Posts tonen met het label ontmoetingsplekken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ontmoetingsplekken. Alle posts tonen

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.

dinsdag 21 mei 2019

Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen

Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.

Maar we hebben het niet zo geregeld dat er in onze woonomgevingen, onze buurten en dorpen, standaard ontmoetingsplekken aanwezig zijn. In plaats daarvan hebben we in de afgelopen halve eeuw door schaalvergroting, ruimtelijke concentratie en functiescheiding (wonen - werken) woonbuurten laten ontstaan waarin, inderdaad, alleen maar gewoond wordt. Met een blinde vlek voor het belang en het creëren van de voorwaarden voor het opbloeien van een sociaal leven.

Niet verwonderlijk dus dat we steeds minder bij elkaar over de vloer komen en dat eenzaamheid een groot maatschappelijk probleem is geworden.

Die blinde vlek voor de voorwaarden voor de bloei van een sociaal leven bestaat ook in de wereld van het beleid. Want als het daar gaat over preventie van eenzaamheid (of van depressie), dan gaat het maar weinig over die voorwaarden en te vaak over "algemene bewustwording" en  "vroegsignalering" door "professionals". Natuurlijk doen professionals goed en belangrijk werk, maar ze kunnen onvermijdelijk pas in actie komen als het probleem al is ontstaan.

Dat het beleid veel meer zou moeten inzetten op het creëren van die voorwaarden (denk ook aan het omwegbeleid), en dus op ontmoetingsplekken, komt ook naar voren uit het recente Amerikaanse onderzoek The Importance of Place. Neighborhood Amenities aa a Source of Social Connection and Trust. De onderzoekers geven in The Atlantic een samenvatting van hun onderzoek: Having a Library or Café Down the Block Could Change Your Life.

Uit dat onderzoek, op basis van een steekproef uit de Amerikaanse bevolking, blijkt wat het voor mensen uitmaakt hoever ze van een ontmoetingsplek wonen (winkel of winkelcentrum, horeca, park, bibliotheek, buurthuis, bioscoop, kegelbaan, fitness). Want ook bij statistische controle voor achtergrondkenmerken als leeftijd, inkomen, opleiding en etniciteit, zijn Amerikanen met een kleinere afstand tot ontmoetingsplekken niet alleen tevredener met hun woonbuurt, maar ook zijn ze minder sociaal geïsoleerd en hebben ze meer vertrouwen in andere mensen.

Mensen zijn een groepsdier, dat er op is ingesteld om zich te bewegen in een groep van vertrouwde anderen. In onze huidige samenleving groeien we nog maar zelden op in zo'n vertrouwde groep. Dat maakt een sociale infrastructuur, waarin we elkaar kunnen ontmoeten en vertrouwde relaties kunnen opbouwen, van zo groot belang.

Maar dat inzicht blijkt niet als vanzelf aanwezig in het denken over de inrichting van onze woonomgeving. En dus ligt er een taak voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

dinsdag 15 januari 2019

Buurten en dorpen horen ontmoetingsplekken te hebben. Maar die zijn er niet meer als vanzelf

In het Friese dorp Nij Beets ging een jaar of vier geleden de laatste dorpssupermarkt ter ziele. Een jaar lang miste het dorp niet alleen een boodschappenwinkel, maar ook een trefpunt. Toen slaagde de melkboer er met steun van de dorpsbewoners in om de dorpswinkel weer tot leven te wekken. De Leeuwarder Courant bericht daar over: De wederopstanding van de dorpswinkel van Nij Beets. 

Dat een dorpswinkel niet alleen een economische functie heeft, maar ook een sociale, blijkt eruit dat de winkelier, Sjoerd Fennema, kort na de opening in zijn winkel een gesprek opving tussen twee klanten, allebei Nij Beetsters, die elkaar een jaar lang niet gezien hadden: ,,De lêste kear dat se inoar seagen wie in jier earder, yn ’e Spar doe’t dy noch iepen wie.’’ ("De laatste keer dat ze elkaar zagen was een jaar eerder, in de Spar toen die nog open was.")

Het is een mooie illustratie van een algemener verschijnsel, namelijk dat dorps- en buurtbewoners  om elkaar te ontmoeten, en om niet te vervallen in eenzaamheid, ontmoetingsplekken nodig hebben. En dat economische ontwikkelingen als schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen tot gevolg kunnen hebben dat ontmoetingsplekken verdwijnen. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Waaruit dit citaat:
Aan de onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken in wijken en buurten zouden commerciële voorzieningen tegemoet kunnen komen, zoals horeca en detailhandel. Hoe kleiner die voorzieningen en hoe meer gespreid, hoe groter de kans dat ze een sociale functie krijgen. Klanten wonen dan dichtbij en treffen herhaaldelijk medebuurtbewoners. Dan is een praatje gauw gemaakt en kan van alles worden uitgewisseld. Kortom, commerciële voorzieningen kunnen een sociale functie hebben.
Maar daarvoor zijn kleinschaligheid en ruimtelijke spreiding nodig. En die zijn niet gegarandeerd als ondernemers en winkelketens zich bij hun vestigingskeuzes onbelemmerd door louter bedrijfseconomische overwegingen kunnen laten leiden.
Wat we dan zien, en wat we de afgelopen halve eeuw hebben gezien, is een proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Zie (nog) eens Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Winkels en horeca concentreren zich in de binnensteden, omdat ze zo van de aanwezigheid van elkaars klanten profiteren. En hoe hoger de concentratie van klanten, hoe groter je vestiging kan zijn en hoe lager je kosten.
Het dorp Nij Beets is er een voorbeeld van dat het soms lukt om deze ontwikkeling te keren. Maar in hetzelfde bericht in de Leeuwarder Courant gaat het ook over het dorp Wijnjewoude, zo'n twintig kilometer verderop, waar het nog niet is gelukt om de gesloten dorpswinkel nieuw leven in te blazen.

Het algemene punt is dat commerciële voorzieningen ook een belangrijke sociale functie kunnen hebben, maar dat die sociale voordelen niet meewegen in de economische afweging over het wel of niet handhaven ervan. En dat die sociale functie zo belangrijk kan zijn dat er een overheidstaak opduikt. Want een overheid bekommert zich natuurlijk niet alleen over onze economische, maar ook over onze sociale welvaart. Nog een citaat:
Een ding is duidelijk: door dat louter economische overwegingen mogen overheersen bij vestigingskeuzes, benutten we niet de mogelijkheden om economische en sociale functies te combineren. Daardoor zien we dat er in buurten te weinig ontmoetingsplekken zijn. Die alleen met veel inspanningen van beroepskrachten en vrijwilligers soms toch nog succesvol tot stand komen. En met subsidies van diezelfde gemeenten die dat proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie vrij baan geven.

donderdag 28 juni 2018

Wat deden de eerste landbouwers? Ze bouwden een dorpshuis

Met de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouw kwam er een nieuw probleem de mensheidsgeschiedenis binnen. Want de landbouw bracht eigendom met zich mee en daarmee dus ook ongelijkheid. Voor het overleven was het niet langer noodzakelijk om in de groep samen te werken en te delen. Families konden zichzelf redden en sommige beter dan andere.

Het probleem dat daarmee ontstond was het uiteenvallen van de sociale verbanden, van de sociale cohesie. Dat was om twee redenen een probleem. De eerste is dat conflicten uit de hand konden lopen en zelfs tot oorlogen konden leiden. Met veel schade en risico's voor iedereen.

Maar er was daarnaast natuurlijk ook nog de menselijke behoefte aan verbondenheid, aan de vertrouwdheid van de gemeenschap. Want met de landbouwsamenlevingen begon eigenlijk al wat we tegenwoordig "individualisering" noemen en daarmee het risico op eenzaamheid.

De eerste landbouwers probeerden dus uit te vinden hoe ze die sociale cohesie in stand konden houden, tegen de nieuwe centrifugale krachten in. In dat verband kennen we al de belangrijke rol van "fictieve verwantschap" en van religie. Maar we hebben nu aanwijzingen dat ze, zodra ze zich gingen vestigen, het belang inzagen van het gezamenlijk bouwen en onderhouden van een dorpshuis.

Een dorpshuis? Jazeker. Opgravingen in het zuiden van Jordanië hebben de resten van een gemeenschappelijke ruimte blootgelegd die wel bedoeld moet zijn geweest als een plek voor gezamenlijke activiteiten en ontmoetingen van de bewoners van het omliggende dorp. Je ziet een foto van de resten van het vloeroppervlak van het bouwwerk, dat de onderzoekers Building 37 noemden.

Een citaat uit het artikel (Constructing community in the Neolithic of southern Jordan: Quotidian practice in communal architecture):
Although Building 37 was likely used for occasional dramatic celebrations, the ease of access to the structure and evidence for heavy use suggests it was a space for routine and regular practices, interactions, and communication. The large open-floor plan, while probably insufficient to house the entire Beidha community at one time, still would have facilitated easy flow of movement and communication between individuals and small groups. These small-scale, regular and repetitive interactions operated through quotidian practices conducted within Building 37 would have fostered the production and reproduction of social norms to generate highly durable modes of community cohesion.
En daarmee beschrijven ze toch eigenlijk de functie van een dorps- of buurthuis.

Die eerste landbouwers en dorpsbewoners hadden dus al een goed inzicht in het belang van een gemeenschappelijke ontmoetingsplek. In de loop van de latere geschiedenis is dat inzicht vaak weggezakt of zelfs expliciet als "ouderwets" weggezet. 


En denk aan de berichten op dit blog over ontmoetingsplekken.

vrijdag 23 februari 2018

Klein, maar goed, nieuws: Jongeren maken zelf hun ontmoetingsplek

Als welkom tegenwicht tegen al het grote, slechte nieuws, nu aandacht voor het weliswaar kleine, maar goede nieuws. Over jongeren die zelf hun ontmoetingsplek maken

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn we de ruimtelijke inrichting van ons land zo gaan omvormen dat wonen en werken sterk zijn gescheiden. Bovendien hebben we door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen (winkels, horeca, uitgaansgelegenheden) saaie woonbuurten gecreëerd, waarin bewoners bij gebrek aan natuurlijke ontmoetingsplekken elkaar niet kennen en niet bij elkaar op bezoek komen. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.

Die ontwikkeling heeft eraan bijgedragen, of is er zelfs de voornaamste oorzaak van, dat we nu een groot eenzaamheidsprobleem hebben. Volgens de nieuwste cijfers, van 2016, is 33 procent van de volwassen bevolking matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam.

Eenzaamheid komt in alle leeftijdsfases voor. Vaak denken we dan eerst aan vereenzaamde ouderen. Maar het risico op eenzaamheid is ook onder jongeren groot. Dat ligt er ook aan dat de leeftijdshomogene groepering op scholen niet zo'n gunstige sociale omgeving biedt, een omgeving namelijk die gemakkelijk statuscompetitie en pesten uitlokt. En in een woonbuurt waar verder niets gebeurt, is het lastig om vrienden te maken of vriendschappen te onderhouden.

Met als gevolg dat de generatie die is opgegroeid met internet en sociale media in vergelijking met vorige generaties meer tijd doorbrengt met online communicatie dan met face-to-face ontmoetingen. En de aanwijzingen zijn dat dat de kans op eenzaamheid en zelfs depressie vergroot. Zie Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen en Meer over het verband tussen het gebruik van sociale media en eenzaamheid.
Update. En denk aan het onderzoek dat laat zien dat jongeren minder tijd besteden aan televisiekijken, gamen en sociale media als er inde buurt meer te doen is: Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren.
Maar mensen lijken goed door te hebben dat dit geen gunstige ontwikkeling is. Er zijn veel aanwijzingen voor een onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken en er zijn alom initiatieven om aan die behoefte tegemoet te komen.

Zo is er nu in de Leeuwarder Courant het berichtje dat de tien leden van de Jeugdraad van de gemeente Smallingerland niet alleen actie voeren om meer hangplekken ("afdakjes") tot stand te brengen, maar ook proberen voor elkaar te krijgen dat jongeren zelf die afdakjes gaan maken. En het zou helemaal mooi zijn als ze dat samen zouden doen met lokale kunstenaars. De Jeugdraad hoopt steun te krijgen van de gemeenteraad en heeft het plan aangeboden bij de politieke partijen. Zie Zelf afdakjes maken om onder af te spreken.

Een klein berichtje waar je vrolijk van wordt.

donderdag 19 oktober 2017

Eindelijk meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de Utrechtse wijken?

De Utrechtse Internet Courant (DUIC) bericht over het Concept Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2017 dat door Wethouder Jeroen Kreijkamp van Economie en Financiën werd gepresenteerd.

Uiteraard is daarin aandacht voor de concentratie van de horeca in de binnenstad, waardoor daar de leefbaarheid voor bewoners in gevaar komt. Maar de tegenhanger daarvan is dat de wijken vaak alleen maar woonbuurten zijn. En juist daar zouden meer horecagelegenheden de belangrijke sociale functie van ontmoetingsplekken kunnen vervullen.

De gemeente ziet dat probleem en wil er wat aan doen. Dat betekent dat er in het Ontwikkelingskader een "Profiel Wijkhoreca" is toegevoegd. Daarover is te lezen:
Met dit profiel wordt de wijkfunctie versterkt. Utrechters kunnen in hun eigen wijk een hapje eten, in hoekpanden, losstaande panden of panden die grenzen aan andere retailpanden die geen woningen zijn, indien dit past bij de leefbaarheid in de omgeving. Buurtgenoten komen elkaar daar tegen. Dit draagt bij aan de sociale cohesie in de wijk. Voor ouderen kan een kopje koffie in de wijk reden zijn om er even uit te gaan. En een open, naar buiten-gerichte en gastvrije onderneming zorgt voor meer sociale controle en toezicht op straat.
Prima. Want we weten dat processen van schaalvergroting, ruimtelijke concentratie en functiescheiding (wonen - werken - winkelen) woonbuurten hebben gecreëerd zonder ontmoetingsplekken. En dat zou heel goed te maken kunnen hebben met de toename van eenzaamheid. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie en De onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken en sociale contacten.

Hoe krijgen we meer horeca in de wijken? In dat Ontwikkelingskader lees je daarover:
Uit eten en drinken in de wijk is een trend die de afgelopen jaren sterk in opkomst is en dat ook de komende jaren zal zijn. De sociale functie die een horecagelegenheid in de wijk kan hebben, speelt daarbij een belangrijke rol. De relatie en verbondenheid met de bewoners in de wijk is dan ook van groot belang - het grootste gedeelte van de gasten komen dan ook uit de eigen wijk. Ook kan horeca de leegstand van andere retailpanden (detailhandel, diensten) tegen gaan.
Tegelijk heeft het vestigen van horeca in de wijken vaak veel voeten in de aarde, vooral als het om horeca D1 gaat. Deze horecacategorie biedt onbeperkte openingstijden en dat kan tot hinder leiden. Dit leidt bij de vergunningaanvraag voor nieuwe locaties tot veel discussie en vaak tot verhindering van de komst van een restaurant in de wijk. En dit terwijl er een algemeen besef is dat de nachtelijke openstelling voor restaurants niet of zelden voorkomen.
Anderzijds geldt voor de D2 horecacategorie de winkelsluitingstijd van 22.00. Dit betekent dat de gasten dan ook daadwerkelijk het horecapand moeten hebben verlaten. Vaak biedt dit de ondernemer net te weinig tijd om 's avonds nog een maaltijd te kunnen serveren. Voor de buurtfunctie en een goede bedrijfsvoering is dit wel gewenst.
Om tegemoet te komen aan zowel de bezwaren van wijkbewoners bij nieuwe D1 horecalocaties enerzijds en te vroege sluitingstijden van de daghoreca D2 anderzijds, is een nieuwe categorie D3 toegevoegd waarbij de horecagelegenheid tot 23.00 uur open kan blijven.  
Dat lijkt een prima en concrete stap in de goede richting.

Alleen, je vraagt je af, want zo ingewikkeld is die stap niet, had dit niet veel eerder kunnen worden bedacht?

Want dat voornemen om te zorgen voor meer horeca in de wijken, dat was er ook al in 2012. Toen schreef ik daarover het bericht Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht.

Moest daar nu zo nodig vijf jaar over worden nagedacht?

maandag 5 december 2016

Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren

Komen kinderen wel genoeg buiten? Zitten ze niet teveel op de bank? En zitten ze niet teveel naar een scherm(pje) te staren?

Dat zijn belangrijke vragen, want we weten dat het voor de fysieke en sociale ontwikkeling van kinderen goed is dat ze veel buiten spelen, met andere kinderen van verschillende leeftijden. Zie
Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?

Maar er is buiten vaak niet veel te doen. Een saaie woonwijk, met alleen maar straten en huizen, nodigt er niet toe uit om naar buiten te gaan. Het zou dus van de fysieke inrichting van de buurt kunnen afhangen hoe vaak kinderen het huis uit gaan. In plaats van thuis naar een scherm(pje) te zitten staren.

Het Australische onderzoek Nowhere to Go and Nothing to Do but Sit?Youth Screen Time and the Association With Access to Neighborhood Destinations bevestigt dat vermoeden. Kinderen die in buurten wonen met meer winkels en andere voorzieningen en met meer openbare ruimte (park, sportveld, schoolplein) besteden naar hun eigen oordeel of, bij jongere kinderen, naar het oordeel van de ouders, minder tijd aan televisiekijken, computeren, gamen en sociale media.

Een nieuwe aanwijzing voor het belang van buurten en dus vooral voor het belang van buurten waar iets valt te beleven, waar ontmoetingsplekken zijn. Als die er niet zijn, groeien kinderen sociaal geïsoleerder op en bewegen ze te weinig.

dinsdag 23 februari 2016

Begint de strijd tegen schaalvergroting, concentratie en belastingontwijking in dit stadje in Wales?

Het stadje Crickhowell in Wales telt slechts 2063 inwoners. Dan verwacht je dat alle commerciële voorzieningen het loodje hebben gelegd en dat de voormalige winkelstraat een treurige aanblik biedt. Zoals in veel dorpen en stadjes, waar winkels zijn verdwenen. En dus ontmoetingsplekken. In de afgelopen halve eeuw hebben schaalvergroting en concentratie er voor gezorgd dat commerciële voorzieningen nauwelijks meer de sociale functie van trefpunt en ontmoeting vervullen.

Maar in Crickhowell is dat niet gebeurd. Het stadje telt 50 kleine bedrijfjes, van boekwinkel tot bakkerij, van zalmrokerij tot pub. En dus is het een levendig stadje. Hoe kan dat?

Dit bericht in de New York Times geeft daar antwoord op: Welsh Town Leads a British Revolt Against the Tax System and Corporations.  Die revolte bestaat er uit dat de kleine ondernemers van Crickhowell de strijd hebben aangebonden met de grote multinationale winkelketens.

Die machtige winkelketens zijn er natuurlijk op uit om een zo hoog mogelijk rendement te onttrekken aan vestigingen. Dus zijn ze voortdurend op zoek naar de optimale vestigingsomvang, en die is meestal zo groot dat er als vanzelf een proces van schaalvergroting optreedt. Omdat bovendien winkelvestigingen van elkaars aanwezigheid profiteren, komt daar een proces van ruimtelijke concentratie bij. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

En zo is de maatschappelijk nuttige combinatie van economische en sociale functies in de loop van de tijd teloorgegaan. De economie is het sociale leven gaan domineren. Economisch gezien zijn we er beter op geworden, maar sociaal zijn we er op achteruit gegaan. Zie Geld en "de rest".

Maar de strijd die Crickhowell tegen deze ontwikkeling is aangegaan, wijst ons er op dat dit niet zomaar een uitkomst is van hoe de markt nu eenmaal werkt. Want die strijd is vooral ook gericht tegen de Britse overheid, die kwistig is met belastingvrijstellingen voor die machtige multinationale ketens. De overheid geeft dus niet alleen vrij baan aan die schaalvergroting en concentratie, nee, zij bevordert dat proces actief door die fiscale cadeautjes.

Een middel dat Crickhowell nu in de strijd heeft gegooid, is een poging om de werkwijze van de multinationals na te bootsen. Door zich, als stad en de verzamelde ondernemers, juridisch te vestigen in een belastingparadijs, zodat ze qua belastingdruk op een lijn komen te staan met die grote multinationals. Maar de Britse belastingdienst heeft daar een stokje voor gestoken. Steden kunnen zich niet in het buitenland "vestigen", dat is voorbehouden aan ondernemingen.

Wat weer eens laat zien hoe overheden zich onderdanig hebben gemaakt aan economische macht. Met verwaarlozing van de sociale behoeften van hun burgers. Want uiteindelijk gaat het niet om economische, maar om sociale welvaart.

In Crickhowell gaat de strijd voort.

woensdag 28 oktober 2015

Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

Er was een tijd dat mensen gedurende hun levensloop altijd vrienden om zich heen hadden. Dat was zo vanzelfsprekend dat ze elkaar geen vrienden noemden. Het woord vriend lijkt een nog vrij recente uitvinding.

Dat ligt er aan dat het hebben van vrienden al lang niet meer vanzelfsprekend is. In het mooie bericht How our housing choices make adult friendships more difficult vraagt David Roberts daar vandaag aandacht voor.

Geen tijd om het betoog samen te vatten. De kern er van lijkt me dat de sleutel tot het ontstaan (en blijven bestaan) van vriendschappen er in gelegen is dat je elkaar herhaald en spontaan ontmoet. Elkaar tegen het lijf loopt en weer even bij praat. Niet incidenteel, maar regulier, zeg, elke dag of een paar keer per week.

Daarvoor is een setting nodig die bijvoorbeeld nog bestaat als je studeert. En dus is het niet toevallig dat daar veel vriendschappen ontstaan. Maar daarna gaat iedereen zijns weegs en kost het inspanning om die vriendschappen in stand te houden. Die spontane ontmoetingen, die treden nauwelijks meer op. 

Vandaar dat mensen gedurende hun volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden maken. En vandaar dat we een maatschappelijk probleem van eenzaamheid kennen. Het woord eenzaamheid lijkt overigens ook nog maar vrij recent tot het spraakgebruik te zijn doorgedrongen.

Want dat iedereen zijns weegs gaat, dat houdt in dat iedereen ergens een domicilie kiest, ergens in een huis een gezin sticht. Waar dat is wordt bepaald door de eisen van werk en loopbaan. En zo ontstaan de sociaal geïsoleerde gezinnen. Die agenda's moeten trekken om ontmoetingen met vrienden al ver van te voren te organiseren. We moeten weer eens afspreken, is een vaak gehoorde mededeling. En te vaak komt het er niet van.

We hebben dus met zijn allen een leefwijze laten ontstaan waarin de herhaalde, spontane ontmoetingen er niet als vanzelf zijn. Daarom die pleidooien op dit blog voor ontmoetingsplekken in de buurt. En de berichten over het sociale belang van buurten.

Maar goed, lees dat mooie stuk van David Roberts!

dinsdag 10 februari 2015

Als aanbieders tegen elkaar aanschurken, werkt de markt niet optimaal - n.a.v. Chris Dillow

Chris Dillow had gisteren een aardig bericht over het verschijnsel van tegen elkaar aan schurkende aanbieders, die daardoor een niet optimale marktuitkomst genereren. Zie HEADING FOR EXTINCTION?

Het gaat dan bijvoorbeeld om politieke partijen die allemaal naar het midden kruipen, omdat daar de meeste stemmen zijn te halen. En om winkels die zich in elkaars nabijheid vestigen, omdat ze dan profiteren van elkaars aantrekkingskracht op klanten. En om commerciële televisiekanalen die qua programmering sprekend op elkaar lijken, omdat concurrentie om het populaire midden meer oplevert dan je juist van dat midden te onderscheiden. En om de publieke omroep die aan dat proces mee gaat doen hoe meer die zich moet bekostigen uit reclamegelden.

Zulke processen leveren niet-optimale marktuitkomsten op, want met een grotere "productdifferentiatie" zouden meer consumenten bediend worden. En zou de markt als geheel beter werken. Dat is voor het eerst opgemerkt door de econoom Harold Hotelling in 1929, die het fenomeen in dit artikel met uitbundig gebruik van wiskunde analyseerde. Chris Dillow verwijst ook naar Hotelling.

Er moet wel aan bepaalde voorwaarden voldaan zijn. Als het om de politieke "markt" gaat, moeten de kiezersvoorkeuren op één dimensie (bijvoorbeeld links-rechts) te ordenen zijn en moeten ze min of meer normaal verdeeld zijn, dus met de meeste kiezers in het midden.

Maar je kunt je ook een verdeling van klanten in de fysieke ruimte voorstellen. In feite deed Hotelling dat zelf, toen hij zich afvroeg waar twee winkeliers zich in een straat zouden vestigen. Allebei precies in het midden, dus tegen elkaar aan geschurkt. Want onder de aanname dat klanten altijd voor de dichtstbijzijnde winkel kiezen, zou de winkelier die zich van het midden zou verwijderen, meteen klanten aan de concurrent verliezen.

Precies dat principe verklaart waarom onze stadscentra zo vercommercialiseerd zijn. En waarom winkelcentra aan zichzelf overgelaten de neiging hebben om zich te concentreren en uit te dijen. Waardoor er saaie woonbuurten ontstaan, waar voorzieningen ontbreken die naast een economische ook een sociale ontmoetingsfunctie hebben. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

Conclusie: onder zulke voorwaarden zou interventie in de markt een optimale uitkomst dichterbij brengen. Dat zie je dus ook gebeuren. Stadsbesturen spannen zich in om kleinere winkelcentra te behouden en om horeca meer over de buurten te verspreiden. Zie Meer horeca, en dus ontmoetingsplekken, in de wijken - gemeente Utrecht.

In dezelfde lijn zou je ook een pleidooi kunnen houden om televisiekanalen door een monopolist te laten uitbaten. Eventueel door een overheidsmonopolie. Ook als die zijn inkomsten uit reclame zou moeten halen, dan zou hij gemotiveerd zijn om het gehele spectrum van kijkersvoorkeuren te bestrijken. Want dat zou het meeste opleveren. En meer kijkers zouden aan hun trekken komen.

Sterker: ik heb zo een pleidooi ooit gelezen, van de hand van een vurig aanhanger van het vrije marktprincipe. Die dus op basis van die analyse van Hotelling uit 1929 ontdekte dat een monopolie soms de voorkeur verdient. Ik weet alleen niet meer wie dat was en kan hem ook niet terugvinden.

Overigens, Chris Dillow wijst er op dat dat tegen elkaar aanschurken soms ook slecht kan aflopen. Hij denkt dan aan die politieke partijen die allemaal op het midden gokken en daardoor bij de kiezers de indruk wekken dat "het toch allemaal een pot nat is". En die riskeren te worden weggevaagd als het kiezerslandschap ineens wordt omgegooid.

En dat lijkt wel actueel te gaan worden. Update. Zie nu deze analyse van de verschuivingen in het Engelse kiezersvolk. Labour zou er goed aan doen om de afstand tot de Tories te vergroten.

donderdag 6 maart 2014

Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie

Aan de onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken in wijken en buurten zouden commerciële voorzieningen tegemoet kunnen komen, zoals horeca en detailhandel. Hoe kleiner die voorzieningen en hoe meer gespreid, hoe groter de kans dat ze een sociale functie krijgen. Klanten wonen dan dichtbij en treffen herhaaldelijk medebuurtbewoners. Dan is een praatje gauw gemaakt en kan van alles worden uitgewisseld. Kortom, commerciële voorzieningen kunnen een sociale functie hebben.

Maar daarvoor zijn kleinschaligheid en ruimtelijke spreiding nodig. En die zijn niet gegarandeerd als ondernemers en winkelketens zich bij hun vestigingskeuzes onbelemmerd door louter bedrijfseconomische overwegingen kunnen laten leiden.

Wat we dan zien, en wat we de afgelopen halve eeuw hebben gezien, is een proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Zie (nog) eens Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Winkels en horeca concentreren zich in de binnensteden, omdat ze zo van de aanwezigheid van elkaars klanten profiteren. En hoe hoger de concentratie van klanten, hoe groter je vestiging kan zijn en hoe lager je kosten.

Dat dit proces nog steeds doorgaat, blijkt vandaag uit de cijfers die het CBS verstrekt over de ontwikkeling van de winkeldichtheid (aantal winkels per 100.000 inwoners) in gemeentes tussen 2008 en 2013.  Daaruit kun je opmaken dat het aantal vestigingen van de detailhandel (fysieke goederen voor persoonlijk gebruik) in alle gemeentes (verdeeld naar aantal inwoners) is afgenomen. Daartegenover staat dat het aantal supermarkten en warenhuizen vooral in de grotere gemeentes is toegenomen.

Deze cijfers geven bij benadering aan dat inderdaad de schaalvergroting en concentratie doorgaande ontwikkelingen zijn. Je zou natuurlijk liever gedetailleerdere cijfers hebben, bijvoorbeeld over de gemiddelde afstand van woonplaats tot de dichtstbijzijnde winkels. En je zou liever het proces verder terug in de tijd dan tot 2008 voor ogen zien. Maar Statline blijkt het begrip winkeldichtheid niet te kennen.

En je zou graag dezelfde cijfers zien voor de horeca. Nee, Statline kent ook het begrip horecadichtheid niet.

Een ding is duidelijk: door dat louter economische overwegingen mogen overheersen bij vestigingskeuzes, benutten we niet de mogelijkheden om economische en sociale functies te combineren. Daardoor zien we dat er in buurten te weinig ontmoetingsplekken zijn. Die alleen met veel inspanningen van beroepskrachten en vrijwilligers soms toch nog succesvol tot stand komen. En met subsidies van diezelfde gemeenten die dat proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie vrij baan geven.

woensdag 26 februari 2014

De onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken en sociale contacten

Er is weer een levendige ontmoetingsplek bijgekomen. Het Utrechtse buurthuis De Pijler in de nieuwbouwwijk Veldhuizen in Vleuten-De Meern stond jaren leeg. Maar sociaal beheerder Adil Chebli heeft er samen met sociaal makelaar Bauke Spijkerman en vrijwilligers en met subsidie van de gemeente een succesvolle ontmoetingsplek van gemaakt. Zie Succes buurthuis door kennis van de wijk. Dat het gelukt is, moet er mee te maken hebben dat Chebli de buurt introk:
"Je moet de buurt kennen, weten wat er speelt als je mensen wilt bereiken. Ik ben dus vaak op straat te vinden, fiets rond, praat met de mensen, kom veel bij ze thuis. Inmiddels ken ik zo’n 65 procent van de bewoners."
Weer een aanwijzing dat er veel behoefte is aan ontmoetingsplekken en dat er niet genoeg aan die behoefte tegemoet wordt gekomen. In al die jaren dat het buurthuis in Veldhuizen leeg stond, was die behoefte er natuurlijk ook al. Maar spontaan komt een ontmoetingsplek pas tot stand onder speciale voorwaarden. Daarzonder moeten er mensen zijn die het voortouw nemen. En helpt het als de gemeente het belang er van inziet en een plek en subsidie beschikbaar stelt.

Dat er een onvervulde behoefte aan ontmoeting en sociale contacten bestaat, blijkt ook uit de CBS-publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten (pdf), waar ik het hier en hier over had. Bijna drie op de tien mensen zou graag vaker contact met vrienden willen, ruim een kwart vaker contact met familie en één op de tien vaker met buren.

En het zijn niet alleen de mensen met weinig contacten die er meer zouden willen. Van degenen die hun familie dagelijks zien of spreken wil 22 procent graag nog vaker contact, waarschijnlijk met andere familieleden dan degenen met wie ze al veel contact hebben. Voor vrienden is dat vergelijkbaar, met een percentage van 24. En 10 procent van degenen die al dagelijks contact met buren hebben, zou graag nog vaker contact hebben.

Dat er zo'n grote onvervulde behoefte is aan sociale contacten in onze maatschappij is natuurlijk niet verrassend. We leven in een marktmaatschappij, waarin we met zijn allen meer aandacht besteden aan behoeften die via de commerciële weg vervuld kunnen worden dan aan behoeften waarvoor zelforganisatie en een rol van de overheid nodig zijn.

vrijdag 7 februari 2014

La passeggiata: de deur uit om te wandelen en elkaar te ontmoeten. Waarom in Nederland niet?

We komen steeds minder bij elkaar op bezoek. Sinds 1975 is de tijdsbesteding daaraan gehalveerd. Zie het rapport Met het oog op de tijd van het Sociaal en Cultureel Planbureau. We hebben kennelijk minder goede contacten in de woonomgeving. En het is de vraag of het onderhouden van contacten via media daar wel tegen op weegt. De samenleving lijkt anoniemer te worden en gezinnen lijken behoorlijk sociaal geïsoleerd. Eenzaamheid past niet bij hoe mensen in elkaar zitten, maar doen we wel genoeg om het te voorkomen?

Het beste middel tegen eenzaamheid zou wel eens de aanwezigheid van ontmoetingsplekken kunnen zijn. Verspreid over buurten en voor zoveel mogelijk mensen op loopafstand bereikbaar. En je kunt je afvragen waarom die er niet genoeg zijn.

Maar het gaat misschien niet alleen om de aanwezigheid van een bepaalde plek. Je kunt elkaar natuurlijk ook gewoon op straat ontmoeten. Als we nou eens allemaal op ongeveer dezelfde tijd de deur uitgingen om een wandelingetje te maken. Een blokje om te lopen. Oké, als het weer het toelaat. Dan zouden we elkaar treffen en misschien zouden we zomaar eens een praatje maken met anderen die een paar huizen of een straat verder wonen.

Mooi bedacht, maar dat lukt natuurlijk nooit.

Maar wacht, er zijn landen waar mensen dit als routine doen. Waar het onderdeel van de cultuur is. Neem la passeggiata in Italië. Het avondwandelingetje. En op zondag na de koffie. (En vergeet Spanje niet.) Een mooie beschrijving geeft Margie Miklas:
Every evening, between the hours of 5pm and 8pm, Italians take to the streets, participating in what is known as La Passeggiata, or the evening stroll. The name comes from the verb passeggiare, which means to walk. Sociologists label La Passeggiata a "cultural performance, and on Saturdays and Sundays entire families participate, this frequently being the main social event of the day. Afterward, everyone heads home together for the evening meal.
In her book titled "The Passeggiata and Popular Culture in an Italian Town," Giovanna Delnegro states that this custom "reinforces a sense of belonging." Individuals greet their friends and acquaintances, while sharing all the latest news and gossip. Women frequently hold hands, walking together in what appears as an informal parade. As they mark the end of the workday, men can be heard to say "andiamo a fare qualche vasca," or "let's go do some laps." Not only is the custom of La Passeggiata a social bonding experience, but also good exercise.
Originally, one of the purposes of La Passeggiata was to display the charms of young women who were eligible to be married, and in this process, parents of these girls encouraged them to be flirtatious. They want their daughters to look good, or "fare una bella figure." This could be one of the reasons that generally people change their clothing after working, and put on their finer attire, dressing to impress, for the evening stroll. The goal is, after all, to see and be seen, or "vedere e farsi vedere."
Dat wandelen is altijd meer slenteren en wordt afgewisseld met het in wisselende groepjes uitwisselen van meningen en nieuwtjes. Iedereen die wel eens in Italië komt kent het. De foto hiernaast maakte ik in Rome. Die mensen wandelen elke middag naar dat bankje. Om bij te praten. In de Via del Portico D'Ottavia.

Ik werd gisteren aan la passegiata herinnerd toen ik Willem van Toorns Het Grote Landschapsboek doorbladerde. Een prachtboek (uit 2011) dat nu in de ramsj te koop is. Hij beschrijft daar, in het hoofdstuk De landschappelijke stad, hoe hij als kind met zijn ouders in Amsterdam wandelde. Hij verwijst daar ook naar de Italiaanse passeggiata.

Waarom is dat collectieve straatje om ook niet onderdeel van onze cultuur? Of waarom gaan we er niet gewoon mee beginnen? Willem van Toorn denkt dat de stad er ook op moet zijn ingericht. Hij bedoelt daarmee dat er voor de bewoners iets te doen moet zijn. En dat is in onze steden vaak niet zo. We hebben in de binnenstad (p. 24):
de openbare ruimte uit handen gegeven aan de commercie, de vermaaksindustrie, aan shopping als vrijetijdsbesteding, aan de jeugdcultuur. De nieuwe bedrijfstak van de citybranding is zelfs vooral bedoeld om zoveel mogelijk volk van buiten aan te trekken. Als bewoner loop je vooral 's avonds vaak wat vervreemd door je eigen stad, je afvragend of deze stad jouw landschap nog wel is. Wie wil ervaren wat de stad ook kan zijn, moet eens op het uur van de passeggiata (na het werk, of op zondagochtend na de koffie) door een Italiaanse provinciestad wandelen, liefst aan de kust of aan een meer of rivier. Daar zie je nog wat mijn ouders in hun geboortestad, maar ook in het Amsterdam van toen, zagen: iedereen wandelend op de promenade, het plein, het stadspark, zonder onderscheid in generaties, oude mensen, gezinnen met kinderen, rijen giechelende gearmde meiden, een dame met een hondje. Gewone mensen in het landschap van hun stad.
Dat is de binnenstad, die bij ons niet meer uitnodigt om er als bewoner te gaan wandelen. En die saaie buitenwijken zijn uitdrukkelijk uitsluitend bedoeld om er te wonen, televisie te kijken en er te slapen en verder zo weinig mogelijk. Hoe kan het zo gekomen zijn?