Posts tonen met het label empathie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label empathie. Alle posts tonen

dinsdag 23 februari 2021

Ervaren zorgzaamheid lokt zorgzaamheid uit - Over het wel of niet opgroeien in een veilige wereld

Mensen zijn ten behoeve van hun omgang met anderen toegerust met twee onderling strijdige gedragspatronen, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Als ze vanaf hun geboorte in het gezin waarin ze opgroeien gemeenschapsgedrag ervaren, in de vorm van de zorg die ze krijgen, dan wordt hun aanleg tot gemeenschapsgedrag getriggerd. (Later, op school en in hun volwassen leven, komen ze in aanraking met het in onze maatschappij eveneens bestaande statuscompetitiegedrag en leren ze, de een meer de ander minder, om zich daarop in te stellen.)

Er is veel onderzoek dat bevestigt dat kinderen die van jongs af aan de zorgzaamheid van het gezin ervaren, al heel vroeg gemeenschapsgedrag (of pro-sociaal gedrag) vertonen. In de zin dat ze doorhebben dat iemand hulp of troost zou kunnen gebruiken en die ook geven als ze de leeftijd hebben bereikt om daartoe in staat te zijn. 

En er is, helaas, het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen die al heel vroeg die zorgzaamheid ontberen. Dan gaat het om kinderen die in een gezin verwaarloosd, mishandeld of misbruikt worden. Maar er is ook het onderzoek naar de Roemeense weeskinderen die onder erbarmelijke omstandigheden opgroeiden in inrichtingen, waar ze goeddeels aan hun lot werden overgelaten. Met vreselijke gevolgen voor hun sociale ontwikkeling. In een overzicht van dat onderzoek (Orphans' Lonely Beginnings Reveal How Parents Shape A Child's Brain) lees je over een van die kinderen, die op 11-jarige leeftijd door een gezin werd geadopteerd. Dat ging in het begin wel goed, maar er kwamen al gauw grote conflicten. Daarop later terugziend, legde hij uit hoe dat kwam:

"I respond better when you beat me, or when you smack me around," he says. "That never happened. When you show me kindness, when you show me love, compassion, it seemed to make me even more angrier."

Als de zorgzaamheid ontbreekt, dan is er een "terugval" in dat andere patroon, dat van de statuscompetitie, met de aanpassing van de gehoorzaamheid en onderdanigheid. En met het onvermogen om zorgzaamheid te herkennen als een signaal voor veiligheid.

In die lijn van onderzoek naar kinderen die wel in een gezin opgroeien is er nu de nieuwe studie Caring babies: Concern for others in distress during infancy, met Carolyn Zahn-Waxler als laatste auteur, een grote naam op dit gebied. De onderzoekers volgden 165 3 maanden oude Israëlische zuigelingen toen ze 6, 12 en 18 maanden oud waren. Ze gingen na hoe de kinderen reageerden op het zien van iemand (een onderzoekster, de moeder) die zich bezeerde. Die reacties werden gefilmd en werden beoordeeld door waarnemers die niet op de hoogte waren van wat de kinderen hadden waargenomen.

Daaruit kwam naar voren dat kinderen al vanaf 3 maanden blijk geven van empathische bezorgdheid, dus van het besef dat de ander pijn heeft en van meeleven. Voor kinderen waarvoor dat met 3 maanden meer gold, gold dat ook meer op de latere tijdstippen. Ook was voor hen de kans groter dat ze met 18 maanden pogingen deden om de ander te helpen of te troosten. Het kan zijn dat die verschillen samenhangen met verschillen in de in het gezin ervaren zorgzaamheid, maar daar kan dit onderzoek niets over zeggen.

Een en ander haalt de stadia-theorie onderuit, die stelt dat kinderen beginnen met het reageren met self-distress, dus met het reageren met eigen verdriet op het verdriet van de ander, en pas gaandeweg empathische bezorgdheid leren. Dus geboren worden als kleine egoïstjes ("jij maakt mij verdrietig") en pas later leren om zich over een ander zorgen te maken. Nee, dat zorgen maken over een ander is er al met 3 maanden. Dat pleit dus voor ervaren zorgzaamheid als "oorzaak". Die ervaring is er immers vanaf de dag van de geboorte.

Voor die empathische bezorgdheid maakte het niet uit of het de onderzoekster was die zich bezeerde of de eigen moeder. Wat er dus op wijst dat de ervaren zorgzaamheid de eigen zorgzaamheid triggert, niet alleen voor de zorggever, maar ook voor anderen. Anders gezegd, de zorgzaamheid van de eigen moeder is een signaal voor een zorgzame, veilige, wereld, waarin dus geen onderscheid hoeft te worden gemaakt. 

De harde les van de noodzaak van het maken van onderscheid komt kennelijk pas veel later, als kinderen de wereld buiten het gezin binnenkomen en geconfronteerd worden met de onveiligheid van de statuscompetitie  die daar ook kan heersen. Denk aan het probleem van het pesten op scholen.

maandag 30 november 2020

Het cluster van de morele gemeenschapsintuïties - Over empathie en rechtvaardigheid

Onze morele gemeenschapsintuïties lijken eruit te bestaan dat we vinden dat je met anderen rekening moet houden en hen moet bijstaan als dat nodig is (de intuïtie van de zorg voor anderen), dat je anderen in hun waarde moet laten (de intuïtie van het niet willen overheersen) en dat je rechtvaardigheid hoort na te streven. Zie het bericht Wat is het echte onderscheid tussen de progressief/linkse en de conservatief/rechtse morele intuïties?

Klopt het dat die drie intuïties inderdaad met elkaar samenhangen? In de zin dat als je mensen vergelijkt, het toegerust zijn met de ene intuïtie samengaat met de andere twee? En dat je mensen dus goed kunt indelen naar de mate waarin ze alle drie onderschrijven dan wel dat niet doen. Anders gezegd, vormen die drie intuïties een cluster?

Een aanwijzing in die richting komt naar voren uit de al in 2016 verschenen studie Empathy and motivation for justice: Cognitive empathy and concern, but not emotional empathy, predict sensitivity to injustice for others met Jean Decety als eerste auteur.

Daaruit blijkt namelijk dat mensen die meer blijk geven van empathische bezorgdheid ook degenen zijn die gevoeliger zijn voor onrechtvaardigheid. Want die empathische bezorgdheid brengt ons er toe om anderen bij te staan en om anderen in hun waarde te laten. Het vermogen tot empathie, tot het meeleven met anderen en het je in anderen kunnen verplaatsen, is immers een belangrijke element van pro-sociaal gedrag. Zie nog eens, uit 2011, Empathie en de duale menselijke sociale natuur, waarin het ook ging over Jean Decety.

Wat dus het toegerust zijn met de eerste twee intuïties bevordert, draagt ook bij aan de aanwezigheid van de derde, de gevoeligheid voor onrechtvaardigheid. En uit hetzelfde onderzoek blijkt dat ook de afwezigheid van die drie intuïties een cluster vormt, dat zoals was te verwachten samenhangt met de neiging tot psychopathie (anderen willen overheersen, egoïstische impulsiviteit, koudhartigheid).

Interessant is dat die gevoeligheid voor onrechtvaardigheid niet alleen betrekking kan hebben op de relatie tussen jou en anderen, maar ook op relaties tussen die anderen. Waar jezelf niet bij betrokken hoeft te zijn. Toch zijn mensen dus in staat om rechtvaardigheidsoordelen te hebben over zulke relaties die verder van henzelf af staan. En zelfs rechtvaardigheidsoordelen over maatschappelijke verhoudingen. Ook al er uit blijkend dat die morele gemeenschapsintuïties samenhangen met het progressief/linkse politieke denken.

Daarmee komt weer overeen dat die gevoeligheid voor rechtvaardigheid specifiek samenhangt met het meer cognitieve facet van empathische bezorgdheid. Dus met het je kunnen verplaatsen in anderen, met het je kunnen voorstellen dat je in hun schoenen zou staan. Het andere facet is de meer affectieve kant van empathie, het meeleven met iemand, het voelen van wat de ander voelt.

dinsdag 19 november 2019

Fundamenteel sociaal zijn betekent ook dat je niet alleen begrijpt wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft

De lange periode dat mensen als jager-verzamelaars er voor hun overleving op waren aangewezen om samen te werken en te delen, heeft er voor gezorgd dat wij een heel fundamenteel sociaal groepsdier zijn.

Wat dat zoal betekent, zagen we in het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie.

Zo zorgt de spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, er voor dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover anderen. Anders gezegd, de rusttoestand van onze hersenen is die van een sociaal wezen.

En de werking van ons autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, blijkt synchroon te gaan lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden. Waardoor we in staat zijn tot onderlinge empathie, tot het zich in elkaar kunnen verplaatsen.

Wat dat nog meer inhoudt, wordt duidelijker uit de nieuwe studie Chimpanzees help others with what they want; Children help them with what they need, met Michael Tomasello als mede-auteur.

Het onderzoek vergelijkt het hulpgedrag van driejarige mensenkinderen met dat van chimpansees. Met een ingenieuze opzet, die het mogelijk maakt te onderscheiden tussen helpen als de ander om hulp vraagt en helpen als reactie op wat de ander nodig heeft, ook al vraagt hij om iets anders. In dat laatste geval heeft de helper meer informatie dan de hulp vragende en laat hij zich daardoor leiden. De onderzoekers noemen dat "paternalistisch helpen", dat wil zeggen, helpen met inzicht in waar de ander behoefte aan heeft.

Het blijkt dan dat zowel de kinderen als de chimpansees helpen als de ander daarom vraagt. Maar in die gevallen waarin paternalistisch helpen mogelijk was, gingen kinderen daar wel toe over en de chimpansees niet. Kinderen bleken wel inzicht te hebben in wat de ander echt nodig had en dat dat verschilde van waar hij om vroeg. Chimpansees reageerden daarentegen alleen op de hulpvraag.

Dat is een intrigerend verschil. Dat chimpansees groepsdieren zijn, lijkt te betekenen dat ze bereid zijn de ander bij te staan als die aangeeft die bijstand nodig te hebben.

Dat mensen groepsdieren zijn, lijkt daarenboven te betekenen dat ze bereid zijn om het welzijn van de ander te dienen, ook al gaat dat in tegen waar de ander zelf om vraagt.

En dat laatste is te verwachten als een resultaat van een evolutionair verleden waarin je op onderlinge samenwerking en delen was aangewezen. Waarin jouw welzijn er ook van afhing of het met de anderen wel goed ging.

En dat stelde hogere eisen aan je empathisch vermogen. Om goed te kunnen samenwerken en om goed te kunnen delen, moet je niet alleen kunnen begrijpen wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft.

maandag 17 september 2018

Persoonlijkheid en empathie in de politiek - Meer empathie, sympathie en compassie bij politiek links dan bij politiek rechts

In onze tegenwoordige maatschappij, waarin we naast de kleine kring van vertrouwde anderen ook het veelomvattende sociale domein kennen van onpersoonlijke, anonieme contacten en zelfs van vreemden waarover we alleen indirect informatie hebben, is er veel ruimte voor de ontwikkeling van een breed scala aan persoonlijkheidsverschillen. Die verschillen blijken in kaart te kunnen worden gebracht met de dimensies van de zogenaamde Big Five:
  • Openheid versus geslotenheid (open staan voor nieuwe ervaringen tegenover conservatief en traditioneel)
  • Nauwkeurigheid/zorgvuldigheid versus slordigheid
  • Extraversie/sociabiliteit versus introversie/terughoudendheid
  • Vriendelijkheid versus egoïstisch/koud/wantrouwend
  • Emotionele stabiliteit versus snel ongerust en angstig zijn
We zagen eerder dat er in een eenvoudiger en kleinschaliger samenleving eerder een Big Two bestaat: persoonlijkheidsverschillen zijn gereduceerd tot verschillen in pro-socialiteit (hoe hulpvaardig je bent) en in ijver (hoeveel je je inspant voor het collectief). Die twee samengenomen overlappen nogal met de vierde dimensie van de Big Five: of je vriendelijk bent tegenover anderen of daarentegen egoïstisch, koud en wantrouwend. In termen die op dit blog vaak terugkomen: of je meer gemeenschapsgedrag vertoont of daarentegen meer statuscompetitiegedrag.

Een sociaalwetenschappelijk onderzoeksthema is hoe persoonlijkheidsverschillen in de tegenwoordige maatschappij uitwerken op politiek-ideologische houdingen. 

Zo weten we uit onderzoek dat het onderscheid tussen politiek links (liberal) en politiek rechts (conservative) sterk samenvalt met dat onderscheid tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Mensen die centrum-links stemmen, scoren hoger op vriendelijkheid dan mensen die centrum-rechts stemmen en wat waarden betreft, staan ze meer voor gelijkheid en zorg voor zwakkeren.

Uit de nieuwe studie Are Liberals and Conservatives Equally Motivated to Feel Empathy Toward Others? blijkt nu dat dit onderscheid overeenkomt met het verschil in de mate van empathie die mensen voelen voor anderen. Het onderzoek werd uitgevoerd in de Verenigde Staten, Israël en Duitsland en laat zien dat mensen die zichzelf meer politiek links positioneren meer gemotiveerd zijn om empathie, sympathie en compassie met anderen te voelen dan mensen die zichzelf meer politiek rechts positioneren. 

Ook ging links zijn gepaard met een grotere bereidheid om hulp te verlenen dan rechts zijn. Wat weer geheel verklaard werd door dat verschil in empathie, sympathie en compassie.

Kortom: persoonlijkheidsverschillen hebben hele reële uitwerkingen op politieke houdingen.

woensdag 18 oktober 2017

Achter "Eigen volk eerst" gaat "Ik eerst" schuil - De Sociale Dominantie Oriëntatie en egoïsme gaan samen

Mensen met een hoge score op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) hebben sterk de neiging om de sociale wereld te zien als een statushiërarchie van groepen. In dat beeld behoren zij zelf tot de groep die bovenaan staat en dus superieur is aan alle anderen. Je SDO is hoger naarmate je het meer eens bent met uitspraken als:
  • Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen
  • Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere
  • Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen
Je komt hogere scores op die SDO vooral tegen bij stemmers op rechts-extremistische partijen, zoals in Nederland bij PVV-stemmers. Zie PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment.

De nieuwe studie More for Us or More for Me? Social Dominance as Parochial Egoism stelt de vraag aan de orde hoe je dat superioriteitsgevoel ten opzichte van de eigen groep (zoals "Eigen volk eerst") moet duiden. Gaat de neerbuigendheid en vijandigheid tegenover andere groepen juist samen met meer solidariteit en generositeit ten opzichte van leden van de eigen groep? Als dat zo zou zijn, dan kun je denken dat degenen met een hoge SDO even pro-sociaal zijn als anderen, maar dat bij hen die pro-socialiteit meer geconcentreerd is binnen de eigen groep.

Maar het zou ook kunnen zijn dat die SDO samengaat met een hoge individuele dominantie oriëntatie. Anders gezegd, binnen die eigen groep beschouwt iemand met een hoge SDO zichzelf als superieur aan anderen en is hij niet solidair maar integendeel egoïstisch. Het gaat dan dus om het willen overheersen, over andere groepen en over andere leden van de eigen groep. En het gaat om een algemene vijandigheidstrek, vijandig tegenover andere groepen en tegenover andere leden van de eigen groep.

Voor dat laatste zijn er al wel aanwijzingen. Want we weten al dat een hoge SDO-score samengaat met meer narcisme, Machiavellianisme en zelfverheffing en met minder empathie en altruïsme.

De resultaten van dit nieuwe onderzoek versterken deze aanwijzingen. In drie experimenten konden leden van een meerderheidsgroep (blanken in de V.S., Christenen in de V.S., Joden in Israël) keuzes maken tussen samenwerken met alleen leden van de eigen groep, met de eigen groep en met leden van de minderheidsgroep (zwarten in de V.S, Moslims in de V.S., Arabieren in Israël) en egoïstisch niet-samenwerken. Het ging steeds om keuzes in het kader van een zogenaamd meer-persoonsgevangendilemma. (Volg de link voor uitleg daarover.) Als de keuzes gemaakt waren, werd bij iedereen de SDO-test afgenomen.

Het bleek toen dat degenen met een hogere SDO-score zoals verwacht minder bereid waren om samen te werken met de minderheidsgroep. Dus inderdaad "Eigen volk eerst". Waren ze dan juist meer bereid om met de eigen groep samen te werken? Nee, dat bleek niet het geval. Met betrekking tot de eigen groep waren ze net zo egoïstisch of coöperatief als degenen met een lagere SDO. Update. Anders en misschien duidelijker gezegd: hun weerzin tegen samenwerking met leden van de minderheidsgroep werd niet gecompenseerd door hun grotere bereidheid om met leden van de eigen groep samen te werken.

Conclusie van de onderzoekers:
These findings shed new light on the claim that individuals higher in SDO view the world as a competitive jungle governed by “ruthless, amoral struggle for resources and power in which might is right and winning is everything” (Duckitt, Wagner, du Plessis, & Birum, 2002, p. 92). Specifically, they show that, at the intergroup level, these perceptions fuel ideological support of intergroup hierarchy, while at the intragroup level, they seem to fuel behavioral selfishness. The covariation of these ideological and behavioral tendencies gives rise to the pattern we labeled parochial egoism.

vrijdag 14 april 2017

Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie

Mensen zijn fundamenteel sociaal. In de zin dat de spontane activiteit in onze hersenen in een toestand van rust, ons er op voorbereidt om snel de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. De spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, "zorgt er voor" dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover mensen. Dat is de uitkomst van de studie The Default Mode of Human Brain Function Primes the Intentional Stance (pdf).
Zo begon het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? van al weer meer dan een jaar geleden. Nu kreeg ik de studie Interpersonal Autonomic Physiology: A Systematic Review of the Literature onder ogen, die verslag doet van een review van onderzoek naar interpersonele fysiologische synchronie.

Het is een uitgebreide studie die ik hier niet volledig kan samenvatten, al was het maar doordat ik maar beperkt op de vereiste deskundigheid kan terugvallen. Maar ik maak er hier wel melding van omdat het fascinerende lectuur is. En omdat het een ander aspect betreft van hoe fundamenteel sociaal wij zijn dan waar het in dat vorige bericht over ging.

Ultrakort samengevat gaat het om onderzoek dat er op wijst dat de werking van ons autonome zenuwstelsel er toe neigt om synchroon te gaan lopen met dat van anderen, vooral met anderen die ons vertrouwd zijn. Dat autonome zenuwstelsel bestaat uit het sympathische systeem dat ons activeert als dat nodig lijkt (fight or flight) en het parasympathische systeem dat gericht is op rust en herstel (rest and digest). Die twee systemen zijn op elkaar afgestemd en maken het ons mogelijk om, meestal adequaat, te anticiperen en te reageren op uitdagingen zonder dat we daar bewust bij hoeven na te denken.

Veel onderzoek laat dus zien dat de werking van dat autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, synchroon gaat lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden.

En die mate van synchronie lijkt weer samen te hangen met onderlinge empathie en wederzijds vertrouwen. Dat wil zeggen, onderzoek naar die synchronie tussen therapeut en cliënt, tussen echtparen, tussen ouders en kind en tussen teamgenoten lijkt daar op te wijzen. Waarschijnlijk kun je die synchronie beschouwen als het fysiologische substraat van hechtingsprocessen.

En er lijkt een verband te zijn met de omstandigheid dat wij maar beperkt in staat zijn om onze emoties individueel goed te reguleren. Denk aan Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering en We verbeteren onze emotionele zelfregulering door anderen in hun zelfregulering bij te staan.

Want bij dat autonome zenuwstelsel gaat het natuurlijk over onze emoties. En als we dus die synchronie met anderen ontberen, dan zijn we voor het handhaven van ons emotionele evenwicht geheel op onszelf teruggeworpen.

En dat leert weer veel over waarom we sociaal isolement snel als een gevoel van eenzaamheid en als stressvol ervaren. Update. En het doet vermoedens rijzen over wat de vluchtigheid van sociale relaties voor ons betekent. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid.

In dat verband kwam ik via de referenties terecht op de interessante studie Relationships as Regulators van Tiffany Field. Daarover misschien een andere keer. Hier al vast de Abstract:
This paper reviews the Hofer (1984, 1996) and Field (1985, 1994) models on relationships as regulators, suggesting that relationships regulate optimal stimulation and thereby modulate arousal levels and attenuate stress. In these models, the behavioral, physiological and biochemical rhythms of individuals become synchronized within close relationships like mother-infant and peer relationships both in human and animal species, and they become more coordinated over time, with some potentially remaining stable, much like zeitgebers. Hofer supports his model by data on infant rat separation stress and Field describes “psychobiological attunement” between human infants and their mothers and between young peers. This review revisits the “relationships as regulators” model, summarizing studies on relationships between non-depressed versus depressed mothers and their infants, between infant, preschool and preadolescent friends versus acquaintances and between happily versus unhappily married couples. Although some behavioral and physiological data support Hofer’s and Field’s “relationships as regulators” model, many studies on relationships have focused instead on the effects of separation or loss. Both Hofer and Field suggest that the real question is “what was there about the relationship that was then missing after the loss?” Future research could address the question of potential mediators and underlying mechanisms for relationships becoming regulators. Potential mediators are explored here including mirror neurons, affective priming, imitation and empathy. The individuals’ rhythms and the attraction to others’ rhythms as regulators may be an epigenetic programming phenomenon, suggesting both genetic and early experience effects that endure across development.

maandag 5 september 2016

Puur altruïsme bestaat echt - En meer bij ouderen

Het is misschien de tijd waarin we leven, maar je komt vaak een cynische kijk op mensen tegen. Die houdt in dat iedereen van binnen een egoïst is die alleen op eigen gewin uit is en dat alle menselijke goedheid niet meer is dan een vernislaagje dat dient om van anderen het vertrouwen te winnen en om van hun goedgelovigheid te profiteren. Wat op altruïsme lijkt, zou dan alleen maar voortkomen uit de zorg om de eigen reputatie, om op anderen indruk te maken. Dat cynisme wordt wel verwoord met de frase Scratch an ‘altruist’ and watch a ‘hypocrite’ bleed.

Dat cynisme staat op de een of andere manier wel stoer en in een statuscompetitieve maatschappij is het altijd goed om stoer over te komen.

Maar de menselijke sociale natuur is complex en het is plausibel dat "echt", "puur" altruïsme er ook onderdeel van is. (Denk aan de Dual Mode-theorie als het gaat om die complexiteit.)

De nieuwe studie A General Benevolence Dimension That Links Neural,Psychological, Economic, and Life-Span Data on AltruisticTendencies versterkt de al bestaande aanwijzingen in die richting. Zie ook Signs of pure altruism converge in the brain and increase with age voor een samenvatting van het onderzoek.

De onderzoekers namen bij 80 personen een fMRI-scan af terwijl die keken naar verschillende verdelingen van sommen geld over henzelf en verschillende goede doelen. Ze keken in het bijzonder naar de hersengebiedjes waarin beloond worden neuraal wordt verwerkt. Bij sommige van de deelnemers waren die gebiedjes vooral actief in die gevallen dat die verdelingen voor henzelf gunstig uitvielen.

Maar bij anderen waren ze juist heel actief als er veel geld naar een goed doel ging. Wat dus laat zien dat deze personen daarbij een gevoel van beloning ervoeren. Bij hen was het besef dat een charitatieve instelling meer middelen kreeg toegediend, een aangename ervaring.

Beide blijkt dus mogelijk: de een is een egoïst, de ander een (pure) altruïst.

Interessant was dat dat pure altruïsme blijkt samen te hangen met de scores op vragenlijstjes waarmee de mate van empathische bezorgdheid en de geneigdheid tot inleving in anderen werden gemeten. Wat mensen verbaal over zichzelf vertelden, blijkt te worden "bevestigd" door hun hersenactiviteit.

Opvallend was ook dat het pure altruïsme meer voorkwam bij de ouderen. Dat kan er op wijzen dat het met de jaren groeit. Misschien hangt dat er mee samen dat we gedurende onze levensloop beter leren om andere mensen te vertrouwen, Omringd door anderen die je vertrouwt, is het makkelijker om puur altruïstisch te zijn.

Maar toch vraag je je af of dat niet anders zou kunnen. Waarom moeten mensen eerst een egoïstische en wantrouwende levensfase door alvorens uit te groeien tot elkaar vertrouwende altruïsten? Wat een verspilling.

dinsdag 12 januari 2016

Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.
Dit is een citaat uit het bericht Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici. In dat bericht en in het bericht waar ik in het citaat naar link, gaat het erover dat mensen in staat zijn tot het ontwikkelen van ingroup-outgroup indelingen en dat bovendien de maatschappij waarin wij leven tot het denken in zulke indelingen uitnodigt. Een actueel inzicht, mag je wel zeggen.

Een in de sociale wetenschappen al langer bestaand inzicht is dat negatieve vooroordelen minder worden als er meer contact is tussen groepen. Dit is bekend geworden als de contacthypothese, een term die in 1954 geïntroduceerd werd door de sociaal-psycholoog Gordon Allport (1897 - 1967). Door meer contact is er meer vertrouwdheid en we weten dat vertrouwdheid belangrijk bijdraagt aan empathie.

Er is nu nieuw onderzoek dat meer vertelt over wat voor contact, en hoeveel contact, dat dan zou moeten zijn: How learning shapes the empathic brain. Het onderzoek werd in Zwitserland uitgevoerd, waar een grote minderheid immigranten uit de Balkan woont, wat door veel Zwitsers als problematisch wordt gezien.

Stel je voor dat je een Zwitser bent. In het onderzoek word je een aantal keren met een andere Zwitser of met een Balkan-immigrant gekoppeld, waarbij na elke ronde de personen wisselen. Degene waar mee je gekoppeld bent, kan tegen inlevering van 5 Frank voorkomen dat jij een milde, maar ook weer niet prettige, schok krijgt toegediend op de rug van je hand. Maakt het dan verschil wie die ander is die daarover beslist, een mede-Zwitser of een Balkan-immigrant?

De onderzoekers gingen dat na doordat ze van te voren gemeten hadden hoe empathisch de proefpersonen reageerden op het zien van die toch wat pijnlijke ervaring van die schok door mede-Zwitsers en door Balkan-immigranten. Dit deden ze door de activiteit van de betreffende hersengedeeltes af te lezen (de personen lagen in een hersenscanner.) Meer activiteit in die gedeeltes staat voor meer empathie. Aan het eind van het onderzoek werden die metingen herhaald.

Toen bleek dat het geholpen worden door een Balkan-immigrant (door die schok te voorkomen) de empathie met die persoon, maar ook met andere Balkan-immigranten sterk verhoogde. Anders gezegd, positieve ervaringen met een lid van de outgroup generaliseerden naar de andere leden van die groep.

Bovendien bleek dat die toename van empathie tot stand kwam via een positiever gevoel over de leden van de outgroup. Een vergelijkbare toename van empathie was er niet bij de mede-Zwitsers, waar de empathie aanvankelijk al hoger was.

Hoe vaak moest je dan geholpen zijn voor dat die toename van empathie intrad? Na een grondige analyse van de gegevens kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat dit effect al optrad na een of twee keer geholpen te zijn. Leertheoretisch gezien: een of enkele positieve ervaringen met een tot dan negatieve stimulus was voldoende om je van je negatieve gevoelens te genezen.

Al met al levert het onderzoek sterke aanwijzingen op voor de geldigheid van de contacthypothese. Negatieve vooroordelen zijn te bestrijden door mensen met elkaar in contact te brengen en gelegenheden te creëren om iets voor elkaar te doen.

Dat geeft, in deze toch wat barre tijden, een beetje hoop.
(De afbeelding is afkomstig van Gordon Allport.)

vrijdag 4 december 2015

Adolescenten leren pro-sociaal gedrag door het te doen

Je zou denken dat pro-sociaal gedrag (hulpvaardigheid) wordt uitgelokt door het meeleven met anderen. En dat is ook zo. Degenen die zich gemakkelijker inleven in anderen en met hen meeleven (sympathie of empathische bezorgdheid) zijn ook meer geneigd om anderen te hulp te schieten.

Maar wat je misschien niet zou denken, dat pro-sociaal gedrag de empathische bezorgdheid vergroot, blijkt ook het geval te zijn. Onderzoekers volgden een groep adolescenten vijf jaar lang en ondervroegen hen jaarlijks over hun geneigdheid tot hulpvaardigheid en over hun empathische bezorgdheid. Zie de studie Longitudinal bidirectional relations between adolescents’ sympathy and prosocial behavior (betaalpoort).

Hulpvaardigheid werd gemeten met negen uitspraken als "I help people I don’t know, even if it’s not easy for me” en “I really enjoy doing small favors for people I do not know”. En empathische bezorgdheid met zeven uitspraken als  “When I see someone being taken advantage of, I feel kind of protective towards them”.

Doordat die metingen vijf maal herhaald werden, met steeds ongeveer een jaar er tussen, konden de onderzoekers nagaan wat de invloed was van empathische bezorgdheid op het pro-sociale gedrag een jaar later. Maar ook konden ze checken of het misschien zo was dat pro-sociaal gedrag van invloed is op de mate van empathische bezorgdheid een jaar later. En dat laatste bleek het geval te zijn. Zie de figuur.

Je ziet de vijf meetmomenten afgebeeld, met daarbij de leeftijd van de adolescenten op dat moment. De kruislingse pijlen staan voor de (statistisch significante) verbanden tussen pro-sociaal gedrag (empathische bezorgdheid) in het ene jaar en empathische bezorgdheid (pro-sociaal gedrag) in het daaropvolgende jaar. Je ziet overigens wel dat het eerste verband (.09) zwakker is dan het tweede (.16).

Het is een interessant resultaat. Want het laat zien dat die empathische bezorgdheid niet een vaste persoonlijkheidseigenschap is. Als dat zo zou zijn, dan zou het dus nooit wat worden met dat pro-sociale gedrag van iemand die zich maar slecht in anderen kan inleven en met hen meeleven.

Nee, het blijkt dat pro-sociaal gedrag die empathische bezorgdheid doet toenemen. De onderzoekers interpreteren dat als een soort positieve feedback. De ervaring van anderen bijstaan en van het zien van de gevolgen er van vergroten je geneigdheid (en/of van je vermogen?) tot empathische bezorgdheid.

Pro-sociaal gedrag blijk je dus te kunnen leren door het te doen. Learning by doing.

Je vraagt je af of wij dat wel genoeg onder ogen zien. Als je kijkt naar hoe wij onze kinderen laten opgroeien. Geven we ze wel genoeg kansen om pro-sociaal gedrag te leren? Denk ook aan Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten.

zaterdag 9 mei 2015

Meer empathie bij toenemende vertrouwdheid: nieuwe aanwijzing

Er is nieuw onderzoek dat het vermoeden versterkt dat empathie, het meeleven met anderen, versterkt wordt als de vertrouwdheid met die anderen toeneemt.

We weten al dat mensen meer meeleven met de pijn van anderen als die anderen tot het zelfde ras behoren. De nieuwe studie Racial bias in neural response to others' pain is reduced with other-race contact laat zien dat dat verschil in empathie er uit voortkomt dat mensen doorgaans meer vertrouwdheid ervaren in de omgang met mensen van het eigen ras.

De onderzoekers vonden namelijk dat Chinese studenten die vijf jaar of korter aan een Australische universiteit hadden gestudeerd en meer contact hadden gehad met Australiërs, evenveel meeleefden met de pijn van Australiërs dan met de pijn van Chinezen. In tegenstelling tot de Chinese studenten die minder contact met Australiërs hadden gehad. Bij hen was dat rasverschil in empathie nog wel aanwezig.

De mate van empathie werd vastgesteld middels een fMRI scan terwijl de proefpersonen video's zagen van personen die werden aangeraakt met de punt van een injectienaald of met een wattenstaafje. Het meer meevoelen met de pijn van die aanraking in het geval van de injectienaald kan worden afgemeten aan de activiteit van de Cortex cingularis anterior, een gebied in de hersenschors dat betrokken is bij de verwerking van pijn.

Over het algemeen wordt dus gevonden dat dat gebied actiever is als je iemand van hetzelfde ras pijn ziet lijden in plaats van iemand van een ander ras. Maar dat verschil was dus verdwenen bij die Chinese studenten die in die periode dat ze in Australië studeerden, in hun dagelijks leven meer contact hadden gehad met Australiërs. Dat bevestigt het vermoeden dat het (natuurlijk) niet om het rasverschil op zich gaat, maar om de mate van ervaren vertrouwdheid.

Hoe meer we met anderen vertrouwd zijn, hoe gemakkelijker we met hen meeleven. Empathie berust op vertrouwdheid.

Denk nog even terug aan de eerdere berichten op dit blog over het belang van vertrouwdheid, zoals Draait alles om vertrouwdheid? en Minder pesten als leerlingen elkaar beter kennen - daarom moeten scholen kleiner en dichter bij huis.

En merk het verband op met het inzicht dat meer contact helpt tegen vooroordelen.

maandag 23 maart 2015

Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici

We weten dat mensen verschillen in hun geneigdheid tot empathie, tot het zich inleven in het lot van anderen. En omdat veel van ons pro-sociale gedrag berust op het vermogen tot empathie, is dat een belangrijk inzicht. Sommige mensen zijn nu eenmaal, als onderdeel van hun persoonlijkheid, empathischer, en daarmee pro-socialer, dan anderen. Iedereen kent dat. Sommige mensen staan altijd voor anderen klaar, terwijl anderen veel terughoudender opereren.

Maar onze neiging tot empathie heeft zich evolutionair ontwikkeld samen met andere sociale vermogens. Als we een gevoel van vertrouwdheid ervaren, zoals wanneer we met anderen een gezamenlijke geschiedenis hebben opgebouwd, dan wordt onze empathie gemakkelijker aangewakkerd dan wanneer we met vreemden en buitenstaanders te maken hebben.

Het blijkt dat we zelfs in staat zijn om onze empathie uit te schakelen, buiten werking te stellen. En dat vermogen staat los van onze geneigdheid tot empathie. Of je nu naar persoonlijkheid heel empathisch of juist weinig empathisch bent, je hebt tegelijkertijd en in dezelfde mate dat vermogen om je empathie uit te schakelen.

En het lijkt er op dat die rem op empathie een soort veiligheidsmechanisme is waarzonder empathie niet als persoonlijkheidstrek zou kunnen overleven.

Die rem werkt des te sterker als er aanwijzingen zijn dat anderen niet alleen vreemden zijn, maar ook nog een bedreiging zouden kunnen vormen. Als we bedreigd worden, dan moeten we ons misschien verdedigen en dan zouden we er alleen maar last van hebben als we ons teveel zouden inleven in wat dan de vijand blijkt te zijn. We weten dan, waarschijnlijk grotendeels onbewust, een kloof tussen "wij"en "zij" te genereren, die empathie buiten werking stelt.

Aan het onderzoek naar die empathie-kloof besteedde de New York Times vorige week aandacht in een lang en lezenswaardig artikel (The Brain's Empathy Gap). Waarin vooral het werk van de cognitieve neuro-onderzoeker Emile Bruneau naar voren wordt gehaald. Die reisde niet alleen de wereld over om real-life conflicten te onderzoeken, maar deed ook laboratoriumonderzoek. Zo verdiepte hij zich in het conflict tussen Israël en de Palestijnen en tussen de Katholieken en de Protestanten in Noord-Ierland. Maar ook in de discriminatie van de Roma in Hongarije en de Tamil in Sri Lanka. Allemaal gevallen waarin de empathie-kloof lijkt te zijn ontstaan als reactie op bedreiging of wel of niet reële aanwijzingen voor bedreiging.

En in laboratoriumonderzoek toonde hij aan dat mensen, hoe empathisch ze naar aanleg ook waren, zich minder inleefden in de lotgevallen van anderen die tot een andere groep behoorden of buitenstaanders waren. Terwijl die groepen willekeurig waren ingedeeld en door niet meer kenbaar waren dan door een eigen kleur en logo op het computerscherm. Van concrete aanwijzingen voor bedreigingen was zelfs helemaal geen sprake. Kennelijk zijn we er op ingesteld om het zekere voor het onzekere te nemen.

Een interessant overzicht van onderzoek geeft Bruneau samen met anderen in het artikel Us and Them. Intergroup Failures of Empathy. Daarin vind je ook verwijzingen naar succesvolle interventies om die empathie-kloof te dichten. Naar de succesvoorwaarden is nog weinig onderzoek, maar duidelijk is al wel dat een toename van onderling contact een belangrijk ingrediënt kan zijn. Op grond van het inzicht dat gevoelens van bedreigd worden vaak niet op realiteit berusten.

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Maar het ligt natuurlijk voor de hand om er voor te zorgen dat er geen irreële beelden ontstaan over bedreigingen door andere groepen. Verantwoordelijke politici zullen zich dus hoeden voor ongefundeerde negatieve uitlatingen over bevolkingsgroepen of andere volken.

Dat lang niet alle politici zich verantwoordelijk gedragen, dat weten we helaas ook. Ik denk alleen maar even aan de negatieve stereotypering door politici (Merkel, Rutte) van de Grieken en de bijdrage daarvan aan het voort etteren van de eurocrisis.

donderdag 14 augustus 2014

Kunnen narcisten wel echt empathisch zijn?

In de studie Moving Narcissus. Can Narcissists Be Empathic? (betaalpoort) laten onderzoekers zien dat mensen die hoog scoren op een narcisme-vragenlijst net zo empathisch kunnen zijn als mensen die daar laag op scoren. Maar alleen als je hen instrueert om empathisch te zijn, om zich in een andere persoon in te leven. Daaruit kun je opmaken dat narcisten niet de vaardigheid van de empathie missen, maar de vaardigheid van de spontane empathie. Ze hebben aansporing nodig. Zie mijn bericht van eergisteren.

Maar je zou je kunnen afvragen of die empathie van narcisten wel echte empathie is. In het onderzoek werd de mate van empathie op twee manieren vastgesteld: met een vragenlijstje, dus door middel van zelfrapportage, en door meting van de hartslag(verandering).

Dat vragenlijstje is een veel gebruikt instrument om empathie te meten. In dit onderzoek moesten proefpersonen reageren op een verhaal over iemand (Chris) die net het verbreken van een relatie had meegemaakt, door middel van het wel of niet onderschrijven van uitspraken als "Om te begrijpen hoe Chris zich voelt, ben ik in staat om me in hem/haar verplaatsen", "Ik heb gevoelens van tederheid en zorg over Chris" en "Ik voel me bezorgd en onbehaaglijk als ik het verhaal over Chris lees" (mijn vertalingen).

Nu kan het zijn dat narcisten als ze een instructie uitvoeren, dat gewoon goed willen doen. Misschien omdat ze van zichzelf vinden dat ze goed zijn in het uitvoeren van instructies. Daar zou dan een hoge score voor empathie uitkomen, maar je vraagt je af of dat dan wel echte empathie is.

Maar in het onderzoek bleek ook dat de hartslagverandering van de narcisten bij het lezen van dat verhaal over Chris overeenkwam met hun verbale empathiescore en met de hartslagverandering van de (empathische) niet-narcisten. Dat zou dan toch wijzen op echte empathie?

Dat zou kunnen, maar zeker is het nog niet. Want de onderzoekers geven aan het eind van hun artikel toe dat ze geen onderscheid hebben kunnen maken tussen echte empathie en "egocentrische empathie". Bij echte empathie voel je de pijn van de ander, alsof je in zijn/haar schoenen stond. Je voelt, letterlijk, mee met de pijn van de ander. Maar bij die egocentrische empathie stel je je voor dat jijzelf die pijn zou moeten verdragen en ben je vooral met jezelf bezig. Met hoe erg dat voor jou zou zijn.

Als narcisten empathisch zijn, zoals blijkend uit hun hartslag, dan zou dat dus kunnen betekenen dat ze bovenal met hun eigen pijn bezig zijn. En dat zou meteen verklaren dat ze zich zo weinig van het lot van anderen aantrekken. Want ze vinden het onaangenaam om dat te doen.

Het is dus nog geen uitgemaakte zaak of narcisten echt empathisch kunnen zijn. Zoals vaak, er is meer onderzoek nodig.

dinsdag 12 augustus 2014

Narcisten kunnen empathisch zijn, als ze daartoe worden aangespoord. Zijn we hen dan minder gaan aansporen?

Narcisten hebben een grandioos en overdreven positief zelfbeeld en kijken op anderen neer. En als anderen minderwaardig zijn, kun je ze dus exploiteren, hen als middel gebruiken om je eigen doelen te verwezenlijken. Een en ander houdt in dat narcisten weinig empathisch zijn, zich weinig in anderen verplaatsen en vooral weinig met anderen meevoelen. Zie De donkere drie: psychopathie, narcisme en Machiavellianisme en de andere berichten op dit blog achter het label narcisme.

Maar is het gebrek aan empathie van narcisten een vaststaand gegeven of is het te beïnvloeden? Kunnen narcisten er succesvol toe worden aangespoord om meer empathisch te zijn? De nieuwe studie Moving Narcissus: Can Narcissists Be Empathic? (betaalpoort) laat resultaten zien die in die richting lijken te wijzen.

De onderzoekers laten zien dat als je proefpersonen de instructie geeft om zich in iemand in te leven en met die persoon mee te voelen, dit inderdaad leidt tot meer empathie bij degenen die hoog scoren op een narcismetest. Voor personen die daar laag op scoren, maakt het niets uit. Die zijn sowieso empathisch. Narcisten kunnen dus empathisch zijn, maar het is dan wel nodig dat je hen daartoe aanspoort.

Dit bleek zo wel op te gaan voor de door de persoon zelf gerapporteerde mate van empathie als voor een fysiologische indicator voor empathie (verandering in hartslag). Die zelf gerapporteerde empathie meet je met een vragenlijst, de Narcissistic Personality Inventory. Die verandering in hartslag wijst er op dat het ook om echte empathie gaat en niet alleen maar om het verbaal gevolg geven aan een instructie. Misschien is het dus zo dat narcisten niet een absoluut gebrek aan empathie hebben, maar dat ze er spontaan minder toe over gaan.

Dat zou een interessant inzicht kunnen zijn. Want we weten dat narcisten anderen en de maatschappij schade toebrengen. En we hebben aanwijzingen, uit onderzoek in de Verenigde Staten, dat narcisme de afgelopen decennia is toegenomen. Zie The Narcissism Epidemic. Living in the Age of Entitlement. Het kan er op duiden dat niet zozeer het narcisme op zich is toegenomen, maar dat narcisten steeds minder zijn gaan meemaken dat ze door anderen tot empathie worden aangespoord.

En dat laatste zou best eens het geval kunnen zijn. Vriendschapsnetwerken zijn kleiner geworden en vrienden verwachten empathie van elkaar. Als narcisten minder met zulke verwachtingen in aanraking komen, dan zullen ze zich dus minder empathisch gedragen.

Daar komt de in de afgelopen halve eeuw toegenomen invloed van de media bij, vooral de televisie, en die heeft er voor gezorgd dat we, integendeel, juist tot meer narcistisch gedrag worden aangespoord. Zie Zijn televisiepersoonlijkheden wel goed voor ons? Narcisme als persoonlijkheidseigenschap kan stabiel gebleven zijn, terwijl de sociale omgeving zo is veranderd dat narcistisch gedrag gemakkelijker naar buiten komt.
Update. Zie nu ook dit bericht over de vraag of die empathie van narcisten wel echt is.

donderdag 13 februari 2014

Mensen stemmen politiek rechtser nadat ze geld gewonnen hebben in een loterij

War gebeurt er toch met mensen die het beter krijgen? Dat wil zeggen die er materieel op vooruit gaan zonder dat dat voor anderen ook geldt. Die opklimmen in de statushiërarchie en/of in de inkomens- of vermogensverdeling.

Er is nu de nieuwe studie Money makes people right-wing and inegalitarian, die er op wijst dat mensen die veel geld hebben gewonnen in een loterij, daarna in het politieke spectrum naar rechts opschuiven. En de kans daarop is groter naar mate ze meer geld hebben gewonnen. Zie de Figuur, waarin de hoogte van de balkjes aangeeft hoe veel procent eerder niet rechts stemde en op het moment van onderzoek wel.

We wisten al dat een hoger inkomen de kans op een rechtse stem vergroot. Maar dat zou ook kunnen zijn ontstaan doordat mensen met meer rechtse opvattingen een grotere kans hebben op het maken van carrière en daardoor rijker zijn geworden. Misschien zijn ze ambitieuzer, competitiever en egoïstischer. Waardoor ze makkelijker opklimmen, in een maatschappij als de onze.

Dat kan waar zijn, maar nu weten we dus ook dat het gaan beschikken over meer geld mensen rechtser maakt. Ze lijken te gaan denken dat het maar beter is om de maatschappelijke ongelijkheid in stand te houden. Stemmen uit eigenbelang.

Daarbij kan helpen dat het rijker geworden zijn ook een beetje je gevoel van macht vergroot. En als het machtsgevoel van mensen toeneemt, dan blijkt dat ze daardoor minder empathisch worden. Waardoor ze zich minder van het lot van anderen aantrekken.

Daarmee komt overeen dat winnaars in een competitie kansen om verliezers agressief te bejegenen, zeg maar te vernederen, benutten. Dat wil zeggen, meer benutten dan verliezers dat andersom doen. Het opklimmen in de hiërarchie maakt dat je gaat neerkijken op de sloebers die het niet gemaakt hebben.

Het is natuurlijk een grote stap, maar zou dit ook iets te maken hebben met de wens van veel huidige machthebbers om al die sociale voorzieningen af te breken die het leven van mensen aan de onderkant wat veraangenamen?

maandag 27 januari 2014

Draait alles om vertrouwdheid?

Stilstaand bij de sociale voorwaarden voor gezondheid en pro-sociaal gedrag kun je op het idee komen dat alles draait om vertrouwdheid. Om het wel of niet voldoende omgang hebben met vertrouwde anderen. Dus met anderen met wie je een gezamenlijke geschiedenis hebt. Een gemeenschapskring. Als die er onvoldoende is, dan is eenzaamheid en/of statuscompetitie altijd dichtbij. Ongunstig voor pro-sociaal gedrag en, vanwege de stress, slecht voor welzijn en gezondheid.

Een andere keer meer over vertrouwdheid en gezondheid. Nu, in dit bericht en waarschijnlijk in enkele vervolgberichten, iets over vertrouwdheid en pro-sociaal gedrag.

We weten al dat pro-sociaal gedrag gemakkelijk tot stand komt tussen mensen die elkaar vertrouwd zijn. Zie het bericht Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever. Het deel uitmaken van zo'n gemeenschapskring zegt meer over hoe pro-sociaal iemand zich gedraagt dan informatie over de eigenschappen van die persoon. De gelegenheid maakt pro-sociaal.

Maar het is waarschijnlijk meer dan de gelegenheid. Als je bedenkt dat het met mensen, maar waarschijnlijk met zoogdieren in het algemeen, altijd twee kanten op kan, die van gemeenschap of statuscompetitie, dan dan zie je dat het voor pro-sociaal gedrag altijd nodig is om de statuscompetitie te onderdrukken. En die vertrouwdheid zou wel eens het eerste en betrouwbaarste signaal kunnen zijn dat statuscompetitie niet nodig is. Vertrouwdheid is geruststelling. Een signaal dat het niet het moment is voor vechten of vluchten of voor onderdrukking of onderdanigheid, maar voor tolerantie, welwillendheid en zelfs zo nodig goedgeefsheid.

Dat zou geheel overeenkomen met de analyse die Stephanie Preston en Frans de Waal gaven (pdf) van de ultimate en proximate oorzaken van empathie, het vermogen je in de ander in te leven en daardoor pro-sociaal te kunnen reageren op iemands noden. (Die ultimate oorzaak slaat op die oorzaken waardoor een bepaalde vaardigheid in de evolutionaire ontwikkeling van een soort is ontstaan. Terwijl de proximate oorzaak verwijst naar de omstandigheden in de omgeving waardoor die vaardigheid ook in gedrag wordt omgezet.)

 In die analyse van Preston en De Waal is een prominente rol voor vertrouwdheid weggelegd. De aanwijzingen zijn legio dat de neiging tot empathie sterk wordt aangewakkerd als de ander een vertrouwd iemand is. Of als de ander sterk met ons overeenkomt, wat we kennelijk zien als een aanwijzing voor vertrouwdheid. En we weten dat de activiteit van spiegelneuronen, waar empathie op berust, met vertrouwdheid samenhangt. Zie Empathie en de grenzen van het zelf: het belang van vertrouwdheid.

Dat zou dus kunnen betekenen dat groepsleven, het in groepen van onderlinge vertrouwdheid gaan samenleven, de vonk is geweest (de ultimate oorzaak) die de ontwikkeling van pro-sociaal gedrag in de evolutie in gang heeft gezet.

En dat is opmerkelijk. Want de twee oorzakelijke mechanismen die tot nu toe in de biologie naar voren zijn geschoven als mogelijke verklaringen voor pro-sociaal gedrag (of altruïsme) maken van vertrouwdheid weinig melding. Het gaat dan om verwantschapsaltruïsme en wederkerigheidsaltruïsme. Er is nog een derde, groepsselectie, maar die reken ik even tot het wederkerigheidsaltruïsme.
  • Verwantschapsaltruïsme stelt als verklaring dat het pro-sociale gedrag gericht is op anderen waarmee genen gedeeld worden, dus op genetisch verwanten. Daarmee wordt dus ook de verspreiding van de genen bevorderd die ten grondslag liggen aan dat pro-sociale gedrag. En inderdaad, zo kan pro-sociaal gedrag zich evolutionair in stand houden, maar dan moet het wel op verwanten gericht zijn.
  • Wederkerigheidsaltruïsme zou ook zonder de gerichtheid op verwanten kunnen bestaan, als het pro-sociale gedrag steeds tussen dezelfde personen wordt uitgewisseld. Dat elkaar bij staan bevordert ieders overleving en reproductie en het voorkomt uitbuiting door egoïstische anderen. Bij groepsselectie komt daar nog bij dat groepen onderling concurreren en dat groepen met meer onderling pro-sociaal gedrag beter zouden overleven dan groepen met minder.
 Maar zit vertrouwdheid niet eigenlijk besloten in deze mechanismen van verwantschap en wederkerigheid? Ja, dat lijkt wel degelijk zo te zijn.

Neem nu die verwantschap. Want hoewel mensen tegenwoordig in staat zijn tot het uitvoeren van een DNA-test, heeft de evolutie natuurlijk nooit gezorgd voor een perfect vermogen tot verwantschapsherkenning. En daarmee is in feite vertrouwdheid de beste benadering. Terwijl het (ultimaat) om verwantschap draait, is het (proximaat) de vertrouwdheid die het gedrag stuurt. Denk nog eens aan Over de kracht van vertrouwdheid en hechting, over die twee Japanse stellen die te horen krijgen (in de film Like father, like son) dat hun zesjarige zoontjes kort na de geboorte in het ziekenhuis zijn verwisseld.

Dat vertrouwdheid, ook bij dieren, inderdaad fungeert als benadering van verwantschap, blijkt uit de studie Pro-social behavior in rats is modulated by social experience. Onderzoekers gaven ratten de mogelijkheid om een in een buisje opgesloten soortgenoot te bevrijden. Die die benarde positie duidelijk niet waardeerde. En ze leerden hoe dat buisje open te maken.

Maar deden ze dat in alle gevallen waarin een soortgenoot was opgesloten? Als de soortgenoot iemand uit  de eigen kooi was, met hoge onderlinge verwantschap en vertrouwdheid, ja, dan werd die meteen bevrijd. Maar ook een vreemde soortgenoot werd bevrijd, dat wil zeggen, als die van hetzelfde ras was, dus in die zin een vertrouwde was. Dat gold niet voor een soortgenoot van een ander ras, die er anders uitzag en dus in die zin minder vertrouwd.

Zijn ratten dan racistisch? Nee, want het blijkt te gaan om vertrouwdheid. Als ze van te voren een poosje met een rat van een ander ras hadden samengewoond, dan werd die andere rat ook bevrijd. En: in dat geval werden zelfs ook andere ratten van dat andere ras uit hun benarde positie geholpen. Vertrouwdheid met een lid van dat andere ras was voldoende voor welwillendheid tegenover alle andere leden.

En uiteindelijk bleek dat vertrouwdheid zelfs domineerde over ras. Een rat die was grootgebracht (geadopteerd) in een groep van een ander ras, bevrijdde wel de leden van dat andere ras en niet die van het eigen ras.

Kortom, net zo als bij mensen blijkt het te gaan om met wie je contact hebt gehad en met wie je vertrouwd bent. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Tenslotte: wederkerigheid als verklaring voor pro-sociaal gedrag lijkt evenzeer gewoon te berusten op wederzijdse vertrouwdheid. Zie daarover eigen werk, namelijk: Reciprocal Altruism under Conditions of Partner Selection. Meer daarover een volgende keer.

maandag 9 december 2013

Gevoel van macht maakt mensen minder empathisch

Mensen die meer gericht zijn op het streven naar status, macht en succes zijn meer geneigd tot fraude en bedrog. Zie dit bericht. Zou dat er mee samen kunnen hangen dat mensen die meer statuscompetitief zijn ingesteld minder empathisch zijn? Ze zouden andere mensen meer kunnen zien als middelen om hun eigen doelen te bereiken en daardoor minder in hun welzijn zijn geïnteresseerd. Zijn ze manipulatief en zien ze anderen als pionnen op een schaakbord?

Als dat zo is en als je veronderstelt dat zulke mensen ook succesvoller zijn in het bereiken van machtsposities, dan zou dat verklaren waarom machtigen minder empathisch zijn. Ze waren dat al toen ze nog niet aan de macht waren en die eigenschap heeft hen geholpen om daar terecht te komen. Ze zijn erg gemotiveerd en hebben minder scrupules. Zie bijvoorbeeld Hoe komen foute leiders aan de macht? en Psychopathische leiders beoordeeld als communicatief, strategisch en creatief. Máár..... en  Zijn narcisten goed in verwerven van leiderschap en slecht in uitoefenen daarvan? 

Maar het kan, daarnaast, ook zijn dat je minder empathisch wordt als je aan de macht bent gekomen. Het bekleden van een machtspositie en het gevoel van macht dat daarmee gepaard gaat, maken dat je je minder inleeft in anderen. Je gevoel van almacht en onafhankelijkheid bedwelmen je zodanig dat anderen er niet meer toe doen. Of dat ze er alleen nog toe doen als mogelijke vijanden en rivalen. In geen geval mensen waarom je je zou bekommeren.

Aanwijzingen daarvoor komen uit de studie Power and Perspectives Not Taken, waar Rita Smaniotto mij per email op attendeerde. In vier experimenten werden proefpersonen geprimed met een hoge dan wel een lage machtspositie. Dat wil zeggen dat ze zich in de eerste conditie een voorval moesten herinneren en beschrijven waarin ze macht over anderen uitoefenden, bijvoorbeeld anderen beoordeelden. En in de tweede conditie juist een voorval waarin anderen macht over hen hadden.

Het bleek toen dat degenen bij wie dat gevoel van macht was opgewekt, zich minder goed in anderen inleefden. Een opdracht was bijvoorbeeld om met een viltstift een hoofdletter E op je voorhoofd te schrijven. Degenen met dat gevoel van macht deden dat vaker zo dat die E voor anderen in spiegelschrift was geschreven. Ook waren ze meer geneigd om een scenario uitsluitend vanuit hun eigen perspectief te interpreteren, in plaats van het perspectief van de personen die werden beschreven. En ze waren minder goed in staat om emoties van gezichten af te lezen.

Kortom, macht doet iets met je. Je wordt er minder empathisch door en empathie is de grondslag voor pro-sociaal gedrag. Met macht moeten we dus oppassen. Niet alleen kunnen de verkeerde personen aan de macht komen, daarbovenop maakt macht je tot een slechter mens.

maandag 2 september 2013

Empathie en de grenzen van het zelf: het belang van vertrouwdheid. En wat dat betekent voor de overleving van de menselijke soort

Als je ziet dat een ander pijn lijdt, dan zijn hersengebieden actief die dat ook zouden zijn als je zelf pijn leed. Dat weten we sinds de ontdekking van spiegelneuronen. In zulke gevallen is empathie, het je inleven in wat een ander voelt, niet een bewust proces waartoe je hebt besloten. Het is al gebeurd voor je er erg in hebt.

Op wat er dan precies gebeurt, werpt de nieuwe studie Familiarity promotes the blurring of self and other in the neural representation of threat (betaalpoort) meer licht. De onderzoekers vergeleken de hersenactiviteit van proefpersonen bij de aankondiging van pijn (een lichte schok) als ze die pijn zelf zouden gaan voelen en als een ander hem zou gaan voelen. In alle gevallen hield de proefpersoon de arm van die andere persoon vast. In de ene conditie was die andere persoon een vertrouwd iemand (een goede vriend of vriendin) en in de andere conditie een anonieme vreemde. Het bleek toen dat er in beide condities aanwijzingen zijn voor de werking van spiegelneuronen. De hersenactiviteit als je zelf pijn zult gaan lijden komt sterk overeen met die van het besef dat een ander pijn zal gaan lijden, of die ander nu een vertrouwd iemand is of een vreemde.

Maar toen de onderzoekers beter gingen kijken, dat wil zeggen, een andere statistische analyse gebruikten, vonden ze wel degelijk verschillen tussen die twee condities. Ze vonden toen talrijke hersengebieden die wel overlapten als de andere persoon een vertrouwd iemand was en niet als hij/zij een vreemde was.

Dit wijst er op dat ons empathisch vermogen anders uitwerkt bij vertrouwden dan bij vreemden. De onderzoekers vermoeden dat we over twee verschillende vormen van empathie beschikken. Bij een vertrouwde andere persoon ervaren we het gevoel van de andere meer alsof het ons eigen gevoel is. En dat zou kunnen zijn doordat we de ander als het ware als een deel van onszelf beschouwen. Anders gezegd, we breiden de grenzen van ons zelf uit tot de andere personen waarmee we vertrouwd zijn.

Dat vermoeden werd bevestigd door de resultaten van de IOS (Inclusion of Other in the Self)-schaal, waarop je kunt aangeven in hoeverre je je een voelt met de andere persoon, door een mate van overlapping te kiezen die het beste bij de relatie past. Want het bleek dat de hersenactiviteit in de vriend/vriendin conditie sterk samenhing met het gekozen plaatje van de IOS-schaal. Hoe groter de aangegeven overlap, dus hoe meer de grenzen van het zelf de ander omvatten, hoe groter de hersenactiviteit als de ander pijn tegemoet ziet. (Dit komt overeen met de self-expansion theory van Aron en Aron.)

Daarentegen bleek dat verband niet te bestaan als de andere persoon een vreemde was. Meer of minder overlap op de IOS-schaal was niet terug te vinden in de hersenactiviteit. De onderzoekers denken dat we, hoewel we zeker een besef hebben van de pijn die een vreemde tegemoet ziet, dat minder als een eigen, onmiddellijk gevoel ervaren. We hebben, in mijn woorden, als het ware meer vrijheid om die pijn meer of minder ook zelf te voelen.

Het lijkt een eenvoudig en niet heel verrassend resultaat. Maar de implicaties er van zijn aanzienlijk. De evolutionaire oorsprong van ons empathisch vermogen ligt voor een groot deel in de Paleo Sociale Omgeving, waarin onze verre voorouders in groepen van vertrouwde anderen samenleefden en sterk van elkaar afhankelijk waren. Het was in die omgeving van levensbelang om samen te werken en te delen. Daarvoor lijkt die uitbreiding van het zelf tot de vertrouwde anderen een een heel belangrijke voorwaarde. Niet een omgeving waarin mensen eerst nog eens rustig konden nadenken over de vraag of ze wel met anderen zouden meevoelen, om dan te beslissen of ze zouden helpen of niet. Nee, dat meevoelen en helpen ging onmiddellijk en als vanzelfsprekend. En dat is gebleken een heel succesvolle manier van samenleven te zijn.

Maar ondertussen leven we in een andere maatschappij en in een sociale omgeving met veel omgang met vreemden. Ja, daar hebben we ons aan aangepast. Wat niet wil zeggen dat we altijd onverschillig of vijandig staan tegenover vreemden. We kunnen zeer begaan zijn met hun noden, als we daarover via televisiebeelden geïnformeerd worden. Maar over het algemeen liggen we er niet wakker van. En soms geven we wat aan een hulpactie en soms geven we niets. We zijn wel wereldburgers, maar niet met volle overtuiging. Als je daar bij bedenkt dat wereldwijde solidariteit wel eens hoognodig zou kunnen zijn voor het overleven van de menselijke soort, dan kun je er niet zo maar op vertrouwen dat dat laatste ook zal lukken.

vrijdag 24 mei 2013

Meer pro-sociaal gedrag door compassietraining

Nieuw onderzoek voegt een aanwijzing toe aan wat we al weten over een van de positieve effecten van compassietraining, namelijk dat hij pro-sociaal gedrag bevordert.

Compassietraining is een vorm van mindfulness-training, die gebaseerd is op het werk van o.a. Paul Gilbert en die in Nederland onder meer wordt aangeboden door Frits Koster en Erik van den Brink. Zie hun website voor meer informatie. Compassie is de emotionele reactie van het willen zorgen voor en helpen van mensen die lijden.

In dit nieuwe onderzoek, de studie Compassion Training Alters Altruism and Neural Responses to Suffering (pdf) ging het om een compassie-meditatie training bedoeld om gevoelens van compassie te vergroten voor jezelf en voor je naasten, maar ook voor anderen, vreemden en zelfs lastige personen. De training bestond uit het twee weken lang een half uur per dag volgen van mondelinge instructies via internet of CD. Die instructies bestonden er uit dat je werd uitgenodigd om je het lijden van die anderen (en van jezelf) voor te stellen en er over na te denken. En om te wensen dat het lijden werd verlicht. Daarbij werd je gevraagd om aandacht te besteden aan je lichamelijke sensaties, in het bijzonder rondom het hart.

Het blijkt dan dat naderhand degenen die deze training hadden gevolgd, meer iemand te hulp schoten die onrechtvaardig was behandeld dan anderen die een andere training hadden gevolgd (in het herbeoordelen van emoties) en dan anderen die geen training hadden gevolgd.

Eerder onderzoek laat zien dat compassietraining het welzijn verhoogt en de werking van het immuunsysteem verbetert. Ook is eerder al gevonden dat het pro-sociaal gedrag bevordert en mensen empathischer maakt.

Maar in dit nieuwe onderzoek bleek bovendien uit hersenscans dat door de training precies die hersengebieden meer worden geactiveerd die samenhangen met het begrijpen van de toestand waarin anderen verkeren, met bewuste controle en met positieve emoties. Gebieden waarin ook het menselijke spiegelneuronen systeem werkzaam is. En gebieden die helpen om aandachtig te blijven en om informatie van buiten (over het lijden van anderen) en van binnen (de wil om te helpen) te integreren.

Dat we compassie weten te hebben voor onszelf en voor anderen lijkt een heel belangrijke bijdrage te leveren aan ons eigen welzijn, maar natuurlijk ook aan een aangename wijze van samenleven. Zonder genoeg compassie kan een menselijke maatschappij niet bestaan.

Een prachtig boek daarover is The Compassionate Mind van Paul Gilbert. Het is een van die boeken die je eigenlijk dagelijks bij de hand zou moeten hebben. Ik kocht het vorig jaar in dat prachtige boekwinkeltje The Watermill in Aberfeldy in Schotland. Ik pak het nu weer even uit de kast en mijn oog valt op p. 52 (in het hoofdstuk getiteld The Challenges of Life). Gilbert heeft het daar over het gevoel dat we in onze huidige maatschappij gemakkelijk kunnen hebben dat de wereld onverschillig is. Het gevoel dat "het niemand wat kan schelen". Ik vertaal de twee alinea's die daarop volgen:
Een andere reden waarom de onderlinge verbondenheid om ons heen gefragmenteerd is, heeft er mee te maken dat er zoveel verschillende toeschouwersgroepen zijn. Tienduizend jaar geleden groeide je op in je eigen groep en je kende iedereen behoorlijk goed vanaf de dag dat je werd geboren tot de dag dat je stierf. Relaties waren gebaseerd op reputaties van eerlijkheid en bijdragen aan de groep. Tegenwoordig gaan relaties meer over indruk maken op anderen. Mensen voelen zich vaak als acteurs op een toneel met hun levens steeds meer lijkend op een voorstelling, klaar om beoordeeld te worden, en beoordelaars - openlijk en verborgen - zijn overal.
Hoe kun je indruk maken op anderen, met je talenten en nuttigheid? Sociale vergelijking sluipt hier binnen. Jane werd vaak lastig gevallen door vragen als "Denken mijn vrienden wel dat ik een goede moeder ben? " en "Zou ik niet meer met mijn kinderen moeten doen?" Onze hersenen zijn door de evolutie zo ontworpen dat ze heel gevoelig zijn voor wat we geloven dat anderen over ons denken en voelen, omdat het voor onze mentale en fysieke gezondheid goed is om goede relaties met anderen in stand te houden. Maar als we overgevoelig zijn, in een omgeving van relatieve vreemden, dan riskeren we dat we verdwaald raken in onze eigen toneelstukjes en de beoordelingen door anderen van onze voorstellingen.
Ik zal nog eens vaker terugkomen op The Compassionate Mind.

vrijdag 22 maart 2013

Vergelijking met anderen maakt mensen minder pro-sociaal

Er is een nieuwe aanwijzing dat wij pro-sociaal gedrag collectief tot stand brengen. Of collectief verhinderen dat het tot stand komt. In de pas verschenen studie Upward and downward social comparison can decrease prosocial behavior laten onderzoekers zien dat mensen die je er toe hebt gebracht om zich met anderen te vergelijken, zich vervolgens minder pro-sociaal gedragen. Het maakt daarbij niet uit of die vergelijking opwaarts was ("anderen zijn beter dan ik") of benedenwaarts ("ik ben beter dan anderen"). En die vermindering van pro-sociaal gedrag komt tot stand doordat die vergelijking mensen minder empathisch maakt.

De onderzoekers lieten proefpersonen (studenten) een test doen en deelde hen later een van te voren bepaalde uitslag mee. Een deel van hen kreeg te horen dat ze in vergelijking met anderen opvallend goed hadden gescoord wat intelligentie, openheid en creativiteit betreft. Een ander deel vernam dat ze in vergelijking met anderen juist behoorlijk slecht hadden gescoord. En de rest kreeg geen uitslag te horen.

Twee dagen later vulden ze een vragenlijst in over hun pro-sociale gedrag in de afgelopen twee dagen. Die bestond uit een lijst met 25 pro-sociale gedragingen waarvan ze konden aangeven of ze die wel of niet hadden uitgevoerd. Denk aan "iemand in de rij voor laten gaan", "voor iemand een luisterend oor zijn", "iemand spontaan een arm om de schouder leggen", "iemand college-aantekeningen uitlenen" en "eigen plannen veranderen om iemand te helpen". Ook waren er twee vragen opgenomen over empathie, waarmee ze konden aangeven of ze wel of niet mee hadden gevoeld met anderen die het moeilijk hadden en of ze wel of niet hadden aangevoeld dat het met een vriend niet goed ging.

Uit de statistische analyses kwam naar voren dat degenen die te horen hadden gekregen dat ze slechter of beter hadden gescoord dan anderen zich minder pro-sociaal hadden gedragen dan degenen die geen uitslag van de test hadden gekregen. En dat bleek er aan te liggen dat die eerste twee groepen lager scoorden op die vragen naar empathie.

Dit wijst er op dat we minder empathisch zijn en ons minder pro-sociaal gedragen in een sociale omgeving waarin we bezig zijn met onderlinge vergelijking. Waarin we elkaar de maat nemen. Een omgeving dus waarin statuscompetitie domineert. Dat komt er mee overeen dat vergelijking met anderen ons jaloers kan maken (als anderen beter zijn) of er toe kan leiden dat we anderen minachten (als wijzelf beter zijn). Jaloezie en minachting zijn niet bevorderlijk voor welwillendheid en goedgeefsheid.

En het wijst ook op het al wel bekende nadeel van het invoeren van individuele variabele beloning (prestatiebeloning) in een organisatie. Onder bepaalde voorwaarden gaan mensen er harder door werken. Maar het gaat ten koste van de onderlinge samenwerking. Algemener: hoe meer een maatschappij op het meten en vergelijken van prestaties en op onderlinge concurrentie wil vertrouwen, hoe minder die maatschappij er op mag rekenen dat mensen zomaar en spontaan iets voor elkaar willen doen. Zie ook nog eens John McKnight over onze cultuur van statuscompetitie.

maandag 7 januari 2013

Maakt ouder worden minder empathisch? Of maakt het selectiever?

Met het ouder worden gaan je cognitieve vermogens achteruit. Je verwerkt informatie minder snel en je geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek (fulltext achter de poort) werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt er op te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze er van uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Denk er ook aan dat we bij het ouder worden, beter leren omgaan met onze emoties, minder met stress te maken hebben en geluk meer met vredigheid associëren (in plaats van met opwinding, zoals jongeren doen).