Posts tonen met het label kredietcrisis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kredietcrisis. Alle posts tonen

vrijdag 18 juni 2021

Klaas Knot in Witteveenlezing: bezuinigen is en was een grote fout - En dus over sociale zeepbellen

Nadat ik dit blog begon, in augustus 2011, groeide snel het aantal berichten achter het label "bezuinigingszeepbel" en "eurocrisis".  Tot vandaag schreef ik 259 berichten met het eerste en 264 met het tweede label. 

Het eerste bericht over de bezuinigingszeepbel verscheen op 9 september 2011 en was getiteld Sociale zeepbellen in economie en politiek. En op 21 september schreef ik De bezuinigingszeepbel. Volg de links om ze te lezen. 

En het eerste bericht over de eurocrisis verscheen, onder de titel Paul de Grauwe over de Europese bankencrisis, op 21 oktober 2011. Met een link naar een artikel van Paul de Grauwe die toen al helder uitlegde wat er niet deugde aan de opzet van de euro. Zeer de moeite waard om nu na bijna tien jaar te herlezen!

Beide series berichten handelden over de obsessie met overheidstekorten die politici na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 in zijn greep kreeg. De oplossing voor de ontstane problemen moest gezocht worden in het zo snel mogelijk terugdringen van de overheidstekorten. Op nationaal niveau en op het niveau van de eurozonelanden, de landen die so wie so gebonden waren aan de regels van het Stability and Growth Pact, dat de omvang van overheidsschulden sterk limiteerde.

Die obsessie kwam duidelijk voort uit de toen nog volop heersende neoliberale ideologie waarin de markt de maat der dingen is en de overheid zich zoveel mogelijk dient terug te trekken. Financiële en economische crisissen zouden tot het verleden behoren en wat er nog aan conjunctuurpolitiek nodig was, kon door de centrale banken afgehandeld worden. Dat de overheidsbegroting ook een macro-economische functie zou kunnen hebben, dat was achterhaald Keynesiaans gedachtengoed. 

En al helemaal niemand had ooit gehoord van  Abba Lerner (1903 - 1982) en zijn Functional Finance, d.w.z. "the principle of judging fiscal measures by the way they work or function in the economy".  Zie mijn bericht Geloof niet in de mythe van de gezonde overheidsfinanciën! De overheidsbegroting hoort functioneel te zijn van 20 januari 2016. Nee, politici bleven in de ban van het huishoudboekjesdenken.

Die intellectuele fantasiewereld had na de Grote Financiële Crisis definitief in moeten stortten, maar de politici bleven volharden in hun obsessie. Dat was niet omdat ze zich zo goed geïnformeerd hadden, want vooraanstaande macro-economen waarschuwden voor de negatieve gevolgen, zowel economisch als maatschappelijk. Naast de al genoemde Paul de Grauwe was dat vooral ook Paul Krugman, die ik op dit blog in die tijd dan ook vaak aanhaalde. Zie hier alle berichten met het label Paul Krugman. Maar politici praatten vooral elkaar na en zo ontstond die bezuinigingszeepbel.

Een van die macro-economen die probeerde om die bezuinigingsobsessie te doen keren, was in ons land Johan Witteveen (1921 - 2019), ex-minister van Financiën en ex-directeur van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en vooraanstaand VVD-er. In die laatste rol probeerde hij tevergeefs om Mark Rutte en andere VVD-politici ervan te overtuigen dat er in een tijd van recessie juist niet moest worden bezuinigd, maar integendeel geïnvesteerd. Ik stond daar op 7 september 2012 bij stil in het bericht Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie". 

Vooral dat laatste was nogal dodelijk, want hij wilde ermee zeggen dat ze hem wel begrepen hadden, maar uit opportunistisch-ideologische overwegingen er toch liever voor kozen om te gaan bezuinigen. Misschien ook omdat ze bang waren de kiezers niet te kunnen overtuigen, die immers systematisch in verkiezingscampagnes met dat huishoudboekjesdenken waren gevoerd.

Hoe ironisch is het nu dat Klaas Knot, directeur van De Nederlandse Bank, een week geleden uitgerekend in de Johan Witteveenlezing niet alleen uitvoerig uiteenzette hoe verkeerd het is om nu na de coronacrisis te gaan bezuinigen, maar ook dat het verkeerd was om dat na de crisis van 2008 - 2010 te doen. Je kunt die lezing hier in zijn geheel nalezen. Hij zet daar een betoog op dat heel goed door bijvoorbeeld Paul Krugman (en in Nederland door Bas Jacobs en Coen Teulings) had kunnen worden gehouden, overigens zonder naar hen, of naar wie dan ook, te verwijzen.

En zonder ook met zoveel woorden toe te geven dat hijzelf  in het verleden meezong in dat bezuinigingskoor. En toen nooit ook maar enig blijk gaf van het beheersen van de inzichten die hij nu verkondigt. Martin Visser stond daar op 12 juni bij stil in loopt corona op zijn eind, is Knot bekeerd... 

Het is altijd moeilijk en pijnlijk om toe te geven dat je onderdeel bent geweest van een sociale zeepbel. En hoewel het te prijzen valt dat je dan uiteindelijk je informatieachterstand hebt ingehaald, zou het natuurlijk nog beter zijn om je openlijk af te vragen hoe je het in het verleden zo fout hebt kunnen hebben. Al was het maar om zulke sociale zeepbellen in de toekomst beter te kunnen herkennen en te vermijden.

dinsdag 8 december 2020

De "financiële markten" zijn terug - Maar niet zoals je zou denken. De jonge honden van Wall Street en de linkse politici zijn het eens: Overheid, maak meer schulden!

Dit bericht stond eergisteren in de Business Insider: Wall Street has always been progressives' 'Big Bad.' But a new generation in the finance industry is starting to sound more like allies than enemies. Na de tientallen jaren dat politici van het vulgair-economische neoliberale denken de "financiële markten" aanhaalden om te waarschuwen tegen overheidsbegrotingstekorten, zijn het nu de jonge financiële analisten die pleiten voor juist grotere begrotingstekorten.

Denk even terug aan het hoogtepunt van de eurocrisis, toen Griekenland terug in het bezuinigingshok werd geduwd. En denk aan onze toenmalige minister van Financiën Jan Kees de Jager die het om de paar zinnen over de financiële markten had die klaar stonden om de "zwakke" eurolanden die maar steeds niet genoeg "hervormden" (lees bezuinigden) om te laten vallen. En denk aan het bezuinigen als antwoord op de Grote Financiële Crisis van 2001-2010. Want ook de financiële markten waren in de ban van het vulgair-economische neoliberale denken dat alles goed zou komen als overheden maar niet teveel geld zouden uitgeven en zoveel mogelijk aan de markt zouden overlaten. 

Waardoor Griekenland, Italië en Spanje steeds maar hogere rentes moesten betalen omdat de fondsbeheerders naar Duitsland en Nederland uitweken. Pas het Whatever it takes van Mario Draghi maakte een einde aan die doodspiraal die met de opzet van de euro in het leven was geroepen. 

We leven nu in een overgangstijd waarin we kennis gemaakt hebben met de reële negatieve gevolgen van het heersen van de fantasiewereld van dat neoliberale denken. Economische stagnatie en instabiliteit, extreme ongelijkheid, klimaatverandering en achteruitgang van biodiversiteit, toegenomen bestaansonzekerheid en rechtsextremistisch populisme. 

Een tijd dus waarin velen zich achter de oren krabben. Want ook als overtuigingen rotsvast en wijdverbreid zijn, gaan ze toch na verloop van tijd botsen met de empirische werkelijkheid. En dan kan blijken dat we met een sociale zeepbel te maken hadden, die ik in 2011 al de bezuinigingszeepbel noemde. Want ook toen al waren er de, meestal academische, economen die waarschuwden voor het neoliberale huishoudboekjesdenken, waarin genegeerd werd dat de overheidsbegroting niet als een huishoudboekje behandeld dient te worden, maar een belangrijke macro-economische functie heeft. Niet de overheidsbegroting hoort in evenwicht te zijn, nee, de economie hoort naar een evenwicht geleid te worden waarin mensen een baan hebben en een dak boven hun hoofd en waarin voedselbanken niet nodig zijn. Een evenwicht dat dus niet als vanzelf tot stand komt.

Afijn, nu in 2020 zijn het dus zelfs de jonge honden op diezelfde financiële markten die in staat zijn om uit die negatieve gevolgen van dat neoliberale denken de juiste conclusies te trekken. Hoe kan dat? Welnu, als je voor je werk afhankelijk bent van het maken van goede voorspellingen over te behalen rendementen, dan helpt het niet als je met het verkeerde economische model werkt. Dat Wall Street-bericht daarover:

A trader developing a forecasting model based on faulty economic assumptions will suffer losses to their bottom line if they are wrong, while academics, especially prominent ones like Harvard austerian Kenneth Rogoff, remain insulated from consequences even when their errors are widely publicized.
As young hedge funder Naufal Sanaullah put it, "Macro guys trade this stuff and if our framework isn't working, it will hurt our [profit and loss]." He said that macro traders — those who trade based primarily on global economic conditions — regardless of their personal politics, get that old concerns about debt-to-GDP don't mean much in 2020, and that the federal government can spend plenty more than it does now.

Als je in de financiële machinekamer werkt, dan merk je het wel als je handboek niet deugdelijk is. Je kunt nog een tijdje meedoen met de piramidespel-achtige vermogensopbouw die we zo goed hebben leren kennen, maar op den duur laat toch de echte economie van zich horen. En als die fundamenteel niet in orde is, dan kun je nog zo'n slimme handelaar zijn, je rendementen zullen tegenvallen.

Die Kenneth Rogoff was een van de weinige academische macro-economen die voeding gaf aan het  huishoudboekjesdenken  Maar in zijn onderzoek, samen met Carmen Reinhart, dat zou moeten hebben aangetoond dat grote begrotingstekorten fatale gevolgen zou hebben, bleek hij majeure fouten te hebben gemaakt. Dat heeft hem zeker reputatieschade berokkend, maar zijn baan aan de universiteit kwam niet in gevaar.

Interessant is dat die jonge financiële honden te rade gingen bij de Modern Monetary Theory (MMT) van Stephany Kelton en anderen, waarover ik het had in het bericht Het economisch wereldbeeld van het huishoudboekjesdenken had al veel eerder overhoop gegooid kunnen worden. 

En dat is misschien niet toevallig, want de grondlegger van de MMT is, zoals je kunt lezen in Keltons The Deficit Myth (p. 23-4), Warren Mossler. En Warren Mossler was geen econoom, maar: een Wall Street-handelaar. En een heel succesvolle handelaar.

Wat we nu zien is dat zowel de jongen honden van Wall Street als de linkse politici, zoals die rond de Amerikaanse Senator Bernie Sanders, overheden oproepen om meer geld uit te geven.

donderdag 30 april 2020

Wat ons de coronacrisis leert over de rol van geld en van de overheidsbegroting

Wat al voorzichtig begon na de Grote Financiële Crisis van 2008, lijkt nu met de wereldwijde coronacrisis zijn beslag te krijgen: we leren met zijn allen wat geld eigenlijk is, hoe het ontstaat en hoe je het met zijn allen kunt gebruiken. Want het blijkt nu dat een heel verkeerde opvatting over geld gangbaar was. Met grote negatieve gevolgen.

Ondanks dat geld een zo vanzelfsprekend onderdeel is van ons dagelijks leven, is het een geheimzinnig iets waar gemakkelijk misvattingen over ontstaan. Misvattingen die ook in serieuze media de ronde doen.

Ik stond eerder al stil bij de bekende misvatting dat geld ooit ontstaan zou zijn als ruilmiddel om de tekortkomingen van ruilhandel weg te nemen. Bij die ruilhandel kwamen transacties moeilijk tot stand, omdat je als je iets aan te bieden hebt, iemand moet vinden die daar behoefte aan heeft, maar tegelijk ook iets van dezelfde waarde heeft aan te bieden waar jij behoefte aan hebt. Dus werd geld, als ruilmiddel, uitgevonden. Dat past mooi in het neoklassieke economische denken, waarin de markt de bron is van alle welvaart en waarin mensen dat dus al vroeg uitvonden. Geld zou dus "spontaan" en decentraal zijn ontstaan.

Maar dat blijkt dus historisch niet te kloppen. Geld ontstond als krediet en had als functie om het tijdsverloop tussen de aanvang en het einde van een transactie te overbruggen. En die kredietverlening werd centraal georganiseerd, door een "overheid", met een centrale locatie, de tempel, waar goederen werden bezorgd en afgehaald. Die overheid schiep het geld, dat daarna kon worden gebruikt om belastingen te heffen. Zie, uit 2012, Het eerste geld was krediet, niet ruilmiddel. Dirk Bezemer.

Maar wat het betekent dat geld en overheid op die manier met elkaar zijn verbonden, kan gemakkelijk uit het oog worden verloren. Zeker na de neoliberale revolutie van omstreeks 1980 is het gangbaar geworden om te denken dat een overheid eerst belastingen moet heffen voor hij geld kan uitgeven. Lees het mooie overzicht Neoliberalism has tricked us into believing a fairytale about where money comes from van Mary Mellor.

Dat heeft geleid tot het huishoudboekjesdenken, dat inhoudt dat de overheid moet handelen als een huishouden zoals andere huishoudens. Niet meer geld uitgeven dan er binnenkomt. Beducht zijn voor tekorten. In Duitsland resulterend in een in de grondwet vastgelegde eis van begrotingsevenwicht (schwarze Null). Lees nog eens (uit 2017): De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media.

Maar een overheid met een eigen centrale bank (en een muntunie met een goed functionerende centrale bank) beheert geen huishoudboekje, maar een gehele economie. Waarin geld een middel is om die economie goed te laten werken. Om te stimuleren als de economie inzakt, bijvoorbeeld als er teveel gespaard wordt om te hoge schulden af te lossen. Of om af te koelen als hij oververhit raakt.

Dat betekent dat begrotingstekorten of -overschotten een (macro-)economische functie hebben. En precies dat zien we nu met de coronacrisis wel heel duidelijk zich afspelen. Om levens te sparen en om overbelasting van de gezondheidszorg te voorkomen, moeten grote delen van de economie worden stilgelegd. Met grote gevolgen voor inkomens en bestaanszekerheid. En overheden die besluiten, en dat dus ook blijken te kunnen besluiten, om het geld te laten rollen. Gezonde bedrijven moeten worden geholpen om deze periode te kunnen overbruggen. Werknemers moeten worden doorbetaald. Sterk oplopende kosten van de gezondheidszorg moeten worden opgebracht. Wetenschappelijk onderzoek moet gefinancierd worden.

En wat blijkt? Dat kan allemaal. Er gaan geen stemmen op dat nu eerst maar eens belastingen moeten worden verhoogd om al die extra uitgaven te financieren. De euro's hoeven niet eerst te worden verdiend voor ze kunnen worden uitgegeven. De Amerikaanse Fed, de Bank of England en de Europese Centrale Bank zijn zonder blikken of blozen overgegaan op monetaire financiering ("geld drukken").

En op een enkele uitzondering na is iedereen het er over eens dat dit uitgavenfeest niet straks moet worden verstoord door weer te gaan bezuinigen op de overheidsuitgaven. Zelfs Nederlandse politici hebben doorgekregen hoe fout het was om na de Grote Financiële Crisis van 2008 zo gauw mogelijk te gaan bezuinigen (PvdA'ers balen van 'verkeerde keuzes' in Rutte II). En hoe fout het zou zijn om dat straks te herhalen. In Duitsland worden stemmen sterker om begrotingsevenwicht als doelstelling te verlaten:Surfen auf der Schuldenwelle. Wie wird Fiskalpolitik nach Corona aussehen? Die Dogmen von gestern helfen nicht mehr.

En wie weet, komen de regeringsleiders van de eurozone nog eens tot het bevrijdende inzicht dat die begrotingsregels van het Verdrag van Maastricht een neoliberaal gedrocht zijn.

Uiteraard is het ook met het oog op de nauwelijks minder urgente klimaatcrisis van groot belang dat een realistischer visie op de rol van geld en van de overheidsbegroting terrein wint. Net zo als we de coronacrisis met zijn allen moeten aanpakken, zullen we dat ook moeten doen met de klimaatcrisis. En voor wat we met zijn allen kunnen, is het zaak om in te zien dat geld een collectief middel is om rampspoed te vermijden en om een betere en duurzamere maatschappij te creëren.

donderdag 2 april 2020

Kun je nu zoals Rutte denkt de euro redden met een "gift"? Vergeet het. Repareer de ontwerpfout

De Grote Financiële Crisis van 2008 legde in 2010 met de eurocrisis de ontwerpfout in de euro bloot. Het bleek toen dat de fondsbeheerders liever de overheidsobligaties van de noordelijke eurolanden (zoals Duitsland en Nederland) opkochten dan die van de perifere landen (zoals Italië en Spanje). Waardoor Duitsland en Nederland tegen lagere rentes konden lenen en Spanje en Italië hogere rentes moesten betalen.

Terwijl de invoering van de euro met het Stabiliteits- en Groeipact van 1997 werd "verkocht" met het vooruitzicht dat de landen er economisch door zouden convergeren, werd duidelijk dat de economieën juist gingen divergeren. De "sterke" landen profiteerden en de "zwakke" landen gingen erop achteruit.

Zo "zwak" waren die zwakke landen overigens niet (Spanje had toen een begrotingsoverschot), maar na de invoering van de euro gingen er grote kapitaalstromen naar toe in de veronderstelling dat die leningen nu wel veilig zouden zijn. Toen de kredietcrisis van 2008 ook Europa bereikte, werden die stromen abrupt beëindigd (zie De echte oorzaken van de eurocrisis, uit 2011). Waardoor dus de rentes voor Italië en Spanje omhoogschoten, en die voor Duitsland en Nederland omlaag. Dat was niet houdbaar, maar dus wel voordelig voor Duitsland en Nederland.

Die ontwerpfout had toen al kunnen worden hersteld. Sterker, er waren toen al stemmen die daarvoor pleitten. Denk aan Paul de Grauwe (Waarom je met hervormingen de eurocrisis niet oplost).

Nog sterker, in Duitsland zelf was er in 2011 al dit pleidooi in de Süddeutsche Zeitung: Was jetzt zu tun ist. Met deze passage, die ik in 2011 als volgt vertaalde (Süddeutsche Zeitung roept Merkel op om de euro te redden. Waar blijft Nederland?):
En die prijs is oftewel een nieuwe rol van de Europese Centrale Bank of gemeenschappelijke (euro-) obligaties. Het ene of het andere is onvermijdelijk, als de (financiële) markten gerustgesteld moeten worden. Maar tot nu toe schrikt de politiek er voor terug om duidelijke taal te spreken. De oplossing van de schuldencrisis is ook een verdelingsvraag: wie betaalt de kredieten die al lang zijn uitgegeven? Geheel zonder overdrachten van financieel sterke staten naar zwakke zal het niet lukken. Het alternatief voor deze redding - het ineen storten van de eurozone of het overblijven van een kernzone - heeft naar alle vooruitzichten veel onaangenamere gevolgen.
En nu, in 2020, zijn we dus eigenlijk nog geen stap verder. Weer is er de discussie, nu naar aanleiding van de coronacrisis, over die gemeenschappelijke euro-obligaties (eurobonds). Met weer Duitsland en Nederland als (profiterende) dwarsliggers. Onze minister van Financiën Wopke Hoekstra was in het overleg met zijn euro-collega's even weer vergeten dat het macro-economische belang ver uitstijgt boven dat van de overheidsfinanciën. Met, terecht, furieuze reacties van Spanje en Italië.

Onze minister-president Mark Rutte is daar kennelijk zo van geschrokken dat hij in overleg wil met Italië en Spanje en als zoethoudertje een eenmalige "gift" in het vooruitzicht stelt. Om maar te voorkomen dat die eurobonds er komen. Nederland blijft halsstarrig vasthouden aan een muntunie met ingebakken ontwerpfout. Als daar geen verandering in komt, dan heeft de euro geen toekomst. Het lijkt er op dat de Duitsers daarin de weg gaan wijzen en dat Nederland dan moet volgen. Dat zou wel met enig gezichtsverlies gepaard gaan.

Over die ontwerpfout is er vandaag ook in de Volkskrant: Coronavirus legt een nieuwe bom onder de euro van Steven Brakman en Harry Garretsen. Met als conclusie (mijn cursivering):
Wil de euro overleven, dan zullen links- of rechtsom meer transfers of risicodelingen plaats moeten vinden tussen noord en zuid. Dat kan enigszins verhuld via de (risico)spreiding van de financiële lasten via Euro-obligaties of rechtstreeks via het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), zoals onlangs op volkskrant.nl door Arnoud Boot en Dirk Schoenmaker (Columns & Opinie, 26 maart) is bepleit. Maar dit zijn uitvoeringen van hetzelfde basisidee: een systeem dat ongelijkheden tussen eurolanden beperkt. Zijn landen als Nederland daartoe niet bereid dan is de sombere conclusie dat de toekomst van de euro op het spel staat. En met de euro ook de EU. Bij de vorige eurocrisis in 2010 is de ontwerpfout van de euro niet gerepareerd. Laten we deze keer niet dezelfde fout maken. Een goed ontworpen transfersysteem is dus niet alleen een teken van saamhorigheid, waarvan momenteel terecht veel sprake is, maar domweg noodzakelijk in een muntunie.
Het is verhelderend om over dat ontstaan van de euro in de jaren negentig nog eens Eurotragedy. A Drama in Nine Acts van Ashoka Mody op te slaan (bestel bij je lokale boekhandel). Later meer daarover, maar nu alvast dit citaat (p. 27-8 van het ebook):
Kohl (Helmut Kohl, de Duitse bondskanselier) wanted the single currency to be his legacy as chancellor of European unity, but he understood that the German public fiercely opposed giving up the deutschmark. Hence, he endlessly reassured Germans that  that they would not pay to bail out other countries using the single currency. At the negotiating table, therefore, Germans insisted that the incomplete monetary union be governed by a fiscal rule, one that required member countries to keep their budget deficits below 3 percent of GDP.
They called this rule, in another masterly stroke of framing, a "convergence criterion". It created the illusion that the economies of countries that followed the rule would "converge" or align with the movements of other countries, making the single monetary policy more relevant to all. In June 1997, they made this rule the centerpeice of the Stability and Growth Pact (SGP). But of course, a budget rule, like a single currency, neither promotes convergence nor creates stability. To the contrary, a government forced by the rule to reduce its budget deficit during a recession will place its economy in a deeper recession. Divergent economies will not converge; they will diverge, and they will be more unstable.

vrijdag 13 maart 2020

In de jaren 30 was er een wereldoorlog nodig om politici naar 'gewoon' Keynes te laten handelen. Nu de corona pandemie

'Mijn grondhouding is dat het macro-economische belang van volstrekt andere orde is dan het smalle belang van de schatkist en de overheidsfinanciën'.
Wie zei dit en wanneer? Je zou denken een of andere Keynesiaanse macro-econoom die kritiek heeft op het bezuinigingsbeleid en op het streven naar begrotingsevenwicht dat de Nederlandse, Duitse en eurozone-politiek al zo lang in zijn ban heeft.

Maar nee hoor. De uitspraak werd gisteren gedaan door onze huidige minister van Financiën, Wopke Hoekstra. Zie het bericht in het Financieel Dagblad: Hoekstra zet crisisbuffer in van €90 mrd, zo nodig meer.

Om de gevolgen van de coronacrisis te bestrijden  wil Hoekstra de staatsschuld laten oplopen en zo nodig zelfs tot boven de 60 procent van het bruto binnenlands product, het maximum dat is toegestaan van het begrotingspact van de eurozonelanden.

Er is kennelijk (weer) een wereldwijde crisis nodig om af te kunnen stappen van de deflatoire bezuinigingspolitiek van de afgelopen jaren. Na de Grote Financiële Crisis (de kredietcrisis) van 2008 - 2010 vonden de politici het een goed idee om het begrotingstekort zo snel mogelijk terug te dringen. Dat was wat ik toen, in 2011, de bezuinigingszeepbel ging noemen. Het ging in tegen bekende en onderbouwde economische inzichten, maar very serious people vonden het een goed idee en die zouden wel gelijk hebben.

Tot nu toe vinden politici het moeilijk om van die bezuinigingspolitiek (austerity) afscheid te nemen. Ze wijzen er graag op dat het nu met de economie toch zo goed gaat en dat zulks bewijst dat ze het bij het rechte eind hadden. Maar daarbij negeren ze de schade die dat beleid heeft gehad voor de economie. In 2015 schatte Bas Jacobs die schade op 20 tot 30 miljard per jaar. Zie Waarom het niet klopt dat we nu kunnen investeren doordat we in het verleden zo goed hebben bezuinigd.

En die schade is niet alleen maar een abstract bedrag. Want we zien die schade elke dag. Aan de tekorten in de zorg en het onderwijs, aan de tekorten bij de gemeenten, aan de tekortschietende energietransitie en de stikstofcrisis, aan slechte kwaliteit van het werk en de maar niet afnemende armoede, ook van werkenden. Iedereen zou aan het werk zijn, maar er is nog zeker verborgen werkloosheid en daardoor achterblijvende loongroei. Zo goed gaat het helemaal niet.

Bij die uitspraak van Wopke Hoekstra moest ik eraan denken dat er in de jaren 30 van de vorige eeuw een wereldoorlog nodig was om de politici van hun deflatoire bezuinigingspolitiek af te helpen. Het werk van Keynes ("Zorg voor volledige werkgelegenheid, dan zorgt de overheidsbegroting wel voor zichzelf") was natuurlijk bekend, maar de politiek luisterde nog niet. Ik sloeg er nog even de biografie van Keynes van Peter Clarke op na (p. 17-8):
In Engeland zien we tegen het eind van de jaren dertig dat Neville Chamberlain politiek overwicht begint te krijgen, en dat was geen geweldig nieuws voor John Maynard Keynes. Maar het carrièreverloop van de econoom uit Cambridge nam een andere wending door de komst van de Tweede Wereldoorlog, in het bijzonder de crisis van de zomer van 1940, toen Engeland onder leiding van Winston Churchill alle zeilen bij moest zetten om als zelfstandige staat te overleven.
Dat was het moment waarop Keynes werkelijke politieke invloed begon uit te oefenen door de zorg voor de geldmiddelen voor de oorlog op zich te nemen. Plotseling was hij niet langer alleen maar een wetenschapper, hoe beroemd ook, maar werd hij zelf ook beleidsmaker, op het hoogste niveau van het ministerie van Financiën. Iedereen die vroeg hoe precies zijn taakomschrijving luidde, kreeg als antwoord dat hij 'gewoon' Keynes was.
En nu, in 2020, is er dus weer een wereldwijde crisis nodig om de politiek naar de inzichten van  "'gewoon' Keynes" te laten handelen. In Duitsland zien we dezelfde ontwikkeling en wordt even niet over de in de Grondwet vastgelegde schwarze Null gesproken. Minister van Financiën Olaf Scholz neemt zelfs het woord conjunctuurprogramma in de mond: Coronakrise - Regierung sagt Kredite in unbegrenzter Höhe zu.

En de Europese Commissie kondigt aan dat de regels van het Begrotingspact buiten werking worden gesteld: EU-Kommission lockert Schuldengrenzen für Staaten. Zorg voor de economie, dan komt de begroting later wel.

Prima natuurlijk, maar veel te laat. En pas als het onvermijdelijk is. Vreemd dat de lessen van de jaren 30 steeds opnieuw geleerd moeten worden.

vrijdag 28 juni 2019

Was de politieke bezuinigingszeepbel een gevolg van de invloed van het Grote Geld?

Hoe kon het gebeuren dat er na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 in de politiek een obsessie ontstond met overheidsschulden? Met een consensus dat overheden zo snel mogelijk en zo veel mogelijk moesten bezuinigen?

Terwijl de crisis juist te maken had met de exorbitante schuldophoping in de private sector? En terwijl de economiehandboeken adviseerden om in zulke tijden juist de tekorten te laten oplopen en de economie te stimuleren? Kortom, hoe kon de politieke bezuinigingszeepbel ontstaan? (Mijn eerste bericht over die bezuinigingszeepbel dateert van 2011.)

Een aanleiding om nog eens bij die vraag stil te staan vormen de laatste twee columns van Coen Teulings in het Financieel Dagblad: Staatsschuld kost niet, staatsschuld rendeert juist en
Nieuwe‘Studiegroep Begrotingsruimte’ voor volgend kabinet kan niet op zelfde voet doorgaan.

Niet omdat Teulings daar nieuwe argumenten naar voren brengt tegen die obsessie met begrotingstekorten. Maar integendeel juist omdat die argumenten al lang bekend zijn. Het klopt niet om de overheidsbegroting gelijk te stellen aan een huishoudboekje. De overheid bestiert niet een huishouden, maar een hele economie, waardoor een heel andere kijk op "schulden" nodig is. Lees Teulings en lees ook nog eens De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media.

Een tweede aanleiding vormt de column van Paul Krugman van vorige week: Notes on Excessive Wealth Disorder. How not to repeat the mistakes of 2011.

Want daarin stelt hij precies die vraag naar hoe die politieke zeepbel kon ontstaan. En maakt hij, althans voor de Verenigde Staten, aannemelijk dat de invloed van het Grote Geld (Excessive Wealth Disorder) op de politieke agendavorming een grote rol heeft gespeeld.

Hoewel ook bij het grote publiek het huishoudboekjesdenken aanhang heeft, staan daar toch de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en de werkloosheidsbestrijding hoger op de agenda. En daartegenover liggen de prioriteiten van de allerrijksten juist bij het terugdringen van het overheidstekort (bezuinigen!) en bij het uitkleden van de sociale zekerheid (de entitlements).

Het blijft tragisch. Terwijl het uitbreken van de Grote Financiële Crisis een gevolg was van de sterk toegenomen ongelijkheid en de groei van het Grote Geld, was het datzelfde Grote Geld dat maatregelen wist tegen te houden die de gevolgen ervan voor de Gewone Man hadden verzacht.

dinsdag 24 juli 2018

De kleine overheid is dodelijk - Hoe de bezuinigingspolitiek in Spanje de mortaliteit opdreef

Of het kapitalisme zich als een economisch stelsel kan blijven handhaven, zal er waarschijnlijk van afhangen of de politiek, en dus wij met zijn allen, wel voldoende inzicht hebben in het belang van de verzorgingsstaat. Inzicht dus in het belang van zaken als sociale bescherming, toegankelijke gezondheidszorg, inkomensbeleid en macro-economisch werkgelegenheidsbeleid. Kapitalisme zonder een uitgebreide verzorgingsstaat lijkt niet levensvatbaar.

Dit valt te baseren op de ervaringen die landen hebben opgedaan met de wijze waarop ze reageerden op de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. In Europa en met name in de eurozonelanden bestond die reactie eruit dat overheden gingen bezuinigen. De groeiende tekorten op de overheidsbegrotingen en de groeiende staatsschulden moesten zo snel mogelijk worden teruggedrongen.

Dat werd als de beste, ja, zelfs als de enige, oplossing gezien voor de gerezen problemen.Ook al omdat hij goed spoorde met de neoliberale ideologie van de kleine overheid, die zo'n grote invloed had op de regels van de euro.

Vrijwel alle economen waarschuwden en pleitten juist voor een expansief beleid. Want als de private sector bezig is om zijn schulden terug te dringen, valt de economie stil, groeit de werkloosheid en dalen de overheidsinkomsten. Maar de politici luisterden vooral naar elkaar en zo ontstond een sociale zeepbel, die ik vanaf 2011 de bezuinigingszeepbel noemde.

Het enige voordeel, maar dan ook echt het enige, van die ontwikkeling is dat we nu kunnen leren wat de rampzalige gevolgen zijn voor de bevolking van een overheidsbeleid dat erop gericht is om snel de overheidsuitgaven terug te dringen. Van een beleid dus dat ontspruit aan de neo-liberale ideologie van de kleine overheid.

In vorige berichten maakte ik al melding van studies die die gevolgen laten zien, waarin het ging om Griekenland, Groot-Brittannië en de Amerikaanse staat Kansas:
Daar is nu de nieuwe studie Austerity Policies and Mortality in Spain After the Financial Crisis of 2008, waarin het gaat over Spanje.

De onderzoekers vergeleken de ontwikkeling van de mortaliteit (het aantal sterfgevallen per jaar per 100.000 inwoners) in Spanje tussen 2010, toen de bezuinigingen begonnen, en 2015 met de trend daaraan voorafgaand en met de ontwikkeling in de Verenigde Staten, waar Obama met verhoging van uitgaven juist de economie stimuleerde (niet genoeg, maar daar gaat het nu niet om). 

Dat levert het volgende plaatje op:


Links laat de rode lijn de waargenomen ontwikkeling van de mortaliteit in Spanje tussen 2000 en 2015 zien. De zwarte lijn is de trend, met de twee onderbroken lijnen als de onzekerheidsmarges. Wat natuurlijk meteen opvalt is de abrupte en sterke toename vanaf 2010, toen de bezuinigingen begonnen. Rechts zie je de ontwikkeling in de Verenigde Staten. Ook daar is er met ingang van 2010 een verandering, maar die komt pas in 2015 boven de onzekerheidsmarge van de trend uit.

In getallen uitgedrukt, waren er in de periode 2010 - 2015 in Spanje 505.559 meer sterfgevallen dan je op grond van de trend van de voorafgaande tien jaar had mogen verwachten. De onderzoekers vermelden dat het aantal extra doden vergelijkbaar is met het aantal slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 werd uitgevochten. Dit zou toch eigenlijk voorpaginanieuws moeten zijn, verzuchtte ik toen ik dat las.

Dat rampzalige bezuinigingsbeleid verlengde de economische recessie, met hoge en langdurige werkloosheid als gevolg. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van werkloosheid: Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.

Maar daarnaast waren er ook de brute bezuinigingen op de gezondheidszorg, die heel rechtstreeks in verband staan met die mortaliteit. De onderzoekers melden dat tussen 2011 en 2015 het aantal artsen met 3000 afnam, het aantal verplegers met 5000 en het aantal andere posities in de gezondheidszorg met 40.000. En de wachttijden voor operaties, die voorheen vergelijkbaar waren met die in Zweden, namen sterk toe.

Kortom: de kleine overheid is dodelijk.

zaterdag 28 april 2018

Waarom alle bedrijfskundeopleidingen beter kunnen worden gesloten

Update. Lees nu ook dit kritische onderzoek naar de Nederlandse bacheloropleiding economie: Thinking like an economist? 
Zouden we beter af zijn als minder jongeren economie of bedrijfskunde studeerden? Ik vroeg me dat eerder af in het bericht waarin onderzoek voorbijkwam dat suggereert dat studenten door het volgen van economievakken egoïstischer, hebzuchtiger en oneerlijk worden en meer geneigd tot corruptie en minder bereid tot samenwerken.

In de vakken economie en bedrijfskunde domineert het (neoliberale) marktdenken, dat wil zeggen, het idee dat het marktmechanisme ervoor zou zorgen dat egoïstisch gedrag van iedereen toch tot maatschappelijk wenselijke uitkomsten leidt. Er mankeert nogal wat aan dat idee. De populariteit ervan heeft er zeker aan bijgedragen dat we een Grote Financiële Crisis (kredietcrisis) achter de rug hebben en dat we te maken hebben met een sterk gegroeide bestaansonzekerheid voor velen en een exorbitante rijkdom voor enkelen. Kortom, het marktdenken werkt maatschappelijk ontwrichtend als het te wijd verbreid is.

Het voorstel van Martin Parker gisteren in The Guardian (Why We Should Bulldoze the Business School) gaat verder dan mijn suggestie van vier jaar geleden aan jongeren om een andere studie te kiezen. Martin Parker, die 20 jaar les heeft gegeven aan een bedrijfskunde-opleiding (business school), stelt voor om alle business schools te sluiten.

Zijn hele betoog is lezenswaardig, maar ik sta even stil bij de passage waarin hij uiteenzet wat de verschillende vakken die aan de bedrijfskunde-opleidingen gedoceerd worden, gemeenschappelijk hebben.

Dat is in de eerste plaats de vanzelfsprekendheid dat de kapitalistische ondernemingsvorm staat voor het einde van de geschiedenis. Het staat voor het economische model dat boven alle andere is uitgestegen en dat nu als wetenschap kan worden gepresenteerd, in plaats van als ideologie.

In de tweede plaats de veronderstelling dat alle menselijke gedrag het beste begrepen kan worden als dat van rationele egoïsten. Dat vormt de achterliggende gedachte van de modellen voor de aansturing van menselijk gedrag ten behoeve van het ondernemingsbelang.
Motivating employees, correcting market failures, designing lean management systems or persuading consumers to spend money are all instances of the same sort of problem. The foregrounded interest here is that of the person who wants control, and the people who are the objects of that interest can then be treated as people who can be manipulated.
En in de derde plaats zijn er de universitaire toga's en baretten die het mogelijk maken dit alles te presenteren als wetenschappelijk en dus respectabel.
Because it borrows the gown and mortarboard of the university, and cloaks its knowledge in the apparatus of science – journals, professors, big words – it is relatively easy to imagine that the knowledge the business school sells and the way that it sells it somehow less vulgar and stupid than it really is.
Natuurlijk is er ook binnen de business schools ruimte voor kritische geluiden. En zelfs voor vakken als business ethics en corporate social responsibility. Maar het feit dat die ruimte er is, fungeert meer als window dressing, dan als serieuze hervorming. Dat laatste zou het geval zijn als de oorzaak dat zulke vakken nodig zijn, zou worden aangepakt.

Lees vooral het hele betoog van Martin Parker.

woensdag 7 maart 2018

Paul de Grauwe herinnert er nog eens aan dat de euro zonder gezamenlijke aansprakelijkheid niet levensvatbaar is

De euro is uitgedacht in de neoliberale fantasiewereld waarin "hervormingen" en gedereguleerde financiële markten er altijd voor zouden zorgen dat alles goed komt. Crises zouden niet meer optreden of zouden als vanzelf snel weer oplossen.

Die fantasiewereld stortte ineen met de Grote Financiële Crisis van 2008-2010, waaraan al enkele waarschuwingen vooraf waren gegaan. Toen bleek hoe ondoordacht de euro in elkaar was gezet. En bleek hoe groot het risico was dat landen lopen die tot een muntunie toetreden en daarmee een eigen centrale bank opgeven.

Op de ontwerpfout die toen aan het licht kwam, heeft Paul de Grauwe als eerste gewezen. Ik stond daar in 2012 bij stil in het bericht Waarom je met hervormingen de eurocrisis niet oplost.

Wat is het geval? Na de introductie van de euro ontstond de indruk, die ook niet werd weersproken, dat de obligaties van de eurozonelanden allemaal even veilig waren. Daardoor ontstonden er grote kapitaalsstromen naar de zuidelijke eurolanden. Denk aan de prachtige tolwegen die in Spanje werden aangelegd, waar nauwelijks op wordt gereden.

Toen de crisis uitbrak, bleek ineens dat de leningen aan die landen niet gegarandeerd werden. Ze hadden immers geen eigen centrale bank meer en de Europese Centrale Bank mocht niet te hulp schieten. Het had toen misschien nog goed kunnen worden opgelost, met wat goede wil van Duitsland en Nederland. Maar het werd al snel duidelijk hoe de zaken er voor stonden na de verklaring van Angela Merkel dat elk land afzonderlijk, en niet Europa gezamenlijk, garant moest staan voor zijn financiële instituties. Geen gezamenlijke aansprakelijkheid, dat was de voorwaarde waaronder Duitsland met de euro akkoord was gegaan.

Goed doordacht was dat natuurlijk niet. Want toen kwamen de problemen. De kapitaalsstromen gingen retour naar de landen die de fondsbeheerders veilig vonden, dus naar Duitsland en Nederland. Die daardoor heel lage rentes konden gaan betalen, waar snel stijgende rentes voor de zuidelijke landen tegenover stonden. Er kwam een run uit de landen die als zwak werden gezien. Zo zwak waren ze ook weer niet, maar waarom zou je hun obligaties opkopen als je binnen dezelfde muntunie ook bij veiliger landen terecht kunt?

Die run had tot het uiteenvallen van de euro kunnen leiden, als niet Mario Draghi had ingegrepen met zijn whatever it takes. Waar Duitsland en Nederland zich wel bij moesten neerleggen.

Maar het probleem zelf is daarmee niet afdoende opgelost. En dat roept de vraag op of de laatste ontwikkelingen, de plannen die Duitsland en Frankrijk samen lijken te gaan ontwikkelen, wel voor die oplossing zullen zorgen. Verschillende voorstellen doen nu de ronde, zoals dat van een aantal Franse en Duitse economen.

En daar komt Paul de Grauwe weer in beeld. Want samen met Yuemei Ji herinnert hij er nog maar eens aan dat een oplossing echt alleen maar kan bestaan uit de aanvaarding van gezamenlijke aansprakelijkheid van alle deelnemende landen in de vorm van Eurobonds. Zie How safe is a safe asset. Zolang die er niet is, zal in een volgende crisis aan het licht komen dat de eurozone inherent instabiel is. De rentes op de overheidsobligaties zullen weer snel uiteen gaan lopen. Anders gezegd, als je een muntunie wilt, dan moet je die ook echt willen, dus met gezamenlijke aansprakelijkheid.

Merkwaardig dat de huidige politici, met Nederland voorop, dat maar niet willen of kunnen inzien. En dus ook niet inzien dat daarzonder de euro op den duur niet levensvatbaar is.

maandag 11 december 2017

De actualiteit van de jaren 30 bevestigd: meer succes voor de nazi's in kiesdistricten met meer bezuinigingen en lastenverzwaringen

Update. Dit onderzoek krijgt terecht veel aandacht. Nu in Newsweek: RAISING TAXES AND CUTTING SOCIAL PROGRAMS LED TO HITLER AND THE NAZIS, STUDY SAYS. En nu ook in ESB: Opkomst nazi’s door bezuinigingen.
Na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 (de kredietcrisis) raakten de regeringen geobsedeerd door de wens de begrotingstekorten zo snel mogelijk terug te dringen. Dat zou de economie wel gauw weer aanjagen. Dus moest er bezuinigd worden, op de overheidsinvesteringen en de sociale zekerheid, en moesten de lasten verzwaard worden. Na de sociale zeepbellen die de crisis hadden veroorzaakt, heerste er in de kringen van de politici de sociale zeepbel van het bezuinigen. De meeste economen kwamen ertegen  in het geweer, maar de politici meenden beter te weten.

De door die economen voorspelde negatieve gevolgen bleven niet uit: de werkloosheid en de armoede groeiden en de snelle opleving van de economische groei bleef uit. De overheidstekorten namen juist toe of namen veel minder af dan was voorspeld. Zelden is het herstel na een crisis zo langzaam verlopen.

En er werd gewezen op een ander akelig gevolg: net zo als het bezuinigingsbeleid van de regering-Brüning in de jaren 30 van de vorige eeuw in Duitsland had bijgedragen aan de opkomst en het succes van Hitler en zijn nazipartij, nam ook na de Grote Financiële Crisis nu in tal van landen waar werd bezuinigd de aanhang van rechts-extremistische partijen toe.
Denk aan dit bericht uit 2013: Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann). En volg de link naar de powerpoint in het bericht Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?
Maar hoe sterk zijn eigenlijk de aanwijzingen dat dat economisch onverstandige en onnodige bezuinigingsbeleid in de jaren 30 bijdroeg aan de opkomst van Hitler?

Een stuk sterker dan ze al waren, door de vandaag verschenen studie AUSTERITY AND THE RISE OF THE NAZI PARTY van Gregori Galofré-Vilà, Christopher M. Meissner, Martin McKee en David Stuckler. 
Ja, dat is dezelfde Martin McKee van Martin McKee over het vergeten belang van verzorgingsstaat en bestaanszekerheid - WRR Lecture 2016: Living on the edge en Martin McKee: toenemende kwetsbaarheid en onzekerheid zijn gevolg van politieke keuzes.
De onderzoekers analyseerden de gegevens over het stemgedrag en over de bezuinigingen, belastingen en de werkloosheid voor de kiesdistricten in Duitsland in de jaren 30. Het blijkt dan dat het succes bij de elkaar opvolgende verkiezingen (1930, 1932 en 1933) van Hitler groter was in die districten waar door lokale en regionale overheden meer werd bezuinigd en waar de belastingen, zoals de regionaal geheven inkomensbelasting, meer werd verhoogd. Dat succes kwam vooral tot stand door dat kiezers van de centrumpartij naar de nazi's overliepen.

Zou het wat hebben uitgemaakt als de regering-Brüning een ander, niet-deflationair, beleid had gevoerd? Jazeker, daar lijkt het wel op. Want in dat geval hadden de nazi's waarschijnlijk niet voldoende zetels gehaald om, in 1933, met behulp van een andere rechtse partij, aan de regeringsmacht te komen.

Opvallend: er was geen verband met de werkloosheidscijfers. Wel haalde de communisten meer stemmen in districten met hogere werkloosheid.

Een en ander wijst erop dat het vooral de middenklasse was die als gevolg van de toegenomen bestaansonzekerheid zijn toevlucht zocht bij de nazi's. Daartoe werden ze ook expliciet door Hitler verleid, omdat die hen beloofde dat hij de uitgaven zou verhogen, in het bijzonder voor de infrastructuur (de Autobahnen), de sociale zekerheid en de ouderenzorg.
Lees The Wages of Destruction. The Making and Breaking of the Nazi Economy van Adam Tooze voor hoe Hitler met die beloftes omging nadat hij aan de macht was gekomen.
Natuurlijk denk je daarbij even aan de parallel met de verkiezingsbeloftes van figuren als Wilders en Trump.

donderdag 12 oktober 2017

Alleen in landen met minder sociale zekerheid maakte de Crisis jongeren competitiever en minder universalistisch

We wisten al dat mensen door het ervaren van een economische crisis onzekerder worden en daardoor minder vrijgevig. Zie Economische crises maken mensen onzeker en daardoor minder vrijgevig.

Er is nu nieuw onderzoek dat ons inzicht in dit verband vergroot. Het gaat om de studie Changes in Young Europeans’ Values During the Global Financial Crisis, waarin werd nagegaan wat de uitwerking is geweest van de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 op wat Europese jongeren in het leven belangrijk vinden.

Bij wat mensen in het leven belangrijk vinden, gaat het om de tien fundamentele waarden van de sociaal-psycholoog Shalom Schwartz (zie ook het bericht Waardenoverdracht ouders-kinderen is vooral genetisch - meer over de mythe van de opvoedbaarheid).

Hier staan die waarden opgesomd, met in de tweede kolom de bijbehorende doelen. (Volg de link in de vorige zin voor het plaatje waarin hun onderlinge samenhang in een cirkel is afgebeeld.)


De onderzoekers analyseerden de data voor de groep 16- tot 35-jarigen van de zeven tweejaarlijkse rondes (2002 - 2014) van de European Social Survey met representatieve steekproeven van 16 Europese landen. Daarbij waren ze erin geïnteresseerd of het wat zou uitmaken of er in een land een meer of juist minder ontwikkelde verzorgingsstaat is. Ze gebruikten daarvoor de OECD-index voor de omvang van de sociale zekerheidsuitgaven.

Wat me in de resultaten in het bijzonder opviel is dat na de Grote Financiële Crisis in landen met minder sociale zekerheid de jongeren minder universalistisch werden, zeg maar, minder pro-sociaal voor anderen in het algemeen. Terwijl je het tegenovergestelde ziet gebeuren in landen met meer sociale zekerheid.

Dit komt overeen met het gegeven dat onzekerheid mensen minder vrijgevig maakt. Dat ging overigens samen met een toename van de bereidheid om je naasten bij te staan (Benevolence), die juist in landen met meer sociale zekerheid groter was. Dat laatste lijkt te bevestigen dat de verzorgingsstaat en onderlinge hulpverlening samen op gaan.

Dat de jongeren juist in landen met minder sociale zekerheid minder universalistisch werden zou eraan kunnen liggen dat ze meer bedreigingen gingen zien en dat daardoor de waarden van de statuscompetitie (Achievement en Power) in belang toenamen. Want dat laatste was inderdaad het geval en precies alleen in de landen met minder sociale zekerheid.

Zo krijg je een goed inzicht in het belang van de verzorgingsstaat voor het tegengaan van de negatieve effecten van financiële crises. Crises kunnen zich nu eenmaal voordoen en ze hebben negatieve gevolgen voor wat mensen in het leven belangrijk vinden. De verzorgingsstaat is ervoor bedoeld om die gevolgen tegen te gaan en dat blijkt te werken.

dinsdag 3 oktober 2017

Ongelijkheid, bestedingscascades, schulden, de Grote Crisis en verstandige linkse regeringen

Inkomensongelijkheid wakkert de vraag naar positionele goederen aan. Met de aanschaf van een positioneel goed  (of statusgoed) laat je zien welke positie je inneemt in de statushiërarchie. Dat betekent dat statusgoederen schaars zijn en voor de meesten te duur.

De rijkaards aan de top kunnen zich een duur huis op een dure locatie veroorloven. Voor de iets minder rijken wordt daardoor een duur huis op een dure locatie aantrekkelijk om ook aan te schaffen. Ze zullen daar iets minder goed in slagen, maar lokken daardoor wel hetzelfde gedrag uit bij de nog iets minder rijken. En zo gaat dat door tot in de lagere regionen van de inkomenspiramide.

Zulke "bestedingscascades" vormen een mechanisme dat uitlokt tot geld lenen. Zoals in de vorm van hypotheken, studieleningen en consumptief krediet. De banken en andere kredietverschaffers komen daar natuurlijk graag aan tegemoet. Sterker, ze worden erdoor geprikkeld om bij de politiek deregulering van hun sector te bepleiten. Zodat ze meer hun gang kunnen gaan.

Daarmee kom je dus op de gedachte dat de toename van inkomensongelijkheid heeft bijgedragen tot de toename van de private schulden en uiteindelijk tot de kwetsbaarheid van het financiële systeem en het uitbreken van de Grote Financiële Crisis van 2008-2010.

Dat fenomeen van ongelijkheid die uitlokt tot een "positionele competitie" (of statuscompetitie door middel van consumptie) is al langer geleden beschreven door Fred Hirsch (Social Limits to Growth, 1977) en door Robert Frank (Choosing the Right Pond: Human Behavior and the Quest forStatus, 1985).

Het verbaast niet dat hun werk opnieuw in de belangstelling komt te staan. Zo is er nu de studie Taking Credit: Redistribution and Borrowing in an Age of Economic Polarization van John S. Ahlquist en Ben W. Ansell.

Zij analyseren de data van 18 OECD-landen over de periode 1980-2010. En komen na veel rekenwerk tot een duidelijke conclusie. Het samengaan van toegenomen inkomensongelijkheid en het optreden van de Grote Crisis was geen toeval. En de tussenliggende factor was de door die ongelijkheid uitgelokte toename van private schulden.

Maar wat vinden ze ook? Dat geldt niet voor alle landen in gelijke mate. Landen waarin gedurende langere perioden linkse partijen in de regering zaten, bleken in staat om door herverdelingsbeleid (via belastingen en andere regelingen) dit noodlottige mechanisme te voorkomen. In hun woorden:
rising income inequality and the global financial crisis were perhaps the two biggest economic stories of the first decade of the twenty-first century. We argue that their joint emergence was not a coincidence, but neither was it inevitable. In fact, greater levels of borrowing appear closely related to changes in income inequality, but only in those countries where left-wing government is less frequent. We interpret this finding as reflecting long-run, systematic, and partisan differences in redistributive efforts. Redistribution, in turn, dampens the positional consumption incentives produced by stagnant real wages at the middle and bottom of the income distribution, and by rising incomes at the top. Thus, in countries with histories of left-wing government and substantial redistribution, rising inequality failed to produce an associated surge in borrowing. In countries where both left-wing government and redistribution were less prevalent, inequality and credit rose together.
Dat linkse beleid van herverdeling was dus buitengewoon verstandig. Merkwaardig toch dat mensen na de Grote Crisis zo massaal op rechtse partijen zijn gaan stemmen.

maandag 7 augustus 2017

Deregulering en zelfverrijking in de financiële sector

Vaak spreekt een plaatje boekdelen. Thomas Philippon en Ariell Resheff onderzochten de ontwikkelingen van de beloningen in de financiële sector in de Verenigde Staten: Wages and Human Capital in the U.S. Finance Industry: 1909–2006. Met de bedoeling om na te gaan in hoeverre de veranderingen in de hoogte van die beloningen, in vergelijking met de beloningen in de rest van het bedrijfsleven, uit reguliere economische factoren verklaard kunnen worden. Denk aan factoren als vereiste opleiding en vereiste vaardigheden.

Eenvoudig gezegd is hun conclusie dat een flink deel van die verklaring gezocht moet worden in veranderingen in de mate waarin de financiële sector onderhevig is aan regulering. In het plaatje zie je de ontwikkeling van de relatieve beloningshoogte (blauwe lijn) en de mate van (de-)regulering (rode lijn). Denk bij die regulering aan regels omtrent de scheiding van commerciële banken en investeringsbanken en van banken en verzekeringsmaatschappijen, aan restricties van het werkgebied van banken en aan regels omtrent renteplafonds.



Zie hoe de beloningshoogte sterk reageert op verandering in de mate van regulering. Nadat in de jaren 30 meer werd gereguleerd, zoals met de invoering van de Glass-Steagall Act, die speculatieve activiteiten aan banden legde, namen ook de relatieve beloningen met enige vertraging sterk af. Er begon een tot 1980 durende periode van regulering en lagere, normale en economische te verklaren, beloningen.

Maar toen met de opkomst van het neoliberalisme de gedachte postvatte dat deregulering veel beter zou zijn (laat de markt zijn weldadige werk doen!), waardoor o.a. die Glass-Steagall Act weer werd ingetrokken, keerden ook de excessieve beloningen terug.

En dat werkt door tot vandaag de dag. De vraag is dus of de lessen uit dit plaatje nog wel zullen worden geleerd. Zoals de les dat bonussen in de financiële sector gewoon een slecht idee is. Philippon en Resheff daarover:
regarding earnings profiles, we find that the finance wage bill could be significantly reduced if incentives were the same as in the rest of the private sector. One challenge for future research is to understand why today’s finance industry requires higher powered incentives than other industries and than the finance industry of the 1960s.
Anders gezegd, dat uitgerekend bankiers zo nodig met bonussen moeten worden verleid om hun werk goed te doen, dat valt niet goed te begrijpen.

De bredere les is dat mensen, ook als ze bij een bank werken, best bereid zijn om hun morele intuïties te volgen en zich maatschappelijk verantwoordelijk te gedragen, als ze maar door regels en wetten eraan worden herinnerd dat zulks van hen verwacht wordt.

Maar als dat laatste niet gebeurt, dan is zelfverrijking op grote schaal het gevolg. Scroll even door de berichten op dit blog waarin dat woord zelfverrijking voorkomt.

donderdag 3 augustus 2017

Economische crises maken mensen onzeker en daardoor minder vrijgevig

Volgens het onderzoek Geven in Nederland worden Nederlanders al geruime tijd minder vrijgevig. Dat wil zeggen dat ze minder van hun inkomen besteden aan goede doelen. Werd in 1999 nog 0,96 procent van het bruto binnenlands product besteed aan filantropie, in 2015 was dat gedaald naar 0,77 procent. Zie het bericht Nederlanders geven steeds minder uit aan goede doelen op NRC.nl eerder dit jaar.

Als mogelijke verklaringen geeft de onderzoeker, René Bekkers, de ontkerkelijking en de volgens hem algehele achteruitgang van pro-sociaal gedrag onder de bevolking.

Maar het zou kunnen zijn dat je de verklaring deels ook moet zoeken in de economie. Want volgens het onderzoek The Great Recession and charitable giving heeft de Grote Crisis van 2008-2010 een scherpe daling van de donaties aan goede doelen met zich mee gebracht.

Je zou denken dat die daling is toe te schrijven aan de inkomensachteruitgang die velen door die crisis hebben moeten lijden, zoals door werkloosheid.

Maar dat blijkt niet het geval. Ook als je voor inkomensveranderingen controleert, wordt er minder aan goede doelen gegeven.

Dat pleit er voor dat het de algehele onzekerheid is als gevolg van de crisis die maakt dat mensen minder vrijgevig worden.

Dat zou er mee overeenkomen dat mensen meer pro-sociaal gedrag vertonen als ze zich veilig voelen. Denk in dat verband ook aan de veiligheid en bestaanszekerheid die de verzorgingsstaat verschaft, waardoor onderlinge hulpverlening juist wordt aangewakkerd.

Bestaanszekerheid is nu eenmaal een basale menselijke behoefte. Als die wordt aangetast, heeft dat vervelende gevolgen.

In dezelfde lijn liggen de aanwijzingen dat mensen in tijden van economische crises meer geneigd zijn om op rechts-extremistische partijen te stemmen.

vrijdag 21 juli 2017

Yanis Varoufakis over het Griekse drama - en over hoe het kwam dat de waarheid niet verteld mocht worden

De economiehoogleraar Yanis Varoufakis was van 27 januari 2015 tot 6 juli 2015 minister van Financiën van het geplaagde Griekenland in de regering Tsipras. Over zijn ervaringen en de gebeurtenissen in die periode, die eindigde met zijn terugtreden omdat hij het niet eens was met het buigen van die regering voor de onzinnige eisen van de schuldeisers (de "Trojka", de "instituties") schreef hij het boek Adults in the Room. My Battle With Europe's Deep Establishment.

Dat boek begint nu de passende positieve aandacht te krijgen. Lees de recensies in The Guardian, De Volkskrant en NRC/Handelsblad. En hier de bespreking op Inside Story.

En luister hieronder een half uurtje naar een interview met Varoufakis naar aanleiding van het verschijnen van het boek.

Het is een meeslepend en onthullend boek. Ik ben nu halverwege en kan het nauwelijks wegleggen. Later meer er over, maar nu alvast de allesoverheersende indruk die van alle indrukken bij mij het meest blijft hangen.



Daarin speelt de Duitse bondskanselier Merkel een cruciale rol. Hoe zit dat? Dat de institutionele opzet van de euro niet deugde, begon vanaf 2008, bij het uitbreken van de financiële crisis in de Verenigde Staten, aan het licht te komen. De eerste reactie van Merkel daarop was dat ze in een toespraak zelfvoldaan de Angelsaksische overheden en bankiers voorhield dat ze zoals de Duitsers de schwäbische Hausfrau als voorbeeld hadden moeten nemen.

Die schwäbische Hausfrau staat voor het altijd goed op de centjes passen en niet meer uitgeven dan er binnenkomt. Dat is inderdaad een behoorlijk goed voorbeeld voor individuele huishoudens, maar juist niet voor overheden die met een gehele economie te maken hebben. Zie mijn eerdere bericht
Een economische (en sociale) calamiteit van historische omvang - de Schwäbische Hausfrau en de bezuinigingszeepbel.

Maar nog los van dat beperkte economische inzicht waar Merkel blijk van gaf, kreeg ze niet lang daarna gevoelig het lid op de neus, toen de berichten binnen kwamen dat ook de Duitse banken, en de Franse, in grote problemen bleken te verkeren. Die banken moesten gered worden. Wat ook inhield dat er geld moest naar de Italiaanse, Portugese, Spaanse en Griekse regeringen, omdat die Duitse en Franse banken daar zo onverantwoordelijk hoge bedragen aan geleend hadden.

Hoe moest dat aan de Bondsdag en aan de Duitse kiezers verkocht worden? Terwijl ze juist zo voluit had ingespeeld op die Duitse zelfvoldaanheid (Am deutschen Wesen mag die Welt genesen). En ze de kiezers had voorgehouden dat het zo goed is om altijd zuinig op de centjes te zijn en dat dus bezuinigingen op de ziekenhuizen, de scholen, de infrastructuur, de sociale zekerheid en het milieu echt nodig waren.

Samen met de Fransen vond ze de oplossing. Toen de banken voor een tweede keer met heel veel geld gered moesten worden, werd dat gepresenteerd als een daad van solidariteit met de spilzieke en luie Grieken, 
who while unworthy and intolerable were still members of the European family and would therefore have to berescued. Conveniently, this necessitated providing them with a further gargantuan loan with which to pay off their French and German creditors, the failing banks.(p. 26)
Een geniale vondst, want:
This was the beauty of the Greek bailout, at least for France and Germany: it dumped most of the burden of bailing out the French and German banks onto taxpayers from nations even poorer than Greece, such as Portugal and Slovakia. They, together with unsuspecting taxpayers from the IMF's co-funders such as Brazil and Indonesia, would be forced to wire money to the Paris and Frankfurt banks. (p. 27)
En daarmee werd tot in lengte van jaren, tot vandaag de dag, de toon gezet. De luie Grieken hadden het gedaan en de schade kon deels op derden verhaald worden.

De Duitse kiezers werd een rad voor ogen gedraaid. En dat betekende dat het onmogelijk werd hen ooit nog de waarheid te vertellen.

Vandaar dat vanaf die tijd Wolfgang Schäuble, de Duitse minister van Financiën, bij elk voorstel om de onhoudbare Griekse schuld kwijt te schelden, hoe miniem ook, geloofwaardig kon dreigen dat zulks aan de Duitse Bondsdag zou moeten worden voorgelegd en dat die daar nimmer mee zou instemmen. Dat zou immers betekenen dat Merkel hen eerder op het verkeerde been had gezet.

En zo kon ook die curieuze situatie ontstaan dat Varoufakis in een-op-een gesprekken met allerlei hoofd- of bijrolspelers in het drama op spontane instemming met zijn analyse kon rekenen, terwijl minuten later in de persconferenties in complete tegenstelling daarmee de officiële, door de Duitsers ingefluisterde, standpunten werden opgedreund. Er was een stilzwijgend complot gesmeed: de waarheid kon slechts achter gesloten deuren onder woorden worden gebracht.

Zo ontwikkelde zich het beeld van een sekte die in Europa aan de macht is.

donderdag 9 maart 2017

Leert het verleden lessen? En over sociale zeepbellen

Hoe na te denken over de toekomst? Zeg, over de komende vijftig jaar? Zie Wat stuur je in een tijdcapsule naar 2067?

Me dunkt, door naar het verleden te kijken en na te gaan welke lessen daaruit zijn te leren.

Dat geldt op het persoonlijke vlak. Door terug te kijken op wat je zoal gedaan hebt en hoe dat heeft uitgewerkt, kom je meer of minder bewust tot aanpassingen van je gedrag en tot nieuwe voornemens. Dat noemen we wel persoonlijke ontwikkeling. Samen met de notie van een mismatch tussen onze sociale natuur en de aard van de sociale omgeving waarin we na de geboorte terechtkomen, verklaart zulks dat we door de bank genomen gedurende onze levensloop iets gelukkiger worden. We leren te leven in een omgeving die niet naadloos past bij onze natuurlijke aanleg, zoals onze natuurlijke goedheid.

Zie Geluk en ouder worden, Succesvol ouder worden en omgaan met emoties en Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe. En zie over onze natuurlijke goedheid: Zijn wij van nature goed? Ja, maar..., Meer pro-sociaal gedrag als je minder tijd hebt om na te denken en
Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk.

Maar het geldt natuurlijk ook op het vlak van hoe we de maatschappij beter kunnen inrichten. Want het is onloochenbaar dat onze drijfveer om te werken aan een beter leven ook geactiveerd wordt als het gaat om het samenleven, om maatschappij-inrichting, beleid en politiek. De meeste mensen zijn niet alleen maar egoïstisch.

Als je met die blik nu, in 2017, naar de toekomst kijkt, welke lessen leert het verleden dan? Met die vraag in mijn hoofd bedacht ik me dat ik me al eens eerder met zulke lessen uit het verleden had beziggehouden. Dat was in 2003, toen ik onder de titel "Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid" een tweeluik schreef over het thema dat we na de Tweede Wereldoorlog er in economisch opzicht wel op zijn vooruitgegaan, maar in sociaal opzicht niet. Dat 'de rest' in de titel staat voor wat je sociale welvaart zou kunnen noemen.

Dat tweeluik is voor een deel gepubliceerd, in de Sociologische Gids. Ik las het nu weer eens door. Hier zijn de links naar de beide delen (het meeste van het tweede deel is daarmee nu voor het eerst openbaar toegankelijk):

Een les die ik daar nu uit leer is dat ik toen, in 2003, nog in zoiets geloofde als "de perfectionering van het kapitalisme". Die formulering was weliswaar licht ironisch bedoeld, maar ik moet toegeven dat ik toen nog wel dat het met het kapitalisme, puur economisch gezien, de goede kant op ging. Er zou meer aandacht moeten zijn voor sociale welvaart en niet zo eenzijdig voor alleen maar economische. Maar afgezien daarvan leek het mij dat de overheden de economische problemen wel aan konden.

Ik had beter kunnen weten. Er was immers al de internetzeepbel geweest, die in 2000 knapte en tot een, weliswaar lichte, recessie leidde. En er was het Enron-schandaal geweest. Maar er was toch nog de allesoverheersende consensus dat het de goede kant op ging. Er was nog het geloof in de Great Moderation. 

Er hing een optimisme in de lucht dat mij er toen toe aanzette om te denken dat we ons in een proces van perfectionering van het kapitalisme bevonden. En het belangrijkste leek om daar sociaalwetenschappelijke kanttekeningen bij te plaatsen.

Dat alles werd radicaal anders toen in 2008 de crisis uitbarstte, eerst in de Verenigde Staten en met wat vertraging overgewaaid naar Europa. Toen bleek dat veel van de welvaartsgroei op een zeepbel berustte.

En van de weeromstuit ging iedereen over sociale zeepbellen praten. Er was naast de financiële zeepbel de sociale zeepbel van het geloof in de weldaden van de ongebreidelde marktwerking, het neo-liberalisme. En ik begon in 2011 het geloof van politici in het bezuinigen als het beste antwoord op de crisis te karakteriseren als de bezuinigingszeepbel.

Een belangrijke les die je, kortom, uit het verleden kunt trekken, is dat de kans op sociale zeepbellen aanzienlijk is. Over het publieke domein zijn we nu eenmaal minder goed geïnformeerd dan over het persoonlijke domein. En in geval van gebrekkige informatie kijken we naar elkaar en naar wat de meerderheid lijkt te denken en zijn we sterk onderhevig aan sociale beïnvloeding.

Zo was ik in 2003 nog onderdeel van die neo-liberale sociale zeepbel en geloofde ik nog in de perfectionering van het kapitalisme.

woensdag 25 januari 2017

Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme

Als je zoals ik in de Tweede Wereldoorlog geboren bent en bent opgegroeid in de tijden van de opbouw van de verzorgingsstaat, dan is het extra moeilijk te bevatten dat we nu opnieuw de opkomst van rechts-extremisme meemaken.

Dus probeer ik zo goed mogelijk bij te houden wat er zoal onderzocht en gepubliceerd wordt over de mogelijke oorzaken van dat rechts-extremisme.

Het beeld dat daar uit naar voren komt is natuurlijk nog niet definitief. Maar wat al wel duidelijk lijkt, is dat het niet de globalisering op zich is die het rechts-extremisme zo heeft aangewakkerd. Nee, de rol van overheidsbeleid is cruciaal.

Want hoewel de globalisering over de hele linie welvaartsverhogend heeft uitgewerkt, hebben velen er ook de nadelen van ondervonden.

En precies daar komt het belang van overheidsbeleid naar voren. Joseph Stiglitz wees daar al op in zijn WRR-lezing eind 2014: Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis. Welvaartstheoretisch gezien zouden de voordelen voor de winnaars groot genoeg zijn geweest om de verliezers (werkloosheid, stagnerende lonen) te compenseren. Maar daar was overheidsbeleid voor nodig geweest. Beleid gericht op hogere belastingen voor de rijken met het oog op grotere sociale bescherming voor de armen en de middeninkomens.

Maar dat beleid is niet gevoerd. Integendeel, lagere lonen en minder bescherming werden juist als verstandig beleid aangeprezen. U weet wel, neo-liberalisme.

Het was dus het beleid dat tekort schoot in het goed begeleiden van de globaliseringstrend. Die trend vroeg juist om meer bescherming in plaats van minder.

Door groeiende bestaansonzekerheid te tolereren of zelfs bewust na te jagen, hebben de politici een cruciale bijdrage geleverd aan de opleving van het rechts-extremisme.

Ze lieten de financiële sector de vrije hand, waardoor de crisis van 2008-2010 de economieën kon teisteren. Met als bekend gevolg een steun in de rug voor rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en vreemdelingenhaat (Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises).

Ze lieten de combinatie van groeiende bestaansonzekerheid en ongelijkheid ongemoeid, waardoor niet alleen bij de armeren, maar ook bij de meer welgestelden de zorgen over de toekomst toenamen. Zorgen die blijken samen te hangen met toenemend anti-immigranten stemgedrag (Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid).

Dat alles had niet hoeven te gebeuren. Martin McKee wees er al op, in zijn WRR-lezing 2016, dat de politieke keuzes anders hadden kunnen zijn. En dat ze ook gunstiger effecten hadden waar ze anders gemaakt werden (Martin McKee: toenemende kwetsbaarheid en onzekerheid zijn gevolg van politieke keuzes).

En nu zijn er Michael Jacobs en Mariana Mazzucato die een duidelijk verband leggen tussen het Brexit-en-Trump Syndroom en het tekortschietende overheidsbeleid van de neo-liberale politici:
The tragedy of globalisation over the last 30 years is that it has occurred at the same time as the dominance of an economic orthodoxy that saw the state retreat from active economic management. The precise opposite was required: as international trade – which increases national income but brings inequality and geographic dislocation – expanded, what was needed was a more active state redistributing its rewards to develop the productive economy and to ensure fairer outcomes. (The Brexit-Trump Syndrome: it’s the economics, stupid).
En er is Why far right parties do well at times of crisis: the role of labour market institutions van Tim Vlandas en Daphne Halikiopoulou, die laten zien dat het niet de gevolgen van de crisis op zich waren die het stemmen op rechts-extremistische partijen verklaren.

Nee, het gaat om de mate waarin de arbeidsmarkt is gereguleerd; hoe minder ontslagbescherming en hoe soberder de werkloosheidsuitkeringen, hoe beter de uitslagen van de rechts-extremistische partijen bij de Europese verkiezingen. De onderzoekers vatten hun resultaten als volgt samen (mijn cursivering):
They suggest that the rise of the far right is not merely the result of exogenous forces that are outside of policy makers’ control. On the contrary, it is more likely the outcome of labour market policy choices. In a number of European countries, governments of both the left and right have reduced entitlements to unemployment benefits and have deregulated job security regulations. As a result, the unemployed have seen their standard of living deteriorate, while a growing segment of the labour force now works on temporary contracts and workers on permanent contracts feel increasingly insecure. The most affected economies have responded to the financial crisis by pursuing policies of austerity (Theodoropoulou and Watt 2011), further exacerbating economic uncertainty. The irony is that it is precisely these policies, targeted at solving Europe’s economic predicament, that have intensified political instability in many European countries. If we are right, the adoption of these policies increases the risks and costs of unemployment, which, in turn, makes the rise of the far right more likely. Social democratic parties and the union movement should continue to oppose austerity not only because of its adverse economic effects, but also because of its dangerous political consequences in times of crisis. 

donderdag 24 november 2016

Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises

Het blijft wat mij betreft raadselachtig waardoor de financiële crisis van 2008 een groei van de politieke partijen op rechts en zelfs van rechts-extremisme heeft uitgelokt. De crisis was een gevolg van typisch rechts beleid. Van beleid dat op de overtuiging gebaseerd was dat de markt zoveel mogelijk aan zichzelf moet worden overgelaten. Weg met al die overbodige regulering, ook met de regulering van de financiële markt. Ook als het om geld gaat: Greed is good.

Het uitbreken van de crisis en de grootscheepse reddingen van banken door overheden kun je eigenlijk niet anders zien dan als wel heel sterke aanwijzingen dat dat rechtse, neo-liberale beleid niet deugde. En dus zou je verwachten dat de linkse partijen meer de wind in de zeilen zouden krijgen.

Maar het omgekeerde is dus gebeurd. Rechts floreert. Misschien doordat het linkse geluid veel te weinig klonk. In ieder geval geldt dat de sociaal-democratische partijen al zo ver naar rechts waren opgeschoven dat ze op korte termijn moeilijk meer geloofwaardig de weg terug kunnen inslaan.

Maar waardoor dan dat oplevende rechts-extremisme? Hoe dat te verklaren blijft een belangrijke opgaaf.

Misschien het begin van inzicht verschaft de studie Going to Extremes:Politics after Financial Crisis, 1870-2014, ondertussen verschenen in de European Economic Review, die laat zien dat dit niet een incidenteel verschijnsel is. Integendeel: in de onderzochte periode, 1870 - 2014, zijn de financiële crisissen, en niet de gewone economische crisissen, gevolgd door een opleving van rechts-extremisme. Ik citeer kortheidshalve maar even de samenvatting:
After a crisis, voters seem to be particularly attracted to the political rhetoric of the extreme right, which often attributes blame to minorities or foreigners. On average, far-right parties increase their vote share by 30% after a financial crisis. Importantly, we do not observe similar political dynamics in normal recessions or after severe macroeconomic shocks that are not financial in nature.
Vragen die meteen bij je opkomen:
  • Waarom wel bij financiële en niet bij "gewone" economische crisissen?
  • Vanwaar die opkomende neiging om bij het zoeken van zondebokken te gaan wijzen naar minderheden en vreemdelingen? In plaats van naar wat meer voor de hand zou liggen: de bankiers en de politici die die bankiers zo de vrije hand lieten?
Voorlopig heb ik niet meer te bieden dan de verzuchting dat ik het niet goed begrijp.

donderdag 4 februari 2016

Het economisch herstel is maar miezerig. Waardoor?

Ter aanvulling op het bericht Hoe hoog is de echte werkloosheid? Er is nog helemaal geen economisch herstel van een paar weken geleden nu deze fraaie grafiek van het CBS, waarin we de ontwikkeling van werkloosheid en banen sinds 2008 zien afgebeeld.
Vanaf 2010 had de werkloosheid kunnen dalen als de bezuinigingsobsessie toen niet had toegeslagen. In plaats daarvan begon de werkloosheid in 2011 weer snel op te lopen. Met in 2014 het hoogtepunt. En het dieptepunt wat het aantal banen betreft. Het "herstel" is bepaald niet indrukwekkend. In vergelijking met het herstel na eerdere crisissen en in vergelijking met het herstel in de Verenigde Staten, waar de economie wél gestimuleerd werd.

Door dat miezerige herstel zien we allerlei vervelende verschijnselen. Steeds meer leegstaande winkelpanden in de binnensteden. Steeds meer langdurige werklozen en bijstandstrekkers. Zie het verhaal in de Volkskrant van twee dagen geleden: Bijstand voor velen eindstation - één op tien krijgt al 15 jaar uitkering. Steeds grotere problemen met pensioenopbouw en pensioenuitkeringen.

We hebben te maken met een zelfgecreëerde economische stagnatie. En dan komt aan het licht dat allerlei regelingen en voorzieningen die we in het verleden hebben tot stand gebracht, er op gebaseerd waren dat overheden het als verantwoordelijkheid zouden blijven zien om door macro-economisch beleid voldoende economische groei te genereren. En dat ze niet zouden gaan leiden aan een kortzichtige obsessie met het overheidstekort.

Een ander vervelend gevolg van dat miezerige herstel is dat de oorzaak van de crisis in en na 2008, de opeenhoping van private schulden, gewoon blijft bestaan. Als de lonen stagneren en de inflatie in de buurt van de nul ligt en als schuldkwijtschelding taboe is, dan schiet het niet op. Lees vooral even Dirk Bezemer in De Groene:
Zeven jaar later denken we dat we uit de crisis zijn (Dijsselbloem zei het anderhalf jaar geleden al), omdat het krediet weer stroomt – al zijn het dan ook hypotheken en ECB-leningen. Maar zolang de schulden nog zo hoog blijven, zijn we niet écht uit de crisis. Dus moeten groeivoorspellingen steeds weer naar beneden bijgesteld worden.

zaterdag 6 juni 2015

Klopt het wat Rabobank topman Duijzer zegt dat de universiteiten de bonussen toejuichten? Over een onwetenschappelijke hype

Rabobank topman Dirk Duijzer zegt vandaag in het Nederlands Dagblad (zie het bericht op NUzakelijk) dat hij de bonuscultuur bij de banken onzin vindt:
Het argument dat je zonder hoge beloningen geen goede mensen kunt krijgen is volgens hem onzin. ''Als je de top van de Rabobank twintig procent minder betaalt en de top van de ABN en de top van de ING, dan gaat er geen een weg", meent Duijzer.
En daar heeft hij natuurlijk helemaal gelijk in. Maar hoe kwam die bonuscultuur dan tot stand? Omdat iedereen dat in de jaren tachtig een goed idee begon te vinden. En ook daar heeft Duijzer gelijk in.

Maar of hij ook gelijk heeft met de bewering dat "de universiteiten schreven dat het geweldig was", dat staat nog wel te bezien. De resultaten van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de werking van variabele beloning hebben nooit uitgewezen dat het uitkeren van bonussen in de financiële sector een goed idee zou zijn. Integendeel,

Slechts onder heel bepaalde voorwaarden, waaraan zeker niet in de financiële sector voldaan is, kan prestatiebeloning goed werken. En dan nog is dat effect te bereiken met een uiterst geringe resultaatafhankelijke beloning. Bovendien zijn er grote nadelige effecten. Zie mijn bericht uit november 2011 (Stop de bonussen! En een overzicht van onderzoek).

Nee, er is nooit een wetenschappelijke onderbouwing geweest van de bonuscultuur. Het was een onwetenschappelijke hype. Update. Zie vandaag ook nog eens Simon Wren-Lewis daarover, naar aanleiding van een recent IMF-paper.

Net zoals het idee dat overheden in een economische depressie moeten gaan bezuinigen, niets anders dan een onwetenschappelijke hype is. Zie nog eens Wat het meest blijft verbazen: het eurozoneschandaal.