Posts tonen met het label rationele keuzetheorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rationele keuzetheorie. Alle posts tonen

dinsdag 24 oktober 2023

Wat binnen dat gedragseconomische denken als een ad hoc inzicht opduikt, is theoretisch ingebed in de Dual-Mode-theorie

Er is al heel veel onderzoek gedaan door gedragseconomen naar de voorwaarden waaronder mensen bereid zijn tot gemeenschapsgedrag. Het gaat dan vrijwel altijd over gedrag in speltheoretische situaties waarin mensen moeten kiezen tussen iets weggeven of niet of tussen samenwerking in een publieke goed-dilemma in plaats van profiteren van de samenwerking van anderen. Gemeenschapsgedrag wordt dan meestal aangeduid als altruïsme of vrijwillige coöperatie en het tegenovergestelde statuscompetitiegedrag als egoïsme of defectie. Binnen deze onderzoekslijn is er nu de nieuwe studie The behavioral mechanisms of voluntary cooperation across culturally diverse societies: Evidence from the US, the UK, Morocco, and Turkey. 

De onderzoekers vroegen studenten in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Marokko en Turkije om een keuze te maken in zo'n publieke goed-dilemma. Dat had het voordeel van vergelijkbaarheid tussen verschillende culturen. Wel ging het om slechts geringe aantallen studenten per land (128, 92, 80 en 88). Ze sloten aan bij resultaten van veel van dat eerdere onderzoek, die hebben laten zien dat die vrijwillige samenwerking meer voorkomt als mensen datzelfde gedrag ook van anderen verwachten en als mensen verwachten dat anderen met sancties zullen reageren op defectie. 

Daar komt dan uit dat de verschillen tussen de vier landen in de mate van samenwerking vooral verklaard worden uit de verschillen in de verwachtingen van het gedrag van anderen. De Amerikaanse en Engelse studenten verwachten meer samenwerking van anderen dan de Marokkaanse en Turkse studenten en kiezen in lijn daarmee ook vaker voor samenwerking. De onderzoekers interpreteren dat als een aanwijzing dat de Amerikaanse en Engelse studenten in hun dagelijks leven meer de ervaring hebben dat anderen bereid zijn tot samenwerken en zijn te vertrouwen dan de Marokkaanse en Turkse studenten. En dat dus culturele verschillen eruit bestaan dat de verwachtingen over het gedrag van anderen verschillen.

Wat valt daar meer in het algemeen, dus theoretisch, over te zeggen? 

Gedragseconomen zijn geneigd tot economisch denken, dus tot het interpreteren van gedrag als rationeel. In de zin van afweging van kosten en baten en in de zin van voor-wat-hoort-wat (quid pro quo). Dat verklaart deels waarom ze in al dat onderzoek zo geïnteresseerd waren in het effect van die verwachtingen over het gedrag van anderen en in het effect van sancties. Sancties zijn op te vatten als kosten. En die verwachtingen van anderen zouden kunnen passen in het voor-wat-hoort-wat: ik wil wel samenwerken, maar alleen als anderen dat ook doen. Vandaar dat gedragseconomen het dan graag over voorwaardelijke samenwerking hebben. 

Maar strikt rationeel bekeken, zou dat gedrag niet kunnen bestaan. Ook als anderen bereid zijn tot samenwerken, blijft het voor jou nog altijd rationeel om dat niet te doen. Je vermijdt dan de kosten van de samenwerking en profiteert wel mee van de samenwerking van anderen. Gezien vanuit de economische rationele keuzetheorie is de gedachte van voorwaardelijke samenwerking een vreemde eend in de bijt, een ad hoc vondst.

Maar kijk er nu eens naar met de blik van de Dual Mode-theorie. Dan herken je dat voorspelde effect van de verwachtingen van het gedrag van anderen meteen als een implicatie van Stelling 2. Die houdt immers in dat gemeenschapsgedrag wordt uitgelokt door het gemeenschapsgedrag van anderen (en statuscompetitiegedrag door hetzelfde gedrag van anderen). Dat gemeenschapsgedrag van anderen creëert immers de sociale veiligheidsgevoelens die het sociale betrokkenheidssysteem activeren en als dat actief is, vertrouw je anderen en heb je het beste met hen voor. 

Wat dus binnen dat gedragseconomische denken als een ad hoc inzicht opduikt, is theoretisch ingebed in de Dual-Mode-theorie. Anders gezegd, dat gedragseconomisch onderzoek over voorwaardelijke samenwerking is een empirische ondersteuning van die theorie.

dinsdag 27 september 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 6. Over de immobilisatiereactie, het belang van wat anderen doen en het "Ontwaakt, verworpenen der aarde!"

Wat maakt dat collectief en massaal verzet tegen terreur en onderdrukking zo moeilijk van de grond komt? Wat hield veel Nederlanders tegen gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945? Wat hield veel Duitsers zelf tegen, nadat ze doordrongen waren geraakt van de ware aard van het Hitler-bewind?

Het zijn vragen die ook nu nog, of weer, van groot belang zijn, in een tijd waarin het rechts-extremisme weer her en der de kop opsteekt.


Zo eindigde het vorige bericht. Een bekende sociaalwetenschappelijke aanpak van vragen als deze maakt gebruik van de rationele keuzetheorie. In die aanpak wordt de situatie waar het hier over gaat gemodelleerd als een publiek (of collectief) goed-dilemma.

In de speltheorie, die een toepassing is van de rationele keuzetheorie op strategisch gedrag, is dat een zogenaamd N-persoons gevangenendilemma. Een groep mensen zou beter af zijn als iedereen zou bijdragen aan verzet tegen de onderdrukker. Dan zou het verzet groot genoeg zijn om aan de onderdrukking een einde te maken. Die beëindiging is het publieke goed, een goed waar iedereen belang bij heeft. Maar voor ieder individu afzonderlijk is het beter om niet bij te dragen. Want elke individuele bijdrage is te verwaarlozen en kan wel hoge kosten met zich meebrengen (het gevaar van arrestatie). Dus zal niemand bijdragen en komt het publieke goed niet tot stand. Het collectieve en massale verzet komt niet van de grond.

In afwijking daarvan zien we dat er vaak wel verzet is, maar niet genoeg om de onderdrukking te beëindigen. Of we zien soms dat het verzet toch zo omvangrijk is dat we kunnen spreken van een geslaagde revolutie. Dezer dagen zien we beelden van het verzet in Iran tegen de onderdrukking door het ayatollah-regime, dat zo omvangrijk lijkt dat het misschien wel slaagt. En we zien in Rusland uitingen van verzet tegen het Poetin-bewind. 

Bij zulke verschijnselen staan aanhangers van de rationele keuzetheorie met de handen in het haar. Ze moeten er hulpveronderstellingen bijhalen, zoals de veronderstelling dat mensen niet goed geïnformeerd zijn over de kosten en opbrengsten van hun gedrag. Of ze sluiten hun ogen voor de "irrationaliteit" van dat gedrag. Vervelend dat de werkelijkheid zich niet houdt aan wat de theorie toch luid en duidelijk voorschrijft. Denk ook aan hoe economen nog wel eens willen reageren op onwelgevallige resultaten van empirisch onderzoek.

Genoeg over die rationele keuzetheorie. Ik had het er al over in het derde bericht van deze reeks. 

Want er is natuurlijk een beter alternatief. De benadering van de Dual mode-theorie namelijk, die zich wel laat informeren over de menselijke sociale natuur en dus in die zin niet biologievrij is. Daarmee kom ik terug op de berichten Over de biologievrije sociale wetenschap. En over Charles Darwin, de Polyvagaaltheorie en het werk van Bessel van der Kolk en Over de immobilisatiereactie op individuele, maar ook op collectieve trauma's - Nu de ramp van de klimaatverandering, toen die van de Tweede Wereldoorlog. 

Als we er door die bril naar kijken, dan komen onderdrukking en de reacties op onderdrukt worden voort uit het statuscompetitiepatroon. Onderdrukt worden is een toestand van sociale onveiligheid, waarop mensen, afhankelijk van de omstandigheden en de toestand van hun autonome zenuwstelsel, reageren met vluchten (flight), het plegen van verzet (fight) of met die immobilisatiereactie. Reacties die dus voortkomen uit de diepere lagen van de menselijke sociale natuur. Geen weloverwogen, "rationele" daden (in het geval van vluchten of vechten) en niet een weloverwogen, "rationeel" afzien van daden, maar immobilisatie, verstijfd zijn door angst, verdringing, dissociatie, terugtrekking, blokkering. 

Mensen zijn nu eenmaal geen "koele kikkers", als die al bestaan, maar wezens van vlees en bloed en met een autonoom zenuwstelsel. Waardoor het niet plegen van verzet er dus ook uit kan voortkomen dat mensen immobiliseren, verstijfd zijn door angst en in die toestand zo goed mogelijk proberen door te leven, zichzelf voorhoudend dat er niets anders op zit. 

En als de onderdrukking een collectieve bedreiging is, dan hebben we in het geval dat veel mensen terechtkomen in die immobilisatiereactie dus te maken met een collectief trauma. De afwezigheid van verzet komt niet door weloverwogen passiviteit of onverschilligheid, maar door angst en blokkering. 

Individuele trauma's, angststoornissen en daarmee samenhangende aandoeningen kunnen behandeld worden en vaak met succes. Succes bestaat er dan uit dat het sociale betrokkenheidssysteem, dus het gemeenschapspatroon, zodanig geactiveerd wordt dat mensen uit dat statuscompetitiepatroon kunnen ontsnappen. Daarmee leren ze dat het niet langer nodig is om naar de wereld te kijken als vol van gevaren en bedreigingen. Het herwonnen gevoel van veiligheid maakt dat ze weer op anderen betrokken kunnen zijn. Denk aan de op het autonome zenuwstelsel gerichte therapie op basis van de polyvagaaltheorie zoals uiteengezet door Stanley Rosenberg in De nervus vagus als bron van herstel. Of denk aan het werk van psychiater Bessel van der Kolk, waar ik het hier over had.

Maar hoe doe je dat met een collectief gevoel van onveiligheid? Dat bovendien niet een nasleep is van in het verleden ervaren onveiligheid, zoals met individuele trauma's, maar voortkomt uit bedreigingen in het hier en nu. 

Precies hier komt de Dual Mode-theorie binnen en wel in het bijzonder Stelling 2. Die houdt immers in dat mensen beïnvloed worden door wat ze in hun sociale omgeving ervaren. Hoe meer gemeenschapsgedrag je ervaart, hoe veiliger je sociale omgeving en hoe meer ook jouw gemeenschapsgedrag wordt geactiveerd. Dus hoe actiever jouw sociale betrokkenheidssysteem. En andersom, hoe meer je in aanraking komt met statuscompetitiegedrag, in dit geval in de vorm van blootstelling aan onderdrukking, hoe onveiliger je sociale omgeving en hoe sterker jouw terugtrekkingsreactie.

Daar is dus tegenwicht nodig. Die kan er zijn als de onderdrukten over elkaar geïnformeerd raken en over elkaars bereidheid om in verzet te komen. En verzet tegen onderdrukking is een vorm van gemeenschapsgedrag. Het is de strijd tegen het statuscompetitiepatroon en een strijd die je niet alleen voor jezelf, maar ook voor alle andere onderdrukten voert. Als de onderdrukten uit hun isolement bevrijd worden, en dus over elkaars bereidheid tot verzet geïnformeerd raken, dan groeit het tegenwicht tegen ieders terugtrekking en verlamming. Door de met elkaar gedeelde bereidheid tot het gemeenschapsgedrag van het verzet, gloort er hoop..

Kort gezegd, collectief en massaal verzet zal opbloeien hoe meer de informatie zich verspreidt over ieders bereidheid tot verzet. Vandaar het belang van demonstraties in de straten en op de pleinen. Vandaar het belang van sociale media. Mensen moeten het van elkaar weten. Vandaar ook de pogingen van de onderdrukkers om die informatieverspreiding tegen te gaan. Door censuur, propaganda en afsluiten van het internet.

En vandaar ook het belang van gebeurtenissen die de onderdrukten een indruk geven van de algemene bereidheid tot verzet. En die dat verzet uitlokken. Zo'n uitlokkende gebeurtenis was in Iran de dood van de 22-jarige Mahsa Amini, die vanwege het niet juist dragen van de hoofddoek door de "moraliteitspolitie" was opgepakt. Niet alleen was iedereen daar verontwaardigd over, ook was iedereen er meteen van overtuigd dat ieder ander daar verontwaardigd over was. Die overtuiging zorgde er voor dat mensen de straat opgingen in de vaste verwachting dat ze niet de enige zouden zijn. Dus massale demonstraties, die op hun beurt weer nieuwe demonstraties uitlokten.

Toch nog even terug naar die rationele keuzetheorie. Merk op dat het voor die theorie niet uitmaakt wat mensen weten over de bereidheid van anderen. Hoe klein of groot die bereidheid ook is, het blijft voor ieder individu de beste ("rationele") optie om niet mee te doen. En wel te profiteren van wat andere eventueel doen. Een mistroostig, maar vooral ook onrealistisch mensbeeld.

Als het inderdaad zo is dat die immobilisatiereactie tot het menselijk gedragsrepertoire behoort, dan zou je mogen verwachten dat mensen daar ook zelf weet van hebben. Dat het tot de algemeen gedeelde kennis behoort. Dat lijkt mij ook het geval. We hebben er immers naast een sociaalwetenschappelijke vakterm als immobilisatie ook woorden voor in onze omgangstaal: verstijfd door angst, blokkering, terugtrekking. Woorden waarvan iedereen weet wat er mee bedoeld wordt.

Ik dacht ook even aan de eerste vier woorden van de Internationale: "Ontwaakt, verworpenen der aarde!" Hier de vertaling door Henriëtte Roland Holst uit 1899 van de oorspronkelijk Franse tekst. Daarin worden onderdrukten opgeroepen om te ontwaken. Ontwaken uit de sluimer van de immobilisatie. En wordt gewezen op de groeiende bereidheid om in verzet te komen: "Reed‘lijk willen stroomt over de Aarde, en die stroom rijst al meer en meer".

Na deze lange omweg gaan we in het volgende bericht weer terug naar de vraag waarmee deze reeks begon: waardoor was er niet een massaler verzet van de Nederlanders tegen de Duitse bezetting en de Jodenvervolging van 1940-1945? Hier het vervolg.

maandag 22 augustus 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 3. De bereidheid tot verzet was waarschijnlijk veel groter, maar een belangrijke voorwaarde, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak

Nog lang na de Tweede Wereldoorlog, en na de Holocaust van het Hitlerbewind, leek het vanzelfsprekend dat bedreigingen van de democratie vanuit rechts-extremistische hoek tot het verleden zouden behoren. De gedachte was dat de mensheid belangrijke lessen had geleerd.

Maar het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw leert ons hoe naïef die hoop was. Het statuscompetitieve, rechts-extremistische wereldbeeld is weer helemaal terug en is in tal van landen een groot gevaar voor de democratie. De actuele vraag is of de verdediging van de democratie op tijd zal komen. Of dat we eerst weer een periode moeten doormaken waarin de kwade kant van de menselijke sociale natuur ruim baan krijgt. Met daarbij meteen de vraag of de door ons veroorzaakte klimaatverandering ons daarvoor wel voldoende tijd zal gunnen.

Wat kunnen we in dat verband van de gebeurtenissen uit het verleden leren? Zoals van de gebeurtenissen in het door het extreemrechtse Hitlerbewind bezette Nederland van 1940 tot 1945. Waardoor was het verzet van Nederlanders tegen die bezetting en onderdrukking niet veel massaler? Was er een massaler verzet mogelijk geweest? Zie hier het vorige bericht, waarin het ging over de mislukte Februaristaking. En over de vergelijking met Denemarken in dezelfde periode, waar een collectieve actie ontstond die zeer succesvol Joodse landgenoten redde. Terwijl de Nederlanders daarbij vergeleken sterk tekortschoten.

In de sociale wetenschap is een bepaalde benadering van zo'n probleem van collectieve actie gangbaar, namelijk die van de door het economisch denken geïnspireerde rationele keuzetheorie. Aanhangers van die theorie, als ze nog bestaan, vatten problemen van collectieve actie op als meerpersoonsgevangenendilemma's, dat wil zeggen als sociale situaties waarin het weliswaar voor iedereen beter zou zijn om met zijn allen bij te dragen aan de collectieve actie, maar waarin het voor iedereen individueel beter is om dat niet te doen. Zie voor uitleg de wikipediapagina. De voorspelling van de rationele keuzetheorie is dan ook dat in zulk soort sociale situaties collectieve actie niet tot stand komt. Nederland in 1940-1945 zou dus dichter in de buurt komen van die voorspelling dan Denemarken in 1940-1945.

Over de waarde van die rationele keuzebenadering ontstonden al snel twijfels. Op dit blog stond ik in 2012 stil bij het in 1970 verschenen artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal-psychologen H.H. Kelley en A.J. Stahelski. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen. 

Uit dat onderzoek bleek dat een grote groep mensen in een situatie van collectieve actie erop uit is om met anderen samen te werken. Maar tegelijk met de mogelijkheid rekening houdt dat er anderen kunnen zijn die daar niet op uit zijn. Afhankelijk van hun inschatting of waarneming hoeveel anderen ook op samenwerking uit zijn, zullen ze er voor kiezen om samen te werken. Hoe meer anderen samenwerken, hoe groter hun bereidheid om dat ook te doen. Hoe minder, hoe kleiner hun bereidheid. 

Daarnaast was er een kleinere groep die ervan uitging dat anderen nooit zullen samenwerken en die dat dus ook zelf niet deden.

Van beide groepen kun je zeggen dat ze zich gedroegen volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Samenwerken is een vorm van gemeenschapsgedrag en volgens die stelling vertonen mensen meer gemeenschapsgedrag hoe meer anderen dat ook doen. Dat is het gedrag van de eerste, grotere, groep. Daarentegen keek de tweede, kleinere, groep met een statuscompetitieve blik naar de sociale wereld, waardoor ze ook zelf kozen voor competitie in plaats van samenwerking. Geheel in overeenstemming met Stelling 2. Zoals ik in dat bericht uit 2012 al opmerkte, luidde dat artikel van Kelley en Stahelski indertijd voor mij het einde van de rationele keuzetheorie in. Waar vele jaren later de Dual Mode-theorie voor in de plaats kwam.

Toegepast op de situatie waarin Nederlanders zich bevonden gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945, kun je dus als verklaring voor het beperkte karakter van het verzet aanvoeren dat misschien veel meer Nederlanders tot verzet bereid waren, maar er te weinig op vertrouwden dat anderen dat ook waren. Ze kregen te weinig signalen van die bereidheid. Bedenk wederom dat er geen internet en sociale media waren. Alle informatie moest komen van horen zeggen. En er was niet meer, zoals in Denemarken wel, een nog enigszins onafhankelijke overheid die zich tot woordvoerder van die grote bereidheid kon opwerpen.

Dus mislukte de Februaristaking. Dus was er geen massale opstand tegen de Jodenvervolging. Dus ging voor de niet-Joodse Nederlanders het gewone leven door terwijl hun Joodse landgenoten zich moesten laten registreren en de door henzelf betaalde en door een Nederlandse fabriek vervaardigde Jodenster moesten dragen. En stapsgewijs van het publieke leven werden uitgesloten. En uiteindelijk per trein, met Nederlands personeel, naar Westerbork en verder werden afgevoerd.

Dat kon allemaal gebeuren. Driekwart van de Nederlandse Joden werd door het Hitler-bewind vermoord. Door het ontbreken van massaal verzet, werd de Holocaust helaas maar weinig in de weg gelegd. 

Nogmaals, natuurlijk met erkenning van en waardering voor wat er wel aan verzet was. Maar navrant is het wel dat de bereidheid tot verzet waarschijnlijk veel groter was, maar dat een belangrijke voorwaarde daar voor, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

dinsdag 26 februari 2019

Maakt het studeren van het vak economie egoïstischer? - Nieuw overzicht van onderzoek

Verschillen economen en studenten economie van andere mensen in de zin dat ze egoïstischer en opportunistischer, dus minder pro-sociaal, zijn? En als dat zo is, komt dat dan doordat meer egoïstische mensen meer kiezen om economie te studeren (selectie-effect) of doordat het studeren van het vak economie, en het daardoor meer in aanraking komen met het economische gedragsmodel, mensen egoïstischer maakt (beïnvloedingseffect)?

Onderzoek levert aanwijzingen op voor beide effecten. Naar aanleiding van het beïnvloedingseffect vroeg ik me al eens af of we niet beter af zouden zijn als minder jongeren economie (of bedrijfskunde) zouden studeren. Want je zou toch niet willen dat een universitaire studie eraan bijdraagt dat we in de maatschappij meer te maken hebben met egoïsme en competitief gedrag.

Maar het onderzoek naar het mogelijke verschil en naar die beide effecten is doorgegaan en levert niet altijd even duidelijke conclusies op. De nieuwe studie Are People Trained in Economics “Different,” and if so, Why? A Literature Review geeft nu een overzicht van de literatuur.

Daaruit blijkt dat een opleiding economie inderdaad egoïstischer maakt, maar dan bovenal in speltheoretische experimenten, dus in situaties die overeenkomen met wat behandeld wordt in de economische leerstof. In alledaagse situaties, en als er geen geld in het spel is, lijkt dat verschil met niet-economen zo niet weg te vallen, dan toch veel kleiner te zijn.

Verder zijn er aanwijzingen voor zowel het selectie-effect als het beïnvloedingseffect. Wat die beïnvloeding betreft, lijkt het zo te zijn dat de invloed mede verloopt via de inschatting die mensen maken van het gedrag van anderen. Als je als economiestudent leert dat het economische gedragsmodel (rationele keuzetheorie) ook echt het menselijk gedrag beschrijft of als die suggestie gewekt wordt, dan brengt dat je er gemakkelijk toe om jezelf ook zo te gedragen. Omdat je daar dan moreel minder last van hebt en/of uit zelfbescherming.

Het in aanraking komen met economische leerstof lijkt dus te werken als een aanwijzing voor hoe mensen in het algemeen zich gedragen. Daar pas je je op aan. En dat komt dus geheel overeen met de gedachte van de Dual Mode-theorie dat mensen zich bij de "keuze" tussen (egoïstisch) statuscompetitiegedrag en (pro-sociaal) gemeenschapsgedrag laten leiden door de signalen die ze krijgen over de aard van hun sociale omgeving.

maandag 5 oktober 2015

Bijwerkingen van de vrije markt: manipulatie, bedrog en kuddegedrag

Twee interessante berichten die weer eens aanzetten tot nadenken over de bijwerkingen van de vrije markt.

In de New York Review of Books bespreekt Cass Sunstein (die van Going To Extremes: How Like Minds Unite and Divide) het nieuwe boek van de economen en Nobelprijswinnaars Akerlof en Shiller (Phishing for Phools: The Economics of Manipulation and Deception). Zie Why Free Markets Make Fools of Us.

En Steven Pearlstein schreef in de Washington Post een lange beschouwing naar aanleiding van het vertrek van Oliver Blanchard als hoofdeconoom van het IMF. Zie The smartest economist you’ve never heard of.

Wat hou je, althans ik, er op zijn kortst samengevat aan over?

Doordat het menselijk gedrag niet rationeel is, in de betekenis die economen daaraan toekennen, functioneren markten niet zoals economen denken dat ze doen of zoals ze zouden willen dat ze doen. Er valt zo langzamerhand een lijst op te stellen van duidelijk aanwijsbare afwijkingen ("zwakheden") in ons gedrag van het rationele model: we zijn te zelfverzekerd en onrealistisch optimistisch, we kunnen slecht overweg met waarschijnlijkheden, we hebben te weinig oog voor de langere termijn en we laten ons meer drijven door mogelijke verliezen dan door gelijkwaardige verbeteringen.

Die zwakheden zijn eigenlijk geen zwakheden, maar aanpassingen aan omstandigheden in het verleden, toen de markt nog niet bestond. Nu die er wel is, maken ze ons kwetsbaar voor manipulatie en bedrog. Want hoewel economen graag uitgaan van het principe van de consumentensouvereiniteit, van de gedachte dat niemand anders dan jijzelf weet wat het beste voor je is, maken deze zwakheden ons tot een gemakkelijke prooi van degenen die er werk van maken om ons te manipuleren en te bedriegen. Omdat ze daar zelf beter van worden.

En zo is de markt een oorzaak van gezondheidsproblemen, van het najagen van aangewakkerde behoeften, van overdadige statuscompetitie en de stress die daarmee gepaard gaat en van financiële crises.

Als consument of als investeerder of als kiezer worden we te grazen genomen. Uiteraard is het verstandig als we dat met zijn allen, via de overheid en door regulering en wetgeving, tegengaan. Maar dat gebeurt meestal als het kwaad al is geschied of het gebeurt onvolkomen, doordat ook de overheid wordt gemanipuleerd en bedrogen (denk aan Volkswagen, maar niet alleen daaraan, want de rij is lang). En bovendien hangt er "boven de markt" nog altijd dat blinde geloof in de onbegrensde weldadigheid er van ("op den duur komt alles goed") en in de overheid als probleem in plaats van als een oplossing.

Wat je er aan overhoudt is dat er nog heel veel werk te doen is om de monsterachtige kant van de vrije markt voldoende te temmen. Want diezelfde markt creëert ook de bedrijven die graag bereid zijn om die menselijke zwakheden te exploiteren. Sunstein:
If a company can make money by deceiving or manipulating people, someone is going to create such a company, and it will prosper (unless the law regulates it). And if it prospers, companies that do not deceive or manipulate people may well be at a competitive disadvantage.
En aan dat prachtige stuk van Steven Pearlstein over Oliver Blanchard, dat trouwens ook een mooi overzicht geeft van de crisis in het vak economie, hield ik vooral de laatste alinea over, die getiteld is The tiranny of bad ideas. Want dat gaat er in feite over dat wij met zijn allen, inclusief al die zogenaamde deskundigen, de vrije markt en het publieke domein dat daarmee ontstaan is, nog maar slecht begrijpen.

De markt heeft een weldadige kant, die van de voordelen van de concurrentie. Maar dus ook die monsterachtige kant, van manipulatie en bedrog. En het vereist serieuze studie en hard werken en een open geest om dat beest onder controle te krijgen en goed voor ons allen te laten werken.

Maar dat komt er vaak niet van. Wat hem het meest verbaasde, zegt Blanchard, is:
"how quickly a consensus can develop around some question on the basis of what decision-makers read in the press or hear over dinner". (...)
"There’s a big risk of people agreeing on something without thinking about it or doing the hard analysis,” he said. In the face of incomplete information and genuine uncertainty, he said, it was disquieting “how easily bad ideas become entrenched.”
Dat is het kuddegedrag dat ontstaat door een andere menselijke "zwakheid", onze sterke neiging tot sociale beìnvloedbaarheid onder omstandigheden van onvolledige informatie en onzekerheid. Waardoor we met zijn allen achter idiote ideeën aanlopen omdat, ja, omdat de meeste anderen dat ook doen. Zo ontstaan de sociale zeepbellen. Die inderdaad financiële crisissen veroorzaken. En totaal verkeerd economisch beleid. Denk aan de bezuinigingszeepbel.

dinsdag 15 mei 2012

Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen

In het eerste bericht in deze serie besprak ik onderzoek waaruit bleek dat de bereidheid van mensen tot pro-sociaal gedrag afhankelijk is van het vertrouwen dat ze hebben in het pro-sociale gedrag van anderen. Als dat vertrouwen minder is, als ze de wereld als onverschillig of zelfs vijandig ervaren, dan gedragen ze zich minder pro-sociaal. De mate waarin die afhankelijkheid bestaat, verschilt wel tussen mensen. Sommigen zijn over de hele linie pro-socialer, en sommigen a-socialer, dan anderen, maar voor de grote meerderheid geldt dat hun pro-sociale gedrag sterk afhankelijk is van  de vraag of ze er op vertrouwen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen. Dat betekent dat we met zijn allen gemakkelijk een grote mate van onderlinge hulpbereidheid tot stand kunnen brengen, maar ook even gemakkelijk een toestand van wederzijdse onverschilligheid of zelfs vijandigheid. Vandaar dat pro-sociaal gedrag niet zozeer een individuele, maar een collectieve prestatie is. Zie nog eens dit bericht.

Dit is eigenlijk een eenvoudig en intuïtief aansprekend inzicht. Toch is het niet wijdverbreid. Mensen hebben niet noodzakelijkerwijs een grote mate van zelfinzicht, niet in hun individuele eigenaardigheden, maar ook niet in de algemeen menselijke gedragsprincipes. De eerste keer dat het inzicht tot mij doordrong, moet ergens in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn geweest. Het was toen ik dit artikel van de sociaal-psychologen Kelley en Stahelski uit 1970 onder ogen kreeg (fulltext helaas achter de poort). Het is een beroemd artikel geworden, met tot vandaag 716 citaties.

Kelley en Stahelski bespreken in dat artikel een groot aantal laboratoriumexperimenten, waarin proefpersonen het zogenaamde gevangenendilemma moesten spelen. (Zie de link voor uitleg over de naam van het dilemma.) In dat "spel" uit de speltheorie hebben mensen de keuze om, met een andere persoon, samen te werken of  niet. Als A en B (zie de figuur) allebei kiezen voor samenwerken, hebben ze allebei een hoge opbrengst (allebei 3 in de figuur). Maar als een van de twee er voor kiest om niet samen te werken en de ander daar wel voor kiest (linksonder en rechtsboven), dan heeft de eerste een nog hogere opbrengst (5) en de tweede juist een lagere (0). De niet-samenwerker profiteert van de inspanningen van de ander. Beide willen natuurlijk voorkomen dat ze de lage opbrengst krijgen als de ander van hen profiteert. Als ze dus allebei kiezen om niet samen te werken, hebben ze allebei een lagere opbrengst (beide 1, rechtsonder) dan wanneer ze allebei wel zouden samenwerken.

Volgens de speltheorie, die er van uitgaat dat mensen rationeel kiezen, zeg maar, hun eigen belang nastreven, zullen mensen in dit spel niet samenwerken. Dat is namelijk altijd beter dan dat wel te doen. Want als je niet samenwerkt (Defect):
  1. en de ander doet dat wel, dan profiteer je van de inspanning van de ander en is je opbrengst (5) hoger dan wanneer je wel had samengewerkt (3),
  2. en de ander doet dat ook niet, dan heb je met een opbrengst van 1 voorkomen dat je de laagste opbrengst hebt (0) doordat de ander van jouw inspanning profiteert.
Niet samenwerken is dus de zogenaamde dominante strategie. En dat is tragisch, want de opbrengst is dan voor beide 1 en die was hoger geweest als ze wel allebei hadden samengewerkt (beide 3).

Een voorbeeld van dit dilemma uit het echte leven, maar dan met meer dan twee personen, is het ontstaan van files. Als we allemaal met het openbaar vervoer zouden gaan (en het openbaar vervoer zou voldoende capaciteit hebben), dan waren we beter af dan wanneer we allemaal met de auto gaan, want dan stonden we in de file. Tegelijk geldt voor elk van ons dat we nog beter af zijn als alle anderen met het openbaar vervoer gaan en wij zelf met de auto. Maar als we dat allemaal doen, dan staan we dus allemaal in de file.

Toen Kelley en Stahelski dit artikel in 1970 schreven, was al wel bekend dat mensen in zulke laboratoriumexperimenten anders handelen dan de rationale keuzetheorie voorspelde. Veel mensen blijken namelijk wel bereid te zijn om samen te werken, ook al is dat niet hun "dominante strategie". Mensen lijken meer tot samenwerking bereid, en zijn dus pro-socialer, dan volgens die theorie verwacht mocht worden. En datzelfde bleek ook uit de experimenten van Kelley en Stahelski.

Maar Kelley en Stahelski deden ook een interessante ontdekking doordat ze de proefpersonen hadden ondervraagd wat ze in het spel wilden nastreven. Er waren spelers die samenwerking zeiden te willen nastreven, wat inhield dat ze zowel met de eigen opbrengst als met de opbrengst van de ander rekening wilden houden. Maar anderen gaven aan competitie op het oog te hebben, inhoudende dat ze alleen in hun eigen opbrengsten geïnteresseerd waren. Het bleek toen dat als je degenen die op samenwerking gericht waren liet spelen met degenen die op competitie gericht waren, ze met competitie reageerden op het competitieve gedrag van hun medespeler. Hoewel samenwerking hun doel was, ontdekten ze dat de ander daarin niet mee ging en pasten ze hun gedrag daar op aan. Datzelfde gold echter niet voor degenen die op competitie gericht waren. Die begonnen competitief en bleven daarin volharden.

De onderzoekers trokken daaruit, en uit verdere ondervraging van de spelers, de conclusie dat samenwerkers er van uitgaan dat andere mensen ook op samenwerking gericht kunnen zijn, maar ook competitie kunnen nastreven. Als ze nog niet weten met wat voor iemand ze te maken hebben, stellen ze zich eerst coöperatief op. Maar als de ander zich competitief gedraagt, passen ze hun gedrag aan door dat ook te doen. Samenwerkers hebben een gedifferentieerd beeld van hoe mensen kunnen zijn, coöperatief of competitief.

Daarentegen blijken degene die op competitie gericht zijn, de overtuiging te hebben dat andere mensen dat ook zijn. Als een ander zich coöperatief gedraagt, dan verandert dat hun wereldbeeld niet. Misschien denken ze dat de ander probeert hen er in te laten lopen. Ze vertrouwen het niet, lijkt het. En omdat ze zelf competitief handelen, lokken ze dat zelfde gedrag bij anderen uit, waardoor ze ook meestal in hun verwachtingen bevestigd worden. Ze creëren dus met hun gedrag een wereld die ze ook al verwachten. Terwijl de samenwerkers ontdekken dat hun gedrag soms bij anderen samenwerking uitlokt, namelijk als ze een andere samenwerker tegenkomen, blijven degenen die op competitie gericht zijn, onkundig van de effecten van hun gedrag op anderen. Anders gezegd: door hun competitieve gedrag leren ze nooit dat pro-sociaal gedrag met pro-sociaal gedrag kan worden uitgelokt.

Het opvallende is nu dat het competitieve wereldbeeld, dus de veronderstelling dat anderen altijd op competitie gericht zijn, sterk overeenkomt met de veronderstellingen van die rationele keuzetheorie. De beperkte blik van degenen die op competitie gericht zijn, vinden we terug in die theorie. Vandaar dat de aanhangers van die rationele keuzetheorie grote moeite hadden om te accepteren dat er samenwerkers bleken te bestaan. Dat klopte niet met de theorie. Dus probeerden ze om dat samenwerkingsgedrag weg te verklaren. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat de spelers die er voor kozen om samen te werken, dat deden doordat ze het spel nog niet goed genoeg hadden begrepen. En dat ze zich dus wel competitiever zouden gedragen als ze meer ervaring met het spel hadden en meer tijd gehad hadden om over hun gedrag na te denken. Maar uit later onderzoek bleek dat dat niet opging. (Voor mij was het artikel van Kelley en Stahelski het begin van mijn afscheid van de rationele keuzetheorie.)

Toch zit er wel iets in de gedachte dat spontaniteit en pro-sociaal gedrag gemakkelijk samen gaan. Want uit dit recente onderzoek (fulltext achter de poort), waar ik de volgende keer op terug kom, blijkt dat minder tijd krijgen om na te denken, en dus meer intuïtief en op de automatische piloot moeten handelen, pro-sociaal gedrag bevordert. Dat klopt met de waarneming dat het helpen van iemand in een noodsituatie, als het gebeurt, vaak spontaan en direct gebeurt. Als er wat tijd over heen gaat, blijkt soms de hulpbereidheid snel af te nemen. Maar meer daarover dus de volgende keer.