Posts tonen met het label Elinor Ostrom. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Elinor Ostrom. Alle posts tonen

dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.

dinsdag 16 maart 2021

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op een linkse partij. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

De Tweede Kamerverkiezingen zijn begonnen. Vandaag en woensdag kan er nog gestemd worden. Zeventigjarigen en ouder konden al per post stemmen. Dat gold ook voor mij, maar ik ben niet kwetsbaar en zal woensdag in persoon mijn stem uitbrengen. Dat zal op een linkse partij zijn en hieronder leg ik uit waarom.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen teweer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. En er kwamen de internationale mensenrechtenverdragen. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar 2021 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen. met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal economische hervormingen, die het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechtsextremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Nu hebben we de coronapandemie, met het vooruitzicht dat terug naar normaal er niet inzit. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". 

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en heerst nu in de peilingen. En extreemrechts (PVV en FvD) profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers.

En in de Verenigde Staten wijzen de eerste beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover gisteren in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Amerika is toch weer een voorbeeld. Het is tijd voor wij-met-zijn-allen. Dus voor een stem op een linkse partij. Update. Welke? Kijk maar. Het zou veel beter zijn als je niet hoefde te kiezen en er een grote linkse partij was.

vrijdag 8 mei 2020

Zullen we ook op wereldniveau in staat zijn tot zelforganisatie? Een cruciale periode in de mensheidsgeschiedenis

We zitten nog midden in de corona pandemie en zijn onzeker hoe lang die nog zal duren. Maar de mate waarin hij ingrijpt in wat we dachten dat vanzelfsprekend was, is al wel duidelijk. Dat maakt dat we ons gaan afvragen of er nog wel een weg terug zal zijn naar wat we gewend waren. Anders gezegd, welke lessen zullen we moeten trekken? En zullen we in staat zijn om naar die lessen te gaan handelen?
Die vragen dringen zich te meer op doordat we ook nog eens te maken hebben met de eveneens wereldwijde, door ons toedoen gecreëerde, klimaatcrisis, die nauwelijks minder acuut is en uiteindelijk nog veel ingrijpender dreigt te gaan worden. (Lees The Uninhabitable Earth. Life After Warming van David Wallace-Wells). En niet te vergeten met het gegeven dat er genoeg kernwapens door mensenhanden zijn vervaardigd om een nucleaire winter en een massa-extinctie te veroorzaken.
Dat alles terwijl we er de wereldwijde extreme ongelijkheid in rijkdom en macht heerst waarop de neoliberale ideologische en politieke revolutie van omstreeks 1980 is uitgelopen. (Lees The Great Divide van Joseph Stiglitz.) Diezelfde revolutie die ook op zo grote schaal de bestaansonzekerheid onder de bevolking heeft vergroot, daarmee de voedingsbodem creërend voor het populistisch rechts-extremisme.
Je kunt moeilijk anders dan concluderen dat we zijn beland in een cruciale periode van de mensheidsgeschiedenis. Of we daar succesvol doorheen komen, zal niet alleen van de aard en omvang van die uitdagingen afhangen, maar ook van wat wij met zijn allen aankunnen en weten te bewerkstelligen. Want er zal een gezamenlijke en gecoördineerde inspanning nodig zijn, op landen- en op internationaal niveau, om de juiste lessen te vinden en uit te voeren. De oplossing zal niet komen van "het vrije spel van maatschappelijke krachten", dat immers integendeel juist de problemen heeft veroorzaakt.
Als er inderdaad een grootscheepse gezamenlijke aanpak nodig is, zullen we dan daartoe in staat zijn? Maakt onze ambivalente sociale natuur, onze geneigdheid tot rekening houden met elkaar en tot onderlinge samenwerking (wij-met-zijn-allen), maar daartegenover ook tot egoïsme en onderlinge competitie (ieder-voor-zich), het waarschijnlijk dat we samen oplossingen vinden en die samen in daden weten om te zetten? Of zal het ieder-voor-zich overheersen en moeten we de toekomst somber inzien?
Om daar zicht op te krijgen is het goed om onder ogen te zien wat die ambivalente sociale natuur ons tot nu toe in de mensheidsgeschiedenis heeft gebracht. Dat wij-met-zijn-allen verwierven we door een natuurlijk en cultureel selectieproces gedurende de lange periode dat we, als egalitaire jagers-verzamelaars, voor overleving en reproductie op samenwerking en delen waren aangewezen. Een belangrijk element van die samenwerking was het onderdrukken van de geneigdheid tot statuscompetitie, die voor primaten kenmerkend is en die we van de gemeenschappelijke voorouder van mensachtigen en chimpansees hadden meegekregen. Die onderdrukking bestond uit de ontwikkeling van onze morele intuïties van eerlijk delen en rechtvaardigheid. Maar ook uit de aandrang tot het verontwaardigd en zo nodig agressief reageren op het bazig en egoïstisch gedrag dat de samenwerking in gevaar bracht. Denk aan Richard Wranghams The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.
Het wij-met-zijn-allen, samen met het onderdrukken van het ieder-voor-zich, was een succesvolle strategie toen we nog in kleine groepen van onderlinge vertrouwdheid samenleefden, omringd door naburige groepen waarmee we ook vertrouwd waren, zoals door uithuwelijkingsrelaties (Christopher Boehm, Moral Origins, The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame, 2012; Douglas P. Fry, Beyond War. The Human Potential for Peace, 2007; Sarah Blaffer Hrdy, Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding, 2009). Dat alles veranderde radicaal met de overgang naar de landbouwsamenlevingen, waarin de statuscompetitie veel minder goed kon worden onderdrukt. En waarin dus de grote ongelijkheid van de elkaar beconcurrerende vorstendommen en de standenmaatschappijen ontstonden (Menelaos Apostolou, Implications of the Neolithic Revolution for Male-Male Competition and Violent Conflict, Mankind Quarterly, 58 (2017): 208-228).
Maar tegelijk bleven die morele gemeenschapsintuïties van wij-met-zijn-allen aanwezig en waar de omstandigheden daar gunstig voor waren, werden die omgezet in nieuwe vormen van samenwerken en delen. Omdat die zich meestal afspeelden onder de radar van het centrale bestuur van de vorstendommen, kregen ze later, toen ze sociaalwetenschappelijk werden "ontdekt", bekendheid als vormen van zelfbestuur of zelforganisatie (self-governance). Het ging om boeren die gemeenschappelijke weidegronden beheerden en periodiek individueel gebruikte percelen herverdeelden, gezamenlijk irrigatiestelsels aanlegden en beheerden en om vissers die gezamenlijk visgronden beheerden. In alle gevallen gaat het om het in onderling overleg en zonder centraal gezag gebruiken en in stand houden van natuurlijke hulpbronnen. Elinor Ostrom maakte er haar levenswerk van om die zelforganisatie intensief te bestuderen en ontving daarvoor in 2009 de Nobelprijs voor economie (Governing the Commons, 1990).
Van de inzichten die dat opleverde, springt eruit dat zelforganisatie succesvol is als de leden er van doordrongen zijn dat hun onderlinge afhankelijkheid cruciaal is voor hun bestaan. En dat ze dat ook van elkaar weten. Dat brengt een hoge informatiedichtheid met zich mee, in de zin dat bij iedereen voortdurend bekend is welk gedrag van elkaar verwacht wordt (de regels) en het onderlinge vertrouwen heerst dat iedereen zich meestal aan die regels houdt. Plus het onderlinge vertrouwen dat er bij een overtreding door anderen iets van gezegd wordt. Wat weer tot gevolg heeft dat zulke overtredingen weinig zullen voorkomen. Die informatiedichtheid is er vooral bij een grote mate van onderlinge vertrouwdheid, die er weer is bij langdurige relaties, vaak over generaties heen. 

Nu we, in de eenentwintigste eeuw, met de corona crisis en de klimaatcrisis, geconfronteerd worden met het gegeven dat we ook als wereldbevolking in hoge mate afhankelijk van elkaar zijn, is het de grote vraag of we ook op dat niveau in staat zullen zijn tot zelforganisatie. Zullen onze morele gemeenschapsintuïties van het wij-met-zijn-allen ook nu krachtig genoeg zijn? En vooral ook, zullen we er voldoende vertrouwen in hebben dat ze bij anderen krachtig genoeg zijn? Nu we te maken hebben met her en der de kop opstekend rechtsextremisme en met narcistische leiders die allebei juist staan voor het ieder-voor-zich?

Voorwaar een cruciale periode in de mensheidsgeschiedenis.

woensdag 7 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 4

De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis, de overgang naar de landbouwsamenlevingen, is op de tijdlijn van de gehele geschiedenis nog maar kort geleden. Zo kort geleden, 8-10.000 jaar, dat het nu, in 2018, misschien nog wel te vroeg is om te concluderen dat het een verstandige stap was. En niet, zoals in de woorden van Jared Diamond, de grootste vergissing die de mensheid ooit gemaakt heeft. Zie het vorige bericht in deze reeks.

De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.

Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.

Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.

Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.

Maar helemaal weggevaagd was dat laatste ook weer niet. Het had zich teruggetrokken op het onderste niveau van het maatschappelijk bouwwerk. Het niveau van, zeg maar, de werkers op het land, de boeren die zich dorpsgewijs organiseerden en er zo zorg voor droegen dat iedereen genoeg opbrengsten had om er zelf van te leven en om aan de eisen van de kasteelheer te voldoen.

Dit hield bijvoorbeeld in dat de individueel bewerkte gronden, naast de gemeenschappelijke weidegronden, periodiek werden herverdeeld, zodat de beste gronden rouleerden. Een aardige beschrijving van die dorpsgemeenschappen vind je in Functional and historical explanations for village social organization in northern Europe van Robert H. Layton.

En, niet te vergeten, denk ook aan al die vormen van zelf-organisatie van boeren en vissers, die werden bestudeerd door Elinor Ostrom. Die voor haar werk in 2009 de Nobelprijs voor economie kreeg toegekend. Zie in dat verband de berichten op dit blog achter het label Elinor Ostrom.

Dat gemeenschapspatroon van samenwerken en delen wist zich dus in die landbouwsamenlevingen in het verborgene te handhaven. In het verborgene, in die zin dat de geschiedschrijvers er maar weinig aandacht voor hadden en zich vooral concentreerden op de beschrijvingen van de vorstenhuizen.

Dat het zich toch wist te handhaven, en in de menselijke sociale natuur aanwezig bleef, zorgde er voor dat er in de mensheidsgeschiedenis ook nog een derde stap kon worden gezet. Daarover meer in het volgende bericht.

maandag 17 september 2012

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (14)

Als mensen onderling afhankelijk zijn, dan kunnen ze samen gedragsregels opstellen en als het lukt om elkaar aan die regels te houden, dan spreken we van een succesvolle zelf-organisatie. Maar wat is er voor nodig om elkaar aan die regels te houden?

Elinor Ostrom zegt daarover dat de deelnemers moeten beseffen, en dat van elkaar moeten weten, dat ze zelf naleving van de regels van dag tot dag moeten afdwingen. Ze moeten door hebben dat er niet een extern gezag is dat die klus van hen overneemt. Bovendien moeten ze de verwachting hebben dat iedereen zowel een principiële bereidheid heeft om zelf de regels na te leven, als de bereidheid om bij overtredingen die toch plaats vinden, de overtreder daarop aan te spreken. Anders gezegd, de overtreder te sanctioneren. Door er gewoon iets van te zeggen. Of, omdat dat niet altijd gemakkelijk is, er voor te zorgen dat ook anderen op de hoogte zijn en de overtreder op subtiele manier te laten weten dat er over zijn gedrag gepraat wordt. Dan gaat het om de zogenaamde sociale sancties, die er ook uit kunnen bestaan dat de overtreder wordt genegeerd (ostracisme). Vaak zijn subtiele aanwijzingen dat zo'n proces plaats vindt al genoeg om de overtreder op andere gedachten te brengen.

Boehm geeft mooie voorbeelden van sociale sancties, maar ook voorbeelden van hardhandiger sancties als de overtreder blijft volharden in zijn profiteursgedrag of in zijn pogingen om te domineren. Zie nog eens dit bericht. Dan gaat het om mensen die in het verband van de morele gemeenschap van jagers-verzamelaars, dus in die Paleo Sociale Omgeving, zijn opgegroeid en handelen. Zijn er aanwijzingen dat mensen ook nu nog bereid, of zelfs geneigd, zijn om sancties uit te delen aan mensen die meeprofiteren van de inspanningen van anderen?

Ja, die aanwijzingen zijn er als je afgaat op een reeks van experimentele studies, die begon met het artikel Altruistic punishment in humans (link naar pdf) van Ernst Fehr en Simon Gächter uit 2002. Zij lieten mensen een publieke goed-dilemma spelen. Dit kwam er op neer dat steeds vier personen elk €20 ontvingen en daarvan naar eigen goedvinden een deel konden bijdragen aan een groepsproject. Wat ze niet bijdroegen, mochten ze houden. Van iedere € die ze wel bijdroegen, kregen alle vier groepsleden €0,40, dus voor de groep als geheel €1,60. Als nu iedereen de gehele €20 zou bijdragen, dan zou iedereen met (80 x €0,40 =) €32 naar huis gaan. Dat is meer als je niet zou bijdragen, want dan bleef je op die €20 staan. Maar je zou nog beter af zijn als je zelf niet zou bijdragen en de anderen wel. Dat zou dus het profiteurs- of meeliftersgedrag zijn.

 Dit spel werd zes rondes lang gespeeld en na elke ronde werd iedereen geïnformeerd over de keuzes van zijn drie medespelers. De keuzes werden gelijktijdig gemaakt en alles gebeurde anoniem.

En er waren twee condities. In de "sanctie-conditie" werden de spelers er over ingelicht dat ze na elke ronde een of meer van de medespelers een sanctie konden geven. Die kon variëren tussen de 1 en 10 strafpunten, waarbij elke punt stond voor €3. Maar het geven van een strafpunt kostte ook iets, namelijk €1. In de "niet-sanctie-conditie" bestond die sanctiemogelijkheid niet.

Bovendien werden na elke ronde de groepen anders samengesteld. Je kon er dus niet van uitgaan dat je in de volgende ronde met dezelfde drie andere personen zou spelen. Dat betekende dat als je een medespeler een sanctie geeft en daarmee bewerkstelligt dat hij zich in de volgende ronde beter gedraagt, dat je daar dan niet zelf van profiteert. Vandaar dat het in de titel van het artikel gaat over altruïstische bestraffing: je hebt een sanctie gegeven, die misschien helpt om het gedrag van de profiteur te verbeteren, maar jou wel €1 per strafpunt kost, zonder dat jij het voordeel daarvan hebt.

Wat gebeurde er toen dit spel gespeeld werd? Allereerst bleek dat mensen bereid waren om sancties uit te delen. Ruim 84% gaf tenminste één maal een sanctie en een derde gaf meer dan vijf keer een sanctie. De sancties werden ook in de meeste (driekwart) van de gevallen gegeven zoals bedoeld, namelijk aan de profiteurs, en werden ook gegeven door degenen die het meeste bijdroegen. De straffen waren ook behoorlijk hoog, wat betekent dat de toedieners er van bereid waren  behoorlijk hoge kosten op zich te nemen.

En hadden de sancties het gewenst effect? Ja zeker, over het geheel genomen droegen de spelers in de "sanctie-conditie" meer bij aan het groepsproject dan in de "niet-sanctie-conditie". En bovendien bleek dat de gegeven sancties ook tot beter gedrag leidden: nadat een sanctie was ontvangen, was de bijdrage in de volgende ronde gemiddeld hoger dan in de vorige ronde. Dus ook in die zin is pro-sociaal gedrag een collectieve prestatie: elkaar (kunnen) sanctioneren maakt ons pro-socialer.

Wat was het precies dat mensen aanzette om sancties te geven, terwijl het geven daarvan iets kostte en de voordelen er van aan anderen toevielen? Uit een apart onderzoekje bleek dat er boosheid achter zat. Profiteursgedrag roept boosheid op en die boosheid brengt je er toe om die kosten van sanctionering wel te willen dragen. En ook bleek dat mensen die boosheid van anderen verwachtten als ze zelf zouden overwegen om zich als profiteur te gedragen.

En uit deze studie uit 2004 (pdf) bleek dat het toedienen van een sanctie ook inderdaad als belonend wordt ervaren. Profiteursgedrag maakt je boos en dan voelt het goed om iets te doen wat uit die boosheid voortkomt: de profiteur een lesje leren.

Deze studie van Fehr en Gächter heeft tot op de dag van vandaag geïnspireerd tot nieuw onderzoek. Daarover in volgende berichten meer.

maandag 27 augustus 2012

De twee bronnen van informatie over zelf-organisatie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (9)

Wat mensen nodig hebben, kunnen ze, als consument, voor een groot deel op de markt aanschaffen. Daar hebben ze geld voor nodig en om daar aan te komen, moeten de meeste mensen, als werknemer, ook de markt op, namelijk de arbeidsmarkt. Daarnaast kunnen ze, als burger, bij de overheid terecht voor veel van wat ze nodig hebben, voor collectieve goederen, zoals (spoor)wegen, zeedijken, ruimtelijke ordening, een schoon milieu, onderwijs, veiligheid, justitie en sociale zekerheid. Ook daar is natuurlijk geld voor nodig en dat brengen we op in de vorm van belastingen, heffingen en premies.

Nu kun je de zorg hebben dat we steeds meer een consumptiemaatschappij worden, dat wij onze rol van consument/werknemer overwaarderen en de rol van geïnformeerde en betrokken burger verwaarlozen. Dat is de zorg over het superkapitalisme dat onze democratie bedreigt, zoals zo goed verwoord door Robert Reich.

Er is alle reden voor die zorg van het superkapitalisme. Maar er is daarnaast nog een andere reden voor zorg. Want naast markt en overheid kunnen mensen hun welvaart ("wat ze nodig hebben") ook vergroten door zelf-organisatie. In onderling overleg en organisatie wenselijkheden en noodzakelijkheden tot stand brengen en beheren.

Zelf-organisatie gebeurt als routine op de kleine schaal van het huishouden. Maar ook op grotere schaal is er zelf-organisatie of zou die er kunnen zijn, zoals in straten, buurten en dorpen en in de vorm van verenigingen en coöperaties van mensen die een gezamenlijk doel nastreven.

In dit bericht wees ik er op dat wij zo onder de indruk kunnen raken van wat markt en overheid allemaal (kunnen) verschaffen, dat we geneigd zijn om zelf-organisatie als een curiosum te zien. We denken dan over onszelf vooral als consument/werknemer en als burger. Maar een persoon is natuurlijk meer dan dat. We zijn daarnaast ook nog lid van een gezin, familie en vriendenkring. En: we zijn samen met anderen actief in een kring van zelf-organisatie. Of we kunnen dat zijn. Of we zouden het misschien veel meer kunnen, of zelfs moeten, zijn dan we nu doen. Misschien is die zelf-organisatie nodig om volledig mens te zijn.

Zoals in dat vorige bericht al gemeld, valt daar veel voor te zeggen. Want de mensheid heeft zich voor verreweg het grootste deel van zijn bestaan weten te handhaven en succesvol over de aardbol weten te verspreiden door niets anders dan zelf-organisatie. De zelf-organisatie waartoe mensen in staat zijn, is als typisch menselijke, sociale uitvinding cruciaal geweest voor de overleving en het succes van de mensheid. En hij vormt de sociale grondslag voor onze sociale en vooral morele emoties en vaardigheden. Anders gezegd, als wij onszelf zouden reduceren tot consument/werknemer en burger, dan is het twijfelachtig of wij op den duur nog wel als hetzelfde sociale en morele wezen zouden blijven voortbestaan. Dat is een heel fundamentele reden om zelf-organisatie niet als een curiosum te zien.
De aap in ons
Dit is een diep inzicht, misschien te diep om gemakkelijk te kunnen worden gecommuniceerd. Maar toch lijkt het zich te verspreiden. Kijk maar eens op de website van de Stichting Zelforganisatie, met een aardig filmpje waarin Frans de Waal zelf-organisatie uitlegt. Toen ik naar dat filmpje keek, moest ik denken aan het laatste hoofdstuk van De Waals boek De aap in ons. Waarom we zijn wie we zijn. En kwam ik al bladerend terecht bij de volgende alinea (p. 225):
Onze samenlevingen werken waarschijnlijk het best als ze zo goed mogelijk de kleinschalige gemeenschappen van onze voorouders nabootsen. Wij zijn in elk geval niet geëvolueerd om te leven in in steden met miljoenen mensen, waar we overal tegen vreemden opbotsen, in donkere straatjes door hen bedreigd worden, naast hen in de bus zitten, en naar wie we in verkeersopstoppingen een vinger opsteken. Net als bonobo's in hun hechte gemeenschappen, waren onze voorouders vrijwel zeker omringd door mensen die ze kenden en met wie ze dagelijks contact hadden. Het is opmerkelijk dat onze samenlevingen zo ordelijk, productief en relatief veilig zijn. Maar planologen kunnen en moeten zorgen voor een betere benadering van het vroegere gemeenschapsleven, waarin iedereen de naam en het adres van elk kind kende.
Wat dat laatste betreft: niet alleen de planologen....

Tegelijk wijst dit inzicht er op dat we, als we zelf-organisatie in onze maatschappij en in onze manier van samenleven willen bevorderen, dat we dan twee bronnen van informatie kunnen aanboren over de voorwaarden waaronder dat zou kunnen lukken.

De eerste bron is de informatie die we hebben over hoe onze verre voorouders, de jagers-verzamelaars, in staat waren om zichzelf te organiseren. Wat waren precies de condities en op welke manier wisten mensen daarvan gebruik te maken. Anders gezegd: hoe zag die Paleo Sociale Omgeving er uit? En wat kunnen we er van leren?

En de tweede bron van informatie noemde ik al eerder: de resultaten van al het onderzoek van Elinor Ostrom naar hedendaagse succesvolle voorbeelden van zelf-organisatie. Zie nog eens dit bericht.

Wordt vervolgd! Update. Zie Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

dinsdag 10 juli 2012

Zelf-organisatie is geen curiosum, maar is nodig om mens te zijn

De titel is wat gewichtig, maar ik zal het uitleggen. In onze huidige maatschappij lijkt zelf-organisatie een randverschijnsel. In de publieke discussies over hoe we onze maatschappij het beste kunnen organiseren, gaat het voornamelijk om de taakverdeling tussen markt en overheid. Moet de overheid zich met de kinderopvang, met de gezondheidszorg, met het openbaar vervoer, met de arbeidsvoorwaarden, met de media, met het opgroeien van kinderen, met de zorg voor ouderen, met kwaliteitseisen voor voedsel, enzovoort, bemoeien of moeten al deze en andere zaken zoveel mogelijk aan de markt worden overgelaten? Markt en overheid zijn zo deel geworden van ons leven, dat we ze vanzelfsprekend zijn gaan vinden.

Maar er is nog een derde coördinatiemechanisme, namelijk dat van de zelf-organisatie. Van mensen die onderling zaken regelen, door onderling overleg tot besluiten komen en met elkaar voor uitvoering daar van zorg dragen. Het lijkt er soms op dat dit mechanisme wordt ondergesneeuwd door onze pre-occupatie met markt en overheid. Toen het Nobelprijs-comité de prijs voor economie aan Elinor Ostrom uitreikte, dé deskundige op het gebied van zelf-organisatie, hadden veel mensen, waaronder economen (neem Paul Krugman!), nog nooit van haar gehoord. Is zelf-organisatie een curiosum, waar we ook zonder kunnen?

Die vraag vereist een lang antwoord. Maar in ieder geval is het goed om ons te realiseren dat markt en overheid zeer recente verschijnselen zijn in de mensheidsgeschiedenis. Bij benadering zo'n 95 procent van de tijd dat wij mensen bestaan, hebben we ons samenleven geregeld door middel van niets anders dan zelf-organisatie. Sterker: zonder die zelf-organisatie en onze vermogens daartoe hadden onze verre voorouders het zeer waarschijnlijk niet overleefd. En waren wij er dus niet geweest. Althans niet zoals wij nu zijn.

Dat wij nu markt en overheid vanzelfsprekend vinden, ligt er eenvoudig gezegd aan dat wij nu niet meer ons voedsel en andere benodigdheden verzamelen, maar het produceren. Sinds de agrarische revolutie, zo'n 10.000 jaar geleden, maken we gebruik van nieuwe coördinatiemechanismen. Maar kunnen we daarmee het mechanisme van de zelf-organisatie achter ons laten? Als een curiosum uit het verleden?

In volgende berichten het lange antwoord.

maandag 9 juli 2012

De eurocrisis als voorbeeld van falende zelf-organisatie

Zoals ik in dit bericht van begin november vorig jaar meldde, was de eurocrisis al voorspeld. Namelijk door Vitor Gaspar en Garry Schinasi in een paper dat ze in april 2010 presenteerden tijdens een door de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie georganiseerde conferentie. Ze baseerden zich op de voorwaarden voor zelf-organisatie zoals Elinor Ostrom op basis van haar onderzoek ontwikkelde. Zie mijn bericht over Ostrom en over haar voorwaarden. (Nog eerder was hij trouwens al voorspeld door Paul de Grauwe.)

De eurozone is zo opgezet dat alle beslissingen (behalve die van de ECB) door overleg tussen de landen tot stand moeten komen. Die opzet vraagt dus om zelf-organisatie. Er is niet een centrale instantie aangewezen met beslissingsbevoegdheid. Wat we nu al twee jaar zien gebeuren, is dat de eurozone als zelf-organisatie faalt. De eurocrisis duurt maar voort, met nu al veel economische ellende als gevolg en met waarschijnlijk nog meer in het verschiet. Volgens Gaspar en Schinasi was dat ook te verwachten, omdat er niet is voldaan aan de voorwaarden dat er, zeker in tijdnood, gemakkelijk gecommuniceerd kan worden en dat iedereen over dezelfde informatie beschikt. Besluiten komen dus moeizaam en te laat of helemaal niet tot stand. Precies wat we nu zien.

Maar er kan ook nog een andere voorwaarde voor succesvolle zelf-organisatie in het geding zijn. Ik moest daaraan denken toen ik vandaag dit commentaar van Mark Schieritz las (zie de link onderaan dit bericht). Schieritz maakt zich boos op de Duitse economen rond Hans-Werner Sinn, over wie ik eerder schreef (zie hier en hier), die die er vooral voor beducht zijn dat Duitsland moet betalen voor de "zonden" van de probleemlanden. We zien niet, schrijven ze, hoe het misbruik van de fondsen en de garanties verhinderd kan worden. De probleemlanden hebben getalsmatig de meerderheid en zullen zich dus tegoed doen aan die fondsen.

Schieritz reageert daarop met:
Als men werkelijk gelooft dat het er in Europa alleen nog om gaat hoe de ene de andere een streek kan leveren, en inhoudelijke overwegingen überhaupt geen rol meer spelen, dan moeten we het met de euro maar voor gezien houden. Maar dat moet men dan ook zeggen. (...)
Als ik in elke politieke kwestie bij de andere lidstaten een maximale criminele inzet veronderstel (...) dan geloof ik inderdaad dat de integratie niet zal functioneren. Zonder een zekere fundamentele wil tot samenwerking kun je staten niet tot een bond verenigen. Het zal nooit lukken om regels te formuleren die alle eventualiteiten afdekken.
En dat slaat precies op de voorwaarde van Ostrom dat er in een succesvolle zelf-organisatie het vertrouwen in elkaar aanwezig moet zijn dat de regels meestal gevolgd worden. Anders gezegd, dat iedereen van goede wil is en dat daar van uit mag worden gegaan. Of nog anders gezegd, dat iedereen van zichzelf voldoende pro-sociaal is ten opzichte van de andere leden. (Zie de zesde voorwaarde in het tweede rijtje in dit bericht.)

Je moet de Duitse regering nageven dat ze, bij monde van Schäuble, de minister van financiën, sterk afwijzend gereageerd heeft op het manifest van Hans-Werner Sinn en zijn medestanders. Maar het treurige is dat ik sterk de indruk heb dat onze Mark Rutte en onze Jan-Kees de Jager, die voortdurend betogen dat "de druk op de probleemlanden hoog moet worden gehouden", met Hans-Werner Sinn geheel op een lijn zitten. In de Haagse euro-politiek regeert het wantrouwen. (Is dat niet ooit begonnen met Gerrit Zalm?) En als dat zo is, vergeet het dan maar met die zelf-organisatie. En met de euro.

Die Wutökonomen winden sich « Herdentrieb:

'via Blog this'

donderdag 14 juni 2012

Elinor Ostrom Reading List - NYTimes.com

Elinor Ostrom Reading List - NYTimes.com:

'via Blog this'

Groen van onderop - Elinor Ostrom | Project Syndicate

Een groenere en duurzame economie komt door internationale afspraken alleen niet tot stand. Maar gelukkig gebeurt er al veel goeds op het lokale niveau. Dat is nog lang niet voldoende, maar het is wel bemoedigend. Zie de link hieronder voor dit betoog dat Elinor Ostrom nog kort voor haar overlijden moet hebben geschreven.

"Green from the Grassroots" by Elinor Ostrom | Project Syndicate:

'via Blog this'

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (8): de voorwaarden voor zelf-organisatie (Elinor Ostrom)

Elinor Ostrom (zie hier) heeft het grootste deel van haar leven gewijd aan de intensieve bestudering van concrete voorbeelden van succesvolle zelf-organisatie. Dan ging het bijvoorbeeld om boeren die weidegronden beheren of landbouwgronden irrigeren en om vissers die visgronden beheren. In alle gevallen gaat het om het in onderling overleg en zonder centraal gezag gebruiken en in stand houden van natuurlijke hulpbronnen. Dat is uiterst belangrijk onderzoek, alleen al omdat we met zijn allen, ik bedoel, de hele wereldbevolking, voor de uitdaging staan om de aarde als natuurlijke hulpbron niet alleen te gebruiken, maar er ook voor te zorgen dat we die niet zo uitputten dat het (menselijk) leven bedreigd wordt. Voorlopig moeten we die uitdaging het hoofd bieden zonder de aanwezigheid van een centraal gezag, een wereldregering. En voorlopig wijst alles er op dat we de uitdaging niet aankunnen.

Wat heeft die intensieve bestudering aan inzichten opgeleverd? Is er een lijstje uit voortgekomen van de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om tot succesvolle zelf-organisatie te komen? Ja, er zijn zelfs twee van die lijstjes. In haar boek Governing the Commons uit 1990 geeft Ostrom een lijst van acht ontwerpprincipes voor zelf-organisatie. Diezelfde lijst keert terug in dit document uit 1999. En een tweede lijst vind je in dit artikel uit 1994, zij het dat de daarin opgesomde zeven voorwaarden speciaal gelden voor boeren die een irrigatiesysteem beheren. Nog afgezien van het verschil in aantal, zijn de genoemde voorwaarden niet identiek. Voorzover ik weet, heeft nog niemand de moeite genomen om ze in elkaar te schuiven en er één overzichtelijke en beredeneerde opsomming van te maken. Ik ga dat proberen, maar geef ter informatie eerste de twee lijsten van Ostrom zelf.

Dit is de lijst, in mijn woorden, die oorspronkelijk in Governing the Commons is opgenomen:
  1. Er moet duidelijkheid bestaan over welke personen aan de zelf-organisatie deelnemen en over de grenzen van de hulpbron die beheerd wordt.
  2. De regels over de benutting en de verdeling van de hulpbron moeten goed zijn toegesneden op de lokale condities en op de regels over de bijdragen die iedereen moet leveren.
  3. De meeste deelnemers die met de regels te maken hebben, kunnen deelnemen aan het veranderen van de regels.
  4. De controleurs, die toezicht houden op de hulpbron en op het benutten er van, moeten verantwoording afleggen aan de deelnemers en/of moeten die deelnemers zelf zijn.
  5. De kans moet aanzienlijk zijn dat deelnemers die regels overtreden gesanctioneerd worden door andere deelnemers of door vertegenwoordigers, met oplopende zwaarte van de sanctie, afhankelijk van de ernst en de context van de overtreding.
  6. De deelnemers en hun vertegenwoordigers hebben gemakkelijk toegang tot lokale platforms voor het beslechten van conflicten tussen deelnemers of tussen deelnemers en hun vertegenwoordigers.
  7. De rechten van de deelnemers om hun eigen instituties te bedenken worden niet bedreigd door externe gezagsdragers (de overheid).
  8. Grotere systemen van zelf-organisatie moeten een in elkaar genestelde structuur hebben, zodat regels altijd op lokale condities kunnen zijn toegesneden.
En de lijst uit het artikel uit 1994, over de voorwaarden voor zelf-organisatie van een irrigatiesysteem, zijn de volgende:
  1. De boeren moeten voldoende zekerheid hebben over het eigendom van hun grond, zodat ze verwachten ook in de toekomst van de zelf-organisatie te kunnen profiteren.
  2. Het moet gemakkelijk zijn om regelmatig met elkaar te communiceren op een face-to-face basis.
  3. Er moet een gedeeld besef zijn dat iedere deelnemer meer profijt heeft van de zelf-organisatie dan dat hij er kosten voor moet maken.
  4. Er moet een gedeeld besef zijn dat ze naleving van hun eigen regels van dag tot dag moeten afdwingen, zonder dat een extern gezag kan interveniëren.
  5. Er moet een gedeeld besef zijn dat het geheel van regels, indien naleving wordt afgedwongen, voldoende is om tegenwicht te bieden aan egoïstische, korte-termijn prikkels.
  6. Er moet een gedeeld besef zijn dat elke deelnemer een principiële bereidheid heeft om de regels na te leven en om eventuele overtredingen te sanctioneren.
  7. Er moet het vertrouwen zijn dat de meeste deelnemers in feite in de meeste gevallen de regels naleven, zodat de tijd en inspanning die besteed moeten worden aan controle en sanctionering niet te groot worden.
In volgende berichten mijn poging om tot een overzichtelijke en beredeneerde opsomming te komen. En over wat we daar dan van kunnen leren over de mogelijkheden om in onze maatschappij zelf-organisatie tot stand te brengen en te bevorderen.

dinsdag 12 juni 2012

Elinor Ostrom overleden

Elinor Ostrom is vandaag overleden. Ze was zonder  twijfel de grootste onderzoeker op het gebied van de voorwaarden voor spontane, decentrale organisatie (zelf-organisatie). In 2009 won ze de Nobelprijs voor economie. Zie hier voor een mooie eerste reactie.
Ik had haar naam in dit blog nog maar een keer genoemd. Dat was in dit bericht over de oorsprong van de eurocrisis en dat die crisis was voorspeld. En dat die voorspelling mede berustte op de resultaten van haar onderzoek.

Update. Vanochtend ook dit stuk in de New York Times.

vrijdag 4 november 2011

De eurocrisis was voorspeld

Na wat zoeken naar aanleiding van het IMF-paper van Schinasi en Teixeira (zie dit bericht), kwam ik terecht bij het paper Financial Stability and Policy Cooperation van Gaspar en Schinasi. Het werd gepresenteerd op een door de ECB en de Europese Commissie georganiseerde conferentie (12 april 2010).

Het verbazende is dat  de auteurs hier heel precies en uitgebreid uitleggen dat een crisissituatie zoals we nu hebben, kan ontstaan en dat de voorwaarden voor effectief optreden niet aanwezig zijn. Ze baseren zich op de speltheorie en op de inzichten van Elinor Ostrom over de voorwaarden voor succesvolle decentrale organisatie. Ik citeer uit hun conclusies:
We argued that, under current rules, the situation is not far from a noncooperative Nash solution (dat is kort gezegd een toestand die we niet willen.- HdV.) Once authorities have to face the challenge of rescuing financial organizations in the context of a systemic event, conditions are not conducive to the spontaneous emergence of effective cooperative solutions (kort gezegd, toestanden die we wel willen - HdV). In particular, ex post authorities are under tremendous time pressure - leading to very high bargaining and communications costs - having conflicting goals - for example concerning sharing the financial costs and risks - and will be reluctant to share information. Once a crisis is in full swing, authorities no longer have feasible efficient solutions to choose from. The way forward is to have ex ante an institutional framework in which solutions can be quickly developed and implemented without the bias for national solutions to dominate European ones. Such an institutional framework would help in reaching international cooperative outcomes and help to contain many varieties of moral hazard.
To quote Duisenberg (...): "a situation should be reached in which the group of European supervisors works collectively, as a single supervisor, when needed."
De leden van de Europese Centrale Bank en van de Europese Commissie kunnen niet zeggen dat ze niet gewaarschuwd zijn. Ik neem aan dat ze daar aanwezig waren, op die door hen georganiseerde conferentie op 12 april van vorig jaar, waar dit paper gepresenteerd werd. Maar die "weg vooruit", waar de auteurs voor pleiten, hebben ze dus niet ingeslagen. Of hebben ze niet kunnen inslaan omdat de Europese regeringsleiders daar nog niet aan toe waren. En die waren daar nog niet aan toe, tja, omdat de kiezers daar nog niet aan toe waren?

Maar wie vertelt het de kiezers?

Terzijde: in zekere zin heeft Duisenberg ook een vooruitziende blik gehad. Maar of hij daar ook echt iets mee gedaan heeft?
Update. Zie nu ook Winkler over de lessen van de geschiedenis die de Europese regeringsleiders niet kenden of die ze in de wind sloegen.