Posts tonen met het label belang van de buurt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label belang van de buurt. Alle posts tonen

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.

vrijdag 1 maart 2019

Voor een aangenamere maatschappij zijn er meer gelegenheden nodig voor samenwerking - van internationale samenwerking tot lokale zelf-organisatie

Willen we naar een aangenamere maatschappij, dan is het zaak om ons er rekenschap van te geven dat mensen zijn ingesteld op samenwerken en delen met anderen. Naast die instelling voor gemeenschapsgedrag is er natuurlijk ook de natuurlijke neiging tot statuscompetitie, maar die brengt ons niet naar een aangename maatschappij. Als we van die samenwerkingsbereidheid willen profiteren, dan moeten mensen voldoende in de gelegenheid zijn om in samenwerkingsverbanden te opereren. Zijn die er niet, dan leven mensen langs elkaar heen of schieten ze zelfs in de statuscompetitiemodus.

Gelegenheden tot samenwerking en delen kunnen in onze huidige maatschappij op verschillende niveau's bestaan. Er is het internationale niveau van de samenwerking tussen staten, van de Verenigde Naties en van de mensenrechtenverdragen. Uiterst actueel en belangrijk nu er de dreigingen zijn van de klimaatverandering.

En op het nationale niveau is het belangrijk dat het bevorderen van de onderlinge solidariteit in de vorm van de verzorgingsstaat goed herkenbaar is in het politieke speelveld. De sociaal-democratie. die precies daarvoor ooit in het leven werd geroepen, heeft zich in de hoogtijdagen van het neo-liberalisme en de "Derde Weg" slecht van die taak gekweten, maar daar lijkt verandering in te komen. Denk aan de laatste berichten over de ontwikkelingen in de Duitse SPD, aan Labour in Engeland en aan de opkomst van de jonge, "socialistische", Democraten (Ocasia-Cortez!) in de Verenigde Staten. (En de PvdA?)

Maar er is natuurlijk ook het lokale niveau van buurten en dorpen. Je zou kunnen denken dat het ook op die hogere niveau's nooit wat wordt als we op dat lokale niveau al langs elkaar heen leven.

Gelukkig dringt het besef door dat samenwerking en zelf-organisatie (buurtzelfbeheer) juist ook op dat lokale niveau van groot belang zijn. Denk nog even aan het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde. En denk aan de toegenomen noodzaak van lokale zelf-organisatie als gevolg van de steeds maar groeiende omvang van gemeenten.

Actuele ontwikkelingen in dat verband zijn er op het vlak van buurtrechten, in het bijzonder het recht voor bewonersinitiatieven om een gebouw, publieke ruimte of andere voorziening over te nemen van de gemeente en zelf te beheren.

Als je het LSA (Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners) volgt, dan blijf je aardig op de hoogte van die ontwikkelingen. Lees hier meer over voorbeelden in Rotterdam, Kaag en Brasem en Arnhem: Recht op overname: het kan wel!

vrijdag 23 februari 2018

Klein, maar goed, nieuws: Jongeren maken zelf hun ontmoetingsplek

Als welkom tegenwicht tegen al het grote, slechte nieuws, nu aandacht voor het weliswaar kleine, maar goede nieuws. Over jongeren die zelf hun ontmoetingsplek maken

Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn we de ruimtelijke inrichting van ons land zo gaan omvormen dat wonen en werken sterk zijn gescheiden. Bovendien hebben we door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen (winkels, horeca, uitgaansgelegenheden) saaie woonbuurten gecreëerd, waarin bewoners bij gebrek aan natuurlijke ontmoetingsplekken elkaar niet kennen en niet bij elkaar op bezoek komen. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.

Die ontwikkeling heeft eraan bijgedragen, of is er zelfs de voornaamste oorzaak van, dat we nu een groot eenzaamheidsprobleem hebben. Volgens de nieuwste cijfers, van 2016, is 33 procent van de volwassen bevolking matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam.

Eenzaamheid komt in alle leeftijdsfases voor. Vaak denken we dan eerst aan vereenzaamde ouderen. Maar het risico op eenzaamheid is ook onder jongeren groot. Dat ligt er ook aan dat de leeftijdshomogene groepering op scholen niet zo'n gunstige sociale omgeving biedt, een omgeving namelijk die gemakkelijk statuscompetitie en pesten uitlokt. En in een woonbuurt waar verder niets gebeurt, is het lastig om vrienden te maken of vriendschappen te onderhouden.

Met als gevolg dat de generatie die is opgegroeid met internet en sociale media in vergelijking met vorige generaties meer tijd doorbrengt met online communicatie dan met face-to-face ontmoetingen. En de aanwijzingen zijn dat dat de kans op eenzaamheid en zelfs depressie vergroot. Zie Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen en Meer over het verband tussen het gebruik van sociale media en eenzaamheid.
Update. En denk aan het onderzoek dat laat zien dat jongeren minder tijd besteden aan televisiekijken, gamen en sociale media als er inde buurt meer te doen is: Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren.
Maar mensen lijken goed door te hebben dat dit geen gunstige ontwikkeling is. Er zijn veel aanwijzingen voor een onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken en er zijn alom initiatieven om aan die behoefte tegemoet te komen.

Zo is er nu in de Leeuwarder Courant het berichtje dat de tien leden van de Jeugdraad van de gemeente Smallingerland niet alleen actie voeren om meer hangplekken ("afdakjes") tot stand te brengen, maar ook proberen voor elkaar te krijgen dat jongeren zelf die afdakjes gaan maken. En het zou helemaal mooi zijn als ze dat samen zouden doen met lokale kunstenaars. De Jeugdraad hoopt steun te krijgen van de gemeenteraad en heeft het plan aangeboden bij de politieke partijen. Zie Zelf afdakjes maken om onder af te spreken.

Een klein berichtje waar je vrolijk van wordt.

zondag 3 december 2017

Het voelt goed om je buren te leren kennen

Er wordt vaak over geklaagd dat we onze buren niet meer kennen. Is dat terecht?

Ja, dat is terecht in de zin dat er een onvervulde behoefte bestaat aan sociale contacten en dat die contacten bijdragen aan ons welzijn en onze gezondheid. Zie Hebben mensen gelijk als ze meer sociale contacten willen? Over het verband tussen contacten en geluk.

En het bij elkaar in de buurt wonen kan een aanleiding zijn tot het maken van contact. Tot het uitbreiden van je vrienden- en kennissenkring.

Het CBS verzamelt gegevens over onze contacten met buren (en met familie en vrienden). Het blijkt dat in 2016 14,8 procent dagelijks contact met buren had (in 2012 nog 19,4) en 46,1 procent minstens 1 maal per week. Dat valt dus nog wel mee, zou je denken. Hoewel dat dagelijkse contact dus wel flink afneemt. (19,7 procent had minstens 1 maal per maand contact, 7.5 procent minder dan 1 maal per maand en 12 procent zelden of nooit.)

Maar die cijfers vertellen niet met hoeveel buren je contact hebt. Het zou ook kunnen gaan om niet meer dan de naaste buren. En dat kan betekenen dat alle andere buren vreemden voor je zijn, mensen die je niet kent.

Die klachten dat we onze buren niet meer kennen, die moet je dus misschien wel serieus nemen. Zeker als je bedenkt dat althans volgens deze sociaalwetenschappelijke inschatting in 2016 43 procent van de volwassen bevolking als eenzaam kan worden beschouwd (33 procent matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam).

Maar hoe leer je je buren kennen? Tip: googel eens "buren leren kennen". Ik deed dat eerder vandaag en had 729.000 resultaten.

Dit alles bedacht ik me toen ik in The Guardian het artikel ‘It feels good to know who lives behind those doors’: Lionel Shriver, Jon McGregor and others meet the neighbours las. De redactie vroeg aan vijf romanschrijvers om bij hen in de straat bij vreemden aan te bellen en kennis te maken. En daarover kort een verslagje te schrijven. Het resultaat is intrigerend om te lezen.

Natuurlijk moest ik ook terug denken aan dat ontroerende boek van Peter Lovenheim: In the Neighborhood. The Search For Community on an American Street, One Sleepover At A Time. Lees nog eens Is een sociaal buurtleven maakbaar?

woensdag 1 november 2017

Waardoor neemt de criminaliteit af? De rol van buurtorganisaties in de Verenigde Staten - En over het hart van de sociologie

Update. Ook de New York Times besteedt nu aandacht aan dit onderzoek. Zie The Unsung Role That Ordinary Citizens Played in the Great Crime Decline van Emily Badger.
De politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten zijn zacht gezegd zorgwekkend. Maar laten we eens stilstaan bij een trend die opvallend positief is: de sinds het midden van de jaren 90 steeds maar dalende criminaliteitscijfers. De cijfers voor de geweldsmisdrijven halveerden en de vermogensmisdrijven namen af met ruim 40 procent (What Caused The Crime Decline?).

Dat is een indrukwekkende daling. Wat kunnen daarvan de oorzaken zijn geweest? Een reeks van meer of minder goed onderbouwde verklaringen is aangedragen. Zie voor overzichten 10 (Not Entirely Crazy) Theories Explaining the Great Crime Decline, What Caused the Crime Decline? en
What Caused the Great Crime Decline in the U.S.?.
Ook in Nederland maken we een opvallende daling van de criminaliteit mee. Zie Verdere daling geregistreerde misdrijven en verdachten voor de cijfers sinds 2007 (maar de daling was al eerder ingezet). En ook hier zijn allerlei mogelijke verklaringen aangedragen, zoals hier door het WODC.
Maar er is nu de nieuwe Amerikaanse studie Community and the Crime Decline: The Causal Effect of Local Nonprofits on Violent Crime, die laat zien dat in de Verenigde Staten de daling van de geweldsmisdrijven in ieder geval voor een deel ook is toe te schrijven aan de toegenomen activiteit van nonprofit organisaties die op lokaal niveau werkzaam zijn.

Het gaat dan om organisaties die
  • zich specifiek richten op misdaadpreventie
  • werken aan buurtontwikkeling (denk aan wat wij opbouwwerk noemen)
  • zich bezig houden met drugsbestrijding
  • job training aanbieden en arbeidspotentieel vergroten (workforce development programs)
  • vrijetijds- en sociale activiteiten organiseren voor jongeren.
Kortom, om organisaties die proberen om lokaal een veilige, sociale omgeving proberen tot stand te brengen, waarin mensen elkaar kennen, waarin degenen die dat nodig hebben worden geholpen en waarin mogelijkheden bestaan om je vrije tijd zinvol en samen met anderen te besteden.

En ja, dat is natuurlijk eigenlijk "gewoon" de sociale omgeving zoals mensen die nodig hebben om zich tot verantwoordelijk en moreel persoon te kunnen ontwikkelen. Zeg maar een gemeenschapsomgeving. Die tegenwoordig niet meer als vanzelfsprekend aanwezig is, maar die je wel met inspanning (soms veel inspanning) en goede wil (soms veel goede wil) tot stand kunt brengen.

En die dus aanwijsbaar lagere criminaliteitscijfers tot gevolg heeft.
De onderzoekers plaatsen hun werk terecht in de theoretische traditie van het "systemische model van de gemeenschapsorganisatie" en van de sociale desorganisatietheorie, die tot het hart van de sociologie gerekend kunnen worden. Denk aan het werk van Robert J. Sampson (Mensen wonen in buurten! Nieuw boek van Robert Sampson).

maandag 5 december 2016

Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren

Komen kinderen wel genoeg buiten? Zitten ze niet teveel op de bank? En zitten ze niet teveel naar een scherm(pje) te staren?

Dat zijn belangrijke vragen, want we weten dat het voor de fysieke en sociale ontwikkeling van kinderen goed is dat ze veel buiten spelen, met andere kinderen van verschillende leeftijden. Zie
Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?

Maar er is buiten vaak niet veel te doen. Een saaie woonwijk, met alleen maar straten en huizen, nodigt er niet toe uit om naar buiten te gaan. Het zou dus van de fysieke inrichting van de buurt kunnen afhangen hoe vaak kinderen het huis uit gaan. In plaats van thuis naar een scherm(pje) te zitten staren.

Het Australische onderzoek Nowhere to Go and Nothing to Do but Sit?Youth Screen Time and the Association With Access to Neighborhood Destinations bevestigt dat vermoeden. Kinderen die in buurten wonen met meer winkels en andere voorzieningen en met meer openbare ruimte (park, sportveld, schoolplein) besteden naar hun eigen oordeel of, bij jongere kinderen, naar het oordeel van de ouders, minder tijd aan televisiekijken, computeren, gamen en sociale media.

Een nieuwe aanwijzing voor het belang van buurten en dus vooral voor het belang van buurten waar iets valt te beleven, waar ontmoetingsplekken zijn. Als die er niet zijn, groeien kinderen sociaal geïsoleerder op en bewegen ze te weinig.

dinsdag 29 maart 2016

Nieuwe aanwijzing voor belang van de buurt voor opgroeien van kinderen

Doordat wij in onze manier van samenleven een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen normaal zijn gaan vinden, zijn we gaan denken dat het voor kinderen bovenal belangrijk is om door de ouders goed te worden opgevoed. Als ouders maar goed opvoeden, dan komt alles wel goed. Ik noemde dat eerder de mythe van de opvoedbaarheid.

Dat dat inderdaad een mythe is, blijkt uit onderzoek naar de effecten van wat er om het gezin heen wel of niet gebeurt op het opgroeien van kinderen. Zo weten we dat kinderen beter opgroeien als het gezin meer contact heeft met grootouders, andere familie en vrienden. Zie hier voor het belang van grootouders.

Maar daarnaast zijn er ook aanwijzingen dat het voor een kind uitmaakt in wat voor buurt het opgroeit. Er lijkt inderdaad "een dorp" nodig te zijn om een kind goed te laten opgroeien. Zie hier en hier.

Een probleem met dat onderzoek is echter dat je niet weet hoe een gezin in een buurt terecht is gekomen. Het kan zijn dat gezinnen met een grotere kans op het goed opgroeien van kinderen, zoals door kenmerken van de ouders (opleiding, inkomen, persoonlijkheid), meer bij elkaar in buurten gaan wonen. En hoe meer dat zo is, hoe meer dat suggereert dat buurten er minder toe doen.

Maar er is ook onderzoek naar de effecten van veranderingen van buurt door verhuizingen. Zo is er Amerikaans onderzoek dat naging wat de effecten waren van het Moving to Opportunity experiment dat in de jaren 90 werd uitgevoerd en dat inhield dat gezinnen in slechte, verloederde buurten zich konden aanmelden voor een loterij. Winnaars ontvingen een voucher, dat hen hielp om naar een betere buurt te verhuizen.

Toen vervolgens de kinderen van winnaars en verliezers van de loterij werden gevolgd, bleek dat kinderen van de winnaars op jong-volwassen leeftijd flink meer verdienden dan de kinderen van de verliezers (die in die slechte buurten waren achtergebleven).

Maar het zou natuurlijk nog beter zijn om de vertrekkende kinderen te vergelijken met alle achtergebleven kinderen, dus ook met kinderen van gezinnen die zich niet voor het experiment hadden aangemeld. Want je mag aannemen dat de ouders die zich voor het experiment aanmeldden al meer gemotiveerd waren om hun kinderen te beschermen tegen negatieve invloeden van de buurt.

Precies dat onderzoek is nu ook uitgevoerd. Justin Wolffers bericht er over in The New York Times: Growing Up in a Bad Neighborhood Does More Harm Than We Thought.

Eind jaren 90 werden namelijk in Chicago sommige flats in verloederde buurten gesloopt, waarbij alle bewoners zo'n voucher kregen om naar een betere buurt te verhuizen. Je kon toen dus de kinderen van die gezinnen vergelijken met de kinderen van de gezinnen die in de slechte buurten achterbleven.

En daar komen nog gunstiger effecten uit naar voren dan uit dat eerdere onderzoek. Kinderen die naar betere buurten verhuisd waren, hadden op jong-volwassen leeftijd een 16 procent hoger jaarinkomen en een 9 procent hogere kans op het hebben van werk. Dat geldt voor de groep van kinderen die ten tijde van de sloop tussen 7 en 18 jaar oud waren. Je mag veronderstellen dat de effecten voor de jongere kinderen binnen die groep nog groter waren.

Hoe die effecten nu precies tot stand komen, dat kun je uit dit onderzoek maar beperkt opmaken. Mijn oog viel op een passage in het onderzoek waaruit blijkt dat het er niet aan lag dat kinderen in hun nieuwe buurt minder met criminaliteit in aanraking kwamen.

Maar hoe dan ook, zo langzamerhand worden de aanwijzingen wel heel sterk dat buurten belangrijk zijn voor kinderen. 

En dat is opvallend, omdat de overheid zich in haar jeugdbeleid vrijwel uitsluitend op ouders en op opvoeding concentreert. De mythe van de opvoedbaarheid is nog altijd springlevend. Zie ook (nog eens) Niet (nog) beter opvoeden, maar: BUURTEN VOOR KINDEREN en Niet "pedagogische civil society", maar "buurten voor kinderen". En natuurlijk Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Misschien was het nog niet zo'n gek idee om die Centra voor Jeugd en Gezin als een buurtvoorziening te gaan zien en een buurtfunctie te gaan geven.

maandag 14 september 2015

Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde

Vandaag vergadert in de Tweede Kamer de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken over de initiatiefnota van het PvdA-Kamerlid Grace Tanamal over buurtrechten. Over buurtrechten schreef ik eerder, oktober vorig jaar, in het bericht Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer. Het gaat om het recht op het mogen meedoen met openbare aanbestedingen van publieke diensten, om het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis, en om het recht op het mogen indienen van een plan voor buurtontwikkeling. Zie hier de samenvatting van de nota waar het om gaat: Samenvatting Initiatiefnota ‘Buurtrechten voor iedereen’.

In dat bericht van oktober vorig jaar wees ik er op dat de mogelijke voordelen van buurtrechten niet alleen liggen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, maar ook op dat van de sociale kwaliteit van de buurt. Door buurtrechten kan zelforganisatie van de buurt worden bevorderd en dat kan er weer toe leiden dat buurtbewoners meer met elkaar in contact komen en meer onderlingen verbonden raken.

En we weten dat zulks grote voordelen heeft. Omdat mensen buiten het eigen gezin niet meer zoveel sociale contacten hebben, hebben buurtcontacten aangetoonde positieve gezondheidseffecten en verminderen ze de kans op eenzaamheid. (Denk nog even aan de Week Tegen de Eenzaamheid van 24 september tot 3 oktober.) Ook weten we dat vertrouwen tussen buurtbewoners bijdraagt aan het algemene vertrouwen van mensen in anderen en dat maatschappijen met meer onderling vertrouwen beter gedijen. En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen.

Mooi dus dat er nu in de Tweede Kamer aandacht is voor dat initiatief van Grace Tanamal. Maar eens afwachten wat het oplevert.

Maar ik moest ook even terugdenken aan de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925-2008), later hoogleraar en gevierd en gevreesd columnist, die in 1955, in een tijd van optimistisch modernisme, betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. In zijn Wijk en stad: reële integratiekaders? probeerde hij de "romantische visie" uit te bannen dat de buurt nog een sociale functie zou kunnen hebben.

Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.

En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.

Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:
Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat dit gezinsindividualisme niet op een moreel verval wijst, maar een van de symptomen is van een algemene tendentie in de samenleving, en dat er bovendien geen reden is om te veronderstellen dat dit gezinsisolationisme spanningen of conflicten oproept, kan men inderdaad niet van een zodanig sociaal knelpunt spreken.
Duidelijker vind je niet het optimisme van de na-oorlogse sociologie verwoord. Het optimisme van de individualistische maatschappij waarin geen eenzaamheid zou bestaan, waarin mensen tevreden zouden zijn in hun sociaal geïsoleerde gezinnetje en met voor de rest alleen die geobjectiveerde contacten. Het was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Want de maatschappij verandert en mensen zijn zo flexibel dat ze zich aan elke verandering succesvol aanpassen. Zie ook Om mens en menselijkheid - Over sociologie.

Hoe anders kijken we daar nu tegenaan!

En hoe anders is de feitelijke ontwikkeling geweest. Een ontwikkeling van alleen maar groeiende aandacht voor het sociale belang van de buurt. En voor het belang van sociale contacten voor welzijn en gezondheid.

Het lijkt er op dat die ontwikkeling nu uitmondt in een beweging om dat sociale belang van de buurt ook institutioneel vorm te geven. Vandaar vandaag die commissievergadering in de Tweede Kamer over buurtrechten.

maandag 22 juni 2015

Burgerinitiatieven op buurtniveau zijn goed voor kinderen

Over het hele land verspreid zijn er initiatieven op het gebied van zorg en buurtverbetering door de burgers zelf. In de vorm van burgercoöperaties of ondernemersbedrijven. Dat is een opmerkelijke ontwikkeling. Kennelijk zijn wij met zijn allen toch niet een samenleving die de trend van individualisering en toenemend sociaal isolement van gezinnen gelaten accepteert.

Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb. Lees hier verder.

woensdag 12 februari 2014

De buurt beïnvloedt niet alleen de bewoners, maar ook de bezoekers

De buurt waar je opgroeit of woont is een belangrijk deel van je sociale omgeving. Een buurt waar mensen elkaar kennen en wel eens bij elkaar over de vloer komen, draagt bij aan de gezondheid van de bewoners en verhoogt de kans op pro-sociaal gedrag en vertrouwen in de medemens. Andersom, het wonen in een anonieme buurt met geweld en criminaliteit heeft negatieve gezondheidseffecten en maakt wantrouwender en minder pro-sociaal. Zie Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (17) en Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil?

Bij die aanwijzingen voor het belang van de buurt als sociale omgeving komt nu dat die invloeden er niet alleen lijken te zijn voor de bewoners, maar ook voor bezoekers van een buurt. In de studie Being there: a brief visit to a neighbourhood induces the social attitudes of that neighbourhood (pdf) lieten onderzoekers twee groepen studenten in twee verschillende buurten van Newcastle upon Tyne op verschillende adressen vragenlijsten afgeven. Ze werden daar vanuit de universiteit met een busje heengebracht en waren niet meer dan 45 minuten bezig.

De buurten komen in veel opzichten overeen (grootte, bevolkingsdichtheid, ruimtelijke opzet, afstand van het stadscentrum, etnische samenstelling), maar de ene buurt is economisch welvarend, zeg maar een middenklasse buurt, en de andere heeft een geschiedenis van economische achteruitgang en behoort tot de 1 procent meest gedepriveerde gebieden van Engeland. In beide buurten was eerder onderzoek gedaan naar de mate van sociaal vertrouwen en van paranoia.

Wat dat sociale vertrouwen betreft, ging het om de beantwoording van de vraag "Hoe groot is uw vertrouwen in mensen die u voor het eerst ontmoet?" En de mate van paranoia, dus het geobsedeerd zijn met gedachten dat anderen vijandig zijn en dat ze jou in de gaten houden, werd vastgesteld met een vragenlijst, de Paranoia Checklist van Daniel Freeman (zie bijvoorbeeld Psychological investigation of the structure of paranoia in anon-clinical population). Daarin gaat het om uitspraken als (in mijn vertaling):
  • Ik moet voor anderen op mijn hoede zijn
  • Er zouden negatieve verhalen over mij de ronde kunnen doen
  • Mensen proberen met opzet mij te irriteren
  • Mensen zijn waarschijnlijk vijandig tegenover mij
  • Als ze de kans kregen zouden mensen mij benadelen
waarvan je kunt aangeven in welke mate je het er mee (on)eens bent.

Dat eerdere onderzoek had opgeleverd dat het sociale vertrouwen lager was in die achterstandswijk en de mate van paranoia hoger. Wat wijst op meer anonimiteit en minder pro-sociaal gedrag.

Wat betekent het dan als je als student korte tijd in de ene dan wel in de andere buurt doorbrengt en een aantal adressen afgaat? De onderzoekers lieten hen, teruggekomen in dat busje, een vragenlijst invullen met vragen over dat sociale vertrouwen en de mate van paranoia. En wat bleek? De studenten waren wat hun antwoorden betreft gaan lijken op de bewoners van de buurt waarin ze hadden rondgelopen.Als dat de achterstandswijk was dan was het sociale vertrouwen lager en de mate van paranoia hoger dan wanneer het de middenstandsbuurt was.

Waardoor hadden ze zich precies laten beïnvloeden? Dat valt met dit onderzoek niet te beantwoorden. Wel hadden de studenten ook een open vraag beantwoord over wat ze van de buurt vonden waar ze doorheen waren gelopen. En daaruit bleek dat ze de achterstandswijk overwegend negatief beoordeelden en de middenstandsbuurt overwegend positief.

Hoe dan ook, dit laat zowel zien hoe sterk je door de omgeving van een buurt kunt worden beïnvloed als hoe gemakkelijk mensen beïnvloedbaar zijn. De sociale omgeving van de buurt waarin je opgroeit en woont oefent een grote invloed op je uit. Maar ook een vluchtig verblijf in een bepaalde sociale omgeving beïnvloedt je. Dat zou betekenen dat er steeds iets blijft hangen van die verschillende sociale omgevingen waarin je dagelijks komt te verkeren. Zonder dat je je daar van bewust hoeft te zijn.

woensdag 29 januari 2014

Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie?

Zo nu en dan zijn er berichten (zie hier en hier) dat er in een buurt een ontmoetingsplek tot stand is gekomen. Waar mensen, vaak ouderen, die dreigen te vereenzamen, naar toe kunnen gaan om een praatje te maken, samen iets te doen en om contacten te leggen. Al was het maar om te voorkomen dat iemand pas na tien jaar dood in huis wordt aangetroffen. Zie nog eens de reportage Eenzaam in een dichtbevolkte stadswijk terug.

Het bestaan van zulke ontmoetingsplekken in de buurt, dicht bij huis, lijkt het beste antwoord op de om zich heen grijpende eenzaamheid die voor onze maatschappij zo kenmerkend is. Toch zijn zulke plekken niet standaard aanwezig. Een woonbuurt is heel vaak gewoon een buurt om in te wonen, niet om elkaar te ontmoeten.

Als je weet hoe zulke ontmoetingsplekken soms toch tot stand komen, dan denk je, het had ook net zo goed niet kunnen gebeuren. Een of enkele beroepskrachten en/of vrijwilligers hebben het voortouw genomen, er was een geschikte locatie en de gemeente heeft wat subsidie verstrekt. En dat brengt je op de gedachte dat er in veel buurten een nog onvervulde behoefte is aan een ontmoetingsplek. Wat te doen om op grotere schaal in die behoefte te voorzien?

Ik stelde me die vraag toen ik eerder vandaag dit bericht las in The New York Times. Het gaat over ouderen in de New Yorkse wijk Queens, allen met een Koreaanse achtergrond, die een MacDonald's op de hoek hebben uitgekozen als ontmoetingsplek. Ze zijn niet rijk, kunnen geen auto bekostigen of rijden niet meer. Ze zijn elkaar gaan treffen en maakten met elkaar kennis in de MacDonald's, voor hen op loopafstand. Ze zouden ook naar een lokaal ouderencentrum kunnen, maar dat is een paar kilometer verderop. Er is een busje dat hen daar heen kan rijden, maar daar voelen ze niet voor. Ze willen elkaar treffen op momenten dat het uitkomt. Niet als kinderen in een schoolbus op een vastgesteld tijdstip.

En zo werd de MacDonald's op de hoek hun tweede thuis. (Denk aan dat mooie boek van Ray Oldenburger, The Great Good Place: Cafes, Coffee Shops, Bookstores, Bars, Hair Salons, and Other Hangouts at the Heart of a Community. Een beter pleidooi voor ontmoetingsplekken is er niet.) De meesten kenden elkaar eerst niet. Maar ze werden aangetrokken door de nabijheid en de lage prijzen. En de grote ramen waardoor ze zichtbaar zijn en iedereen kunnen zien voorbijkomen. En ze bleven komen voor het samen zijn. "Zo houden we elkaar wat in de gaten", zegt een van hen. "Iedereen meldt zich hier minstens een keer per dag, en zo weten we dat ze O.K. zijn."

Je zou kunnen gaan denken dat de markt, de commercie, op deze manier ook heel goed kan voorzien in ontmoetingsplekken. Maar in Queens ontstonden wel problemen. Want de filiaalhouder van de MacDonald's was maar matig blij met die groep ouderen die met een kop koffie van een dollar en negen cent uren bleven hangen. Niet goed voor de omzet.

Toen kwamen er berichten dat de politie werd ingeschakeld om de ouderen uit de zaak te verwijderen. Wat leidde tot koppen in de kranten, zelfs tot in Seoul, Korea. Maar er werd uiteindelijk een compromis gevonden. Tijdens piekuren maakt het groepje plaats voor andere klanten.

Maar er is natuurlijk een probleem van andere orde met de marktoplossing voor het probleem. Want het is geen toeval dat in heel veel buurten geen horeca is om als ontmoetingsplek te dienen. Horecabedrijven hebben uit bedrijfseconomische redenen sterk de neiging om bij elkaar te kruipen, liefst in de binnensteden en de winkelstraten.

Dat is onderdeel van de grootscheepse concentratie van commerciële voorzieningen, die zich vooral de laatste halve eeuw heeft voltrokken. (Update. Zie nog eens Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid.) Economisch gezien profiteren voorzieningen die afhankelijk zijn van klanten van elkaars nabijheid. En dus kruipen ze het liefst bij elkaar. Daar is zelfs een economische wet voor opgesteld: Hotelling's Law, genoemd naar de bedenker er van, Harold Hotelling.

En als je als overheid die ontwikkeling zijn gang laat gaan, dan krijg je dus concentraties in de binnensteden en daarbuiten saaie woonbuurten waar mensen vereenzamen. Vandaar dat het zo toe te juichen is dat de gemeente Utrecht probeert om de daghoreca en de restaurants meer over de wijken te verspreiden. Update. Functiemenging heet dat.

Er ligt dus op het vlak van de behoefte aan ontmoetingsplekken wel degelijk een grote taak weggelegd voor de overheid.

En verder: als markt en overheid tekort schieten, dan rest altijd nog de mogelijkheid van zelforganisatie. En dat lukt soms.

donderdag 19 december 2013

Het beste middel tegen eenzaamheid: ontmoetingsplekken

Het beste middel tegen eenzaamheid is de aanwezigheid van ontmoetingsplekken. Elke buurt zou zo'n plek moeten hebben. Dat werkt veel beter dan al die "eenzaamheidsinterventies" die pas ingezet worden als iemand al eenzaam is geworden. Zeg maar de cliëntbenadering. Zie Eenzaamheid is een collectief probleem.
En zo nu en dan kom je een prachtig voorbeeld tegen van de manier waarop een ontmoetingsplek tot stand is gebracht. Zoals in het Brabantse Oss waar een ruimte in de seniorenflat Sterrebos een levendige ontmoetingsplek is geworden voor senioren uit de buurt. 
Dat ging niet vanzelf. Lees hier het verhaal over Sonja Haven en het project De Ontmoeting. Ik vind het hartverwarmend.

dinsdag 10 december 2013

Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen

In de sociale wetenschappen is, vooral sinds Putnam's Bowling Alone (2000), veel aandacht voor verschillen in het vertrouwen dat mensen in anderen hebben. Het gaat dan om het vertrouwen in mensen in het algemeen (generalized trust). Het blijkt dat landen met een hoge mate van dat algemene vertrouwen het in allerlei opzichten beter doen. Zo is er meer onderlinge samenwerking, werkt de democratie beter en gaat het economisch beter. Als het algemene vertrouwen achteruitgaat, zoals in de Verenigde Staten, dan is dat reden voor bezorgdheid.

Maar waar zou dat vertrouwen in mensen in het algemeen van afhangen? Eerst: wat houdt vertrouwen in mensen in het algemeen precies in? Dat wordt duidelijk als je weet hoe het in vragenlijsten wordt gemeten. Zoals in het onderzoek hieronder met de volgende drie vragen:
  1. Zou je zeggen dat mensen meestal hulpvaardig proberen te zijn of dat ze meestal alleen aan zichzelf denken?
  2. Denk je dat de meeste mensen misbruik van je zouden maken als ze de kans kregen, of zouden ze proberen om eerlijk te zijn?
  3. Zou je in het algemeen gesproken zeggen dat je de meeste mensen kunt vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kan zijn?
Een nieuwe studie, Do Social Connections Create Trust? An Examination Using New Longitudinal Data (betaalpoort), wijst er nu op dat het uitmaakt hoeveel contacten mensen hebben met vrienden, familie en buren. Hoe meer mensen zulke vertrouwde, persoonlijke relaties hebben en hoe vaker ze daar mee contact hebben, hoe meer ze geneigd zijn om in het algemeen mensen te vertrouwen. Sterker, als zulke contacten toenemen, dan neemt ook dat algemene vertrouwen toe. Wat dus wijst op een oorzakelijke relatie.

Dat is wel een interessant resultaat. Want je hoort ook wel de gedachte dat als mensen veel omgaan met hun kring van persoonlijke relaties, dat ze dan juist wantrouwender worden tegenover anderen, de buitenstaanders. Teveel nadruk op de eigen ingroup, de kring van sterke bindingen, zou volgens deze gedachte ten koste gaan van de interesse en het vertrouwen in de outgroup, de kring van zwakke bindingen. Daar lijkt de vrees achter te zitten dat mensen zich teveel in hun eigen netwerk opsluiten en dat ze zich daardoor van de wereld afkeren of daartegenover zelfs wantrouwen ontwikkelen.

Maar dat lijkt dus anders te liggen. Hoe meer je actief bent in die vertrouwde kring van persoonlijke relaties, familie, vrienden en buren, hoe meer je de mensheid in het algemeen vertrouwt. Vertrouwen in kleine kring generaliseert naar vertrouwen in de grote kring, in mensen die je maar vaag kent of helemaal niet kent. "Als de mensen met wie ik omga oké zijn, waarom zou dan niet iedereen oké zijn?"

Als je er voor pleit dat mensen elkaar in de straat en de buurt beter zouden moeten leren kennen, dus pleit voor het bevorderen van een sociaal buurtleven, zoals ik wel eens doe, dan krijg je wel eens de tegenwerping dat dat ook negatief zou kunnen uitwerken. Zo'n buurtgemeenschap zou ten koste gaan van de ruime blik op de maatschappij als geheel. Maar dat klopt dus niet. Hier gaan verschillende wenselijkheden juist heel goed samen.

(Zie ook The importance of being we: human nature and intergroup relations (betaalpoort) voor een mooi overzicht van onderzoek dat in dezelfde richting wijst.)

vrijdag 6 april 2012

Mensen wonen in buurten! Nieuw boek van Robert Sampson

Douglas Massey bespreekt in Science van deze week het boek Great American City van Robert J. Sampson (fulltext achter de poort). Sampson vat er al zijn onderzoek in samen dat hij in de loop van de jaren heeft gedaan naar de effecten van kenmerken van de buurt waarin mensen wonen op hun gedrag en hun welbevinden. En naar de voorwaarden waaronder buurtbewoners samen werken aan de verbetering van de leefbaarheid van hun buurt. Het is een heel belangrijk boek en ik kom er zeker nog op terug. Het is vooral belangrijk omdat het laat zien hoe belangrijk de buurt is voor het leven van mensen. En dat gaat lijnrecht in tegen het wijdverbreide misverstand dat locatie er in de huidige maatschappij niet meer toe zou doen. En dat het "nostalgisch" zou zijn om dat nog wel te denken.

Massey omschrijft het belang van het boek voor het beleid als volgt:
In termen van sociaal beleid benadrukt het boek de beperkingen van het investeren in individuen zonder te proberen om de sociale en ruimtelijke systemen te veranderen waarin zij zijn ingebed. Dit inzicht is zowel bevrijdend als ontmoedigend - ontmoedigend omdat verandering van een sociaal systeem altijd moeilijk en pijnlijk is, maar bevrijdend in de zin dat het wijst op het soort veranderingen die werkelijk een verschil maken in het doorbreken van de zichzelf in stand houdende cycli van armoede en ongelijkheid die nu de Amerikaanse maatschappij kenmerken.
Leerzaam voor het beleid in Nederland op terreinen als jeugdzorg, gezondheidszorg, maatschappelijk werk, onderwijs en, nou ja, noem maar op.

De komende paar dagen geen berichten.

vrijdag 3 februari 2012

Gezondheid en sociale omgeving (5): maakt het uit of je vaker verhuisd bent?

Een gunstige sociale buurtomgeving levert een bijdrage aan de gezondheid van mensen. Zie het vorige bericht uit deze reeks.

Uit onderzoek dat ik in een later bericht zal bespreken, blijkt dat de kans dat een buurt een gunstige sociale omgeving vormt voor zijn bewoners, groter is als mensen er al langer wonen. Anders gezegd, als de gemiddelde woonduur langer is. Een buurt als een duiventil levert meestal een anonieme sociale omgeving op. Mensen hebben dan niet genoeg tijd gehad om aan elkaar te wennen. Zijn elkaar nog niet vaak genoeg op straat tegengekomen en hebben nog niet vaak genoeg een praatje gemaakt om persoonlijke relaties op te bouwen.

Maar ook voor de individuele bewoner geldt dat als hij net in de buurt is komen wonen, nog weinig kans heeft gehad om anderen te leren kennen. Omdat een gunstige sociale buurtomgeving goed is voor onze gezondheid, zou het dus kunnen zijn dat mensen die vaker verhuisd zijn, in hun leven minder de voordelen hebben kunnen ervaren van een gunstige sociale buurtomgeving dan mensen die weinig verhuisd zijn. En het kan zijn dat dat gemis heeft geresulteerd in een slechtere gezondheid.

Er zijn inderdaad aanwijzingen dat dat zo is. Volgens dit onderzoek is het vaak op jonge leeftijd verhuisd zijn een risicofactor voor je gezondheid op volwassen leeftijd. Het kan zijn dat die verhuizingen voor kinderen stressvol zijn en dat ze er door leren dat stabiele persoonlijke relaties nu eenmaal niet mogelijk zijn. Daardoor zouden kinderen die vaak verhuizen misschien wel moeilijker een veilige hechtingsstijl ontwikkelen. Zie ook dit bericht. Maar dat is geheel mijn interpretatie.

In dit recentere onderzoek werden ruim 7000 Amerikaanse volwassenen tien jaar lang gevolgd. Het bleek dat hoe vaker ze in hun jeugd waren verhuisd, hoe lager ze hun eigen welzijn beoordeelden. Het interessante aan dit onderzoek is dat het inzicht verschaft in de vraag voor welke mensen die geschiedenis van vaak verhuizen vervelender of juist minder vervelend is. Het blijkt namelijk dat het de introverte mensen zijn die er het meeste last van hebben. En voor die introverten, die wat moeilijker contact met mensen maken, gold dat het vaak verhuisd zijn er ook inderdaad toe geleid had dat ze minder persoonlijke relaties om zich heen hadden. Extraverten hadden volgens dit onderzoek eigenlijk nergens last van.

Had het vaak verhuisd zijn, naast het negatieve effect op het welzijn, ook gevolgen voor de gezondheid? De onderzoekers konden daarover iets zeggen door te kijken naar de subgroep van mensen die 50 jaar of ouder waren aan het begin van het onderzoek. En toen bleek dat van de introverten die vaker verhuisd waren er in de tien volgende jaren meer overleden waren, terwijl dat voor de extraverten geen verschil maakte.

Het maakt dus iets uit of je vaker verhuisd bent, maar alleen als je van het introverte type bent. Hoe meer we dus van mensen verwachten dat ze voor opleiding en loopbaan bereid zijn om te verhuizen, hoe meer we er, ten onrechte, van uitgaan dat iedereen extravert genoeg is om daar geen schade van te ondervinden.

donderdag 2 februari 2012

Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil?

In het vorige bericht in deze reeks hebben we gezien dat het meer beschikken over sociale relaties en vooral meer het gevoel hebben dat er anderen zijn waar je op kunt rekenen, bevorderlijk is voor gezondheid en levensduur. Omdat iedereen ergens woont, ligt de vraag voor de hand of het ook iets uitmaakt voor je gezondheid in wat voor buurt je woont. Is het beter om meer contacten te hebben met mede-buurtbewoners? Is het beter om in een buurt te wonen waar mensen elkaar kennen en waar mensen vriendelijk met elkaar omgaan? En waar een vriendelijke en sociale sfeer hangt? Of maakt dat niets uit en is de buurt niet (meer) belangrijk als bron van die sociale relaties?

Ja, er zijn duidelijke aanwijzingen dat het voor je gezondheid beter is om in zo een buurt te wonen. In dit onderzoek werd met een representatieve steekproef van 64.005 Nederlanders contact opgenomen, waarvan 56% bereid was om vragen te beantwoorden. Dit gebeurde in het kader van het WoonOnderzoek Nederland 2006. Mensen moesten aangeven met hoeveel buren en andere buurtbewoners ze contact hadden. En ze moesten de vragen hierboven beantwoorden over of mensen in hun buurt elkaar kenden en vriendelijk met elkaar omgingen. En de vraag of in de buurt een vriendelijke en sociale sfeer hing. De antwoorden op die vragen tezamen genomen, zijn een maat voor de sociale omgeving voorzover het om de eigen buurt gaat. Een hoge score op die maat betekent dat iemand een gunstiger sociale buurtomgeving heeft. Ook werd gevraagd hoe mensen hun eigen gezondheid beoordeelden.

Het blijkt dan dat het wonen in een gunstiger sociale buurtomgeving samengaat met een betere gezondheid. Ook als je statistisch gecontroleerd hebt voor persoonskenmerken als opleiding en inkomen en de staat van onderhoud van de woningen en gemiddelde sociaal-economische status van de buurt. Anders gezegd: als je met al die zaken rekening houdt, dan blijven er nog verschillen in gezondheid tussen mensen over en die hangen samen met de sociale buurtomgeving. Als je een meer dan gemiddeld sociaal gunstige buurtomgeving hebt, dan heb je een 6% hogere kans op een goede of zeer goede gezondheid. En het is plausibel om te denken dat die gunstige buurtomgeving ook echt bijdraagt aan die betere gezondheid.

Interessant is dat de onderzoekers ook de meer stedelijke buurten en de meer plattelandsbuurten hebben vergeleken. Denk aan mijn berichten over de nadelen (en voordelen) van het stadsleven, waarvan dit het laatste is. Uit dit onderzoek blijkt dat het stadsleven inderdaad minder gezond is dan het plattelandsleven: 79% van de stadsbewoners meldt een goede of zeer goede gezondheid tegenover 82% van de plattelandsbewoners. Bovendien geldt, zoals je zou verwachten, dat een gunstige sociale buurtomgeving in de stad minder voorkomt dan op het platteland.

Het maakt dus voor de gezondheid van mensen wel degelijk uit of ze wel of niet contacten in de buurt hebben, of de mensen in de buurt elkaar kennen en vriendelijk met elkaar omgaan en of er in de hun buurt een vriendelijke en sociale sfeer hangt. Er is trouwens meer onderzoek (in andere landen) dat in deze richting wijst. Maar dat het ook zo duidelijk voor Nederland is vastgesteld, lijkt me belangrijk.

maandag 2 januari 2012

Stadsleven vergroot kans op mentale stoornissen

De Duitse psychiater Andreas Meyer-Lindenberg schrijft in Der Spiegel over zijn onderzoek naar de negatieve effecten van leven in de stad waar ik in dit bericht naar linkte. Zie het bericht hieronder. Stadsbewoners in Duitsland hebben een veertig procent grotere kans op depressies en een twintig procent grotere kans op angststoornissen. En volgens de Nederlandse onderzoekers Lydia Krabbendam en Jim van Os is het risico op schizofrenie bij mensen die in de stad zijn opgegroeid minstens twee keer zo groot als bij mensen die op het platteland zijn opgegroeid. Als we allemaal op het platteland zouden wonen, waren onze geestelijke gezondheidsproblemen, en de kosten daarvan, aanzienlijk geringer.

Het is niet zo dat deze verschillen ontstaan doordat mensen met deze psychische problemen meer naar de stad trekken. De oorzaak lijkt echt te liggen in de aard van de stedelijke omgeving. Zoals ik in dat vorige bericht meldde, zijn er aanwijzingen dat het stadsleven en het opgegroeid zijn in de stad een negatieve invloed heeft op het vermogen om met sociale stress om te gaan, in het bijzonder met zogenaamde evaluatieve stress. Het lijkt er op dat stedelingen meer bezig zijn met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus met het voortdurend proberen eigen zwakheden te verbergen. Hun sociale leven staat meer in het teken van statuscompetitie en dat is een bron van stress.

Het mooie is nu dat Meyer-Lindenberg in dat artikel in Der Spiegel er op wijst dat de omvang van het vriendennetwerk een beschermende factor kan zijn. Stadsbewoners die goed omgeven zijn door een netwerk van persoonlijke relaties zijn minder kwetsbaar dan meer sociaal geïsoleerde stadsbewoners. En dat wijst dus op de grotere sociale fragmentering in de stad in vergelijking met het platteland als oorzaak voor die grotere kans op mentale stoornissen.

Gemiddeld genomen zijn stadsbewoners inderdaad meer sociaal geïsoleerd dan plattelandsbewoners. Misschien niet in de zin dat ze minder sociale contacten hebben, maar wel in de zin dat de contacten die ze hebben meer draaien rond het "voor wat hoort wat" principe. Volgens dit onderzoek lijken de contacten van stadsbewoners zakelijker te zijn. En dat zou heel goed met meer evaluatieve stress kunnen samenhangen. Het is in de stad minder zo dat mensen "er gewoon voor elkaar zijn", waardoor de geborgenheid van de gemeenschap die mensen nodig hebben, er minder aanwezig is.

Dit verwijst natuurlijk naar twee van die acht leefstijlveranderingen die volgens dit bericht de kans op fysieke en psychische kwalen verkleinen: het vergroten van het netwerk van persoonlijke relaties en het meer gericht zijn op iets doen voor anderen.

En als je dat verband met die leefstijlveranderingen toch legt, kun je er ook aan denken dat stadsmensen minder tijd doorbrengen in de natuur. En dat is ook een risicofactor.

Dit alles pleit er sterk voor om:

1. de stad fysiek en bestuurlijk meer zo in te richten dat mensen elkaar gemakkelijker leren kennen en gemakkelijker persoonlijke relaties aangaan (dus bijvoorbeeld meer ontmoetingsplekken, meer zelfbestuur van buurten en meer menging van wonen en werken),

2. dichte bebouwing meer af te wisselen met natuurgebieden en er in het algemeen voor te zorgen dat stadsbewoners zich altijd op zo kort mogelijke afstand van natuur bevinden.

Maatregelen als deze winnen behoorlijk aan urgentie als je bedenkt dat wereldwijd al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat dat tegen 2050 tot twee derde zal zijn gestegen.
Update. Zie nu ook Meer over de voor- en nadelen.


'via Blog this'

vrijdag 23 september 2011

Is een sociaal buurtleven maakbaar?

Als mijn bijdrage aan de Week Tegen de Eenzaamheid en de Nationale Burendag de boekbespreking "Is een sociaal buurtleven maakbaar?", die eerder verscheen op de website van Allemaal Opvoeders.

Boekbespreking van: Peter Lovenheim (2010). In the Neighborhood. The Search For Community On an American Street, One Sleepover At a Time. New York: Penguin Book (ISBN: 978-0-399-53571-0)

We weten dat kinderen eigenlijk een “dorp” om zich heen nodig hebben om goed op te groeien. Met een dorp bedoelen we dan een kring van andere kinderen en volwassenen om het gezin heen, die je persoonlijk kent en die elkaar kennen. Een gemeenschap waarin kinderen zich veilig voelen en waarin ze als vanzelf leren om zich verantwoordelijk te gedragen. Moreel gedrag leer je niet doordat je ouders je uitleggen wat dat is, maar door er in het dagelijks leven mee in aanraking te komen. Door te merken hoe anderen reageren op jouw gedrag en door mee te maken hoe anderen op elkaar reageren. Grotendeels onbewust ontwikkelt een kind dan gevoelens over “goed” en “kwaad”. Er zijn buurten die wel een beetje op zo'n dorp lijken.
Waar mensen elkaar kennen en goede buren voor elkaar zijn. Maar in veel buurten leven mensen langs elkaar heen. Soms zijn gezinnen zelfs behoorlijk sociaal geïsoleerd. Of hebben ze wel contacten met vrienden en familie, maar wonen die op afstand. Dat “dorp” dat kinderen nodig hebben, een sociaal buurtleven, bestaat dan niet. De mensen die in een buurt langs elkaar heen leven, hebben dat heel goed door. En vaak ervaren ze dat ook als een gemis. Dat geldt zeker voor ouders van jonge kinderen, maar ook voor ouderen die merken dat het leven eenzamer wordt. Uit dat besef van gemis komen ook vaak initiatieven voort om iets van een buurtleven tot stand te brengen. Al was het maar door het organiseren van een straatfeest of barbecue. Daar wordt wel eens laatdunkend over gedaan, maar waarschijnlijk maakt het voor kinderen iets uit om te ervaren dat straatbewoners samen iets doen. Het geeft hen een iets andere kijk op mensen dan wanneer dat helemaal niet zou gebeuren. En alle kleine beetjes helpen.

Wie neemt het voortouw?
Maar in veel buurten komen zulke initiatieven niet tot stand. Niet omdat mensen het niet zouden willen, maar omdat niemand het voortouw neemt. Er heerst dan een soort collectieve impasse. Omdat niemand begint, gebeurt er niets. En zulke impasses kunnen langdurig van aard zijn. Tot er toch iemand is die de schroom overwint.
Zo iemand was Peter Lovenheim. Tien jaar geleden besloot hij om er iets aan te doen dat in zijn straat, in Rochester in de staat New York, niemand elkaar kende. En hij besloot om over dat “project” een boek te gaan schrijven. Er was helaas een tragische aanleiding. Terwijl in de straat oppervlakkig gezien alles rimpelloos verliep, vond er een gezinsdrama plaats. Laat in de avond schoot een man zijn vrouw neer, die nog net het alarmnummer had kunnen bellen, en pleegde daarna zelfmoord. De twee kinderen, van twaalf en dertien, kwamen de oprit aflopen toen de politie arriveerde. De buren ontfermden zich over hen en verleenden hulp en bijstand aan grootouders en andere familieleden. Ook andere buren schoten te hulp. En iedereen vroeg zich af of dit drama niet had kunnen worden voorkomen als er meer onderling contact was geweest. Mensen beseften dat ze graag hadden geholpen om de escalatie van problemen in het gezin te voorkomen, als ze er maar van geweten hadden.

Een sociaal experiment
Het besluit dat Peter Lovenheim nam hield in dat hij een jaar na het drama contact begon op te nemen met straatgenoten. Hij belde op, stuurde een email of belde aan om een afspraak te maken. Die vond soms bij de mensen thuis plaats, maar meestal in een Starbucks in de buurt. En hij vroeg iedereen of hij ter nadere kennismaking niet een keer zou mogen komen overnachten. Veel mensen waren afhoudend, maar meer dan de helft ging akkoord. Zo begon wat hij zelf omschrijft als een soort sociaal experiment. Hij leerde niet alleen veel van zijn buren kennen, er ontstonden ook diepe vriendschappen. En datzelfde gebeurde met buren die via hem met elkaar in contact kwamen. Mensen ontdekten de waarheid van het oude gezegde dat een goede buur beter is dan een verre vriend. Soms werd hem gevraagd hoe hij iemand anders had leren kennen en hij antwoordde dan dat hij er gewoon op was afgestapt. Als een sociaal buurtleven niet vanzelf gegroeid is, dan kun je het bewust en weloverwogen tot stand brengen. Anders gezegd; een sociaal buurtleven blijkt maakbaar te zijn.

Eenvoudige menselijkheid
Het boek is een gedetailleerd en soms ontroerend verslag van het proces dat op deze manier in gang werd gezet. Mensen en gezinnen die sociaal geïsoleerd waren, creëerden met elkaar een sociaal buurtleven waarvan ze gingen merken hoezeer ze dat gemist hadden. Ook werd op allerlei kleine manieren hulp en bijstand verleend. Maar ook ontstond spontaan een hulpkring voor een ernstig zieke buurtgenoot. En iedereen besefte hoe waardevol, en hoe “natuurlijk”, zo een kring van goede buren eigenlijk is.
Het grote belang van het boek is niet zozeer dat wat Lovenheim beschrijft zo uniek is. In veel buurten zijn mensen die elk op hun eigen manier het voortouw nemen en met vallen en opstaan een sociaal leven tot stand brengen. Maar dat proces is nu een keer met veel gevoel voor detail en eenvoudige menselijkheid beschreven. Die beschrijving heeft veel aandacht gekregen en kennelijk een gevoelige snaar geraakt. In ons land werd het besproken door Margriet Oostveen in de weekendbijlage van NRC/Handelsblad (1 mei 2010).
Nog voor het boek uitkwam schreef Lovenheim een artikel over zijn ervaringen dat verscheen in de New York Times. Dat leverde hem veel reacties op uit alle delen van de wereld. Veel mensen werden geïnspireerd om zelf in hun buurt initiatieven te nemen en deden daar verslag van. Het boek besluit met een lijst van
voorbeelden van zulke initiatieven. En met citaten uit reacties, zoals dit: “Ja, we hebben allemaal familie en vrienden, maar buren zijn speciaal: het zijn mensen die elke dag over je waken omdat ze er elke dag zijn; het zijn mensen waar jij elke dag over kunt waken omdat je om hen bekommert. Als we ons allemaal om onze buren zouden bekommeren, dan zouden we de wereld van straat tot straat kunnen veranderen.”

donderdag 15 september 2011

Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag

Een belangrijke uitkomst van vele studies naar de evolutie van pro-sociaal gedrag is dat dit gedrag verwacht kan worden als het maar genoeg voorkomt in de sociale omgeving. Als jij hulpvaardig bent, maar de mensen waarmee je omgaat denken alleen aan zichzelf, dan heb je een slecht leven. Maar als anderen ook hulpvaardig zijn én als ze dat gedrag van jou verwachten, dan zou je een slecht leven hebben als je alleen aan jezelf zou denken.

Dat is in een notendop de evolutionaire benadering van pro-sociaal gedrag. En met die benadering kijken onderzoekers ook naar de sociale ontwikkeling van kinderen. Als ze opgroeien in een ondersteunende sociale omgeving, met verwachtingen van pro-sociaal gedrag en dus negatieve reacties op egoïsme, dan zullen kinderen gemakkelijk pro-sociale waarden en gedrag ontwikkelen.

Deze en deze onderzoeksresultaten van het Binghamton Neighborhood Project komen met deze benadering overeen. De pro-socialiteit van adolescenten blijkt samen te hangen met de mate van sociale steun afkomstig uit vijf sociale domeinen waarin ze actief zijn: het eigen gezin, de school, buitenschoolse activiteiten, kerk en buurt. Naast het gezin zijn er dus die vier sociale domeinen buiten het gezin die lijken bij te dragen tot pro-socialiteit. "Lijken", omdat je uit die samenhang geen oorzakelijk verband kunt afleiden. Dat elk van de domeinen zelfstandig samenhangt met pro-socialiteit, zien de auteurs als een aanwijzing voor de noodzakelijkheid van meerdere bronnen van sociale steun. Kennelijk is er inderdaad "een dorp" nodig om een pro-sociaal kind groot te brengen.

Interessant is verder dat adolescenten uit verschillende buurten konden worden vergeleken. Iedereen was ook gevraagd naar de sociale cohesie van de eigen buurt, zodat per buurt een gemiddelde kon worden bepaald. Het blijkt dan dat de meest pro-sociale kinderen in de buurten wonen met de hoogste sociale cohesie. En dat lag er niet aan dat die buurten een hoger gemiddeld inkomen hadden.

Een citaat uit de conclusies van de tweede studie:
Prosociality and the relationships it creates are essential to society, and our study suggests that a prosocial society perpetuates itself by providing an environment that encourages such behavior in youth. Prosociality is not exclusively a function of the individual, or even of parenting practices, as it is also impacted by the broader community.
 En een citaat over het praktische belang:
... nearly any intervention that provides a young person with a constructive environment will have some measurable effect on attitudes and behavior.