Je komt soms de opvatting tegen dat het leven geen zin heeft. Maar dan wordt meestal gedoeld op een zin die een externe bron heeft, zoals een God, en die een hiernamaals in het vooruitzicht stelt.
Natuurlijk kan het leven zin hebben. Dat is de zin die je er zelf aan geeft. Of die je er samen aan geeft, want wij zijn nu eenmaal een sociale diersoort.
En we hebben er enig idee van wat het betekent om een zinvol leven te leiden. Het houdt onder meer in dat je betrokken bent bij je dagelijkse bezigheden en daarin geïnteresseerd bent, dat je ondersteunende en waardevolle relaties hebt, dat je actief bijdraagt aan het welzijn van anderen, dat je kundig en capabel bent in de bezigheden die je belangrijk vindt en dat je optimistisch kunt zijn over de toekomst.
Ook weten we dat het leiden van een zinvol leven goed is voor je gezondheid, wat eruit blijkt dat je een kleinere kans hebt op ontstekingen (in vergelijking met wanneer je "alleen maar" gelukkig bent). Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.
Als je dat weet, dan zou je bovenal willen dat kinderen in staat worden gesteld om een zinvol leven te leiden. En kom je meteen op de gedachte dat zulks maar heel beperkt het geval is.
Want onze kinderen groeien in een sterk onnatuurlijke sociale omgeving op. Ze brengen hun tijd vooral door met alleen de eigen ouders en daarnaast en in een gescheiden circuit met overwegend leeftijdsgenoten. Dat ligt eraan dat gezinnen historisch gezien opvallend sociaal geïsoleerd leven en dat in de scholen de leeftijdshomogene groepering domineert. Scroll maar eens door de berichten op dit blog achter het label sociaal isolement van gezinnen en het label leeftijdssegregatie.
Een en ander heeft de inmiddels bekende negatieve effecten: eenzaamheid en de stress van de statuscompetitie en het pesten wat daarbij hoort. Waar bij komt dat de leerstof op school bepaald niet altijd interesse en betrokkenheid opwekt. Geen gunstige opgroei-omgeving voor het leiden van een zinvol leven. Wat ertoe leidt dat er voor kinderen niet alleen het positieve, maar ook het negatieve ontwikkelingstraject bestaat.
Maar dat moet toch anders kunnen? Jazeker. Een voorbeeld van hoe het anders kan is hoe het opgroeien in IJsland sinds de jaren 90 van de vorige eeuw collectief, door de landelijke overheid, door de scholen en door de ouders, vorm wordt gegeven. The Atlantic besteedde er begin van dit jaar aandacht aan: How Iceland Got Teens to Say No to Drugs. (Het stond al langer op mijn lijstje, maar vandaag is het dan zover.)
Dat beleid hield onder meer in dat er middelen beschikbaar kwamen voor allerlei buitenschoolse georganiseerde activiteiten: sport, muziek, kunst, dans en wat niet al. Waardoor jongeren het gevoel kunnen hebben ergens bij te horen en de gelegenheid krijgen om dingen te doen die ze interessant vinden, om hun kundigheden te ontwikkelen en om ook iets voor anderen te doen. Om een zinvol leven te leiden.
Onderzoek liet de positieve gevolgen zien. Alcohol- en drugsgebruik verminderden sterk. Het percentage jongeren dat vier maal per week of vaker georganiseerd sport beoefent steeg van 24 naar 42. (Dat het IJslands voetbalelftal het zo goed deed op de WK van dit jaar, is wel daarmee in verband gebracht.)
Deze vorm van preventief jeugdbeleid zou natuurlijk overal gevoerd moeten worden. Denk aan
Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.
En het is inderdaad zo dat er wereldwijd belangstelling is voor "het IJslandse Model". Volg de link naar dat Atlantic-artikel voor meer daarover.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label jeugdbeleid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugdbeleid. Alle posts tonen
dinsdag 9 oktober 2018
maandag 22 juni 2015
Burgerinitiatieven op buurtniveau zijn goed voor kinderen
Over het hele land verspreid zijn er initiatieven op het gebied van zorg en buurtverbetering door de burgers zelf. In de vorm van burgercoöperaties of ondernemersbedrijven. Dat is een opmerkelijke ontwikkeling. Kennelijk zijn wij met zijn allen toch niet een samenleving die de trend van individualisering en toenemend sociaal isolement van gezinnen gelaten accepteert.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb. Lees hier verder.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb. Lees hier verder.
zaterdag 27 december 2014
Vakantiebaantjes werken preventief tegen jeugdcriminaliteit - En over waarom dat zo is
Criminaliteit is vooral een jongerenprobleem. Als je een grafiek bekijkt van aantallen verdachten naar leeftijd per 1000 inwoners van de betreffende leeftijdsgroep, dan zie je een curve die vanaf zo'n 12 jaar steil klimt naar zo'n 18 tot 20 jaar en dan weer afneemt. Zoals de grafiek hieronder (CBS/WODC 2009), die dateert uit 2006, maar het patroon is door de jaren heen hetzelfde.

We zijn geneigd om dat verschijnsel als een onvermijdelijkheid te beschouwen. Het is nu eenmaal zo dat jongeren nog niet willen deugen en daar moeten we ons maar bij neerleggen.
Maar is dat wel zo? Want je zou kunnen denken dat wij dit patroon met zijn allen tot stand brengen door dat wij onze jongeren veroordelen tot hun eigen wereld, de sociale wereld van leeftijdsgenoten. Het zou om allerlei redenen veel beter zijn om kinderen zo gauw mogelijk te integreren in een leeftijdsgemengde sociale wereld. Kinderen en jongeren doen dan veel rijkere en waardevollere ervaringen op wanneer ze alleen onder leeftijdsgenoten verkeren.
We weten al dat leeftijdsgemengde schoolklassen er toe bijdragen dat kinderen minder agressief zijn en minder last hebben van sociaal-emotionele problemen en eenzaamheid. Wat er op wijst dat wij met de strikte leeftijdssegregatie die wij in ons onderwijs hanteren, sociale omstandigheden creëren die pestgedrag bevorderen. Onder leeftijdsgenoten is het zaak om stoer te doen en je partijtje mee te blazen in de competitie om populariteit en status. Zie Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen.
Dat criminaliteitspatroon lijkt in dezelfde richting te wijzen. Crimineel gedrag kan een middel zijn om in de leeftijdsgroep van peers status en aanzien te verwerven. Bovendien hebben allerlei vormen van criminaliteit te maken met een gebrek aan impulsbeheersing. Impulsbeheersing moet je leren en het kan helpen om veel met voorbeelden daarvan in aanraking te komen. Maar die vind je uitgerekend niet in de groep van leeftijdsgenoten, want daar is impulsiviteit juist stoer en dus nastrevenwaardig.
Hoe zou je kunnen aantonen dat die gescheiden sociale wereld van jongeren bijdraagt aan dat opmerkelijke criminaliteitspatroon? Door jongeren eens uit die wereld te halen en hen te integreren in de wereld van volwassenen. En dan te kijken of ze zich vervolgens minder crimineel gedragen dan andere jongeren waar mee je dat niet hebt gedaan.
Je zou dat bijvoorbeeld kunnen doen door jongeren met en zonder een vakantiebaan met elkaar te vergelijken. En dat is precies wat in Chicago is gebeurd en waarvan in Science van begin deze maand door criminologe Sarah B. Heller verslag wordt gedaan. Zie Summer jobs reduce violence among disadvantaged youth (betaalpoort).
Ruim 1600 jongeren, gemiddeld 16 jaar oud, uit achterstandswijken met een hoog niveau van criminaliteit werden willekeurig verdeeld over een groep met een vakantiebaan en een groep zonder vakantiebaan (de controlegroep). Die laatste groep kwam op een wachtlijst te staan. Die vakantiebanen hielden in dat acht weken lang vijf dagen per week en vijf uur per dag gewerkt werd. Tenzij er ook een sociaal-emotionele training werd gevolgd, die in werktijd plaatsvond en die gericht was op het beter beheersen van het eigen gedrag. De jongeren ontvingen het minimumloon, een maaltijd per dag en bustickets voor het woon-werkverkeer.
De banen waren geselecteerd met het oog op mogelijkheden om interesses en vaardigheden te verkennen, om kennis over beroepen op te doen, om team- en leiderschapsvaardigheden te ontwikkelen en om creativiteit te tonen en problemen op te lossen. Het ging om banen in de nonprofit sector en bij de overheid. Voorbeelden van banen waren: begeleider bij zomerkampen, werken in een buurttuin, kantoorbaan of begeleider bij de YMCA en assistent van een wethouder. De jongeren met een vakantiebaan kregen bovendien een mentor toegewezen.
Alle jongeren werden 16 maanden gevolgd. In die periode werd 17 procent van de jongeren in de controlegroep aangehouden voor een misdrijf. De groep met een vakantiebaan verschilde daarvan wat betreft het aantal geweldsmisdrijven. Dat lag 43 procent lager dan bij de controlegroep, een groot en statistisch significant verschil. Dit lag er niet aan dat die jongeren door hun vakantiebaan minder in de gelegenheid waren om misdrijven te plegen, want de afname vond vooral plaats in de periode na afloop van de vakantiebaan en hield gedurende die 16 maanden aan. Anders gezegd, het verschil met de controlegroep werd met de tijd groter.
Dit wijst er op dat de ervaringen die werden opgedaan het gedrag van de jongeren in gunstige zin veranderde. Dit bleken niet de ervaringen te zijn van de sociaal-emotionele training, want het gevolgd hebben van die training voegde aan het effect van de vakantiebaan op zich niets toe. Dit kan er aan liggen dat de vaardigheden die op die training geleerd werden, even goed tijdens het werk werden verworven. Door het contact met de mentor, dat behoorlijk intensief was, of gewoon door het werk zelf en de omgang met andere volwassenen. Denk aan impulsbeheersing, doelgerichtheid en frustratietolerantie.
Het zou dus wel eens kunnen zijn dat die verandering van sociale omgeving, van de leeftijdshomogene peergroup naar een omgeving met volwassenen, cruciaal is geweest. Bovendien een omgeving waarin de jongeren in aanraking kwamen met sociaal verantwoordelijk gedrag van die volwassenen en waarin ook verantwoordelijk gedrag van henzelf verwacht werd. Kortom een omgeving waarin de morele intuïties van het rekening houden met anderen konden worden aangeleerd, niet door instructie, maar eenvoudig door er mee in aanraking te komen.
Een aanwijzing dus dat een relatief kleine interventie, een vakantiebaan, een grote invloed kan hebben op jongeren, juist omdat ze voor het overige vrijwel geheel onder leeftijdsgenoten verkeren. Dat zegt ook iets over het soort werk dat die invloed uitoefent. Dat contact met volwassenen, daar gaat het om. En het blijft vreemd dat wij de waarde daarvan voor jongeren nog steeds zo weinig onder ogen zien.
Denk in dit verband ook nog even aan de gunstige effecten van de maatschappelijke stage. Zie Maatschappelijke stage geeft gelegenheid tot pro-sociaal gedrag - En daardoor worden jongeren pro-socialer en Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter.
Update. En zie ook het bericht Door leeftijdssegregatie grotere kans om met geweld in aanraking te komen.
Update. Update. En zie ook dit bericht in de Washington Post: Chicago gave hundreds of high-risk kids a summer job. Violent crime arrests plummeted.
We zijn geneigd om dat verschijnsel als een onvermijdelijkheid te beschouwen. Het is nu eenmaal zo dat jongeren nog niet willen deugen en daar moeten we ons maar bij neerleggen.
Maar is dat wel zo? Want je zou kunnen denken dat wij dit patroon met zijn allen tot stand brengen door dat wij onze jongeren veroordelen tot hun eigen wereld, de sociale wereld van leeftijdsgenoten. Het zou om allerlei redenen veel beter zijn om kinderen zo gauw mogelijk te integreren in een leeftijdsgemengde sociale wereld. Kinderen en jongeren doen dan veel rijkere en waardevollere ervaringen op wanneer ze alleen onder leeftijdsgenoten verkeren.
We weten al dat leeftijdsgemengde schoolklassen er toe bijdragen dat kinderen minder agressief zijn en minder last hebben van sociaal-emotionele problemen en eenzaamheid. Wat er op wijst dat wij met de strikte leeftijdssegregatie die wij in ons onderwijs hanteren, sociale omstandigheden creëren die pestgedrag bevorderen. Onder leeftijdsgenoten is het zaak om stoer te doen en je partijtje mee te blazen in de competitie om populariteit en status. Zie Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen.
Dat criminaliteitspatroon lijkt in dezelfde richting te wijzen. Crimineel gedrag kan een middel zijn om in de leeftijdsgroep van peers status en aanzien te verwerven. Bovendien hebben allerlei vormen van criminaliteit te maken met een gebrek aan impulsbeheersing. Impulsbeheersing moet je leren en het kan helpen om veel met voorbeelden daarvan in aanraking te komen. Maar die vind je uitgerekend niet in de groep van leeftijdsgenoten, want daar is impulsiviteit juist stoer en dus nastrevenwaardig.
Hoe zou je kunnen aantonen dat die gescheiden sociale wereld van jongeren bijdraagt aan dat opmerkelijke criminaliteitspatroon? Door jongeren eens uit die wereld te halen en hen te integreren in de wereld van volwassenen. En dan te kijken of ze zich vervolgens minder crimineel gedragen dan andere jongeren waar mee je dat niet hebt gedaan.
Je zou dat bijvoorbeeld kunnen doen door jongeren met en zonder een vakantiebaan met elkaar te vergelijken. En dat is precies wat in Chicago is gebeurd en waarvan in Science van begin deze maand door criminologe Sarah B. Heller verslag wordt gedaan. Zie Summer jobs reduce violence among disadvantaged youth (betaalpoort).
Ruim 1600 jongeren, gemiddeld 16 jaar oud, uit achterstandswijken met een hoog niveau van criminaliteit werden willekeurig verdeeld over een groep met een vakantiebaan en een groep zonder vakantiebaan (de controlegroep). Die laatste groep kwam op een wachtlijst te staan. Die vakantiebanen hielden in dat acht weken lang vijf dagen per week en vijf uur per dag gewerkt werd. Tenzij er ook een sociaal-emotionele training werd gevolgd, die in werktijd plaatsvond en die gericht was op het beter beheersen van het eigen gedrag. De jongeren ontvingen het minimumloon, een maaltijd per dag en bustickets voor het woon-werkverkeer.
De banen waren geselecteerd met het oog op mogelijkheden om interesses en vaardigheden te verkennen, om kennis over beroepen op te doen, om team- en leiderschapsvaardigheden te ontwikkelen en om creativiteit te tonen en problemen op te lossen. Het ging om banen in de nonprofit sector en bij de overheid. Voorbeelden van banen waren: begeleider bij zomerkampen, werken in een buurttuin, kantoorbaan of begeleider bij de YMCA en assistent van een wethouder. De jongeren met een vakantiebaan kregen bovendien een mentor toegewezen.
Alle jongeren werden 16 maanden gevolgd. In die periode werd 17 procent van de jongeren in de controlegroep aangehouden voor een misdrijf. De groep met een vakantiebaan verschilde daarvan wat betreft het aantal geweldsmisdrijven. Dat lag 43 procent lager dan bij de controlegroep, een groot en statistisch significant verschil. Dit lag er niet aan dat die jongeren door hun vakantiebaan minder in de gelegenheid waren om misdrijven te plegen, want de afname vond vooral plaats in de periode na afloop van de vakantiebaan en hield gedurende die 16 maanden aan. Anders gezegd, het verschil met de controlegroep werd met de tijd groter.
Dit wijst er op dat de ervaringen die werden opgedaan het gedrag van de jongeren in gunstige zin veranderde. Dit bleken niet de ervaringen te zijn van de sociaal-emotionele training, want het gevolgd hebben van die training voegde aan het effect van de vakantiebaan op zich niets toe. Dit kan er aan liggen dat de vaardigheden die op die training geleerd werden, even goed tijdens het werk werden verworven. Door het contact met de mentor, dat behoorlijk intensief was, of gewoon door het werk zelf en de omgang met andere volwassenen. Denk aan impulsbeheersing, doelgerichtheid en frustratietolerantie.
Het zou dus wel eens kunnen zijn dat die verandering van sociale omgeving, van de leeftijdshomogene peergroup naar een omgeving met volwassenen, cruciaal is geweest. Bovendien een omgeving waarin de jongeren in aanraking kwamen met sociaal verantwoordelijk gedrag van die volwassenen en waarin ook verantwoordelijk gedrag van henzelf verwacht werd. Kortom een omgeving waarin de morele intuïties van het rekening houden met anderen konden worden aangeleerd, niet door instructie, maar eenvoudig door er mee in aanraking te komen.
Een aanwijzing dus dat een relatief kleine interventie, een vakantiebaan, een grote invloed kan hebben op jongeren, juist omdat ze voor het overige vrijwel geheel onder leeftijdsgenoten verkeren. Dat zegt ook iets over het soort werk dat die invloed uitoefent. Dat contact met volwassenen, daar gaat het om. En het blijft vreemd dat wij de waarde daarvan voor jongeren nog steeds zo weinig onder ogen zien.
Denk in dit verband ook nog even aan de gunstige effecten van de maatschappelijke stage. Zie Maatschappelijke stage geeft gelegenheid tot pro-sociaal gedrag - En daardoor worden jongeren pro-socialer en Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter.
Update. En zie ook het bericht Door leeftijdssegregatie grotere kans om met geweld in aanraking te komen.
Update. Update. En zie ook dit bericht in de Washington Post: Chicago gave hundreds of high-risk kids a summer job. Violent crime arrests plummeted.
zondag 16 november 2014
Maatschappelijke stage is heel goed voor jongeren - Hoe meer, hoe beter
Sinds 2011 kennen we in ons land voor scholieren de verplichte maatschappelijke stage. Ze moeten minimaal 30 uur vrijwilligerswerk doen. Meestal gebeurt dat bij een vrijwilligersorganisatie, vereniging, instelling of maatschappelijke organisatie, maar ook kunnen ze iets doen op het terrein van de informele hulpverlening. Zie de website van de maatschappelijke stage.
Of wacht. Die website wordt met ingang van dit schooljaar niet meer bijgehouden. Want het verplichte karakter van de maatschappelijke stage is opgeheven. Scholen beslissen nu zelf of zij de stage onderdeel maken van hun programma. En de subsidie voor de website is geschrapt.
Dat het nu aan scholen wordt overgelaten, zou je op het idee kunnen brengen dat de maatschappelijke stage minder gunstige effecten heeft dan aanvankelijk werd gedacht. Maar het tegendeel is het geval. Alle onderzoek wijst er op dat de stage over een breed terrein positief uitwerkt op de ontwikkeling van adolescenten. De nieuwe studie The Role of Reflection in the Effects of Community Service on Adolescent Development: A Meta-Analysis (betaalpoort) laat dat overduidelijk zien.
Onderzoekers van de Universiteit Utrecht, samen met Daniel Hart van Rutgers University, voerden een meta-analyse uit op de gegevens van 49 onderzoeken naar de effecten van de maatschappelijke stage (community service). Vooral als de stage werd gecombineerd met reflectie over de opgedane ervaringen waren de effecten sterk. Het ging om onderzoeken met een voor- en een nameting en met vergelijking met groepen scholieren die geen stage liepen. Of de stage verplicht was of vrijwillig bleek voor het effect niets uit te maken. Als de opgedane ervaring er maar was. En hoe meer tijd er aan besteed werd, hoe beter. En hoe meer tijd er werd besteed aan reflectie, hoe beter. Aanwijzingen voor een teveel zijn er voorlopig niet.
Het gaat inderdaad om sterke effecten op een breed terrein. Adolescenten weten nog maar weinig van de maatschappij waarin ze opgroeien. Directe, persoonlijke kennismaking met maatschappelijke situaties buiten hun leefwereld blijkt bij te dragen aan hun intellectuele ontwikkeling. En de opgedane ervaringen vergroten hun zelfinzicht, hun sociale vaardigheden en hun maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoelens en hun maatschappelijke betrokkenheid.
Eigenlijk is dat niet verwonderlijk. Want voor de rest doen wij met zijn allen nauwelijks iets om onze adolescenten bij de maatschappij te betrekken en om hen aan te spreken op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Het onderwijs is vrijwel exclusief gericht op intellectuele vorming. Daarbuiten is er de peer group van leeftijdsgenoten om zich sociaal in te ontwikkelen, maar we weten dat die sociale omgeving over het algemeen niet gunstig uitwerkt. Zie het bericht De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en de berichten achter het label pesten.
En verder hebben we onze maatschappij zo ingericht dat onze jongeren vooral commercieel worden aangesproken. De belangen daarachter liggen natuurlijk meer op het terrein van hun "ontwikkeling" als consument, van materiële goederen en ervaringsgoederen, zeg maar spanning en amusement. Daar zou niet zoveel mis mee zijn als het minder overheersend was.
Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid betreft, sturen wij onze adolescenten dus eigenlijk een sociale woestijn in. En dat we dat doen, dat blijkt ook precies uit dit onderzoek naar de effecten van de maatschappelijke stage. Want waar niets is, heeft een kleine dosis al een groot effect. Een stage van 30 uur op een schoolloopbaan stelt natuurlijk niet zoveel voor. Maar het blijkt dus veel verschil te maken of die stage er wel is of niet is. Nog er van afgezien dat nog meer beter zou zijn.
Dat maakt nieuwsgierig naar wat we nu in ons land zullen zien gebeuren. Je zou wensen dat alle scholen het grote belang van de maatschappelijke stage inzien. En hem blijven opnemen in hun programma. Het gaat om de keus tussen een sociale woestijn zonder of met een enkele oase.
Of wacht. Die website wordt met ingang van dit schooljaar niet meer bijgehouden. Want het verplichte karakter van de maatschappelijke stage is opgeheven. Scholen beslissen nu zelf of zij de stage onderdeel maken van hun programma. En de subsidie voor de website is geschrapt.
Dat het nu aan scholen wordt overgelaten, zou je op het idee kunnen brengen dat de maatschappelijke stage minder gunstige effecten heeft dan aanvankelijk werd gedacht. Maar het tegendeel is het geval. Alle onderzoek wijst er op dat de stage over een breed terrein positief uitwerkt op de ontwikkeling van adolescenten. De nieuwe studie The Role of Reflection in the Effects of Community Service on Adolescent Development: A Meta-Analysis (betaalpoort) laat dat overduidelijk zien.
Onderzoekers van de Universiteit Utrecht, samen met Daniel Hart van Rutgers University, voerden een meta-analyse uit op de gegevens van 49 onderzoeken naar de effecten van de maatschappelijke stage (community service). Vooral als de stage werd gecombineerd met reflectie over de opgedane ervaringen waren de effecten sterk. Het ging om onderzoeken met een voor- en een nameting en met vergelijking met groepen scholieren die geen stage liepen. Of de stage verplicht was of vrijwillig bleek voor het effect niets uit te maken. Als de opgedane ervaring er maar was. En hoe meer tijd er aan besteed werd, hoe beter. En hoe meer tijd er werd besteed aan reflectie, hoe beter. Aanwijzingen voor een teveel zijn er voorlopig niet.
Het gaat inderdaad om sterke effecten op een breed terrein. Adolescenten weten nog maar weinig van de maatschappij waarin ze opgroeien. Directe, persoonlijke kennismaking met maatschappelijke situaties buiten hun leefwereld blijkt bij te dragen aan hun intellectuele ontwikkeling. En de opgedane ervaringen vergroten hun zelfinzicht, hun sociale vaardigheden en hun maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoelens en hun maatschappelijke betrokkenheid.
Eigenlijk is dat niet verwonderlijk. Want voor de rest doen wij met zijn allen nauwelijks iets om onze adolescenten bij de maatschappij te betrekken en om hen aan te spreken op hun verantwoordelijkheidsgevoel. Het onderwijs is vrijwel exclusief gericht op intellectuele vorming. Daarbuiten is er de peer group van leeftijdsgenoten om zich sociaal in te ontwikkelen, maar we weten dat die sociale omgeving over het algemeen niet gunstig uitwerkt. Zie het bericht De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en de berichten achter het label pesten.
En verder hebben we onze maatschappij zo ingericht dat onze jongeren vooral commercieel worden aangesproken. De belangen daarachter liggen natuurlijk meer op het terrein van hun "ontwikkeling" als consument, van materiële goederen en ervaringsgoederen, zeg maar spanning en amusement. Daar zou niet zoveel mis mee zijn als het minder overheersend was.
Wat maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid betreft, sturen wij onze adolescenten dus eigenlijk een sociale woestijn in. En dat we dat doen, dat blijkt ook precies uit dit onderzoek naar de effecten van de maatschappelijke stage. Want waar niets is, heeft een kleine dosis al een groot effect. Een stage van 30 uur op een schoolloopbaan stelt natuurlijk niet zoveel voor. Maar het blijkt dus veel verschil te maken of die stage er wel is of niet is. Nog er van afgezien dat nog meer beter zou zijn.
Dat maakt nieuwsgierig naar wat we nu in ons land zullen zien gebeuren. Je zou wensen dat alle scholen het grote belang van de maatschappelijke stage inzien. En hem blijven opnemen in hun programma. Het gaat om de keus tussen een sociale woestijn zonder of met een enkele oase.
donderdag 15 augustus 2013
Een Centrum voor Jeugd en Gezin dat werkt, kan dat? Over Evalien Verschuren en het CJG Beijum
Je hoort weinig meer over de Centra voor Jeugd en Gezin. De eerste werden geopend in 2008, maar het is onduidelijk of ze al in het hele land zijn "uitgerold", zoals zulks is gaan heten. Vorig jaar waren er berichten dat ze niet goed functioneren en dat sommige al weer werden gesloten. Zie mijn eerdere bericht daarover, waarin ik het CJG Beijum (Groningen) als voorbeeld noemde van hoe het zou moeten.
Voor het succes van dat CJG Beijum is allereerst Evalien Verschuren verantwoordelijk. Zij is de drijvende kracht en was dat al toen het nog het Ouder-en Kind Centrum heette. Over haar werk en haar ervaringen heeft ze nu het boekje Het CJG werkt! geschreven en het is heel leerzaam om dat te lezen. Ik kreeg het van haar toegestuurd, met als opdracht: "Beste Henk. Ik lees altijd met veel plezier je inspirerende blogs. Hoop dat je mijn boekje ook met plezier leest. Groet, Evalien".
Ik meld dat maar, om het verwijt dat ik heimelijk reclame maak te voorkomen. Ik kan dus wat bevooroordeeld zijn in positieve zin. (Maar ik heb, aan het eind, ook een bedenking.)
Wat leer je van Evalien?
Allereerst dat het mogelijk is om in een buurt vanuit het niets een trefpunt te creëren waar ouders elkaar ontmoeten. Evalien begon heel eenvoudig, met een koffietafel en een speelhoekje in de wachtkamer van het consultatiebureau. Een bloemetje op tafel. En ook omdat ze daar natuurlijk zelf aanwezig was, veranderde de sfeer, bleven ouders napraten en werd de wachtkamer al gauw te klein. Dus kwam er een huiskamer.
Maar ook trok Evalien de wijk in.
Het blijkt dan dat het CJG voor moeders met geldzorgen, beperkte sociale vaardigheden, gezondheidsproblemen of weinig stabiele relaties een heel belangrijke functie gaat vervullen. Niet alleen omdat ze wat meer onder de mensen komen, maar ook omdat ze de kans krijgen ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar ook komen er moeders zonder zulke problemen, maar die wel erg bezig zijn met de opvoeding. Of, anders gezegd, die perfecte opvoeders willen zijn en daar hulp bij zoeken. Die twee groepen blijken nauwelijks te mengen.
Wat is mij na lezing van Het CJG werkt! vooral bijgebleven?
Voor het succes van dat CJG Beijum is allereerst Evalien Verschuren verantwoordelijk. Zij is de drijvende kracht en was dat al toen het nog het Ouder-en Kind Centrum heette. Over haar werk en haar ervaringen heeft ze nu het boekje Het CJG werkt! geschreven en het is heel leerzaam om dat te lezen. Ik kreeg het van haar toegestuurd, met als opdracht: "Beste Henk. Ik lees altijd met veel plezier je inspirerende blogs. Hoop dat je mijn boekje ook met plezier leest. Groet, Evalien".
Ik meld dat maar, om het verwijt dat ik heimelijk reclame maak te voorkomen. Ik kan dus wat bevooroordeeld zijn in positieve zin. (Maar ik heb, aan het eind, ook een bedenking.)
Wat leer je van Evalien?
Allereerst dat het mogelijk is om in een buurt vanuit het niets een trefpunt te creëren waar ouders elkaar ontmoeten. Evalien begon heel eenvoudig, met een koffietafel en een speelhoekje in de wachtkamer van het consultatiebureau. Een bloemetje op tafel. En ook omdat ze daar natuurlijk zelf aanwezig was, veranderde de sfeer, bleven ouders napraten en werd de wachtkamer al gauw te klein. Dus kwam er een huiskamer.
Maar ook trok Evalien de wijk in.
Ik liep vaak door het winkelcentrum en over de wijkmarkt, ging schoolpleinen en speeltuintjes af, schoof aan bij de koffietafel van de peuterspeelzaal en was te vinden op alle wijkfeesten en informatiemarkten.Dat werkte en er kwam een groepsruimte bij, een kantoortje en een keuken. En tien vaste vrijwilligers, doorlopende enkele stagiaires en heel veel bezoekers. Die laatsten waren wel vooral moeders. Evalien bracht ze niet alleen met elkaar in contact, maar wist hen ook allerlei ideeën voor activiteiten te ontlokken. Die ze dan vooral ook zelf, met enige hulp, organiseerden. Zo ontstond bijvoorbeeld het ruilwinkeltje. En er ontstonden moedergroepen, zoals een jonge moeder-groep en een groep voor moeders met een kind met een beperking. En er ontstond een naschoolse opvang voor kinderen die thuis weinig aandacht en niet zo goed te eten kregen.
Het blijkt dan dat het CJG voor moeders met geldzorgen, beperkte sociale vaardigheden, gezondheidsproblemen of weinig stabiele relaties een heel belangrijke functie gaat vervullen. Niet alleen omdat ze wat meer onder de mensen komen, maar ook omdat ze de kans krijgen ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar ook komen er moeders zonder zulke problemen, maar die wel erg bezig zijn met de opvoeding. Of, anders gezegd, die perfecte opvoeders willen zijn en daar hulp bij zoeken. Die twee groepen blijken nauwelijks te mengen.
De moeders-met-problemen praten over eten, seks en relaties en zijn erg direct. De anderen willen bijvoorbeeld weten wat een goede moederfiets is en wat de leukste vakanties en uitjes met kinderen zijn. De groepen gebruiken verschillende woorden, zien er anders uit en irriteren elkaar. Je ziet ouders die in het CJG komen, eerst kijken wie er in de huiskamer zitten, en dan pas de keuze maken of ze wel of niet plaatsnemen.En Evalien meldt dat het niet werkt om te proberen die afstand te doorbreken. Maar is het al niet mooi dat ze elkaar eens van dichtbij meemaken? Het verkleinen van sociale afstand gaat altijd in kleine stapjes. (Ik moest even denken aan die man van de Marokkaanse Ouderraad van een wijk in Utrecht die mij vertelde dat hij drie jaar lang zijn Nederlandse buurman elke dag netjes bleef groeten en dat ze vervolgens de beste vrienden waren geworden.)
Wat is mij na lezing van Het CJG werkt! vooral bijgebleven?
- De indruk dat het initiëren en ondersteunen van ontmoeting tussen ouders (eigenlijk alleen moeders) voorop stond. En de indruk dat het beantwoorden van opvoedvragen daarbij vergeleken een bijzaak is. Mij lijkt dat de goede prioriteit.
- De indruk dat het succes van het CJG op deze manier sterk afhankelijk is van de persoon van de professional en dus van het vermogen van die persoon om persoonlijke relaties aan te gaan. Zo iemand moet betrokken, hulpvaardig, stevig, energiek, vasthoudend, realistisch en creatief zijn. In staat zijn om "echt contact" te maken. Evalien houdt daarom bewust privé en werk niet strikt gescheiden. In haar woorden: "Laat gerust zien dat je een 'gewoon mens' bent en vertel ook over jezelf. Als ik doe wat ik op de opleiding geleerd heb, zou ik ontwijkend moeten antwoorden op vragen als: 'Heb je zelf ook kinderen?' Onzin. Als ik denk dat het in de situatie past, heb ik het gewoon over mijn kinderen of mijn huis. Belangrijk is dat je écht in contact komt, dat je mensen weet te binden. Dat lukt niet als je je opstelt als een koele, afstandelijke professional."
- Met dat laatste samenhangend, de indruk dat er voor dit soort werk misschien geen opleiding bestaat. Of in ieder geval dat de huidige opleiding er niet goed op voorbereidt. En de indruk dat verwerkte levenservaring misschien van groter belang is dan dat wat je op een opleiding leert. In dat verband, zijn het niet te vaak juist de jongeren, die net van de opleiding komen, die dit soort belangrijke werk krijgen toegewezen? Zodat de ouderen een managementfunctie kunnen vervullen?
- De indruk dat dit succes alleen is te bereiken bij volstrekte afwezigheid van een afrekencultuur. Zo meldt Evalien dat ze geen registratie bij houdt van de bezoekers en waarvoor ze komen. Dat lijkt mij belangrijk.
Maar het lijkt er op dat de nadelen voor de ouders meer aandacht krijgen. Hoe dat komt, ik weet het niet. Maar daardoor lijkt het wel alsof die Centra voor Jeugd en Gezin eigenlijk beter Centra voor Ouders genoemd zouden kunnen worden. Wat kinderen aan sociale opgroei-omgeving nodig hebben, dat komt maar beperkt in beeld.
En dat geldt ook voor het CJG Beijum, hoe succesvol dat ook is in het bij elkaar brengen van moeders. Evalien meldt dat ze in de beginfase op moest boksen tegen het "misverstand" dat het CJG een instantie was voor kinderen. Ze moest vaak uitleggen dat het CJG zich niet richt op kinderen, maar op opvoeders.
Maar ik pleit er juist voor dat de CJG's kinderen centraal stellen en wat kinderen in sociaal opzicht nodig hebben. En er aan bijdragen dat kinderen in buurten opgroeien die aan hun sociale ontwikkelingsbehoeften tegemoet komen. Buurten waarvan bewoners elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen of samen doen. Waardoor kinderen veel met zulk gedrag in aanraking komen in plaats van alleen maar "opgevoed" te worden. Zie bijvoorbeeld dit bericht over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat het CJG er is voor kinderen, nee, dat zou ik dus geen misverstand noemen. Toch nog een bedenking.
maandag 24 juni 2013
Streng opvoeden is geen oplossing. Maar wat dan wel? De oplossing ligt helemaal niet in het opvoeden
Gabriëlle Jurriaans en Annemiek Verbeek verzetten zich in De Volkskrant van zaterdag terecht tegen de trend van het strenge opvoeden. Hier is de tekst online. Maar wat dan wel? Met die vraag blijf je na lezing toch wat zitten. Want het lijkt alsof er dan een andere manier van opvoeden is die wel precies goed is en alle problemen oplost.
Is die er? Ik denk het eigenlijk niet. En dat zeg ik ook in datzelfde artikel, want Gabriëlle en Annemiek geven mij daarin het woord. In de volgende passage:
Toch blijft, zoals gezegd, in het artikel de suggestie hangen dat de oplossing ligt in het beter opvoeden. Zoals in de laatste twee alinea's:
Is die er? Ik denk het eigenlijk niet. En dat zeg ik ook in datzelfde artikel, want Gabriëlle en Annemiek geven mij daarin het woord. In de volgende passage:
Socioloog Henk de Vos is ervan overtuigd dat kinderen alleen sociaal en moreel gedrag leren door ermee in aanraking te komen. Dit 'voorleven' werkt vooral in een rijke sociale omgeving, waar het kind dagelijks in aanraking komt met veel verschillende mensen die op een redelijke manier met elkaar omgaan en conflicten oplossen. Daar is een sterke buurt voor nodig, waar mensen elkaar een beetje kennen.
In onze seculiere, geliberaliseerde samenleving is dat grote sociale netwerk nou juist gesneuveld. We hebben ons teruggetrokken achter de veilige muren van het gezin, met het bordje 'Niet mee bemoeien' op de voordeur. Het kerngezin leeft geïsoleerder dan vijftig jaar terug. Kinderen leven in hokjes: van school, naar de opvang, naar huis, maar van een gemeenschap is nog amper sprake. Ouders worden meer dan voorheen aangesproken op en verantwoordelijk gehouden voor het gedrag van hun kinderen, terwijl diezelfde kinderen in die schrale omgeving dus helemaal niet genoeg kúnnen leren over sociaal gedrag.Het probleem is dus niet dat ouders verkeerd zijn gaan opvoeden, maar dat kinderen steeds minder die rijke sociale omgeving om zich heen aantreffen die ze nodig hebben voor hun sociale en morele ontwikkeling. De oplossing ligt er dan ook niet in dat ouders beter moeten opvoeden, maar dat we minder op de opvoedbaarheid van kinderen moeten vertrouwen. En moeten ophouden met ouders er de schuld van te geven dat er problemen zijn met onze jeugd. Zie de berichten op dit blog over de mythe van de opvoedbaarheid, zoals hier, hier en hier.
Toch blijft, zoals gezegd, in het artikel de suggestie hangen dat de oplossing ligt in het beter opvoeden. Zoals in de laatste twee alinea's:
Streng zijn creëert juist wat we willen voorkomen: kinderen die zich niet om anderen bekommeren, omdat er amper naar hén geluisterd is en ze amper hebben geoefend met sociaal gedrag. En het haalt wel alle lol en liefde uit het opvoeden. Willen we dat de maatschappij er een is van samenhang en begrip, dan zullen we onze kinderen vanaf het allereerste moment met mededogen en liefde moeten bezien.
Grenzen kun je ook aangeven zonder dat je een kind als puppy probeert te trainen. Met goed voorleven geef je kinderen de boodschap mee dat hun behoeften en emoties er net zo goed toe doen als die van anderen. Dat is niet hetzelfde als alles maar goed vinden. Kinderen doen wat jij doet en niet wat je zegt.
Het blijft lastig om echt de consequenties te trekken uit het toegenomen sociale isolement van de gezinnen. En in te zien dat dus de oplossing voor een groot deel ligt in hoe we met zijn allen onze maatschappij inrichten. En ons gaan inspannen voor Buurten voor kinderen.
vrijdag 17 mei 2013
Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid
Op het beleidsterrein van de jeugdzorg speelt niet alleen de vraag hoe die zorg het beste kan worden georganiseerd, maar ook de vraag naar de grenzen van wat de overheid kan doen. In hoeverre zijn instellingen bij machte om zorg voor kinderen te bieden die die zorg niet voldoende van de eigen sociale omgeving krijgen? Kunnen door de overheid aangestuurde instellingen een sociale omgeving vervangen die kinderen nodig hebben? Ik moest daar weer aan denken toen ik een tweet langs zag komen die ongeveer als volgt luidde: "Omdat de overheid niet van u kan houden, kan zij u ook niet de hulp geven die u echt nodig heeft".
Dit is een zo fundamentele vraag dat hij steeds weer opduikt in de debatten over de jeugdzorg. Vaak in de vorm van pleidooien om als hulpverlenende instanties meer oog te hebben voor de eigen kracht van mensen en om die te bevorderen.
Maar moet een nog verdergaand antwoord niet zijn dat de overheid zich meer terugtrekt uit het veld van de directe hulpverlening en zich meer richt op het verbeteren van de voorwaarden voor het goed opgroeien van kinderen? Op een "omwegbeleid", dat er op gericht is om de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien te verbeteren?
Daarover schreven Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik in 2009 het essay Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid. Het verscheen als achtergrondessay bij het advies Investeren rondom kinderen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).
Omdat het mij nog steeds uiterst relevant lijkt voor de discussies over de jeugdzorg en over hoe het met onze kinderen gaat, en omdat er nog regelmatig vraag naar is, maak ik het via dit blog beschikbaar. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid (let op: p. 143-164). Dit is de samenvatting:
Dit is een zo fundamentele vraag dat hij steeds weer opduikt in de debatten over de jeugdzorg. Vaak in de vorm van pleidooien om als hulpverlenende instanties meer oog te hebben voor de eigen kracht van mensen en om die te bevorderen.
Maar moet een nog verdergaand antwoord niet zijn dat de overheid zich meer terugtrekt uit het veld van de directe hulpverlening en zich meer richt op het verbeteren van de voorwaarden voor het goed opgroeien van kinderen? Op een "omwegbeleid", dat er op gericht is om de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien te verbeteren?
Daarover schreven Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik in 2009 het essay Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid. Het verscheen als achtergrondessay bij het advies Investeren rondom kinderen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).
Omdat het mij nog steeds uiterst relevant lijkt voor de discussies over de jeugdzorg en over hoe het met onze kinderen gaat, en omdat er nog regelmatig vraag naar is, maak ik het via dit blog beschikbaar. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid (let op: p. 143-164). Dit is de samenvatting:
De overheidsbemoeienis met jeugd, gezin en opvoeding neemt toe, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat deze interventies succes hebben. Wij betogen dat hier een vorm van overheidsfalen aan de orde is die ontstaat als de overheid een haar wezensvreemd domein betreedt. Er is sociaalwetenschappelijke evidentie dat gezinnen en opgroeiende jongeren voor een goede sociale en morele ontwikkeling een gemeenschapsnetwerk nodig hebben. Dit netwerk zorgt voor de tijdigheid, continuïteit, tweezijdigheid en collectiviteit die de overheid nooit kan verschaffen. We pleiten er daarom voor om de directe overheidsbemoeienis met jeugd en gezin om te buigen in de richting van een omwegbeleid, gericht op de voorwaarden voor gemeenschapsvorming. Net zoals overheden (soms pijnlijk) hebben geleerd dat zij de markt niet kunnen vervangen doch wel beter kunnen laten werken, kan onze overheid leren dat zij gemeenschappen niet moet willen vervangen maar wel beter kan laten werken. We eindigen het artikel met een verkenning van dit omwegbeleid.
zaterdag 6 april 2013
Op weg naar het Centrum voor Buurt/Dorp, Jeugd en Gezin
Voor de Werkconferentie CJG Noord Groningen "Normaliseren van opgroeien en opvoeden: Anders kijken naar zorgsignalen" van de gemeenten Bedum, Winsum, de Marne en Eemsmond gaf ik eergisteren in Uithuizen de inleiding "Op weg naar het Centrum voor Buurt/Dorp, Jeugd en Gezin". Hier de link naar de powerpointdia's.
maandag 26 november 2012
Terugblik op "De Opvoeding draait door"
Zoals hier gemeld was ik vorige week donderdag inleider en vaste tafelgast bij de Talkshow De opvoeding draait door die gehouden werd in Het Poortje Jeugdinrichtingen in Groningen. Aanwezig waren (voorzover ik kan nagaan): CJG-medewerkers en -vrijwilligers, wethouders en andere afgevaardigden van gemeentes, mensen uit het onderwijs, medewerkers van Het Poortje, van Family Factory, van Home Start en van Positive Behavior Support. De meesten uit de drie noordelijke provincies.
De (uitstekende!) gespreksleider Yvonne van der Weerd vroeg mij aan het begin om drie vragen te noemen waarop ik graag een antwoord zou willen hebben en om aan het eind van de bijeenkomst te melden wat de discussie aan beantwoording van die vragen had bijgedragen (of woorden van gelijke strekking). Ik kwam toen met de volgende drie vragen:
De (uitstekende!) gespreksleider Yvonne van der Weerd vroeg mij aan het begin om drie vragen te noemen waarop ik graag een antwoord zou willen hebben en om aan het eind van de bijeenkomst te melden wat de discussie aan beantwoording van die vragen had bijgedragen (of woorden van gelijke strekking). Ik kwam toen met de volgende drie vragen:
- Kan de jeugdzorg de stap maken van gezin naar buurt? (Zie ook dit bericht.)
- Zullen de gemeentes de decentralisering ("Transitie") gaan benutten om jeugdzorg, buurtwerk, welzijnswerk, sportbevordering, opbouwwerk, maatschappelijk werk (en wat nog meer?) te laten samenwerken (of zelfs te laten samengaan), zodat in de uitvoering geprofiteerd kan worden van de samenhang van activiteiten en doelen? En dan gedecentraliseerd naar buurten?
- Zal het nog gebeuren dat de veel te academische en in de praktijk lastige term "pedagogische civil society" vervangen wordt door het meteen voor iedereen begrijpelijke "Buurten voor kinderen"?
- Een antwoord is natuurlijk nog niet mogelijk. Maar mijn indruk was ook nu weer dat mensen gemakkelijk inzien dat het bevorderen van het buurtnetwerk voor kinderen heel belangrijk is en dat het de manier is om preventief te werken. Na afloop kreeg ik ook reacties in de trant van "ja, zo'n "dorp" om kinderen heen, dat hoort toch eigenlijk volstrekt normaal te zijn. Natuurlijk moeten we helpen om dat tot stand te brengen."
- Mijn indruk was dat de aanwezige wethouders en jeugdzorgmanagers het belang hiervan goed inzagen. (Maar ja, het kan zijn dat degenen die er sceptisch tegenover stonden, meer hun mond hebben gehouden.)
- Ik had de stellige indruk dat iedereen de eerste term graag voor de tweede zou inruilen. Laten we dat ook inderdaad gewoon doen. Dat maakt de communicatie en de public relations een stuk gemakkelijker.
dinsdag 20 november 2012
Kan de jeugdzorg de stap maken van gezin naar buurt?
Cora Bartelink heeft voor het Nederlands Jeugd Instituut een mooi literatuuronderzoek gedaan naar interventies die bedoeld zijn om het sociale netwerk van gezinnen te versterken. Zie Wat werkt bij het versterken van het sociale netwerk van gezinnen? (pdf).
Ze komt tot de conclusie dat er eigenlijk geen interventies bestaan waarvan de werking is aangetoond. Dit lijkt ook te gelden voor de Eigen Kracht-conferenties.
Maar wat mij opvalt is dat het uitsluitend over interventies gaat die gericht zijn op het individuele probleemgezin. Hoewel met het woord preventie wordt geschermd, gaat het dus steeds om het reageren op een probleem dat al is ontstaan. Oké, je kunt dan van preventie spreken als je zo toekomstige problemen zou voorkomen. Maar echte preventie wil meer, namelijk het voorkomen van dat eerste probleem.
Om echt preventief te werken, moet de jeugdzorg natuurlijk de slag maken van individuele gezinnen als cliënten naar een aggregatieniveau hoger, dus naar buurten en wijken. Als we de sociale buurtnetwerken zouden kunnen versterken, dan verminderen we het sociale isolement van alle gezinnen. Daar zouden alle gezinnen baat bij hebben, niet alleen de probleemgezinnen. En voor alle kinderen zou gelden dat ze in een sociale omgeving zouden opgroeien die beter aan hun sociale en morele ontwikkelingsbehoeften tegemoet zou komen. De "jeugdzorg" zou weer gewoon terecht komen waar hij hoort: bij de mensen zelf.
Maar ondertussen is die jeugdzorg al een hele bedrijfstak geworden met een eigen dynamiek. Met een waslijst van interventies en methodieken die allemaal proberen om vanuit het individuele gezin een sociaal netwerk rond dat gezin tot stand te brengen. En dat blijkt steeds meer een vrijwel onmogelijke opgaaf te zijn.
De grote vraag is nu of de jeugdzorg ooit die stap kan maken naar het niveau van de buurt. Krijgen we nog eens Centra voor Buurt, Jeugd en Gezin? Die echt preventief gaan werken, door alles uit de kast te halen om Buurten Voor Kinderen tot stand te brengen? Uiteraard in samenwerking met buurtverenigingen, opbouwwerkers, vrijwilligers en buurtbewoners zelf. En in samenwerking met gemeentebesturen die het grote belang hiervan in zien. Je zou verwachten dat die Transitie van de jeugdzorg naar de gemeentes hierbij moet helpen. We zijn benieuwd.
Zie ook: Centra voor Jeugd en Gezin hebben een buurtfunctie.
Ze komt tot de conclusie dat er eigenlijk geen interventies bestaan waarvan de werking is aangetoond. Dit lijkt ook te gelden voor de Eigen Kracht-conferenties.
Maar wat mij opvalt is dat het uitsluitend over interventies gaat die gericht zijn op het individuele probleemgezin. Hoewel met het woord preventie wordt geschermd, gaat het dus steeds om het reageren op een probleem dat al is ontstaan. Oké, je kunt dan van preventie spreken als je zo toekomstige problemen zou voorkomen. Maar echte preventie wil meer, namelijk het voorkomen van dat eerste probleem.
Om echt preventief te werken, moet de jeugdzorg natuurlijk de slag maken van individuele gezinnen als cliënten naar een aggregatieniveau hoger, dus naar buurten en wijken. Als we de sociale buurtnetwerken zouden kunnen versterken, dan verminderen we het sociale isolement van alle gezinnen. Daar zouden alle gezinnen baat bij hebben, niet alleen de probleemgezinnen. En voor alle kinderen zou gelden dat ze in een sociale omgeving zouden opgroeien die beter aan hun sociale en morele ontwikkelingsbehoeften tegemoet zou komen. De "jeugdzorg" zou weer gewoon terecht komen waar hij hoort: bij de mensen zelf.
Maar ondertussen is die jeugdzorg al een hele bedrijfstak geworden met een eigen dynamiek. Met een waslijst van interventies en methodieken die allemaal proberen om vanuit het individuele gezin een sociaal netwerk rond dat gezin tot stand te brengen. En dat blijkt steeds meer een vrijwel onmogelijke opgaaf te zijn.
De grote vraag is nu of de jeugdzorg ooit die stap kan maken naar het niveau van de buurt. Krijgen we nog eens Centra voor Buurt, Jeugd en Gezin? Die echt preventief gaan werken, door alles uit de kast te halen om Buurten Voor Kinderen tot stand te brengen? Uiteraard in samenwerking met buurtverenigingen, opbouwwerkers, vrijwilligers en buurtbewoners zelf. En in samenwerking met gemeentebesturen die het grote belang hiervan in zien. Je zou verwachten dat die Transitie van de jeugdzorg naar de gemeentes hierbij moet helpen. We zijn benieuwd.
Zie ook: Centra voor Jeugd en Gezin hebben een buurtfunctie.
zondag 7 oktober 2012
Niet (nog) beter opvoeden, maar: BUURTEN VOOR KINDEREN
Vrijdag 5 oktober reisde ik naar Groningen om in het kader van de Week van de Opvoeding (!) een lezing te geven met als titel:
Het gehoor bestond uit medewerkers van de Centra voor Jeugd en Gezin van de stad Groningen en andere belangstellenden.
Volg de link hieronder voor de pdf van de powerpoint dia's: Op weg naar het Centrum voor Buurt, Jeugd en Gezin.
Belangrijker dan (nog) Beter opvoeden
IS:
Buurten
voor Kinderen
Het gehoor bestond uit medewerkers van de Centra voor Jeugd en Gezin van de stad Groningen en andere belangstellenden.
Volg de link hieronder voor de pdf van de powerpoint dia's: Op weg naar het Centrum voor Buurt, Jeugd en Gezin.
dinsdag 4 september 2012
Centra voor Jeugd en Gezin hebben een buurtfunctie. Zo niet, dan hebben ze geen functie
Zo nu en dan zijn er berichten dat de Centra voor Jeugd en Gezin niet goed functioneren en al weer worden opgeheven. Zie ook de (nog?) korte discussie in de LinkedIn groep. Maar onder goed functioneren blijkt vaak te worden verstaan dat ouders bij het CJG komen binnenlopen met opvoedvragen. Maar zijn CJG's daar wel voor bedoeld?
Ja, wat oorspronkelijk bedoeld is, daar kun je over twisten. Maar het is wel duidelijk dat CJG's niet zullen werken als alleen maar een loket waar je opvoedvragen kunt stellen. Zie mijn eerdere bericht waarin ik er voor pleit dat CJG's een buurtfunctie moeten krijgen (met link naar presentatie). En zie de berichten over de mythe van de opvoedbaarheid, zoals dit bericht.
Een mooi voorbeeld van een CJG dat al heel aardig een buurtfunctie vervult, is dat in de wijk Beijum in Groningen. Zie hier voor een mooie beschrijving van wat daar gebeurt.
Ja, wat oorspronkelijk bedoeld is, daar kun je over twisten. Maar het is wel duidelijk dat CJG's niet zullen werken als alleen maar een loket waar je opvoedvragen kunt stellen. Zie mijn eerdere bericht waarin ik er voor pleit dat CJG's een buurtfunctie moeten krijgen (met link naar presentatie). En zie de berichten over de mythe van de opvoedbaarheid, zoals dit bericht.
Een mooi voorbeeld van een CJG dat al heel aardig een buurtfunctie vervult, is dat in de wijk Beijum in Groningen. Zie hier voor een mooie beschrijving van wat daar gebeurt.
zondag 4 december 2011
Het ontstaan van een veelpleger
Elsbeth Stoker heeft in de Volkskrant van zaterdag een interview met de 18-jarige Mohammed die een zogenaamde nieuwe veelpleger is geweest. (Hij heeft besloten er mee op te houden.)
Wat natuurlijk wel ontstaat is de cultuur van de statuscompetitie, en dan gaat het om Prada-schoenen en om de status binnen de groep. De stap naar criminaliteit is dan maar klein. Zo klein dat die jongens het overdreven vinden dat er over hen als criminelen wordt gepraat. Mohammed:
En denk niet dat je dit probleem oplost door de ouders van die jongens "er op aan te spreken". Ouders zijn machteloos zolang er in de buurt het "niets" heerst. Wat betekent dat voor de jeugdzorg en het jeugdbeleid? Dat je, als je echt preventief wilt werken, aan de buurt moet werken.
In tegenstelling tot de 'oude veelpleger' steelt hij (de nieuwe veelpleger) niet om drugs te kopen. Bij hem draait het om materiële zaken, zoals Prada-schoenen en een Dolce & Gabbana-tas. En om de status die hij heeft binnen de criminele jeugdgroep.Gevraagd naar hoe hij is begonnen, op zijn dertiende, vertelt hij:
'Vroeger toen ik nog een normaal jongetje was, zat ik altijd thuis. Maar op een gegeven moment ging ik naar buiten. Daar was niet zoveel te doen. Dus begonnen we met winkeldiefstallen en het jatten van fietsen. We deden zulke dingen met de hele buurt, met een groep van dertig jongens of zo.'Dit lijkt mij een weliswaar beknopte, maar heel precieze beschrijving van wat er gebeurt als een jongen in een extreem sociaal geïsoleerd gezin opgroeit, in een buurt waarin alle andere gezinnen ook sociaal geïsoleerd zijn. Tussen de buurt (de straat) en de gezinnen bestaat een strikte scheiding. Als je op je dertiende eenmaal buiten komt, is daar, zeg maar, "niets", dat wil zeggen, niets anders dan al die andere jongetjes die ook naar buiten komen. Vanuit dat "niets" ontstaan natuurlijk niet zomaar de morele intuïties van de gemeenschap die we graag willen dat jongens aanleren. Waar zou die door ons gewenste morele en sociale ontwikkeling vandaan moeten komen?
Wat natuurlijk wel ontstaat is de cultuur van de statuscompetitie, en dan gaat het om Prada-schoenen en om de status binnen de groep. De stap naar criminaliteit is dan maar klein. Zo klein dat die jongens het overdreven vinden dat er over hen als criminelen wordt gepraat. Mohammed:
Ik zag mezelf en de jongens met wie ik omging niet als een criminele jeugdgroep. We waren gewoon een stel rotjongens die irritante dingen deden.Natuurlijk zijn het rotjongens. Maar wij met zijn allen creëren gezinnen en buurten waarin jongens geboren worden die als ze eenmaal naar buiten komen haast niets anders kunnen dan rotjongens te worden. Ik bedoel, ze zijn misschien niet zielig, maar ze verdienen wel een betere sociale opgroei-omgeving. Waarin mensen elkaar kennen, met zijn allen een sociaal buurtleven hebben en waarin kinderen als ze het huis uitkomen zien hoe mensen met elkaar om kunnen gaan. Waarin er dus veel meer is dan "niets".
En denk niet dat je dit probleem oplost door de ouders van die jongens "er op aan te spreken". Ouders zijn machteloos zolang er in de buurt het "niets" heerst. Wat betekent dat voor de jeugdzorg en het jeugdbeleid? Dat je, als je echt preventief wilt werken, aan de buurt moet werken.
donderdag 10 november 2011
Hebben wij grote hersenen doordat wij vroeger samenwerkten bij de zorg voor kinderen?
Wij, mensen, hebben hersenen die drie keer zo groot zijn als die van de chimpansees. Zulke grote hersenen vereisen heel veel energie, om ze vanaf de conceptie op te bouwen en om ze te "gebruiken". Wat is er in de menselijke evolutionaire geschiedenis gebeurd dat deze grote hersenomvang mogelijk maakte? Dit pas verschenen artikel van o.a. de Nederlandse onderzoeker Carel P. van Schaik werpt daar meer licht op.
Tot nu toe dachten onderzoekers dat de grotere energievereiste van onze grotere hersenen werd gecompenseerd doordat wij minder energie hoeven te besteden aan onze spijsvertering. Doordat we in het verre verleden meer vlees zijn gaan eten en voedsel zijn gaan koken, zou ons spijsverteringskanaal korter zijn geworden en minder energie behoeven. Maar het blijkt nu dat als je een groot aantal soorten bestudeert, die verwachte negatieve samenhang tussen hersenomvang en lengte van het spijsverteringskanaal niet bestaat. Ook is die samenhang er niet met andere energievereisende organen, zoals hart, longen en maag. Deze gedachte, de expensive tissue - hypothese, lijkt dus niet te kloppen.
De auteurs trekken daaruit de conclusie dat onze vroege voorouders in staat moeten zijn geweest om hun netto energie inname te vergroten. Want die energie die die grotere hersenen nodig hebben, moet ergens vandaan komen. Ze denken dat dat op drie manieren gebeurd kan zijn.
Ten eerste door een dieetverschuiving naar meer vlees, beenmerg en gekookt voedsel, wat de efficiëntie van de energie-inname vergroot.
Ten tweede door minder energie te hoeven besteden aan het zich verplaatsen (doordat we rechtop gingen lopen) en aan een langzamere ontwikkeling naar volwassenheid.
En ten derde doordat wij, ik bedoel onze vroege voorouders, voedsel gingen delen en samen voor de kinderen gingen zorgen. Door voedsel te delen en door coöperatief de kinderen groot te brengen, kun je de beschikbare energiebronnen efficiënter gebruiken.
Die laatste manier wijst nog eens op het grote belang van dat coöperatieve grootbrengen (cooperative breeding) van kinderen voor de menselijke evolutie en voor de menselijke sociale natuur. Wij zijn geworden wat wij zijn doordat onze moeders in het verre verleden er op konden vertrouwen dat ze "er niet alleen voor stonden". Iedereen in de vertrouwde sociale omgeving hielp mee, oudere kinderen, grootouders, verdere familie en gewoon anderen waarmee je het leven deelde. Onze vroegere moeders hoefden niet zoals een chimpansee-moeder tot in lengte van jaren hun kind nauwgezet bij zich te dragen of onophoudelijk toezicht te houden, omdat ze die zorg met anderen konden delen. "Samen voor de kinderen" is een essentiële eigenschap van het menselijk samenleven.
Maar het mooie ervan is dat hier waarschijnlijk een zich zelf versterkend effect is opgetreden, een zogenaamde positieve feedback. Want het leven in een groep van een zo grote onderlinge samenwerking maakt niet alleen die grotere hersenomvang mogelijk, het verschaft ook de voorwaarden voor een selectie op een grotere hersenomvang. Dat samenleven vraagt een grote sociale intelligentie en het blijkt dat vooral die hersendelen die met sociale intelligentie samenhangen in de loop van de evolutie zijn gegroeid (zie bijvoorbeeld dit artikel).
Van hier naar de hedendaagse jeugdzorg en de mythe van de opvoedbaarheid is een grote stap. Maar hij moet gezet worden. Want dat idee in die beleidsbrief van die twee staatssecretarissen (Van Veldhuijzen-Van Zanten en Teeven) dat die kleine en vergaand sociaal geïsoleerde gezinnetjes in onze maatschappij uitgerekend de beste sociale omgeving zijn om kinderen groot te brengen, dat gaat rechtstreeks in tegen wat we weten over de menselijke evolutie, over de menselijke sociale geaardheid en over wat daaruit volgt voor wat kinderen nodig hebben om verantwoordelijke volwassenen te worden.
Tot nu toe dachten onderzoekers dat de grotere energievereiste van onze grotere hersenen werd gecompenseerd doordat wij minder energie hoeven te besteden aan onze spijsvertering. Doordat we in het verre verleden meer vlees zijn gaan eten en voedsel zijn gaan koken, zou ons spijsverteringskanaal korter zijn geworden en minder energie behoeven. Maar het blijkt nu dat als je een groot aantal soorten bestudeert, die verwachte negatieve samenhang tussen hersenomvang en lengte van het spijsverteringskanaal niet bestaat. Ook is die samenhang er niet met andere energievereisende organen, zoals hart, longen en maag. Deze gedachte, de expensive tissue - hypothese, lijkt dus niet te kloppen.
De auteurs trekken daaruit de conclusie dat onze vroege voorouders in staat moeten zijn geweest om hun netto energie inname te vergroten. Want die energie die die grotere hersenen nodig hebben, moet ergens vandaan komen. Ze denken dat dat op drie manieren gebeurd kan zijn.
Ten eerste door een dieetverschuiving naar meer vlees, beenmerg en gekookt voedsel, wat de efficiëntie van de energie-inname vergroot.
Ten tweede door minder energie te hoeven besteden aan het zich verplaatsen (doordat we rechtop gingen lopen) en aan een langzamere ontwikkeling naar volwassenheid.
En ten derde doordat wij, ik bedoel onze vroege voorouders, voedsel gingen delen en samen voor de kinderen gingen zorgen. Door voedsel te delen en door coöperatief de kinderen groot te brengen, kun je de beschikbare energiebronnen efficiënter gebruiken.
Die laatste manier wijst nog eens op het grote belang van dat coöperatieve grootbrengen (cooperative breeding) van kinderen voor de menselijke evolutie en voor de menselijke sociale natuur. Wij zijn geworden wat wij zijn doordat onze moeders in het verre verleden er op konden vertrouwen dat ze "er niet alleen voor stonden". Iedereen in de vertrouwde sociale omgeving hielp mee, oudere kinderen, grootouders, verdere familie en gewoon anderen waarmee je het leven deelde. Onze vroegere moeders hoefden niet zoals een chimpansee-moeder tot in lengte van jaren hun kind nauwgezet bij zich te dragen of onophoudelijk toezicht te houden, omdat ze die zorg met anderen konden delen. "Samen voor de kinderen" is een essentiële eigenschap van het menselijk samenleven.
Maar het mooie ervan is dat hier waarschijnlijk een zich zelf versterkend effect is opgetreden, een zogenaamde positieve feedback. Want het leven in een groep van een zo grote onderlinge samenwerking maakt niet alleen die grotere hersenomvang mogelijk, het verschaft ook de voorwaarden voor een selectie op een grotere hersenomvang. Dat samenleven vraagt een grote sociale intelligentie en het blijkt dat vooral die hersendelen die met sociale intelligentie samenhangen in de loop van de evolutie zijn gegroeid (zie bijvoorbeeld dit artikel).
Van hier naar de hedendaagse jeugdzorg en de mythe van de opvoedbaarheid is een grote stap. Maar hij moet gezet worden. Want dat idee in die beleidsbrief van die twee staatssecretarissen (Van Veldhuijzen-Van Zanten en Teeven) dat die kleine en vergaand sociaal geïsoleerde gezinnetjes in onze maatschappij uitgerekend de beste sociale omgeving zijn om kinderen groot te brengen, dat gaat rechtstreeks in tegen wat we weten over de menselijke evolutie, over de menselijke sociale geaardheid en over wat daaruit volgt voor wat kinderen nodig hebben om verantwoordelijke volwassenen te worden.
woensdag 9 november 2011
Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid
Uit de beleidsbrief stelselwijziging jeugd 'Geen kind buiten spel' van de staatssecretarissen Van Veldhuijzen van Zanten-Hyllner en Teeven die vandaag in het nieuws is, blijkt zonneklaar dat de mythe van de opvoedbaarheid in de Haagse circuits nog springlevend is. Het beleid is nog steeds gebaseerd op de veronderstelling dat kinderen wat ze nodig hebben om goed op te groeien het beste leren in de schoot van het gezin. Ik citeer uit de beleidsbrief (p.5):
Wat willen ouders eigenlijk met hun kinderen? Uit het Gezinsrapport 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat als je ze tien "opvoedingsdoelen" voorlegt, ze de volgende drie naar belangrijkheid bovenaan zetten:
verantwoordelijkheidsgevoel hebben
opkomen voor jezelf
rekening houden met anderen
Die drie samen komen neer op het ontwikkelen van verantwoordelijkheidsgevoelens voor jezelf en anderen. Sociaalwetenschappelijk gezegd hebben we het dan over sociale en morele ontwikkeling. En voor die ontwikkeling is nodig dat kinderen voldoende in aanraking komen met verantwoordelijk gedrag in hun sociale omgeving. Morele intuïties leer je aan door op te groeien in een morele gemeenschap en onze gezinnen zijn te klein en te sociaal geïsoleerd om goed als een morele gemeenschap te kunnen functioneren. Kinderen hebben al heel gauw door dat het ouderlijk gezin "slechts" een tijdelijke verblijfplaats is. Daardoor oriënteren ze zich al heel gauw op die buitenwereld. Maar die overgang naar de buitenwereld is slecht voorbereid en abrupt als het gezin zo weinig is ingebed in een groter netwerk van familie, buren, vrienden en vertrouwde anderen. Veel van de problemen met opgroeiende jeugd zijn er op terug te voeren dat de microkosmos van het gezin onvoldoende toerust om als verantwoord lid van de maatschappij te kunnen functioneren.
Eerder noemde ik de mythe van de opvoedbaarheid een voorbeeld van de "fallacy of misplaced concretenes". Die mythe (zie ook hier) houdt in dat we hebben bedacht dat morele ontwikkeling bestaat uit het aanleren van regels (dit mag wel en dat mag niet) en dat kinderen die regels in het gezin van hun ouders leren. En dat noemen we "opvoeding". We zijn waarschijnlijk op dat idee gekomen omdat kinderen steeds meer alleen maar tijd doorbrengen met de eigen ouders. Die morele gemeenschap om het gezin heen is veel minder aanwezig dan vroeger gebruikelijk was. Wat zich nog aan ons aandient is die gezinssituatie. Dus moet daar wel de bron liggen van dat morele besef en dus ook van die gevallen waarin dat morele besef niet of gebrekkig is aangeleerd. We spreken dan, concreet, van een probleemgezin, in plaats van, abstracter maar realistischer, van de afwezigheid van een morele gemeenschap om het gezin heen.
Helaas maken de staatssecretarissen in hun beleidsbrief ook die fout van de misplaatste concreetheid. Daarmee doen ze niets aan de werkelijke oorzaken van de problemen die we met onze jeugd hebben. De mythe van de opvoedbaarheid is taai.
Alle inspanningen van ouders, professionele opvoeders en de overheid zijn erop gericht dat onze kinderen:
a. gezond en veilig opgroeien;
o Elk kind heeft het recht om in een veilige omgeving (van een gezin) op te groeien.
b. hun talenten ontwikkelen en;
c. naar vermogen meedoen.
o Dat wil zeggen dat kinderen al spelend, lerend en werkend een sociaal netwerk opbouwen en daarmee een goede basis leggen voor een zelfstandig leven.
Bovenstaande kan een kind het beste leren in de wederkerigheid van een gezin. Een kleine gemeenschap waarin het leert relaties aan te gaan, te vertrouwen en hoe een bijdrage te leveren aan de samenleving. Een gezin in Nederland kent vele vormen naast vader, moeder en twee kinderen. Wij doelen op het gezin in de ruime betekenis. Die van de kleinste kern van onze samenleving. Dat gunnen wij elk kind.Hier is de mythe van de opvoedbaarheid in optima forma: het gezin is de beste omgeving om kinderen groot te brengen. De gemeenschap van het gezin is groot genoeg om een kind te leren relaties aan te gaan. Het minste wat je hiervan kunt zeggen is dat de staatssecretarissen de ogen sluiten voor het steeds kleiner en steeds sociaal geïsoleerder worden van onze gezinnen. En ze zijn er niet over geïnformeerd dat kinderen in de geschiedenis nog nooit in een zo sociaal arme omgeving zijn opgegroeid als in onze maatschappij. Het getuigt van naïef optimisme om te verwachten dat zo'n sociaal arme omgeving, met zo'n extreme leeftijdssegregatie, niet uitmaakt voor hoe kinderen opgroeien.
Wat willen ouders eigenlijk met hun kinderen? Uit het Gezinsrapport 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat als je ze tien "opvoedingsdoelen" voorlegt, ze de volgende drie naar belangrijkheid bovenaan zetten:
verantwoordelijkheidsgevoel hebben
opkomen voor jezelf
rekening houden met anderen
Die drie samen komen neer op het ontwikkelen van verantwoordelijkheidsgevoelens voor jezelf en anderen. Sociaalwetenschappelijk gezegd hebben we het dan over sociale en morele ontwikkeling. En voor die ontwikkeling is nodig dat kinderen voldoende in aanraking komen met verantwoordelijk gedrag in hun sociale omgeving. Morele intuïties leer je aan door op te groeien in een morele gemeenschap en onze gezinnen zijn te klein en te sociaal geïsoleerd om goed als een morele gemeenschap te kunnen functioneren. Kinderen hebben al heel gauw door dat het ouderlijk gezin "slechts" een tijdelijke verblijfplaats is. Daardoor oriënteren ze zich al heel gauw op die buitenwereld. Maar die overgang naar de buitenwereld is slecht voorbereid en abrupt als het gezin zo weinig is ingebed in een groter netwerk van familie, buren, vrienden en vertrouwde anderen. Veel van de problemen met opgroeiende jeugd zijn er op terug te voeren dat de microkosmos van het gezin onvoldoende toerust om als verantwoord lid van de maatschappij te kunnen functioneren.
Eerder noemde ik de mythe van de opvoedbaarheid een voorbeeld van de "fallacy of misplaced concretenes". Die mythe (zie ook hier) houdt in dat we hebben bedacht dat morele ontwikkeling bestaat uit het aanleren van regels (dit mag wel en dat mag niet) en dat kinderen die regels in het gezin van hun ouders leren. En dat noemen we "opvoeding". We zijn waarschijnlijk op dat idee gekomen omdat kinderen steeds meer alleen maar tijd doorbrengen met de eigen ouders. Die morele gemeenschap om het gezin heen is veel minder aanwezig dan vroeger gebruikelijk was. Wat zich nog aan ons aandient is die gezinssituatie. Dus moet daar wel de bron liggen van dat morele besef en dus ook van die gevallen waarin dat morele besef niet of gebrekkig is aangeleerd. We spreken dan, concreet, van een probleemgezin, in plaats van, abstracter maar realistischer, van de afwezigheid van een morele gemeenschap om het gezin heen.
Helaas maken de staatssecretarissen in hun beleidsbrief ook die fout van de misplaatste concreetheid. Daarmee doen ze niets aan de werkelijke oorzaken van de problemen die we met onze jeugd hebben. De mythe van de opvoedbaarheid is taai.
zondag 18 september 2011
Jeugdbeleid en de mythe van de opvoedbaarheid (van de plank)
Op 30 juni 2011 hield ik de lezing "Jeugdbeleid en de mythe van de opvoedbaarheid" op de Divisiedag van de Divisie Lokale Zorg & Jeugd van de Hulpverleningsdienst Groningen. Hier is de powerpoint te bekijken.
woensdag 14 september 2011
Opvoedbaarheid en jeugdbeleid (van de plank)
Zolang dit blog nog vers is, haal ik zo nu en dan iets van de plank. Nu de powerpoint van de lezing "Opvoedbaarheid en jeugdbeleid" die ik vorig jaar gaf voor het Lectoraat Integraal Jeugdbeleid van de Hanzehogeschool Groningen.
Abonneren op:
Posts (Atom)