Posts tonen met het label schaalvergroting. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schaalvergroting. Alle posts tonen

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.

dinsdag 21 mei 2019

Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen

Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.

Maar we hebben het niet zo geregeld dat er in onze woonomgevingen, onze buurten en dorpen, standaard ontmoetingsplekken aanwezig zijn. In plaats daarvan hebben we in de afgelopen halve eeuw door schaalvergroting, ruimtelijke concentratie en functiescheiding (wonen - werken) woonbuurten laten ontstaan waarin, inderdaad, alleen maar gewoond wordt. Met een blinde vlek voor het belang en het creëren van de voorwaarden voor het opbloeien van een sociaal leven.

Niet verwonderlijk dus dat we steeds minder bij elkaar over de vloer komen en dat eenzaamheid een groot maatschappelijk probleem is geworden.

Die blinde vlek voor de voorwaarden voor de bloei van een sociaal leven bestaat ook in de wereld van het beleid. Want als het daar gaat over preventie van eenzaamheid (of van depressie), dan gaat het maar weinig over die voorwaarden en te vaak over "algemene bewustwording" en  "vroegsignalering" door "professionals". Natuurlijk doen professionals goed en belangrijk werk, maar ze kunnen onvermijdelijk pas in actie komen als het probleem al is ontstaan.

Dat het beleid veel meer zou moeten inzetten op het creëren van die voorwaarden (denk ook aan het omwegbeleid), en dus op ontmoetingsplekken, komt ook naar voren uit het recente Amerikaanse onderzoek The Importance of Place. Neighborhood Amenities aa a Source of Social Connection and Trust. De onderzoekers geven in The Atlantic een samenvatting van hun onderzoek: Having a Library or Café Down the Block Could Change Your Life.

Uit dat onderzoek, op basis van een steekproef uit de Amerikaanse bevolking, blijkt wat het voor mensen uitmaakt hoever ze van een ontmoetingsplek wonen (winkel of winkelcentrum, horeca, park, bibliotheek, buurthuis, bioscoop, kegelbaan, fitness). Want ook bij statistische controle voor achtergrondkenmerken als leeftijd, inkomen, opleiding en etniciteit, zijn Amerikanen met een kleinere afstand tot ontmoetingsplekken niet alleen tevredener met hun woonbuurt, maar ook zijn ze minder sociaal geïsoleerd en hebben ze meer vertrouwen in andere mensen.

Mensen zijn een groepsdier, dat er op is ingesteld om zich te bewegen in een groep van vertrouwde anderen. In onze huidige samenleving groeien we nog maar zelden op in zo'n vertrouwde groep. Dat maakt een sociale infrastructuur, waarin we elkaar kunnen ontmoeten en vertrouwde relaties kunnen opbouwen, van zo groot belang.

Maar dat inzicht blijkt niet als vanzelf aanwezig in het denken over de inrichting van onze woonomgeving. En dus ligt er een taak voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

dinsdag 15 januari 2019

Buurten en dorpen horen ontmoetingsplekken te hebben. Maar die zijn er niet meer als vanzelf

In het Friese dorp Nij Beets ging een jaar of vier geleden de laatste dorpssupermarkt ter ziele. Een jaar lang miste het dorp niet alleen een boodschappenwinkel, maar ook een trefpunt. Toen slaagde de melkboer er met steun van de dorpsbewoners in om de dorpswinkel weer tot leven te wekken. De Leeuwarder Courant bericht daar over: De wederopstanding van de dorpswinkel van Nij Beets. 

Dat een dorpswinkel niet alleen een economische functie heeft, maar ook een sociale, blijkt eruit dat de winkelier, Sjoerd Fennema, kort na de opening in zijn winkel een gesprek opving tussen twee klanten, allebei Nij Beetsters, die elkaar een jaar lang niet gezien hadden: ,,De lêste kear dat se inoar seagen wie in jier earder, yn ’e Spar doe’t dy noch iepen wie.’’ ("De laatste keer dat ze elkaar zagen was een jaar eerder, in de Spar toen die nog open was.")

Het is een mooie illustratie van een algemener verschijnsel, namelijk dat dorps- en buurtbewoners  om elkaar te ontmoeten, en om niet te vervallen in eenzaamheid, ontmoetingsplekken nodig hebben. En dat economische ontwikkelingen als schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen tot gevolg kunnen hebben dat ontmoetingsplekken verdwijnen. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Waaruit dit citaat:
Aan de onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken in wijken en buurten zouden commerciële voorzieningen tegemoet kunnen komen, zoals horeca en detailhandel. Hoe kleiner die voorzieningen en hoe meer gespreid, hoe groter de kans dat ze een sociale functie krijgen. Klanten wonen dan dichtbij en treffen herhaaldelijk medebuurtbewoners. Dan is een praatje gauw gemaakt en kan van alles worden uitgewisseld. Kortom, commerciële voorzieningen kunnen een sociale functie hebben.
Maar daarvoor zijn kleinschaligheid en ruimtelijke spreiding nodig. En die zijn niet gegarandeerd als ondernemers en winkelketens zich bij hun vestigingskeuzes onbelemmerd door louter bedrijfseconomische overwegingen kunnen laten leiden.
Wat we dan zien, en wat we de afgelopen halve eeuw hebben gezien, is een proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Zie (nog) eens Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Winkels en horeca concentreren zich in de binnensteden, omdat ze zo van de aanwezigheid van elkaars klanten profiteren. En hoe hoger de concentratie van klanten, hoe groter je vestiging kan zijn en hoe lager je kosten.
Het dorp Nij Beets is er een voorbeeld van dat het soms lukt om deze ontwikkeling te keren. Maar in hetzelfde bericht in de Leeuwarder Courant gaat het ook over het dorp Wijnjewoude, zo'n twintig kilometer verderop, waar het nog niet is gelukt om de gesloten dorpswinkel nieuw leven in te blazen.

Het algemene punt is dat commerciële voorzieningen ook een belangrijke sociale functie kunnen hebben, maar dat die sociale voordelen niet meewegen in de economische afweging over het wel of niet handhaven ervan. En dat die sociale functie zo belangrijk kan zijn dat er een overheidstaak opduikt. Want een overheid bekommert zich natuurlijk niet alleen over onze economische, maar ook over onze sociale welvaart. Nog een citaat:
Een ding is duidelijk: door dat louter economische overwegingen mogen overheersen bij vestigingskeuzes, benutten we niet de mogelijkheden om economische en sociale functies te combineren. Daardoor zien we dat er in buurten te weinig ontmoetingsplekken zijn. Die alleen met veel inspanningen van beroepskrachten en vrijwilligers soms toch nog succesvol tot stand komen. En met subsidies van diezelfde gemeenten die dat proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie vrij baan geven.

vrijdag 10 maart 2017

Hoeveel mensen zijn hier nu? Dagelijkse uitzwerming van uur tot uur te volgen

Het CBS heeft een animatie gemaakt op basis van anonieme, geaggregeerde gegevens over de locaties per uur van mobiele telefoons. Als je die gegevens afzet tegen de gegevens over hoeveel mensen waar wonen, kun je verdeeld over de dag zien waar meer mensen aanwezig zijn dan er wonen en waar minder. Zie Hoeveel mensen zijn hier nu? en klik daar de animatie aan.

Wat zich dan voor je ogen afspeelt, is het proces van uitzwerming waar ik het in 2003 over had in Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Zie Deel I. De perfectionering van het kapitalisme en de teloorgang van gemeenschap en Deel II. Gemeenschapsachteruitgang en richtlijnen voor gemeenschapsbeleid.

Uitzwerming is het proces van toename van dagelijkse verplaatsingen en verplaatsingsafstanden tussen wonen, werk en andere activiteiten, zoals winkelen, onderhouden van face-to-face sociale contacten en vrijetijdsbestedingen. Die toename is een gevolg van de toename van functiescheiding tussen wonen en werken die na de Tweede Wereldoorlog optrad. Die had allerlei oorzaken, maar hing in ieder geval ook samen met processen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van bedrijven, openbaar bestuur en voorzieningen.


Daardoor is de economie minder ruimtelijk over het land uitgesmeerd. In het dorp waar ik in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw opgroeide waren nog een zuivelfabriek, een slachterij en een veevoederfabriek. En er was een gemeentehuis en er waren gemeentelijke diensten. Veel dorpsbewoners konden daardoor lopend of op de fiets naar hun werk. Die menging van wonen en werken was bevorderlijk voor het elkaar kennen. Door schaalvergroting van bedrijven en door gemeentelijke herindelingen is daar niets meer van over. (Ik vertel er over op Finster op Fryslân.)


Dat hele proces was in puur economisch opzicht goed te rechtvaardigen. Daarom betitelde ik het ook als "perfectionering van het kapitalisme".

Maar het had sociale nadelen. De eerste die daar op wees was Robert Putnam in zijn geruchtmakende Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community (2000). Hoofdstuk 12 van dat boek is er aan gewijd en heeft als titel Mobility and Sprawl. Uitzwerming is mijn vertaling van dat sprawl.


Het resultaat van zijn analyse van onderzoeksgegevens valt te omschrijven als (ik citeer mezelf uit 2003):

Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten, én hoe minder ze participeren in politiek, verenigingen en vrijwilligerswerk. Het opvallende daarbij is dat dit laatste niet alleen geldt voor de forenzen zelf, maar ook voor hun buurtgenoten die niet forenzen, bijvoorbeeld omdat ze gepensioneerd zijn. Hoe meer, en hoe langer, jouw buurtgenoten forenzen, hoe minder sociaal en maatschappelijk actief jij bent.
Dit zal er deels aan liggen dat forenzen minder tijd overhouden voor sociale en maatschappelijke activiteiten, en daardoor minder beschikbaar zijn om dat samen met buurtgenoten te doen. Maar voor een ander deel zal het komen doordat de sociale contacten van forenzen meer uit elkaar getrokken zijn. Je kent mensen van je werk en je kent mensen uit je buurt. Maar de kans dat mensen van je werk in jouw buurt wonen, is kleiner hoe verder je van je werk woont. En het is makkelijker om contacten met anderen te maken en te houden, hoe vaker, en in hoe meer hoedanigheden, je die personen tegenkomt. Anders gezegd: uitzwerming betekent fragmentatie van relaties en dat is schadelijk voor gemeenschap.
Afijn, dat proces van uitzwerming kun je dus nu in die animatie van het CBS van uur tot uur volgen. Ik stond daar al bij stil in de berichten Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt en Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

Dat er ook nadelen zijn voor het fysieke milieu blijft dan nog buiten beschouwing.

donderdag 2 maart 2017

Doorgeschoten commercialisering - Neem nu die perrontrappen die er niet zijn

Toekomstige generaties zullen over onze tijd oordelen als een van doorgeschoten commercialisering.

Denk even aan het verschijnsel dat als je bedrijven onbelemmerd de voordelen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie laat opzoeken, je woonbuurten creëert waarin ontmoetingsplekken ontbreken. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie en Als aanbieders tegen elkaar aanschurken, werkt de markt niet optimaal. Je hebt dan een ontwikkeling waarin de commercie prevaleert boven de sociale welvaart van buurten.

Maar het kan nog vreemder. Grotere gemeenten hebben in de loop van de jaren er in toegestemd, of willens en wetens bevorderd, dat de grote stations en hun directe omgeving werden getransformeerd tot commerciële centra.

Het vroegste voorbeeld daarvan was het Utrechtse Hoog Catharijne. Maar meer algemeen is nu elk groot station een winkelcentrum geworden waar je eigenlijk voor al je dagelijkse behoeften terecht kunt.

Een te begrijpen ontwikkeling. Want waar veel mensen langskomen, zullen aanbieders zich graag vestigen.

Maar het wordt anders als gemeenten er aan gaan meewerken dat hun burgers gedwongen worden om zich door dat winkelcentrum heen te bewegen.

In feite is dat in Utrecht gebeurd. Dat heeft er mee te maken dat er naast het Utrechtse Centraal Station een wandel- en fietsbrug is aangelegd, de Moreelsebrug, die over de uiteinden van de perrons loopt. De foto is vanaf die brug richting stationshal gemaakt. Daarachter zie je het Stadskantoor fraai in het winterse zonnetje oprijzen.

Nu ligt het voor de hand om vanaf de perrons trappen naar die brug aan te leggen. Zodat de reizigers voor wie dat handig en tijdsbesparend is langs die weg het station kunnen binnenkomen en verlaten.

Maar wat is het geval? De gemeente Utrecht heeft er in het overleg met de eigenaar van Hoog Catharijne mee ingestemd dat die trappen er niet komen. Waarmee aankomende reizigers dus gedwongen worden om zich via de commerciële voorzieningen in de stationshal en Hoog Catharijne huiswaarts te begeven. Omdat dat immers bijdraagt aan de economische waarde van die voorzieningen en dus aan de inkomsten van de eigenaar.

Bedenk dat de gemeente dus niet (meer) die eigenaar is. Ware dat wel het geval, dan had dit probleem, wat een probleem is van externe effecten, intern kunnen worden opgelost.

Nu moet ik er bij zeggen dat de gemeente wel een voorwaarde had gesteld. Die houdt in dat als de drukte van het reizigersverkeer blijft toenemen, er een situatie kan ontstaan waarin die perrontrappen om veiligheidsredenen noodzakelijk worden. De mensenmassa in de stationshal zou dan te groot kunnen worden. Zie dit bericht en dit bericht van De Utrechtse Internet Courant (DUIC).

En dat is opmerkelijk. Want de gemeente acht het dus niet bezwaarlijk om ons te dwingen tot die route langs al die winkeltjes, ook als ons dat tijdverlies oplevert en ons slecht uitkomt, zolang er maar geen veiligheidsproblemen ontstaan.

Dat is dus doorgeschoten commercialisering. Met als gevolg dat die commerciële bedrijvigheid in die stationshal groter is dan wat economisch gezien optimaal zou zijn.
Update. Nu, een dag later, is er het nieuws dat passagiers van de Uithoftram straks ook niet rechtstreeks naar de binnenstad kunnen lopen, maar gedwongen worden tot de omweg door de stationshal. Laten we zeggen dat het eigenaardig is.
Update. Zie nu ook Aan: Gemeente Utrecht. Bouw perrontrappen aan de Moreelsebrug!

dinsdag 23 februari 2016

Begint de strijd tegen schaalvergroting, concentratie en belastingontwijking in dit stadje in Wales?

Het stadje Crickhowell in Wales telt slechts 2063 inwoners. Dan verwacht je dat alle commerciële voorzieningen het loodje hebben gelegd en dat de voormalige winkelstraat een treurige aanblik biedt. Zoals in veel dorpen en stadjes, waar winkels zijn verdwenen. En dus ontmoetingsplekken. In de afgelopen halve eeuw hebben schaalvergroting en concentratie er voor gezorgd dat commerciële voorzieningen nauwelijks meer de sociale functie van trefpunt en ontmoeting vervullen.

Maar in Crickhowell is dat niet gebeurd. Het stadje telt 50 kleine bedrijfjes, van boekwinkel tot bakkerij, van zalmrokerij tot pub. En dus is het een levendig stadje. Hoe kan dat?

Dit bericht in de New York Times geeft daar antwoord op: Welsh Town Leads a British Revolt Against the Tax System and Corporations.  Die revolte bestaat er uit dat de kleine ondernemers van Crickhowell de strijd hebben aangebonden met de grote multinationale winkelketens.

Die machtige winkelketens zijn er natuurlijk op uit om een zo hoog mogelijk rendement te onttrekken aan vestigingen. Dus zijn ze voortdurend op zoek naar de optimale vestigingsomvang, en die is meestal zo groot dat er als vanzelf een proces van schaalvergroting optreedt. Omdat bovendien winkelvestigingen van elkaars aanwezigheid profiteren, komt daar een proces van ruimtelijke concentratie bij. Zie Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

En zo is de maatschappelijk nuttige combinatie van economische en sociale functies in de loop van de tijd teloorgegaan. De economie is het sociale leven gaan domineren. Economisch gezien zijn we er beter op geworden, maar sociaal zijn we er op achteruit gegaan. Zie Geld en "de rest".

Maar de strijd die Crickhowell tegen deze ontwikkeling is aangegaan, wijst ons er op dat dit niet zomaar een uitkomst is van hoe de markt nu eenmaal werkt. Want die strijd is vooral ook gericht tegen de Britse overheid, die kwistig is met belastingvrijstellingen voor die machtige multinationale ketens. De overheid geeft dus niet alleen vrij baan aan die schaalvergroting en concentratie, nee, zij bevordert dat proces actief door die fiscale cadeautjes.

Een middel dat Crickhowell nu in de strijd heeft gegooid, is een poging om de werkwijze van de multinationals na te bootsen. Door zich, als stad en de verzamelde ondernemers, juridisch te vestigen in een belastingparadijs, zodat ze qua belastingdruk op een lijn komen te staan met die grote multinationals. Maar de Britse belastingdienst heeft daar een stokje voor gestoken. Steden kunnen zich niet in het buitenland "vestigen", dat is voorbehouden aan ondernemingen.

Wat weer eens laat zien hoe overheden zich onderdanig hebben gemaakt aan economische macht. Met verwaarlozing van de sociale behoeften van hun burgers. Want uiteindelijk gaat het niet om economische, maar om sociale welvaart.

In Crickhowell gaat de strijd voort.

maandag 19 januari 2015

Wat is het echte gat in de lokale democratie?

Wat is het echte gat in de lokale democratie? Is het dat gemeenten, nu ze meer taken krijgen, meer samenwerkingsverbanden aangaan, waardoor gemeenteraadsleden minder gemakkelijk op elk moment het beleid kunnen beïnvloeden? Of ligt het er in dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen door de jaren heen gedaald is tot net iets boven de 50 procent en dat het verschil met de opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen groter wordt?

Raoul du Pré denkt bij het gat in de lokale democratie alleen maar aan dat eerste. Zie zijn hoofdredactioneel commentaar in De Volkskrant van 16 januari. Zijn probleem is dat gemeentebesturen afspraken maken en contracten sluiten waar hun eigen gemeenteraad vervolgens niets meer aan kan veranderen. Raadsleden schijnen er over te klagen dat hun invloed afneemt.

Daarom ondersteunt Du Pré het streven van dit kabinet naar grotere gemeenten, die groot genoeg zijn om zonder samenwerkingsverbanden hun taken te kunnen uitvoeren. Terwijl gemeenten nu gemiddeld 40.000 inwoners tellen, moeten gemeenten volgens het kabinet toe naar minstens 100.000 inwoners. Pas dan zijn ze "bestuurlijk sterk genoeg" en kunnen ze efficiënt werken. Of dat laatste ook zo is, dan kun je aan twijfelen want onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen wees juist uit dat de kosten in gefuseerde gemeenten sterker stegen dan in niet gefuseerde gemeenten.

Onze gemeenten zijn vooral na de jaren 60 van de vorige eeuw door fusies en herindelingen al zo groot geworden dat we in Europa een outlier zijn geworden. Die ontwikkeling is dus gepaard gegaan met een flinke daling van de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen, van boven de 70 procent in 1978 naar 54 procent in 2010. En uit onderzoek van het CPB blijkt dat de opkomst na fusies of herindelingen flink lager is dan daarvoor.

Dat wijst dus op een oorzakelijk verband: hoe groter de gemeenten, hoe lager de opkomst. Daarmee komt ook overeen dat de daling bij de gemeenteraadsverkiezingen sneller verloopt dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in dezelfde periode. Creëren we met al die fusies en herindelingen niet een democratisch gat in de lokale politiek dat veel ernstiger is dan dat raadsleden het moeilijker vinden om het beleid te beïnvloeden?

Want die raadsleden kunnen daar natuurlijk veel aan doen. Ze kunnen hun wethouders van te voren duidelijk instrueren en grenzen aangeven, waarbinnen de samenwerking zich moet afspelen. En naderhand kunnen ze de samenwerking evalueren, bijstellen en eventueel opzeggen of zich bij een andere samenwerking aansluiten. Immers, de raad is en blijft het hoogste orgaan in de gemeente. Zo kunnen ze door de tijd heen en met wat trial and error op zoek naar de optimale schaalgrootte en samenstelling van die samenwerkingsverbanden. Met het grote voordeel dat ze over de lokale kennis beschikken die daar voor nodig is.

Terwijl die lage opkomst bij de verkiezingen toch echt op een groot probleem wijst. De betrokkenheid bij de lokale democratie is een groot goed. Mensen leren van nabij hoe de democratie werkt, hoe ze invloed kunnen uitoefenen en dat ze soms geen gelijk krijgen. Burgerschapsvorming in het echte leven.

Merkwaardig dat elke aandacht daarvoor ontbreekt in een hoofdredactioneel commentaar in een grote landelijke krant. Denkt ook de journalistiek al zo bestuurlijk dat ze bij democratie niet op het idee komen om stil te staan bij de rol van de burgers?

Zie eerder ook Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie en Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland?

maandag 5 januari 2015

Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland?

Het CBS meldt vandaag dat we per 1 januari weer tien gemeenten minder hebben. Zie CBS: Per 1 januari 2015 393 gemeenten. Zestien gemeenten zijn zodanig heringedeeld dat er tien zijn overgebleven.

De bestuurlijke schaalvergroting gaat door. Zie het bericht Dit jaar weer minder gemeenten in Nederland. Moet dat? van twee jaar geleden. In deze CBS-grafiek van het aantal gemeenten sinds 1915 zie je de bestuurlijke schaalvergroting afgebeeld. Vooral na ongeveer 1960 is de ontwikkeling snel gegaan.


Is dit een gunstige ontwikkeling? Is Nederland in Europa op bestuurlijk vlak gidsland? Dat kun je je afvragen, want het gemiddelde inwonertal per gemeente in ons land ligt vele malen hoger dan in de andere Europese landen.

Bestuurlijke schaalvergroting kan natuurlijk wenselijk zijn als als gemeenten daardoor efficiënter kunnen werken en als de kwaliteit van de geleverde diensten er door toeneemt. Anderzijds kunnen gemeenten ook de optimale schaalgrootte voorbij schieten, waardoor de organisatie- en afstemmingskosten zwaarder gaan wegen. Er zijn aanwijzingen, zie dat bericht waar ik hierboven naar link, dat fusering van gemeenten niet tot kostenbesparingen heeft geleid.

Misschien slaan we in ons land dus door met die bestuurlijke schaalvergroting. Zie ook de berichten Is samenwerken tussen gemeenten niet beter dan fuseren? - Negen gemeenten helpen samen werklozen aan de bak en Laat gemeenten samenwerken in plaats van bestuurlijke herindeling - Veel beter!

Want naast het argument van efficiënt bestuur bestaat ook nog de zorg over de lokale democratie. Ik citeer even mezelf:
Hoe minder gemeenten en hoe groter, hoe minder mensen dat lokale bestuur nodig heeft voor gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders. Stel dat we nog 1200 gemeentes hadden. De kans dat een willekeurige burger dan een gemeenteraadslid zou zijn of een wethouder, was dan flink groter dan hij nu is. Of de kans dat je als willekeurige burger een gemeenteraadslid persoonlijk zou kennen, zou veel groter zijn. Anders gezegd: die schaalvergroting vergroot de afstand tussen lokale politiek en burgers. En dat vermindert de betrokkenheid bij het lokale bestuur en dus de mate van democratie.
En is die betrokkenheid van burgers bij het lokale bestuur ook niet van groot belang? Ik zou denken van wel.

Maar dat probleem zou je natuurlijk kunnen oplossen door gemeenten taken te laten overdragen aan wijk- en dorpsraden. Dat zou een goed idee zijn.

Maar wacht, dat plan is er al! Al in het voorjaar van 2013 kondigde minister Plasterk aan dat het kabinet met de gemeenten in overleg zou gaan over de instelling van wijk- en dorpsraden. En er zou een handreiking komen over hoe dat zou kunnen gebeuren. Zie het bericht Lokale democratie versterken door dorps- en wijkraden - Een interessante passage in nota van minister Plasterk.

We zijn nu bijna twee jaar verder en als daar iets van terechtgekomen is, dan is dat mij niet opgevallen. Update. Zie nu ook het vervolgbericht Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie.

woensdag 17 september 2014

Laat gemeenten samenwerken in plaats van bestuurlijke herindeling - Veel beter!

De huidige regering vindt dat we naar grotere gemeenten toe moeten. Terwijl de gemiddelde bevolkingsomvang van de Nederlandse gemeenten nu ongeveer 40.000 is, moet dat volgens dit kabinet naar 100.000. Pas dan zouden gemeenten groot genoeg en krachtig genoeg zijn om hun groter wordend takenpakket goed en zo goedkoop mogelijk te kunnen uitvoeren.

Maar onze gemeenten zijn nu al groot in vergelijking met andere Europese landen, waar de gemiddelde bevolkingsomvang ergens tussen de 5000 en 6000 inwoners ligt. Zie het eerdere bericht Dit jaar weer minder gemeenten in Nederland. Moet dat? Het lijkt toch wat gewaagd om te veronderstellen dat wij in Nederland als enige doorhebben dat gemeenten zo groot moeten zijn. Hebben wij in Nederland op het gebied van het openbaar bestuur misschien meer last van, ja, hoe noem je dat, centralistisch ingenieursdenken?

Nu is het natuurlijk een gerechtvaardigd verlangen dat er op het lokale niveau efficiënt en goed bestuurd wordt. Maar hoe vind je de optimale gemeentegrootte? Zonder daarover heen te schieten, zoals bij van bovenaf opgelegde herindelingen schijnt te zijn gebeurd. Zie dat Groningse onderzoek waar ik in dat vorige bericht naar verwees. Daaruit bleek immers dat de kosten in gefuseerde gemeenten juist sterker stegen dan in niet-gefuseerde gemeenten, ook op de langere termijn.

Daarom lijkt het veel beter om gemeenten zelf te laten uitvinden welke schaal van dienstverlening voor welke taken het beste is. Dat kan door dat gemeenten onderlinge samenwerkingsverbanden aangaan. Ze kunnen dan op basis van lokale kennis van zaken bepalen met hoeveel andere naburige gemeentes ze welke taken uitvoeren. Het voordeel is dat de democratische inbreng en controle op dat lokale niveau gehandhaafd blijven. De afstand tussen burger en verkozen volksvertegenwoordigers wordt er niet door vergroot.

Ik had eigenlijk geen overzicht van hoeveel van zulke samenwerkingsverbanden er al bestaan. Ik noemde al wel dat Nijmegen met omliggende gemeenten was gaan samenwerken op het gebied van de arbeidsbemiddeling. Zie Is samenwerken tussen gemeenten niet beter dan fuseren?

Maar nu meldde De Volkskrant zaterdag, op basis van een onderzoek van het blad Binnenlands Bestuur, dat samenwerking tussen gemeenten al veel plaatsvindt en toeneemt. Zie 'We zijn kwetsbaar in ons eentje' (pdf).  En het blijkt dat er spontaan verschillende modellen zijn ontstaan. Er is het gastheermodel, waarbij de ene gemeente uitvoerende taken inkoopt bij een andere gemeente. Er is de gemeenschappelijke bedrijfsvoering, zoals voor ict, financiën, juridische zaken en inkoop. En er zijn de ambtelijke fusies, waarbij het ambtelijke apparaat als een werkorganisatie door twee of meer gemeenten wordt gefinancierd en aangestuurd.

Het is een fraaie ontwikkeling. Want al doende wordt kostbare ervaring opgedaan. Die op den duur kan leiden tot optimale samenwerkingsverbanden. Die wel of niet kunnen uitlopen op bestuurlijke herindelingen en dus samenvoeging van gemeenten.

De uitkomst daarvan kan zijn dat gemeenten gemiddeld groter worden. Maar dat is dan niet vanaf de tekentafel en vanuit Den Haag bedacht, maar het is een ontwikkelingsproces op basis van gecumuleerde lokale ervaring. Veel beter.

donderdag 6 maart 2014

Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie

Aan de onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken in wijken en buurten zouden commerciële voorzieningen tegemoet kunnen komen, zoals horeca en detailhandel. Hoe kleiner die voorzieningen en hoe meer gespreid, hoe groter de kans dat ze een sociale functie krijgen. Klanten wonen dan dichtbij en treffen herhaaldelijk medebuurtbewoners. Dan is een praatje gauw gemaakt en kan van alles worden uitgewisseld. Kortom, commerciële voorzieningen kunnen een sociale functie hebben.

Maar daarvoor zijn kleinschaligheid en ruimtelijke spreiding nodig. En die zijn niet gegarandeerd als ondernemers en winkelketens zich bij hun vestigingskeuzes onbelemmerd door louter bedrijfseconomische overwegingen kunnen laten leiden.

Wat we dan zien, en wat we de afgelopen halve eeuw hebben gezien, is een proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie. Zie (nog) eens Geld en ‘de rest’ : Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Winkels en horeca concentreren zich in de binnensteden, omdat ze zo van de aanwezigheid van elkaars klanten profiteren. En hoe hoger de concentratie van klanten, hoe groter je vestiging kan zijn en hoe lager je kosten.

Dat dit proces nog steeds doorgaat, blijkt vandaag uit de cijfers die het CBS verstrekt over de ontwikkeling van de winkeldichtheid (aantal winkels per 100.000 inwoners) in gemeentes tussen 2008 en 2013.  Daaruit kun je opmaken dat het aantal vestigingen van de detailhandel (fysieke goederen voor persoonlijk gebruik) in alle gemeentes (verdeeld naar aantal inwoners) is afgenomen. Daartegenover staat dat het aantal supermarkten en warenhuizen vooral in de grotere gemeentes is toegenomen.

Deze cijfers geven bij benadering aan dat inderdaad de schaalvergroting en concentratie doorgaande ontwikkelingen zijn. Je zou natuurlijk liever gedetailleerdere cijfers hebben, bijvoorbeeld over de gemiddelde afstand van woonplaats tot de dichtstbijzijnde winkels. En je zou liever het proces verder terug in de tijd dan tot 2008 voor ogen zien. Maar Statline blijkt het begrip winkeldichtheid niet te kennen.

En je zou graag dezelfde cijfers zien voor de horeca. Nee, Statline kent ook het begrip horecadichtheid niet.

Een ding is duidelijk: door dat louter economische overwegingen mogen overheersen bij vestigingskeuzes, benutten we niet de mogelijkheden om economische en sociale functies te combineren. Daardoor zien we dat er in buurten te weinig ontmoetingsplekken zijn. Die alleen met veel inspanningen van beroepskrachten en vrijwilligers soms toch nog succesvol tot stand komen. En met subsidies van diezelfde gemeenten die dat proces van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie vrij baan geven.

dinsdag 5 november 2013

Kleinere scholen doen het beter. Doordat ze een betere sociale omgeving bieden

In veel landen, waaronder Nederland, leek het tientallen jaren geleden een goed idee om in het onderwijs meer te profiteren van de voordelen van schaalgrootte. Grotere scholen zouden leerlingen meer te bieden hebben, zoals allerlei voorzieningen die alleen op die schaal zijn te financieren. De redenering daarachter was vooral economisch van aard. We zaten midden in de tijd dat bedrijven en overheidsdiensten op zoek gingen naar de economische voordelen van optimale, en dus altijd grotere, schaal.

Maar er zijn natuurlijk voor de hand liggende en dan vooral sociale nadelen van grotere scholen. De sociale omgeving is er al gauw veel anoniemer. Ook lijkt de kans groter dat leerlingen vooral alleen maar contact hebben met leeftijdsgenoten, wat sociaal ongunstig is.

Onderzoek naar de effecten van schoolgrootte op leerprestaties en welzijn van leerlingen is lastig, omdat kleine en grote scholen ook op allerlei andere kenmerken van elkaar verschillen. Daardoor is er voor zover ik weet in Nederland geen onderzoek dat uitwijst dat kleinere scholen beter zouden zijn.

Maar nu is net een onderzoek gerapporteerd dat in New York is uitgevoerd, dat meer uitsluitsel lijkt te geven. In de Verenigde Staten wordt al een aantal jaren lang een beleid gevoerd om scholen kleiner te maken. Door grote scholen te splitsen en nieuwe kleine scholen te stichten. Na een periode waarin scholen steeds maar groter werden. Het onderzoek Small High Schools and Student Achievement: Lottery-Based Evidence from New York City (pdf) heeft het voordeel dat de toewijzing van leerlingen naar die kleinere scholen per loterij werd bepaald. Dat maakte het mogelijk om een goede vergelijking te maken. Een vergelijking naar behaalde schoolprestaties en naar mogelijke verklarende kenmerken.

De resultaten wijzen uit dat die kleinere scholen het beter doen, als je kijkt naar de schoolprestaties en naar de prestaties in het vervolgonderwijs (na twee jaar). En dat zou er aan kunnen liggen dat op kleinere scholen de betrokkenheid van leerlingen en leraren groter is, dat er meer toezicht is op de leerlingen, dat leerlingen minder spijbelen, dat leerlingen meer feedback krijgen, dat er meer veiligheid is en dat leraren en leerlingen meer contact hebben en meer samenwerken.

Alles wat je zoal dacht over de sociale voordelen van kleinere scholen, dat blijkt dus ook het geval te zijn. Mensen gedijen beter in een persoonlijke sociale omgeving, waarin je elkaar kent en dingen samen doet. En waarin er gemakkelijk persoonlijke contacten ontstaan tussen personen van verschillende leeftijden. Dat dat ook geldt in het onderwijs, dat zou niemand behoren te verbazen.

dinsdag 2 april 2013

Lokale democratie versterken door dorps- en wijkraden - Een interessante passage in nota van minister Plasterk

Er is, het lijkt wel speciaal in Nederland, een soort natuurlijke drang van bureaucraten en tekentafeldenkers naar bestuurlijke schaalvergroting. Zo wil het huidige kabinet grotere gemeenten en grotere provincies. Want dat zou efficiënter zijn. Maar of dat ook bijdraagt aan de betrokkenheid van burgers bij het bestuur en aan de verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van die burgers, daar wordt weinig bij stilgestaan. Zie ook hier en hier.

Maar minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft nu een interessante passage opgenomen in zijn vorige week verschenen Nota Bestuur in samenhang. De bestuurlijke organisatie in Nederland. In het kader van het streven naar versterking van de lokale democratie acht de minister, nee, acht het kabinet, het een serieuze optie om dorps- en wijkraden in te stellen:
Het kabinet onderzoekt hoe verbreding van de toepassing van dorps- en wijkraden mogelijk is en gaar daarover in gesprek met gemeenten. (...) Daarbij is het nadrukkelijk niet de bedoeling om een nieuwe bestuurslaag te creëren. Dergelijke raden zijn niet dualistisch maar monistisch samengesteld (dus niet een "college" en een "oppositie"). Ze beschikken over beperkte bevoegdheden die vooral burgernabije zaken zaken betreffen en aan hen zijn gedelegeerd door het gemeentebestuur. Directe verkiezingen kunnen wel, maar hoeven niet. Ze zijn verantwoording schuldig aan het gemeentebestuur.
In het nieuwe beleidskader gemeentelijke herindeling zal de mogelijkheid om dorps- en wijkraden in te stellen worden opgenomen. Er komt een handreiking om de instelling van dorps- en wijkraden te vergemakkelijken.
Prima!  Mensen moeten weer meer eigen verantwoordelijkheid dragen voor hun lokale omgeving. En het is goed dat ze daar samen over moeten beslissen.

Alleen moet de minister hier nog wat verder over nadenken. Want zo'n raad moet natuurlijk (ook) verantwoording afleggen aan de dorps- of buurtbewoners. Niet alleen maar aan het gemeentebestuur. Dat gaat niet werken.

maandag 25 maart 2013

Scholen wettelijk verplicht om pesten aan te pakken - Beter: kleinere scholen en leeftijdsmenging

Vandaag hebben staatssecretaris Sander Dekker en Kinderombudsman Marc Dullaert een wettelijke regeling aangekondigd die scholen er toe verplicht om het pesten aan te pakken. Ze hebben samen het Plan van aanpak tegen pesten (pdf) ondertekend.

De zoveelste, uiteraard goed bedoelde, maatregel tegen een sociale misstand die niet gebaseerd is op een analyse van de oorzaken en die dus waarschijnlijk ook niet gaat werken, was vanochtend mijn reactie. Maar, oef, hoe leg ik dat kort en helder uit?

Ik begon er maar mee dat Plan van aanpak door te lezen. Om me er van te vergewissen dat het Plan inderdaad niet op de werkelijke oorzaken van dat pesten ingaat. En dat blijkt te kloppen. Want de staatssecretaris en de kinderombudsman verdiepen zich niet in de oorzaken, maar in "de knelpunten die een effectieve aanpak van pesten in het onderwijs belemmeren". En dan gaat het er over dat pesten vaak niet wordt opgemerkt, dat het een taboe is, dat ouders en leerlingen vaak niet weten waar ze terecht kunnen, dat leraren ook als ze het signaleren vaak niet weten hoe te handelen, dat er een wildgroei aan anti-pestprogramma's is en dat de Inspectie er ook weinig aan kan doen.

Ja, oké, maar is het niet ook nodig om inzicht te hebben in de oorzaken? Om een goed beleid te kunnen ontwikkelen? Wat weten we over die oorzaken? De omschrijving van pesten die Dekker en Dullaert geven, geeft daar eigenlijk al een idee van. Hier is die omschrijving:
We weten heel goed wat pesten is. Het gaat om een vorm van agressief gedrag, waarbij een betrekkelijk machteloze persoon wordt aangevallen, vernederd of buitengesloten door één of meerdere individuen. Pesten heeft drie kenmerken: het is intentioneel, vindt herhaaldelijk en over een langere periode plaats, en er is een machtsverschil tussen dader en slachtoffer. Pesten vindt plaats in groepen, er is niet altijd een duidelijk onderscheid te maken tussen de pester en de gepeste en deze rollen kunnen ook omdraaien. Pesten vindt online en offline plaats.
Het gaat om agressie, om macht, om vernedering en buitensluiten en om gedrag in groepen. Daarmee is een bekend sociaal patroon gekenschetst, dat we kennen onder de naam statuscompetitie. Pesten is een gedrag dat onderdeel is van dat patroon. Wie is hier populair en wie niet? Wie hoort er wel bij en wie niet? Wie is stoer en wie is een zwakkeling? Wie kan intimideren en wie is verlegen en kwetsbaar?

En statuscompetitie ontstaat gemakkelijk bij weinig onderlinge afhankelijkheid en weinig onderlinge vertrouwdheid. De kans is dan groot dat we elkaar als onderlinge concurrenten gaan zien, in de strijd om status, aandacht, populariteit, ja, zelfs macht. Die strijd kan een rangorde doen ontstaan, waarin overheersing de vorm van pesten kan krijgen en onderwerping de vorm van het daarin berusten, die van het slachtofferschap. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om jezelf te verheffen door een ander te vernederen.

Gelukkig zijn mensen, uiteraard, ook tot heel ander gedrag in staat. Bij onderlinge afhankelijkheid en onderlinge vertrouwdheid creëren we, bijna als een vanzelfsprekendheid, een gemeenschap, een sociale omgeving waarin we elkaar bijstaan, die we veilig en prettig vinden. We zitten nu eenmaal zo in elkaar dat we  deze twee soorten sociale omgevingen kunnen doen ontstaan. Denk aan Frans de Waal, die ons een bipolaire mensaap noemt (in  De aap in ons. Waarom we zijn wie we zijn. Zie ook zijn nieuwe boek De Bonobo en de tien geboden. Moraal is ouder dan de mens. En denk aan mijn Dual Mode-theorie.)

Wat betekent dat nu voor ons inzicht in de oorzaken van pesten? Ten eerste dat pesten een uiting is van een in onze maatschappij veel voorkomend patroon. Hoeveel ziekteverzuim wordt er niet door pesten op het werk veroorzaakt? Maar ook zien we dat er wegen zijn om wat aan die oorzaken van pesten op school te doen. Want we kunnen op scholen de onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid vergroten. Als ik het goed zie zijn er in ieder geval twee wegen waarlangs we dat kunnen doen.

In de eerste plaats kunnen we zorgen voor kleinere scholen, die leerlingen rekruteren uit een kleiner gebied om de school heen, waardoor ze elkaar ook kennen van buiten de school. Dat vergroot de onderlinge vertrouwdheid. Dus juist meer kleine scholen in plaats van minder, zoals de Onderwijsraad wil.

Maar ook moeten we er eens over nadenken of we de traditie van naar leeftijd gesegregeerde groepen nog wel in stand willen houden. Zulke groepen zijn de ideale voedingsbodem voor statuscompetitie en dus voor pesten. Leeftijdsmenging is het beste middel tegen pesten. Het omgaan met jongere kinderen lokt bij oudere kinderen gemakkelijk een impuls uit om een beetje voor hen te zorgen. (Ik kan dat niet met onderzoek staven, maar ik denk dat pesten van jongere kinderen door oudere een onbekend verschijnsel is.) En dat zorgen kan dus ook inhouden dat er bij pesten wordt ingegrepen.  Onderzoek laat zien dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Dat wijst er overduidelijk op dat in zulke groepen ook pesten minder vaak voorkomt. En dan nog afgezien van andere positieve effecten van leeftijdsmenging op scholen, zoals op leerprestaties en cognitieve ontwikkeling.

Daaruit volgt trouwens nog een tweede voordeel van kleine scholen: leerlingen komen er meer in aanraking met medeleerlingen van verschillende leeftijden. Kleinere scholen zijn automatisch meer leeftijdsgemengd.

Maar kan dat wel? Zijn dat niet veel te grote ingrepen?

Tja, dat staat te bezien. We zien vandaag het begin van ook een heel grote ingreep: de wettelijke verplichting van scholen om het pesten aan te pakken. Met alles wat daarbij wordt overhoop gehaald. Kijk naar dat Plan van aanpak van de staatssecretaris en de Kinderombudsman. Daar gaat het over school-ouder contracten, over leraren die er werk van moeten maken (en die beter toegerust moeten worden), over inschakeling van het strafrecht, over een verbeterde klachtenregeling voor ouders, over aanvullende bestuurlijke afspraken over na- en bijscholing van docenten, over pilots met anti-pestprogramma's die moeten worden uitgebreid, over het meenemen van het onderwerp pesten in de veiligheidsmonitor en over de Inspectie die er op moet gaan toezien dat scholen die wettelijke verplichting ook echt nakomen.

Met daarbij de twijfels of dat echt wel gaat helpen. Als je de echte oorzaken niet aanpakt.

donderdag 28 februari 2013

Is samenwerken tussen gemeenten niet beter dan fuseren? - Negen gemeenten helpen samen werklozen aan de bak

Zo maar een berichtje uit De Gelderlander: Negen gemeenten rond Nijmegen (inclusief Nijmegen zelf) gaan samenwerken op het terrein van de arbeidsbemiddeling. En er zijn initiatieven genomen voor samenwerking op de gebieden van jeugdzorg, AWBZ, ICT en milieuvergunningen. Volgens het berichtje is dit een landelijke trend. Zie de link onderaan.

Eerder vroeg ik me af of het nu wel zo'n goed idee is van het huidige kabinet om alleen nog maar gemeenten te willen met meer dan 100.000 inwoners. Dat zou inhouden dat veel gemeenten moeten fuseren, want het gemiddeld aantal inwoners per gemeenten is nu 40.000. Kun je wel van boven af en vanaf de tekentafel bepalen wat de optimale schaalgrootte is van het lokale bestuur? Daar kun je aan twijfelen. Je kunt in plaats daarvan gemeenten ook zelf de optimale schaalgrootte laten uitzoeken, maar dan die van de uitvoering van de verschillende diensten. Door hen hun gang te laten gaan in het bepalen welke samenwerkingsverbanden ze willen aangaan. Omdat ze over alle lokale informatie beschikken, zou je kunnen verwachten dat ze dat, met enige trial and error, behoorlijk goed zullen doen. Zoals ik in dat vorige bericht meldde, is Frankrijk misschien een goed voorbeeld.

Het voordeel daarvan is ook dat de beslissingen op een laag niveau worden genomen. Waardoor er meer burgers bij betrokken zijn, als wethouders en gemeenteraadsleden, en de afstand tussen bestuur en burgers beperkt blijft. Moeten ze daar in Den Haag niet ook rekening mee houden? In plaats van zich blind te staren op de zogenaamde efficiëntie van de tekentafel?

Negen gemeenten helpen samen werklozen aan de bak:

'via Blog this'

woensdag 16 januari 2013

Dit jaar weer minder gemeenten in Nederland. Moet dat?

Door het schaalvergrotingsbeleid van Rutte II hebben we dit jaar weer 7 gemeenten minder dan vorig jaar. Daarmee zijn we op 408 gemeenten gekomen. Zo wordt de trend van samenvoeging van gemeenten die vooral in de jaren 60 van de vorige eeuw is begonnen, doorgezet. (Update. Zie nu ook het bericht Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland? van begin 2015.)
Tussen begin negentiende eeuw en rond 1950 was er een teruggang van rond de 1200 gemeenten naar 1000. Daarna, en vooral na 1960, is het snel gegaan. Zie het Repertorium Nederlandse gemeenten 1812-2006 (pdf). Nu naderen we dus de 400. En Rutte II is van mening dat op den duur alle gemeenten minstens 100.000 inwoners moeten tellen. Dat is nu ongeveer 40.000.

Dat opeenvolgende regeringen grotere gemeenten en dus minder gemeenten willen, ligt er aan dat de opvatting overheerst dat dit voor een efficiënt en financieel houdbaar lokaal bestuur noodzakelijk is. Hoe groter, hoe efficiënter er gewerkt kan worden en dus hoe minder geld het kost. Hoewel dat nooit zo expliciet is verwoord, is dit waarschijnlijk geïnspireerd door de economische leer van de voordelen van schaalgrootte. Die leer zegt natuurlijk niet dat groter altijd beter is. Sommige kosten, vooral in de sfeer van organisatie, afstemming en aansturing, nemen juist toe met groter worden. Maar in de periode waar we het over hebben, ontstonden in de particuliere sector de grote, en zelfs internationale, ondernemingen en conglomeraten. En het kan zijn dat de beleidsmakers in de publieke sector daar zo van onder de indruk zijn geraakt dat ze een grootschaliger lokaal bestuur ook een goed idee gingen vinden. Daar kwam bij dat het takenpakket van de gemeenten in dezelfde tijd ook flink is uitgebreid, zodat de overtuiging kon groeien dat alleen grotere gemeenten daarvoor geschikt waren.

Maar de vraag is of het wel klopt dat je geld bespaart door gemeenten samen te voegen. Allers en Geertsema van de Rijksuniversiteit Groningen hebben laten zien dat de kosten in gefuseerde gemeenten juist sterker stegen dan in niet-gefuseerde gemeenten, juist ook op de langere termijn. Dat kan volgens hen twee oorzaken hebben. Een oorzaak kan zijn dat die organisatie- en afstemmingskosten zijn toegenomen. Wat er dus op neer zou komen dat de optimale schaalgrootte is overschreden. Maar het kan ook zijn dat die grotere gemeenten meer taken op zich kunnen nemen en dat daardoor de dienstverlening aan de burgers is verbeterd. Wat het is weten we nog niet, misschien wel allebei.

Maar er is ook een andere bedenking te maken bij dat streven naar zulke grote gemeenten. Die ligt voor de hand. Hoe minder gemeenten en hoe groter, hoe minder mensen dat lokale bestuur nodig heeft voor gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders. Stel dat we nog 1200 gemeentes hadden. De kans dat een willekeurige burger dan een gemeenteraadslid zou zijn of een wethouder, was dan flink groter dan hij nu is. Of de kans dat je als willekeurige burger een gemeenteraadslid persoonlijk zou kennen, zou veel groter zijn. Anders gezegd: die schaalvergroting vergroot de afstand tussen lokale politiek en burgers. En dat vermindert de betrokkenheid bij het lokale bestuur en dus de mate van democratie.

Zijn we dan wel op de goede weg? We besparen geen geld, lijkt het, en we vergroten de afstand tussen lokale politiek en burger. 

Maar kan het wel anders? Jazeker, dat blijkt te kunnen. Allers en Geertsema wijzen er op dat in andere landen van de Europese Unie de gemeenten veel kleiner zijn dan bij ons. Het gemiddelde inwonertal per gemeente in landen van de EU was (in 2007) 5400 inwoners. Tegenover dus die 40.000 bij ons. Dat repertorium waar ik hier boven naar link, meldt dat in Frankrijk het gemiddeld aantal inwoners per gemeente 1600 bedraagt. En dat ongeveer 90 procent van de Franse gemeenten grenzen heeft die identiek zijn aan de grenzen die in 1793 (!) werden vastgesteld. Dat kan in Frankrijk blijkbaar door de vele samenwerkingsrelaties die er tussen gemeenten bestaan. Een andere manier om van de voordelen van schaalgrootte te profiteren, waarbij die grootte naar soort taak kan worden gedifferentieerd. Misschien moet je de vuilnisophaaldienst met tien gemeenten samen doen, maar de jeugd- en ouderenzorg met niet meer dan drie of vier.

Het lijkt dus wel degelijk anders te kunnen.

dinsdag 4 december 2012

De economie die we wel willen - Hans de Geus

We willen een andere economie. Maar hoe zou die er uit zien? En hoe kunnen we hem maken?

Hans de Geus twitterde me vorige week dat er van hem in Trouw een stuk zou verschijnen over deze vragen. En dat hij benieuwd was wat ik er van zou vinden.

Zijn stuk is het waard om aandachtig te lezen (zie hier) en het inspireerde mij tot dit bericht.

Hans de Geus begint met het huidige personeelsbeleid van Douwe Egberts te schilderen, wat er toe leidt dat niemand van de werknemers zeker van zijn baan is. We hebben een economie laten ontstaan waarin bedrijven zich voortdurend moeten aanpassen. Dat is tot daaraan toe. Maar de manier waarop ze dat doen houdt in dat gewone mensen, die voor hun levensonderhoud en hun gevoel van eigenwaarde afhankelijk zijn van een baan en een arbeidsinkomen, zo weinig mogelijk zekerheid gegund wordt. Anders gezegd, als die zekerheid er even is, dan is dat toeval en niet iets wat het economische systeem als een wenselijke toestand probeert te bereiken. De "Methode Bennink" bij Douwe Egberts, die eruit bestaat dat "niemand ontziend, het uiterste uit de organisatie wordt geperst", die is alom aanwezig.

Wat is dan de wenselijkheid waarop ons huidige economische systeem wel is ingericht? Eenvoudig gezegd komt dat er op neer dat het systeem volledig ten dienste staat van slechts een aspect van de menselijke behoeftenbundel: onze behoeften aan zo goedkoop mogelijke goederen en onpersoonlijke diensten. Dus ten dienste van ons als consument. Ten dienste daarvan moeten kosten aanhoudend geminimaliseerd worden of als dat mogelijk is op anderen worden afgewenteld. Concurrentie maakt aanhoudende aanpassing nodig, waardoor niet alleen het  kapitaal vrij moet kunnen stromen, maar waardoor ook de inzet van arbeid maximaal flexibel moet zijn. Als consument komen we zo behoorlijk aan onze trekken, maar hoe we als volledig mens, met onze sociale behoeften, onze sociale vaardigheden en onze morele gevoelens, aan onze trekken komen, ja, dat moeten we vooral zelf uitzoeken. Dat economische systeem is zo alom aanwezig, dat een tegenkracht ontbreekt waarmee we ons gezamenlijk sterk maken voor andere behoeften dan die van ons als consument. De democratische overheid zou die tegenkracht moeten zijn, maar die heeft zich aan dat economische systeem uitgeleverd. Zie verder allerlei berichten op dit blog, te beginnen met Pro-Sociaal Gedrag en Sociale Welvaart.

Hans de Geus verwoordt deze gedachten als volgt:
De vraag is wat deze manier van ondernemen, werken en met mensen omgaan op lange termijn met de maatschappij doet, met hoe we ons tot elkaar verhouden, met vertrouwen in elkaar en uiteindelijk ook met vertrouwen in onszelf. (...) Want wanneer ben jij aan de beurt om de loser te zijn?
En hij benadrukt dat die tegenkracht er ook uit kan bestaan dat er tegenover het vigerende economische systeemverhaal een ander verhaal komt:
Een verhaal over de economie die we wel willen, zou draaien om begrippen als: eerlijker, kleinschaliger waar het kan, lokaal, schoner, overzichtelijker. Door en voor elkaar, participerend, insluitend in plaats van uitsluitend, in en met de buurt en de gemeenschap, coöperatief.
Ja,  daar heeft hij gelijk in. Een goed onderbouwd en daardoor geloofwaardig verhaal, dat op den duur genoeg mensen inspireert om samen die tegenkracht te vormen. En dat verhaal is natuurlijk al bezig te ontstaan. Het wemelt van de initiatieven om lokaler, kleinschaliger, socialer en schoner te werken. Hans de Geus noemt het voorbeeld van 'Station Roos', een koffie- en ijszaakje aan de Amsterdamse Wibautstraat, waar Roos zelf haar ijs maakt en waar je voor een euro een espresso koopt uit een tweedehands espressoapparaat. Niet uit op winstmaximalisering, maar om er persoonlijke voldoening uit te halen.

Trouwens, als je bij Station Roos koffie gaat drinken, loop dan in diezelfde Wibautstraat ook even langs bij MHOOM (Met Het Oog Op Morgen) van Colette de Groot en Sanne Spaargaren, waar alles dat verkocht wordt, gemaakt is met respect voor mens en natuur. Ik laat er mijn haar knippen, want dat kan er ook.

En laat ik nog zo'n mooi initiatief noemen: ik ben geabonneerd op het streekkrat, een krat vol met streekproducten dat een maal in de twee weken aan huis wordt bezorgd. Van de Streekmolen. Lokaal en kleinschalig. Goed voor ons.

En, voor ik het vergeet, zie ook dat mooie stuk van Wilco Dekker in de Volkskrant van gisteren over Peerby, wat staat voor a peer nearby, iemand in de buurt. Het is een tool voor buurtcommunicatie, door middel waarvan je dingen aan elkaar kunt lenen. Die je anders misschien elk individueel zou aanschaffen, waardoor iedereen een boormachine in huis heeft, terwijl dat apparaat gemiddeld in zijn leven maar 12 tot 13 minuten gebruikt wordt.

Al die kleine verhalen, dat wordt vast ooit een keer een groot verhaal.

vrijdag 21 oktober 2011

De verborgen kosten van schaalvergroting

Bij mij een paar straten verder staat een grote school voor voortgezet onderwijs. Leerlingen komen dus niet alleen uit de buurt, maar ook uit de wijde omtrek. De school lijkt mij een product van de golf van schaalvergroting die er in ons land in het onderwijs heeft plaats gehad. Voor, tussen en na de lessen brengen de leerlingen door in de buurt en in het nabij gelegen kleine winkelcentrum. En daar gebeurt wel eens wat, zoals dat nu eenmaal gaat. Het stadsblad meldt overlast, zoals zwerfvuil, geluidsoverlast en vernielingen. Als buurtbewoner krijg ik daar ik ook wel eens wat van mee. En omdat ik het prettig vind om door een schone buurt te wandelen of te fietsen, pak ik regelmatig een blikje of wat op en gooi het in een prullenbak. En ik moet toegeven dat ik me er wel eens aan erger.

Om wat te doen met de klachten uit de buurt en van de winkeliers, is er nu een convenant gesloten tussen de school, het wijkbureau van de politie, Toezicht en Handhaving, Halt en jongerenwerk. De burgemeester was bij de ondertekening aanwezig. Het convenant somt op wat alle partijen zullen doen om de overlast terug te dringen. Zoals gezegd, ik erger me ook wel eens, dus ik juich dit toe.

Maar sociaalwetenschappelijk gezien kun je ook op het idee komen dat dit een voorbeeld is van verborgen kosten van schaalvergroting. Het is bekend dat overlastproblemen zich meer voordoen hoe anoniemer de omgeving is. In buurten waarin meer mensen elkaar kennen, komen dit soort problemen minder voor. Zwerfafval zie je vooral op plekken waar veel mensen passeren en waar niemand thuishoort, zoals rond grote stations, grote winkelcentra, grote scholen en tankstations langs de snelweg.

Schaalvergroting, zoals van scholen, is in het verleden bepleit omdat het economische voordelen zou hebben. Maar je kunt je afvragen of in die berekening wel de kosten zijn meegenomen die voortkomen uit de toegenomen anonimiteit. Op de website van die school staat een foto van de vergadering waar vertegenwoordigers van al die partijen aanwezig zijn om het convenant te ondertekenen. Hoe vaak zullen ze hebben vergaderd? En gezien de omvang van het convenant, hoe lang is daaraan gewerkt en hoe veel meer uren aan activiteiten gaan er mee heen om het convenant uit te voeren en de overlast ook echt terug te dringen?

En nee, dat zulke verborgen kosten ooit zijn ingeschat en meegenomen in de afweging van de voor- en nadelen van schaalvergroting, dat geloof ik niet.
Update. Eigenlijk moet je het anders zeggen. De kosten waren verborgen en komen met zulke convenanten aan het licht.