Posts tonen met het label agressie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label agressie. Alle posts tonen

woensdag 13 maart 2024

Waar ligt het moment dat het kwaad moet worden tegemoetgetreden? - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 19

De opening van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam doet ons terugdenken aan het verleden, aan de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland, maar is evenzeer een oproep om de actualiteit van het huidige rechts-extremisme onder ogen te zien. Hier het vorige bericht. Zoals je op de website van het museum kunt lezen:

Hier komen bezoekers te weten hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren, wie de slachtoffers en verantwoordelijken waren en hoe we kunnen voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. (...)

In het Nationaal Holocaustmuseum herdenk je de slachtoffers en bespreek je de gevolgen van onverschilligheid en discriminatie, toen en nu.

Een antwoord op de vraag hoe het kon dat Nederlanders het lieten gebeuren dat driekwart van hun Joodse landgenoten werden afgevoerd en vermoord, is niet alleen van historisch, maar ook van groot actueel belang. En het is een bijzonder geval van de fundamentele sociaalwetenschappelijke vraag naar de voorwaarden waaronder de extreme uitingsvormen van het statuscompetitiepatroon, het kwaad, in een samenleving ruim baan krijgen.

Wat die laatste vraag betreft, zagen we al hoe het natuurlijke tegenwicht tegen het kwaad van dat statuscompetitiepatroon, het gemeenschapspatroon, kan falen als het kwaad in kleine stapjes wordt toegediend. Er kan dan namelijk een switch plaatsvinden naar de activering van het statuscompetitiepatroon. Want hoe meer mensen dat patroon in hun omgeving waarnemen, hoe groter de kans dat ook hun eigen gedrag erdoor geleid gaat worden. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Het beeld van een onveilige wereld wordt dan overgenomen. Waardoor je ook gaat geloven dat er vijanden zijn (de Joden, de vreemdelingen, de linkse intellectuelen) die moeten worden bestreden. Of waardoor je in je schulp kruipt en probeert om het er door die "immobilisatie" nog zo goed mogelijk van af te brengen. In het eerste geval wordt je een meeloper of een collaborateur. En in het tweede geval maak je je kwetsbaar voor de beschuldiging van de onverschilligheid, van het wegkijken.

En we zagen dat mensen zich er zolang hun gemeenschapspatroon geactiveerd is, maar moeilijk het kwaad van dat statuscompetitiepatroon kunnen voorstellen. We kunnen aan ons beeld van een veilige wereld zo lang mogelijk willen vasthouden en daardoor het kwaad laten voortwoekeren tot het te laat is.

Er zijn dus verschillende wegen waarlangs het "gemeenschapsverzet" tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon niet tot stand komt. Terwijl dat verzet soms zo hoog nodig is.

Daarmee zijn we aangekomen bij het onderscheid dat Richard Wrangham in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution maakt tussen reactieve en proactieve agressie. 

Reactieve agressie is de agressie die voortkomt uit het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Je gaat er vanuit dat het in de wereld draait om ieder-voor-zich en dat je dus altijd op je hoede moet zijn en geen gelegenheid voorbij moet laten gaan om te laten zien hoe sterk en krachtig jij bent. Alles is al snel een aanleiding om je te laten gelden en anderen op hun nummer te zetten. Het is de vorm van agressie die je bij vrijwel alle dieren tegenkomt, omdat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal zo wijd verbreid is. Wrangham noemt het the "hot" type of aggression. Hot in de zin van direct voortkomend uit de emoties van het onveilige wereldbeeld van het statuscompetitiepatroon. 

Daarentegen heeft zich in de menselijke evolutie ook het vermogen tot proactieve agressie ontwikkeld. En dan gaat het precies over dat gemeenschapsverzet tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon. Die proactieve agressie heeft het mogelijk gemaakt dat de mensheid zichzelf heeft "gedomesticeerd".  Dat wil zeggen, zich tot een soort heeft ontwikkeld die in grote mate staat is tot onderlinge goedaardigheid, dus tot gemeenschapsgedrag. 

Maar daarvoor was nodig dat mensen in dat verzet, dus het verzet tegen degenen die de baas willen spelen en willen onderdrukken en overheersen, en met dat oogmerk reactief agressief zijn, onderling samenwerkten. En precies dat is waar onze vroege voorouders, de jager-verzamelaars, toe in staat waren. Ze wisten door collectief optreden, voorafgegaan door onderling overleg, eerst zachtzinnig, zoals door overreding en sociale uitsluiting, maar zo nodig met "proactieve agressie", overheersingsgedrag te onderdrukken. Wrangham geeft daar fraaie beschrijvingen van, deels op basis van onderzoek door Christopher Boehm (Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame). Die proactieve agressie is "cold", planned and deliberate.

Dat het gemeenschapsverzet in die jager-verzamelaars samenlevingen vaak succesvol was, komt doordat het statuscompetitiegedrag meestal maar bij een enkel groepslid voorkwam, snel werd opgemerkt en er daardoor snel op kon worden gereageerd. Dat is een groot verschil met huidige samenlevingen, waarin immers statuscompetitiegedrag en de bijbehorende agressie zich gemakkelijk kan uitbreiden. Zoals wanneer een vijandelijk leger met kwaadaardige bedoelingen je land binnenvalt. Of zoals wanneer kwaadaardig rechts-extremisme zich weet uit te breiden. 

Wat bepaalt dan de kans dat gemeenschapsverzet zal ontstaan en succesvol is? In plaats van die switch naar het statuscompetitiepatroon of van dat in je schulp kruipen? Hier het vervolg.

donderdag 24 februari 2022

Over de kwaadaardige gewelddadigheid die wezenlijk hoort bij statuscompetitiegedrag - en dus over Poetins inval in Oekraïne

Mensen zijn zowel de meest goedaardige als de meest gewelddadige diersoort op aarde. Laten we daar bij stilstaan op de dag dat de dictatuur Rusland, met een kwaadaardige dwaas aan de macht, zijn democratische buur Oekraïne met veel militair geweld binnenvalt.

Die menselijke gewelddadigheid kennen we in twee soorten, die je kunt onderscheiden op de basis van de Dual Mode-theorie. Volgens die theorie liggen er bij mensen in hun onderlinge gedrag twee aan elkaar tegengestelde gedragspatronen klaar om uitgevoerd te worden: gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Gemeenschapsgedrag, elkaar bijstaan en samenwerken ten behoeve van het gezamenlijke welzijn, wordt getriggerd als de sociale omgeving veilig is, dus als anderen dat gemeenschapsgedrag vertonen. Statuscompetitiegedrag, gedrag tussen vijanden in de strijd om status en om de voordelen die aan een hoge status verbonden zijn, wordt getriggerd door sociale onveiligheid. Dus door het statuscompetitiegedrag van anderen.

Typisch menselijk is het gebruik van geweld om het gezamenlijke gemeenschapsgedrag, en de gezamenlijke voordelen daarvan, te verdedigen tegen de pogingen om te overheersen en te onderwerpen. Pogingen die voortkomen uit statuscompetitiegedrag. Samenwerken betekent ook altijd iets opofferen ten behoeve van anderen of van het gezamenlijke welzijn. Doordat mensen verschillen in de geneigdheid tot gemeenschapsgedrag dan wel statuscompetitiegedrag, kunnen er ook als de meesten aan de samenwerking deelnemen, sommigen zijn die zichzelf meer rechten willen toe eigenen dan anderen en dus een hogere status claimen. Anders gezegd: die het statuscompetitiepatroon introduceren.

Als dat statuscompetitiegedrag aanhoudt en de samenwerking dreigt te verstoren, dan moet er iets tegen gedaan worden. Het inzicht dat dat nodig is, is voor de overleving, en het succes, van de mensheid cruciaal geweest. Want samenwerking en het elkaar bijstaan was voor verreweg het grootste deel van het bestaan van de mensheid noodzakelijk. Jager-verzamelaars konden alleen door samenwerking en delen overleven. En dus door zich te verdedigen tegen pogingen tot overheersing en onderwerping.

Die verdediging kon, als dat nodig bleek te zijn, ook met gewelddadigheid gepaard gaan. Richard Wrangham geeft een exposé van alle aanwijzingen dat dat zo was, en dat het noodzakelijk was, in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution. Zie Richard Wrangham over agressie en de evolutionaire achtergrond van de duale menselijke sociale natuur. En eerder was er al Christopher Boehm met een gelijkluidend betoog: Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

Dat is de eerste, typisch menselijke, soort gewelddadigheid, het gebruik van geweld om de gemeenschap, en de gezamenlijke voordelen daarvan, te verdedigen tegen pogingen tot statuscompetitiegedrag. Zonder die vorm van gewelddadigheid had de menselijke soort niet kunnen bestaan. Daarvoor was nodig dat dat evolutionair oudere statuscompetitiepatroon, kenmerkend voor reptielen en de meeste zoogdieren, voldoende werd onderdrukt. 

Je zou deze soort gewelddadigheid de goedaardige vorm kunnen noemen. Goedaardig in de zin dat hij niet voortkomt uit een innerlijke drijfveer om geweld te gebruiken. De daad op zich verschaft geen genoegen. Vandaar dat jager-verzamelaars ook lang aarzelden alvorens er toe over te gaan. Eerst werd geprobeerd om met onschuldiger middelen iemand tot ander gedrag te bewegen, door sociale afkeuring, roddel, ridiculiseren of sociale uitsluiting. Maar als die boodschap niet overkwam, dan werd tot fysiek geweld besloten. Wrangham maakt aannemelijk dat zulks vaak genoeg gebeurde om een selectieproces in werking te stellen dat de mensheid, in een proces van zelfdomesticatie, goedaardiger te maken. Degenen met een grotere aanleg tot statuscompetitiegedrag hadden een verminderde overlevings- en voortplantingskans. Zie ook Homo sapiens heeft zichzelf, groepsgewijs, gedomesticeerd - maar niet voorgoed. 

Maar daarnaast is er ook de gewelddadigheid die wezenlijk hoort bij het statuscompetitiegedrag. En die is wel degelijk kwaadaardig. In de zin dat het gebruik van geweld eng verbonden is met de strijd om status. Want een hoge status betekent het overheersen en domineren van anderen. En als iemand handelt volgens dat "klaar liggende" statuscompetitiepatroon, dan is dat overheersen van anderen het einddoel, het doel dat op zich genoegen verschaft. En het summum van overheersing is iemand met gebruik van geweld te onderdrukken.

Typisch menselijk daaraan is dat het geweld extreme vormen kan aannemen. Zoals nu met de militaire invasie van Oekraïne door Poetin. Waar niet meer een rationeel doel aan valt te onderkennen. Er is de obsessie met onderdrukking, onderwerping en vernietiging. In die obsessieve geestesgesteldheid is democratie een bedreiging. En moet de democratie in een buurland, die voor de eigen bevolking een aantrekkelijk voorbeeld zou kunnen zijn, vernietigd worden. Met extreem geweld. Om te onderdrukken en te onderwerpen. In een woord: statuscompetitie!

Anne Applebaum daarover, drie weken geleden:

He (Putin) wants to destabilize Ukraine, frighten Ukraine. He wants Ukrainian democracy to fail. He wants the Ukrainian economy to collapse. He wants foreign investors to flee. He wants his neighbors—in Belarus, Kazakhstan, even Poland and Hungary—to doubt whether democracy will ever be viable, in the longer term, in their countries too. Farther abroad, he wants to put so much strain on Western and democratic institutions, especially the European Union and NATO, that they break up. He wants to keep dictators in power wherever he can, in Syria, Venezuela, and Iran. He wants to undermine America, to shrink American influence, to remove the power of the democracy rhetoric that so many people in his part of the world still associate with America. He wants America itself to fail.

donderdag 18 november 2021

We zijn nu in de ontwikkeling van het hedendaagse rechts-extremisme in een fase aanbeland van intimidatie en bedreiging. En dus moeten we het hebben over de lessen uit het verleden.

De toename van bestaansonzekerheid, die door de neoliberale politiek van de afgelopen veertig jaar bewust werd nagestreefd, heeft met een welhaast ijzeren wetmatigheid het rechts-extremisme voortgebracht. Als je de sociale zekerheid en de publieke voorzieningen afbreekt, door deregulering van de arbeidsmarkt de baanonzekerheid en armoede onder werkenden vergroot, de volkshuisvesting inlevert voor een "woningmarkt" en de zorg aan de markt uitlevert, kortom het iedereen-telt-mee inlevert voor het ieder-voor-zich, dan duw je mensen in onzekere en onveilige leefomstandigheden. 

En gevoelens van onveiligheid maken mensen ontvankelijk voor het rechts-extremistische en dus statuscompetitieve wereldbeeld, waarin vijandbeelden worden aangewakkerd en waarin anderen horen te worden geïntimideerd en onderdrukt en uiteindelijk, als tegenkrachten ontbreken, fysiek worden geëlimineerd. Het fundamentele menselijk streven naar veiligheid kan in een onveilige wereld zeer kwaadaardige vormen aannemen.

We zijn nu in de ontwikkeling van het hedendaagse rechts-extremisme in een fase aanbeland van intimidatie en bedreiging. In ons land intimideerde een Tweede Kamerlid van het rechts-extremistische Forum voor Democratie een collega van een andere partij ("Uw tijd komt nog wel, er komen tribunalen."). De voorzitter had het Kamerlid kunnen schorsen, maar deed dat niet.

In de Verenigde Staten zette een rechts-extremistisch lid van de Republikeinse fractie in het Huis van Afgevaardigden een filmpje op Twitter met een animatie waarin hij zijn Democratische collega Alexandria Ocasio-Cortez om het leven bracht en president Biden met zwaarden bedreigde. Gisteren werd een motie van de Democraten, met steun van slechts twee Republikeinen, aangenomen waarin zijn gedrag werd afgekeurd en waarin hem zijn commissielidmaatschappen werden ontnomen.

En in Nederland waarschuwde Pieter-Jaap Aalbersberg, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), voor opkomend rechts-terrorisme onder jongeren. Er zijn jongeren die het "accelerationisme" aanhangen. Dat is

een beweging op de verborgen delen van het internet, waarbij mensen elkaar wereldwijd ontmoeten. De aanhangers verheerlijken en rechtvaardigen terroristisch geweld om versneld een rassenoorlog te ontketenen. Zij willen chaos creëren. Ze willen de zittende leiding overnemen, en ik noem het maar even een blanke, etnische staat realiseren. Dus de klassieke patronen van nationaal-socialistisch denken. (RTL Nieuws, 26 oktober)

We zijn kortom in een tijd terechtgekomen waarin we de lessen van de recente geschiedenis ter harte zouden moeten nemen. 

Vandaar dat ik op dit blog, waarmee ik in 2011 begon, een flink aantal berichten heb gewijd aan de opkomst van het nationaalsocialisme in het Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw, die uitliep op het Hitler-bewind, de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. En waarin ik stilstond bij de lessen die daaruit zijn te leren. Dat zijn in totaal 32 berichten achter het label Hitler-bewind, waarvan het eerste verscheen op 20 september 2011 en het laatste op 5 juni 2021. Volg de link.

dinsdag 27 april 2021

Met een statuscompetitief wereldbeeld vind je dat anderen horen te worden onderdrukt, door hen burgerrechten te onthouden of door middel van fysiek geweld - Twee nieuwe studies

Bericht voor degenen die dit blog via email abonnement volgen (Follow by email): als ik het goed begrijp wordt deze mogelijkheid in juli opgeheven. Ik kan daar helaas niets aan veranderen. Probeer een andere manier te vinden om dit blog te blijven volgen.

Twee nieuwe studies vergroten ons inzicht in de gevolgen van het omarmen van een statuscompetitief wereldbeeld.

We zagen eerder dat je dat statuscompetitieve wereldbeeld in het sociaalwetenschappelijk onderzoek in twee varianten tegenkomt, de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) en het Right-Wing Authoritarianism (RWA). 

Als je hoog scoort op de SDO, dan ben je gefascineerd door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is van groepen en door de innerlijke behoefte om jezelf en je groepsgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien. Je bent het dan opvallend veel eens met uitspraken als: Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen, Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere en Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen.

Met een hoge RWA-score gaat het om het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld. Je RWA-score is hoger als je het meer eens bent met uitspraken als: Our country desperately needs a mighty leader who will do what has to be done to destroy the radical new ways and sinfulness that are ruining us, The only way our country can get through the crisis ahead is to get back to our traditional values, put some tough leaders in power, and silence the troublemakers spreading bad ideas en It is always better to trust the judgement of the proper authorities in government and religion than to listen to the noisy rabble-rousers in our society who are trying to create doubt in people's minds.

In beide constructen tref je het beeld aan van een vijandige wereld, waarin de eigen groep wordt bedreigd door anderen en waarin de eigen groep, of de sterke leider, moet zorgen voor verdediging tegen bedreigingen en het onder de duim houden van vijanden.

Het is bekend dat het aanhangen van een statuscompetitief wereldbeeld stressverhogend is, slecht is voor je gezondheid en je levensduur verkort. Ook hangt het samen met een grotere kans op het stemmen op een rechtsextremistische partij. Toch komt het onder mensen (veel) voor, als een reactie op of aanpassing aan een echt of vermeend vijandige wereld. Als het in een groep of samenleving overheerst, dan heerst er een statuscompetitie-evenwicht. En we kennen de aanwijzingen dat mensen beter af zouden zijn als ze zich zouden bevinden in het gemeenschapsevenwicht, waarin mensen elkaar bijstaan en dus elkaar vertrouwen.

Omdat we in een tijd leven waarin de strijd tussen het statuscompetitiewereldbeeld en het gemeenschapswereldbeeld opvallend manifest is, is er ook in het sociaalwetenschappelijk onderzoek veel aandacht voor de gevolgen van het ene dan wel het andere wereldbeeld. Neem nu die twee nieuwe studies.

In de studie What reduces support for civil liberties: Authoritarianism, national identity, and perceived threat gaat het over het verband tussen RWA en de houding tegenover burgerrechten. Het is maar een klein onderzoekje, uitgevoerd in Tsjechië met een online vragenlijst. Er komt kort samengevat uit dat mensen die meer dat RWA-wereldbeeld aanhangen, meer bedreigingen menen waar te nemen (minderheden die misbruik maken van sociale voorzieningen en het Tsjechische culturele leven bedreigen) en daardoor minder moeite hebben met het maken van inbreuk op burgerrechten (zoals door etnisch profileren). Anders gezegd, door een statuscompetitief wereldbeeld verdwijnt de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen telt mee, dus van gelijke rechten, uit zicht.

De andere studie (Supporting social hierarchy is associated with White police officers’ use of force) werd uitgevoerd in de Verenigde Staten laat voor witte politieagenten van drie steden zien dat het hoger scoren op de SDO gepaard gaat met het vaker gebruiken van fysiek geweld in interacties met burgers. Hoe meer je de wereld ziet als vijandig, hoe meer je op je hoede bent en hoe meer je van je machtspositie gebruik maakt om de ander te bedwingen. 

Met een statuscompetitief wereldbeeld vind je dat anderen horen te worden onderdrukt, door hen burgerrechten te onthouden of door middel van fysiek geweld.

donderdag 28 januari 2021

Een grote gerichtheid op statuscompetitie gecombineerd met een lage positie in de statushiërarchie leidt tot een agressieve en destructieve mindset

De onderzoekers van de nieuwe studie The “Need for Chaos” and Motivations to Share Hostile Political Rumors laten zien dat mensen die sterk op statuscompetitie en overheersing gericht zijn, maar zelf een marginale positie innemen, een behoefte aan chaos en destructie kunnen ontwikkelen. Dat uit zich in het onderschrijven en delen van vijandige geruchten en politieke samenzweringstheorieën op internet. Met de bedoeling om "het systeem" of "het establishment" omver te gooien. Niet uit idealisme, maar omdat de gevestigde orde hen niet het respect geeft wat ze vinden dat hen toekomt.

Dat is een ultrakorte samenvatting van de resultaten van 8 studies die in de Verenigde Staten werden uitgevoerd. Dit is een iets uitgebreidere samenvatting van de onderzoekers zelf;

An element of the US public indiscriminately shares hostile political rumors because they want to tear down the established system. Among this element, the normal partisan logic of sharing hostile political rumors does not apply. We show that these individuals are motivated by an underlying characteristic adaptation, which we call Need for Chaos, that emerges from the interplay between dominance oriented traits and marginalized states (Studies 6-7). We find that Need for Chaos is associated with support for political violence (Studies 1-2), anger towards elites and people of all political allegiances 56 (Study 5), dissatisfaction with the political system, and a craving for personal status (Study 8). These individuals are not idealists seeking to tear down the established order so that they can build a better society for everyone. Rather, they indiscriminately share hostile political rumors as a way to unleash chaos and mobilize individuals against the established order that fails to accord them the respect that they feel they deserve.  

Dit sluit aan bij eerder onderzoek dat laat zien hoe de combinatie van een grote gerichtheid op statuscompetitie, zoals een hoge score op de Sociale Dominantie Oriëntatie), en een lage positie in de statushiërarchie tot agressie en een destructieve mindset kunnen leiden. Denk aan onderzoek waaruit blijkt dat narcisten die met sociale afwijzing geconfronteerd worden, daarop veel agressiever reageren dan niet-narcisten. Er is een samenhang tussen narcisme en die Sociale Dominantie oriëntatie. Zie de studie “Isn’t It Fun to Get the Respect That We’re Going to Deserve?” Narcissism, Social Rejection, and Aggression.

Dit soort onderzoek wijst ons weer eens op de grote nadelen van een maatschappij met een grote mate van statuscompetitie. En we weten dat statuscompetitie wordt uitgelokt door toenemende ongelijkheid. Grote ongelijkheid werkt uiteindelijk chaos, agressie en destructie in de hand. 

Reden waarom een maatschappij die meer het gemeenschapsevenwicht benadert, en dus met minder ongelijkheid, verre valt te prefereren.

vrijdag 1 februari 2019

Richard Wrangham over agressie en de evolutionaire achtergrond van de duale menselijke sociale natuur

Update. Zie Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor de met Stelling 3 uitgebreide versie van de Dual Mode-theorie.

Wat ik ooit, bij gebrek aan een bestaande benaming, de Dual Mode-theorie ben gaan noemen, kun je met de volgende twee stellingen samenvatten:

Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Dat "ooit" slaat op INTERACTIEVE EFFECTEN VAN SOCIALE ASPIRATIES, GEDRAG EN OMGEVING OP DE KANS OM GEZOND OUDER TE WORDEN uit 2004. Zie ook de berichten op dit blog achter het label Dual Mode-theorie, zoals:
Uiteraard zou het voor het toetsen van deze theorie nodig zijn om precieze voorspellingen af te leiden en die in een passende onderzoeksopzet met de werkelijkheid te confronteren. Maar bij gebreke daaraan kun je al wel nagaan hoe plausibel de theorie is door te kijken welke onderzoeksresultaten er zoal mee overeenkomen. De berichten achter het label Dual Mode-theorie geven enig inzicht daarin.

Het nieuwe boek van Richard Wrangham, The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution, valt op te vatten als een onderbouwing van Stelling 1. In het bijzonder als een inventarisatie van alle aanwijzingen voor een evolutionair verleden van de mensheid met die twee aan elkaar tegengestelde gedragspatronen als uitkomst.

Ik heb het boek nog maar een paar dagen in huis en zal er nog wel vaker op terugkomen. Maar om de gedachten te bepalen sta ik nu even stil bij het inleidende hoofdstuk (Virtue and Violence in Human Evolution).


Wrangham haalt daar de al eeuwenoude discussie aan tussen enerzijds aanhangers van de overtuiging dat de mens van nature goed is (Rousseau) en anderzijds de aanhangers van de overtuiging dat de mens van nature slecht is (Hobbes). Een discussie die maar niet kan worden beslecht.


En dat ligt eraan dat beide partijen het gelijk aan hun zijde hebben. Wrangham (p.6):

I believe that there is an escape from this morass about the fundamental nature of humans. Rather than needing to prove that either side is wrong, we should ask whether the debate makes sense at all. Babies point us in the right direction: the Rousseau and Hobbes perspectives were both right as far as they went. We are naturally good in the way that Rousseau is said to have claimed, and we are naturally selfish, much as Hobbes argued. The potential for good and evil occurs in every individual. Our biology determines the contradictionary aspects of our personalities, and society modifies both tendencies. Our goodness can be intensified or corrupted, just as our selfishness can be exaggerated or reduced.
Wrangham schreef eerder, samen met Dale Peterson, het boek Demonic Males. Apes and the Origins of Human Violence, in het Nederands vertaald als Agressieve mannetjes. Over mensapen en de oorsprong van geweld bij de mens (1996). Sinds dat boek is hij tot het inzicht gekomen dat agressie in twee vormen voorkomt: reactieve agressie, bestaande uit nijdige reacties op provocaties (hot), en proactieve agressie, het geplande en weloverwogen geweld om iemand uit te schakelen (cold).

En het unieke van de menselijke evolutie is dat wij erop geselecteerd zijn om weinig reactief agressief te zijn, door een proces van zelf-domesticatie, en tegelijk sterk proactief agressief. Die proactieve agressie maakte het mogelijk dat jagers-verzamelaars, ook met geweld, optraden tegen de reactieve agressievelingen die meer voor zichzelf opeisten dan anderen en anderen wilden overheersen. Anders gezegd, de proactieve agressie zorgde ervoor dat het statuscompetitieve Alfamannetjesgedrag werd onderdrukt. In voorkomende gevallen ook door het samen voorbereide en weloverwogen om het leven brengen van iemand.

En precies dat was dat proces van zelfdomesticatie. Het proces van natuurlijke selectie zorgde ervoor dat de neiging tot reactieve agressie minder in de populatie voorkwam. Waardoor het gemeenschapsgedrag, en de morele gemeenschapsintuïties, konden bloeien. En zo werden we een relatief tolerante, goedaardige apensoort met een verminderde geneigdheid tot reactieve agressie.

Het is wat ironisch: een bepaalde vorm van agressie, de proactieve variant, zorgde ervoor dat onze neiging tot goedaardigheid en gemeenschap werd versterkt. Denk in dat verband ook aan ons vermogen om wapens te gebruiken (stokken, stenen, speren), dat dienstbaar was aan het onderdrukken van de statuscompetitie en daarmee aan de egalitaire gemeenschap van samenwerken en delen. Zie het bericht De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens.

Ik lees verder in The Goodness Paradox. En heb later ongetwijfeld meer te melden.

dinsdag 15 november 2016

Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag

Mensen zitten zo in elkaar dat ze zowel in staat zijn tot gemeenschapsgedrag (pro-sociaal gedrag) als tot statuscompetitiegedrag. En te verwachten valt dat ze meer voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen, hoe meer ze dat gedrag in hun omgeving waarnemen (Dual Mode-theorie).

Nu is er naast de "echte" omgeving ook de kunstmatige omgeving waar mensen zich in begeven als ze videogames spelen. De vraag is dan of het competitie-element in zulke videogames er ook toe leidt dat mensen die daar veel tijd aan besteden, competitiever worden.

Eerder onderzoek wijst er op dat dat inderdaad zo is. We zagen dat het veel spelen van competitieve videogames adolescenten agressiever maakt. Zie het bericht Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

Dezelfde onderzoekers komen nu in een nieuwe studie (The Longitudinal Association Between Competitive Video Game Play and Aggression Among Adolescents and Young Adults) tot hetzelfde resultaat.

Ze volgden een groep van jongvolwassenen en een groep van adolescenten gedurende vier jaar, waarbij ze hen jaarlijks ondervroegen. Het blijkt dan dat de mate van fysiek en verbaal agressief gedrag in het vierde jaar, uiteraard, sterk voorspeld wordt door de mate van agressief gedrag in de voorgaande jaren. Maar tegelijk is er een, geringere, maar significante invloed van hoeveel tijd er in die voorgaande jaren is besteed aan het spelen van competitieve videogames. Waarbij het overigens geen verschil maakt of die games gewelddadig zijn of niet. Het gaat om het competitie-element.

Bovendien laten de onderzoekers zien dat er een tussenliggende factor is, namelijk de mate van agressieve gevoelens. Die werden gemeten met een verkorte versie van de Buss en Perry Aggression Questionnaire, waarvan je hier de volledige versie kunt bekijken. Het gaat om uitspraken als "Soms voel ik me een vaatje buskruit dat op het punt staat te ontploffen" en "Ik vraag me af waarom ik me soms zo woedend voel over dingen", waarvan je moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn.

Mensen zijn tegelijk de meest zachtaardige en de meest kwaadaardige diersoort op aarde. Het is dus van groot belang om die zachtaardige kant zoveel mogelijk te versterken en die kwaadaardige kant zoveel mogelijk de kop in te drukken.

Maar het bestaan en de bloei van die bedrijfstak van competitieve videogames (en van competitieve televisieprogramma's) wijst er op dat we ons daar met zijn allen niet voldoende van bewust zijn.

maandag 7 december 2015

Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever

Er is al veel bekend over de negatieve effecten van veel televisiekijken op gezondheid en gedrag. Zie hier mijn laatste bericht daarover: Televisiekijken is (ook) ongezond vanwege dat waar we naar kijken.

De nieuwe studie Effects of Viewing Relational Aggression on Television on Aggressive Behavior in Adolescents: A Three-Year Longitudinal Study (betaalpoort) voegt daaraan toe dat het veel naar programma's kijken met een hoge dichtheid van sociale agressie adolescenten in het werkelijke leven sociaal agressiever maakt. De onderzoekers volgden ruim 450 adolescenten drie jaar lang en konden laten zien dat de mate van blootstelling aan sociale agressie op televisie samenhangt met een verhoogde mate van sociale agressie in het werkelijke leven een jaar later. Het omgekeerde verband blijkt er niet te zijn: degenen die in het werkelijke leven sociaal agressiever zijn, gaan er niet toe over om meer sociaal agressieve televisieprogramma's te kijken.

Sociale agressie werd in het onderzoek omschreven als een vals en vaak verborgen soort agressie die de relaties of vriendschappen van anderen schaadt. Met als voorbeelden: roddelen, geruchten verspreiden, achterklap, relaties verstoren, anderen uitsluiten, vuile blikken, valse berichten sturen en iemands vrienden "stelen". Uiteraard valt pesten ook onder sociale agressie.

De onderzoekers ondervroegen adolescenten drie maal naar hun favoriete televisieprogramma's, steeds met een tussenpoos van een jaar. Beoordelaars deelden de programma's in naar hoeveel sociale agressie er in voor komt. Bovendien gaven de adolescenten aan hoe vaak ze zelf sociaal agressief waren. Het blijkt toen dat degenen die in een jaar veel keken naar programma's met veel sociale agressie in het volgende jaar zelf ook sociaal agressiever waren, ook als je rekening houdt met hun sociale agressie een jaar terug. Dat wijst op een oorzakelijke invloed van blootstelling aan sociale agressie op televisie.

De onderzoekers wijzen er op dat dit een ondersteuning is van het General Aggression Model, dat inhoudt dat het zien van agressie het gebruik er van aanvaardbaarder maakt. Dat komt weer overeen met de gedachte van de Dual-Mode theorie dat mensen kunnen "kiezen" uit statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag en dat ze zich daarbij laten leiden door hoeveel ze van deze gedragingen in hun omgeving waarnemen. En dat sociale agressie typisch statuscompetitiegedrag is, dat is wel duidelijk.

Die Dual-Mode theorie komt in verschillende berichten op dit blog ter sprake, maar wordt in dit bericht uitgelegd.

Ik bedacht me dat er vaak niet bij stilgestaan wordt dat er kennelijk in televisieprogramma's meer agressie (sociaal of fysiek) voorkomt dan mensen in hun eigen leven meemaken. Dat zou er aan kunnen liggen dat we alleen naar televisie kijken, of vooral blijven kijken, zo lang we door de inhoud ervan bezig gehouden worden. Als kijken ons niet genoeg fascineert, gaan we iets anders doen. Of schakelen we over naar een andere zender.

En het is nu eenmaal zo dat het zien van agressie veel mensen fascineert. Misschien alleen al omdat het opvallend is en de aandacht trekt. Dus helpt om de verveling en de alledaagsheid te doorbreken, die natuurlijk al gauw toeslaan zodra we op de bank gaan zitten.

En omdat alles om de kijkcijfers draait ("massa is kassa"), is er de programmamakers dus veel aan gelegen om genoeg agressie op het beeldscherm te brengen.

Hoe dit perverse mechanisme te doorbreken? Meer regulering van televisieprogramma's? Televisiezenders minder afhankelijk maken van kijkcijfers en dus van reclame inkomsten? Er valt nogal wat voor te zeggen om het televisiekijken minder aantrekkelijk te maken. Alles wijst er op dat we er nog altijd meer tijd aan besteden dan goed voor ons is.

Maar dat zal nog wel heel wat voeten in de aarde hebben. Voorlopig zouden we onze adolescenten er toe moeten zien te krijgen om minder op de bank te gaan zitten.

Tenslotte: het zou goed kunnen dat adolescenten tegenwoordig meer gamen dan televisiekijken. Zie voor gamen en agressie de berichten Gewelddadige videogames spelen verhoogt agressiviteit (nieuw onderzoek) en Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

dinsdag 1 december 2015

Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten

Dat onze kinderen en adolescenten vooral onder leeftijdsgenoten opgroeien, zijn we normaal gaan vinden. Maar het is historisch gezien uitzonderlijk.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten.

vrijdag 23 januari 2015

Door lokale blootstelling aan ongelijkheid meer antisociaal gedrag van jongens

We weten al dat de inkomensongelijkheid van een land negatieve gevolgen heeft voor de bevolking. Denk aan het onderzoek van Richard Wilkinson, waar ik hier aandacht aan besteedde. Een van die gevolgen is dat ongelijkheid statuscompetitief gedrag aanwakkert en daarmee de kans op antisociaal gedrag en geweldscriminaliteit vergroot. Zie hoofdstuk 10 (Violence: gaining respect) van The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better van Wilkinson en Kate Pickett.

Er is nu nieuw onderzoek dat ons leert dat ditzelfde verschijnsel zich voordoet op lokaal niveau. Uit de studie Living alongside more affluent neighbors predicts greater involvement in antisocial behavior among low-income boys (betaalpoort) blijkt dat de kans op antisociaal gedrag van jongens toeneemt, hoe meer die jongens in hun buurt aan ongelijkheid blootstaan.

Neem de Figuur hieronder, waarin het gaat om jongens uit gezinnen met een laag inkomen. Op de horizontale as zijn vier soorten buurten onderscheiden. Te beginnen aan de rechterkant met een buurt met heel veel arme gezinnen (75-100%). Naar links toe neemt het aantal arme gezinnen af en het aantal niet-arme gezinnen dus toe. Een jongen uit een arm gezin kan dus te midden van andere arme gezinnen wonen (rechts) of te midden van niet-arme gezinnen (links).Hoe meer naar links, hoe meer die jongen uit dat arme gezin aan ongelijkheid wordt blootgesteld.



Op de verticale as staat de mate van antisociaal gedrag van jongens uit arme gezinnen afgebeeld. In deze figuur gaat het om jongens van 5 jaar, maar het beeld verandert niet als die jongens 7, 10 of 12 jaar oud zijn. We zien dat de staafjes naar links toe hoger worden. Jongens uit gezinnen die in armoede leven, gedragen zich antisocialer als ze omgeven worden door niet-arme (rijkere) gezinnen dan wanneer ze in een arme buurt wonen.

We zien dus dat het voor de kans op antisociaal gedrag van jongens uit arme gezinnen uitmaakt met hoeveel ongelijkheid ze in aanraking komen. Als ze in hun dagelijks leven vooral armoede zien en dus weinig merken van ongelijkheid, gedragen ze zich minder antisociaal dan wanneer ze rijkdom om zich heen zien.

Maar hoe zit dat dan met niet-arme jongeren? Voor hen geldt in feite hetzelfde. Als ze in een niet-arme buurt wonen, gedragen ze zich weinig antisociaal. Maar hoe meer ze in hun buurt met armoede in aanraking komen, en dus met ongelijkheid, hoe meer antisociaal gedrag. Ook zij worden door meer ongelijkheid geprikkeld tot meer statuscompetitief gedrag.

Dat antisociale gedrag werd vastgesteld door de moeder en een leraar er over te ondervragen. Dat gebeurde met vragen over delinquent en agressief gedrag uit de Aschenbach Checklist, een veel gebruikt en gevalideerd instrument. In de statistische analyses werd gecontroleerd voor kenmerken van de buurt, zoals de collectieve zelfredzaamheid, en een eventuele geschiedenis van antisociaal gedrag van de ouders.

Wat moet je hieruit nu concluderen? De onderzoekers neigen er toe om te suggereren dat het dus geen goed idee is om buurten te creëren waarin inkomens sterk variëren. Maar liever geen gemengde wijken, want dat leidt maar tot meer antisociaal gedrag.

Maar dat is wel een heel cynische conclusie, omdat je daarmee de inkomensongelijkheid nog zou bevorderen. Zie Meer inkomensongelijkheid en meer inkomenssegregatie, Rijken bij de rijken en armen bij de armen: inkomenssegregatie in de V.S. En in Nederland? en Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Nee, ook dit onderzoek is weer een ondersteuning voor een politiek gericht op een meer gelijke en dus meer ontspannen en solidaire maatschappij. Op alle niveau's, tussen landen en binnen landen en dus ook op het lokale niveau.

vrijdag 23 mei 2014

Door leeftijdssegregatie grotere kans om met geweld in aanraking te komen

We hebben onze maatschappij zo ingericht dat onze jongeren niet alleen op school, maar ook in hun vrije tijd veel in aanwezigheid van uitsluitend leeftijdsgenoten verkeren. Door die sterke leeftijdssegregatie is de peer group het centrale element geworden van de sociale omgeving waarin wij onze kinderen laten opgroeien.

De grote nadelen daarvan voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen zijn bekend of zouden dat moeten zijn.

Zo lokken zulke groepen van leeftijdsgenoten gemakkelijk statuscompetitie uit, wat bevorderlijk is voor pesten. En de schadelijke gevolgen van pesten en gepest worden zijn zo langzamerhand bekend. (Zie nu het boek Alles over pesten van Mieke van Stigt, bij de presentatie waarvan ik deze week aanwezig was en waar ik nog een keer op terug kom.)

Ook is bekend dat het veel uitsluitend verkeren in groepen van leeftijdsgenoten de kans op crimineel gedrag verhoogt. Dat kan het gevolg zijn van het veel blootgesteld zijn aan statuscompetitie, waardoor het vertonen van stoer gedrag aantrekkelijker wordt. En door de afwezigheid van volwassenen die een oogje in het zeil houden, zal dat gedrag dan ook eerder optreden.

Maar nu weten we bovendien dat jongeren die vaker uitsluitend in elkaars gezelschap verkeren, ook vaker getuige zijn van geweldsincidenten. De studie Incorporating Unstructured Socializing Into the Study of Secondary Exposure to Community Violence. Etiological and Empirical Implications (betaalpoort) laat zien dat jongeren in Chicago die meer vrije tijd alleen met elkaar doorbrachten, ook vaker getuige waren van een of meer van de volgende gebeurtenissen:
  • iemand wordt geduwd, geslagen of geschopt
  • iemand wordt met een wapen aangevallen
  • iemand wordt gewond werd in een ernstig ongeluk
  • iemand wordt achtervolgd met de intentie om te verwonden
  • iemand wordt bedreigd
  • iemand wordt gedood
  • het klinken van een geweerschot
Bovendien kunnen de onderzoekers laten zien dat het bekende gegeven dat jongens meer in aanraking komen met geweld dan meisjes volledig verklaard wordt door die tijd die ze uitsluitend in elkaars gezelschap doorbrengen. Als we er in zouden slagen om die leeftijdssegregatie op te heffen, dan zou dat verschil tussen jongens en meisjes geheel wegvallen. Dat zegt nogal iets over wat die leeftijdssegregatie teweegbrengt.

Opgroeien in een sociale omgeving met veel geweld heeft grote negatieve gevolgen. Het vertelt kinderen en jongeren hoe de wereld in elkaar zit. Het maakt dat ze een leven tegemoet gaan waarin ze op hun hoede zijn en geneigd tot opportunisme en wantrouwen. Zie nog eens Pubers en levensloopstrategie: het positieve en het negatieve ontwikkelingstraject en Mannen zijn opportunistischer als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid. Nog afgezien van de negatieve gezondheidseffecten.

Kortom, laten we eens iets doen aan die grote mate van leeftijdssegregatie. Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen.

vrijdag 19 april 2013

Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief

Er is nu uitsluitsel over de vraag of het de gewelddadige inhoud van video games is die agressief maakt of het competitieve element in zulke games. In de pas verschenen studie Demolishing the Competition: The Longitudinal Link Between Competitive Video Games, Competitive Gambling, and Aggression (betaalpoort) laten onderzoekers zien dat het competitieve element de boosdoener is. Als competitie ontbreekt en er wel geweld in het spel is, dan maakt het spelen van zulke games adolescenten niet agressiever. En andersom wel. Ook blijkt dat competitief gokken, wat niet gewelddadig is, agressief maakt.

Eerder onderzoek wees al in dezelfde richting. Ik stond daar in dit bericht bij stil.

Het is een belangrijke bevinding, omdat hij wijst op de gevaren van het op jonge leeftijd veel met competitie in aanraking te komen. We zijn geneigd die gevaren te onderschatten en eerder bang te zijn voor de gevolgen van het zien en meemaken van geweld. Geweld roept meteen emoties op en lijkt dus veel "gevaarlijker" dan competitie. Maar het blijkt dus dat geweld op zich niet gewelddadig maakt. Het is de competitie, het element van overwinnen of verliezen, dat agressief gedrag triggert. En niet alleen op korte termijn, zoals uit dit onderzoek blijkt.

Dat we de gevaren van statuscompetitie onderschatten, blijkt er natuurlijk ook uit dat wij onze kinderen zo extreem naar leeftijd gesegregeerd laten opgroeien. Het omgaan met leeftijdgenootjes bevordert  statuscompetitie en creëert zo agressief gedrag. Kinderen hebben gewelddadigheid in zich, maar die aanleg is "bedoeld" om je in competitieve situaties te kunnen handhaven. Hoe minder die situaties zich voordoen, hoe minder die aanleg naar buiten komt. En hoe meer de aanleg tot vreedzaamheid en pro-sociaal gedrag kan bloeien. Merkwaardig dat wij dan kunstmatig door die leeftijdssegregatie die competitieve situaties tot stand brengen. En ons dan vervolgens beklagen over agressieve en pesterige jeugd. Leeftijdssegregatie is slecht voor kinderen.

woensdag 20 februari 2013

Meer aanwijzingen voor negatieve gevolgen van televisiekijken op jonge leeftijd

Ik ben nog van de generaties die meemaakten dat het eerste televisietoestel het huis werd binnengedragen. Sterker: ik was al het huis uit toen mijn ouders een toestel aanschaften. En op mijn studentenkamer had ik alleen een radio.

Kortom, de televisie is er ongeveer een halve eeuw. Voor opgroeiende kinderen is de aanwezigheid van televisie de gewoonste zaak van de wereld. Wat maakt het voor kinderen uit dat er een toestel in huis is? Eerder maakte ik er melding van dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de verspreiding van televisie heeft bijgedragen aan de toename van autisme. Onderzoekers keken naar leeftijdscohorten in provincies van Californië en Pennsylvania die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Dat laatste gebeurde in verschillende provincies op verschillende tijdstippen. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.

Waarschijnlijk heeft de introductie van het televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme vergroot bij kinderen die al meer dan gemiddeld aanleg voor autisme hadden (gen-omgevingsinteractie). En dat zou er aan kunnen liggen dat het meer televisiekijken in de plaats komt van sociale interactie. Voor de ontwikkeling van hun sociale vaardigheden hebben kinderen een intensief "bad in de sociale wereld" nodig. Dat hebben ze tegenwoordig so wie so al minder dan in tijden dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd waren en kinderen meer leeftijdsgemengd opgroeiden. Maar als kinderen dan bovendien nog veel tijd doorbrengen voor het scherm, dan wordt dat bad wel een heel klein teiltje. Nu is er wel veel sociale inhoud op de televisie (je ziet vooral pratende hoofden), maar dat kan natuurlijk geen vervanging zijn voor echte sociale interactie waaraan een kind actief deelneemt en daartoe voortdurend wordt uitgenodigd.

Er is nu nieuw onderzoek (pdf) dat wijst op andere negatieve effecten van op jonge leeftijd veel televisiekijken. Onderzoekers in Nieuw-Zeeland volgden ruim 1000 kinderen die in 1972-1973 waren geboren tot dat ze 26 jaar waren. Het blijkt dan dat kinderen die tussen hun vijfde en hun vijftiende levensjaar meer televisie hadden gekeken een grotere kans hadden om op jongvolwassen leeftijd veroordeeld te zijn voor (gewelds)criminaliteit, om een diagnose te hebben gekregen voor antisociale persoonlijkheidsstoornis en om agressieve persoonlijkheidstrekken te hebben. Daarbij werd gecontroleerd voor o.a. intelligentie, sociaal-economische status, ouderlijk toezicht en antisociaal gedrag op jongere leeftijd. Dat laatste is er een aanwijzing voor dat het televisiekijken ook inderdaad een oorzakelijk verband heeft met die problemen op jongvolwassen leeftijd.

Ook hier kan hebben meegespeeld dat het televisiekijken ten koste ging van de leerschool van de echte sociale interactie. Maar het kan daarnaast ook nog zo zijn dat kinderen op televisie meer antisociaal en agressief gedrag te zien kregen dan dat ze hadden meegemaakt als ze gewoon buiten hadden gespeeld.

Overigens heeft veel televisiekijken ook op volwassen leeftijd negatieve gevolgen. Zie mijn berichten over televisiekijken.

zondag 16 december 2012

Kanaries in een kolenmijn. Waar staat de toename van massale schietpartijen voor? - Peter Turchin

Massale schietpartijen (mass shootings) staan misschien ergens voor. Of beter gezegd: de toename er van staat ergens voor. Peter Turchin vergelijkt ze met kanaries die mijnwerkers de mijn mee innamen om zo gewaarschuwd te worden voor giftige gassen in nog lage concentraties. Zie zijn blog van vandaag (link onderaan dit bericht), dat een voortzetting is van zijn bericht van gisteren. En hij kondigt voor morgen een vervolg aan.

rampagesIs er zo'n toename? Ja, die is er in de Verenigde Staten. Kijk maar naar deze ontwikkeling in de grafiek die ik  van hem overneem. Iemand zou de moeite moeten nemen om ook voor Europa zo'n dataset te maken, met de schietpartij van Anders Breivik in Oslo als meest recente geval.

Dat deze incidenten wel eens kanaries zouden kunnen zijn, hangt er volgens Turchin mee samen dat het niet gaat om aanvallen op individuen of verzamelingen individuen, maar via hen om aanvallen op instituties: scholen, bedrijven, supermarkten, politieke partijen (dat laatste in het geval van Anders Breivik). Het lijkt te gaan om ongearticuleerde agressie tegen onpersoonlijke, maatschappelijke "krachten" die frustratie opwekken. Waarschijnlijk bij heel veel mensen. En bij enkelingen zoveel dat ze in dit soort vreselijke daden zoiets als een "oplossing" zien.

Peter Turchin heeft denk ik gelijk: het is heel belangrijk, en urgent, om hier (ook) met een sociaalwetenschappelijke blik naar te kijken. Meer dan tot nu toe gebruikelijk is. Belangrijk om te blijven volgen.
Canaries in a Coal Mine II. “We too are asking why” « Social Evolution Forum:

'via Blog this'

donderdag 17 mei 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (3): Leeftijdsmenging op school bevordert pro-sociaal gedrag

Onze kinderen groeien sterk naar leeftijd gesegregeerd op. Buiten het eigen gezin komen ze vrijwel alleen in aanraking met andere kinderen van dezelfde leeftijd, in de kinderopvang, op school en in de vrije tijd. En dat wijkt sterk af van het coöperatief groot brengen van kinderen dat tot voor kort zo kenmerkend was voor mensen in vergelijking met andere primaten. Die manier van opgroeien, waarbij kinderen veel met oudere (en later met jongere) kinderen en met andere volwassenen dan de eigen ouders in aanraking komen, bevordert de sociale en morele ontwikkeling en het pro-sociale gedrag. Zie dit bericht over het coöperatieve groot brengen en dit bericht over de negatieve gevolgen van leeftijdssegregatie.

In dat laatste bericht noemde ik al bestaande pogingen om leeftijdsmenging te bevorderen: de maatjesprojecten en de speelmiddagen die oudere kinderen in sommige buurten voor jongere kinderen organiseren. Maar is het ook niet mogelijk om juist op scholen, waar we extreme leeftijdssegregatie op een of andere manier "normaal" zijn gaan vinden, meer aan leeftijdsmenging te doen?

Ja, dat is mogelijk. En het wordt ook al wel gedaan. Een tijd terug kreeg ik dit artikel uit 1999 onder ogen, waarin verslag wordt gedaan van een Amerikaans onderzoek waarin kinderen worden vergeleken die leeftijdsgesegregeerd en kinderen die leeftijdsgemengd onderwijs kregen. Voorafgaand aan de verdeling over deze twee soorten onderwijs waren er geen verschillen in gedrag tussen de twee groepen. Het blijkt dan dat de kinderen die naar leeftijd gemengd waren, zich pro-socialer gedroegen, meer vriendschapsgedrag vertoonden en minder agressief waren. Ook als gecontroleerd werd voor bijvoorbeeld klassengrootte. Toen na twee jaar alle kinderen weer naar leeftijd gescheiden werden, bleven de verschillen in pro-sociaal en agressief gedrag bestaan. Het gedurende twee jaar in een leeftijdsgemengde klas doorbrengen, lijkt dus al  te "vormen".

Daarbij moet worden aangetekend dat het leeftijdsgemengde onderwijs uit meer bestond dan dat de kinderen een klaslokaal deelden. Het onderwijs was er ook op gericht om interactie tussen jongere en oudere kinderen tot stand te brengen, doordat oudere kinderen de jongere hielpen en ondersteunden en er gewerkt werd in gemengde groepen. Want:
Sociale competentie wordt voor oudere kinderen bevorderd door het instrueren van en zorgen voor jongere kinderen. En voor jongere kinderen door de mogelijkheid om het gedrag van hun oudere klasgenoten te observeren en na te doen.
 Moeten we dit in Nederland niet ook meer gaan doen? Mijn indruk is dat er behoefte aan bestaat. En sommige scholen proberen al wel iets. Zo worden op de school van mijn kleindochters, die ik een keer in de week van school haal, oudere leerlingen als mentor aan jongere leerlingen gekoppeld.
Update. Op Jenaplanscholen zijn leerlingen in stamgroepen ingedeeld, die naar leeftijd gemengd zijn.

zaterdag 28 januari 2012

Lessen uit de nationale statushiërarchie van het Hitler-bewind

De rede van Marcel Reich-Ranicki in de Bondsdag brengt me op de vraag wat we moeten leren van de totstandkoming en het catastrofale aan de macht blijven van het Hitler-bewind. In mijn vorige bericht hierover, van 15 december van vorig jaar, kwam ik na lezing van Kershaw en Haffner tot de volgende conclusie:
Samengevat: hoe komt een narcistische mislukkeling, waarvan er zo veel zijn, aan de top van een nationale statushiërarchie te staan? Door dat volstrekte geloof in zichzelf goed te kunnen uitdragen, door beledigingen en door vervoering, door de duidelijke zwakte van de bestaande machthebbers, door een intimidatie-apparaat op te bouwen dat angst en vrees aanjaagt én door duidelijke prestaties te leveren. (Dat laatste en die zwakte van anderen hangen natuurlijk samen.)
Toen ik dat schreef, had ik natuurlijk mijn gedachten over allerlei narcisten waarmee je als je de media volgt geconfronteerd wordt. En ik stelde mezelf er mee gerust dat verreweg de meeste van die narcisten weliswaar gevaarlijk zijn voor degenen in hun persoonlijke omgeving, maar niet een publiek gevaar vormen.

Voor een publiek gevaar is er meer nodig. Een obsessie over de verderfelijkheid van een bevolkingsgroep, zoals de Joden of de Islam of de Roma of de buitenlanders. Het vermogen en de lust om enerzijds de tegenstanders te beledigen en de eigen aanhang te vervoeren (en die twee lijken helaas samen te hangen). En niet het minst: agressie. En dan niet alleen de persoonlijke agressie, die nog niet veel meer hoeft te zijn dan de routine van het beledigen, maar die ook een agressieve aanhang weet te kweken. Hitler was als persoon alleen verbaal agressief, maar dat was voldoende om gewelddadige en moordlustige types aan te trekken. En met die agressieve aanhang is er het intimidatie-apparaat. Als daar dan een duidelijke zwakheid van de overige politieke leiders bijkomt, in een tijd van grote economische onzekerheid, ja, dan mag je wel van een publiek gevaar spreken.

Als je nu volgt wat er zich in de media zoal afspeelt, dan kom je alle onderdelen van dit lijstje wel tegen, maar gelukkig nog niet allemaal tegelijk op een plek.

De Jobbik-partij in Hongarije is obsessief nationalistisch en is bezig een intimidatie-apparaat op te bouwen. Google maar eens afbeeldingen met "Hungarian guard". (Mijn gevoel van goede smaak verbiedt mij om een foto daarvan in dit bericht op te nemen.)

In Duitsland was er de Zwickauer Terrorzelle, drie jonge rechtsextremisten die niet alleen bankovervallen pleegden, maar ook acht Turkse en een Griekse winkelier doodschoten. De Duitse justitie onderzoekt nog de contacten van deze groep met andere sympathiserende groeperingen, zoals de NPD. Zie dit dossier van Der Spiegel voor meer informatie. Geen opwekkende lectuur. Hier zien we de combinatie van obsessief nationalisme en gewelddadigheid.

En dan was er in Noorwegen Anders Breivik, die vorig jaar in Oslo een bomaanslag pleegde en later op de dag in het zomerkamp van de jeugdafdeling van de sociaaldemocratische Noorse Arbeiderspartij om zich heen begon te schieten. Uit alles wat we nu van hem weten is dat hij in ieder geval de bekende obsessies had, met de Islam en links als verderfelijke vijanden. Hij was geïnspireerd door "onze" Geert Wilders. De gerechtspsychiaters hebben hem geestesziek en ontoerekeningsvatbaar verklaard, maar er komt een nieuw onderzoek. Waarschijnlijk lijdt hij aan een Narcistische Persoonlijkheidsstoornis, waar Hitler volgens Kershaw waarschijnlijk ook aan leed.

En in Nederland hebben we de obsessie van de verderfelijke Islam, de verbale agressie en de lust tot beledigen van Geert Wilders. Dat trekt types aan die ook graag verbaal agressief zijn en beledigen. Maar voor de rest valt het nog mee.

In alle gevallen hebben we wel de grote economische onzekerheid en de zwakte van de meeste huidige leiders. We zullen zien wat het wordt.

Begin vorig jaar schreef Ian Kershaw deze beschouwing over de mogelijke gevaren van het intolerante, obsessieve rechtsextremisme in Europa. Hij is aan de optimistische kant. Maar is wel bezorgd over wat er zou  kunnen gebeuren als de economische onzekerheid zou voortduren en toenemen of als Islamitische terroristen grote aanslagen zouden plegen. Dat laatste: gelukkig niet. (Update. Helaas kunnen we dat, nu 2015 op zijn einde loopt, niet meer zeggen.) Maar die economische onzekerheid, die is lijkt me alleen maar toegenomen. Zwakke leiders...

woensdag 4 januari 2012

Is de mensheid vreedzamer geworden? Vervolg

Zoals ik in dit bericht aankondigde, zou ik het boek The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined van Steven Pinker doorbladeren als het in de boekhandel zou liggen. Pinker verdedigt in dat boek zijn stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Er is volgens hem nu minder geweld dan in de agrarische maatschappijen van voor de Industriële Revolutie.

Daar vind ik wel wat in zitten. Maar volgens Pinker was er in die agrarische maatschappijen weer minder geweld dan in de jagers-verzamelaars maatschappijen die daaraan vooraf gingen. En dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk, zoals ik in dat vorige bericht uiteenzette. Dat maakte me wat wantrouwend over dat boek (terwijl ik eerdere boeken van Pinker heel goed vond). Dat wantrouwen werd versterkt door de bespreking van Timothy Snyder (zie onderaan het vorige bericht).

Hoe dan ook, ik was vandaag in Atheneum Boekhandel aan het Spui in Amsterdam en heb daar het boek doorgebladerd, ook de Nederlandse vertaling, die wel heel snel gemaakt is. Dat was een heel karwei, dat doorbladeren bedoel ik, want het is een dik boek. Het moedigde mij niet aan om het te kopen, hoewel er heel interessante passages in voorkomen.

Wat me echter meteen opviel toen ik de lijst met geraadpleegde literatuur doorkeek, was dat de drie naar mijn opinie onmisbare boeken als je je over de mate van geweld of vreedzaamheid van jagers-verzamelaars maatschappijen wilt informeren, in die lijst niet voorkomen.

Ik noemde die boeken in mijn vorige bericht. Ter herinnering: het gaat om Hierarchy in the Forest van Christopher Boehm, Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry en Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Human Understanding Van Sarah Blaffer Hrdy.

Ik vind dat heel vreemd. Het bevestigt de indruk van Timothy Snyder dat Pinker weliswaar uitbundig onderzoek van anderen citeert, maar meer als voetnoten bij zijn eigen al vaststaande oordelen dan als een kritische toetsing van die oordelen.

donderdag 29 december 2011

Is de mensheid vreedzamer geworden? Steven Pinker

Timothy Snyder bespreekt het nieuwe boek van Steven Pinker, getiteld The Better Angels of Our Nature. Why Violence Has Declined. Zie het bericht hieronder.

Ik was enthousiast over Pinkers eerste boek, The Language Instinct (1994). Prachtig boek, alleen al om de beschrijving en weerlegging van het Social Science Standard Model, dat zo heeft huisgehouden in de sociale wetenschappen en dat het bestaan van een menselijke natuur als "biologisch" afwees. Later werkte hij die kritiek uit in The Blank Slate (2002), dat ik ook met veel plezier las. Daartussen in schreef hij How The Mind Works (1997), waar ik niet doorheen kwam.

Nu is er dus dit nieuwe boek. Hij verdedigt daar de stelling dat het geweld in de loop van de mensheidsgeschiedenis alleen maar is afgenomen. Volgens deze bespreking van Snyder zijn er volgens Pinker twee fundamentele overgangen geweest:
from the anarchy of hunting and gathering societies to the controlled violence of early states and then from a "culture of honor" associated with these states to a "culture of dignity" characteristic of the better moments of modernity.
Die tweede transitie kan goed kloppen. Agrarische maatschappijen waren sterk als statushiërarchieën georganiseerd en om die tot stand te brengen en in stand te houden was veel geweld en onderdrukking nodig. Met de industrialisering nam de onderhandelingsmacht van de factor arbeid toe, waardoor de ongelijkheid afnam. Als onderdeel daarvan kregen we algemeen kiesrecht en democratie. En democratie is een middel om conflicten anders op te lossen dan door gebruik van geweld. (Of de democratie levensvatbaar blijft, vroeg ik me hier af.)

Maar dat Pinker gelooft dat jagers-verzamelaarsmaatschappijen nog gewelddadiger waren dan agrarische maatschappijen is verbazingwekkend. Er zijn veel aanwijzingen dat jagers-verzamelaars goed in staat waren om de menselijke neiging tot statuscompetitie collectief te onderdrukken. Daardoor konden ze gemeenschappen vormen op basis van onderlinge samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen. Er kwam wel geweld voor, maar vooral gericht tegen degenen die anderen wilden overheersen en vooral op hun eigen belang uit waren. En dat geweld werd pas dan gebruikt als mildere, sociale sancties (uitsluiting, negéren, ridiculisering) niet hielpen.

Tussen gemeenschappen konden conflicten bestaan, maar die leiden zelden tot "oorlogen". Want in plaats van een conflict uit te vechten, wat in de natuur so wie so weinig gebeurt, kon je altijd met je medestanders vertrekken en ergens anders je geluk zoeken. En dat gebeurde ook op grote schaal, want het is al in dit jagers-verzamelaars tijdperk geweest dat onze verre voorouders zich over de hele aardbol verspreidden. Vanuit waarschijnlijk Oostelijk Afrika via Eurazië naar Australië en het Amerikaanse continent. Dat grote succes van die coöperatieve leefwijze is moeilijk te rijmen met de gedachte dat dit de meest gewelddadige periode was in de mensheidsgeschiedenis.

Goede bronnen voor dit inzicht zijn het werk van Christopher Boehm (Hierarchy in the Forest. The Evolution of Egalitarian Behavior), van Douglas P. Fry (Beyond War. The Human Potential For Peace) en van Sarah Blaffer Hrdy, die ik al eerder noemde (o.a. Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding).

Hoe komt Pinker dan tot zijn stelling? Ik zou het boek moeten lezen, maar de tijd is beperkt. Ik ga nu even af op Snyder:
Pinker's first target is the tendency to romanticize the distant past. Since he believes that people fantasize about a peaceful prehistory, he deliberately over­emphasizes its violence, dwelling at length on the bloodiest passages of the Old Testament. His cheerful admission of this writerly tactic presages not only the friendly tone of the entire book but also one of its shortcomings. Although Pinker writes as a scientist, his approach in this book is discursive rather than deductive, charmingly but not quite persuasively advancing his ex cathedra views about life in general. The research of others, although abundantly and generously cited, too often seems to footnote Pinker's own prior assumptions.
Dat wekt geen vertrouwen. Lees ook wat Snyder later in zijn bespreking zegt over hoe Pinker omgaat met het probleem van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw. Eerst zegt hij dat het "bad luck" was om twee van zulke conflicten vlak na elkaar te hebben. Dat komt niet sterk over. En hij claimt dat één individu, Adolf Hitler, toch vooral verantwoordelijk was. Als die er niet geweest was, ja, dan was de twintigste eeuw veel minder gewelddadig geweest. Tja, dat is wel een heel onwaarschijnlijke claim. Zie hierover ook mijn laatste bericht over de statushiërarchie van het Hitler-bewind.

Ik ben dus wat wantrouwend over Pinkers nieuwe boek. Als het in de boekhandel ligt, ga ik er eens door heen bladeren.
War No More | Foreign Affairs:

'via Blog this'

dinsdag 22 november 2011

Dankbaarheid verhoogt welzijn. Waarom zijn we dan vaak ondankbaar?

John Tierney geeft een mooi overzicht van het onderzoek naar de gunstige effecten van dankbaarheid. Zie het bericht hieronder. Door een houding van dankbaarheid te cultiveren voor wat je hebt en voor wat anderen voor je doen, verbeter je je gezondheid, slaap je beter, heb je minder last van angststoornissen en depressie, ben je tevredener met je leven en ben je aardiger voor anderen. Ook reageer je minder agressief op provocaties.

Dat weten we omdat onderzoekers op verschillende manieren bij proefpersonen gevoelens van dankbaarheid teweeg brachten. Bijvoorbeeld door hen te instrueren om een "dankbaarheidsdagboek" bij te houden, waarin ze op gezette tijden iets opschreven waarvoor ze dankbaar waren. Een aardige geste van iemand, iets wat ze hadden geleerd, een mooie zonsondergang, wat niet al. Of door hen een brief te laten schrijven aan iemand die hun leven ten goede had veranderd en die aan die persoon te laten voorlezen en overhandigen. Of door te arrangeren dat ze door iemand geholpen werden. De effecten daarvan konden dan worden vergeleken met een controlegroep die andere instructies hadden gekregen of die niet waren geholpen.

Toen ik hier bij stilstond, nam ik me voor om vaker dankbaar te zijn. Maar ook vroeg ik me af hoe het komt dat wij onderzoekers nodig hebben die ons er toe aanzetten om dankbaar te zijn. Waarom zijn we niet vanuit onszelf vaker dankbaar? Wat houdt ons tegen? Of waarom komen we niet op het idee?

Het heeft denk ik te maken met onze sterke sociale beïnvloedbaarheid. Dat werkt zoals altijd twee kanten op. Die onderzoekers zijn succesvol in staat om onze houding van dankbaarheid te vergroten. Maar in ons dagelijks leven staan we ook bloot aan sterke invloeden die de andere kant op werken. Ik denk natuurlijk aan de invloed van reclame en van televisieprogramma's over succesvolle beroemdheden, die veel meer bereikt hebben dan dat ons gelukt is. Al die boodschappen zijn bepaald niet bedoeld om onze dankbaarheid te vergroten. Integendeel, ze maken ons ontevreden en jaloers. En dat moet ook, want ondankbare mensen consumeren meer dan dankbare. Onze ondankbaarheid is goed voor "de economie". En ondankbare mensen  hebben meer interesse in beroemdheden en die beroemdheden leven van onze aandacht. 

Je kunt hier dus twee lessen uit trekken:

1. Wees vaker dankbaar.

2. Dat is gemakkelijker om te doen als je je minder blootstelt aan reclame en aan narcistische beroemdheden. Dus kijk minder televisie en kijk selectiever.

A Serving of Gratitude Brings Healthy Dividends - NYTimes.com:

'via Blog this'

vrijdag 18 november 2011

In cultuur van statuscompetitie niet alleen meer geweld, maar ook meer depressie en zelfmoord

In een cultuur van statuscompetitie (ook wel "eer-cultuur" genoemd) zijn mensen er allereerst op uit om hun reputatie te verdedigen. Om niet een loser te zijn, moet iedereen voortdurend als competent en krachtig op anderen overkomen. Daardoor heeft iedereen "een kort lontje". Alles wordt snel als een persoonlijke aanval of bedreiging gezien, waartegen je krachtig moet optreden.

In zo'n cultuur is dus de competitie om status altijd manifest aanwezig. Dat is het verschil met een statushiërarchie, waarin de verschillen in status behoorlijk vastliggen en, althans voorlopig, geaccepteerd zijn.

Statuscompetitie-culturen kunnen voorkomen op scholen, in bedrijven, in buurten of in landen of andere geografische eenheden. Zo zijn er veel aanwijzingen dat de zuidelijke staten van de Verenigde Staten er meer last van hebben dan de noordelijke.

Het is bekend dat er in een statuscompetitie-cultuur meer geweld voorkomt. Maar nu zijn er ook aanwijzingen dat er meer depressie en zelfmoord voorkomt. Onderzoekers vonden dat het zelfmoordcijfer in staten van de V.S. met meer een statuscompetitie-cultuur hoger is dan in andere staten. Ook vonden ze dat de bewoners meer lijden aan depressie, maar tegelijk minder anti-depressiva slikken. En waarschijnlijk ook minder in therapie gaan, maar dat is niet onderzocht. Bovendien hebben de statuscompetitie-staten met meer depressies ook een hoger zelfmoordcijfer. Zie de studie Culture of honor and violence against the self.

Je kunt ook nog bij personen nagaan, met een vragenlijst, of ze meer of minder de "ideologie" van de statuscompetitie aanhangen. Dan blijkt dat bij degenen die dat meer doen, meer depressie voorkomt.

Een statushiërarchie vinden we niet prettig, maar statuscompetitie is nog erger.