

Maar in de sociale wetenschap (civil philosophy), zo redeneerde Hobbes, ligt dat precies andersom. Juist de eenvoudigste elementen, de individuen, en de eerste principes, de wetten van de menselijke natuur, zijn ons het meest vertrouwd.. Terwijl wat daaruit voortkomt, de maatschappij, de commonwealth, verder van ons af staat. Dat die maatschappij mensenwerk is, dat weten we al. En onze eigen geest en ons eigen handelen kennen we. 

Hobbes' omgekeerde methode (...) komt er dus op neer dat we niet hoeven te zoeken naar de eenvoudigste elementen en de eerste principes, omdat we ze reeds van zeer nabij kennen. De taak van de sociale wetenschap is niet om iets nieuws te ontdekken, maar om te laten zien hoe de staat (de maatschappij) ontstaat uit de werking van de ons bekende eerste principes. Van deze principes hoopte Hobbes dat de intuïtief net zo voor de hand zouden liggen als Euclides' axioma's. Hij zag ook sterke overeenkomsten tussen de sociale wetenschap en de meetkunde: beide zijn bewijzende wetenschappen, omdat ze zich bezighouden met objecten (resp. staten en meetkundige figuren), die door mensen gemaakt zijn. Omdat de objecten van de natuurwetenschappen dat niet zijn, moeten daarvan de elementen en principes worden ontdekt.

Hobbes bepleitte dus een sociaalwetenschappelijke werkwijze die precies tegengesteld is aan wat Durkheim voor ogen stond voor het vak sociologie. Hobbes' invloed reikte ver, tot het werk van Spinoza en via John Locke tot dat van de Schotse moraalfilosofen (David Hume, Adam Ferguson, Francis Hutcheson en Adam Smith). 

Maar niet zo ver dat het kon voorkomen dat dat vak sociologie zich vooral ontwikkelde als het vak met die twee mankementen, dat van die curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Hier het vervolg.