Posts tonen met het label onpersoonlijke domein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onpersoonlijke domein. Alle posts tonen

vrijdag 13 maart 2026

Over de potentie voor sociale verbetering die klaar ligt om te worden gerealiseerd. En over waarom dat niet gebeurt.

Onze sociale omgeving bestaat enerzijds uit onze persoonlijke relaties, gezinsleden, familie, vrienden buren, collega's. Maar daarbuiten hebben we een wijdere kring van buurtgenoten, dorps- of stadsgenoten, streekgenoten, landgenoten, ja zelfs, de kring van alle medemensen. Want hoewel we al die mensen in die wijdere kring niet persoonlijk kennen, zijn we via allerlei wegen wel van hun bestaan en vaak van hun wederwaardigheden op de hoogte. En we delen met hen een web van onderlinge afhankelijkheden. 

Met buurt-, dorps- en stadsgenoten creëren we een publieke ruimte, die als veiliger, afstandelijker of onveiliger kan worden ervaren. Met landgenoten delen we een democratisch verband, waarin iedereen hoort mee te tellen en houden we dat wel of niet in stand. Of als we in een dictatuur leven delen we een verband dat alles bij elkaar genomen die toestand van overheersing laat voortbestaan of er een einde aan maakt. En met alle medemensen op aarde delen we een verband met oorlogen of vrede of zelfs met een internationale rechtsorde als mogelijke uitkomsten. En met wel of niet de instandhouding van de voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid als uitkomst. 

Dat is het complexe sociale landschap waarin wij ons leven doorbrengen en waarin we een weg proberen te vinden. In die zoektocht zijn we aangewezen op wie we zijn, op wat we kunnen en willen, dat wil zeggen op onze innerlijk tegenstrijdige, en daardoor flexibele, sociale natuur. We zijn een sociale diersoort, die er op geselecteerd is om een sociaal veilige omgeving te zoeken. Die vinden we over het algemeen in dat domein van de persoonlijke en dus vertrouwde relaties. Daarin wordt gemakkelijk ieders gemeenschapsmoraal van iedereen-telt-mee geactiveerd, zodat we elkaar die verlangde sociale veiligheid verschaffen. Er gelden dat wat Homans in 1951 in The Human Group de waarden van de kleine groep noemde. 

Die moraal stond aan de oorsprong van de mensheidsgeschiedenis, toen het voortbestaan zo onzeker was geworden dat onze vroege voorouders alleen door samenwerken en delen konden overleven. Dat kon alleen slagen als iedereen er van uit kon gaan dat met hem/haar rekening zou worden gehouden, ook als het individueel een keer zou tegenzitten. En daar was weer voor nodig dat het rekening houden met anderen als een morele verplichting werd gevoeld. In plaats van als een altijd onzekere uitkomst van een rationele berekening aangestuurd door het individuele eigenbelang. Want die moraal moest daartegen opboksen, tegen het al bestaande vermogen tot onderlinge statuscompetitie, waarin het ieder-voor-zich voorop stond. 

Dat vermogen en de wil tot statuscompetitie staat tot onze beschikking en wordt gemakkelijk geactiveerd als we onze sociale omgeving als onveilig ervaren. En dat is meer het geval hoe meer we bij anderen dat statuscompetitiegedrag of signalen daarvan waarnemen. 

We zijn dus, uitgerust met die sociale flexibiliteit in de huidige maatschappij terechtgekomen. En precies in die wijdere sociale omgeving komt die ons van pas. Ieder van ons zoekt op eigen houtje de beste aanpassing. Die meer uit gemeenschapsgedrag bestaat, hoe meer ik datzelfde gedrag in mijn omgeving waarneem. En meer uit statuscompetitiegedrag, hoe meer dat zich voordoet. 

Met natuurlijk als complicatie dat we over het gedrag van anderen grotendeels heel indirect worden geïnformeerd. We nemen anderen waar in de publieke ruimte, op straat, in het verkeer, in het openbaar vervoer. Maar veel dringt tot ons door via de sociale media en de traditionele media. En al die waarnemingen, die natuurlijk maar een deel zijn van wat we hadden kunnen waarnemen, generaliseren we naar het geheel. En zo komen, vaak onder het expliciete bewustzijnsniveau, tot een inschatting van de veiligheid dan wel onveiligheid van onze wijdere sociale omgeving, die op zijn beurt ons eigen gedrag aanstuurt, in het ene geval meer gemeenschapsgedrag, in het andere geval meer statuscompetitiegedrag.

Maar het zoeken naar wat individueel de beste oplossing is, kan collectief gezien zowel tot een superieure uitkomst leiden, een gemeenschapstoestand, als tot een inferieure uitkomst, een statuscompetitietoestand. Inferieur omdat de onveiligheid van de strijd om status stressvol en ziekmakend is. En omdat die strijd ook de vorm van discriminatie, geweld, oorlog en zelfs genocide kan aannemen.

Oké, dat was de theorie. Nu een blik op de empirie. De aanleiding daartoe is het verschijnen van het rapport In 25-Country Survey, Americans Especially Likely To View Fellow Citizens as Morally Bad van het Pew Research Center. Ik kwam daarop terecht doordat Robert Reich erop attendeerde: Why do Americans hate each other while Canadians love each other?

In een groot aantal landen kreeg een representatieve steekproef van inwoners de vraag voorgelegd hoe ze "de moraal en ethiek" van hun landgenoten beoordelen, van heel goed tot heel slecht. Dat valt op te vatten als een meting van de gemiddelde inschatting van de mate waarin bij de inwoners het gemeenschapspatroon geactiveerd is. 

We zien dat die inschattingen tussen landen sterk uiteenlopen. De Verenigde Staten valt op als het enige land waarin een minderheid, 47 procent, hun landgenoten als moreel en ethisch goed inschat, terwijl dat percentage in Canada, dat met de V.S. een grens deelt van bijna 9000 kilometer, 92 bedraagt. In Nederland vindt 80 procent hun landgenoten moreel en ethisch goed.

Die diversiteit komt overeen met de vergelijkbare vraag in ander onderzoek naar het "interpersoneel vertrouwen", de vraag of in het algemeen andere mensen zijn te vertrouwen. Zie INTERPERSONAL
TRUST ACROSS THE WORLD
. 

Een en ander klopt met de gedachte dat mensen zich over dat wijdere sociale domein altijd op gebrekkige signalen moeten baseren, veel gebrekkiger dan als het gaat om het domein van de persoonlijke relaties. Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat mij geen onderzoek bekend is naar hoe mensen de moraal van hun vertrouwde anderen inschatten. Of naar de mate waarin ze vertrouwde anderen vertrouwen. De kringen van persoonlijke relaties berusten immers over het algemeen juist op die moraal en op het onderlinge vertrouwen, vermoedelijk op de basis van selectie- en beïnvloedingsprocessen. Zie ook het bericht Over morele eilandjes in een boze buitenwereld, met onderzoek dat laat zien we in ons dagelijkse persoonlijke leven vooral met moreel gedrag in aanraking komen. En dat we vooral van horen zeggen en via de media over immorele gedragingen te weten komen.

Al met al is het dus vooral die wijdere sociale omgeving waarin wij tegenwoordig ook ons leven doorbrengen die het zo ingewikkeld maakt om de gewenste sociaal superieure gemeenschapstoestand te bereiken. Dat is tragisch, want hoe meer we daar dat immorele, statuscompetitieve gedrag we daar menen waar te nemen, hoe meer we ook zelf, als dat flexibele sociale wezen, daaraan meedoen. 

In dat wijdere sociale domein, van nationale staten en van de wereldbevolking, ligt dus vermoedelijk een aanzienlijke potentie aan sociale verbetering klaar om te worden gerealiseerd. Daar voor zou nodig zijn dat we veel beter over elkaars goede bedoelingen, dus over elkaars bereidheid tot gemeenschapsgedrag, geïnformeerd worden. Diezelfde flexibiliteit zou er dan voor zorgen dat "ons betere ik" geactiveerd wordt.

Maar wat dat betreft valt er van onze huidige media weinig goeds te verwachten.

woensdag 31 december 2025

Over het niet normaliseren en zo nodig verbieden van vuurwerk en het niet normaliseren en zo nodig verbieden van rechts-extremistische politieke partijen

Het ziet ernaar uit dat deze jaarwisseling de laatste is zonder een landelijk vuurwerkverbod. In het bijna afgelopen jaar hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer ingestemd met zo'n landelijk verbod. Een nieuwe regering zal en wil weinig anders kunnen doen dan die wens van de kamers in wetgeving om te zetten. Daar zal, volgens een enquête van Kieskompas en ANP, zo'n twee derde van de Nederlanders mee instemmen. 

Vuurwerk afsteken rondom de jaarwisseling is een gedrag waar de afstekers, en veel omstanders en toeschouwers, genoegen aan beleven. Het wordt ook gezien als een traditie en veel mensen ontlenen genoegen aan het in standhouden van tradities. In lijn daarmee riep het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed het afsteken van vuurwerk nog in 2015 uit tot Nederlands cultureel erfgoed.

Maar het is ook een gedrag dat schade en leed toebrengt. Er is een kans dat afstekers en omstanders fysiek letsel oplopen. En die schade en overlast nemen toe hoe meer vuurwerk er wordt gekocht en afgestoken. Zolang het op kleine schaal gebeurt, zijn degenen die overlast ondervinden bereid om die te accepteren. Ze hebben weliswaar moreel gezien het recht op het niet te hoeven ondergaan van schade en overlast, maar zolang die binnen de perken blijven, maken ze daar geen punt van. Je gunt anderen een pleziertje, zo lang het niet uit de hand loopt.

Maar het is dus wel uit de hand gelopen. In de loop van de afgelopen tientallen jaren zijn de verkoop en het afsteken van vuurwerk sterk toegenomen. Afstekers van vuurwerk zijn nog altijd een minderheid, maar hun gedrag heeft gevolgen voor veel anderen. Vlak na de jaarwisselingen worden er in de stedelijke gebieden sterk verhoogde concentraties fijnstof gemeten, meer dan wat alle wegverkeer samen in een heel jaar uitstoot. De zware metalen in vuurwerk (barium, antimoon, koper en strontium) zijn schadelijk voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier. Rond de jaarwisseling zijn eerste hulpposten en oogklinieken druk met het zo goed mogelijk behandelen van hand- en oogblessures, met vaak blijvende verminkingen. Het is ook uit de hand gelopen in de zin dat sommige afstekers hun vuurwerk inzetten tegen hulpverleners, politieagenten en brandweerlieden. Frank Straver en Stefan Keukenkamp geven vandaag in Trouw een overzicht van "de jaarlijkse schade en ellende": In cijfers: hoe vuurwerk een spoor van vernieling trok.

Toen tijdens de coronajaren 2020 en 2021 geen vuurwerk mocht worden verkocht, om de zorg te ontlasten, namen de letselcijfers drastisch af. Oogarts Tjeerd de Faber verklaarde daarna tegenover de Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie:

„Ik zei: we hebben twee jaar eigenlijk een vuurwerkverbod gehad. Ik ben wetenschappelijk opgeleid. Als je tijdens een experiment een ziekmakende factor weghaalt en je ziet de ziektecijfers met 75 procent zakken, dan is er geen enkele medisch ethische commissie die zegt: laten we het toch maar terugdraaien om te kijken of het aantal slachtoffers dan weer omhoog gaat.”

Kortom, het wel of niet verbieden van vuurwerk is een ethische kwestie. Het gaat om een moreel afgekeurd gedrag, anderen schade toebrengen. Dat kan aanvankelijk en zolang het op kleine schaal plaatsvindt, getolereerd worden. Maar door die tolerantie kunnen meer mensen die aan dat gedrag genoegen ontlenen, zich erbij aansluiten. Dat het wordt geaccepteerd, zijn ze als een aanwijzing gaan zien dat het met die schade en de overlast wel meevalt. Het is niet iets waar je bij stil hoeft te staan. Als die schade echt zo groot was, dan zou het toch wel verboden worden? Dat maakt dat het niet verboden zijn niet alleen de problemen laat bestaan, maar daarbovenop vergroot.

En zo ontwikkelt zich het proces van het "uit de hand lopen". Het moreel afgekeurde gedrag wordt "genormaliseerd". Zo genormaliseerd dat het zelfs tot het culturele erfgoed werd gerekend.

Sociaalwetenschappelijk gezien hebben we hier te maken met een interessant geval van complicaties bij het naleven van het morele grondprincipe van het anderen geen schade of leed toebrengen. Dat grondprincipe is de kern van het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee waartoe mensen in hun gedrag tegenover anderen in staat zijn. Je hoort anderen zo nodig te hulp te schieten als je daartoe in staat bent, maar minimaal hoor je met hun welzijn en belangen rekening te houden en hen dus niet te benadelen.

We weten dat mensen daartegenover ook in staat zijn tot het amorele ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon. Je ziet dan anderen als tegenstrevers en vijanden, die op eigen gewin uit zijn, juist ook als dat ten koste van jou gaat. Als dat patroon in ons gedrag domineert, dan brengen we met zijn allen een sociaal inferieure toestand tot stand. Onze gemeenschapsmoraal hebben we nodig om het statuscompetitiepatroon te ontmoedigen en te onderdrukken.

Complicaties ontstaan doordat we tegenwoordig niet alleen verkeren in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, het domein waarin lang geleden dat morele grondprincipe evolueerde, maar ook in het domein van de onpersoonlijke, anonieme relaties. Zoals in het domein van de democratie, waarin dat morele grondprincipe van het iedereen-telt-mee vorm krijgt in het algemeen kiesrecht. Waarin we met miljoenen anderen in een veel meer abstracte, want onpersoonlijke, zin zijn verbonden. 

In dat domein wordt bij ons het gemeenschapspatroon minder direct, minder "automatisch" geactiveerd. Want we verkeren meer in sociale onzekerheid. We weten niet goed hoe anderen zich opstellen. Misschien is ook bij hen het gemeenschapspatroon geactiveerd, maar het kan ook zijn dat het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon actief is. Terwijl in het domein van de persoonlijke relaties meestal het gemeenschapsevenwicht ontstaat, behoort in het onpersoonlijke, anonieme domein ook een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht tot de mogelijkheden. 

Anders gezegd, in het persoonlijke domein ervaren we over het algemeen de sociale veiligheid van de verwachting dat de anderen het goed met ons voor hebben, terwijl we daar in het onpersoonlijke domein niet standaard van uit gaan. De democratie is wel bedoeld om sociale veiligheid te verschaffen (denk aan "de gemeenschap georganiseerd in de staat" en "We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal,...), maar die bedoeling wordt altijd maar beperkt gerealiseerd. Dat zien we terug in de verdeling van politieke voorkeuren van links tot rechts, want uit onderzoek is bekend dat mensen bij wie meer het gemeenschapspatroon geactiveerd is, meer links stemmen en dat mensen bij wie meer het statuscompetitiepatroon actief is, meer rechts stemmen.

Terug naar dat vuurwerk. Het proces van uit de hand lopen kon zich ontwikkelen doordat we aanvankelijk bereid waren om de afstekers van vuurwerk hun pleziertje te gunnen. Maar daardoor nam het aantal vuurwerkafstekers toe. Doordat anderen ook dat pleziertje wilden. Maar ook doordat het belang van dat morele grondprincipe van het anderen geen leed of schade toebrengen minder manifest werd. Mensen zijn nu eenmaal geen morele automaten. Als er aanwijzingen zijn dat een morele overtreding getolereerd wordt, dan is het gemakkelijker om hem te begaan. Ook al doordat dit alles zich afspeelt in dat onpersoonlijke, anonieme domein.

Een tweede complicerende factor is die van de schaalgrootte. Al die negatieve effecten van vuurwerk afsteken treden op doordat het zo massaal gebeurt. Doordat het al uit de hand is gelopen. Dan geldt voor iedereen afzonderlijk dat de eigen bijdrage tot die negatieve effecten maar zeer gering is. Iedereen ziet de bijdrage van zijn vuurwerk tot de totale schade en ellende als verwaarloosbaar. Sociaalwetenschappelijk staat dat bekend als het publieke goed dilemma: niemand wil die schade en ellende, maar die is wel de uitkomst van de optelsom van alle individuele gedragingen. Onze moraal "dient" nu juist om die sociaal inferieure uitkomst zo veel mogelijk te voorkomen.

En zo dringt zich het inzicht op dat het probleem van het uit de hand gelopen vuurwerk afsteken staat voor het algemenere probleem van de altijd onvolkomen werking van de moraal in het grootschalige, onpersoonlijke sociale domein. En dus ook in het domein van de democratie. Want het is niet toevallig dat het in de Tweede Kamer (op de SP na) vooral de linkse partijen waren die het landelijk vuurwerkverbod ondersteunden en dat de rechtse partijen, PVV, BBB, FvD en JA21, tegen stemden. Dat komt ermee overeen dat de stemmers op de Partij voor de Dieren, GroenLinks/PvdA en Volt het meest voor een verbod zijn en de stemmers op Forum voor Democratie, PVV, BBB en JA21 het vaakst tegen.

In die zin is het uit de hand gelopen probleem van het vuurwerk afsteken te vergelijken met het uit de hand gelopen probleem van het rechts-extremisme in de politiek. De schade en ellende van het vuurwerk tijdens de jaarwisseling moest, na aanvankelijke tolerantie en "normalisering", uiteindelijk ingedamd worden door een landelijk vuurwerkverbod. Zo zal ook de schade en ellende van het uit de hand gelopen rechts-extremisme, na de huidige tolerantie en "normalisering", misschien ook een keer door een verbod op rechts-extremistische politiek partijen moeten worden ingedamd. 

dinsdag 18 november 2014

Hoe komt het dat we meer statusgedrag bij anderen zien dan bij ons zelf? Een sociaal informatieprobleem

Uit onderzoek blijkt dat wij statusgedrag afkeuren en het meer waarnemen bij anderen dan bij onszelf. Ik besprak dat onderzoek in het bericht Statusgedrag zien we wel bij anderen, maar niet bij onszelf. Volgens de onderzoekers komt dat resultaat er uit voort dat mensen dat afkeurenswaardige gedrag van zichzelf niet willen toegeven. Misschien omdat wij van onszelf graag een positief beeld hebben. Onze zelfwaarneming zou dus verstoord zijn in de meer rooskleurige richting.

Uitkomsten van sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn vaak wel duidelijk. Iets is zo of het is niet zo. Maar hoe je die uitkomst dan moet interpreteren, is een tweede. 

In dat bericht ging ik een eind mee met de interpretatie van de onderzoekers. Er van uitgaande dat statusgedrag een natuurlijk gedrag is, dat wij dus meestal automatisch en onbewust uitvoeren, bedacht ik dat we het van onszelf minder gemakkelijk opmerken dan van anderen. Ik citeer mezelf:
Een antwoord zou kunnen zijn dat veel van dat statusgedrag zo natuurlijk is, dat we ons er maar weinig van bewust zijn. We zijn al bezig met ons beter voor te doen dan we eigenlijk zijn zonder dat we daar over hebben nagedacht. Het verbergen van onze zwaktes en kwetsbaarheden, dat doen we als vanzelf. En waar je niet bij stilstaat, dat weet je niet van jezelf.
Bij anderen zie je het gemakkelijker, want dan ben je de toeschouwer die even de tijd kan nemen om zich af te vragen waar hij naar kijkt.
Maar toeschouwer zijn van je eigen gedrag, dat is veel moeilijker.
In beide interpretaties gaat het dus om een verstoorde waarneming die veroorzaakt dat we statusgedrag meer bij anderen zien dan bij onszelf.

Het zou kunnen. Maar ik bleef er over nadenken en bedacht dat je er ook anders naar kunt kijken.

Want hoe komt onze waarneming van ons eigen gedrag en van het gedrag van anderen tot stand? Ons eigen gedrag nemen we waar in alle situaties waarin we komen te verkeren. Zowel in de omgang met familie en vrienden, dus in het domein van de vertrouwde, persoonlijke relaties, als in de omgang met degenen die verder van ons af staan of zelfs met vreemden. Dat laatste is het (publieke) domein van de onpersoonlijke relaties.

Maar kijk nu naar alle anderen waarvan we gedrag waarnemen. Het grootste deel van die waarnemingen speelt zich af in dat publieke domein. Want daar is waar we de meeste mensen tegenkomen. Of waarover we informatie krijgen via de media, zoals door wat we zien als we naar televisiepersoonlijkheden zitten te kijken. Per dag doen we veel meer van dat soort waarnemingen, verspreid over een veel groter aantal personen, dan dat we in onze eigen vertrouwde kring doen van vrienden en familie.

Als dat zo is, dan is de waarneming van het gedrag van anderen meer een specifieke selectie daarvan dan van ons eigen gedrag. Het gedrag van anderen in het publieke domein is oververtegenwoordigd. Want die vele anderen waarover we iets te weten komen, die maken we niet mee in hun eigen persoonlijke domein. Er zijn immers maar weinigen onder hen die we persoonlijk kennen en bij wie we over de vloer komen.

Wat betekent dat? Het betekent dat we meer met statusgedrag van anderen in aanraking komen dan met statusgedrag van onszelf. Want we zijn met zijn allen meer met statuscompetitie bezig in dat publieke domein. Omdat we elkaar daar niet zo goed kennen, proberen we om ons beter voor te doen dan we zijn. We maken ons daar drukker om status, prestige en de dunk die anderen van ons hebben.

In het persoonlijke domein is al dat statusgedoe veel minder aanwezig. Sterker, daarin keuren we het af. Stel je niet zo aan. Doe maar gewoon. Als we elkaar goed kennen, weten we van elkaar wat voor vlees we in de kuip hebben. En laten we ons niet intimideren of overheersen of een rad voor ogen draaien.

Omdat het publieke gedrag van anderen in onze waarnemingen oververtegenwoordigd is, wekt dat bij ons dus de indruk dat anderen veel meer met statuscompetitie bezig zijn dan wijzelf.

En dat is wel vervelend. Want ieder van ons gaat daardoor denken dat de maatschappij als geheel meer beheerst wordt door statuscompetitie dan hij in werkelijkheid is. We hebben hier te maken met een probleem van onvolledige sociale informatie.

En sociale beïnvloeding zorgt er dan voor dat we verleid worden om aan die statuscompetitie mee te doen. Dat lijkt op een ingebouwde positieve feedback, die steeds meer statuscompetitie genereert.

maandag 22 september 2014

Hoe komt het dat ieder van ons op een moreel eilandje leeft in een grote immorele zee?

Onderzoek naar de rol van moreel gedrag in ons dagelijks leven lijkt uit te wijzen dat ieder van ons zich bevindt op een vredig eilandje van moreel gedrag en dat al die eilandjes omgeven worden door een boze zee van overwegend immoreel gedrag. Zie Over morele eilandjes in een boze buitenwereld. Dat werpt natuurlijk de vraag op hoe dat kan. Waarom vormen al die eilandjes samen niet een groot vasteland van uitsluitend of overwegend moreel gedrag?

Om dat te begrijpen, moeten we even stilstaan bij hoe die merkwaardige maatschappij van ons in elkaar steekt. En hoe onze positie daarin is.

Ieder van ons is deel van een kringetje van persoonlijke relaties, van familie en vrienden, dat wil zeggen, van mensen waarmee we al langdurig een relatie hebben en waarmee we die relatie ook in de toekomst verwachten.

Het is in dat domein van persoonlijke relaties waarin onze morele intuïties van goed en kwaad zich bij het opgroeien hebben ontwikkeld. En het is in dat domein dat die intuïties ook gemakkelijk worden aangewakkerd. We zorgen wat voor elkaar, we bedriegen elkaar niet, we zijn trouw en we zien er van af om de ander te overheersen. Het is een egalitair gemeenschapje dat we over het algemeen om ons heen in stand weten te houden. In het algemeen, want we kunnen ook in een sociaal isolement terecht komen en eenzaam zijn.

Maar de maatschappij is meer dan de optelsom van al die gemeenschapjes. Er is ook de boze zee. Want ieder van ons neemt daarnaast ook, de een meer, de ander minder, deel aan het publieke domein, waarin mensen veel meer onpersoonlijke relaties met anderen hebben. Het is het domein van de georganiseerde omgang met elkaar, van het bedrijfsleven, van de overheidsdiensten, van de democratie en van de georganiseerde belangenbehartiging.

In dat onpersoonlijke domein hebben we veel minder intensief en minder langdurig omgang met anderen. De relatie kan zelfs anoniem zijn, in de zin dat wat jij beslist, gevolgen heeft voor anderen die je niet persoonlijk kent. Eigenlijk functioneer je in een geconstrueerde sociale wereld, want je handelt veelal niet als persoon, maar als bekleder van een positie, met omschreven rechten en plichten.

Bovendien is dat geconstrueerde sociale domein eigenlijk altijd hiërarchisch geordend. Er zijn leidinggevenden en uitvoerenden. In een verticaal bouwwerk van gradaties van verantwoordelijkheid, macht en autonomie. Dat bestaat niet alleen op papier, maar ook in de dagelijkse werkelijkheid. En dat beïnvloedt ons gedrag. Het zijn niet de egalitaire intuïties van zorgzaamheid, trouw, rechtvaardigheid en afkeer van overheersing die in de eerste plaats worden aangewakkerd. Nee, het gaat veel eer om de aanvaarding van gezag en van ondergeschiktheid aan de ene kant en om de prerogatieven en bijkomende voordelen van de gezags- en machtsuitoefening aan de andere kant.

Dat is dus het domein waarin onze neiging tot statuscompetitie de neiging tot gemeenschap domineert. Zie nog eens Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein. En statuscompetitie gaat over de wens om anderen te overheersen. Uit vrees om anders zelf overheerst te worden. Over de wens om de voordelen van een hoge status ten eigen bate te benutten. Over pogingen om er nog maar het beste van te maken als je ergens onderaan bent beland. Zorgzaamheid, rechtvaardigheid, eerlijkheid, autonomie, dat alles komt hier in de verdrukking.

Kortom, dat hier de kans op immoreel gedrag vele malen groter is dan in onze eilandjes van onze persoonlijke relaties, dat is niet verwonderlijk. Die boze zee, dat is zonder twijfel dat onpersoonlijke, publieke domein.

Uiteraard vormen wij met zijn allen ook die boze zee. Ieder van ons speelt daar zijn partijtje mee. En het is dan gemakkelijk in te zien dat wat ons via de media bereikt over dat publieke domein bovenal betrekking heeft op immorele gedragingen. Via internet, televisie, kranten, radio, bereiken ons elke dag berichten over fraude, zelfverrijking, ijdelheid, corruptie en ongeoorloofde machtsuitoefening. Kijk vandaag even naar het journaal of lees de krant. Nadere toelichting is overbodig. Wij met zijn allen doen dat, uiteraard de een meer, de ander minder.

Niet alleen vindt er in dat publieke domein dus meer immoreel gedrag plaats, bovendien dringt ook elk wangedrag tot ons door. Zolang er nog klokkenluiders zijn en er persvrijheid bestaat. Hoewel niet altijd aangenaam, is dat maar goed ook. Want we moeten met zijn allen nog wel leren hoe wij onszelf en elkaar er toe kunnen brengen om ons in dat publieke domein moreler te gedragen.

maandag 6 februari 2012

Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein

Jonathan Haidt is bekend geworden met de volgende twee inzichten die hij met zijn onderzoek meer of minder (de meningen verschillen) heeft onderbouwd:
  1. onze morele oordelen komen voort uit met emotie geladen intuïties over "wat deugt" en "wat niet deugt". Die intuïties leren we grotendeels onbewust aan gedurende het opgroeien in een morele gemeenschap. Het vermogen om ze makkelijk aan te leren is aangeboren. Verstandelijk redeneren komt er alleen bij kijken als morele oordelen over een handeling tussen mensen verschillen en als mensen dan proberen om elkaar te overtuigen.
  2. er zijn zes van zulke morele intuïties, die elk met twee tegenstellingen van "goed" tegenover "kwaad" kunnen worden gekarakteriseerd: zorgen/leed toebrengen, rechtvaardigheid/bedrog, vrijheid/overheersing, loyaliteit/verraad, gezag aanvaarden/gezag ondermijnen en heiligheid/ontering.
In het artikel over Haidt waar ik naar link in het bericht waar ik hierboven naar link (!), gaat het vooral over de toepassing van deze inzichten op onze oordelen over politiek en maatschappij. Dus over het publieke, onpersoonlijke domein. Het gaat dan bijvoorbeeld over hoe groot de verschillen tussen arm en rijk mogen zijn en over hoe streng misdrijven moeten worden bestraft.

Maar die morele intuïties verwerven we in het persoonlijke domein, in het sociale netwerk van familie en vrienden waarin we opgroeien. En het zijn vooral de intuïties van het gemeenschapsgedrag die we daar leren: je hoort voor elkaar te zorgen (of elkaar in ieder geval de ander geen leed berokkenen), je moet eerlijk zijn tegenover elkaar (in ieder geval de ander niet bedriegen), je moet elkaar in elkaars vrijheid laten (in ieder geval niet de ander willen overheersen) en je hoort onderling loyaal te zijn zodat je op elkaar kunt rekenen (in plaats van de ander te verraden en te laten vallen).

De resterende twee (gezag aanvaarden/gezag ondermijnen en heiligheid/ontering) zijn, lijkt mij, eigenlijk meer morele intuïties die ons er toe aanzetten om in een statushiërarchie te functioneren. Gezag komt van boven en het is maar beter om het te respecteren. En alles wat van boven komt heeft ook altijd een zweem van heiligheid en dat hoor je dus niet te onteren.

Als Haidt gelijk heeft dat wij ze aanleren gedurende het opgroeien, zou dat er dan een gevolg van zijn dat onze maatschappij ambivalent is tussen gemeenschap en statushiërarchie. Dat kleine gemeenschapsnetwerkje waarin onze kinderen opgroeien, is ingebed in een maatschappij waarin statuscompetitie en statushiërarchie een prominente rol spelen. Daar krijg je als kind natuurlijk van alles van mee. Je ouders functioneren in een statushiërarchie als ze een betaalde baan hebben. En zodra je onderwijs gaat genieten, heb je met gezagsverhoudingen te maken. Terwijl de gemeenschappen van lang geleden, die van de jagers/verzamelaars, in zekere zin in "zuivere vorm" functioneerden, dat wil zeggen dat ze onze neiging tot statuscompetitie succesvol onderdrukten, leven we nu in een maatschappij waarin gemeenschap en statuscompetitie (en-hiërarchie) veel in allerlei mengvormen aanwezig zijn.

Maar in grote lijnen kun je wel zeggen dat gemeenschapsgedrag veel gemakkelijker getriggerd wordt in het domein van de persoonlijke relaties. In relaties tussen vrienden ben je gelijkwaardig en is het not done om gezag te willen uitoefenen. Terwijl de uitoefening van gezag in een bedrijf vaak, met meer of minder tegenzin, geaccepteerd wordt. In het onpersoonlijke, publieke domein, dat van bedrijf, overheid en openbare ruimte, overheerst dus de ambivalentie van de intuïties van gemeenschap en statushiërarchie.

Dat maakt dat we in ons denken over politiek en maatschappij veel minder automatisch op onze intuïties kunnen varen. Er komt ook een input bij van ons goed informeren en verstandelijk redeneren. Zo ontstaan ideologieën, maatschappijvisies die wel berusten op bepaalde morele intuïties, maar waar ook denkwerk aan te pas komt. En volgens Haidt is de progressieve ("liberal") ideologie vooral gebaseerd op de intuïties van zorg, rechtvaardigheid en vrijheid. Terwijl de conservatieve ideologie daarnaast óók gebaseerd is op de intuïties van gezag en heiligheid. En daaruit zou volgen dat de conservatieven de progressieven beter begrijpen (omdat ze dezelfde intuïties delen) dan andersom (omdat de progressieven de intuïties van gezag en heiligheid niet kennen of niet willen kennen). Zie dit artikel, dat ondertussen is verschenen in de Journal of Personality and Social Psychology.

donderdag 19 januari 2012

De kracht van goede bedoelingen

Dit is maar een onderzoekje (zie de link onderaan dit bericht), maar ik denk dat de betekenis er van misschien onverwacht groot is.

De onderzoeker laat zien dat als iemand jou pijn of ongemak toebrengt, je dat als minder pijnlijk ervaart als je weet dat het met goede bedoelingen gedaan is. Minder pijnlijk dan wanneer het per ongeluk gebeurde en wanneer het met kwade bedoelingen gebeurde.

In dezelfde lijn bleek dat mensen een behandeling met een elektrische massagestoel als aangenamer ervaren als die stoel door een persoon bediend wordt dan door een computer (terwijl de massage in beide gevallen volledig identiek is). De bedoeling van een massage is om als aangenaam ervaren te worden. Maar in het eerste geval is er ook echt een persoon aan wie je die goede bedoeling kunt toeschrijven. Aan een computer doe je dat niet.

En tenslotte vinden mensen een snack lekkerder als ze die uitgereikt krijgen met een briefje waarop staat "Ik heb dit voor jou speciaal uitgekozen. Hoop dat het je blij maakt" dan met een briefje "Hoe dan ook. Kan me niet schelen. Ik heb willekeurig wat uitgezocht."

De betekenis die je hieraan kunt geven, heeft te maken met het onderscheid tussen persoonlijke en onpersoonlijke relaties. Anders gezegd, het onderscheid tussen het persoonlijke domein en het onpersoonlijke domein van onze sociale leefwereld.

In het persoonlijke domein, dat van familie en vrienden, gaan we gemakkelijker uit van de aanwezigheid van goede bedoelingen bij de mensen waarmee we omgaan dan in het onpersoonlijke domein. En omdat we de kracht van die goede bedoelingen nodig hebben, regelen we zaken liever binnen het persoonlijke dan binnen het onpersoonlijke domein. Als dat mogelijk is.

Vandaar dat ouders de opvang van hun kinderen liever informeel regelen (grootouders!) dan dat ze gebruik maken van de kinderopvang of de buitenschoolse opvang. En vandaar dat mensen als ze zorg nodig hebben, liever zo lang mogelijk mantelzorg ontvangen.

En vandaar dat in de jeugd- en gezinszorg de werkwijze van de Eigen Kracht-conferenties vaak zo succesvol is. Hulp en begeleiding in de sfeer van de eigen persoonlijke relaties heeft nu eenmaal het voordeel dat goede bedoelingen meer vanzelf spreken dan wanneer hulpverleners aan de deur komen.
The Power of Good Intentions | Psych Central News:

'via Blog this'

maandag 29 augustus 2011

Openingsbericht: Toegepaste sociale wetenschap

Toegepaste sociale wetenschap

Ik houd dit blog bij met de bedoeling om bij te dragen aan de ontwikkeling van toegepaste sociale wetenschap.

Disciplines die ik als sociale wetenschap beschouw zijn in ieder geval:

psychologie, i.h.b. evolutionaire, sociale, cross-culturele, positieve en ontwikkelingspsychologie,
psychiatrie,
gedragseconomie,
sociale neurowetenschap,
sociologie,
antropologie.

Deze disciplines en sommige andere verschaffen veel inzichten die toepasbaar zijn op:

1.      De vraag hoe het welbevinden van mensen te bevorderen,
2.      De vraag hoe te bevorderen dat mensen zich meer pro-sociaal en coöperatief gedragen.

Aanleiding

De aanleiding om dit blog te beginnen is allereerst mijn observatie dat de sociale wetenschap veel meer toepassingspotentieel heeft dan in het algemeen bekend is.

Maar bovendien is het mijn indruk dat mensen geneigd zijn het vak economie (let wel: niet de gedragseconomie) als bron van toepasbare inzichten te overschatten. Dit doen ze zowel individueel, door te veel waarde te hechten aan geld als bron van eigen welbevinden. Maar ook doen ze het collectief, door zich bij een politiek neer te leggen, of die zelfs te omarmen, die economische groei ziet als het allesoverheersende middel om het welbevinden van burgers te vergroten. Ik zeg niet dat economie en economische groei onbelangrijk zijn, maar wel dat mensen geneigd zijn het belang te overschatten. Een oorzaak daarvan kan zijn dat mensen minder op de hoogte zijn van sociaalwetenschappelijke inzichten dan van economische inzichten. Dit blog brengt daar misschien verandering in.

Sociale en maatschappelijke voorwaarden

Sociale wetenschap is toepasbaar omdat hij inzichten verschaft in de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor welbevinden en pro-sociaal en coöperatief gedrag. Als je iets wilt veranderen, moet je weten wat de oorzaken er van zijn. En als je die oorzaken of sommige van die oorzaken kunt beïnvloeden, dan weet je bij wijze van spreken aan welke knoppen je moet draaien. Zo “mechanisch” gaat het natuurlijk niet in de praktijk, omdat we met ingewikkelde processen te maken hebben. Maar juist als de zaken ingewikkeld zijn, hebben we in ieder geval altijd baat bij meer inzicht.

Met die sociale voorwaarden bedoel ik zaken die te maken hebben met het domein van de persoonlijke relaties van mensen, anders gezegd: hun directe sociale omgeving (familie, vrienden, kennissen, buren). Hoeveel van zulke relaties heeft iemand en hoe vaak is er contact? Is hij of zij eenzaam of niet? Maar ook: van welke aard zijn die relaties? Zijn ze wederzijds ondersteunend, in de zin dat mensen om elkaar geven en voldoening ontlenen aan de omgang met elkaar (pro-sociaal en coöperatief)? Of zijn ze juist meer antagonistisch van aard, in de zin dat mensen zich met elkaar vergelijken, met elkaar concurreren, elkaar eerder belemmeren dan ondersteunen en afgunstig zijn op elkaars “succes”? En is iemand eenzaam in de zin van een gebrek aan sociale contacten? Of eenzaam in de zin van het vooral hebben van antagonistische contacten? En wat maakt dit uit voor iemands welbevinden en gezondheid? En wat maakt het uit voor de kans dat iemand zich pro-sociaal en coöperatief zal gedragen?

Met die maatschappelijke voorwaarden bedoel ik het onpersoonlijke sociale domein. Dit domein bestaat uit mensen en collectieve arrangementen waarover we slechts indirect informatie krijgen, door eigen waarneming, zoals in de publieke ruimte, of via de media (televisie, radio, internet). Anders gezegd, gaat het hier om kenmerken van de maatschappij waarin iemand leeft, zoals het niveau van criminaliteit, de mate van veiligheid in de publieke ruimte, de mate van inkomensongelijkheid, het niveau van collectieve sociale zekerheid, de  mate van informele onderlinge zorg en de mate van onderling vertrouwen. Hangen zulke maatschappelijke voorwaarden samen met die sociale voorwaarden? En wat is hun invloed, direct of indirect (via die sociale voorwaarden), op welbevinden en gezondheid? En wat is hun invloed op de kans dat iemand zich pro-sociaal en coöperatief zal gedragen?

Ik ga er van uit dat het hebben van meer inzicht in deze voorwaarden het mogelijk maakt om het persoonlijk leven beter in te richten. Dit geldt voor het bevorderen van het eigen welbevinden, maar ook voor het vinden van mogelijkheden om bij te dragen aan het welbevinden van anderen en aan een betere maatschappij.

Maar ga ik er ook van uit dat het voor het beter voeren van overheidsbeleid belangrijk is dat degenen die dat beleid bepalen, politici én kiezers, beschikken over meer inzicht in deze voorwaarden. We hebben met zijn allen belang bij een hoog niveau van welbevinden en gezondheid. En we willen liever in een maatschappij leven waarin mensen iets voor elkaar over hebben en elkaar kunnen vertrouwen dan een maatschappij met onderling wantrouwen, egoïsme en onderlinge tegenwerking. We willen dus graag een beleid dat daaraan zo goed mogelijk bijdraagt. En de sociale wetenschappen kunnen inzichten aandragen die daarbij kunnen helpen.

Vragen

Deze interesse in praktische sociale wetenschap zet mij er toe aan om zo goed mogelijk op de hoogte te blijven van het wetenschappelijk onderzoek dat inzichten verschaft in de aard van die voorwaarden. Ik probeer al het onderzoek te volgen dat behulpzaam kan zijn om antwoorden te vinden op in ieder geval de hierna genoemde vragen. In het blog doe ik daar van verslag. Uiteraard maak ik daarbij een persoonlijke selectie, persoonlijk omdat ik de zaken er uit licht die mijzelf het meeste boeien en omdat dit blog in ieder geval mij zelf plezier moet verschaffen.