Posts tonen met het label Karl R. Popper. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Karl R. Popper. Alle posts tonen

woensdag 20 mei 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -37 - Een fase die kennelijk noodzakelijk was

Halverwege de zeventiende eeuw bestudeerde Thomas Hobbes de maatschappij als een geval van menselijke groepsvorming. Hier het vorige bericht. Op een wijze dus die zo voor de hand lag dat hij niet speciaal hoefde te worden gerechtvaardigd. We hebben inzicht in hoe mensen in elkaar zitten, in tot welk gedrag ze tegenover elkaar in staat zijn. Daaruit kunnen we opmaken dat er een sociaal inferieure collectieve uitkomst van dat gedrag mogelijk is, waarin "wanorde en burgeroorlog" heersen. Maar diezelfde menselijke sociale natuur maakt het ook mogelijk de sociaal superieure toestand van vrede, samenwerking en welvaart tot stand te brengen. Hobbes analyseerde hoe die toestand kan worden bereikt. Hij bestudeerde de maatschappij als mensenwerk en stelde zich tot taak dat werk te verbeteren.

Dat had een veelbelovend begin kunnen zijn van de ontwikkeling van een succesvolle sociale wetenschap. Maar die ontwikkeling begon in de negentiende eeuw te haperen, toen er in Frankrijk dat vak sociologie ontstond en zich van daaruit in de universiteiten vestigde. Dat vak dat leed aan het mankement van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en aan het mankement van de fictie van het eigen domein. Het vak waarin ik werd gesocialiseerd toen ik in 1965 mijn studie sociologie begon. En waarvan ik in 1981 afstand had genomen, toen ik in mijn proefschrift pleitte voor de "compositieve methode".

Daarin verwees ik ook (p. 163) naar het werk van Thomas Hobbes en de Schotse moraalfilosofen. Hobbes' aanpak was precies die van de compositieve methode, van het laten zien hoe een maatschappelijke toestand voortkomt uit, een samenstelling is van, het gedrag van mensen. Dat Hobbes die aanpak niet als een bijzondere methode zag en er geen naam aan gaf, wijst erop dat hij als als voor de hand liggend beschouwde om zo te werk te gaan. Dat was zo vanzelfsprekend dat je er geen aandacht aan hoefde te besteden. Denk ook terug aan George Homans, die in 1964 zijn pleidooi om de mens terug te brengen in de sociologie besloot met:

Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?  

Er had een vak sociologie ingang gevonden dat de overtuiging uitdroeg dat het voor de hand liggende diende te worden genegeerd.

Waar kwam die term compositieve methode eigenlijk vandaan?  Het is opmerkelijk dat de bron er van niet in het vak sociologie ligt, ondanks George Homans. En  ondanks James Coleman. Bij beide kom je wel de term "methodologisch individualisme" tegen, bij Homans op p. 61 van The Nature of Social Science uit 1967 en bij Coleman op p. 5 van zijn Foundations of Social Theory uit 1990. Daarmee wordt er op gedoeld dat verklaringen voor maatschappelijke verschijnselen worden gezocht in het gedrag van individuen en dat zulks niet betekent dat de maatschappij uitsluitend uit individuen zou bestaan. En niet ook uit maatschappelijke entiteiten als verenigingen, instituties en structurele veranderingen. Vandaar: methodologisch, en niet: ontologisch. Zowel Homans als Coleman verwijzen naar Karl Poppers beschouwing in deel 2 van The Open Society and Its Enemies, waar hij op p. 91 John Stuart Mill aanhaalt:

Thus 'all phenomena of society are phenomena of human nature', as Mill said; and 'the Laws of the phenomena of society are, and can be, nothing but the laws of the actions and passions of human beings', that is to say, 'the laws of individual human nature. Men are not, when brought together, converted into another kind of substance ..' 

Die verwarring tussen het verklaren van het een uit het ander en de bewering dat het een bestaat en het ander niet (of wel), tussen "methodologie" en "ontologie", kom je niet tegen bij de bron van de term compositieve methode. Die bron was voor mij in 1981 F.A. von Hayek, die hem in 1952 introduceerde op p. 67 van zijn The Counter-Revolution of Science. Studies on the Abuse of Reason:

While the method of the natural sciences is in this sense, analytic, the method of the social sciences is better described as compositive or synthetic

Ik was destijds een bewonderaar van Hayek en las met instemming veel van zijn boeken, zelfs ook The Road to Serfdom. Maar hij was ook de organisator van de Mont Pelerin Society, waarin rechtse economen en filosofen zich verenigden en die een invloedrijke rol speelde in de opkomst van het vermaledijde neoliberalisme in de jaren zeventig, waar we nu nog steeds onder lijden. Ik kijk er nu op terug als een fase in mijn ontwikkeling die kennelijk noodzakelijk was. Daarover later meer.  

Een en ander neemt niet weg dat veel van Hayeks werk nog altijd interessant en belangrijk is. Van alle boeken van hem die in mijn kast hebben gestaan, is alleen nog The Counter-Revolution of Science over. En dat is boeiend genoeg om er in het volgende bericht op terug te komen. Hier het vervolg.

donderdag 9 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -34 - Diepte en de compositieve methode

Hoe zou de sociologie als een wetenschappelijk vak er uit moeten zien? Hier het vorige bericht. Dat vroeg ik me eind jaren 70 af toen ik aan mijn proefschrift werkte waar ik in 1981 op zou promoveren. Ik had een periode achter me waarin ik me in de wetenschapsfilosofie had verdiept. Daar had ik van geleerd dat het in de wetenschap draait om groei van kennis over hoe de werkelijkheid in elkaar zit en dat die wordt bereikt elke keer als blijkt dat een nieuwe theorie in staat is om 

  • te verklaren in welke gevallen een bestaande theorie klopt
  • te verklaren waarom hij in andere gevallen niet klopt
  • voor die andere gevallen nieuwe en correcte voorspellingen te genereren
  • nieuwe en correcte voorspellingen te genereren over een deel van de werkelijkheid waar de bestaande theorie niets over te zeggen had.

Anders gezegd, een nieuwe theorie is beter dan een bestaande theorie als hij ons een dieper inzicht verschaft en we daarmee de bestaande theorie kunnen herkennen als een benadering van de nieuwe theorie. 

Ik legde dat uit in mijn proefschrift (p.45-53) en baseerde me op het werk van Karl R. Popper (1902 - 1994), in het bijzonder op The Aim of Science, dat opgenomen werd in zijn Objective Knowledge. An Evolutionary Approach (1973). Popper behandelt daar als voorbeeld van diepte de verhouding tussen de nieuwe theorie van Newton en de bestaande theorieën van Galileo en Kepler. 

Ik vond dat spannende lectuur omdat Popper duidelijk maakte dat groei van kennis er niet alleen uit bestaat dat bestaande inzichten een groter bereik ("informatiegehalte") hebben dan eerst werd gedacht, maar bovenal uit het corrigeren van die bestaande inzichten door een nieuw inzicht. Waarin ligt besloten dat onze kennis van de werkelijkheid altijd gebrekkig en dus corrigeerbaar is. Waar weer uit volgt dat we altijd moeten blijven proberen om tot nieuwe en diepere inzichten te komen en zo de waarheid steeds dichter te benaderen, overigens zonder ooit te kunnen weten of we die bereikt hebben. 

Dat die onvermijdelijke onvolkomenheid van onze inzichten samenhangt met de omstandigheid dat ze altijd in taal zijn vervat, drong overigens pas veel later tot mij door. Zie Taal en waarneming en Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? 

Dat wetenschap op zoek is naar diepere theorieën en dat al onze kennis over de werkelijkheid corrigeerbaar is, lijkt nu niet zo controversieel. Maar er bestonden andere opvattingen. De logisch positivisten van de Wiener Kreis waren van mening dat wetenschap begint met uitspraken waarvan de waarheid door waarneming kan worden vastgesteld en van daaruit "opklimt" naar theorieën. Dat opklimmen zou een proces zijn van "inductie", maar de vraag wat dat proces dan zou moeten inhouden werd nooit opgelost. Ik herinner me dat ik toen ik in 1970 aan mijn doctoraalscriptie werkte, vergeefs probeerde te achterhalen waaruit de "inductieve logica" zou kunnen bestaan. Ik haalde A Treatise on Induction and Probability van G.H. von Wright uit de bibliotheek en liep er in vast. Uiteindelijk besloot ik dat ik Popper gelijk moest geven waar hij zelfbewust schreef: "I think that I have solved a major philosophical problem: the problem of induction." (Objective Knowledge, p. 1). Onze algemene inzichten of theorieën zijn nimmer door waarnemingen te rechtvaardigen. We kunnen ze wel corrigeren door middel van nieuwe, diepere inzichten, waardoor we de waarheid steeds iets dichter benaderen. 

Interessant is dat je bij de voorlopers van dat logisch positivisme ook August Comte tegenkomt (volg de link in de vorige alinea). Dezelfde Comte die dus via zijn invloed op Durkheim van het vak sociologie een positivistische wetenschap maakte, die uitdroeg dat er een domein van "sociale feiten" zou bestaan. 

En er was de toen veelbesproken Tractatus Logico-Philosophicus, waarin Ludwig Wittgenstein declameerde dat de wereld bestaat uit feiten (Sachverhalten) die in taal kunnen worden weergegeven. Veelbesproken, deels doordat W.F. Hermans er een groot aanhanger van was (Wittgenstein in de mode en Kazemier niet). Mijn indruk is dat zowel Wittgenstein als W.F. Hermans nu goeddeels zijn vergeten.

Terug naar de sociologie. Eind jaren 70 dacht ik na over de vraag wat dat streven naar diepere theorieën voor de sociologie zou moeten inhouden. Dat leidde tot Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) van mijn proefschrift. Daarin gaat het er over dat in de sociologie een diepere theorie niet een nieuwe theorie hoeft te zijn, zoals in de natuurwetenschappen, maar juist ook kan bestaan uit al een bekend, psychologisch of alledaags, inzicht in het menselijk gedrag. 

Als we die twee mankementen van de sociologie achter ons laten, dan opent zich voor ons de taak om te laten zien hoe sociale en maatschappelijke verschijnselen voortkomen uit, gegenereerd worden door, het sociale proces van mensen die reageren op omstandigheden, die onderling samenwerken, met elkaar concurreren en/of elkaar beïnvloeden. De verklaring, de winst aan diepte, bestaat er dan uit dat je kunt laten zien dat die sociale en maatschappelijke verschijnselen het resultaat zijn van het "mensenwerk" waarvan de aard, de principes van de menselijke sociale natuur, ons al bekend waren. We stellen dan als het ware die macroverschijnselen samen uit de elementaire en al bekende elementen. Vandaar die compositieve methode. Denk als voorbeeld aan de verklaring die ik gaf voor de grote verkiezingswinst van de PVV in 2023, of algemener voor de opkomst van extreemrechts partijen, in Waardoor werd de PVV zo groot?

Het idee van een sociaalwetenschappelijk vak dat zo te werk gaat, ligt zo voor de hand dat het al veel eerder moet hebben bestaan. Dat klopt. Het bestond al in de zeventiende eeuw, toen Thomas Hobbes in 1651 zijn Leviathan schreef. Daarover meer in het volgende bericht. 

woensdag 23 juli 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -11 - Over het eerste van de twee mankementen van het vak sociologie: een curieuze wetenschapsopvatting

Ja, wat was er eigenlijk aan de hand met dat vak sociologie dat ik in 1965 begon te studeren? Hier het vorige bericht. En wat is er nog steeds mee aan de hand, want gezien met de blik van het nieuwe sociaalwetenschappelijke zicht waar ik het over heb, is er weinig veranderd. 

Wat er allereerst aan de hand was, is dat de ideeën van iemand als Willem Banning, die betoogde dat je sociologie moest bedrijven op grond van een mensbeeld en in dienst van een op dat mensbeeld gebaseerde wenselijke maatschappelijke toestand ("vrede en gerechtigheid"), in dat vak in het geheel geen weerklank vonden. Zoals gezegd, ik kwam die ideeën niet in mijn studie tegen. Wat Banning voorstond, is gemakkelijk op te vatten als een voorloper van dat sociaalwetenschappelijke zicht op mens en maatschappij waar ik in de loop van de jaren bij terechtkwam. Een in het oog springend verschil is dat Banning zich toen nog niet op biologisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek kon baseren, terwijl ik dat wel kon. Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. 

Natuurlijk begon ik mijn studie met het voor de eerstejaarsstudent gepaste ontzag voor de vakken die ik volgde en de docenten. Maar gaandeweg moest ik steeds meer de gedachte toelaten dat de vakken sociologie intellectueel niet zoveel voorstelden en weinig boeiend waren. De hoorcolleges kabbelden voort en lieten weinig indruk na. 

Een uitzondering was het college dat meteen in de propedeuse werd gegeven over de "klassieke sociologen", Karl Marx (1818 - 1883), Max Weber (1864 - 1920) en Emile Durkheim (1858 - 1917).  Maar toch viel het me op dat het ontzag voor die klassieken uit het verleden wel erg groot was en dat de vraag of en hoe er daarna ook vooruitgang was geboekt, weinig aandacht kreeg. Veel later kwam ik nog weleens in aanraking met collega's die er vanuit bleken te gaan dat "sociologische theorie" eruit bestond dat je de klassieken bestudeerde. Ik had natuurlijk nog maar een weinig ontwikkeld idee van wat wetenschap was, maar dat je zo bleef staan bij wat in het verleden al bedacht was, leek me niet de bedoeling.

Gelukkig was er in het studieprogramma veel ruimte voor het volgen van bijvakken. In de propedeuse waren de bijvakken psychologie, rechtswetenschap, sociaal-economische geschiedenis, filosofie en economie algemeen verplicht. Daarna koos ik voor filosofie en economie als grote bijvakken. 

Filosofie was in de propedeuse nog niet veel meer dan een schools overzicht van de geschiedenis van het vak, zeg van de Grieken tot en met Kant. Maar daarna werd het ingevuld met wetenschapsfilosofie. Samen met filosofiestudenten lazen we van week tot week The Logic of Scientific Discovery, de vertaling van het in 1935 verschenen Logik der Forschung, van Karl Popper (1902 - 1994). We lazen de vijfde herziene editie uit 1968. 

Ik vond dat fascinerende lectuur. Ik pakte het kapot gelezen exemplaar, vol met mijn potloodonderstrepingen en uitroeptekens en opmerkingen in de kantlijn, net nog even uit de boekenkast. Hier was iemand aan het woord die echt had nagedacht over de logische, niet de psychologische, structuur van menselijke kennisverwerving, over wat wetenschappelijke groei van kennis precies is. Hoofdstuk 5 (The problem of the empirical basis) zette me aan tot het schrijven van mijn doctoraalscriptie, die ik in januari 1971 inleverde, waarna ik als wetenschappelijk medewerker bij de subfaculteit sociologie werd aangenomen. Mijn taak werd omschreven als "metatheorie", ik denk omdat de term "wetenschapsfilosofie" problemen met de Faculteit Wijsbegeerte zou opleveren. Een paar jaar later werd die taak op mijn verzoek omgezet in "theoretische sociologie". Ik was uitgekeken op het nadenken over wetenschap en wilde wel een wetenschap beoefenen.

Door het bijvak economie kwam ik in aanraking met een "verbetervak". Ik leerde hoe de Keynesiaanse theorie in het vak groei van kennis betekende ten opzichte van de neoklassieke theorie, omdat hij de voorwaarden aangaf waaronder het marktmechanisme tot een inferieur evenwicht kan leiden. En ik leerde hoe een wetenschap oplossingsvoorstellen kon doen voor maatschappelijke problemen ten behoeve van menselijk welzijn.  Zoals gezegd, sociologie was niet een verbetervak en wilde dat ook niet zijn. 

Al met al had ik in 1971 het idee dat ik meer een wetenschapsfilosoof dan wel een econoom was dan een socioloog. En dat zette me er natuurlijk toe aan om uit te zoeken hoe het kwam dat het vak sociologie zo weinig te bieden had, terwijl ik er voor gekozen had omdat het het vak van de toekomst leek. . 

Pas veel later en gaandeweg begon ik inzicht te krijgen in twee in het oog springende mankementen van het vak zoals het was ontstaan en in de negatieve gevolgen daarvan die tot op de dag van vandaag doorwerken.

In de eerste plaats het mankement van het streven naar wetenschappelijkheid dat gehinderd werd door een curieuze opvatting van wat wetenschappelijkheid is. En in de tweede plaats het mankement van het idee dat het vak een eigen werkelijkheidsdomein nodig had, duidelijk afgegrensd van domeinen van andere vakken. Een domein dat je geacht werd bij het zoeken naar verklaringen niet te verlaten. In termen van Emile Durkheim: "sociale feiten" moeten verklaard worden uit andere "sociale feiten". Wat dat precies betekende, leg ik later uit.

Eerst terug naar dat eerste mankement, dat trouwens ook tot het werk van Durkheim is terug te voeren. Daarmee wek ik de indruk dat Durkheim de kwade genius is, maar dat doet hem tekort. Naar zijn inhoudelijk werk beoordeeld, zoals in La division du travail social (1893), Le suicide (1897) en Les formes élémentaires de la vie religieuse (1912) vind ik hem interessanter dan Max Weber en Karl Marx. Zie ter illustratie de berichten:

Maar hij rekende het daarnaast tot zijn opdracht om van de sociologie een erkend academisch vak te maken, wat het toen nog niet was. En om dat te bereiken dacht hij dat het nodig was om uit te dragen dat sociologie een echte wetenschap is. Die zich dus radicaal moet onderscheiden van common sense, van het alledaagse denken, en van wat mensen denken door introspectie, door het zich inleven in anderen, denken te kunnen weten. 

Durkheim wilde voor zichzelf graag een leerstoel sociologie aan de prestigieuze Sorbonne in Parijs, maar moest uiteindelijk in 1887 genoegen nemen met een leerstoel sociologie en pedagogiek in Bordeaux. Zelfs dat ging niet zonder problemen, want sociologie werd in de universitaire wereld niet erg serieus genomen. Dat moet Durkheim hebben aangezet tot zijn curieuze wetenschapsopvatting, die sterk geïnspireerd was door het voorbeeld van de natuurwetenschappen en die geen recht doet aan hoe de sociale wetenschap daarvan verschilt. 

Want als je zo rond je twintigste sociologie gaat studeren, of, zeg, psychologie, dan heb je al persoonlijke ervaringen opgedaan met het object van je studie. Je bent opgegroeid in een gezin, een buurt, een dorp, ja, in een samenleving. Je moet dus al van alles hebben ervaren over hoe mensen met elkaar omgaan, over je eigen inbreng daarin en over de effecten daarvan op hoe je je voelt en op je eigen ontwikkeling. Je bent dus, ook als je nog geen college hebt gevolgd en nog geen studieboek hebt opengeslagen al een "kleine socioloog". Hoewel dat natuurlijk niet hoeft te betekenen dat je die ervaringen hebt verwerkt en die verwerking goed onder woorden kunt brengen.

Het gaan studeren van een sociale wetenschap verschilt daarmee fundamenteel van het gaan studeren van een natuurwetenschap. Als je scheikunde of natuurkunde of astronomie gaat studeren, dan wordt je ingewijd in een voor jouw nieuw kennisgebied, waar jijzelf, als persoon, geen deel van uitmaakt. Alle kennis die je krijgt aangereikt is nieuw en het kost vaak moeite om je die eigen te maken. Denk aan de moeite die het kost om de kwantummechanica te begrijpen, die een wereld beschrijft die wij als bizar ervaren, maar die wel de ons vertrouwde wereld "produceert". De beginnende natuurkundestudent staat voor de uitdaging om een vreemde, onbekende wereld te leren begrijpen. Hij is niet al op grond van opgedane ervaringen een "kleine natuurkundige".

Wat Durkheim bezielde toen hij in 1895 zijn wetenschapsopvatting uiteenzette in Les règles de la methode sociologique, komt erop neer dat hij de gedachte dat de beginnende sociologiestudent al een "kleine socioloog" is, rigoureus afwees. Ik herinnerde me dat ik in 1996 in De twee talen van de sociologie dit citaat opnam (mijn vertaling uit het Frans):

Maar zodra het om de eigenlijke feiten gaat, zijn ze, op het moment dat we ze wetenschappelijk behandelen, noodzakelijkerwijs onbekenden voor ons, dingen waar we niets vanaf weten, want de voorstellingen die we er in de loop van ons leven van hebben gemaakt, hebben, omdat ze zonder methode en kritiekloos tot stand zijn gekomen, geen wetenschappelijke waarde en moeten (daarom) aan de kant worden geschoven.

Anders gezegd, als we sociologen opleiden dan moeten we hen het besef aanleren dat ze hun studieobject op dezelfde manier moeten benaderen als de natuurkundestudenten dat doen met het terrein van de kwantummechanica. Laat alles varen wat je alledaagse ervaringen je hebben geleerd over hoe mensen samenleven. Vergeet het. Er zijn voor jou als socioloog vanaf nu alleen maar de inzichten, de "sociale feiten", die door sociologisch onderzoek tot stand zijn gekomen. Je gaat een nieuw rijk binnen, net zo nieuw als het rijk van de kwantummechanica.

Een wel heel curieuze opvatting van wat een sociale wetenschap is. Die helaas wel een grote invloed heeft gehad op de verdere ontwikkeling van het vak sociologie. En die als ik het goed zie in inleidende vakken nog altijd kritiekloos als grote wijsheid wordt herhaald. 

Curieus omdat ook in het alledaagse leven bestaande inzichten het resultaat zijn van correcties op vorige. Wetenschap is een voortzetting van dat corrigeren, met een streven naar correcties, naar nieuwe en diepere inzichten (theorieën), ook als de bestaande in de praktijk nog voldoen. In de woorden van Karl Popper The logic of scientific discovery, p. 22): wetenschappelijke kennis 

is common sense knowledge writ large, as it were. Its very problems are enlargements of the problems of common-sense knowledge. For example, it replaces the Humean problem of 'reaonable belief' by the problem of the reasons for accepting or rejecting scientific theories.

Alledaagse kennis "in het groot". Overeenkomend met het inzicht van de evolutie van kennisverwervingsstrategieën, van beweging naar gestuurde beweging, naar culturele transmissie, naar door verbeelding gestuurd leren, waar het over gaat in mijn De wetenschappelijkheid en de alledaagsheid van sociologische verklaringen. 

Zoals gezegd, de invloed van Durkheims curieuze opvatting van sociologie als wetenschap is groot geweest. Het was denk ik die invloed die er verantwoordelijk voor was dat ik Bannings ideeën over mens en menselijkheid in mijn studie sociologie niet tegenkwam. Want dat waren immers ideeën die niet met de wetenschappelijke methode tot stand waren gekomen. Ze waren religieus geïnspireerd, ondersteund door levenservaringen. Er was nog geen wetenschappelijk onderbouwd inzicht in de menselijke sociale natuur. Dus moeten we als sociologen doen alsof we daar niets van afweten. 

Het daarnaar handelen was in het vak zo algemeen verbreid dat Steven Pinker het in zijn The language instinct (p. 405-6 van mijn editie uit 1995) als het Standard Social Science Model betitelde. Ook kwamen we het tegen in het citaat van Kees Schuyt, vooraanstaand Nederlands socioloog, dat ik aanhaalde in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen: 

Men moet oppassen te zeggen dat mensen van nature gelijk zijn of van nature ongelijk zijn. Beide stellingen kan men betrekken, maar ze suggereren dat bij de discussie over gelijkheid teruggegrepen moet of kan worden op zoiets onbekends als ‘de natuur’ of ‘de menselijke natuur’.

En het ernaar handelen leidde tot grote problemen in de sociologische theorievorming. Want hoe kom je tot theorie als je niet mag teruggrijpen op "zoiets onbekends" als de menselijke sociale natuur, op mens en menselijkheid, op wat mensen willen en kunnen? En je je alleen mag bewegen binnen het domein van de "sociale feiten"? Wetende dat de samenleving wel degelijk mensenwerk is.

Maar omdat dit bericht al lang genoeg is, meer daarover in het vervolg. 

dinsdag 10 januari 2023

Steeds minder wetenschappelijk onderzoek dat bestaande inzichten omverwerpt - En over Darwin en Einstein

Volgens de onderzoekers van de net in Nature verschenen studie Papers and patents are becoming less disruptive over time is er sinds 1950 een trend te zien van steeds minder onderzoek dat bestaande inzichten omverwerpt. 

Een van de aanwijzingen die ze daarvoor geven is dat er in die periode steeds minder artikelen verschijnen en patenten worden toegekend die veel geciteerd worden terwijl eerder in hetzelfde vakgebied verschenen publicaties daarna juist minder worden geciteerd. Als een artikel of een patent die invloed heeft op het citatiepatroon, dan moet dat wel betekenen dat het bestaande kennis omverwerpt. Want het maakt oudere publicaties kennelijk minder relevant. In de Figuur hieronder zie je de afname voor verschillende vakgebieden afgebeeld.

Wetenschappelijke groei van kennis bestaat er bovenal uit dat bestaande inzichten worden vervangen door betere. Waarbij dat betere er op slaat dat het nieuwe inzicht dieper is, dat wil zeggen dat je eruit af kunt leiden onder welke voorwaarden het al bekende inzicht wél en onder welke voorwaarden het niet opgaat. Anders gezegd, het nieuwe inzicht maakt duidelijk dat het bestaande inzicht een benadering was van hoe volgens het nieuwe inzicht de werkelijkheid in elkaar steekt. Zie het bericht Hoe de replicatiecrisis op te lossen? Over het belang van een overkoepelend theoretisch kader, over diepte en over videogames, met een voorbeeld en een verwijzing naar Objective Knowledge. An Evolutionary Approach van Karl Popper. 

Als inderdaad die wetenschappelijke groei van kennis sinds 1950 stagneert, dan is dat reden voor zorg. Voortschrijdende groei van kennis en daarmee correctie van bestaande inzichten is immers van groot belang. 

Waar zou het aan kunnen liggen? De auteurs noemen als mogelijke oorzaak dat onderzoekers gedurende de onderzochte periode meer ertoe zijn aangezet om onderling te concurreren op aantallen publicaties. Daardoor zijn ze zich sterk gaan specialiseren op een beperkt gebied en zijn ze zich minder breed gaan oriënteren: 

We attribute this trend in part to scientists’ and inventors’ reliance on a narrower set of existing knowledge. Even though philosophers of science may be correct that the growth of knowledge is an endogenous process—wherein accumulated understanding promotes future discovery and invention—engagement with a broad range of extant knowledge is necessary for that process to play out, a requirement that appears more difficult with time. Relying on narrower slices of knowledge benefits individual careers53, but not scientific progress more generally.

Dit lijkt ermee samen te hangen dat jonge universitaire onderzoekers langdurig in tijdelijke aanstellingen terecht komen, waarin ze sterk worden beoordeeld op aantallen publicaties. Dat bevordert het zich conformeren aan bestaande inzichten, het zich aansluiten bij wat gebruikelijk en geaccepteerd is. Dus het zich bewegen binnen de bestaande grenzen van hun vak, dat wil zeggen van de inzichten van je hoogleraar die je beoordeelt en van de peers die je papers beoordelen. Hoe meer je die grenzen zou willen overschrijden, hoe breder en omvangrijker de literatuur die je moet kennen, hoe meer tijd je moet investeren en hoe groter de kans op mislukking. 

Een en ander betekent ook een selectieproces. Degenen die zich hier nog goed bij voelen, hebben de meeste kans op een vaste aanstelling. En als ze die eenmaal hebben, gaan ze voort op de ingeslagen weg. Doordat ze dat nu eenmaal hebben aangeleerd en als gebruikelijke gang van zaken hebben geaccepteerd.

Dat is dus een institutionele vormgeving van het wetenschapsbedrijf die precies tegengesteld is aan waar het in de wetenschap om zou moeten gaan. De auteurs bepleiten daarom:

To promote disruptive science and technology, scholars may be encouraged to read widely and given time to keep up with the rapidly expanding knowledge frontier. Universities may forgo the focus on quantity, and more strongly reward research quality56, and perhaps more fully subsidize year-long sabbaticals. Federal agencies may invest in the riskier and longer-term individual awards that support careers and not simply specific projects57, giving scholars the gift of time needed to step outside the fray, inoculate themselves from the publish or perish culture, and produce truly consequential work. 

Het is natuurlijk een grote stap, maar het is wel inzichtelijk om even stil te staan bij hoe Darwin en Einstein de in hun tijd bestaande inzichten in hun vakgebied omver wierpen. 

Darwin ging op 27 december 1831 aan boord van de Beagle om vijf jaar lang letterlijk zijn horizon te verbreden. Daarna kon hij nog tot 1859 de tijd nemen om zijn On the Origin of Species te publiceren. In zijn autobiografie schreef hij in 1876:

Ik heb veel gewonnen door het niet in 1839 uit te geven, toen de theorie duidelijk in mijn hoofd gepubliceerd was, maar door de publicatie uit te stellen tot 1859. 

En Einstein werkte na zijn afstuderen aan de Technische Universiteit van Zürich vijf jaar buiten de universiteit aan de vier artikelen waarmee hij in 1905 de natuurkunde voorgoed veranderde. We weten dat natuurlijk niet, maar het zou kunnen dat het hem hielp dat hij zich als jonge onderzoeker gedurende die vijf jaar niet in een universitaire setting hoefde te bewijzen.

dinsdag 12 februari 2019

Hoe de replicatiecrisis op te lossen? Over het belang van een overkoepelend theoretisch kader, over diepte en over videogames

Dit is een wat wetenschapstheoretisch bericht, maar als je toch doorleest tot het eind, kom je daar een concreet voorbeeld tegen van waar het om gaat.
Michael Muthukrishna en Joseph Henrich gaan in hun pas verschenen A problem in theory in op de replicatiecrisis in de psychologie en de sociale wetenschappen. Die replicatiecrisis slaat erop dat de resultaten van veel onderzoek niet in stand blijven als het onderzoek gerepliceerd wordt. Dat wil zeggen, als het onderzoek herhaald wordt met zoveel mogelijk dezelfde opzet, maar met nieuwe proefpersonen.

Die crisis kan verschillende oorzaken hebben die liggen op het terrein van de selectie van studies voor publicatie (gebrek aan pre-registratie) en van statistiek en methodologie. Maar Muthukrishna en Henrich vragen aandacht voor een fundamentelere oorzaak: het gebrek aan een overkoepelend, integrerend, theoretisch kader in de psychologie en de sociale wetenschappen (hierna aangeduid als sociale wetenschappen, want de psychologie van een groepsdier is natuurlijk altijd een sociale wetenschap).

Door het ontbreken van zo een algemenere theorie is er eigenlijk bij elke sociaalwetenschappelijke studie weinig zicht op mogelijk van invloed zijnde factoren die het resultaat kunnen hebben beïnvloed. Zo een factor kan in in de ene studie toevallig geen rol hebben gespeeld, maar kan in een replicatie ineens opduiken, omdat de omstandigheden van de eerste studie nooit perfect herhaald kunnen worden. Een algemener theoretisch kader had het dan gemakkelijker gemaakt om voor zulke factoren al vanaf het begin oog te hebben.

Eigenlijk is een "niet gelukte" replicatie vaak een geval waarin we leren, of zouden moeten leren, dat een eerder onderzoeksresultaat slechts onder bepaalde voorwaarden opgaat. In feite ontwikkelt zich zo de wetenschap: door het ontdekken van de voorwaarden waaronder wel of niet een theorie opgaat, kunnen we komen we tot een diepere theorie.  
Denk aan Karl Poppers wetenschapstheorie, in het bijzonder aan het hoofdstuk The Aim of Science uit zijn Objective Knowledge. An Evolutionary Approach (1973), waarin hij groei van kennis analyseert als een toenemende diepte van theorieën. Ik ging daar op in in mijn Verklaring en Interpretatie in de Sociologie, waaruit dit citaat (p. 52):
Poppers verklaringsmodel houdt in dat groei van kennis niet uitsluitend of zelfs niet in de eerste plaats geschiedt door het vinden van informatievere wetten waaruit bekende, minder informatieve wetten kunnen worden afgeleid, maar door het vinden van diepere wetten, waaruit de onwaarheid van de bekende wetten kan worden afgeleid. (Of, nauwkeuriger, waaruit kan worden afgeleid onder welke voorwaarden de bekende wetten wél en onder welke voorwaarden ze niet tot de juiste voorspellingen leiden.)
Zonder overigens Karl Popper aan te halen, leggen Muthukrishna en Henrich uit hoe de sociale wetenschappen beter een toename van diepte, in plaats van een losse hoeveelheid onderzoeksresultaten, zouden kunnen realiseren. Het zou daarbij helpen om onderzoek meer te laten leiden door een algemeen, overkoepelend theoretisch kader. En het kader dat zij voorstellen is dat van de dual-inheritance theory, ook wel aangeduid als de culture–gene co-evolutionary theory.

Die theorie ziet, in het kort, het menselijke gedrag als een resultaat van evolutie, inclusief het inzicht dat mensen cultuur zijn gaan ontwikkelen en dat die cultuur zich weer cumulatief ontwikkelt. Menselijk gedrag is volgens dat kader een product van zowel genetische als van culturele overerving.

Die culturele overerving slaat erop dat mensen erop geselecteerd zijn om zich te conformeren aan het gedrag dat in hun omgeving het meeste voorkomt. Anders gezegd, dat mensen naast een individueel leerproces ook heel sterk een sociaal leerproces kennen. Denk ook aan mijn Dual Mode-theorie, met de verwachting dat mensen bij de "keuze" tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag geneigd zijn zich te laten leiden door wat ze in hun sociale omgeving het meest waarnemen.

Hoe zo'n overkoepelend theoretisch kader de replicatiecrisis zou kunnen oplossen, is met een concreet voorbeeld wat duidelijker te maken.

Neem het vele onderzoek naar de vraag of het spelen van videogames, waarin vaak geweld voorkomt, mensen agressiever maakt. Lees de berichten op dit blog achter het label games. Als je naar al dat onderzoek zou kijken vanuit de ad hoc-theorie "spelen van videogames maakt mensen agressiever", dan zou blijken dat dat soms wel klopt en soms ook niet. Studies waarin de theorie wel klopt, kunnen dus niet gerepliceerd worden.

Zo is er het pas verschenen overzicht van onderzoek dat als uitkomst heeft dat het spelen van videogames in het geheel geen lange termijn-gevolgen heeft voor de mate van agressiviteit. Je kunt dat zien als een verwerping van de theorie.

Maar je kunt ook als overkoepelend theoretisch kader hanteren dat mensen in hun gedrag beïnvloed worden door het gedrag waar ze het meest mee in aanraking komen. (Denk weer aan de Dual Mode-theorie.) Met de bijkomende veronderstelling dat spelers van videogames het agressieve gedrag in die games zien als een aanwijzing voor de mate waarin gedrag ook in het echt voorkomt.

Volgens dat kader moet je dan ook rekening houden met de sociale omgeving waarmee spelers van videogames in het echte leven in aanraking komen. En omdat het vooral jongeren zijn die videogames spelen, kun je dan verwachten dat zeker op de langere termijn die echte sociale omgeving, die meestal minder gewelddadig is dan die videogames, een relatief grotere rol gaat spelen in de beïnvloeding van hun gedrag.

Met die algemenere theorie van de beïnvloeding door de sociale omgeving kun je dus verklaren dat het spelen van videogames op korte termijn wel en op langere termijn juist niet tot meer agressief gedrag leidt. Met die algemenere theorie heb je dus aan diepte gewonnen in vergelijking met de ad hoc-theorie dat videogames leiden tot meer agressief gedrag.