Posts tonen met het label kwaadaardigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kwaadaardigheid. Alle posts tonen

vrijdag 26 januari 2024

Het patroon van de kwaadaardige narcist die aan de macht komt en de nederlaag moet ondergaan. Over Hitler en Trump.

Een kwaadaardige narcist neemt de werkelijkheid waar onder de vooronderstelling van zijn niet te evenaren, laat staan te overtreffen, grootsheid en genialiteit. Van die vooronderstelling is hij zich nauwelijks bewust, in die zin dat hij er niet over reflecteert. Maar de vooronderstelde voortreffelijkheid stuurt wel zijn waarneming en zijn gedrag, dat wil zeggen, zijn reacties op waarnemingen. 

Alles is in orde als die waarnemingen hem in zijn vooronderstelling bevestigen. Maar als waarnemingen ermee in strijd zijn en hij zich er toch niet aan kan onttrekken, dan is er de allesoverheersende onzekerheid en onveiligheid die alleen maar door heftige agressie kan worden weggenomen. Twijfel en reflectie moeten meteen de kop worden ingedrukt. 

Die agressie is dus altijd extern gericht. Op degenen die zijn grootsheid en genialiteit in twijfel trekken. Dat zijn "vijanden", of  "verraders" als ze zijn ware aard zijn gaan onderkennen. En vijanden en verraders moeten om te beginnen worden beledigd en gekleineerd en uiteindelijk worden vernietigd.

Kwaadaardig narcisme, en de sociale configuratie die eruit voortkomt, is de meest extreme uitingsvorm is van het statuscompetitiepatroon. Dat patroon bepaalt de motivaties van alle betrokkenen, van de narcist zelf, zijn wil tot overheersen, van zijn volgelingen, hun wens om op die overheersing mee te liften, en van zijn slachtoffers, hun onderdanigheid (de "immobilisatiereactie") of hun pogingen zich uit de voeten te maken (de vluchtreactie) of hun pogingen tot verzet (de vechtreactie).

Doordat het hele scala van gemeenschap en statuscompetitie nu eenmaal in de populatie voorkomt, zijn er altijd kwaadaardige narcisten in het bestand aanwezig. Die kunnen op de kleine schaal van de persoonlijke relaties veel kwaad aanrichten, maar vaak zijn er dan genoeg betrokken "omstanders" die grenzen stellen.

Dat ligt anders als de kwaadaardige narcist in staat is te opereren op het niveau van de nationale staat. Dan kan er een proces in werking treden dat onnoemelijk veel slachtoffers maakt en pas kan worden afgesloten als de kwaadaardige narcist de volstrekte nederlaag wordt toegebracht.

Natuurlijk denken we dan meteen aan Adolf Hitler, zijn veroveringsoorlogen en de Holocaust. Tot vandaag de dag beschrijven historici hoe dat alles precies in zijn werk ging. Hoe Hitlers gekte de rampzalige combinatie van overtuigingskracht en incompetentie teweegbracht, die pas na de totale barbarij eindigde in zijn nederlaag en zijn zelfmoord. 

Dat was een nederlaag tegen de legers van de Geallieerden. 

We zien nu onder onze ogen hoe zich het proces voltrekt van een andere kwaadaardige narcist, Donald Trump, die de nederlaag ziet naderen in zijn strijd tegen de Amerikaanse democratie en rechtsstaat. 

Net als Hitler tot een paar dagen voor het einde bleef fantaseren over al verslagen legereenheden die toch nog de vijand de beslissende slag zouden toebrengen, zo fantaseert Trump over hoe hij na zijn herverkiezing de democratie zal afschaffen en als alleenheerser al zijn vijanden zal uitschakelen.

En net als de gekte van Hitler, die er natuurlijk altijd al geweest was, voor de kleine kring van zijn vertrouwden, waarin hij zich steeds meer had teruggetrokken, niet meer viel te ontkennen, laat de gekte van Trump, die de publiciteit en de aandacht zo nodig heeft, zich in alle rauwheid aan ons allen zien. 

Hoe het met Trump precies afloopt, dat weten we natuurlijk niet. Maar lang kan het niet meer duren.

donderdag 24 februari 2022

Over de kwaadaardige gewelddadigheid die wezenlijk hoort bij statuscompetitiegedrag - en dus over Poetins inval in Oekraïne

Mensen zijn zowel de meest goedaardige als de meest gewelddadige diersoort op aarde. Laten we daar bij stilstaan op de dag dat de dictatuur Rusland, met een kwaadaardige dwaas aan de macht, zijn democratische buur Oekraïne met veel militair geweld binnenvalt.

Die menselijke gewelddadigheid kennen we in twee soorten, die je kunt onderscheiden op de basis van de Dual Mode-theorie. Volgens die theorie liggen er bij mensen in hun onderlinge gedrag twee aan elkaar tegengestelde gedragspatronen klaar om uitgevoerd te worden: gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Gemeenschapsgedrag, elkaar bijstaan en samenwerken ten behoeve van het gezamenlijke welzijn, wordt getriggerd als de sociale omgeving veilig is, dus als anderen dat gemeenschapsgedrag vertonen. Statuscompetitiegedrag, gedrag tussen vijanden in de strijd om status en om de voordelen die aan een hoge status verbonden zijn, wordt getriggerd door sociale onveiligheid. Dus door het statuscompetitiegedrag van anderen.

Typisch menselijk is het gebruik van geweld om het gezamenlijke gemeenschapsgedrag, en de gezamenlijke voordelen daarvan, te verdedigen tegen de pogingen om te overheersen en te onderwerpen. Pogingen die voortkomen uit statuscompetitiegedrag. Samenwerken betekent ook altijd iets opofferen ten behoeve van anderen of van het gezamenlijke welzijn. Doordat mensen verschillen in de geneigdheid tot gemeenschapsgedrag dan wel statuscompetitiegedrag, kunnen er ook als de meesten aan de samenwerking deelnemen, sommigen zijn die zichzelf meer rechten willen toe eigenen dan anderen en dus een hogere status claimen. Anders gezegd: die het statuscompetitiepatroon introduceren.

Als dat statuscompetitiegedrag aanhoudt en de samenwerking dreigt te verstoren, dan moet er iets tegen gedaan worden. Het inzicht dat dat nodig is, is voor de overleving, en het succes, van de mensheid cruciaal geweest. Want samenwerking en het elkaar bijstaan was voor verreweg het grootste deel van het bestaan van de mensheid noodzakelijk. Jager-verzamelaars konden alleen door samenwerking en delen overleven. En dus door zich te verdedigen tegen pogingen tot overheersing en onderwerping.

Die verdediging kon, als dat nodig bleek te zijn, ook met gewelddadigheid gepaard gaan. Richard Wrangham geeft een exposé van alle aanwijzingen dat dat zo was, en dat het noodzakelijk was, in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. Zie Richard Wrangham over agressie en de evolutionaire achtergrond van de duale menselijke sociale natuur. En eerder was er al Christopher Boehm met een gelijkluidend betoog: Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

Dat is de eerste, typisch menselijke, soort gewelddadigheid, het gebruik van geweld om de gemeenschap, en de gezamenlijke voordelen daarvan, te verdedigen tegen pogingen tot statuscompetitiegedrag. Zonder die vorm van gewelddadigheid had de menselijke soort niet kunnen bestaan. Daarvoor was nodig dat dat evolutionair oudere statuscompetitiepatroon, kenmerkend voor reptielen en de meeste zoogdieren, voldoende werd onderdrukt. 

Je zou deze soort gewelddadigheid de goedaardige vorm kunnen noemen. Goedaardig in de zin dat hij niet voortkomt uit een innerlijke drijfveer om geweld te gebruiken. De daad op zich verschaft geen genoegen. Vandaar dat jager-verzamelaars ook lang aarzelden alvorens er toe over te gaan. Eerst werd geprobeerd om met onschuldiger middelen iemand tot ander gedrag te bewegen, door sociale afkeuring, roddel, ridiculiseren of sociale uitsluiting. Maar als die boodschap niet overkwam, dan werd tot fysiek geweld besloten. Wrangham maakt aannemelijk dat zulks vaak genoeg gebeurde om een selectieproces in werking te stellen dat de mensheid, in een proces van zelfdomesticatie, goedaardiger te maken. Degenen met een grotere aanleg tot statuscompetitiegedrag hadden een verminderde overlevings- en voortplantingskans. Zie ook Homo sapiens heeft zichzelf, groepsgewijs, gedomesticeerd - maar niet voorgoed. 

Maar daarnaast is er ook de gewelddadigheid die wezenlijk hoort bij het statuscompetitiegedrag. En die is wel degelijk kwaadaardig. In de zin dat het gebruik van geweld eng verbonden is met de strijd om status. Want een hoge status betekent het overheersen en domineren van anderen. En als iemand handelt volgens dat "klaar liggende" statuscompetitiepatroon, dan is dat overheersen van anderen het einddoel, het doel dat op zich genoegen verschaft. En het summum van overheersing is iemand met gebruik van geweld te onderdrukken.

Typisch menselijk daaraan is dat het geweld extreme vormen kan aannemen. Zoals nu met de militaire invasie van Oekraïne door Poetin. Waar niet meer een rationeel doel aan valt te onderkennen. Er is de obsessie met onderdrukking, onderwerping en vernietiging. In die obsessieve geestesgesteldheid is democratie een bedreiging. En moet de democratie in een buurland, die voor de eigen bevolking een aantrekkelijk voorbeeld zou kunnen zijn, vernietigd worden. Met extreem geweld. Om te onderdrukken en te onderwerpen. In een woord: statuscompetitie!

Anne Applebaum daarover, drie weken geleden:

He (Putin) wants to destabilize Ukraine, frighten Ukraine. He wants Ukrainian democracy to fail. He wants the Ukrainian economy to collapse. He wants foreign investors to flee. He wants his neighbors—in Belarus, Kazakhstan, even Poland and Hungary—to doubt whether democracy will ever be viable, in the longer term, in their countries too. Farther abroad, he wants to put so much strain on Western and democratic institutions, especially the European Union and NATO, that they break up. He wants to keep dictators in power wherever he can, in Syria, Venezuela, and Iran. He wants to undermine America, to shrink American influence, to remove the power of the democracy rhetoric that so many people in his part of the world still associate with America. He wants America itself to fail.

vrijdag 4 februari 2022

Doodgewone mannen - Hoe dun is de grens tussen goed en kwaad?

Ik keek met ingehouden adem. Vorige week dinsdag, op prime time, zond de Duitse televisiezender ZDF de documentaire Ganz normale Männer uit. In het kader van de herdenking van de Holocaust. Volg de link om hem te bekijken, maar doe dat niet even tussendoor. En ook niet vlak voor je wilt gaan  slapen. 

De documentaire is gebaseerd op het boek met dezelfde titel van de Amerikaanse historicus Christopher R. Browning, waarvan ik pas nu ontdek dat er in 2020 ook een Nederlandse vertaling van is verschenen: Doodgewone mannen. Browning komt in de documentaire ook zelf aan het woord.

Die ingehouden adem was er doordat je bevattingsvermogen tekortschiet, gecombineerd met het pijnlijke besef dat de gebeurtenissen zich echt "gewoon" hebben afgespeeld.

We wisten natuurlijk al dat van de zes miljoen door de nazi's vermoorde Joden er al twee miljoen waren omgebracht nog voor de moordmachines van de gaskamers in werking werden gesteld. Vanaf de dag dat de Duitsers de Poolse grens overstaken, begonnen ze te moorden. Door Joden, maar niet alleen hen, bij elkaar te drijven en neer te schieten. Of op te hangen, om kogels te sparen. Niet spontaan, maar omdat het van hogerhand was bevolen. Er moest in de lugubere fantasieën van Hitler en zijn volgelingen voor de Duitse bevolking Lebensraum worden gecreëerd en dat betekende niet alleen bezetting, maar ook uitroeiing.

Maar wie waren de uitvoerders? Ook de Wehrmacht werkte eraan mee, maar het waren toch vooral speciale moordbataljons die werden ingezet. Over een van die bataljons, het Reserve-Polizeibataillon 101, gaat de documentaire. Dat bestaat uit 500 leden van de Hamburgse Polizeireserve, die vanwege hun leeftijd niet voor de Wehrmacht werden opgeroepen. Doodnormale mannen.

In Polen aangekomen, krijgen ze hun macabere opdracht te horen. Er moet gemoord worden. Hun bevelhebber moet een aardige man geweest zijn, die iets gezegd moet hebben van "ja, dit is nu eenmaal wat jullie moeten doen. Niet gemakkelijk, maar het moet. Maar wie er voor terugdeinst, mag nu naar voren stappen en hoeft niet mee te doen." Van de 500 moeten er twaalf geweest zijn die een stap naar voren deden. Ze kregen ander werk. De 488 anderen bleven staan.

Hoe dun is de grens tussen goed en kwaad? De weigeraars ondervonden geen negatievere gevolgen van hun keuze dan dat ze naderhand nogal eens werden gekleineerd.

In de documentaire komt een socioloog aan het woord, die stilstaat bij dat moment van die keuze. Stel dat niet van de weigeraars was gevraagd om een stap naar voren te zetten, maar van degenen die bereid waren om de opdracht uit te voeren. Dan was de instemming niet passief geweest, maar door een daad te stellen. Zouden dan niet veel meer hebben geweigerd? Zou zo'n subtiel verschil niet veel hebben uitgemaakt? Voor de keuze tussen goed en kwaad?

Ja, dat zou je wel denken. Het ging om doodgewone mannen, waarvan we kunnen aannemen dat ze de morele gemeenschapsintuïtie voelden van het anderen geen schade toebrengen. Ze zouden hebben geaarzeld om naar voren te stappen en dan had verder de kracht van de sociale beïnvloeding zijn werk kunnen doen. Nu werkte die andersom. De meesten bleven staan.

Dat pleit er voor dat die grens tussen goed en kwaad maar heel dun is. 

Maar daartegen pleit weer dat er al heel veel aan het moment van die keuze was voorafgegaan. De nazi's waren al zeven jaar aan de macht. En hadden ruim de tijd gehad om het Duitse volk, ook doodgewone mannen, met hun propaganda te vergiftigen. Joden waren al rechteloos gemaakt. Geweld was al aan de orde van de dag. De concentratiekampen waren er al.

Er was een grootscheeps proces van "normalisatie" geweest, normalisatie van kwaadaardigheid.

We moeten het dus nooit zover laten komen dat die grens tussen goed en kwaad nog maar zo dun is.

Zou die documentaire over die doodgewone mannen niet ook op prime time op de Nederlandse televisie moeten worden uitgezonden?

donderdag 27 juni 2019

Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid? - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 12

Update. Zie nu ook deel 13 van deze reeks berichten: De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur.
Er zijn goede redenen om te vermoeden dat de menselijke sociale natuur ambivalent is tussen enerzijds het gemeenschapspatroon en anderzijds het statuscompetitiepatroon. Zie Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan. Zoals in eerdere berichten van deze reeks uiteengezet (zie hier het vorige bericht), zou die ambivalentie wel eens een belangrijk ingrediënt kunnen zijn voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie.

Ik wees er al op dat je die ambivalente sociale natuur niet zult aantreffen in de inleidingen tot het vak sociologie, noch in de sociologie tijdschriften. En dat zulks er mee te maken heeft dat de sociologie zich altijd verre heeft gehouden van de evolutietheorie en dus van de gedachte dat er een menselijke sociale natuur bestaat waar je je in je vak iets van zou moeten aantrekken. Het vak heeft nog altijd te lijden van het Social Science Standard Model. zoals dat in 1994 zo fraai werd gekenschetst door Steven Pinker in zijn The Language Instinct. 

Dat ontbreken van een, empirisch gefundeerde, karakterisering van de menselijke sociale natuur maakt dat het vak sociologie er moeite mee heeft om expliciet uit te gaan van veronderstellingen over wat mensen willen en kunnen. Met als gevolg dat het vak tekort schiet in het formuleren van een te prefereren toestand (het gemeenschapsevenwicht). Boven die andere toestand, die van het statuscompetitie-evenwicht.

Ik bedacht me dat een en ander ook inhoudt dat de sociologische theorie daardoor een blinde vlek heeft voor de kwaadaardige kant van de menselijke natuur, zoals die tot uiting komt in het statuscompetitiegedrag. Zie nog eens De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie om van die kwaadaardigheid een indruk te krijgen.

Want neem nu de differential association theory, die Edwin H. Sutherland voor en na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie hier een fraai overzichtsartikel) en die in de sociologie nog steeds een belangrijke rol speelt.

Daarin gaat het over de verklaring van criminaliteit, dus over een categorie gedrag die niet door de sociologie zelf, maar door de wetgeving van een land wordt onderscheiden. Er is niet een sociologische theorie waarin een rol is weggelegd voor kwaadaardigheid.

Ik denk ook even aan dat lijvige boek Foundations of Social Theory van James S. Coleman. Als je dat van begin tot eind bestudeert, wat ik ooit gedaan heb, dan kom je nergens een analyse tegen van de kwaadaardige kanten van het menselijk gedrag.

Let wel, er zijn wel degelijk sociologen, of sociaal-psychologen, die zich met kwaadaardig gedrag hebben beziggehouden. Je denkt al gauw aan Philip Zimbardo van het Stanford Prison Experiment. (Lees Rutger Bregman daarover.) Maar ook aan Roy F. Baumeister (Evil: Inside Human Violence and Cruelty) en Ervin Staub (The Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence).

Maar het gaat erom dat de sociologische theorie zich niet uitlaat over een menselijke sociale natuur waar ook kwaadaardigheid deel van uitmaakt. Voor kwaadaardigheid heeft het vak een blinde vlek.

En dat gaat ten koste van de maatschappelijke belangrijkheid van het vak.