Posts tonen met het label geluk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geluk. Alle posts tonen

donderdag 27 juli 2023

Door gemeenschapsgedrag van jezelf en van anderen voel je je gelukkiger. Geen aanwijzingen voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en contact met de natuur

Het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de voorwaarden voor je gelukkig voelen is nog maar van recente datum. Verreweg de meeste studies zijn nog in deze eeuw gepubliceerd. Wat leren we van dat onderzoek?

Daarover gaat de nieuwe studie A systematic review of the strength of evidence for the most commonly recommended happiness strategies in mainstream media. De auteurs, Dunigan Folk en Elizabeth Dunn, zochten alle studies bij elkaar die waren uitgevoerd om te checken of een of meer van de vijf in de media meest aanbevolen strategieën om gelukkiger te worden, ook inderdaad het beoogde effect hadden. Die strategieën waren:

  • Dankbaarheid uiten naar anderen of gebeurtenissen in je leven door te schrijven in een dankbaarheidsschriftje, denken aan hoe gelukkig je bent, schrijven van dankbaarheidsbrieven aan anderen
  • Sociale interactie: sociale omgang en contact opnemen met vrienden en familie, gesprekken voeren met vreemden en sociabeler zijn
  • Mindfulness/meditatie of loving kindness meditation beoefenen, ademhalingsoefeningen doen
  • Fitness en fysieke activiteit: fysiek actief zijn, zoals gewichtheffen, fietsen, hardlopen, wandelen, sportbeoefening of yoga
  • In de natuur zijn: meer tijd in de natuur doorbrengen, wandelen in de natuur, planten in huis halen

Naast geluk, werden in die studies termen als subjectief welzijn, tevredenheid met het leven, positieve gevoelens e.d. gebruikt.

Van de vele gepubliceerde studies die gevonden werden, ruim 11.000, bleven er na selectie uiteindelijk slechts 57 over die aan de gestelde kwaliteitseisen voldeden. Een van die eisen was dat ze van te voren geregistreerd waren, waarmee publication bias werd uitgesloten. Dat laatste slaat op het niet ter publicatie aanbieden als de voorspelde effecten niet gevonden worden. Dat er zoveel studies afvielen, wijst er op dat er heel veel onderzoek gepubliceerd wordt, en in de publiciteit komt, dat niet aan strenge eisen voldoet.

Uiteindelijk komt daaruit naar voren dat er in feite geen aanwijzingen bestaan voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en in de natuur zijn op de mate van geluksgevoelens. Wel zijn er aanwijzingen voor positieve effecten van dankbaarheid en sociale interactie.

En laat dat nu precies zijn wat je had kunnen voorspellen als je was uitgegaan van het sociaalwetenschappelijke inzicht van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Dus van de Dual mode-theorie. Want volgens dat inzicht is het streven naar sociale veiligheid fundamenteel aan het menselijke sociale gedrag en wordt die veiligheid bereikt door gemeenschapsgedrag en sociale verbondenheid met anderen met datzelfde gedrag. Die sociale verbondenheid creëert de neurofysiologische toestand van ontspanning en daarmee de de geluksgevoelens, het subjectieve welzijn, de tevredenheid met het leven of hoe je die ervaring van ontspanning maar wilt noemen.

Kortom, die aanbevelingen om vaker dankbaar te zijn en om meer sociale omgang met anderen te hebben, die sporen geheel met dat fundamentele inzicht over de aard van de menselijke sociale natuur. Gelukkig worden is niet zo gemakkelijk in je eentje, hoeveel je ook mediteert, hoe fysiek actief je ook bent of hoeveel tijd je ook in de natuur doorbrengt. 

Als dat alles niet samengaat met het deel uitmaken van een kring van gemeenschapsgedrag over en weer, dan levert het niet veel op aan geluksgevoelens. (Dat die aanbeveling van dankbaarheid een positief effect heeft, zal er aan liggen dat je op het bestaan van die kring wordt geattendeerd.)

Een ander komt er mee overeen dat het leiden van een zinvol leven, ook wel eudaimonisch geluk genoemd, wat onder meer inhoudt dat je "actief bijdraagt aan het geluk en welbevinden van anderen", opmerkelijk positieve effecten heeft, die zelfs samenhangen met een betere werking van je immuunsysteem. Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

woensdag 9 september 2020

Of pro-sociaal gedrag je gelukkiger maakt, hangt er van af of degenen met wie je omgaat zich ook pro-sociaal gedragen - Over eudaimonisch welzijn en de Dual Mode-theorie

We zagen al aanwijzingen voorbijkomen dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt. Mensen voelen zich beter als ze anderen bijstaan, met anderen rekening houden en iets goeds doen voor anderen. 

Er is nu de pas verschenen meta-analyse Rewards of kindness? A meta-analysis of the link between prosociality and well-being, waarin het gaat om 201 onafhankelijke steekproeven met in totaal bijna 200.000 onderzochte personen. Pro-sociaal gedrag was soms informeel, zoals het helpen van vrienden, en soms formeel, zoals vrijwilligerswerk.

Over dat geheel genomen was er een zwak, maar statistisch significant, positief verband tussen pro-sociaal gedrag en welzijnsindicatoren (hedonisch of eudaimonisch geluk, psychisch functioneren en fysieke gezondheid). Dat het verband zwak is, hoeft niet te verbazen als je bedenkt dat er natuurlijk meer zaken zijn die ons welzijn beïnvloeden.

Onder dat gemiddelde zit een grote spreiding van de uitkomsten verborgen. In sommige studies was het verband veel sterker en in andere veel zwakker. De onderzoekers keken naar allerlei zogenaamde moderatoren die die verschillen zouden kunnen verklaren. Zo bleek bijvoorbeeld dat het verband groter was als het om het eudaimonische geluk ging. Daar kom ik zo op terug. Ook was het verband groter als pro-sociaal gedrag met een gevalideerde schaal was gemeten, dat wil zeggen met een vragenlijstje over hoe vaak je in bijvoorbeeld de afgelopen veertien dagen iets pro-sociaals hebt gedaan. En het verband was sterker bij informeel dan bij formeel pro-sociaal gedrag.

Zoals al eerder opgemerkt, is er het manco aan al dit onderzoek dat geen rekening wordt gehouden met de sociale omgeving van de onderzochte personen. Zie deel 3 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? Want het valt immers te verwachten dat het pro-sociale gedrag van anderen jou het veiligheidsgevoel verschaft dat jouw eigen pro-sociale gedrag uitlokt. Mensen zijn van nature altruïstisch, maar dan wel in een veilige en hen goedgezinde sociale omgeving. Zie Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt. 

En het zou goed kunnen dat de wel of niet aanwezigheid van een veilige sociale omgeving, dus van een sociaal netwerk van anderen die zich ook pro-sociaal gedragen, de belangrijkste moderator is voor het verband met welzijn. Als jij je pro-sociaal zou gedragen in een statuscompetitieve en dus onveilige of zelfs vijandige omgeving, dan wordt je daar meestal niet gelukkiger van. Vandaar immers Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Mensen zijn wel goed, maar niet gek.

Dat je gelukkiger wordt van pro-sociaal gedrag zou volgens die gedachte sterk afhangen van hoeveel anderen in jouw omgeving dat ook doen. Pro-sociaal gedrag is minder een kenmerk van individuen dan van sociale netwerken. Maar dat inzicht is nog maar heel weinig tot sociaalwetenschappelijk onderzoekers doorgedrongen.

Die gedachte wordt overigens wel opvallend ondersteund door de al genoemde bevinding van deze meta-analyse dat het verband groter is als welzijn is opgevat als eudaimonisch welzijn. Want hoe wordt dat eudaimonische welzijn gemeten? Met een vragenlijstje van 8 items waarvan twee precies slaan op de aard van die sociale omgeving, namelijk "Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol" en "Mensen respecteren mij". Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter. 

Anders gezegd, eudaimonisch welzijn is dus eigenlijk niet een individueel kenmerk, maar een kenmerk van een sociaal, "ego-gecentreerd", netwerk. Van jou en de mensen met wie je omgaat. En wat blijkt? Dan komt er precies uit wat de Dual Mode-theorie voorspelt: de mate waarin pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt, hangt af van de mate van pro-sociaal gedrag van de sociale omgeving.

woensdag 19 september 2018

Door anderen te helpen voel je je beter - Want het verhoogt je gevoel van competentie

Mensen zijn zo fundamenteel sociaal dat het iets doen voor anderen voldoening verschaft. Zie het bericht Door helpen gelukkiger - Alle onderzoek op een rij. Pro-sociaal gedrag was in het verleden zo belangrijk voor overleving, omdat het samenwerken en delen mogelijk maakte, dat er een selectieproces moet hebben plaatsgevonden op de eigenschap om je er beter door te voelen iemand anders bij te staan.

De nieuwe studie Daily Ups and Downs. An Event-Sampling Study of the Mediated Moderation of Prosocial Engagement on Well-Being vertelt iets meer over de aard van dat verband tussen pro-sociaal gedrag en voldoening.

De onderzoekers vroegen de deelnemers aan het onderzoek (383 volwassenen) om een app op hun telefoon te downloaden, die hen gedurende twee weken vier maal per dag vroeg om een kort vragenlijstje te beantwoorden over of ze in de afgelopen uren iets voor iemand anders hadden gedaan en over hoe gelukkig en hoe vitaal ze zich voelden. (Vitaliteit slaat op het zogenaamde eudaimonisch welzijn.) Ook werd hen gevraagd hoe competent, hoe autonoom en hoe verbonden met anderen ze zich voelden (de drie doelen van de zelfbeschikkingstheorie).

Het bleek toen inderdaad dat mensen zich beter (gelukkiger en vitaler) gingen voelen nadat ze in de afgelopen uren meer iets voor een ander of anderen hadden gedaan. En het bleek dat dit er vooral aan lag dat het gevoel van competentie, het gevoel controle te hebben over je lot, werd verhoogd, vooral in die gevallen waarin mensen zich daarvoor weinig competent voelden.

Het is natuurlijk maar een onderzoekje. Maar het geeft toch te denken dat mensen zich door anderen te helpen competenter gaan voelen en niet, zoals je op het eerste gezicht zou verwachten, meer verbonden met anderen.

Ik kwam op de gedachte dat de evolutie kennelijk zo "slim" is geweest om ons gevoel van controle te hebben over ons leven mede afhankelijk te maken van hoeveel we voor anderen doen. Dat kun je wel fundamenteel sociaal noemen.

woensdag 18 april 2018

Hoe minder statushiërarchie in een land, hoe minder corruptie en hoe meer welvaart en hoe gelukkiger

Over deze studie naar het verband tussen "cultuur" en "geluk" (The Happy Culture: A Theoretical, Meta-Analytic, and Empirical Review of the Relationship Between Culture and Wealth and Subjective Well-Being)  is van alles te melden, maar voor nu viel mijn oog op dit plaatje:


Afgebeeld is het verband tussen power distance en subjectief welbevinden (geluk of tevredenheid) per land.

Power distance, een van de zes dimensies waarmee Geert Hofstede culturen onderscheidde, slaat op de mate waarin mensen machts- en invloedsverschillen en daarmee gepaard gaande verschillen in privileges als onvermijdelijk accepteren en zich daarbij neerleggen. Een voorbeeld van een stelling waarmee het wordt gemeten is: “Managers should make most decisions without consulting subordinates.” In termen van het op dit blog gangbare onderscheid tussen statuscompetitie en gemeenschap slaat machtsafstand op een hoge mate waarin de statuscompetitie is neergeslagen in een stabiele statushiërarchie.

Je ziet dat het gemiddelde geluk in een land sterk daalt met een toename van zo'n stabiele statushiërarchie. Kijk even naar de plekken van Nederland en Noorwegen links bovenaan en naar die van landen als Turkije en Hongarije rechtsonderaan.

Uit de analyses blijkt ook dat het verband tot stand komt doordat meer machtsafstand (statushiërarchie) samen gaat met meer corruptie en met lagere welvaart (BNP per hoofd van de bevolking).

Het plaatje is een fraaie illustratie van het inzicht van de Dual Mode-theorie dat mensen toegerust zijn met twee, aan elkaar tegengestelde, natuurlijke sociale gedragspatronen, dat van gemeenschapsgedrag en dat van statuscompetitiegedrag, en dat zulks op collectief niveau kan resulteren in een lage mate van statushiërarchie (en meer gemeenschap) of juist in een hoge mate (en weinig gemeenschap). En van het inzicht dat het eerste "evenwicht" meer welzijn (en meer welvaart) verschaft dan het tweede.

dinsdag 10 april 2018

Door helpen gelukkiger - Alle onderzoek op een rij

Er kwam al eerder op dit blog onderzoek voorbij dat doet vermoeden dat pro-sociaal gedrag een goed gevoel geeft. Zie Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever en Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen.

Hoewel mensen dat zelf niet altijd goed doorhebben, volwassenen minder dan kinderen, is het niet heel verrassend. Want wij zijn een sociale diersoort, die in de Paleo Sociale Omgeving succesvol heeft weten te overleven door groepsgewijs samen te werken en te delen. En omdat die periode zo ongeveer 98 procent van het bestaan van de mensheid heeft uitgemaakt, zijn wij erop geselecteerd om ons prettig te voelen als we niet alleen aan onszelf denken, maar ook aan anderen.

Er is nu een overzichtsstudie, met een meta-analyse, verschenen die de aanwijzingen versterkt dat we inderdaad van pro-sociaal gedrag gelukkiger worden: Happy to help? A systematic review and meta-analysis of the effects of performing acts of kindness on the well-being of the actor.

De onderzoekers, met Oliver Scott Curry als eerste auteur, verzamelden 27 experimentele studies, waarin het ging om pro-sociaal gedrag dat ook echt werd uitgevoerd, in plaats van dat proefpersonen zich dat voorstelden. In totaal waren er ruim 4000 proefpersonen, waarvan 35 procent mannen, met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar. Wat betekent dat de meeste studies onder studenten waren uitgevoerd.

Een voorbeeld van de opzet van zo'n onderzoek is dat de proefpersonen de instructies kregen om gedurende een week elke dag vijf keer iets aardigs te doen voor iemand anders (voor iemand de deur openhouden, een vreemde groeten, iemand helpen met studeren) en daar elke avond verslag van te doen. Een ander voorbeeld is dat de proefpersonen een bedrag aan geld kregen dat ze weg konden geven of voor zichzelf konden houden. In vrijwel alle studies werd de proefpersonen gevraagd hoe gelukkig of tevreden of hoe goed ze zich voelden.

Alles bij elkaar genomen, kwam daar uit dat pro-sociaal gedrag een positief welzijnseffect heeft, dat qua grootte vergelijkbaar is met de effecten van interventies als mindfulness, positive thinking en count your blessings. De onderzoekers daarover:
Together, these results suggest that policy-makers and practitioners are correct to see kindness interventions as effective ways of improving well-being. And they support the general claim that, as social animals, humans possess a range of psychological mechanisms that motivate them to help others, and that they derive satisfaction from doing.

vrijdag 6 april 2018

Zelfverheffing is goed voor je, maar niet als het de narcistische variant is

We leven onder condities van sociale vluchtigheid. Vriendschappen zijn maar weinig stabiel. En daarnaast hebben we vaak wel veel contacten, maar die zijn vluchtig van aard. Dat is een sociale omgeving waarin mensen elkaar niet zo goed kennen, omdat ze niet een lange gemeenschappelijke geschiedenis hebben.

Hoe reageren mensen op sociale vluchtigheid. Enerzijds met pogingen om contacten met anderen aan te gaan en om die te intensiveren. Het gaat er dan om aantrekkelijk te zijn voor anderen, eventueel aantrekkelijker dan je misschien echt bent.

Maar anderzijds lokt sociale vluchtigheid ook gemakkelijk statuscompetitie uit. Anderen zijn tegenstanders in de strijd om status, bewondering en aandacht. In die strijd is het zaak om je sterk en competent voor te doen, sterker en competenter dan je misschien echt bent.

In beide gevallen kan het zijn dat je zelf ook gaat geloven in hoe je je voordoet. Omdat het lastig is altijd iets voor te wenden, ga je zelf geloven in wat je voorwendt te zijn. In de sociaalwetenschappelijke literatuur staat dat bekend als zelfverheffing (self-enhancement). Een extreme variant daarvan, waarbij je jezelf zo verheft dat je op anderen neerkijkt, is narcisme. Zie Narcisten hebben baat bij sociale vluchtigheid.

Is dat verstandig om te doen? In de zin dat je je er beter door voelt?

In zekere zin wel, want je kunt er in de statuscompetitie succes mee hebben. Zelf geloven dat je competent bent, maakt dat je zelfverzekerder overkomt, waardoor anderen gaan geloven dat je ook echt competent bent. Zie Als je maar denkt dat je geweldig bent, dan ga je je zo gedragen dat anderen ook denken dat je geweldig bent.

Maar anderzijds stort je je daarmee in de statuscompetitie en dat levert stress op.

Wat is er bekend over de welzijnseffecten van zelfverheffing? De nieuwe overzichtsstudie Self-Enhancement and Psychological Adjustment: A Meta-Analytic Review geeft daar een antwoord op.

Daaruit komt naar voren dat zelfverheffing goed voor je is in de zin dat je je er beter bij voelt (positive affect) en gelukkiger en tevredener met je leven. De onderzoekers zien dat als een bevestiging van de gedachte dat mensen een fundamentele behoefte hebben om goed over zichzelf te denken.

Maar hoe goed is het om jezelf te verheffen als je ook streeft naar goede relaties met anderen, naar verbondenheid? Als je die verbondenheid met anderen afmeet aan de mate waarin anderen jou waarderen of zich met jou verbonden voelen, dan blijkt dat jouw zelfverheffing, als die meer de kant op gaat van narcisme, juist slecht voor jou uitpakt. Je maakt er geen vrienden mee. Dan gaat het om  de variant van de agentic self-enhancement.

Dat positieve welzijnseffect lijkt dus vooral tot stand te komen door die andere variant van zelfverheffing: jezelf zien als aardiger, warmer, pro-socialer dan je misschien zelf bent (communal self-enhancement).

En dat zou kunnen wijzen op een sociaal selectieproces onder condities van sociale vluchtigheid. Narcistische zelfverheffing leidt er toe dat anderen zich van je afwenden, omdat ze doorhebben dat jij op hen neerkijkt. Daarentegen straal je met pro-sociale zelfverheffing uit dat je verbondenheid met anderen zoekt, waardoor contacten met gelijkgestemde anderen juist gemakkelijk tot stand komen.

donderdag 8 februari 2018

Terug naar het ambacht? Over ons lage welzijn als we werken - Marx' vervreemding is nog lang niet opgeheven

Ryan Avent, de auteur van THE WEALTH OF HUMANS. Work, Power, and Status in the Twenty-first Century, wijst op de trend dat witte boordenwerknemers hun baan opzeggen en een nieuw leven beginnen als ambachtsman of - vrouw.

Zie Crafting a Life, waarin het gaat over IT-professionals, managers, PR-consultants, juristen en lobbyisten, die nu ambachtelijk whiskey distilleren, bier brouwen, potten bakken, koffie branden, kleren maken, tafelzuur produceren of leer verwerken.

Op de schaal van de gehele economie is het natuurlijk nog slechts een onbeduidende ontwikkeling, maar Avent vraagt zich toch af of het niet het begin zou kunnen zijn van een lange termijn-verandering van de wereld van de arbeid. Waarin mensen weer controle hebben over hun werk en waarin hun prestaties niet voortdurend aan die van hun collega's worden afgemeten. Waarin ze persoonlijke relaties met leveranciers en klanten kunnen hebben. Waarin ze niet in een hiërarchie te hoeven functioneren.

Terug dus naar een tijd waarin je nog niet van je arbeid en van de producten van je arbeid was vervreemd. Die term doet aan Karl Marx (1818-1883) denken en die naam komt dan ook voorbij:
The living conditions of Washington’s professionals are incomparably better than those of the 19th-century workers Karl Marx observed, yet his notion that capitalism deprived labour of the deep satisfaction work can provide has a contemporary resonance in downtown Washington.
Stof tot nadenken over hoe wij de wereld van de arbeid hebben georganiseerd en hoe wij die ervaren.

Want als zo'n ontwikkeling als Ryan Avent die schildert inderdaad zou doorzetten, dan is dat niet verrassend als je bedenkt dat werk ons maar een heel laag welzijn oplevert. Ondanks dat de arbeidsomstandigheden over het algemeen veel beter zijn dan in de 19-de eeuw.

Het welzijn dat we ervaren als we aan het werk zijn, kun je meten zoals Kahneman et al dat deden in 2004. Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende haalden dat onderzoek aan in Verhoogt werk ons welzijn? Een bespreking van onderzoeksresultaten. Kahneman c.s. lieten ruim 900 werkende Texaanse vrouwen aangeven welke activiteit ze de vorige dag hadden verricht en hoe ze zich daarbij hadden gevoeld. Daaruit kwam naar voren dat de bezigheid van het werken bij positieve gevoelens (geluk, plezier, warm/vriendelijk) op de op een na onderste plek stond, net boven woon-werkverkeer. En bij negatieve gevoelens (gefrustreerd, depressief, vijandig, bezorgd, bekritiseerd) stond werk onbedreigd bovenaan.

Nu kun je nog denken dat het hier gaat om een merkwaardige onderzoeksgroep, alleen vrouwen en alleen uit Texas.

Maar twee jaar geleden verscheen ook de in Engeland uitgevoerde studie Are You Happy While You Work?, met een veel grotere onderzoeksgroep. (Bij een voorpublicatie ervan stond ik stil in dit bericht.) Het betrof 26.682 personen, die via een op hun telefoon geïnstalleerde app gemiddeld 60 keer, tussen de 2 en 5 keer per dag, aangaven hoe ze zich voelden op een willekeurig gekozen moment. Daarbij ging het om hoe gelukkig ze zich voelden, hoe ontspannen en hoe wakker.

En ook daaruit komt ondubbelzinnig naar voren hoe weinig welzijn werk oplevert in vergelijking met andere activiteiten. Want werk stond op de voorlaatste plaats, net boven "ziek in bed liggen".

Bedenk daarbij dat in de onderzoeksgroep de hogere inkomens waren oververtegenwoordigd. En die hebben over het algemeen banen met betere arbeidsomstandigheden en ze kunnen hogere eisen stellen. In een representatieve steekproef zouden de uitkomsten voor werk dus waarschijnlijk nog slechter zijn uitgevallen.

Sinds de 19-de eeuw zijn de fysieke arbeidsomstandigheden ongetwijfeld sterk verbeterd. Maar arbeid zou natuurlijk aan veel hogere eisen moeten voldoen. Denk even aan de drie fundamentele levensbehoeften volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan: verbondenheid met anderen, gevoel van autonomie en gevoel van competentie. Dan snap je meteen dat verlangen naar ambachtelijkheid waar Ryan Avent op wijst.

vrijdag 17 november 2017

Meer over waarom je met financiële prikkels ("incentives") op moet passen

Kate Raworth gaat in hoofdstuk 3 (Nurture Human Nature. From rational economic man to social adaptable humans) van haar boek Doughnut Economics in op aanwijzingen die we hebben dat het economische mensbeeld van "nutsmaximalisering" grote gebreken vertoont.

Daar gaat het bijvoorbeeld over het beroemd geworden onderzoek van Gneezy en Rustichini over de effecten van het invoeren van een boete op het te laat afhalen door ouders van hun kinderen bij de kinderopvang.

De bedoeling daarvan was dat ouders daardoor minder te laat zouden komen. Maar het omgekeerde gebeurde: door de "prijs" op te laat komen, gingen ze het te laat komen beschouwen als een "dienst" die je kon aanschaffen. In plaats van zoals eerst een morele verplichting te voelen om op tijd te zijn.

Boodschap: pas op met (economische) prikkels. Zie nog eens: Waarom het niet eenvoudig is om mensen met prikkels te beïnvloeden.

Maar Raworth noemt ook ander onderzoek dat ik nog niet kende. Zo is er de studie Prosocial behavior and incentives: Evidence from field experiments in rural Mexico and Tanzania. De onderzoekers vroegen bewoners van verschillende dorpen in Tanzania of ze dachten dat hun buurman bereid zou zijn om te helpen bij het onderhoud en verzorgen van de beplanting rondom de dorpsschool (gras maaien, bomen planten). (Ze vroegen naar de buurman om sociaal wenselijke antwoorden te voorkomen.)

Het bleek toen dat de ingeschatte hulpbereidheid het hoogst was (97%) in het geval van een in het vooruitzicht  gestelde hoge individuele beloning (een evenredig deel van een dagloon). Maar als een beloning helemaal niet werd genoemd, was de ingeschatte hulpbereidheid hoger (82%) dan wanneer een lage beloning (1/5 van dat dagloondeel) in het vooruitzicht werd gesteld (64%).

Het eerste is in overeenstemming met de economische theorie; als je maar genoeg geld biedt, dan willen mensen zich wel ergens voor inspannen. Maar het tweede is dat niet. En dat wijst erop dat de kracht van een, meer of minder normatief aangestuurde, bereidheid tot pro-sociaal gedrag groter kan zijn dan die van een financiële prikkel.

Daarnaast werd mensen ook gevraagd om daadwerkelijk mee te helpen. Ook weer onder verschillende condities, waaronder een hoge of een lage individuele beloning en geen beloning.

Op de dag dat het werk moest gebeuren, kwam iedereen opdagen. De verschillen in beloningen hadden dus geen enkel effect. Een econoom zou dat vreemd vinden, want die zou verwachten dat mensen meer zouden komen opdagen als er geld zou zijn te verdienen.

Maar interessant was vooral ook dat na afloop degenen zonder beloning (of met een collectieve beloning in de vorm van een donatie aan de school) veel tevredener waren met wat ze gedaan hadden dan degenen die een individuele beloning hadden gekregen. Van de laatste groep voelde meer dan de helft zich ongelukkig, tegenover 4% van degenen zonder beloning en 6% van degenen met de donatie voor de school.

Ook waren degenen zonder beloning veel meer bereid om in de toekomst vaker mee te helpen.

Dat komt ermee overeen dat pro-sociaal gedrag bijdraagt tot geluksgevoelens. Zie Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen.

Voor een econoom is dat niet zo goed te snappen.

woensdag 19 juli 2017

Door meer autonomie op het werk hoger welzijn

We hebben een maatschappij tot stand gebracht waarin het hebben van betaald werk heel belangrijk is voor ons welbevinden, maar waarin tegelijkertijd de activiteit van het betaald werken een van de minst gewaardeerde bezigheden is. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Dat we gemiddeld genomen zo ontevreden zijn over de activiteit van het betaald werk kan ermee te maken hebben dat de werkomstandigheden ons weinig gevoel van controle verschaffen. Wat we moeten doen en hoe we dat moeten doen wordt ons in hoge mate voorgeschreven door de leidinggevende en de omschrijvingen van de taken die we uitvoeren. Weinig autonomie op het werk dus en dat probleem neemt en dat probleem neemt volgens de cijfers van het CBS alleen maar toe.

Terwijl autonomie op het werk van groot belang is voor ons welzijn. Een baan met meer autonomie geeft minder kans op een burn out.

Nieuwe aanwijzingen voor het belang van autonomie op het werk voor welzijn en tevredenheid geeft het onderzoek Autonomy in Paid Work and Employee Subjective Well-Being. De gegevens van twee golven (2010-2011 en 2012-2013) van het Understanding Society - panel, waarin 40.000 werknemers werden ondervraagd, bevestigen de positieve welzijnseffecten van autonomie in het werk. Ook bij controle van leeftijd, opleiding, aantal kinderen en inkomen.

Leidinggevenden en managers scoren hoger op autonomie én op welzijn en tevredenheid. Het zou kunnen dat ze inzicht hebben in het verband tussen het en een het andere. Maar ze weten kennelijk in het leiding geven niet goed naar dat inzicht te handelen. Organisaties kennen nog altijd een hoge mate van hiërarchie. Of de hiërarchie op het werk is zelfs aan het toenemen. Voor Amerikaanse toestanden lees: How bosses are (literally) like dictators. Americans think they live in a democracy. But their workplaces are small tyrannies.

Hoe deze negatieve trend te keren? Het ligt voor de hand te denken dat lagere werkloosheid, volledige werkgelegenheid, erg zou helpen. Werknemers kunnen dan hogere eisen stellen. En misschien gaan we echt een ontwikkeling zien in de richting van een coöperatieve economie. Of moeten we naar het onvoorwaardelijke basisinkomen, waardoor je niet meer elke rotbaan hoeft te accepteren?

woensdag 12 juli 2017

Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen

Een maatschappij kan alleen goed functioneren als mensen met elkaar rekening houden. Anders gezegd, als mensen niet genoeg bereid zijn tot pro-sociaal gedrag, dan ontstaat een samenleving waarin het niet goed toeven is.

Dat mensen bereid zijn tot pro-sociaal gedrag zal er mee te maken hebben dat het ons een goed gevoel geeft om iets voor anderen te doen. Denk aan Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever.

In dat bericht ging het over een onderzoek met meer dan 200.000 ondervraagden verdeeld over 136 landen. Mensen die in de vorige maand geld hadden gegeven aan een goed doel waren gelukkiger of tevredener met hun leven dan mensen die dat niet hadden gedaan. Dit verband bestond in elk van de zeven onderscheiden cultureel/geografische gebieden: Afrika, Azië, Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europa, Latijns Amerika, Iran en het Midden-oosten en de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.

Ook vroegen de onderzoekers aan mensen (in een beperkter aantal landen) om terug te denken aan een besteding die ze hadden gedaan ten behoeve van iemand anders (pro-sociaal) of aan een besteding voor zichzelf. Degenen die gevraagd waren terug te denken aan een pro-sociale besteding scoorden daarna hoger op een vragenlijstje voor subjectief welbevinden dan degenen die hadden teruggedacht aan een besteding voor zichzelf. En hoger dan degenen die nergens aan hadden teruggedacht. Ook lieten ze mensen iets voor zichzelf aanschaffen of iets voor een goed doel. Ook dan voelden de mensen die iets hadden aangeschaft voor een goed doel zich beter dan degenen die iets hadden aangeschaft voor zichzelf. Dit wijst er op dat de oorzakelijke richting van het verband inderdaad die is van het iets geven naar het zich beter voelen.

De resultaten van de nieuwe studie A neural link between generosity and happiness, met Ernst Fehr als een van de onderzoekers, wijzen in dezelfde richting. De onderzoekers verdeelden de proefpersonen over een experimentele groep, die in het vooruitzicht werd gesteld dat ze geld zouden krijgen om aan anderen weg te geven, en een controlegroep met het vooruitzicht dat ze geld zouden kregen om voor zichzelf te besteden. 

Daarna waren beide groepen gelukkiger dan ze daarvoor waren, maar dat gold meer voor de experimentele groep dan voor de controlegroep. Dat zou een opvallende uitkomst zijn als je uitging van een egoïstisch mensbeeld. want die experimentele groep hield dus van dat geld dat ze kregen niets zelf over. Een duidelijke aanwijzing dat mensen juist niet van nature alleen maar egoïstisch zijn. 

Vervolgens kregen de proefpersonen in het laboratorium de gelegenheid om verschillende opties te accepteren of af te wijzen waarin een zelfgekozen andere persoon een bepaald bedrag aan geld zou ontvangen tegen een verlies aan geld voor de proefpersoon zelf. Het ging er dus om hoe pro-sociaal je bent ook als het jezelf iets kost. Die taak voerden ze uit terwijl hun hersenactiviteit werd gemeten met een fMRI-scan.

Het bleek toen dat de experimentele groep pro-socialere keuzes maakte en zich na afloop gelukkiger voelde dan de controlegroep. Dat was ook af te lezen aan de verschillen in activiteit van de hersengebieden die onder meer samenhangen met pro-sociaal gedrag (de temporaal-pariëtale junctie), met beloond worden en het hebben van een goed gevoel (het ventrale striatum en de orbitofrontale cortex) en de activiteit van de verbindingen tussen die gebieden.

Er zijn aanwijzingen dat mensen zelf niet zo goed doorhebben dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt. Dat doet je verlangen dat onderzoek als dit grotere bekendheid krijgt. Bedenk daarbij trouwens dat voorschoolse kinderen dat beter lijken door te hebben dan volwassenen. Zie Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

Zouden kinderen dat verband tussen delen en geluk gedurende het opgroeien in die maatschappij van ons door schade en schande afleren? 

woensdag 14 juni 2017

Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.

Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.

In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
  1. I think it is better to be yourself, than to be popular.
  2. I don’t know how I really feel inside.*
  3. I am strongly influenced by the opinions of others.*
  4. I usually do what other people tell me to do.*
  5. I always feel I need to do what others expect me to do.*
  6. Other people influence me greatly.*
  7. I feel as if I don’t know myself very well.*
  8. I always stand by what I believe in.
  9. I am true to myself in most situations.
  10. I feel out of touch with the ‘real me.’*
  11. I live in accordance with my values and beliefs.
  12. I feel alienated from myself.*
Hoe minder je de uitspraken met een sterretje op jou van toepassing vindt en hoe meer de andere uitspraken, hoe meer je het gevoel hebt dat je authentiek kunt zijn.

Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.

Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.

De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.)  Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.

En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.

Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?

donderdag 1 juni 2017

Er zijn twee motivaties voor pro-sociaal gedrag: streven naar geluk en voldoen aan morele verplichting

Hoe zouden kinderen (van 3 en van 5 jaar) een beloning (zes stickers) anoniem verdelen over zichzelf en een ander kind, als ze die beloning zelf verdiend hadden en ze dus niet hoefden te delen, en als die beloning samen verdiend was en er dus een gevoel van morele verplichting bestond om te delen? En waar zouden ze gelukkiger van worden, van delen in het geval dat delen niet hoeft of van delen in het geval van een verplichting?

In beide gevallen is het delen een vorm van pro-sociaal gedrag. De kinderen hadden ook egoïstisch de stickers voor zichzelf kunnen houden.

We weten dat je door pro-sociaal gedrag je geluksgevoel kunt vergroten. Ook kinderen blijken dat inzicht te hebben. Zie Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

Maar zou dat gelukseffect ook bestaan als dat delen voortkomt uit een gevoel van morele verplichting? En zou het dan dus zo zijn dat in beide gevallen de motivatie voor het delen er uit kan bestaan dat je verwacht je er gelukkiger door te voelen?

Het pas verschenen onderzoek Motivation Counts: Autonomous But Not Obligated Sharing Promotes Happiness in Preschoolers wijst erop dat dat geluksgevoel alleen optreedt in het geval van het spontane delen.

In de experimentele onderzoeksconditie waarin je spontaan kon delen, waren de kinderen die dat gedaan hadden, gelukkiger dan de kinderen die egoïstisch alle stickers voor zichzelf hadden gehouden. (De verschillen in geluk werden vastgesteld door onafhankelijke beoordelaars, die de emotionele expressie van de kinderen codeerden volgens een vaker gebruikt en gevalideerd procedé.)

Daartegenover was er in de conditie waarin er een morele verplichting bestond om te delen, geen verschil in geluk tussen de kinderen die deelden en de kinderen die alles voor zichzelf hielden.

Je ziet de resultaten in het plaatje afgebeeld. Links de conditie van het spontane (autonome) delen en rechts die van het moreel verplichte delen. De hoogtes van de staafjes staan voor de mate van geluk. In het geval van egoïstisch gedrag is het staafje blauw en in het geval van pro-sociaal gedrag oranje.



In de conditie van het spontane delen is het verschil groot genoeg om statistische significantie te bereiken. Als het delen moreel verplicht was, zie je dat het egoïstische gedrag juist gepaard ging met meer geluk, maar het verschil is niet groot genoeg om toeval te kunnen uitsluiten.

Wat natuurlijk ook opvalt is dat er in het geval van morele verplichting meer gedeeld werd dan in het geval van het spontane delen (het blauwe staafje rechts is langer dan het blauwe staafje links). Dat wijst er op dat een gevoel van morele verplichting ook inderdaad werkt zoals "bedoeld".

De resultaten zijn in de lijn met eerder onderzoek dat er op wijst dat pro-sociaal gedrag op tweeërlei wijze gemotiveerd kan zijn:
  • als een gedrag waarvan je verwacht of kunt verwachten dat je je er gelukkiger door voelt (pleasure-based prosocial motivation) 
  • of als een gedrag waartoe je je moreel verplicht voelt (pressure-based prosocial motivation). 
En dat is om over na te denken. Want pro-sociaal gedrag kan dus zowel voortkomen uit ons streven naar het goede gevoel (hedonisme) als uit onze behoefte om te voldoen aan een gevoel van morele verplichting.  Het is dus zaak om altijd beide motieven als mogelijke verklaringen en veroorzakers van pro-sociaal gedrag in de beschouwing te betrekken.

maandag 17 april 2017

Naast gehechtheid aan personen is er natuurlijk ook de gehechtheid aan plekken - Over je thuis voelen en nostalgie

In ons sociale verkeer speelt vertrouwdheid een grote rol. Na de geboorte hechten we ons aan vertrouwde zorgverleners. Met als andere kant van de medaille dat we een angst voor vreemden kunnen ontwikkelen, vooral als gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn.

Die gehechtheid aan vertrouwde anderen lijkt de uitkomst van een evolutionair proces dat ons er toe heeft aangezet om onzekerheid en risico te vermijden. Als er anderen zijn die ons goedgezind zijn, dan is het "verstandig" om die contacten in stand te houden en om nabijheid van die anderen te waarderen. Vandaar onze positieve gevoelens van gehechtheid en vertrouwdheid en negatieve gevoelens van eenzaamheid en van afgewezen zijn.

Dat mechanisme van waardering voor het vertrouwde en ongemak bij het onbekende lijkt in de evolutie al te zijn ontstaan op het moment dat organismen in staat waren zich voort te bewegen. Zodra je je kunt voortbewegen, dus bij het ontstaan van de eerste dieren, heb je te maken met de uitdaging uit te vinden waar je je het beste kunt bevinden.

En omdat je je altijd ergens bevindt, al was het maar de plek waar je leven begint, is er dus onvermijdelijk ook de grens tussen de plek die je kent en die je vertrouwd is (geworden) en alle andere plekken, die onbekend zijn en dus risico's in zich dragen. Het kan elders beter zijn, maar ook slechter.

Er is aanleiding om te denken dat de plek waar je geboren bent een goede plek is. Dat is zo doordat je moeder die plek heeft uitgekozen en op dat keuzeproces is in het verleden ook weer geselecteerd. Denk aan Bernd Heinrichs Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere dieren.

Dat doet vermoeden dat mensen niet alleen een hechting aan personen kennen, maar ook een hechting aan plekken. En onderzoek naar place attachment bevestigt dat.

In die lijn van onderzoek is er nu de studie Place Attachment Enhances Psychological Need Satisfaction.

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat hechting aan plekken psychologisch functioneert op een manier die vergelijkbaar is met hechting aan personen. Al was het maar in de zin dat nabijheid tot de plek waaraan je gehecht bent net zo je welbevinden vergroot als nabijheid tot de personen waaraan je gehecht bent.

In deze nieuwe studie gaat het om de vraag of dat positieve effect op welbevinden ook al optreedt als je je alleen maar voorstelt om op die gehechtheidsplek aanwezig te zijn.

Proefpersonen werd gevraagd om zich een plek voor te stellen waaraan ze zich gehecht voelden. Dat gebeurde met omschrijvingen als "Deze plek is een deel van wie ik ben", "Op deze plek voel ik mij het gelukkigst", "Op deze plek heb ik een gevoel van thuis zijn" en "Op deze plek wil ik blijven".

In vergelijking met andere proefpersonen die zich een neutrale plek hadden voorgesteld, bleek dat het zich een gehechtheidsplek voorstellen tot hogere scores leidden op aspecten van welbevinden.

Het lijkt een verklaring te verschaffen voor het verschijnsel van de nostalgie, dat we kennen omdat we in een maatschappij leven met een grote mate van mobiliteit. Denk even aan Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen en Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

maandag 20 maart 2017

Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

Voor het project "50 years" ben ik bezig met de vraag naar het leren van lessen uit het verleden. Die vraag kun je opvatten als de vraag naar persoonlijke ontwikkeling gedurende de levensloop. En die persoonlijke ontwikkeling kan betekenen dat je, zeg maar, beter leert te leven. Het leek me dat verschillende berichten op dit blog iets zouden kunnen vertellen over wat dat "beter leren te leven" inhoudt. Vandaar dat ik ze bij elkaar gezocht heb en hieronder heb weergegeven.


Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

(Blog 29 oktober 2011)

Iedereen wil graag gelukkig zijn, maar verstaan we wel hetzelfde onder geluk? Nee, er zijn verschillen tussen mensen in de betekenis die ze aan geluk geven. Een interessant verschil is dat naar leeftijd en dus naar hoeveel verleden iemand heeft om lessen uit te trekken.
Er zijn aanwijzingen (Mogilner, Kamvar en Aaker, 2011) dat jongeren bij geluk meer denken aan opwindende ervaringen ("excitement"), terwijl ouderen geluk meer opvatten als vredigheid ("peacefulness"). Dit lijkt er mee samen te hangen dat jongeren meer op de toekomst georiënteerd zijn en ouderen meer op het heden.

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Bij persoonlijke ontwikkeling kun je dus denken aan het leren van lessen uit je ervaringen met het oog op waar het in het leven echt om gaat.

(Blog 24 mei 2012)

Nieuw onderzoek (Brassen, Gamer, peters, Gluth en Büchel, 2012) wijst erop dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hiervan op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde erdoor vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. 

En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

(Blog 21 maart 2014 en 7 januari 2013)

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er onderzoek waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd (Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. 2015). Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die
geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Brittannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het eraan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van word? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is. Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan. En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn.

We weten weliswaar dat met het ouder worden onze cognitieve vermogens achteruitgaan. We verwerken informatie minder snel en ons geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho, 2013) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

En die grotere selectiviteit zou er weleens aan kunnen bijdragen dat ouderen de stress van de statuscompetitie achter zich kunnen laten.

Ik denk dus dat die U-vorm van geluk voortkomt uit de grote mate van statuscompetitie die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang-oetans zien we diezelfde U-vorm (Weiss, King, Inoue-Murayama, Matsuzawa en Oswald, 2012).

Samengevat: dat wij mensen zoiets als persoonlijke ontwikkeling kennen, en dat we dus lessen uit ons verleden leren, betekent dat we met het ouder worden (uiteindelijk) gelukkiger worden, onze authentieke behoeftes beter kennen, beter met onze emoties omgaan en selectiever worden. En dat alles hangt er weer mee samen dat we opgroeien in een statuscompetitieve maatschappij, dat wil zeggen in een mismatch tussen onze natuurlijke aanleg tot goedheid en de statuscompetitieve omgeving waarin we opgroeien.

Wat zijn eigenlijk die aanwijzingen voor onze natuurlijke goedheid? Daarover gaan de volgende drie blogberichten.

(Blog 29 december 2016)

Zijn wij van nature goed? Ja, volgens nieuw onderzoek is dat zo.

Daarover zo meteen meer. Eerst: wat betekent het eigenlijk om "van nature" iets te zijn of "van nature" iets te kunnen?

Ik dacht daarover na toen ik bij hoofdstuk 2 (The Testimony of the Senses) van David Eagleman's boek Incognito. The Secret Lives of the Brain) was aangekomen. Hersenonderzoeker Eagleman legt daarin uit hoe wij leren zien.

Dat gebeurt niet alsof wij met een leeg schoolbord in onze hersenen geboren worden waarop dan vervolgens alle binnenkomende prikkels worden geprojecteerd en opgeslagen. Dat zou betekenen dat er pas hersenactiviteit ontstaat als er van buiten prikkels arriveren.

Nee, er is in die hersenen al van alles aan de gang en die activiteit wordt veranderd en bijgesteld (gemoduleerd) door wat er binnenkomt.

Waarnemen is dus nooit alleen maar registreren. Het is het bijstellen van wat er al aan activiteit is. Eagleman (p. 45):
internally generated activity is modulated by sensory input. In this view, the difference between being awake and being asleep is merely that the data coming in from the eye anchors the perception. Asleep vision (dreaming) is perception that is not tied down to anything in the real world; waking perception is something like dreaming with a little more commitment to what's in front of you.
Hetgeen verklaart dat wij "hallucinaties" krijgen bij zintuiglijke deprivatie, zoals in een donkere en geluidsdichte kamer. We blijven dan waarnemen, maar zonder input van de buitenwereld.

We worden dus al waarnemend geboren, maar dat speelt zich dan nog af binnen het gesloten systeem van onze hersenen. Op grond daarvan gaan we de externe wereld waarnemen, doordat de interne "beelden" worden bijgesteld aan de hand van wat er binnenkomt.

Vergelijk dat met het programma voor lopen dat in ons zenuwstelsel bij de geboorte klaarligt. Leren lopen betekent dat dat programma wordt bijgesteld zodra een volwassene je onder je armpjes pakt en je met je voetjes op de vloer zet. Je hebt dan al van nature de neiging om een soort pasjes te maken. Wat je dan voelt, zijn de prikkels waarmee je loopprogramma wordt bijgesteld en verfijnd.

Nu terug naar de vraag of wij van nature goed zijn. Zijn wij net zoals op waarnemen en lopen ook voorbereid op een sociaal leven waarin mensen elkaar goedgezind zijn?

Je zou zulks kunnen verwachten omdat kinderen gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis geboren werden in (jagers-verzamelaars-)groepen waarin delen en samenwerken vanzelfsprekend waren. In de huidige samenleving is er daarnaast ook vrijwel altijd statuscompetitie en statushiërarchie, maar die toestand bestaat nog maar zo'n acht- tot tienduizend jaar.

Een aardig inzicht in onze natuurlijke goedheid geeft de studie The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture (Hepach, Vaish en Tomasello, 2017). Zie ook de eerdere studie Young children are intrinsically motivated to see others helped van dezelfde onderzoekers.

De onderzoekers lieten kinderen van twee en een half jaar een spelletje doen waarbij ze konden slagen of niet. De positieve emotie bij het slagen werd, volgens een bekende procedure, afgelezen aan de lichaamshouding en de gelaatsuitdrukking (glimlachen). Het bleek toen dat de kinderen net zo positief reageerden als ze zelf slaagden als wanneer ze een ander hadden geholpen met te slagen.

In die eerdere studie was al gebleken dat kinderen van twee jaar even positief reageerden als zij zelf iemand hadden geholpen dan wanneer een ander die persoon hielp. Een aanwijzing dat het er om ging dat iemand hulp kreeg. In plaats van dat jij je erop zou willen voorstaan dat jij had geholpen. In dat laatste geval zou het gaan om berekenend pro-sociaal gedrag.

Aanwijzingen dus dat wij van nature goed zijn. Dat we er op zijn voorbereid om anderen bij te staan en om het als plezierig te ervaren dat anderen worden geholpen.

En dat brengt je tot het inzicht dat het opgroeien en het opgevoed worden en het socialiseren in de maatschappij waarin wij leven, er in resulteert dat die natuurlijke goedheid wordt bijgesteld, veranderd en, ja, deels de kop ingedrukt.

Ik moest denken aan Picasso, die gezegd moet hebben dat elk kind als kunstenaar wordt geboren, waarna dat talent in de opvoeding en het onderwijs wordt verdrongen.

(12 januari 2017)

Een andere aanwijzing voor onze natuurlijke goedheid zou zijn als zou blijken dat wij meer pro-sociaal zijn als we minder tijd hebben om na te denken. Als het onze eerste impuls is om iemand te helpen die hulp kan gebruiken, dan wijst dat erop dat die goedheid als het ware is ingebakken. Zeker als zou blijken dat we minder zouden helpen als we meer tijd hebben. Het nadenken over wat het helpen ons zou kosten, zou dan tot gevolg moeten hebben dat we onze help-impuls onderdrukken.

Of dat zo werkt, is onderzocht in de studie Intuitive help and punishment in the field van onderzoekers van de Erasmus Universiteit (Artavia-Mora, Bedi en Rieger, 2017). Ze deden dat onderzoek op het Malieveld in Den Haag. Een van de onderzoekers stelde zich daar op en liet een handschoen op de grond vallen als er een voorbijganger naderde. Daarbij de indruk wekkend dat hij dat zelf niet merkte.Hij deed dat oftewel als die voorbijganger op 13 meter afstand was oftewel als die al tot 4,5 meter genaderd was.

Die afstanden waren gemarkeerd met fietsen die
daar onopvallend waren neergezet (er stonden meer fietsen). Op de foto zie je een situatie met een korte afstand.

Gekeken werd of de voorbijganger gewoon doorliep of op de ene of de andere manier hielp (de handschoen oppakken en aanreiken of erop attenderen dat de handschoen was gevallen). Naderhand werden alle voorbijgangers ondervraagd, waarbij bij degenen die gewoon waren doorgelopen gevraagd werd of ze het vallen van de handschoen hadden opgemerkt. Als dat niet het geval was, werden ze niet meegeteld.

Het bleek toen dat in die gevallen waarin de afstand 4,5 meter was, waarin je ongeveer 3,5 seconden de tijd hebt, meer voorbijgangers hielpen (74,6 procent) dan wanneer de afstand 13 meter was en je ongeveer 10 seconden de tijd hebt (56,5 procent), een statistisch significant verschil. Hoe minder tijd je hebt om na te denken, hoe groter de kans dat je helpt.

(21 mei 2012)

Er is meer onderzoek dat in deze richting wijst. Uit Are social value orientations expressed automatically? Decision making in the dictator game (Cornelissen, Dewitte en Warlop, 2011) valt op te maken dat als we niet te veel nadenken, zeg maar spontaan of automatisch handelen, pro-socialer zijn dan wanneer we weloverwogen handelen.

De onderzoekers baseren zich op de inzichten die we hebben in de verschillen tussen mensen in hun sociale waardenoriëntaties. Mensen lijken behoorlijk goed te kunnen worden ingedeeld in aanhangers van pro-sociale waarden en aanhangers van egoïstische waarden. Als je mensen vraagt om te kiezen tussen allerlei verdelingen over henzelf en "een andere persoon", dan blijken sommigen een voorkeur te hebben voor zo groot mogelijke en zo gelijk mogelijke opbrengsten voor beiden. Dit zijn de pro-socialen. Maar anderen, de egoïsten, geven er blijk van dat ze alleen maar zelf een zo hoog mogelijke opbrengst willen (de individualisten) of een zo groot mogelijk verschil met de andere persoon in hun eigen voordeel (de competitievelingen). Deze waarden blijken behoorlijk stabiel te zijn. En de meeste mensen blijken ingedeeld te kunnen worden als pro-sociaal of egoïstisch.

Van de 159 proefpersonen die aan dit onderzoek meededen, bleken er 80 voldoende consistent pro-sociaal te zijn en 70 voldoende consistent egoïstisch. Deze 150 personen kregen vijf munten van €0,20, die ze moesten verdelen over zichzelf en een willekeurige andere, anonieme, deelnemer, waarbij gold dat ze konden houden wat ze voor zichzelf hielden. Met andere woorden, ze speelden een zogenaamd Dictator Spel.

Voorafgaand aan dat spel kreeg de ene helft van de deelnemers de opdracht om dit getal van zeven cijfers te onthouden: 5684524. Terwijl de andere helft het getal 1234567 moest onthouden. Beide getallen waren gedurende 8 seconden op het computerscherm te zien. Deze opdracht was bedoeld om te kunnen nagaan wat het effect zou zijn van het cognitief afgeleid worden bij het spelen van het Dictator Spel. Uiteraard vergt het veel meer bewuste aandacht om dat eerste getal te onthouden dan het tweede. En de gedachte was dat daardoor de beslissing over hoeveel munten weg te geven veel meer automatisch en minder weloverwogen zou worden genomen.

Wat was het resultaat? De cognitieve afleiding zorgde er alleen bij de pro-socialen voor dat ze meer munten weg gaven. Als ze niet werden afgeleid, en er dus meer over na dachten, gaven ze minder weg en wel net zo veel als de egoïsten. De bestaande neiging tot pro-sociaal gedrag komt dus gemakkelijker tot uiting als je meer automatisch handelt.

Wat gebeurt er dan precies bij dat meer weg geven als je automatisch handelt? De onderzoekers vermoedden dat pro-socialen meer de neiging hebben om zich verbonden te voelen met anonieme, andere personen. En dat egoïsten minder die neiging hebben. Dat bleek in een vervolgonderzoek ook inderdaad het geval te zijn. (Voor de geïnteresseerden: ze deden dat met de Inclusion of Other in the Self Scale.) En bovendien bleek dat grotere gevoel van verbondenheid voor een deel te verklaren waarom pro-socialen meer weg gaven als ze werden afgeleid. Als pro-socialen er minder over nadenken, nemen ze gemakkelijker aan dat een anonieme andere persoon iemand is waar mee je je wel verbonden kunt voelen. En dus geven ze meer weg.

Dat werd tenslotte nog eens op een andere manier bevestigd door in een derde onderzoek de helft van de proefpersonen de indruk te geven dat ze het Dictator Spel speelden met een andere persoon die wat interesses en dagelijkse bezigheden sterk op hen leek. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen zich gemakkelijker verbonden voelen met anderen die op hen lijken. En wat bleek? Degenen die speelden met iemand die op hen leek gaven meer weg dan degenen die speelden met iemand die juist weinig op hen leek, maar alleen als ze werden afgeleid. En dit gold niet alleen voor de pro-socialen, maar ook voor de egoïsten. Ook de egoïsten geven meer weg aan iemand waarmee ze zich verbonden voelen, maar alleen als ze er niet te lang over kunnen nadenken.

Wat leren we hiervan? Dat waarschijnlijk ook in situaties in het dagelijks leven waarin mensen meer of minder met anderen rekening kunnen houden, en waarin geen duidelijke normen bestaan over hoe je je hoort te gedragen, mensen die al pro-sociaal van aard zijn, zich pro-socialer gedragen als ze meer op de automatische piloot handelen. En dat laatste geldt zelfs ook voor egoïsten, maar alleen als ze zich met anderen verbonden voelen.

Dit alles lijkt mij te suggereren dat onze impuls tot pro-sociaal gedrag ook echt een impuls is. En dus vanuit een "dieper" niveau van onze hersenen afkomstig is dan daar waar we bewust en weloverwogen over ons gedrag nadenken.

(6 februari 2017)

Dat mensen van nature goed zijn, betekent natuurlijk niet dat ze zich altijd pro-sociaal gedragen. Belangrijk is of ze signalen waarnemen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen.

Want mensen zijn zowel in staat tot gemeenschapsgedrag als tot statuscompetitiegedrag en laten zich bij de "keuze" daartussen leiden door wat ze anderen zien doen.

Het mooie van pro-sociaal gedrag is dus dat je er dubbel goed mee doet: niet alleen doe je zelf iets goed voor anderen, maar je draagt er ook toe bij dat derden dat waarnemen en zich daardoor ook pro-sociaal gaan gedragen.
Dat dat zo werkt, blijkt nu weer eens uit het nieuwe onderzoek: Indirect reciprocity and prosocial behaviour: Evidence from a natural field experiment (Mujcic en Leibbrandt, 2017).

Het gaat om een experimenteel veldonderzoek, uitgevoerd op een grote parkeerplaats in een stad in Australië. Die parkeerplaats had een serie uitgangen naar een over de gehele breedte gelegen weg. Als je die parkeerplaats verlaat, dan kan het gebeuren dat er van rechts een auto komt aanrijden die jou wel of niet de gelegenheid geeft om de weg op te rijden. Als de bestuurder van die auto dat doet, dan is dat een vorm van pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers hadden het experiment zo opgezet dat ze eerst na gingen hoe vaak het gebeurde dat als een van hen de parkeerplaats wilde verlaten op het moment dat een auto aan kwam rijden, die automobilist inhield in plaats van door te rijden. Dat bleek in bijna 15 procent van de gevallen te gebeuren. Dat is, zou je kunnen zeggen, in deze situatie de hoeveelheid pro-sociaal gedrag die je als baseline kunt verwachten.

Maar wat gebeurde er als die automobilist die aan kwam rijden, even daarvoor zelf bij het verlaten van de parkeerplaats voorrang had gekregen? Dat gebeurde in die experimentele conditie door de andere onderzoeker die daar "toevallig" net kwam aanrijden en hoffelijk inhield.

In die gevallen verdubbelde het pro-sociale gedrag tot ruim 32 procent, een statistisch significant verschil.

We kunnen dus allemaal iets bijdragen aan een aardiger maatschappij. Door aardig gedrag van anderen uit te lokken door zelf aardig te zijn. Niet als een voor-wat, hoort-wat, maar gewoon als het goede voorbeeld. Als een herinnering aan hoe we zouden willen dat we met elkaar omgaan.

En ook dit onderzoek wijst erop dat we een natuurlijke neiging hebben tot pro-sociaal gedrag, maar dat die in werking treedt als we maar genoeg aanwijzingen krijgen voor de aanwezigheid van een sociale omgeving van wederzijdse hulpvaardigheid en goedgezindheid.

Literatuur
Artavia-Mora, L., Bedi, A.S. en Riger, M. (2017). Intuitive Help and Punishment in the Field. European Economic Review 92: 133-145
Brassen, S., Gamer, M., Peters, J., Gluth, S. en Büchel, C. (2012). Don’t Look Back in Anger! Responsiveness to Missed Chances in Succesful and Nonsuccesful Aging. Science 336: 612-614
Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. (2015). Longitudinal Evidence for a Midlife nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets. The Economic Journal 127: 126.142
Cornelissen, G., Dewitte, S. en Warlop, L. (2011). Are Social values Orientations Expressed Automatically? Decision Making in the Dictator Game. Personality and Social Psychology Bulletin 37: 1080-1090
Eagleman, D. (2016). Incognito. The Secret Lives of the Brain. Canongate Books, Edinburgh en Londen
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2012). Young children are intrinsically motivated to see others helped. Psychological Science 23: 967-972
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2017). The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture. Developmental Psychology 53: 100-113
Mogilner, C.; Kamvar, S.D. en Aaker, J. (2011). The Shifting Meaning of Happiness. Social Psychological and Personality Science 2: 395-402
Mujcic, R. en Leibbrandt, A. (2017). Indirect Reciprocity and Prosocial Behaviour: Evidence From a Natural Field Experiment. The Economic Journal Accepted manuscript online 24 Januari
Sheldon, K.M. en Kasser, T. (2001). Getting older, Getting Better? Personal Strivings and Psychological Maturity Across the Life Span. Developmental Psychology 37: 491-501
Stone, A.A., Schwartz, J.E., Broderick, J.E. en Deaton, A. (2010). A Snapshot of the Age Distribution of Psychological Well-Being in the United States. PNAS 107: 9985-9990
Weiss, A., King, J.E., Inoue-Murayama, M., Matsuzawa, T. en Oswald, A.J. (2012). Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being. PNAS 109: 19949-19952
Zhang, X., Fung, H.H., Stanley, J.T., Isaacowitz, D.M., en Ho, M.Y. (2013). Perspective Taking in Older Age Revisited: A Motivational Perspective. Developmental Psychology 49: 1848-1858

donderdag 5 januari 2017

Tijdsbesteding aan sociale media maakt eenzamen juist (nog) ongelukkiger

We leven in een maatschappij waarin het hebben van sociale contacten niet vanzelf spreekt.

Daardoor komt aan het licht dat het wel hebben van sociale contacten bevorderlijk is voor welzijn en zelfs gezondheid. En omgekeerd, een gebrek aan sociale contacten en eenzaamheid maken ziek. Achter de labels geluk en gezondheid is op dit blog het vele onderzoek besproken dat hierover uitsluitsel geeft.

Sinds we naast face-to-face contacten ook contacten hebben via sociale media, komt de vraag op of online contacten in de plaats kunnen komen van de echte, fysieke contacten. Daarover waren aanvankelijk wel optimistische geluiden.

Dat was het zelfde optimisme dat heerste in de sociologie van na de Tweede Wereldoorlog. In het vak heerste toen het "functionalisme", dat kort gezegd uitdroeg dat in de maatschappij alles vanzelf weer goed komt. Zo herinner ik me van de Amerikaanse socioloog Eugene Litwak (voor vakgenoten: een leerling van Talcott Parsons) de passage dat het helemaal niet erg was dat familieleden en vrienden verder uit elkaar gingen wonen, want ze konden elkaar toch bellen en in de auto stappen. En voor elkaar helpen konden ze geld overmaken.
Ik zocht het even op en het gaat om het artikel Primary Group Structures and Their Functions: Kin, Neighbors, and Friends uit 1969. 
Face-to-face hoefde helemaal niet. En als dat verloren ging, dan zorgden nieuwe, technische ontwikkelingen er als vanzelf voor dat er iets voor in de plaats kwam dat dezelfde functie had. Als de functionalisten van toen gelijk hadden gehad, dan hadden we nu niet het probleem van eenzaamheid gekend.

Zoals gezegd, dat optimisme kwam weer een beetje terug met de opkomst van internet. Maar onderzoek wees al gauw uit dat het zo niet werkte. Zie de eerdere berichten op dit blog:
Gelukkiger door real-life vrienden, niet door on-line vrienden en Facebook is leuk, maar geen vervanging voor echte sociale contacten.

Er is nu het nieuwe onderzoek Social Network Sites, Individual Social Capital and Happiness dat in dezelfde richting wijst. De onderzoekers analyseerden de gegevens van ruim 600 deelnemers van tussen de 15 en 44 jaar aan de Dutch Longitudinal Internet Studies for the Social Sciences (LISS). Van hen waren bekend hoeveel tijd ze besteedden aan sociale media (Facebook, Hyves, Myspace, Sugababes, Twitter en dating sites), hoe gelukkig ze zich voelden, hoe vaak ze contact hadden met familie en vrienden, hoe tevreden ze waren met hun contacten en hoe eenzaam ze zich voelden.

Uit de analyses komt dan naar voren dat inderdaad degenen die vaker face-to-face contact hebben met familie en vrienden gelukkiger zijn. Daarentegen maken de contacten op de sociale media, gemeten aan de tijdsbesteding daaraan, niet gelukkiger. Het verband is zelfs negatief, maar niet statistisch significant. Online contacten zijn dus zoals verwacht geen vervanging voor echte contacten.

Maar wat ook bleek is dat het meer actief zijn op de sociale media degenen die zich eenzaam voelden en die ontevreden waren met hun sociale contacten juist minder gelukkig maakten. En dat is opvallend. Als je eenzaam bent, kun je kennelijk beter eenzaam zijn met minder sociale media-activiteit dan met meer.

Het is uit het onderzoek niet duidelijk wat het oorzakelijk verband is. Worden de eenzamen ongelukkiger doordat ze meer actief zijn op de sociale media? Of zijn het de meer ongelukkigen onder de eenzamen die meer bezig zijn met sociale media?

Omdat de de deelnemers (althans een deel daarvan) twee keer ondervraagd werden, met een tussenpoos van een jaar, hadden de onderzoekers kunnen proberen daar een antwoord op te vinden. Waarom ze dat niet gedaan hebben is mij niet helemaal duidelijk.

donderdag 23 juni 2016

Zullen we door het basisinkomen betere keuzes gaan maken over hoeveel we werken?

De vierde en vijfde vraag over het basisinkomen, die ik hier stelde naar aanleiding van Ik werk, dus ik ben, luidden:
Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?
Die vragen hangen met elkaar samen. Het gaat er enerzijds om wat (betaald) werk voor mensen betekent, anders en meer dan dat je er geld mee verdient. Dat behelst overigens meer dan dat je aan je werk, meer of minder, je identiteit ontleent. Het hebben van werk (in plaats van werkloos te zijn) en het werk als bezigheid hebben ook effecten op geluk en welbevinden. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee, waarover zo meteen meer.

Anderzijds hangt het antwoord op die vraag er natuurlijk mede van af wat het werk te bieden heeft. Van de kwaliteit van de banen en van de arbeidsomstandigheden. En een van de verwachte effecten van invoering van een basisinkomen is dat mensen gemakkelijker een baan kunnen weigeren, waardoor werkgevers er toe aangezet worden om betere banen aan te bieden.

Maar wat weten we van de effecten van werk op geluk en welbevinden?

Allereerst weten we dat het hebben van werk in vergelijking met werkloosheid een grote bijdrage levert aan geluk en welbevinden. Maar dat komt vooral door de grote negatieve effecten van werkloosheid. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. De ervaring van werkloosheid doet de tevredenheid met het leven ongeveer 2 punten dalen op een schaal van 1-10. Bovendien laat werkloos geweest te zijn een litteken achter. Je houdt er angst en onzekerheid aan over, waardoor het vroegere tevredenheidsniveau niet meer bereikt wordt. En we weten dat werkloosheid van een ouder negatief uitwerkt op de kinderen.

Naast een groot individueel, is werkloosheid ook een maatschappelijk kwaad. Alleen al doordat hoge werkloosheid ook de werkenden ongelukkiger maakt. De vrees voor baanverlies neemt toe en daardoor staan ook de werkenden onzekerder in het leven.

Je kunt een en ander verklaren met behulp van de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan. Volgens die theorie hebben mensen drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid met anderen. Het hebben van werk betekent dat je iets kunt en dat je in je eigen levensonderhoud kunt voorzien en dat zorgt dus voor competentie en autonomie.

We leven in een maatschappij waarin betaald werk dus van groot belang is voor in ieder geval twee van de drie basisbehoeften.

Maar dit alles betekent bepaald niet dat werk ons zo gelukkig maakt. Het is vooral het schrikbeeld van de werkloosheid dat ons er zo toe aanzet om een baan te hebben, werkzekerheid te hebben en carrière te maken. Dat verklaart ook dat het geluk sterk toeneemt bij werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ze zijn dan immers verlost van dat stigma van incompetentie.

Het is misschien vooral dat schrikbeeld dat jong-volwassenen er toe aanzet om zoveel te investeren in opleiding, baan en carrière. Waarna met het ouder worden de opbrengsten van al die inspanningen toch wat blijken tegen te vallen. Neem nu de U-vorm van het geluksniveau gedurende de levensloop. Tot zo ongeveer 40 jaar blijkt de tevredenheid met het leven af te nemen, waarna er weer een toename is. Dat zou kunnen komen doordat we in de eerste helft van ons leven nog teveel verwachten van de opbrengsten van werk en carrière en dat we dat pas later doorkrijgen.

Dat zou goed kloppen met het inzicht van onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman dat de tevredenheid met ons leven zou toenemen als we minder zouden werken. Want boven een redelijk inkomensniveau maakt meer geld ons niet of nauwelijks duurzaam gelukkiger. En de vrijkomende tijd zouden we goed kunnen besteden aan het onderhouden van sociale contacten, waarvan de bijdrage aan ons geluk groot en wel duurzaam is. Het belang van die basisbehoefte aan verbondenheid met anderen lijken we te onderschatten.

Bij wijze van conclusie: het zou goed kunnen zijn dat de invoering van een basisinkomen een gunstige invloed heeft op onze keuzes met betrekking tot betaald werk en carrière.

dinsdag 14 juni 2016

Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

We zagen dat mensen met hoge bloeddruk door geld aan iemand te schenken hun bloeddruk verlaagden en dat dit effect niet optrad bij degenen die dat geld voor zichzelf besteedden. Meer in het algemeen weten we dat pro-sociaal gedrag (delen, schenken) positieve effecten heeft voor de donor. Het verhoogt geluksgevoelens en welbevinden en activeert hersengebieden die met het ontvangen en verwerken van beloningen te maken hebben.

Als dat zo is, hebben mensen dat dan ook door? En speelt dat een rol in hun beslissingen?

De auteurs van de studie Preschoolers’ generosity increases with understanding of the affective benefits of sharing noemen onderzoek dat doet vermoeden dat volwassenen dit maar heel beperkt inzien. Gesteld voor de keuze om een bedrag aan geld voor zichzelf te besteden of weg te geven, verwachtte een meerderheid zich gelukkiger te gaan voelen door het voor zichzelf te besteden. Terwijl het omgekeerde het geval bleek te zijn.

Maar misschien zijn volwassenen al te veel geïndoctrineerd door het opgegroeid zijn in een maatschappij waar veel, zo niet alles, om geld lijkt te draaien. En zijn ze er ten onrechte in gaan geloven dat geld gelukkig maakt doordat het je in staat stelt om je materialistische behoeftes te bevredigen.

Hoe zit dat dan met kinderen? De onderzoekers lieten voorschoolse kinderen keuzes maken over het wel of niet weggeven van attractieve stickers. Waarbij de kinderen met behulp van de
Facial Affective Scale konden aangeven hoe ze zich verwachtten te voelen en hoe ze zich voelden nadat ze de keuze gemaakt hadden.

Het bleek toen dat kinderen wel degelijk doorhadden dat ze zich door stickers te delen beter zouden voelen. En vooral ook dat ze zich slechter zouden voelen als ze alles voor zichzelf zouden houden. Bovendien gaven de kinderen die meer dit inzicht hadden ook meer stickers weg.

Dat je je door pro-sociaal gedrag gelukkiger voelt is dus een besef dat voorschoolse kinderen al (of nog!) hebben. Het zou goed kunnen zijn dat dat inzicht ondersneeuwt bij het opgroeien in een statuscompetitieve en materialistische maatschappij.

Bedenk daarbij ook dat we ons door blootstelling aan reclame ondankbaarder en ongelukkiger gaan voelen.