Posts tonen met het label Richard Wilkinson. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Richard Wilkinson. Alle posts tonen

vrijdag 11 september 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 48 - Durkheims belangrijke moment en zijn terugval in het functionalistische systeemdenken

Zoals de vorige berichten laten zien, ben ik me opnieuw in Durkheim gaan verdiepen. Ik raakte in de jaren 70 geïnteresseerd in de anomietheorie, omdat die over mensen ging, en de oorsprong daarvan ligt in het werk van Durkheim. Bij het nu herlezen vallen me zaken op waar ik destijds overheen las en die belangrijk zijn voor hoe het vak sociologie zich ontwikkelde. Hier het vorige bericht.

Neem nu het moment dat Durkheim in 1896 in zijn Le Suicide uiteindelijk tot de slotsom komt dat de toename van zelfmoordcijfers in zijn tijd als een aanwijzing opgevat moet worden dat er in de maatschappij dingen niet goed gaan. Dat is een belangrijk moment. Hij lijkt het functionalistische top-down denken achter zich te laten om zich af te vragen of de toestand waarin de maatschappij verkeert nog wel tegemoetkomt aan wat mensen voor hun welbevinden nodig hebben. De maatschappij is niet langer een zichzelf in stand houdend sociaal systeem, maar is het resultaat van mensenwerk. Werk dat kan worden beoordeeld naar de mate waarin het een goede maatschappij tot stand brengt, een "sociaal superieure" toestand, dan wel een "sociaal inferieure" toestand laat ontstaan, een toestand van anomie.

Een belangrijk moment omdat Durkheim daarmee vooruitloopt op de golf van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor menselijk welbevinden, die ongeveer een eeuw later begon. Ik denk even aan het precies 100 jaar na Le Suicide verschenen Unhealthy Societies. The Afflictions of Inequality van Richard G. Wilkinson, waarin Durkheim ook als voorloper wordt aangehaald (p.15-6):

An accurate overall conception of health has much in common with Durkheim's approach to suicide. Rather than analysing suicide purely in terms of individual psychology and circumstances, Durkheim saw suicide a a social product, Each society had a rate which reflected its social structure. (...) ...if Durkheim had been writing now, it seems likely that in the context of the modern burden of disease in developed societies, he would not have confined his analysis to suicide. The evidence is overwhelming that the rates of most diseases vary from society to society in ways that reflect, and indeed are indicative of, differences in their social and economic organisation.(...)

Looking at health from the standpont of society rather than of individuals can lead to a radically different view of the determinants of health. Instead of looking to see what makes one individual healthier than another, our aim in this book will be to see what makes one society healthier than another.

Durkheim dus als voorloper. Maar hoewel sociologie zich intussen had ontwikkeld tot een erkende academische discipline, droegen sociologen toch maar weinig bij aan die golf van onderzoek. Wilkinson studeerde economische geschiedenis en epidemiologie en was hoogleraar sociale epidemiologie. (Hij gaf in 2013 de WRR-lezing in de Nieuwe Kerk in Den Haag, waar ik van onder de indruk was. En hij schreef in 2018 samen met Kate Pickett The Inner Level. How More Equal Societies Reduce Stress, Restore Sanity and Improve Everyone’s Wellbeing.) 

Maar goed, daar op terugkijkend lag het dus voor de hand dat ik destijds in die Durkheim van de anomietheorie geïnteresseerd was.Terwijl ik tegelijk ongemak voelde bij dat vak sociologie als erkende academische discipline, waarin ik van 1965 tot 1971 werd opgeleid.. 

En ik ervaar nu ongemak als ik me verdiep in wat Durkheim in 1896 naar voren bracht over hoe de maatschappelijke toestand van zijn tijd kon worden verbeterd. Hoe kan de collective sadness (p.365) die sommigen ertoe brengt om hun leven te beëindigen, verminderd worden? Hoe brengen we de sociale verbanden terug die mensen nodig hebben om te voorkomen dat ze de ambities najagen die alleen maar tot leegte en uitzichtloosheid leiden (p.373-4):

Thus, the only remedy (...) is to restore enough consistency to social groups for them to obtain a firmer grip on the individual, and for him to feel himself bound to them. He must feel himself more solidary with a collective existence which preceds him in time, which survives him, and which encompasses him at all points. If this occurs, he will no longer find the only aim of his conduct in himself, and, understanding that he is the instrument of a purpose greater than himself, he will see that he is not without significance. Life will resume meaning in his eyes, because it will recover its natural aim and orientation.

Hier aangekomen verwacht je dat Durkheim met adviezen komt over hoe de maatschappij zo ingericht kan worden dat mensen zich weer onderdeel voelen van een groter geheel, van een collectief bestaan, waarin ze meetellen en dat hun leven zin geeft. Waarin ze zich niet verloren voelen en geheel op zichzelf aangewezen. Adviezen misschien in de lijn van die van Wilkinson een eeuw later: breng die grote ongelijkheid terug, omdat die de mensen aanzet tot de stressvolle en ziekmakende statuscompetitie p.222-3):

But how do we achieve a narrower income distribution and better social cohesion? The first step is for politicians and the public to recognise the importance of these issues. At the moment the management of the national economy is devoted almost exclusively to the pursuit of economic objectives. Thus must be changed. Policies on education, employment, industrial structure, taxation, the management of the business cycle, must all be assessed in term sof their impact on social justice and social divisions. Economic management must have the explicit aim of increasing social cohesion and the social quality of life.

Maar zou grotere gelijkheid dan niet ten koste gaan van welvaart en economische groei? Nee, integendeel. Wilkinson verwijst naar het toen al bekende onderzoek dat laat zien dat grotere ongelijkheid juist economische kosten met zich meebrengt. 

Treffen we iets in die richting aan bij Durkheim in 1896? Nee, in het geheel niet. Maar dat is natuurlijk deels goed te begrijpen, als we bedenken dat Wilkinson zich kan richten tot een democratische overheid die een geweldige invloed uitoefent op hoe de maatschappij is ingericht. Durkheim had natuurlijk met een heel andere overheid te maken. In het Frankrijk van zijn tijd was er wel het in 1848 ingevoerde algemeen kiesrecht, maar alleen voor mannen. 

En in de woorden van Thomas Piketty was Frankrijk net als trouwens andere landen nog een "bezittersmaatschappij", waarin de overheid er vooral was om het particuliere bezit te beschermen en waarin grote ongelijkheid heerste. Pas verderop in de twintigste eeuw werd het algemeen kiesrecht uitgebreid (in Frankrijk konden vrouwen pas vanaf 1945 hun stem uitbrengen) en kwamen er de regulering van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing. Dat er in de tweede helft van de twintigste eeuw verzorgingsstaten zouden opkomen, waarin de gemeenschapsmoraal van het iedereen-telt-mee werd vormgegeven, dat was een ontwikkeling die Durkheim in de verste verte niet zag aankomen. Hij onderkende het bestaan van een gemeenschapsmoraal, van de "solidariteit met een collectief bestaan", maar dat die ooit vorm zou krijgen in een democratische verzorgingsstaat, daar zal hij zelfs niet over gefantaseerd hebben.

Nee, hij nam de bestaande toestand als een gegeven aan, keek om zich heen op zoek naar nieuwe mogelijkheden voor mensen om zich in te voegen in een sociaal verband, om zich onderdeel te voelen van een collectief bestaan. En daarmee valt hij gewoon terug op dat functionalistische systeemdenken, waarin het sociale systeem wordt geacht zichzelf aan te passen. Door maatschappelijke veranderingen zijn mensen een sociaal verband kwijtgeraakt en de werking van het systeem zorgt er voor dat daar als vanzelf iets anders voor in de plaats komt. Wat mij, Durkheim, als socioloog nu te doen staat is dat ik op zoek ga naar wat dat andere zou kunnen zijn.

Het volgende bericht gaat dus over Durkheims zoektocht. Maar nu al is duidelijk dat hij er uitdrukkelijk voor kiest om de maatschappij te blijven zien als een zichzelf in standhoudend sociaal systeem, als een spontane sociale orde. De mogelijkheid van een geconstrueerde sociale orde, van een democratische overheid, komt niet in beeld. En we zullen zien dat dat grote gevolgen had voor hoe het vak sociologie zich verder ontwikkelde. Hier het volgende bericht.

woensdag 15 februari 2023

De slechtere gezondheid van de minst welvarenden heeft niet alleen met henzelf en hun omstandigheden te maken, maar ook met hoe ongelijk het land is waarin ze wonen

Tim 's Jongers vraagt op De Correspondent terecht aandacht voor de grote gezondheidsverschillen tussen arm en rijk: De gezondheidskloof tussen arm en rijk dicht je niet met broccoli en een stappenteller. Volgens cijfers van het CBS hebben de minst welvarende Nederlanders negen jaar minder te leven dan de meest welvarenden en leven ze zelfs 25 jaar korter in goede gezondheid.

Er is inderdaad een schat aan onderzoek dat wijst op het verband tussen sociaaleconomische status en gezondheid. Ik stond er in berichten op dit blog bij stil. Maar al dat onderzoek heeft een belangrijk inzicht in de oorzaken van dat verschil opgeleverd, dat in het betoog van 's Jongers niet goed naar voren komt. 

Wat blijkt namelijk? Veel mogelijke oorzaken van het verschil hebben er mee te maken dat het minder gemakkelijk is om gezond te leven en dat je woon- en werkomstandigheden ongezonder zijn als je arm bent. Maar ook als in onderzoek daarmee rekening wordt gehouden, blijft er nog een gezondheidsverschil over dat met al die oorzaken niet verklaard kan worden.

Richard Wilkinson was vermoedelijk de eerste was die daar op wees, in Mind The Gap. Hierarchies, Healt and Human Evolution uit 2000. Zie het bericht (uit 2012) Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid. Een citaat daaruit:

... het kan wel zo zijn dat mensen met lagere status meer ongezond gedrag vertonen en minder goede zorg ontvangen, maar dit verklaart niet volledig dat ze ongezonder zijn dan mensen met hogere status. Hetzelfde geldt voor verschillen in woonomstandigheden, blootstelling aan luchtvervuiling, ongezond eten en andere materiële omstandigheden. Ook kan het zogenaamde selectie-effect het gezondheidsverschil niet volledig verklaren. Dat effect houdt in dat de kans om in een lagere statuspositie terecht te komen, hoger is als je meer gezondheidsproblemen hebt. Uit onderzoek werd steeds duidelijker dat de oorzaak ligt in de sociale aspecten van statusverschillen. Wilkinson schrijft daarover (p. 7, mijn vertaling):

Achteraf gezien lijkt het alsof we leden aan een opmerkelijk niet-gesocialiseerd beeld van mensen. We namen aan dat de belangrijkste relaties die waren tussen mensen en dingen - een geloof dat zonder twijfel werd versterkt door het economische gezichtspunt dat welzijn afhangt van individuele, materiële consumptie. De sociale aspecten waren op de een of andere manier te vluchtig om mee te wegen naast de concrete milieuproblemen. Sindsdien heeft onderzoek ons er geleidelijk toe gedwongen om in te zien dat dat wat er het meest toe doet (en waarschijnlijk zelfs voor mensen die te lijden hebben van luchtvervuiling en slechte huisvesting) het psychosociale welzijn is en de kwaliteit van de sociale omgeving. Dit wil niet zeggen dat de directe effecten van materiële factoren onbelangrijk zijn; maar we moeten onderkennen dat de indirecte psychosociale effecten van relatieve deprivatie onverwacht krachtig zijn.

Dat betekent dat het bekleden van een lage status in een statushiërarchie op zich stressvol en daardoor ongezond is. Waarschijnlijk samenhangend met gevoelens van vernedering en minderwaardigheid. Van niet mee te tellen. Van niet respectvol behandeld te worden. Want dat komt naar voren uit onderzoek van Gary W. Evans, waar het bericht Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden - Gezondheid en sociale omgeving (20) over ging. 

En er is bovendien dat andere onderzoek dat uitwijst dat het hebben van een lage status in een ongelijke samenleving op zich, dus los van leefstijl- en omgevingsfactoren, de levensverwachting voor mensen die tussen de 40 en 85 jaar zijn met ruim twee jaar verlaagt. Zie het bericht Lage sociaaleconomische status verlaagt levensverwachting fors, nog los van andere risicofactoren. Lage sociaaleconomische status op zich staat op de derde plaats in het lijstje van risicofactoren, na roken en lichamelijke inactiviteit, maar dus voor hoge bloeddruk, diabetes, alcoholgebruik en overgewicht. 

Een en ander komt er mee overeen dat ongelijkheid de stress van de statuscompetitie aanwakkert en dat dus mensen in meer ongelijke samenlevingen ongezonder zijn dan in gelijkere samenlevingen. Diezelfde Wilkinson liet dat samen met Kate Pickett zien in The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. Zie daarover het bericht Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid. Het lijkt er ook mee te maken hebben dat mensen in meer ongelijke samenlevingen elkaar minder vertrouwen, door die statuscompetitie, en daardoor meer stress ervaren. Ongelijkheid kruipt onder je huid.

Dat laatste zou er op wijzen dat zelfs degenen met hoge status gezondheidswinst zouden boeken als de ongelijkheid zou afnemen. 

Kortom, de slechtere gezondheid van de minst welvarenden heeft niet alleen met henzelf en hun positie te maken, maar ook met hoe ongelijk het land is waarin ze wonen.

donderdag 1 augustus 2019

Hoe meer mensen hebben, hoe meer ze willen - Argument om ongelijkheid en dus de statuscompetitie binnen de perken te houden

De nadelige effecten van grote ongelijkheid zijn bekend. Ik stond erbij stil in twee berichten over het werk van Richard Wilkinson en Kate Pickett: WRR-lezing over de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid en Door meer ongelijkheid meer stress, angststoornissen en psychische problemen. En lees ook nog eens het fraaie overzicht van de gevaren van ongelijkheid door Rudi Wielers.

Dat probleem van die gevaren is extra urgent door de vele aanwijzingen die er bestaan voor de gedachte dat een proces van toenemende ongelijkheid zichzelf versterkt. Zie Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Een van de paden waarlangs dat proces van zichzelf versterken verloopt, is dat degenen die erop vooruitgaan ertoe aangezet worden om nog meer te willen. Er zit geen natuurlijke rem op dat steeds maar meer willen. Sterker, hoe meer je hebt, hoe meer je wilt.

Een gedachte die je vindt in het sprookje Van de visser en zijn vrouw dat de gebroeders Grimm optekenden en dat in ons land werd bewerkt tot Van het toovervischje, een prentenboek over kabouter Piggelmee en zijn vrouw, waarmee reclame werd gemaakt voor Van Nelle-koffie.

Maar je vind hem ook bij de klassieke socioloog Emile Durkheim (1858 - 1917), die het eraan toeschreef dat mensen zich van de andere dieren onderscheiden door hun voorstellingsvermogen. Dat vermogen heeft veel voordelen, zoals het kunnen abstraheren van de werkelijkheid, maar heeft als groot nadeel de neiging tot onverzadigbaarheid.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn er aanwijzingen dat het steeds maar meer willen voortkomt uit het proces van sociale vergelijking. Het onderliggende proces is dat mensen zich in hun streven naar lotsverbetering vergelijken met de anderen om hen heen. In een ongelijke maatschappij brengt dat met zich mee dat een eenmaal geslaagde lotsverbetering gepaard gaat met sociale stijging, waardoor de groep van mensen om je heen (de referentiegroep) van samenstelling verandert. Je daarmee vergelijkend, ontdek je dat je eigenlijk nog niets bent opgeschoten, waardoor je ertoe wordt aangezet om nog meer te willen. De werking van dit proces van sociale vergelijking is aangetoond voor CEO's van grote bedrijven en verklaart hun exorbitante beloningen.Zie Beloningen CEO's groeien sneller door bias in keuze van peer group - Een geval van statuscompetitie.

En er zijn aanwijzingen voor het bestaan van een gewenningsproces, dat maakt dat elke lotsverbetering maar kortstondig een welzijnswinst oplevert, doordat hij op den duur als de normale toestand wordt ervaren. Of doordat succes aanzet tot de productie van dopamine, het "verleidingshormoon", dat doet verlangen naar nog meer succes, een proces waar Rudi Wielers op wees.

In de nieuwe studie The More You Have, the More You Want? Higher Social Class Predicts a Greater Desire for Wealth and Status wordt in dezelfde lijn aangetoond dat degenen met al veel rijkdom en status meer naar rijkdom en status streven dan degenen met minder. Met bovendien aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Degenen die gevraagd werden om zich een hogere positie qua rijkdom en status voor te stellen, gingen status en rijkdom belangrijker vinden dan degenen die zich een lagere positie voorstelden.

Sociaalwetenschappelijk gezien allemaal uitstekende argumenten om de mate van ongelijkheid binnen de perken te houden. Op zijn kortst gezegd, versterkt een toename van ongelijkheid het statuscompetitiepatroon, met alle nadelen die dat patroon met zich meebrengt.

dinsdag 5 juni 2018

Door meer ongelijkheid meer stress, angststoornissen en psychische problemen - Nieuw boek van Wilkinson en Pickett

Richard Wilkinson en Pickett zijn na hun in 2009 verschenen  The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better doorgegaan met hun onderzoek naar de negatieve gevolgen van grote ongelijkheid. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid voor meer over dat boek.

Nu is er van hen een vervolgboek verschenen: The Inner Level. How More Equal Societies Reduce Stress, Restore Sanity and Improve Everyone’s Wellbeing.

The Guardian interviewt de beide onderzoekers. Zie Is rising inequality responsible for greater stress, anxiety and mental illness?

Gevolgd door een excerpt uit het boek dat ingaat op de gevolgen van het opgroeien in armoede voor de onderwijsprestaties van kinderen. Met een plaatje dat laat zien hoe in het Verenigd Koninkrijk het verschil in prestaties tussen kinderen uit de meest gedepriveerde en de minst gedepriveerde gezinnen na het zevende levensjaar sterk toeneemt.


maandag 27 februari 2017

Het is immoreel om het probleem van ongelijkheid niet aan te pakken

Kate Pickett en Richard Wilkinson roepen op om het probleem van ongelijkheid aan te pakken. De kennis over de schadelijke gevolgen van ongelijkheid is nu zo omvattend dat het nalaten om er iets aan te doen als immoreel dient te worden beschouwd. Zie hun Immorality of inaction on inequality in de British Medical Journal. 

Pickett en Wilkinson verwijzen naar het Global Risks Report 2017 van het World Economic Forum, waarin de toenemende inkomens- en vermogensongelijkheid gerekend wordt tot de top drie veroorzakers van wereldwijde bedreigingen. En ze halen het bizarre gegeven aan uit het Oxfam rapport An Economy For the 99% dat de rijkste acht personen over evenveel vermogen beschikken als de armste helft van de wereldbevolking.

Die extreme ongelijkheid heeft een scala aan negatieve gevolgen. Landen met een grotere ongelijkheid worden gekenmerkt door
poorer physical and mental health, more illicit drug use, and more obesity. More unequal societies are marked by more violence, weaker community life, and less trust. Inequality also damages children’s wellbeing, reducing educational attainment and social mobility.
(...) Among developed countries, mental illness and infant mortality rates are two or three times as high in more unequal countries; teenage birth rates and homicide rates can be 10 times higher. These differences are so large because inequality affects the majority of the population not just a poor minority, and the scale of income differences within a society immerses us all more deeply in issues of status insecurity and competition. A growing literature also highlights the effect of inequality on status anxiety, depression, narcissism, self enhancement, and addictions.
Hoe dat zo gekomen is?
During the 20th century inequality in most rich countries fell almost continuously from the 1930s to the 1970s and then increased dramatically from the 1980s with the dominance of neoliberal economics. This widening inequality has been dominated by top incomes growing faster than others.
 Anders gezegd, het gaat hier om een toename van ongelijkheid die een gevolg is van het gevoerde (neoliberale) beleid. Die dus niet kan worden toegeschreven aan onpersoonlijke factoren als de globalisering. Zie ook CRISIS OF CAPITALISM? PERHAPS, BUT DON'T BLAME IT ON GLOBALISATION van Simon Tilford.

En dus kan de ontwikkeling worden teruggedraaid. Als politici dat maar zouden willen. Als ze minder bevangen zouden zijn door de anti-overheidsideologie. Als ze meer zouden doen aan belastingontwijking. Als ze de belastingtarieven progressiever zouden maken. Als ze de financiële sector sterker zouden reguleren, dat wil zeggen, ons beter zouden beschermen tegen de zelfverrijking van die sector.

Pickett en Wilkinson besluiten met:
The long term failure, even of ostensibly progressive governments, to tackle these glaring injustices is perhaps one of the reasons why public opinion has swung so strongly away from the established political parties. And the public’s sense of being left behind will only be exacerbated by the negative health effects of austerity, which are starting to emerge in our health statistics.
(...) During the last generation, economic growth ceased to improve health, happiness, and the quality of life in rich countries. Now, more than ever, we need an inspiring vision of a future capable of creating more equal societies that increase sustainable wellbeing for all of us and for the planet.

vrijdag 29 november 2013

WRR-lezing over de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid. Een enerverende gebeurtenis in de Nieuwe Kerk in Den Haag

Richard Wilkinson gaf gisteren in een volle Nieuwe Kerk aan het Spui in Den Haag de WRR-Lecture 2013. Over de schadelijke sociale en gezondheidseffecten van inkomensongelijkheid. Je kunt hier een kortere versie van die lezing volgen, de TED-lezing die hij op 9 augustus van dit jaar uitsprak. Zie hier en hier voor eerdere berichten over Richard Wilkinson op dit blog.

Richard Wilkinson doet al lang onderzoek naar de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid. Zie hier voor zijn biografie. Zijn laatste boek, samen met Kate Pickett, The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better, kreeg veel aandacht en zal de aanleiding zijn geweest voor de WRR om hem uit te nodigen. Dat werd tijd, want hij werd in ons land lang over het hoofd gezien.

Gisteren gaf hij een overzicht van alle aanwijzingen die er zijn voor die schadelijke gevolgen van grote inkomensongelijkheid. Hoe groter de inkomensongelijkheid in een land, hoe slechter de gezondheid, hoe lager de levensverwachting, hoe slechter de onderwijsprestaties, hoe geringer het onderling vertrouwen, hoe meer geweld, hoe hoger de straffen, hoe groter de gevangenispopulatie en hoe lager de mobiliteit.

En hoe dat komt? Doordat ons sociale leven en onze onderlinge sociale verhoudingen er op achteruit gaan. Grotere verschillen tussen arm en rijk lokken meer statuscompetitie uit. Iedereen is meer bezig met zich omhoog te werken of te vermijden een loser te zijn. Vandaar een toename van narcisme en van zelfverheffing. En dat statuscompetitiegedrag verhoogt de ervaren stress, wat het leven voor iedereen minder aangenaam maakt. En dus ook korter.

Ik vond het gisteren wel een enerverende gebeurtenis. Want de kerk zat vol met mensen die zich behoorlijk geweerd hadden in de statuscompetitie. Of die daar, er waren ook wat jongeren, nog sterk in verwikkeld waren. Hoge ambtenaren van ministeries, leden van de Eerste en Tweede Tamer, hoogleraren, leden van adviesraden en wetenschappelijke instituten. Wilkinson bracht zijn boodschap nuchter en zakelijk. Mijn indruk was dat velen zich wat ongemakkelijk gingen voelen.

Maar dat kan alleen mijn indruk zijn geweest. De vraag is natuurlijk of de boodschap beklijft en of al die geslaagden in de statuscompetitie in staat zijn om boven zichzelf uit te stijgen. En om echt in te zien wat er mis is met dat sociale arrangement waar ze met zoveel inzet aan hebben meegedaan.

Trouwens, er zijn natuurlijk ook veel aanwijzingen voor negatieve economische effecten van grote inkomensongelijkheid. Zie eerder dit bericht. En zie vandaag High pay, low pay and secular stagnation.
Update. Zie nu ook Richard Wilkinson op MeJudice.

woensdag 12 juni 2013

Rudi Wielers over de gevaren van ongelijkheid. Nivelleren is geen feest, maar wel bitter noodzakelijk

Vandaag is Rudi Wielers te gast. Gisteravond sprak hij de onderstaande column uit tijdens het debat Nivelleren, een feest? van het Groninger Forum. 

Nivelleren is geen feest (maar bittere noodzaak)!

Rudi Wielers (universitair hoofddocent Rijksuniversiteit Groningen)

Nivelleren is geen feest. Mensen vinden het heel  vervelend om iets kwijt te raken dat ze als hun eigendom beschouwen. Het is nog veel vervelender om iets te verliezen doordat het  wordt afgepakt.  Veel mensen, zeker ook de mensen met een hoog inkomen, hebben hoge vaste lasten en zien door nivelleringsoperaties hun vrije bestedingsruimte aanzienlijk aangetast. Het huis verkopen is geen optie meer. Nivelleren creëert onzekerheid en onrust. Nivelleren is een pijnlijke operatie.

In politieke discussies over nivelleren is een belangrijke vraag of de financiële opbrengsten opwegen tegen de kosten van een dergelijke operatie.  Het antwoord is nee.  Er zijn zeer ingrijpende operaties nodig wil nivellering ongelijkheid substantieel reduceren. Nivelleren leidt niet eens tot een substantiële verbetering van de overheidsfinanciën. Financieel is een nivelleringsoperatie vrijwel nutteloos.

Toch is nivelleren noodzakelijk om ongelijkheid te verkleinen.  Inkomensongelijkheid gaat gepaard met veel symptomen van een ernstig ziektebeeld. Ongelijkheid maakt ziek. Ongelijkheid maakt een samenleving ziek.  Ongelijkheid maakt mensen ziek. Maatschappelijk ongewenste verschijnselen komen vaker voor in meer ongelijke dan in meer gelijke samenlevingen. Criminaliteit is een duidelijk voorbeeld. Naarmate de samenleving ongelijker is, is er meer criminaliteit. Dat is geen vanzelfsprekend verband. Juist in ongelijke samenlevingen wordt veel, heel veel geïnvesteerd in veiligheid. Door particulieren, die hun eigendommen beschermen, en door  de overheid, die steeds meer gevangenissen bouwt om het steeds grotere aantal criminelen in op te sluiten. Een aanzienlijk deel van het verdiende inkomen gaat op aan het verhogen van de veiligheid, maar in ongelijke samenlevingen blijft de criminaliteit hoog, ondanks de hoge en dikke muren.
   
Ongelijke samenlevingen vertonen andere symptomen van ziekte.  Veel van wat we beschouwen als onze grootste  maatschappelijke problemen hangen direct samen met ongelijkheid. In meer ongelijke samenlevingen hebben burgers minder sociale relaties met elkaar. In meer ongelijke samenlevingen is minder verticale sociale mobiliteit, is het dus moeilijker om van een ‘dubbeltje’ een ‘kwartje’ te worden. In ongelijke samenlevingen is niet alleen meer vermogenscriminaliteit, maar ook meer geweldscriminaliteit.  In meer ongelijke samenlevingen worden meer drugs gebruikt. In meer ongelijke samenlevingen zijn over het geheel genomen de schoolprestaties van kinderen slechter en is de schooluitval aanmerkelijk groter. In meer ongelijke samenlevingen is het aantal tienerzwangerschappen groter.  In meer ongelijke samenlevingen lijden meer mensen onder obesitas.  In meer ongelijke samenlevingen lijden meer mensen onder  psychische klachten.  In meer ongelijke samenlevingen zijn mensen minder gezond en leven ze minder lang.

Er is, kortom, een waslijst aan kwalijke symptomen die met ongelijkheid samenhangen. In de wetenschappelijke literatuur is de afgelopen jaren op dit terrein veel vooruitgang geboekt.  In de jaren negentig was het verband tussen ongelijkheid en deze symptomen nog dubieus, net zoals ook het kwalijke effect van roken op de ongezondheid lang omstreden is geweest. Door de artikelen en het boek The Spirit Level van Richard Wilkinson en Kate Pickett is die twijfel voor een groot deel weggenomen.  Het boek van Wilkinson en Pickett  is eigenlijk een saai boek. Ze laten van het ene na het andere maatschappelijke probleem zien hoe sterk het samenhangt met ongelijkheid. Hun grafieken laten voortdurend hetzelfde stijgende verband zien:  Hoe groter de ongelijkheid, hoe groter het probleem. Dat geldt niet alleen voor verschillen tussen landen, maar ook voor die tussen de  staten van de V.S.

In de wetenschappelijke literatuur is het statistische verband tussen de ernst van maatschappelijke problemen  en de mate van ongelijkheid na het onderzoek van Wilkinson en Pickett vrijwel niet meer omstreden. De discussie spitst zich toe op de vraag of ongelijkheid de oorzaak is van het ziektebeeld, of dat ongelijkheid slechts één van de symptomen is van een dieper proces. 

Voor wat betreft dat diepere proces spitst de belangstelling zich toe op de zogenoemde ‘winnaars-‘ en ‘verliezers-‘effecten.  Winnaars en verliezers-effecten zijn effecten van ongelijkheid, die die ongelijkheid bestendigen en verder vergroten.

 In onze samenleving komt iemands maatschappelijke positie voor een groot deel tot uitdrukking in de positie in de inkomenshiërarchie.  We leven niet meer in een standensamenleving, waarin de maatschappelijke positie al bij de geboorte werd vastgelegd. In een democratische marktsamenleving kunnen mensen hun talenten ontplooien en worden ze geacht en gestimuleerd om dat ook te doen.  Naarmate de bijdrage aan de samenleving groter is, zal ook het inkomen hoger zijn; mensen die niet willen of niet kunnen bijdragen hoeven niet op een houtje te bijten, maar moeten het met heel wat minder doen.  Hun inkomen is lager, en ze zijn ook opvallend minder gezond. Sociaal-geneeskundigen en medisch sociologen hebben lang geprobeerd de grote gezondheidsverschillen tussen de boven- en de onderkant te herleiden tot verschillen in leefstijl. Lager opgeleiden roken meer, eten vaker vet en drinken meer alcohol.

 Maar het wordt steeds duidelijker dat er vooral ook op het terrein van de gezondheid sterke ‘verliezers’-effecten bestaan. Een kenmerkend voorbeeld van een verliezerseffect is dat mensen onderaan de inkomenshiërarchie veel meer aan stress zijn blootgesteld.  Stressniveaus zijn te meten en de laatste jaren is aanmerkelijke vooruitgang geboekt in kennis van de omstandigheden waaronder stress ontstaat. Stress is een fysieke reactie op een ongewenste situatie. Ons lichaam produceert het stress-hormoon cortisol om aan te geven dat we ons in een gevaarlijke situatie bevinden en dat we er goed aan doen die situatie te ontvluchten. In situaties waarin anderen over ons oordelen en we het risico van een negatief oordeel niet kunnen ontlopen, wordt veel cortisol geproduceerd. Mensen laag in de inkomenshiërarchie zijn veel vaker aan dergelijke situaties blootgesteld dan mensen hoog in de hiërarchie. De gevolgen van langdurige blootstelling aan stress zijn groot. Overmatige productie van cortisol verhoogt de kans op hart- en vaatziekten en tast het immuunsysteem aan.  Dat uit zich in psychische klachten, zoals depressies en burn-out.  De persoonlijke en sociale schade van die gezondheidsproblemen is groot. Evenals de financiële schade, in de vorm van een verhoogd gebruik van medische zorgvoorzieningen. Helaas nemen onze rekenmeesters de hoge kosten van die verliezerseffecten niet waar.

Dit wil niet zeggen dat grote inkomensongelijkheid weldadige effecten heeft voor mensen bovenin de inkomenshiërarchie. Integendeel, ook zij zijn gebaat bij gelijkheid. Weliswaar lijden ze minder aan stress, omdat ze situaties meer naar de hand kunnen zetten,  maar het is zeker niet zo dat de rijkste mensen in een meer ongelijke samenleving gelukkiger zijn dan de rijkste mensen in een meer gelijke samenleving. De empirische gegevens wijzen eerder op het tegendeel.  

Een verklaring is wellicht dat rijke mensen in een ongelijke samenleving meer het risico lopen slachtoffer worden van ‘winnaars’-effecten.  Een ‘winnaars’-effect is dat mensen zich niet tevreden stellen met hun succes, maar bij het inboeken van de overwinning ook hun verwachting naar boven bijstellen.  De zoete smaak van het succes doet het verlangen naar nog meer succes alleen maar toenemen. Het is dit mechanisme dat ertoe leidt dat een CEO van een groot bedrijf niet tevreden is met zijn toch al hoge inkomen, maar vindt dat hij gezien de goede bedrijfsresultaten recht heeft op meer. Het is lang niet iedereen gegeven om die verwachtingen onder controle te houden.

Ook hier spelen fysiologische processen. Succes stimuleert de productie van testosteron, het hormoon dat ons zelfvertrouwen geeft en mensen niet alleen opgewonden maar ook agressief maakt. Dat zelfvertrouwen en die agressie zijn nodig om nieuwe prestaties neer te zetten. Succes leidt ook tot de productie van dopamine, een neurotransmitter, ook wel het ‘verleidingshormoon’ genoemd: de vreugde van het succes gaat gepaard met een verlangen naar nog groter succes.

Het onder controle houden van verwachtingen is des te moeilijker in een meer ongelijke samenleving.  In ongelijke samenlevingen wordt de eigen positie zeer sterk bepaald door de positie in de inkomenshiërarchie en zijn er altijd mensen die op onterechte gronden meer verdienen. Het gevolg is dat juist in ongelijke samenlevingen mensen hoog in de inkomenshiërarchie regelmatig ‘footloose’  raken, dat wil zeggen teveel bezig zijn met hun eigen inkomen en hun positie in de statushiërarchie, waardoor ze het zicht op de realiteit verliezen. Het gaat dan niet alleen om kunstenaars, voetballers of popsterren, die het vanwege een uitzonderlijk talent is gelukt een heel hoog inkomen te verwerven, maar ook om politici en CEO’s van grote bedrijven die de weg kwijtraken. Pas veel later, in een interview met omroep Max,  zijn ze in staat om dat toe te geven.

Er zijn, kortom, goede redenen waarom ook mensen bovenaan de inkomenshiërarchie gebaat zijn bij meer gelijkheid. We zouden daarom met ons allen voor ons allen die meer gelijke samenleving moeten nastreven en maatregelen moeten nemen om die meer gelijke samenleving tot stand te brengen. Nivelleren is geen feest. Het is een bij tijd en wijle noodzakelijke operatie om gezond  te blijven! 

woensdag 29 februari 2012

Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid

Als onze sociale omgeving zo belangrijk is voor onze gezondheid, maakt het dan ook wat uit in wat voor land we wonen? Maakt dat land zelf en wat we daar van waarnemen, deel uit van onze sociale omgeving? Natuurlijk niet in de zin dat we al onze landgenoten persoonlijk kennen. Maar wel in de zin dat we indirect van alles over hen weten. We zien ze op straat lopen of fietsen. En in de media trekken ze aan ons voorbij, als bekende persoonlijkheden of als anonieme anderen, over wie we informatie te weten komen als hun inkomens, hun uitgaven, hun schulden, hun stemgedrag, hun opinies, hun televisiekijkgedrag, hun wetsovertredingen en wat niet al. En op al die kenmerken kunnen we onszelf met die anderen vergelijken. Heeft zulke informatie, of hebben de indrukken die we van onze landgenoten hebben, invloed op onze gezondheid?

Van een van die kenmerken waar van wij een indruk, meestal een vage indruk, hebben, weten we vrij veel van de invloed die er van uitgaat op onze gezondheid. Ik doel op de mate van inkomensongelijkheid in het land waar we wonen. Er is een schat aan onderzoek dat laat zien dat onze gezondheid negatief wordt beïnvloed als in het land waar we wonen de verschillen tussen arm en rijk groter zijn.

Veel van de resultaten van dat onderzoek zijn in 2009 helder en toegankelijk samengevat door Richard G. Wilkinson en Kate Pickett in hun boek The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better. (Zie nog eens dit bericht met een video waarin Wilkinson de schadelijke gevolgen van een hoge inkomensongelijkheid bespreekt.) Zoals ik in dit bericht uit oktober vorig jaar al vermeldde, blijken inwoners van landen met meer ongelijkheid van inkomens minder sociale contacten te hebben en meer psychische en fysieke gezondheidsproblemen. Ook ging ik in dat bericht in op aanwijzingen dat de oorzaak er in zou liggen dat inwoners van landen met meer ongelijkheid meer in een voortdurende statuscompetitie zijn verwikkeld. Grote ongelijkheid lijkt meer te prikkelen tot inspanningen om de top te bereiken. En tot inspanningen om de schande van het "mislukken" te vermijden.

Ik noemde toen al dit onderzoek waarin staten van de Verenigde Staten werden vergeleken. Daaruit bleek dat in staten met een hogere inkomensongelijkheid mensen minder lid waren waren van vrijwilligersorganisaties en elkaar minder vertrouwden. En dat deze twee aanwijzingen voor de mate van statuscompetitie vervolgens samenhingen met meer gezondheidsproblemen.

Daar is nu dit onderzoek bijgekomen, waarin 33 landen werden vergeleken. In dat onderzoek werd ook gekeken of het negatieve gezondheidseffect van grote inkomensongelijkheid misschien er uit voortkomt dat landen met meer ongelijkheid minder geld uitgeven aan de gezondheidszorg. Dat laatste was wel het geval. Maar het bleek dat die uitgaven aan gezondheidszorg niet samen hingen met minder gezondheidsproblemen. Wel was, net als in dat vorige onderzoek, duidelijk dat mensen in landen met meer ongelijkheid elkaar minder vertrouwden en dat het elkaar minder vertrouwen negatief uitwerkt op de gezondheid.

In hoofstuk 3 van hun boek The Spirit Level gaan Wilkinson en Pickett in op de stress van de statuscompetitie die groter is in landen met grotere ongelijkheid. De titel van dat hoofdstuk is goed gekozen: How Inequality Gets Under The Skin. Ik citeer een passage (p. 43-44):
Greater inequality seems to heighten people's social evaluation anxieties by increasing the importance of social status. Instead of accepting each other as equals on the basis of our common humanity as we might in more equal settings, getting the measure of each other becomes more important as status differences widen. We come to see social position as a more important feature of a person's identity. Between strangers it may often be the dominant feature. As Ralph Walo Emerson, the nineteenth-century American philosopher , said, ''Tis very certain that each man carries in his eye the exact indication of his rank in the immense scale of men, and we are always learning to read it.' Indeed, psychological experiments suggest that we make judgments of each other's social status within the first few seconds of meeting. No wonder first impressions count, and no wonder we feel social evaluation anxieties.
If inequalities are bigger, so that some people seem to count for almost everything and others for practically nothing, where each one of us is placed becomes more important. Greater inequality is likely to be accompanied by increased status competition and increased status anxiety. It is not simply that where the stakes are higher each of us worries more about where he or she comes. It is also that we are likely to pay more attention to social status in how we assess each other.
Hoewel het waarschijnlijk lijkt dat iedereen, dus ook degenen met de hogere inkomens, de gezondheidsschade van grotere ongelijkheid ondervinden, zijn er veel aanwijzingen dat de degenen met de lagere status er nog weer meer van te lijden hebben. Dat verwijst naar het vele onderzoek naar sociaal-economische gezondheidsverschillen. Daarover een volgende keer.