Posts tonen met het label economische groei. Alle posts tonen
Posts tonen met het label economische groei. Alle posts tonen

vrijdag 6 juni 2025

De limitaristen hebben gelijk: zonder een rijkdomsgrens is het iedereen-telt-mee van de gemeenschapstoestand uitgesloten

De morele intuïtie van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon behelst dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan en daarmee dat we er met zijn allen voor dienen te zorgen dat niemand in armoede hoeft te vervallen als de middelen voorhanden zijn om zulks te voorkomen. 

De naoorlogse verzorgingsstaat, met sociale zekerheid en gelijke kansen op onderwijs, was een uitwerking van deze morele intuïtie ('de gemeenschap georganiseerd in de staat"). In die uitwerking was ook het inzicht verwerkt dat niet alleen armoede, maar ook excessieve rijkdom moest worden voorkomen. Er was geleerd dat extreme rijkdom niet alleen de democratie in gevaar bracht, maar ook negatieve economische gevolgen had. Ook als er geen armoede is, activeert de mogelijkheid om extreem rijk te worden gemakkelijk het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Dat had geleid tot de extreme zelfverrijking die voorafging aan de Grote Beurskrach van 1929 en de daaropvolgende depressie (Zelfverrijking in de financiële sector en financiële crises). Bovendien zijn er de aanwijzingen dat grote inkomensongelijkheid negatieve sociale gevolgen heeft in de vorm van het aanwakkeren van de statuscompetitie. 

Er zijn kortom goede economische en sociaalwetenschappelijke argumenten om ook als er geen armoede is, grote ongelijkheid en excessieve rijkdom te beperken. Vandaar dat de limitaristen pleiten voor een rijkdomsgrens. De politiek filosoof Dick Tmmer deed dat in het interview in de Volkskrant: Sommige mensen zijn té rijk, zegt filosoof Dick Timmer. En dat gaat om veel meer dan geld alleen. Eerder was er het boek van hoogleraar toegepaste ethiek Ingrid Robeyns: Limitarisme. Pleidooi tegen extreme rijkdom.

Dat inzicht in de noodzaak van een rijkdomsgrens leidde er in die naoorlogse jaren van de opbouw van de verzorgingsstaat toe dat er hoge marginale tarieven waren in de inkomstenbelasting, tot rond de 90 procent voor de hoogste inkomens. Die werden sinds de jaren zeventig stapsgewijs verlaagd, met het argument dat dat juist goed zou zijn voor de economische groei. Veelverdieners zouden er door worden geprikkeld om zich meer in te spannen en dat zou uiteindelijk aan iedereen ten goede komen. 

Maar dat klopt dus niet. Want al dat geld dat bij die rijkeren terechtkomt, wordt gespaard en deels uitgeleend aan de overheid. Die daar rente over betaalt, terwijl dat geld goedkoper door die hogere belastingtarieven had kunnen worden verkregen. Alles wijst erop dat door een groei van inkomensongelijkheid de economische groei stagneert. 

Daar komen de aanwijzingen bij dat een eenmaal in gang gezette toename van inkomensongelijkheid moeilijk meer is te stoppen, doordat het proces zichzelf versterkt. Al weer lang geleden zette ik ze op een rijtje:

  • Opgroeien in armoede in een welvarende maatschappij werkt negatief uit op de hersenontwikkeling die nodig is voor planning en impuls- en aandachtsbeheersing. Die vermogens helpen bij het succesvol volgen van een opleiding. Arm opgroeien verkleint dus de kans op maatschappelijk succes, waardoor armoede wordt doorgegeven aan kinderen.
  • Armoede gaat gepaard met de stress van zorgen over de toekomst en heeft daardoor negatieve effecten op het cognitieve functioneren. Omdat onze maatschappij een groot beroep doet op ons cognitieve functioneren, verkleint armoede dus de kans op maatschappelijk succes.
  • De stress van armoede en lage sociaaleconomische status heeft negatieve gezondheidseffecten en een slechte gezondheid verkleint de kans op maatschappelijk succes.
  • Een hogere sociaaleconomische status maakt mensen egoïstischer. Waardoor ze meer geneigd zijn tot inspanningen om de bestaande ongelijkheid, die in hun voordeel werkt, in stand te houden.
  • Mensen die qua persoonlijkheid aardiger zijn, en dus meer met anderen rekening houden, verdienen minder. Ze zijn minder maatschappelijk succesvol. Omgekeerd: onaardige mensen, die dus egoïstischer zijn, verdienen meer en zijn maatschappelijk succesvoller. En zullen dus meer geneigd zijn om te pogen de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Rijken hebben de neiging om bij elkaar in de buurt te gaan wonen (inkomenssegregatie) en vooral met elkaar om te gaan. Dat maakt het makkelijker om opinies te cultiveren die rijkdom moreel rechtvaardigen en die armoede toeschrijven aan individuele en moreel verwijtbare kenmerken ("ze zijn lui"). Waardoor rijken vooral geneigd zullen zijn om de bestaande ongelijkheid in stand te houden.
  • Mensen zijn geneigd om de bestaande ongelijkheid te onderschatten, waarschijnlijk doordat ze er niet goed over zijn geïnformeerd. Daardoor zullen dus degenen die minder ongelijkheid zouden willen, zich minder inspannen om die terug te dringen dan wanneer ze wel goed geïnformeerd waren.
  • Mensen die hun inkomen zien groeien doordat ze geld hebben gewonnen in een loterij, stemmen politiek gezien rechtser. Een inkomenstoename maakt rijker en doet mensen dus bijdragen aan politieke partijen die de bestaande ongelijkheid in stand willen houden.
  •  De rijken zijn machtiger dan de armen. En gevoelens van macht maken mensen minder empathisch. Dus leven rijken zich minder goed in in het lot van de armen. En zullen ze zich dus minder inspannen om dat lot te verlichten.
  • De rijkaards zijn succesvol geweest in de maatschappelijke statuscompetitie. En winnaars in een statuscompetitie hebben de neiging om neer te kijken op de verliezers en hen zelfs te vernederen. En dus om de bestaande ongelijkheid te rechtvaardigen. En verliezers hebben de neiging om zich daarbij neer te leggen in plaats van in opstand te komen.
Bij al die aanwijzingen is er nu de studie Noblesse Oblige? Social Status and Economic Inequality Maintenance among Politicians bijgekomen. De onderzoekers laten zien dat (Amerikaanse) politici met een groter financieel vermogen meer tegen gelijkheidsbevorderende wetsvoorstellen stemden dan hun minder rijkere collega's. Je moet in het Amerikaanse politieke stelsel al flink rijk zijn, of de belangen van rijke vriendjes behartigen, om een verkiezingscampagne te kunnen bekostigen. Maar ook dan nog zijn het de rijksten onder hen die het meest tegen meer gelijkheid stemmen. Dit verband gold overigens alleen voor de Democraten. De Republikeins politici zijn sowieso tegen meer gelijkheid.

Kortom, sociaalwetenschappelijk gezien is er voor het dichterbij brengen van het iedereen-telt-mee gemeenschapsevenwicht niet alleen een armoedegrens, maar ook een rijkdomsgrens nodig.

dinsdag 14 februari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 13

De sociaalwetenschappelijke analyse van de Nederlandse polycrisis in de voorafgaande berichten (hier het eerste bericht) haalt veel overhoop, maar is natuurlijk verre van volledig. Dat werd mij extra duidelijk toen ik vanochtend Goedkope arbeid maakte het bedrijfsleven lui van economisch historicus Jan Luiten van Zanden onder ogen kreeg. 

Daarin vraagt Luiten van Zanden aandacht voor het grote belang van productiviteitsgroei voor economische groei. Je kunt economisch groeien door met zijn allen langer en harder te werken, maar ook door per gewerkt uur meer te produceren. Dat laatste valt natuurlijk te prefereren, maar hoe bereik je dat?

Wat sterk bevorderlijk is voor productiviteitsgroei zijn stijgende reële lonen. Als de loonkosten stijgen, worden ondernemers geprikkeld tot arbeidsbesparende investeringen. Daardoor neemt de arbeidsproductiviteit toe en die maakt het mogelijk om de lonen verder te verhogen. Welvaart neemt toe, omdat we per uur arbeid meer tot stand brengen.

Dit "samenspel tussen reële loonstijgingen en groeiende productiviteit" was volop in werking tijdens "de Gouden Jaren tussen 1950 en 1973", de periode van de overheidsvuistregel en dus van de doelstelling van de volledige werkgelegenheid in mijn analyse. Luiten van Zanden:

Het succes van deze periode valt af te lezen uit de sterke groei van de werkgelegenheid, die voor grote krapte op de arbeidsmarkt zorgde, wat via nog scherpere stijging van de reële lonen uiteindelijk leidde tot de bekende loon- en prijsspiraal van de jaren 1970. De arbeidsinkomensquote liep daarbij sterk op, mede door de expansie van de welvaartsstaat, en de rentabiliteit van het bedrijfsleven kwam sterk onder druk te staan.

Cruciaal was hoe daar op werd gereageerd. In mijn analyse met de overgang van de overheidsvuistregel naar de marktvuistregel. Die kom je bij Luiten van Zanden tegen als "de radicale trendbreuk, waarbij de groei van de reële lonen bijna tot stilstand kwam – door de na 1980 omvangrijke werkloosheid, door de loonmatiging." Daarna, in de jaren 90, trok de economie wel weer aan, maar de vakbonden waren zwakker geworden en er kwam de flexibilisering van de arbeid. 

Deze veranderingen maakten deel uit van een veel bredere golf neoliberale ‘innovaties’ gericht op grotere marktwerking. Waar arbeidsbesparende technologische ontwikkeling voor 1980 kern geweest was van de strategie van het bedrijfsleven, werd winstgroei nu vooral gezocht in het verlagen van arbeidskosten door dit type veranderingen die wel leidden tot lagere kosten maar de productiviteit niet verhoogden. 

Het hanteren van de marktvuistregel betekende dat het de ondernemingen zoveel mogelijk naar de zin moest worden gemaakt. In de woorden van Luiten van Zanden werd het bedrijfsleven "in de watten gelegd, en ontstond een economie die als lui of zelfgenoegzaam getypeerd kan worden." Want de toegenomen winsten werden niet gebruikt voor arbeidsbesparende investeringen. Nee, ze voedden de toename van inkomens- en vooral vermogensongelijkheid.

Door die stagnatie van de arbeidsproductiviteit ontwikkelde zich uiteindelijk een krappe arbeidsmarkt. Met:

tekorten die de oplossing van allerlei maatschappelijke problemen ernstig vertragen, omdat er simpelweg geen vakmensen gevonden kunnen worden om de transitie naar duurzaamheid te bespoedigen, knelpunten in de jeugdzorg aan te pakken, of de defensie weer op poten te zetten.

Een polycrisis dus, uiteindelijk veroorzaakt door een gebrek aan arbeidsbesparende investeringen. 

Wat te doen? Welnu, we moeten met zijn allen meer en harder werken. Dus, in mijn analyse, disciplinering van de arbeid. Door verlaging van de uitkeringen en versobering van de sociale zekerheid. Een ontoereikend sociaal minimum. 'De handen uit de mouwen in plaats van de hand ophouden". Luiten van Zanden:

Het beleid dat er nu komt lijkt gericht op nog meer van hetzelfde streven om meer arbeid uit een door stress en burn-out geplaagde beroepsbevolking te persen. (...)

Daardoor zitten we nu in een ontwikkelingspad dat wel groeiende ongelijkheid, maar geen productiviteitsgroei oplevert, en zijn we nu haast gedwongen om de economische problemen op te lossen door de ‘zweet en tranen’ van meer uren arbeid in plaats van de creativiteit van nieuwe ideeën en technieken. 

Die marktvuistregel zet uiteindelijk de verticale psychologie van het statuscompetitiepatroon in werking: maak het de rijken en machtigen (het kapitaal) zoveel mogelijk naar de zin en verhoog de druk op de arbeid. Hier het volgende bericht.

maandag 30 augustus 2021

Het is bovenal de toegenomen inkomensongelijkheid die de daling van de rente in de afgelopen veertig jaar verklaart. En dus de stagnatie van de economie en de hogere werkloosheid.

Update 3. Servaas Storm heeft uitgebreide en diepgravend kritiek op de studie van Mian, Straub en Sufi. En komt met een alternatieve verklaring voor het verband tussen toenemende  ongelijkheid en dalende rente.  Daarin speelt een grote rol het verlaten van het streven naar volledige werkgelegenheid door overheden eind jaren zeventig. Interessant en belangrijk. Zie Why the Rich Get Richer and Interest Rates Go Down.

Update 2.  Lees nu ook Maarten Schinkel: De ongelijkheid jaagt nu zijn staart achterna. Met als slot:  "de maatschappelijke ontwrichting door ongelijkheid kan veel sneller gaan dan we nu nog beseffen."

Update 1. Zie nu ook het bericht in de Financial Times: The rich get richer and rates get lower. Maybe it’s not about demographics, after all. Waarin ook kort wordt ingegaan op wat er met al dat geld gebeurt dat steeds meer bij de hoogste inkomens terechtkomt en dat niet wordt geïnvesteerd. Het wordt uitgeleend aan de overheid en aan de lage inkomenshuishoudens. Bedenk daarbij dat de overheid diezelfde middelen ook had kunnen verkrijgen door hogere belastingen voor de rijken. En bedenk dat die armere huishoudens ook graag een hoger loon hadden gehad, zodat ze zich minder in de schulden hadden hoeven te steken.

En bedenk tenslotte dat dit alles een neerdrukkend effect heeft op de totale vraag naar goederen en diensten. De overheid en de lagere inkomens moeten lenen om nog wat geld te kunnen uitgeven. Als de belastingen voor de hogere inkomens en de lonen hoger waren, dan was dat niet nodig geweest en was de totale vraag groter. En dan zouden ondernemingen meer investeren en zouden de rente en de inflatie en de economische groei hoger zijn.

We leven in een geldeconomie en in een geldeconomie is de economie een kringloop. Dat leerde ik lang geleden in de colleges van Jan Pen, die voor Groningse sociologiestudenten het bijvak economie gaf. Maar die kringloop kan worden verstoord als geld wordt "opgepot", dat wil zeggen, gespaard zonder te worden geïnvesteerd. De economie verkeert dan in een toestand van seculiere, of eeuwigdurende of langdurige, stagnatie. Met weinig of geen economische groei, lage of zelfs negatieve inflatie en lage rente. Doordat geld niet "benut" wordt, worden ook de beschikbare hulpbronnen, waaronder arbeid, niet benut. Dus hoge werkloosheid en armoede.

Een belabberde toestand, die niet zou hoeven. Meer investeren zou helpen. Waardoor gebeurt dat dan niet? Hoe te verklaren dat we de laatste decennia, zo'n veertig jaar, met lage groei, lage rente, lage inflatie en met werkloosheid hebben te kampen? 

In de nieuwe studie What explains the decline in r∗?Rising income inequality versus demographic shifts wordt dat voor de Verenigde Staten onderzocht. Het gaat daarin om twee mogelijke verklaringen. Er kan een demografische oorzaak zijn, die erin ligt dat de bevolking vergrijst en er daardoor meer gespaard wordt om pensioen op te bouwen. Maar ook de toename van inkomensongelijkheid kan een rol spelen. Want hogere inkomens sparen meer en als het aandeel hogere inkomens toeneemt, wordt er dus meer gespaard.

Het is lastig om uit te maken welke oorzaak het belangrijkste is, omdat beide ontwikkelingen zich in dezelfde tijd afspeelden. Maar in die nieuwe studie gebruiken de onderzoekers een databestand van gegevens over het huishoudinkomen en de leeftijd van het hoofd van het huishouden over de periode van 1950 tot 2019. 

Uit die (voor mij veel te ingewikkelde) analyses komt inderdaad naar voren dat de 10 procent hoogste inkomens tussen de 10 en 20 procent meer van hun inkomen sparen dan de 90 procent laagste inkomens. Dat verschil bestaat over de hele periode en neemt met de tijd toe. Maar bovendien was er tussen 1983 en 2019 een grote verschuiving in het aandeel van het inkomen naar die top 10 procent. In 2019 had de top 10 procent een aandeel dat 15 procent hoger was dan het aandeel van de top 10 procent voorafgaand aan de jaren 80.  Daar zie je dus de toename van de hogere inkomens, van inkomensongelijkheid.

De combinatie van die twee, meer sparen door hogere inkomens plus de toename van het aandeel inkomen dat naar de 10 procent hoogste inkomens gaat, verklaart dat de 10 procent hoogste inkomens in de periode tussen 1995 en 2019 3 tot 3,5 procent van het nationale inkomen meer spaarde dan voorafgaand aan de jaren 80. Dat komt overeen met 30 tot 40 procent van de totale private besparingen in dezelfde periode.

Daartegenover wijst er weinig op dat de vergrijzing een grote rol speelde, omdat er maar weinig variatie is in hoeveel verschillende leeftijdsgroepen spaarden. 

Daarom concluderen de onderzoekers dat het bovenal de toegenomen inkomensongelijkheid is die de daling van de rente in de afgelopen veertig jaar verklaart. En dus de stagnatie van de economie en de hogere werkloosheid.

Dat is voor economen een belangrijke conclusie. Want die hebben de neiging om zich niet zo te interesseren voor de inkomensverdeling. Maar de afgelopen veertig jaar leert dus dat een toename van inkomensongelijkheid macro-economische gevolgen heeft. 

Er waren natuurlijk al aanwijzingen dat inkomensongelijkheid slecht is voor (stabiele) economische groei. Zie hier en hier.

En dan hebben we het nog niet over de vele negatieve sociale en maatschappelijke gevolgen van grote inkomensongelijkheid.

maandag 29 januari 2018

Wat gebeurde er omstreeks 1970? De welzijnsparadox: van geld rijker, maar sociaal armer?

Jan-Pieter Smits, van de Universiteit Eindhoven en het CBS, is de geestelijk vader van een nieuwe welzijnsindex. Die is zo samengesteld dat je er zo goed mogelijk landen mee kunt vergelijken. Zie in dat verband het rapport CONFERENCE OF EUROPEAN STATISTICIANSRECOMMENDATIONS ON MEASURINGSUSTAINABLE DEVELOPMENT.

Die index bestaat uit een groot aantal indicatoren, waaronder: tevredenheid met het leven, inkomensongelijkheid, beloningsverschil mannen-vrouwen, obesitas, levensverwachting en statusongelijkheid in levensverwachting, (jeugd-)werkloosheid, opleiding en statusongelijkheid in opleiding, woonomstandigheden, vrije tijd, interpersoonlijk vertrouwen, opkomst bij verkiezingen en aandeel vrouwen in de volksvertegenwoordiging. Zie hier voor het complete overzicht (stuurt je naar hoofdstuk 8 van dat rapport).

Met een beperktere set van 15 indicatoren keek Smits, samen met Harry Lintsen, Frank Veraart en John Grin naar de ontwikkeling van het welzijn in Nederland in de periode 1850 - 2007. Als je dan een vergelijking maakt met de ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking, met de groei van de economie, dan levert dat dit intrigerende plaatje op.


Je ziet dat als je beide indexen in 1850 op 100 stelt, dat dan vanaf omstreeks 1900 de welzijnsindex uitgaat boven de BNP. Maar dat slaat drastisch om omstreeks 1970. We zien de opmerkelijke stijging van de welvaart na de Tweede Wereldoorlog, maar we zien ook dat de welzijnsgroei daar sterk bij achterblijft. Helaas is de recentere ontwikkeling, in en na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 nog niet in het plaatje verwerkt.

Zoals in het persbericht van de Universiteit Eindhoven opgemerkt, hebben we vanaf 1970 te maken met een welzijnsparadox: we zijn wel rijker geworden, maar niet tevredener.

En dat zet je natuurlijk aan het denken over wat er na 1970 is gebeurd. Ik deed dat eerder in Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Met als conclusie dat het overheidsbeleid te eenzijdig gericht is geweest op de groei van de economische welvaart en zich te weinig gelegen heeft laten liggen aan de negatieve repercussies van meer marktwerking en de terugtredende overheid op de sociale welvaart. Intrigerend om dat nu zo fraai in een grafiek te zien afgebeeld.

Het maakt wel nieuwsgierig naar wat precies die 15 indicatoren zijn. Het persbericht is daar vaag over, maar meldt dat er een boek zit aan te komen waarin een en ander uit de doeken wordt gedaan. Om in de gaten te houden.

maandag 12 juni 2017

Een natuurlijk experiment met een kleinere overheid. Het Kansas-debacle

Update. Zie nu, begin 2018, ook Kansas Provides Compelling Evidence of Failure of "Supply-Side" Tax Cuts. 
In de Amerikaanse staat Kansas hebben de Republikeinen, de ideologen van de kleine overheid, de afgelopen jaren hun kans gegrepen om hun ideologie in de praktijk te brengen. Onder leiding van Gouverneur Sam Brownback voerden ze drastische belastingverlagingen door, met de vaste overtuiging dat ze door deze "adrenalinestoot" snel de economische groei zouden kunnen aanjagen.

Met dit "natuurlijke experiment", zoals Brownback het noemde, zou vast en zeker bewezen worden dat een kleinere overheid beter is voor de economie. Geheel in overeenstemming met de adviezen van economen als Arthur Laffer en Stephen Moore, die eerder President George W. Bush aanzetten tot belastingverlagingen en die nu de auteurs-op-de-achtergrond zijn van de belastingplannen van President Donald Trump.

Maar de feitelijke ontwikkelingen in Kansas komen niet overeen met de hooggestemde verwachtingen. De economische groei en de groei van de werkgelegenheid lopen juist sterk achter bij het gemiddelde van de andere staten. Bovendien heeft de staat grote budgettaire problemen. Terwijl sterk bezuinigd werd op de uitgaven aan infrastructuur en onderwijs. Het Hooggerechtshof greep in met het oordeel dat het gebrek aan middelen in het onderwijs indruiste tegen de Grondwet.

Gematigde Republikeinen die dit beleid aanvankelijk ondersteunden, keren nu op hun schreden terug. Samen met de Democraten beschouwen ze het experiment als mislukt en hebben ze de belastingverlagingen grotendeels teruggedraaid. Tegen de wil van Brownback en andere diehard conservatieven in. Zie de recente berichten Kansas Republicans raise taxes, ending their GOP governor’s ‘real live experiment’ in conservative policy en Kansas Republicans end the state’s failed tax reform experiment. Update. En Finally, Something Isn’t the Matter With Kansas.

Het is een interessante ontwikkeling. De neoliberale ideologie van de kleine overheid kent nog steeds veel aanhangers, ook in Nederland. Mark Rutte behoort daartoe, maar ook de PvdA en de meeste andere politiek partijen. Het is de ideologie die ten grondslag lag aan het idee dat je er juist in een crisis snel weer bovenop komt door, procyclisch, snel en veel te gaan bezuinigen. Eigenlijk hebben we daarmee ook in Nederland een natuurlijk experiment meegemaakt. Dat net als in Kansas geheel verkeerd uitpakte (hoewel de media dat angstvallig proberen te negeren). Zie nog maar weer eens Bas Jacobs, Coen Teulings en de ING.

Dat verband tussen de omvang van de overheid en de economische groei ligt natuurlijk veel genuanceerder als je echt de moeite neemt om naar de wetenschappelijke literatuur te kijken. Die overzie ik geloof ik niet in zijn geheel, maar het lijkt me dat GOVERNMENT SIZE AND GROWTH: A SURVEY AND INTERPRETATION OF THE EVIDENCE van Andreas Bergh en Magnus Henrekson de stand van zaken goed weergeeft.

Zij komen tot de conclusie dat voor de rijkere landen inderdaad geldt dat een grotere omvang van de overheid (als percentage van het BNP) samengaat met een wat lagere economische groei. Maar ook geldt dat de richting van het oorzakelijke verband eigenlijk niet valt te achterhalen:
In fact, it is close to conceptually meaningless to discuss a causal effect from an aggregate such as government size on economic growth. Thus, scholars like Kneller et al. (1999) and Bassaniniet al. (2001) have in our view rightly concluded it is more fruitful to analyse separately the mechanisms through which different taxes and expenditure affect growth. Not all taxes are equally harmful, and some studies identify public spending on education and public investment to be positively related to growth.
Maar ook wijzen Bergh en Henrekson op het gegeven dat er landen zijn, zoals de Scandinavische landen, waar een omvangrijke overheid juist heel goed samengaat met hoge economische groei. En dat zou er aan kunnen liggen dat dat landen zijn met een hoge mate van vertrouwen van burgers in elkaar. Dat vertrouwen maakt een omvangrijke overheid mogelijk, met weinig corruptie en weinig belastingontwijking en -fraude. Terwijl vertrouwen bovendien goed is voor de economie.

Dat is boeiend, als je bedenkt dat die ideologie van de kleine overheid psychologisch gezien wel eens zou kunnen voortkomen uit een lage mate van vertrouwen in anderen. Als je anderen wantrouwt, dan wil je zo weinig mogelijk van anderen afhankelijk zijn. En wil je dus zo weinig mogelijk collectief regelen.

Anderen zijn er immers alleen maar op uit om van jouw inspanningen te profiteren. Klaplopers en profiteurs! Moochers! Daar wil je niets mee te maken hebben. In die psychologie van de kleine overheid zou wantrouwen wel eens de cruciale factor kunnen zijn.
Update. Lees nu ook Paul Krugman over het Kansas-debacle en over de republikeinse partij: We’re Not Even In Kansas Anymore.

dinsdag 2 mei 2017

Juist meer persoonlijke vrijheid in landen met een omvangrijkere overheid - Over de ideologie van de kleine overheid

Ergens in het laatste kwart van de vorige eeuw is, samen met de opkomst van het neoliberalisme, de ideologie van de kleine overheid gemeengoed geworden. Het politieke denken vindt doorgaans plaats in de vorm van een aansprekend hoofdverhaal en het verhaal werd dat de overheid niet de oplossing is,  maar het probleem. De Amerikaanse president Ronald Reagan gebruikte dat verhaal in zijn inaugurele rede in 1981.

Dat verhaal sloeg aan. Zelfs de sociaal-democratie ging er in mee. En na de financiële crisis van 2008-2010 zette het de politici ertoe aan de ontstane budgettaire problemen aan te grijpen om de overheid, de verzorgingsstaat, een kopje kleiner te maken. Dat was de nauwelijks verborgen agenda achter het economisch rampzalige bezuinigingsbeleid dat alom werd gevoerd.

Volgens dat verhaal zou een grote overheid een bedreiging zijn voor economische groei en voor persoonlijke vrijheid.

Ondertussen weten we dat het verband met economische groei sterk afhankelijk is van wijze van belastingheffing en van het uitgavenpatroon. Zie Does Big GovernmentHurt Economic Growth? van Peter Lindert.

En over dat verband met persoonlijke vrijheid is er nu They Go Together: Freedom, Prosperity, and Big Government. Countries with larger government sectors tend to have more personal freedom van Edwin Dolan. Bij die persoonlijke vrijheid gaat het om zaken als rechtszekerheid (rule of law), vrijheid van beweging en vergadering, persoonlijke veiligheid, vrijheid van informatie en meningsuiting en vrijheid in de sfeer van persoonlijke relaties.

En wat blijkt? Dolan's analyse van 143 landen waarvoor data beschikbaar zijn, levert op dat de persoonlijke vrijheid niet kleiner, maar juist groter is in landen met een meer omvangrijke overheid.

Die ideologie van de kleine overheid, met dat verhaal van de overheid als probleem in plaats van als oplossing, die zouden we nu eens, als een van die sociale zeepbellen, achter ons moeten laten.

zondag 5 maart 2017

De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Op verzoek van het Trendbureau Overijssel schreef ik het essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? Verschenen als Hoofdstuk 3 in: Hans Peter Benschop (red.), Nieuwe tegenstellingen. Wat doen we ermee? Den Haag: Boom bestuurskunde (p. 75-91)

Lees hieronder het begin en lees hier verder.


De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Inleiding: “De gemeenschap, georganiseerd in de staat …”

Na de Tweede Wereldoorlog vond er een klein wonder plaats. Vrijwel voor het eerst in de geschiedenis van staten werd besloten om de fundamentele morele intuïties van samenwerking en delen op het niveau van de nationale staat te institutionaliseren. Er was een les geleerd van de crisis van de jaren dertig en van het toen opkomen van het nationaalsocialisme. De vreselijke gevolgen van gebrek aan bestaanszekerheid op grote schaal waren duidelijk geworden, zowel individueel als maatschappelijk. Zo overweldigend groot dat er grote tegenstellingen, maatschappelijke ontwrichting, oorlog en zelfs genocide uit bleken te kunnen voortkomen. 
 
Het algemeen gedeelde gevoelen was dat de maatschappij moest worden ingericht met het oog op het tegengaan van grote tegenstellingen door het streven naar bestaanszekerheid voor iedereen en dat een cruciale rol van de overheid daarin onvermijdelijk was. De Commissie-Van Rhijn, die al gedurende de oorlog aan het werk was gezet (Kappelhof 2004), formuleerde dit als volgt:
‘De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring te verschaffen.’
Dit werd het rechtsbeginsel voor de opbouw van de verzorgingsstaat (Giebels 2009). Het behelst de gedachte dat de staat uitvoerder is van de in de bevolking levende morele beginselen van de gemeenschap. De aansprakelijkheid “voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek” kun je lezen als het gemeenschapsbeginsel dat burgers elkaar via de omweg van de staat bijstaan in het streven naar bestaanszekerheid. Volgens datzelfde beginsel mogen burgers van elkaar verwachten dat ze “het redelijke” doen om te voorkomen dat ze die bijstand nodig hebben.

woensdag 25 november 2015

Bij het overlijden van Douglass C. North - over markt en overheid

Vandaag het bericht dat economisch historicus en Nobelprijswinnaar in 1993 Douglass C. North is overleden. Zie Douglass C. North, Nobel Laureate Economist, Dies at 95. Hij was een van de grondleggers van de new institutional economics, waartoe ook Elinor Ostrom wordt gerekend.

North was vooral op zoek naar de oorzaken van de snelle economische groei in de laatste paar eeuwen in de Westerse wereld. En hij liet overtuigend zien dat de rol van instituties daarin cruciaal was. Denk aan door overheidswetgeving in het leven geroepen overeenkomstenrecht, eigendomsrechten, patenten en octrooien.

Daarmee ging hij in tegen het neoklassieke economische denken, dat er van uitging dat een zoveel mogelijk vrij gelaten marktmechanisme (laissez faire) als vanzelf de economische groei zou aanjagen. Technologische ontwikkeling zou dan spontaan gegenereerd worden en markten zouden als vanzelf in omvang toenemen.

Ik sloeg even zijn fraaie boek Structure and Change in Economic History uit 1981 er op na. En kwam terecht op p. 166-7, waar hij economisch historici aanhaalt die vooral wijzen naar deregulering als oorzaak van de industriële revolutie. Zijn antwoord daarop is vervat in dit wat langere citaat:
What has been missing in the argument, however, is that while laissez faire is identified as the key to the development, the term "laissez faire" not only has misleading ideological overtones but at least in part misses the point. It is true that the decline in mercantilist restrictions including repeal or reform of the Statute of Artificers (denk aan de ambachtsgilden - HdV), poor laws, acts of settlements, usury laws, navigation acts, and so forth is part of the story. Particularly significant to the developing of more efficient markets, however, is the better specification and enforcement of property rights over goods and services; and in many cases much more was involved than simply removing restrictions on the mobility of capital and labor - important as those changes were. Private and parliamentary enclosures in agriculture, the Statute of Monopolies establishing a patent law, and the immense development of a body of common law to better specify and enforce contracts also are part of the story. Laissez faire implies an absence of restraints; efficient markets imply well-specified and enforced property rights, which means the creation of a set of restraints encouraging productivity growth. The removal of restrictions widening the gap between private and social returns frequently required positive action by government - a government which we have seen was, as a result of the English revoltion, oriented toward such development.
In een slogan samengevat: Niet meer markt, maar meer overheid en daardoor meer markt. Een mooie weerlegging van het naïeve marktdenken, uitgerekend in het jaar, 1981, dat Ronald Reagan in de Verenigde Staten tot president werd verkozen.

Maar nu, in 2015, in een tijd waarin we vrezen voor langdurige economische stagnatie als gevolg van (wederom!) een in de politiek wijd verbreide onderschatting van het belang van een positieve de rol van de overheid, kun je je afvragen of we niet nog twee stappen verder moeten gaan dan North deed in 1981.

Allereerst, we beseffen, of zouden behoren te beseffen, dat de economie naast een aanbodkant ook een vraagkant heeft. En dat dus economische groei niet alleen afhangt van overheidsbeleid voor de aanbodkant, waar North op wees, maar ook van macro-economisch beleid om in tijden van liquiditeitsval de vraag op peil te houden. Tragisch dat dit besef, zeker in Europa, maar zo beperkt tot de politiek doordringt. Denk aan alle berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel.

Maar daar komt nog een stap bij. Want je kunt bepaald niet verwachten dat de markt wel genoeg technologische innovatie verschaft als maar aan die institutionele voorwaarden van North is voldaan. Het blijkt immers dat veel technologische vernieuwingen pas tot stand komen als de overheid bereid is om investeringen te doen waarvoor private geldschieters terugdeinzen vanwege de hoge risico's. Zoals overtuigend naar voren gebracht door Mariana Mazzucato in dat prachtige boek The Entrepreneurial State. Zie ook het bericht Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.

maandag 24 augustus 2015

Waarom de overheid schulden moet maken

Nee, het is niet zo dat de overheid altijd schulden moet maken. Wanneer je schulden maakt en waarvoor, maakt natuurlijk wel wat uit. Maar de huidige obsessie van politici met het terugdringen van de overheidsschulden en met het najagen van begrotingsevenwicht is moeilijk verklaarbaar.

In de Verenigde Staten zijn het de Republikeinen die uitdragen dat de overheid vrij van schulden moet zijn. Paul Krugman verwijst naar een tweet van de Republikeinse Senator Rand Paul, waarin die zich er over beklaagt dat de federale overheid sinds 1835 niet meer schuldenvrij is geweest. Schande!

Schande? Maar wat opvallend dan dat de Amerikaanse economie sinds 1835 zo'n geweldige economische groei gekend heeft. Zou dat er mee te maken hebben gehad dat het maken van schulden kan bijdragen aan economische groei? En dat het bezuinigen om dat felbegeerde begrotingsevenwicht te bereiken, zoals dat nu in Europa gebeurt, juist een van de oorzaken is van economische stagnatie? Zie daarover ook Paul Krugman.

Jared Bernstein en Richard Kogan geven nu met twee tijdreeksen meer inzicht in het verband tussen overheidsschuld en economische groei. Hieronder zie je voor de Verenigde Staten het plaatje voor de periode 1870-1929. De blauwe lijn geeft aan of het overheidsbudget een overschot of een tekort liet zien. En zoals je ziet, was dit de periode waarin de droom van de tegenstanders van schulden werd bewaarheid. Over het geheel genomen was er een overschot van 0,4 procent.
Wat hield dat in voor de economische groei? Dat die wild heen en weer schoot. Diepe dalen en hoge toppen wisselden elkaar af.

Vergelijk dat met het plaatje voor 1950-2015, de naoorlogse periode, waarin er vrijwel altijd een begrotingstekort was, van gemiddeld min 2,2 procent. 

Je ziet een evenwichtiger economische groei. De pieken zijn minder hoog, maar vooral: de dalen zijn minder diep. 

Maar niet alleen dat, de gemiddelde economische groei was 2 procent, tegenover 1,8 procent in die schuldenvrije periode. Dat betekent dat de economie in de naoorlogse periode in omvang elke 35 jaar verdubbelde, tegenover elke 39 jaar in de schuldenvrije periode.

Dat pleit dus voor een overheid die schulden maakt. Ten behoeve van investeringen voor de toekomst en een gestage, en dus hogere, gemiddelde economische groei. Het is bepaald niet zo dat je om zulke gunstige effecten te bereiken, kunt vertrouwen op de private investeringen alleen.

En bedenk ook dat mensen liever een gestage economische groei hebben dan een met grote pieken en dalen. Omdat mensen nu eenmaal graag een beetje zekerheid in het leven willen. En zie aan, het realiseren van die zekerheid gaat ook nog mooi samen met een hogere gemiddelde economische groei.

Waar toch die obsessie met overheidsschulden vandaan komt?

woensdag 8 oktober 2014

Economische groei maakt alleen dan gelukkiger als de groei gestaag is, dus zonder recessies

In de pas verschenen studie Individual Experience of Positive and Negative Growth is Asymmetric: Global Evidence from Subjective Well-Being Data laten onderzoekers zien dat ons geluk minder positief wordt beïnvloed door perioden van economische groei dan negatief door perioden van recessie. Het negatieve effect van recessie domineert over het positieve effect van groei. Zie Busts hurt more than booms help: New lessons for growth policy from global wellbeing surveys voor een korte samenvatting van het onderzoek, dat vandaag op Vox verscheen. Update. Zie nu ook dit YouTube-filmpje over het onderzoek.

De onderzoekers analyseerden databestanden van een groot aantal landen, waaronder de data van Eurobarometer. De uitkomst kan worden samengevat in de figuur hieronder.



Op de verticale as staat de economische groei per jaar in percentages, die dus positief en negatief kan zijn. En op de horizontale as zie je veranderingen in tevredenheid met het leven, wat ik maar even kortheidshalve geluk noem. Naar links toe de afname in geluk en naar rechts de toename. Het gaat er dus om wat er linksonder en rechtsboven gebeurt.

Je ziet dan dat positieve economische groei samengaat met een toename van geluk. We zien de lijn rechtsboven stijgen. Naar linksonder kijkend zien we de verwachte afname van geluk bij recessie, dus in perioden van negatieve economische "groei". Maar wat meteen opvalt is dat de afname van geluk in recessies veel groter is dan de toename in perioden van groei. De onderzoekers melden dat die afname tussen de twee en acht maal groter is dan de toename, afhankelijk van land en periode. In de landen van de Europese Unie is de afname zes maal zo groot dan de toename.

Dat dit zo is, klopt met het al bekende inzicht, o.a. naar voren gebracht door Baumeister en door Kahneman en Tversky, dat wij mensen geneigd zijn om sterker te reageren op negatieve ontwikkelingen dan op positieve. In ons evolutionaire verleden was het waarschijnlijk beter om meer op tegenslag en bedreigingen gespitst te zijn dan op voorspoed. Een keer een bedreiging over het hoofd zien, kan immers fataal zijn.

Daarmee samenhangend hebben wij een sterke afkeer van onzekerheid. Dezelfde economische groei in een bepaalde periode maakt dan minder gelukkig als dat gepaard is gegaan met op- en neergang dan wanneer de groei gestaag en doorlopend is geweest. De toenames van geluk in goede tijden worden in dat eerste geval tenietgedaan door de grotere afnames in slechte tijden.

Het mooie is dat de onderzoekers dit ook naar voren brengen als een verklaring voor het bekende gegeven dat economische groei ons niet gelukkiger lijkt te maken. Ik opperde die verklaring nu bijna een jaar geleden in het bericht Mensen hebben liever een gestage geringere inkomenstoename dan een per saldo grotere, maar met ups en downs. En over wat dat voor het beleid betekent. Daarin stond het plaatje hieronder, dat laat zien dat bij een sterke stijging van het gemiddelde inkomen van Amerikanen tussen 1957 en 2002, het percentage van mensen dat zich zeer gelukkig voelt, precies gelijk is gebleven.

Money doesn't buy happiness
Een verklaring hiervan is dus dat die inkomenstoename het saldo is geweest van toenames en afnames. Die afnames waren er door recessies en werkloosheid. En die hebben er wat geluk betreft meer ingehakt dan de toenames.

Conclusie: politici, hou er alsjeblieft rekening mee dat mensen zekerheid nodig hebben. Dat is niet een zwakke eigenschap die je met schouderophalen en "kom op!" kunt afdoen. Zo zitten wij mensen in elkaar.

Maar degenen die het goed hebben, en het goed blijven hebben in tijden van recessie, hebben daar geen boodschap aan. Politici, die het ook meestal goed hebben, zouden daarvan doordrongen moeten zijn. Laat dus periodes van recessie niet langer duren dan nodig is, als je ze al niet kunt voorkomen.

Laten we nu net in tijden leven waarin dat advies door de bezuinigers volledig in de wind wordt geslagen. Denk ook nog eens aan het bericht Werkloosheid is erger dan inflatie. Vertel het de politici!

zaterdag 14 april 2012

Een beleid dat een gelijkere verdeling bevordert is de beste weg om uit de huidige crisis te komen

Vandaag geeft Peter Bofinger, over wie ik eerder berichtte, een presentatie op de INET-conferentie in Berlijn. Peter Bofinger is lid van de Raad van Economische Experts die de Duitse regering adviseren ("de vijf wijze mannen"). Hij is kritisch over het huidige beleid van de regering-Merkel in de eurocrisis. En neemt daarmee in die Raad een minderheidsstandpunt in.

In het paper dat hij vandaag presenteert (hier te downloaden), gaat hij in op het verband tussen inkomensongelijkheid en economische groei. Hij analyseert de periode tussen 1995 en 2005, die van belang is voor het ontstaan van en de verklaring voor de financiële crisis. Daarbij kijkt hij naar zowel de Verenigde Staten, de Europese landen en China. Zijn conclusie (mijn vertaling en mijn cursivering)):
Het paper komt tot de conclusie dat het recept van de beroemde na-oorlogse Duitse minister voor economische zaken, Ludwig Erhard, "Wohlstand für Alle" (welvaart voor allen) ondersteund wordt door de recente gegevens en dat een beleid dat een gelijkere verdeling bevordert de beste weg is om uit de huidige crisis te komen. Echter, de golf van "structurele hervormingen" die op het ogenblik vooral in de Europese "probleemlanden" uitgevoerd worden, verzwakken de onderhandelingsmacht van de vakbonden en werknemers en  tenderen naar een toename van de inkomensongelijkheid. Dit zal het voor de wereldeconomie nog moeilijker maken om de weg terug te vinden naar duurzame groei.

woensdag 25 januari 2012

Van welke persoonlijke en maatschappelijke problemen is bekend dat ze mede veroorzaakt worden door de sociale omgeving?

Analoog aan de (vereenvoudigde) redenering achter het Paleo Dieet kun je een redenering opzetten over de (mogelijke) wenselijkheid van een sociale omgeving die de Paleo Sociale Omgeving dichter benadert. Dat wil zeggen, dichter dan het soort sociale omgeving waarin de meeste mensen in onze huidige maatschappij opgroeien en hun leven leiden. Zie dit bericht. Die redenering zou, denk ik, uit de volgende vier stappen bestaan:
  1. Een inventarisatie van de in onze maatschappij bestaande persoonlijke en maatschappelijke problemen waarvan we weten dat ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving van mensen.
  2. Aanwijzingen dat die kenmerken van de huidige sociale omgeving niet of veel minder aanwezig waren in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars.
  3. Aanwijzingen dat die persoonlijke en maatschappelijke problemen (zie stap 1) niet of veel minder aanwezig waren in de jagers-verzamelaars maatschappijen. En aanwijzingen dat die jagers-verzamelaars niet te kampen hadden met andere persoonlijke en maatschappelijke problemen die wij niet meer kennen.
  4. Vinden van (praktisch toepasbare) mogelijkheden om onze huidige sociale omgeving dichter in de buurt te brengen van de Paleo Sociale Omgeving.
Ik maak nu een begin met stap 1.

Voor zover ik de sociaalwetenschappelijke onderzoeksliteratuur ken, zijn er voor de volgende vijf persoonlijke/maatschappelijke problemen aanwijzingen dat  ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving:
  1. gezondheidsproblemen
  2. problemen met het cognitief/intellectuele functioneren
  3. criminaliteit en algemener: asociaal gedrag
  4. economische stagnatie en economische instabiliteit
  5. problemen met het functioneren van de democratie.
Voor deze vijf problemen zal ik in komende berichten een overzicht proberen te geven van het onderzoek dat licht werpt op de mate waarin en de manieren waarop deze problemen voortkomen uit kenmerken van de sociale omgeving waarin mensen verkeren. Dat gaat vaak over onderzoek waarin personen worden vergeleken die qua sociale omgeving van elkaar verschillen. Bijvoorbeeld onderzoek waarin mensen die weinig persoonlijke relaties hebben (die eenzaam zijn) worden vergeleken met mensen die meer of veel persoonlijke relaties hebben. Maar het gaat ook over onderzoek waarin landen worden vergeleken, bijvoorbeeld landen waarvan de bewoners elkaar onderling veel vertrouwen en landen waarvan de bewoners elkaar juist weinig vertrouwen.

Daarmee bouw ik voort op werk dat ik al eerder heb gedaan en dat een deel van de stof uitmaakte van het vak Sociale Welvaart dat ik tot 2008/2009 aan de sociologie-opleiding van de Groningse universiteit doceerde. Zie dit bericht voor een beschrijving van dat vak. Sinds die tijd is er natuurlijk voortschrijdend inzicht bij mijzelf, maar is er ook veel interessant sociaalwetenschappelijk onderzoek bijgekomen.

zondag 11 december 2011

De mythe dat ongelijkheid nodig is voor economische groei

Eerder, in dit bericht, linkte ik naar een studie van het IMF die aantoont dat grotere inkomensongelijkheid slecht is voor stabiele economische groei. Vandaag gaat Eduardo Porter in de New York Times op hetzelfde onderzoek in. Grote ongelijkheid is bevorderlijk voor boom-and-busts, een economie dus die van crisis naar crisis wankelt. En dat komt door deregulering en het onverantwoordelijke gedrag van de rijken dat daarmee wordt uitgelokt. En door overmatige schulden die voor de middenklasse en de armen nodig zijn om hun consumptie op peil te houden.

maandag 17 oktober 2011

Inkomensongelijkheid is slecht voor (stabiele) economische groei - vervolg

Er is een nieuw boek uit van Robert H. Frank over de negatieve gevolgen van inkomensongelijkheid voor economische groei. De, niet zo goed gekozen, titel is The Darwin Economy. Aan deze column van Nicholas D. Kristof ontleen ik dat van 65 geïndustrialiseerde landen de landen met meer inkomensongelijkheid gemiddeld een lagere economische groei vertoonden. Bovendien was per land de economische groei lager in periodes met grotere inkomensongelijkheid dan in periodes met lagere inkomensongelijkheid.

donderdag 13 oktober 2011

Inkomensongelijkheid is slecht voor stabiele economische groei

Oké, inkomensongelijkheid heeft negatieve sociale gevolgen. Maar daar staan toch grote economische voordelen tegenover? Inkomensverschillen moeten toch aan de grote kant zijn om te zorgen voor voldoende prikkels om onderwijs te volgen, hard te werken en carrière te maken? Rijkdom laat toch aan iedereen zien wat je met hard werken kunt bereiken? En rijken zijn toch goed voor de economie omdat ze met hun bestedingen de economie aanjagen, waar iedereen van profiteert ("trickle-down")?

Nou, nee.

Deze analyse van medewerkers van het IMF (International Monetary Fund) laat zien dat grotere inkomensverschillen wel op korte termijn samen gaan met hogere economische groei, maar op langere termijn juist niet. Meer inkomensgelijkheid is bevorderlijk voor stabiele economische groei. De Gini-coëfficiënt  is een maat voor de inkomensongelijkheid; hoe hoger het getal, hoe meer ongelijkheid. Een daling van de Gini-coëfficiënt van 40 naar 37 gaat samen met een verlenging van 50 procent van de te verwachten periode van economische groei.

De meest opvallende illustratie hiervan is dat zowel voorafgaand aan de beurscrash van 1929 als de kredietcrisis in 2008 de inkomensverschillen sterk groeiden (mede door een "boom" in de financiële sector).