Posts tonen met het label OMOP-schema. Alle posts tonen
Posts tonen met het label OMOP-schema. Alle posts tonen

dinsdag 15 september 2020

Een wettelijke taakopdracht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen - Over morele intuïties en het domein van de markt

Wat mogen we van ondernemingen verwachten? Natuurlijk dat ze zich net als iedereen aan de wet houden. Maar er is naast de wet ook nog de moraal. Dus het geheel van onze gemeenschapsintuïties, die gaan over elkaar bijstaan, of in ieder geval elkaar geen schade berokkenen, en over eerlijk delen. Dat zijn inderdaad intuïties, dus geen vastomlijnde inzichten die voor alle omstandigheden in wetsteksten vertaald kunnen worden. Vandaar dat we naast en boven en onder de wet ook altijd nog de moraal hebben.

Daarom verwachten we van elkaar, als "natuurlijke personen", niet alleen het volgen van de wet, maar ook moreel gedrag. Een helpende hand toesteken als dat nodig is, eerlijk delen, elkaars autonomie respecteren en loyaal zijn. En omdat het in dit geval om inbedding in persoonlijke relaties gaat, creëren we dat morele gedrag met elkaar. We verwachten het van elkaar en het voelt meestal goed om aan die verwachtingen te voldoen. In die gevallen waarin we verwachtingen beschamen, laten anderen ons weten dat ze teleurgesteld of zelfs boos zijn. Wat ons weer herinnert aan het belang van moreel gedrag in het sociale verkeer. Moreel gedrag is dus een uitkomst van een sociaal proces, zoals ook pro-sociaal gedrag dat is.

Maar ondernemingen, en dus hun directeuren, opereren meestal niet in dat web van persoonlijke relaties. Ze zijn marktdeelnemers en hebben in die hoedanigheid vooral vluchtige, onpersoonlijke en zelfs anonieme relaties met anderen. Maar hun gedrag kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben. 

Dat is een sociale omgeving die niet als vanzelf moreel gedrag doet ontstaan. En hoewel mensen morele wezens zijn, zijn ze niet onvoorwaardelijk moreel. Als moreel gedrag niet verwacht wordt, kun je er dus niet van uitgaan dat anderen zich moreel gedragen. Er is dan dus niet de sociale veiligheid die moreel gedrag uitlokt. Sterker, op de markt concurreer je met elkaar. 

Een sociale omgeving dus die gemakkelijk dat andere patroon, dat van de statuscompetitie uitlokt. In de aanvalsvariant, anderen de loef afsteken of te slim afzijn, of in de verdedigingsvariant. En dan kan  moreel gedrag geheel of gedeeltelijk uit het zicht verdwijnen. Dat kan dus betekenen dat een en dezelfde persoon zich binnen dat web van persoonlijke relaties als vanzelfsprekend moreel gedraagt en als ondernemingsdirecteur morele normen aan zijn laars lapt. Denk aan Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog.

Er is dus naast dat domein van de persoonlijke relaties ook het domein van de markt. Maar er is ook nog het domein van de democratische overheid, van wat wij met zijn allen willen. Denk aan het OMOP-schema. En wij met zijn allen kunnen via het democratische proces te kennen geven wat wij van marktdeelnemers, van ondernemingen en ondernemingsdirecteuren, verwachten.

Precies daarover gaan de discussies over "maatschappelijk verantwoord ondernemen". Discussies die niet toevallig de kop weer opsteken nu een periode van neoliberalisme op zijn eind lijkt te lopen. Waarin het Friedman-adagium domineerde dat ondernemingen niets anders behoren te doen dan het behartigen van de belangen van de aandeelhouders. Natuurlijk met als restrictie dat ze zich aan de wet dienen te houden. Maar afgezien daarvan zou het speelveld vrij moeten zijn van morele verwachtingen. Dat speelveld zou immers de wonderlijke eigenschap hebben dat het juist ook zonder verwachtingen van moreel gedrag tot voor iedereen heilzame uitkomsten zou leiden. U weet wel, de beroemde onzichtbare hand.

We zagen al dat nog voor deze periode een aanvang nam, in 1965, Kenneth Boulding zich in de discussie met Milton Friedman met argumenten tegen deze opvatting keerde. Lees nog eens de reeks berichten die ik daaraan wijdde, te beginnen met Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding. Nu we de gevolgen van dat Friedman-adagium hebben meegemaakt, gaan we inzien dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In dat kader is het boeiend om te zien dat er nu weer, geheel in de geest van Kenneth Boulding, gepleit wordt voor het expliciet en wettelijk invoeren van morele verwachtingen voor het gedrag van ondernemingen. Zie het pleidooi van 25 Nederlandse hoogleraren dat verscheen in het blad Ondernemingsrecht: Naar een zorgplicht voor bestuurders encommissarissen tot verantwoorde deelname aan hetmaatschappelijk verkeer.  Hier is de samenvatting: 

De liberalisering van de kapitaalmarkten heeft als neveneffect dat andere productiefactoren verhoudingsgewijs aan belang hebben ingeboet. Het denken in aandeelhouderswaarde is in de praktijk dominant geworden, ook in de Nederlandse context. De norm van het vennootschapsbelang waarborgt blijkens periodieke maatschappelijke erupties onvoldoende dat vennootschappen zich daadwerkelijk verantwoordelijk gedragen in de samenleving. Om die reden bepleiten 25 hoogleraren ondernemingsrecht de introductie van responsible corporate citizenship in de wettelijke taakopdracht van bestuurders en commissarissen. Bestuurders dienen ervoor te zorgen dat de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer deelneemt als een verantwoordelijke vennootschap; commissarissen houden hierop toezicht. Verder stellen zij voor in de wet op te nemen dat vennootschappen een statutaire bestaansgrond (purpose of raison d’être) kunnen formuleren. Daarmee leggen zij op vrijwillige basis hun uiteindelijke doel en hun leidende beginselen vast. Over de verantwoordelijkheid voor de impact van de vennootschap op menselijk, sociaal en natuurlijk kapitaal kan expliciete verantwoording in de jaarstukken worden voorgeschreven. Zo kan het vennootschapsrecht de inbedding van ondernemingen in de samenleving versterken.

Ik vind het een fraai en doordacht pleidooi, dat precies op het goede moment komt. We hebben immers geleerd hoe dat moreel vrije speelveld van de markt zich kan ontwikkelen. Lees Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer. 

En merk op hoe wet en moraal zich in dit voorstel verhouden. De opdracht tot "verantwoordelijk" handelen wordt in de wet opgenomen. Terwijl tegelijk niet precies kan worden omschreven wat die verantwoordelijkheid inhoudt:

Een verantwoordelijke vennootschap draagt verantwoordelijkheid jegens haar werknemers, is verantwoordelijk voor de gevolgen van haar handelen in de gemeenschappen waarin zij opereert en voor de gevolgen van haar handelen voor milieu en klimaat. Het streven naar winstgevende continuïteit op lange termijn moet ingebed zijn in deze brede verantwoordelijkheid. De inhoud van de zorgplicht van het bestuur en de raad van commissarissen voor een verantwoordelijke deelname van de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer moet mede aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval worden bepaald.

In die laatste zin staat precies wat nu eenmaal inherent is aan onze morele gemeenschapsintuïties. Ze sturen ons gedrag, maar als intuïties, niet als voorschriften. Beoordelingen "in de concrete omstandigheden van het geval" zijn dus onvermijdelijk. Net zo als dat in het domein van de persoonlijke relaties het geval is. Maar die onderliggende morele intuïties, die zijn bij iedereen aanwezig. Ook, als het goed is, bij de bedrijfselite die nu zegt niets te voelen voor "wettelijk opgelegd 'goed gedrag'".

woensdag 27 november 2019

Wat sociale werkplaatsen en kinderbijslag met elkaar te maken hebben - En over sociale ordes

De Participatiewet was een product van het kabinet Rutte II, het kabinet Rutte - Asscher (eigenlijk Rutte - Samsom). Nu, vijf jaar later, is er de eindevaluatie van de wet door het Sociaal en Cultureel Planbureau.  Ik citeer uit de samenvatting daarvan:
De wet heeft tot doel om zo veel mogelijk mensen – ook degenen met weinig arbeidsvermogen – aan het werk te helpen, bij voorkeur bij een gewone werkgever. Daarnaast is het doel van de wet om de afhankelijkheid van uitkeringen zo klein mogelijk te maken. Hierbij ligt de nadruk op het activeren van mensen. Dat betekent dat er vooral wordt gekeken naar wat iemand wél kan, hoe die kwaliteiten op een werkplek benut kunnen worden en hoe iemand gestimuleerd kan worden om aan de slag te gaan.
Daarmee is die Participatiewet onderdeel van de verschuiving van het naoorlogse sociaaleconomische beleid gericht op volledige werkgelegenheid en verzorgingsstaat naar het neoliberale beleid van het geloof in de markt en de kleine overheid. Zie het bericht De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Volgens die neoliberale ideologie ligt het aan de mensen zelf als ze geen werk kunnen vinden. Geen werk hebben betekent dat je je eisen die je aan een baan stelt nog niet voldoende naar beneden hebt bijgesteld. Of dat je nog niet genoeg de vaardigheden hebt ontwikkeld om werk te vinden en om werknemer te zijn. Daarom is het nodig dat je "begeleid" en "geactiveerd" en "gestimuleerd" wordt.

En als je daar maar genoeg aan meewerkt, dan is er vast wel een baan voor jou te vinden. Zo nodig met een loonkostensubsidie voor je toekomstige werkgever. Of als dat ook niet lukt, biedt de gemeente je een beschutte werkplek aan. Hoe en in welke mate dat gebeurt, dat beslist de gemeente. Dat staat in die Participatiewet.

De teneur van die Eindevaluatie is dat die wet is mislukt. Volgens het SCP zijn de doelstellingen van de wet niet gehaald.

Daar is misschien discussie over mogelijk, zoals Pierre Koning in ESB betoogt. Maar over de mislukking van een onderdeel van die wet lijkt een consensus te groeien. Het gaat dan om het sluiten van de sociale werkplaatsen, als onderdeel van de wet, dat wil zeggen om het besluit te stoppen met het aanbieden van plaatsen in de sociale werkvoorziening. Die overheidstaak van het aanbieden van werk aan diegenen die de vaardigheden missen voor werk op de reguliere arbeidsmarkt, moest worden afgestoten. U weet wel, de markt moet het werk doen en we willen een kleinere overheid.

Er gaan nu stemmen op om dat besluit terug te draaien. De SP dient daartoe een initiatiefwet in. Ook de PvdA is nu voorstander van de herinvoering van de sociale werkplaatsen, evenals het wetenschappelijk bureau van het CDA.

Het gaat hier niet alleen om politiek, maar ook om het belangrijke sociaalwetenschappelijk thema hoe je het beste de nodige taken verdeelt over de bestaande sociale ordes, dus over Overheid, Markt, Organisaties en Primaire Sociale Orde. 

De arbeidsmarkt is in de mensheidsgeschiedenis een zo nieuw verschijnsel dat het bepaald niet gegarandeerd is dat iedereen daar werk kan vinden om in zijn levensonderhoud te voorzien. En hoe meer die markt echt "werkt", dus hoe meer concurrentie, hoe minder werkgevers de ruimte hebben en hoe minder gemotiveerd ze zijn om mensen een baan aan te bieden die niet productief genoeg zijn.

De concurrentie biedt werkgevers geen ruimte om hun gemeenschapsintuïties te volgen, zoals ze dat in de Primaire sociale orde van de persoonlijke relaties graag gedaan zouden hebben. Concurrentie verdringt pro-sociaal gedrag. Een bedrijf dat niet genoeg de arbeidskosten tergudringt, redt het op den duur niet.

Anders gezegd, van de sociale orde van de markt moeten we geen zaken verwachten die die orde niet te bieden heeft. Die markt is er juist vanwege de voordelen van de concurrentie. Die uiteraard gereguleerd moet worden.

Maar als je die zo probeert te reguleren dat werkgevers er wel voor zullen zorgen dat ook de zwakkeren werk vinden, dat blijkt dus niet goed te werken. Ook niet met loonkostensubsidies en met gemeenten die moeten proberen om beschutte werkplekken te vinden.

Dus was het bij nader inzien toch eigenlijk wel een goed idee om als overheid te zorgen voor sociale werkvoorziening, voor sociale werkplaatsen. Die er helemaal op zijn ingericht om werk en een werkomgeving aan te bieden aan mensen met te weinig vaardigheden voor de reguliere arbeidsmarkt.

Want eigenlijk waren die sociale werkplaatsen een groot succes. Totdat ze, als uitvloeisel van diezelfde neoliberale verschuiving meer moesten gaan concurreren. Ze moesten hun eigen inkomsten vergroten. Zodat ze voor de overheid goedkoper werden. De overheid moest kleiner en dus moesten de sociale werkplaatsen meer met private middelen gefinancierd worden.

Met als gevolg dat de werkplaatsen hun beste werknemers, die misschien anders regulier werk hadden kunnen vinden, probeerden te behouden. Vandaar dat de lonen in de sociale werkvoorziening gingen toenemen. Waardoor de sociale werkplaatsen nog duurder werden. En er wachtlijsten ontstonden en groeiden. Want de werkplaatsen begonnen in te zien dat het "bedrijfseconomisch" gezien niet verstandig was om datgene te doen waarvoor ze bedoeld waren: werk bieden aan de zwaksten op de arbeidsmarkt. Zie het bericht Een publieke taak moet je met publiek geld financieren - Over de publieke omroep en over de sociale werkvoorziening.

Dat neoliberale denken zorgde er dus eerst voor dat de werkplaatsen niet meer konden doen waarvoor ze op de wereld waren, waarna ze wegens "slecht functioneren" maar beter konden worden afgeschaft.

Datzelfde thema van de goede verdeling van taken over de sociale ordes speelde langer geleden met de kinderbijslag. Want aanvankelijk heersten nog ideeën over het "rechtvaardige loon", die inhielden dat wat marktrelaties betreft niet teveel mocht worden afgeweken van de persoonlijke relaties van de Primaire sociale orde. Daarin word je geacht om zorg te hebben voor elkaar en dat houdt ook in dat je met elkaars noden en behoeften rekening houdt.

Zoals met verschillen in behoeftes tussen werknemers. De een heeft kinderen te onderhouden en de ander niet. Dan heeft toch degene met (meer) kinderen meer nodig en hoort hij dus meer te verdienen dan degene zonder of met minder kinderen? Zo doen we dat toch als we rekening met elkaar houden?

Maar we kwamen al gauw tot het inzicht dat de arbeidsmarkt zo niet kan werken. Want concurrentie.

En als de markt het niet kan, dan moet dus de sociale orde van de Overheid inspringen. Zo kwam er de door de overheid gefinancierde kinderbijslag. Zie Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst.

Het goed toedelen van taken aan sociale ordes, dat is nu eenmaal een niet te vermijden collectieve uitdaging van de maatschappij waarin we terecht zijn gekomen.

vrijdag 28 december 2018

Vrijwillige vuurwerkvrije zones, gaat dat werken?

Dit bericht gaat over die vrijwillige vuurwerkvrije zones, maar begint met een inleiding.

Als de maatschappij verandert, veranderen ook de problemen waar de sociale wetenschappen zich mee bezig houden. Of ze zouden moeten veranderen.

Denk wat dat laatste betreft aan de kritiek die de socioloog James S. Coleman uitoefende op de theorievorming in zijn vak. Die kritiek hield in dat de sociologie zich er maar langzaam rekenschap van gaf dat we in een maatschappij terecht zijn gekomen waarin we niet alleen meer als "natuurlijke personen" met elkaar omgaan. Een relatie tussen natuurlijke personen is er een van, zeg maar, mens tot mens.

De institutionele en juridische ontwikkeling van de laatste paar eeuwen heeft er immers toe geleid dat we naast de natuurlijke persoon ook de "rechtspersoon" kennen. Het gaat dan om zogenaamde formele organisaties, die met een bepaald doel en met een wettelijk kader zijn opgericht, zoals bedrijven, verenigingen, stichtingen, vakbonden, maar ook de democratische overheid en overheidsinstellingen. Coleman schrijft daarover in zijn Power and the Structure of Society (p. 14):
These "juristic persons" are intangible entities which none of us natural persons has ever seen. (...) In law, these persons must be treated somewhat differently from natural persons: they have no fixed life span, and thus may exist in perpetuity, they have no corpus, and thus cannot be physically imprisoned (though they can be punsihed in other ways, including death, a sentence not infrequently imposed by judges), they have no intrinsic capability of acting, and so must act through agents in the form of natural persons.
(Tussen haakjes: dat boekje uit 1974 is nog altijd lezenswaardig. En actueel, in een tijd van grote en machtige ondernemingen die een bedreiging zijn gaan vormen voor de democratische overheden. Lezenswaardiger dan dat latere, curieuze, omvangrijke en overambitieuze, boek van Coleman: Foundations of Social Theory uit 1990.)

Dit alles als, toegegeven, wat lange, inleiding tot waar het nu om gaat: de vrijwillige vuurwerkvrije zones. Want wat is het geval? Sinds we die democratische overheid en andere formele (dus in wetgeving en regels verankerde) organisaties kennen, is er de nieuwe sociaalwetenschappelijke problematiek van, om het maar eenvoudig te zeggen, wie wat moet doen.

Wat kunnen mensen het beste onderling zelf regelen, dus in hun relaties als natuurlijke personen? Welke taken moeten aan de overheid toevallen? Waarvoor kun je beter een organisatie oprichten dan het regelen in onderlinge, natuurlijke betrekkingen? (Denk ook aan het OMOP-schema.)

Veel van wat op dit blog in de loop van de jaren voorbij is gekomen, staat in het teken van precies die problematiek. Denk maar aan de overheidsonmacht in de jeugdzorg, waarin het erom gaat wat de overheid wel en niet kan doen als het om jeugd en gezin gaat.

En precies die vraag, naar wat een overheidstaak is en wat de mensen zelf beter kunnen doen, is in het geding als het gaat om het overheidsbeleid ten aanzien van het oudejaarsvuurwerk. Want vuurwerk geeft overlast. En leidt tot honderden vuurwerkslachtoffers, die naast menselijke ellende, medische kosten veroorzaken.

Technisch gezegd, vuurwerk gaat gepaard met zogenaamde negatieve externe effecten. Overlast voor anderen, die zich daar moeilijk aan kunnen onttrekken noch gemakkelijk een vergoeding kunnen opeisen. (Lees ook Asha ten Broeke vandaag in de Volkskrant.)

En een van de oplossingen daarvoor bestaat eruit dat de overheid de handeling die die externe effecten teweegbrengt, verbiedt. Een van de redenen dat we een overheid hebben is immers dat die verboden kan opleggen. Zo hebben we ook een rookverbod, onder meer vanwege de negatieve externe effecten van roken in openbare ruimtes.

Eerder noemde ik als een van de voordelen van een vuurwerkverbod dat het bestaan van dat verbod het mensen makkelijker maakt om er iets van te zeggen als iemand toch vuurwerk afsteekt. Je kunt dan immers die jongetjes die de hele dag met rotjes door de wijk lopen aanspreken met: jongens, het is niet alleen zo dat ik er last van heb, of dat mijn huisdier in paniek raakt, maar het is immers ook verboden. Het mag niet. Het bestaan van een verbod heeft ook sociale gevolgen.

Sociaalwetenschappelijk gezegd: het vergemakkelijkt de informele controle en sanctionering. En de effectiviteit daarvan hebben we gezien bij het in 2014 ingestelde verbod om overdag knalvuurwerk af te steken. Zie mijn bericht van 3 januari 2015: Een verbod kan effectief zijn, ook zonder (extra) handhaving - kijk maar naar het vuurwerkverbod.

Het is typisch een geval waarin niet of de overheid of de mensen zelf het moeten oplossen, maar waarin de overheid de mensen helpt om het zelf op te lossen. Niet of - of, maar en - en.

En dat is nu een inzicht dat met die vrijwillige vuurwerkvrije zones volledig in de wind is geslagen. De gemeente Utrecht omschrijft die zones als volgt:
Buurtbewoners maken met elkaar afspraken om geen vuurwerk af te steken in hun straat, rondom een pleintje of speeltuin of naast een park. De gemeente en de politie controleren dit niet, de bewoners maken zelf afspraken en spreken elkaar hierop aan.
Wilt u ook samen met uw buren een straat zonder vuurwerk? Maak dan gebruik van raamposters (zie afbeelding hiernaast). Deze liggen klaar op uw wijkbureau.
 Maar of dat gaat werken? Zonder de ondersteuning van een verbod?

Ik verwacht van niet.

donderdag 17 mei 2018

Waarom we zo actief zijn op sociale media - En over hoe de markt inspeelt op onze primaire sociale behoeften

Het CBS publiceert vandaag een aflevering van Statistische Trends over opvattingen over sociale media. Wat valt er zoal op?

87 procent van de ondervraagden (18 jaar of ouder) zijn actief op sociale media. Voor bijna iedereen van deze groep (rond de 90 procent) is de de belangrijkste reden om dat te doen het in contact blijven met anderen.

En dat in contact blijven, dat lukt ook goed. Want ruim 60 procent ervaart een positieve invloed van de activiteit op sociale media op het contact met familie en vrienden (en bijna niemand een negatieve invloed).

Jongeren (18 - 25 jaar) zijn het meest actief op sociale media: ruim 80 procent van hen spendeert er ten minste 1 - 5 uur per dag aan, oplopend tot 10 uur per dag of meer. Onder hen vinden we ook de meesten die zichzelf verslaafd vinden aan sociale media, hoewel dat toch niet meer is dan tegen de 30 procent.

Dat jongeren meer dan ouderen actief zijn, zal eraan liggen dat hun sociale contacten meer in beweging zijn, door gebeurtenissen als veranderen van opleiding, overgang van opleiding naar werk en verlaten van het ouderlijk huis. Daardoor ervaren ze meer sociale vluchtigheid, wat aanzet tot grotere inspanningen om contacten te onderhouden en voor nieuwe contacten open te staan. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid. En misschien hebben ze door dat dit de tijd is om vrienden te maken, omdat er later in de levensloop nog maar weinig vrienden bij komen.

Dat de sociale media die belangrijke functie van het in contact blijven met anderen zijn gaan vervullen en dat zoveel mensen er zo snel actief op zijn gaan worden, is wel iets om bij stil te staan.

Want het lijkt erop dat het op de markt komen van deze nieuwe technologie ons in staat stelt om meer dan daarvoor te voldoen aan onze sociale behoeften. Onze 'ouderwetse" behoefte aan het vanzelfsprekende contact met vertrouwde anderen komt door onze leefwijze in het gedrang. We hebben al lang niet meer die fysieke omgeving waarin we onze vertrouwden als onderdeel van onze dagelijkse bezigheden eigenlijk altijd dicht in de buurt hadden.

Maar als groepsdier bij uitstek zijn we nog steeds wel ingesteld op die vanzelfsprekende nabije aanwezigheid van anderen. Daar komt die voortdurende behoefte aan contacten uit voort, die vaak latent is, maar vaak ook manifest, wanneer we ons eenzaam voelen.

En wat is er gebeurd? De markt heeft die behoefte ontdekt en een aanbod aan sociale media ontwikkeld, waar wij geld voor over hebben om er actief op te kunnen zijn. En waar we blootstelling aan reclame en opgeven van onze privacy voor over hebben.

Het is een voorbeeld van die vele gevallen waarin iets dat eerst als vanzelf voortkwam uit onze Primaire Sociale Orde, het domein van de persoonlijke relaties, nu als een "voorziening" tot stand komt via de omweg van de Markt. Dus via de omweg van een commercieel product.
Die hoofdletters slaan op het OMOP-schema, dat onze huidige maatschappij ziet als bestaande uit twee geconstrueerde sociale ordes, Overheid en Organisaties, en twee spontane sociale ordes, Markt en Primaire Sociale Orde. Met die onderscheidingen en de bewegingen en beïnvloedingen tussen die ordes kun je eigenlijk het hele onderzoeksgebied van de sociologie, of breder, van de sociale wetenschap karakteriseren. De Groningse sociologie-opleiding is rond het OMOP-schema opgebouwd. Zie ook Sociale Welvaart.
Vergelijkbaar is de introductie en snelle verspreiding van de televisie als een commercieel product dat ons in staat stelde om een soort pseudo-sociale contacten aan te gaan met televisiepersoonlijkheden (parasociale relaties) als onvolkomen substituut voor de ontbrekende echte contacten. Zie Door toename vrije tijd gingen we vooral meer televisiekijken. En wat deden we met onze sociale contacten?

woensdag 19 augustus 2015

Om mens en menselijkheid - Over sociologie

Teruggekeerd van vakantie bleek me dat de harde schijf van mijn computer aan vervanging toe was. Bij het terug plaatsen van de backup ging er het een en ander mis, waardoor ik verzeild raakte in de krochten van oude mappen en documenten. 

Zo stuitte ik op de tekst van de lezing die ik, nu al weer vijf jaar geleden, hield bij mijn afscheid van de Groningse Vakgroep Sociologie. Toen ik die weer eens doorlas, dacht ik dat hij toch eigenlijk niet verloren moet gaan.

Daarom voor geïnteresseerde volgers hieronder de tekst. Die iets duidelijk maakt over de denkwereld van waaruit veel berichten op dit blog worden geschreven.

Vanaf nu komt de berichtgeving op dit blog langzaam weer op gang.

----------------------------------------------------------------

“Om mens en menselijkheid”, in 1963 en nu

Uitgesproken op 3 juni 2010 tijdens het symposium ter gelegenheid van mijn afscheid van de Vakgroep Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen

Bij een afscheid hebben mensen over het algemeen de neiging om terug te kijken. Voor mij is dit vandaag een afscheid van een lange periode van het studeren en beoefenen van het vak sociologie. Ik ging in 1965 in Groningen sociologie studeren, werd in 1968 student-assistent en in 1971 wetenschappelijk medewerker. En sindsdien ben ik aan de Vakgroep Sociologie verbonden geweest. Toen deze dag dichterbij kwam, groeide het voornemen om vandaag maar gewoon toe te geven aan die algemeen menselijke neiging tot terugkijken.

Maar ik wil dat doen met een speciale vraag voor ogen, de vraag namelijk wat de sociologie heeft bijgedragen aan mijn inzichten over het gedrag van mensen en wat mensen met elkaar tot stand brengen, zeg maar: aan mijn inzichten over “mens en maatschappij”.

Natuurlijk is dat een veel omvattende vraag. Het ligt voor de hand om te denken dat die bijdrage aanzienlijk is. Want als eerstejaarsstudent wist ik, naar “omvang van kennis”, natuurlijk maar heel weinig.  Maar het gaat me meer om de vraag wat de sociologie voor uitwerking heeft gehad op mijn inzichten in en manier van kijken naar mens en maatschappij.

Daarvoor moet ik terug naar de tijd dat ik als ongeveer twintigjarige begon te overwegen om sociologie te gaan studeren. Wat waren toen mijn verwachtingen? Me dat afvragend, bedacht ik dat er ergens in mijn boekenkast nog een boekje moest staan dat ik toentertijd had aangeschaft en gelezen. Het is getiteld Om Mens en Menselijkheid in Maatschappij en Politiek en de auteur is Willem Banning (1888-1971). Het is uitgegeven in 1960 en ik heb het in 1963 gekocht.

Banning was dominee, hoogleraar kerkelijke sociologie in Leiden, voorzitter van de ArbeidersGemeenschap der Woodbrookers en één van de oprichters van de Partij van de Arbeid kort na de oorlog. Hij was toen een bekende figuur, is daarna vrijwel vergeten geweest, maar de laatste jaren is er voor hem weer een groeiende belangstelling. Hij was als zoon van een Makkumer haringvisser van zeer bescheiden afkomst.

In mijn herinnering speelde het lezen van dit boekje van Banning een rol in mijn beslissing om sociologie te gaan studeren. Maar wat die rol nu precies inhield, was ik eigenlijk vergeten. Ik begon dus het boekje door te bladeren en bleef hangen op p. 47, waar ik ooit twee passages met potlood had onderstreept.

Bij het lezen van die passages kreeg ik zoiets als de beroemde “schok der herkenning”. De eerste passage luidt als volgt: 
Ik stel alleen – wil men: als pure bewering, maar ik bedoel: als onmisbare vooronderstelling – dat sociologische arbeid geen zin heeft indien zij niet uitgaat van de overtuiging dat de mens aanspreekbaar is, en dat niet alleen als rationeel maar ook als verantwoordelijk wezen.
 En de tweede: 
Ik weet: het is niet ongevaarlijk om uitspraken te doen als de volgende – zij verworden licht tot goedkope kreten - : het heeft geen zin sociologie als wetenschap te beoefenen, indien niet een verantwoordelijkheid voor het humanum daartoe inspireert.
Ik had ineens weer helder voor ogen dat ik in 1963 hier mijn motivatie verwoord vond om sociologie te gaan studeren. De maatschappij is mensenwerk en dus zijn mensen er verantwoordelijk voor hoe de maatschappij is ingericht. En mensen zijn in staat om die verantwoordelijkheid te voelen en op zich te nemen. Kortom: we willen met zijn allen een voor mensen betere maatschappij en het studeren van sociologie is bij uitstek een weg waarlangs je daarin een rol kunt spelen.

Verder doorbladerend viel mijn oog op een andere, eveneens onderstreepte, passage waarin Banning uitlegt wat dan een “betere maatschappij” is. Hij baseert zich daar op het werk van Erich Fromm (1900-1980) een toen alom bekende psychiater die populaire boeken schreef als De angst voor vrijheid en De gezonde samenleving. Een betere maatschappij wordt daar omschreven als een maatschappij die beter aan de fundamentele levensbehoeften van mensen tegemoetkomt. En daar worden ook de levensbehoeften opgesomd die volgens Fromm fundamenteel zijn, namelijk:
De behoefte om eenzaamheid te overwinnen
De behoefte om boven zichzelf uit te stijgen o.a. in scheppende arbeid
De behoefte aan liefderijke zorg
De behoefte aan identificatie met een “wij”
De behoefte om de wereld en zichzelf verstandelijk te begrijpen en aldus zijn leven inhoud te geven
Verantwoordelijke mensen en een verantwoordelijke sociologie proberen er dus aan bij te dragen dat mensen zo goed mogelijk in staat worden gesteld om deze behoeften te vervullen. En hoe meer de inrichting van de maatschappij aan die behoeften tegemoetkomt, hoe “gezonder’ die maatschappij is. Merk op dat zeker 1, 3 en 4 sociale behoeften zijn.

Met dit soort gedachten begon ik dus in 1965 met mijn studie sociologie. Maar mijn verwachtingen kwamen niet uit. 

Ik kwam terecht in een sociologie die helemaal niet uitging van fundamentele levensbehoeften van mensen en de van de wenselijkheid de inrichting van maatschappij daarop aan te passen. Het was precies andersom. Je moest er van uitgaan dat de maatschappij door economische en technologische vooruitgang veranderde, dat die veranderingen nieuwe eisen aan mensen stelde en dat mensen zich aan die nieuwe eisen aanpasten. Het primaat lag niet bij mensen en hun behoeften, maar bij de maatschappij. Anders gezegd: de maatschappij is er niet voor de mensen, maar de mensen zijn er voor de maatschappij. Deze manier van sociologie heette het structureel-functionalisme.

Dat lijkt een vreemd standpunt. En dat is het ook. Het wordt iets begrijpelijker, maar daarmee nog niet acceptabel, als je de twee achterliggende gedachten kent. Die zijn:
  • Mensen zijn in extreme mate flexibel
  • En dat komt doordat de mensheid is ontstegen aan de biologische evolutie
 Dat betekende dat je, om mensen te begrijpen en om menselijk gedrag wetenschappelijk te verklaren, je niet hoefde te verdiepen in de biologische evolutietheorie, noch in de evolutionaire achtergronden van het menselijke gedrag. De toen heersende stemming in de sociologie was er één van: met biologie willen we niets te maken hebben. Natuurlijk hebben mensen behoeften, maar die liggen voornamelijk op het eenvoudige fysieke vlak (voedsel, vocht, temperatuur e.d.).

Wat sociale behoeften betreft, zijn mensen flexibel. Als de maatschappij individualiseert, dan is eenzaamheid geen probleem, want mensen leren wel om daarmee om te gaan. En als ze dat niet goed genoeg leren, dan moeten ze daarbij worden geholpen, door hulpverleners, maatschappelijk werkers, psychotherapeuten, psychiaters en de farmaceutische industrie. En de maatschappelijke en economische ontwikkeling zorgen er als vanzelf voor dat al die hulpverlenende beroepen ook ontstaan en al die pillen ook op de markt komen.

In termen van het OMOP-schema gezegd: als er problemen ontstaan in de Primaire sociale orde, dan lossen de Markt en de Overheid die problemen altijd wel weer op. 
Voor niet-ingewijden: OMOP-schema slaat op een schema van de vier sociale ordes die in de moderne maatschappij kunnen worden onderscheiden: Overheid, Markt, Organisaties en Primaire sociale orde. Deze laatste orde bestaat uit de persoonlijke relaties van mensen en is dus essentieel voor de vervulling van hun sociale behoeften. Dit schema speelt een rol in het Groningse sociologie onderwijsprogramma.
Problemen zijn er dus eigenlijk niet en kunnen er ook niet zijn. Het is niet verrassend dat zulke ideeën onontkoombaar leiden tot een toeschouwersfunctie voor de sociologie. Voor de volledigheid en wellicht overbodig: die twee achterliggende gedachten zijn gewoon onjuist.

Bij de studenten was dit structureel-functionalisme niet geliefd. We zagen het als conservatief en status quo bevestigend. Wij wilden dus iets anders en in die tijd kregen studenten nog vaak hun zin. 

Er kwam toen van alles voor in de plaats. We waren aanhangers van de kritische theorie of de marxistische sociologie of het kritisch rationalisme of het symbolisch interactionisme, maar over die betere maatschappij a la Banning en Fromm ging het nooit. Ik moet eerlijk bekennen dat ik zelf die ook kennelijk min of meer was vergeten. Ik was maar een eenvoudige Friese dorpsjongen en ik was snel geïmponeerd door alles wat zich aandiende. Dus ben ik ook een tijd `kritisch theoreticus` geweest en ´marxist´ en ´kritisch rationalist´ en ´symbolisch interactionist´.

Dat veranderde in de loop van de jaren zeventig. Ik was ondertussen wetenschappelijk medewerker geworden. Tegen die tijd begon de economie een populair vak te worden en drong de micro-economische theorie de sociologie binnen, onder de titel rationele keuzetheorie. En velen van ons, waaronder ik, werden aanhanger van de rationele keuzetheorie. 

Daarop terugkijkend ben ik toen een flink aantal jaren in feite in mijn denken een econoom geweest. Ik dacht in termen van nutsmaximalisering, kosten en baten, suboptimale en optimale evenwichten. En ik schreef artikelen als A Rational-Choice Explanation of Composition Effects in Educational Research.

Daarin gaat het over een economische analyse van het gedrag van leerlingen en leraar in een schoolklas. Toen ik een lezing over dit artikel gaf, was er een vader in de zaal die verklaarde dat hij zijn kind nooit naar “zo’n school” zou laten gaan. Ik vond dat toen een rare opmerking, maar ben daar later anders over gaan denken.

Toch was ik een tijd lang gegrepen door die economische manier van denken. En dat kwam o.a. doordat het er in het vak economie uiteindelijk om gaat om iets te verbeteren, namelijk de mate van welvaart. Ik vond er dus iets van die verantwoordelijkheid voor ‘mens en menselijkheid’ waar Banning zo op hamerde in 1963. Economie is een “verbetervak” en na al die omzwervingen bleek ik toch nog steeds daarnaar op zoek te zijn.

Maar economie is een heel eenzijdig verbetervak, want het heeft een blinde vlek voor die sociale behoeften van mensen, waar Banning en Fromm het over hadden. En daardoor kan het gebeuren dat economen een beleid adviseren dat goed is voor het nationale inkomen, maar dat slecht is voor de vervulling van sociale behoeften. Kort gezegd: de zogenaamde individualisering mag economische voordelen hebben, maar er zijn daarnaast grote sociale nadelen. Omdat dat nog veel te weinig wordt onderkend, is er dus grote behoefte aan een verbetervak sociologie, zoals Banning in 1963 al zag.

Dat vak bestaat nog steeds niet. Hoewel het structureel-functionalisme tegenwoordig niet meer populair is, vinden de meeste sociologen het nog steeds vanzelfsprekend om niet meer dan een toeschouwersfunctie uit te oefenen. 

Toch zijn de voorwaarden voor het ontstaan van een verbetersociologie nu gunstiger dan in 1963. Voor deze stelling, waar ik mee wil afsluiten, zijn drie argumenten: 
  • De biologie komt de sociologie binnen, aarzelend, maar toch. Daardoor krijgen sociologen steeds meer door dat mensen sociale dieren zijn.
  • Er is steeds meer onderzoek dat laat zien dat voldoende vervulling van sociale behoeften voor mensen heel belangrijk is. Ze worden er gelukkiger, gezonder en zorgzamer (pro-socialer) van.
  • We hebben steeds meer inzicht in wat het mensen moeilijker (of makkelijker) maakt om hun sociale behoeften te vervullen. 
Ik reken er dus op dat de verwachtingen die ik in 1963 had van een verantwoordelijke sociologie toch nog, weliswaar laat, uitkomen.

dinsdag 24 april 2012

Merijn Knibbe: Over geld, Lippizaner paarden en de markt

Merijn Knibbe schreef een lange reactie op mijn bericht over het ontstaan van geld, dat ik schreef naar aanleiding van het paper van Dirk Bezemer voor de INET-conferentie in Berlijn. Hij geeft interessante historische informatie. Het mooie is dat ook zijn betoog hier en daar raakt aan het OMOP-schema, dat ik hier kort uiteenzet, maar dat bij veel berichten van dit blog op de achtergrond aanwezig is. Klik onderaan mijn bericht de knop "reacties" aan en volg de link.

woensdag 31 augustus 2011

Sociale Welvaart

Update 2021. Dit bericht is van 2011 en het vak waar het over gaat dateert van 2007-2008. Mijn denken over wat "sociale welvaart" inhoudt, heeft zich natuurlijk verder ontwikkeld. Omdat dit bericht nog steeds wordt gelezen, is een update noodzakelijk. Lees voor een actuele beschouwing: Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Sociale Welvaart is de titel van een vak dat ik tot 2008 heb verzorgd als onderdeel van de Bachelor Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Dat vak gaat over de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor welzijn en gezondheid en over de manieren om die voorwaarden te bevorderen. Ter informatie hieronder de beschrijving van het vak, met daaronder de literatuurlijst.