Posts tonen met het label James M. Buchanan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label James M. Buchanan. Alle posts tonen

maandag 24 januari 2022

Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil

""Ongelijkheid" is nooit de officiële doodsoorzaak, maar vaak wel de werkelijke." Jayati Ghosh wijst er vandaag op dat de pandemie ons op een harde waarheid heeft geattendeerd: ongelijkheid in inkomen en kansen creëert niet alleen onrechtvaardige, ongezonde en ongelukkige maatschappijen, maar is ook een doodsoorzaak. Zie The biggest killer of pandemic times: inequality.

In de afgelopen twee jaar zijn mensen gestorven doordat ze niet snel genoeg toegang hadden tot vaccinaties, terwijl dat wel mogelijk was geweest als de technologie van de productie van vaccins gedeeld was. Of ze stierven doordat de publieke gezondheidszorg tekortschoot en ze de middelen ontbeerden om van de private zorg gebruik te maken. En terwijl zij stierven, werden de rijkste mensen in de wereld rijker dan ooit en maakten de grootste ondernemingen nog niet eerder voorgekomen hoge winsten.

Ghosh haalt het recente Oxfam-rapport aan, dat berekende dat in diezelfde periode het vermogen van de tien rijkste mensen verdubbelde, terwijl 99 procent van de wereldbevolking erop achteruitging. Een toename van ongelijkheid die in verband gebracht kan worden met tenminste een extra overlijdensgeval per elke vier seconden. De getroffenen woonden meer in armere landen, waren meer vrouwen en meisjes, waren meer slachtoffer van discriminatie en waren meer afhankelijk van informele arbeid.

En zelfs in deze periode voerden regeringen een beleid dat de macht van de rijken verder vergrootte, door hen nog minder te belasten, door nog meer private monopolies toe te staan, door de regels voor bescherming van het milieu te versoepelen en door de arbeidsmarkt verder te dereguleren en de rechten van werknemers te verzwakken. Niet alleen is de ongelijkheid dodelijk voor de zwakkeren, hij vernietigt ook de aarde zoals wij die kennen en nodig hebben. Oxfam berekent dat twintig van de rijkste miljardairs verantwoordelijk zijn voor 8000 maal de uitstoot van kooldioxide van het armste miljard van de wereldbevolking.

Aan dat alles valt wat te doen. Want die extreme toename van ongelijkheid is niet ondanks, maar juist dankzij beleid van overheden tot stand gekomen. Dat beleid kan worden teruggedraaid. Overheden kunnen weer meer de verantwoordelijkheid op zich nemen voor het voorzien in de basisbehoeften van de bevolking, ze kunnen een eind maken aan de privatisering en commercialisering van kennis door intellectuele eigendomsrechten (patenten, octrooien) en ze kunnen de markt reguleren ten behoeve van het algemene belang. Anders gezegd, ze kunnen al die neoliberale "economische hervormingen" van de afgelopen tientallen jaren terug draaien. En ze kunnen een eind maken aan al die belastingvoordelen waar de rijken en de grote ondernemingen zo van profiteren.

Dat alles, en meer, kan en is hoognodig.

Maar lukt dat nog wel, nu de rijken en de grote ondernemingen zo machtig zijn geworden? Zo machtig dat ze de democratie naar hun hand kunnen zetten. Niet alleen door politieke besluiten "te kopen", door beïnvloeding, financiering van denktanks en corruptie, maar ook door media op te kopen en zo de publieke opinie te beïnvloeden. Lees allen Dark Money. The Hidden History of the Billionaires Behind the Rise of the Radical Right van Jane Mayer en Democracy For Sale. Dark Money and Dirty Politics van Peter Geoghegan. 

Moeten we niet vrezen dat een eenmaal in gang gezette ongelijkheid een onomkeerbaar proces is? De vrees dat dat zo is, moeten we onder ogen zien. Want dat maakt duidelijk hoeveel krachtsinspanning er nodig zal zijn.

Ik moest daaraan denken toen de Amerikaanse President, Joe Biden, die in zijn eerste jaar zoveel heeft gedaan (en nog meer heeft geprobeerd) om de overheid weer op het pad van het algemene belang te brengen, zich afvroeg wat zijn politieke tegenstanders, de Republikeinen, eigenlijk beweegt om politiek te bedrijven. De aanleiding daartoe was niet alleen dat de Republikeinen het niet nodig achten om een verkiezingsprogramma op te stellen, maar ook dat hun politiek in feite uit niets anders bestaat dan het dwarsbomen van alles wat de regering-Biden tot stand zou willen brengen. Lees ‘What are Republicans for?’ Just one thing. Maar lees vooral ook wat geschiedenishoogleraar Heather Cox Richardson daar over schreef:

That radicalization, stoked by Republican leaders, is at the point of destroying, once and for all, the idea of a government that works for the people. Republican leaders have stood by as Trump and his lackeys goaded followers into believing that Democratic governance is illegitimate and that Democrats must be kept from power. 
 
En abonneer je op haar dagelijkse nieuwsbrief, Letters from an American, als je op de hoogte wil blijven van de belangrijke ontwikkelingen in de Amerikaanse politiek.

Dat de Republikeinen niet of nauwelijks een programma hebben, is eigenlijk niet verrassend. Ze zijn er helemaal niet op uit om een beleid te voeren dat in een democratie bedoeld is ten behoeve van het algemeen belang. Dat in het teken staat van het iedereen-telt-mee van de morele gemeenschapsintuïties. 
 
Integendeel, de democratie vormt een bedreiging voor het eigen belang. En die moet dus aan dat eigen belang ondergeschikt worden gemaakt. Door op welke manier dan ook, legaal of illegaal, aan de macht te komen en de democratische overheid zoveel mogelijk monddood te maken. 
 
Dat klinkt allemaal heel extreem en dat is het ook. Maar de grondslag ervan kreeg ooit, in 1986, een wetenschappelijk cachet, namelijk met de toekenning van de Nobelprijs voor economie aan James M. Buchanan. De James Buchanan die er geen geheim van maakte dat rijken nooit konden instemmen met de democratie. Denk aan de passage uit het boek van Nancy MacLean die ik eerder aanhaalde:
 
But for Buchanan, once again the issue (dat van de democratie) was personal. "Why must the rich be made to suffer?", he asked pointedly. If "simple majority voting" allowed the government to impose higher taxes on a dissenting individual in the minority - "the citizen who finds that he must, on fear of punishment, pay taxes for public goods in excess of the amounts that he might voluntarily contribute" - what distinguishes that from "the thug who takes his wallet in Central Park?"

Een rijke die wordt gedwongen om meer belastingen te betalen dan waar hij uit vrije wil toe bereid zou zijn, die kan de democratische overheid niet anders zien dan als een schurk die op zijn portemonnee uit is.

Zo eenvoudig ligt dat. Als je de ongelijkheid laat toenemen, dan creëer je rijken die de democratische overheid niet anders kunnen zien dan als een schurk die hun geld wil.

woensdag 12 januari 2022

Een schoolvoorbeeld van een emotionele reactie op het in twijfel trekken van een vooronderstelling - in de wetenschap van de economie

Laten we nog even stil blijven staan bij dat eerste inzicht dat we bij David Bohm tegenkwamen, het inzicht namelijk dat er aan al onze meningen, oordelen, overtuigingen en zelfs waarnemingen onvermijdelijk vooronderstellingen ten grondslag liggen. Zie het vorige bericht. In het voorvorige bericht gaf ik als voorbeeld hoe verschillende vooronderstellingen onze waarneming kunnen beïnvloeden van iemand die bij de ingang van de supermarkt om wat kleingeld vraagt. 

In dat bericht ging het er ook over dat we ons van zo'n vooronderstelling niet altijd bewust hoeven te zijn en dat we emotioneel en negatief kunnen reageren als er vraagtekens bij worden geplaatst. Bohm zegt daarvan dat we de neiging hebben om ons ermee te identificeren en dat ons eigenbelang een rol kan spelen. We zijn nu eenmaal vaak geen objectieve waarnemers. Het kan dan confronterend zijn als iemand een voor ons vanzelfsprekende vooronderstelling in twijfel trekt.

Daar zouden we natuurlijk ook wel een voorbeeld van willen. En een mooi voorbeeld dient zich aan naar aanleiding van het bericht in de NRC van gisteren over het voornemen van Rutte IV om het minimumloon te verhogen: Met de verhoging van het minimumloon neemt Rutte IV een risico. 

Daarin gaat het over een mogelijk nadeel van verhoging van het minimumloon, namelijk dat daardoor banen zouden kunnen verdwijnen. Dat nadeel springt in het oog als je uitgaat van de standaard economische vooronderstelling van vraag en aanbod, die inhoudt dat als iets duurder wordt dat dan de vraag ernaar zal afnemen. Maak de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt hoger, dan zullen ondernemers minder vraag hebben naar die arbeid en dan zullen er banen verdwijnen. Besef dat dat vraag-aanbod model, het prijsmechanisme, de kern uitmaakt van het neoklassieke economische denken, die aan economiestudenten als vanzelfsprekend wordt gedoceerd. Het is de vooronderstelling waarmee (veel) economen naar de wereld kijken.

Of was, want wat is er gebeurd. In dat NRC-artikel wordt er al gewag van gemaakt: de economen David Card en Alan Krueger, vorig jaar bekroond met de Nobelprijs, deden iets verrassends. Ze dachten, laten we eens onderzoeken of het inderdaad zo is dat een verhoging van het minimumloon wel het effect heeft dat er banen verdwijnen. Ze vonden dat de werkgelegenheidsontwikkeling in de fastfoodrestaurants van een staat in de Verenigde Staten waarin het minimumloon werd verhoogd niet afweek van die ontwikkeling in een staat waarin dat laatste niet was gebeurd.

Een vanzelfsprekende vooronderstelling werd in twijfel getrokken. Wat waren de reacties? Waren die emotioneel en negatief? Ja, dat kun je wel zeggen. Angus Deaton vatte ze samen in 1996 in zijn Letter from America: The Minimum Wage. (Ik haalde dat al eens aan.) Deaton is er een groot voorstander van dat het vak economie empirischer wordt en niet alleen maar uitgaat van theoretische vooronderstellingen. Hij hoopte dat collega-economen dat onderzoek van Card en Krueger zouden verwelkomen als een belangrijke bijdrage.

Maar wat gebeurde? Er werd schande van gesproken. Dat onderzoek kon niet deugen:

The prize for nastiness goes to Paul Craig Roberts, a leading supply-sider who used his regular column in Business Week to lambast the American Economic Association for awarding its John Bates Clark Medal—its most prestigious award— to Card, “an economist who does not believe in the law of demand, the cornerstone of economic science. ” Roberts impugned the review process at the AER, claiming that both it and the selection for the medal had been contaminated by political correctness, and asking whether the honoring of Card was “because the laughable findings have friends in high places like the Oval Office?”
 
Schandalig dat iemand niet gelooft in de wet van vraag en aanbod, de hoeksteen van de economische wetenschap. Dat eigenbelang ook een rol speelde bleek eruit dat het Economic Policy Institute  alles deed om het onderzoek in diskrediet te brengen en dat dit instituut gefinancierd werd door bedrijven die lobbyden tegen verhoging van het minimumloon.
 
Maar de kroon spande de emotionele reactie van James M. Buchanan, de Nobelprijswinnaar die op dit blog al vaker langskwam. Hij schreef in de Wall Street Journal dat de claim van Card en Krueger:

if seriously advanced, becomes equivalent to a denial that there is even minimum scientific content in economics, and that, in consequence, economists can do nothing but write as advocates for ideological interests. Fortunately, only a handful of economists are willing to throw over the teaching of two centuries; we have not yet become a bevy of camp-following whores.

Een schoolvoorbeeld van een emotionele reactie op een in twijfel getrokken vooronderstelling. Een reactie die dus ook valt waar te nemen in de wetenschap van de economie.

donderdag 8 april 2021

Hoe de "liberale geloofsovertuiging" (Polanyi) met de werkelijkheid geconfronteerd werd - toen en nu. Waardoor we nu gespannen afwachten of er een Rutte IV komt

Thomas Piketty beschrijft in zijn Capital and Ideology wat Karl Polanyi The Great Transformation noemt als de overgang van de ternary (drieledige) naar de ownership societies. In de drieledige maatschappijen was de bevolking verdeeld in de geestelijkheid, de adelstand en het gewone volk, het overgrote deel dat het werk verrichtte. We zagen hoe Polanyi beschrijft hoe in die drieledige Engelse maatschappij tot eind achttiende eeuw min of meer gehandeld wordt naar de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen telt mee. Op lokaal niveau, in de dorpen en in de parochies en de kerkelijke gemeentes, diende er voor gezorgd te worden dat niemand van honger hoefde om te komen. Hoewel dat gebeurde, overheerste voor het overige de grote ongelijkheid van de statushiërarchie.  Zie het vorige bericht.

Maar tegen het eind van de achttiende eeuw bleek die sociale en dus morele inbedding van het economisch leven moeilijker te handhaven. De opkomst van de industrie en de schaalvergroting van de handel creëerden niet alleen meer welvaart, maar ook een overheveling van het armoedeprobleem naar het bovenlokale niveau. (Bedenk dat de Industriële Revolutie aanvankelijk niet alleen rijkdom, maar ook pauperisme voortbracht.) Dat was een nieuwe uitdaging. Daarvoor gesteld, was het eerste antwoord daarop dat van het laissez faire. 

Volgens de Malthusiaanse gedachte zou het helpen van de armen alleen maar leiden tot het verstoren van het evenwicht tussen de omvang van de bevolking en de beschikbare middelen om die te voeden. Analoog aan evenwichten in de natuur tussen roofdieren en prooidieren zou ook in de mensenmaatschappij altijd een evenwicht tot stand moeten komen. En zou het dus juist onverstandig zijn om de moreel geïnspireerde zorg voor de armen op het lokale niveau over te hevelen naar het nationale niveau. Dat zou het tot stand komen van dat evenwicht alleen maar vertragen. 

En zo ontstond het moreel luchtledige economisch denken, waarin niet de moraal, maar de markt de maat der dingen is. Met daaraan gekoppeld het (één-)evenwichtsdenken dat in het vak economie sindsdien gedomineerd heeft. Van de morele gemeenschapsintuïties werd alleen de intuïtie van de vrijheid van overheersing nog van belang geacht. En die werd belichaamd in dat nieuwe sociale mechanisme van de markt, waar immers alle transacties, met veel goede wil, kunnen worden beschouwd als vrijwillig gesloten. Voor de rest kon de moraal terzijde worden geschoven, evenals de complicatie dat de markt zou kunnen worden verstoord door machtsverhoudingen. 

Polanyi karakteriseert dit denken als de "liberale geloofsovertuiging" (hoofdstuk 12), als "a veritable faith in man's secular salvation through a self-regulating market" (p. 135), als "a crusading passion" en "a militant creed" (p. 137) en als een utopie (p. 141). En hij kijkt er in 1944 met verbazing en ongeloof op terug. 

Want hij kan er dan al op wijzen hoe die utopie met de werkelijkheid geconfronteerd werd. Na de uitbraak van twee wereldoorlogen en de crisis van 1929 en depressie van de jaren 30 en de New Deal in de Verenigde Staten. En na de Tweede Wereldoorlog kon hij nog getuige zijn (hij overleed in 1964) van de opbouw van de verzorgingsstaten, waarin juist ook de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee, van wij-met-zijn-allen en van rechtvaardigheid vorm kregen. Nog maar weer eens: van de gemeenschap georganiseerd in de staat.

En dan besef je hoe opmerkelijk het is dat die "liberale geloofsovertuiging", die utopie, zo overduidelijk met de maatschappelijke en politieke werkelijkheid geconfronteerd werd, terwijl tegelijkertijd de implicaties daarvan voor het vak economie nauwelijks werden getrokken. Want het vak economie ging gewoon door met dat één-evenwichtsdenken, met de markt als maat der dingen. Met het tot op de dag van vandaag negeren van andere morele gemeenschapsintuïties dan die van vrijheid van overheersing. (Met Kenneth Boulding als opvallende uitzondering, die dan ook weinig aandacht kreeg en nagenoeg werd vergeten.) 

Waardoor na die opbouw van verzorgingsstaten in de jaren 70 en 80 die liberale geloofsovertuiging keihard kon terugkeren, nu als het neoliberalisme van Thatcher en Reagan. En de opeenvolgende Nederlandse kabinetten, tot en met Rutte I, II en III. Met steeds de zogenaamde topeconomen die de weg wezen (Friedman, Buchanan en anderen). De overheid diende in dienst te staan van de markt en kon dus in het nagenoeg moreel luchtledige opereren. En weer een confrontatie met de werkelijkheid, nu met die van de Grote Financiële Crisis van 2008-2010, de eurocrisis, de klimaatcrisis en de coronapandemie.

We wachten dus met spanning af of er een Rutte IV komt.

Hier het volgende bericht.

donderdag 12 november 2020

Het is niet verrassend dat de public choice-economen voor de miljardairs zo aantrekkelijk waren

In dat vulgair-economische neoliberale denken heerst het eendimensionale mensbeeld van het eigenbelang. Zie hier het vorige bericht. Als je ervan uitgaat dat iedereen alleen maar door het eigen belang is gemotiveerd, dan is dat niet alleen een mistroostig mensbeeld, maar ook een beeld van een altijd onveilige wereld. Je kunt er niet op vertrouwen dat anderen met jou rekening houden. Je zult je altijd moeten laten gelden, want de enige die voor jou opkomt, dat ben jijzelf. 

In die wereld is de democratie niet een poging om onze morele gemeenschapsintuïties institutioneel vorm te geven (wij met zijn allen, het algemeen belang), maar integendeel niet meer dan een strijdperk van tegengestelde belangen. Waarin meerderheden zoveel mogelijk winst voor zichzelf kunnen proberen te halen ten koste van minderheden. In die visie zullen de rijken er altijd voor beducht zijn dat de democratische overheid hen "afpakt" wat zij "met hard werken" hebben opgebouwd. 

En omdat de rijken altijd getalsmatig in de minderheid zijn, zullen ze proberen om de democratie zoveel mogelijk aan banden te leggen. Indirect door academische varianten van dat vulgair-economische denken, zoals de public choice-benadering en de constitutional economics, financieel te ondersteunen. Zoals de steenrijke financiers van James M. Buchanan en geestverwanten. Denk aan Charles Koch, wiens naam je zo vaak tegenkomt in Nancy Maclean's Democracy in Chains. The Deep History of the Radical Right's Stealth Plan For America..

Maar ook meer direct, door voor hen gunstige politieke besluiten (belastingverlaging) "te kopen", door sponsoring of gewoon omkoping van politici. En door via de media het publiek te beïnvloeden, door het opkopen van tabloids en televisienetwerken (Fox News) door Rupert Murdoch. Afijn, dat kennen we allemaal als de invloed van het Grote Geld, waarvan vier jaar Donald Trump een van de betreurenswaardige uitkomsten was. De rijken en de politieke partijen die zich opwerpen als hun belangenbehartigers (de Republikeinen in de Verenigde Staten) weten dat ze in de democratie altijd een minderheid zullen zijn en ontdekken dat ze een televisieberoemdheid kunnen gebruiken om de kiezers een rad voor ogen te draaien.

Wie de vorige berichten heeft gevolgd, is misschien al op het idee gekomen dat je een en ander goed kunt duiden met de tweede stelling van de Dual Mode-theorie. Volgens die stelling zullen mensen als ze hun sociale omgeving als onveilig ervaren, dus als ze veel statuscompetitiegedrag om zich heen zien, hun neiging tot gemeenschapsgedrag onderdrukken en zich wapenen met hun eigen vermogen tot statuscompetitiegedrag. Als anderen alleen maar voor zichzelf opkomen, dan zit er niets anders op dan dat zelf ook te doen.

Want daarmee wordt immers meteen duidelijk dat die economen, zoals Buchanan, die er zo van overtuigd zijn dat iedereen alleen maar gemotiveerd wordt door eigen belang, groot wantrouwen koesteren tegen de democratie. In een sociaal onveilige wereld ga je er niet mee akkoord dat een meerderheid van de kiezers jou iets zou kunnen opleggen. En zeker als je tot de rijken behoort, wil je dat dan zoveel mogelijk zien te voorkomen.

Ik zocht nog even deze passage op in dat boek van Nancy MacLean (p. 149-50):

But for Buchanan, once again the issue was personal. "Why must the rich be made to suffer?", he asked pointedly. If "simple majority voting" allowed the government to impose higher taxes on a dissenting individual in the minority - "the citizen who finds that he must, on fear of punishment, pay taxes for public goods in excess of the amounts that he might voluntarily contribute" - what distinguishes that from "the thug who takes his wallet in Central Park?"

Er is geen verschil tussen de dieven die het op jou portemonnee hebben voorzien en de kiezers in een democratie. Een mistroostige wereld. Als je de wereld zo ziet, dan wil je natuurlijk eigenlijk geen democratie. En dat maakt het in het geheel niet verrassend dat die vulgair-economische neoliberale manier van denken voor de miljardairs zo aantrekkelijk is. En dat Buchanan zich door Charles Koch liet financieren.

Dat brengt ons nog even bij die zelfgegraven valkuil uit het vorige bericht. Als je de theorie aanhangt dat iedereen uitsluitend wordt gemotiveerd door het eigen belang, en dus handelt volgens het statuscompetitie-patroon, geldt die theorie dan ook voor jou? Of ben jij de uitzondering? En hoe kan er dan een uitzondering zijn? 

Jonathan Aldred gelooft, in zijn Licence to be bad (p. 88), dat Buchanan duidelijk alleen maar door zijn "academic values and interests" gemotiveerd werd. Hij zou dus de uitzondering zijn op zijn eigen theorie. 

Uit Nancy MacLeans Democracy in Chains komt daarentegen veel meer het beeld naar voren van een in de statuscompetitiecultuur (culture of honor) van het Amerikaanse Zuiden opgegroeide man, die dus zowel dat beeld van een onveilige wereld als zijn eigen geneigdheid tot statuscompetitiegedrag van huis uit had meegekregen. Een man dus die het geen probleem vond om zich in dienst te stellen van het Grote Geld. Zie hier het volgende bericht.

vrijdag 6 november 2020

Is de democratie een institutionalisering van onze morele gemeenschapsintuïties? Of is dat romantische en illusoire onzin en is er alleen maar het eigenbelang?

Volgens het vulgair neoliberale economisch denken handelt iedereen alleen maar uit eigenbelang. Maar dat is in de sociale ruimte van de markt geen probleem, want als de markt maar zoveel mogelijk ongereguleerd zijn werk kan doen, dan is de evenwichtsuitkomst de beste toestand die je maar kunt hebben. Er zijn in ieder geval sommigen op vooruitgegaan en niemand is er op achteruitgegaan. En dat ligt eraan dat alle transacties vrijwillig zijn gesloten.

In het vorige bericht ging het over de complicatie van dat soort denken die opduikt als je het op de democratische besluitvorming toepast. Hoe krijg je het voor elkaar dat er in een democratie, waarin je met een meerderheidsregel besluiten neemt, geen verliezers zijn? En de uitkomsten dus zoveel mogelijk lijken op die van de markt? Iedereen een vetorecht, dus de eis dat alle besluiten unaniem dienen te worden genomen, is in theorie een oplossing. Maar heeft natuurlijk als bezwaar dat er altijd wel iemand tegen is en dat je dus nooit iets kunt besluiten. Wat te doen?

De oplossing die de public choice-economen bepleitten is dat belangrijke besluiten alleen met een zeer grote meerderheid (2/3 of zelfs 5/6) genomen zouden moeten kunnen worden. (Dat zijn vier werkwoorden achter elkaar, maar als ik het goed heb klopt de zin.) Om zoveel mogelijk te voorkomen dat gewone meerderheden de democratische overheid misbruiken ten koste van minderheden. In het Amerikaanse Republikeinse jargon zouden die minderheden de makers zijn, dus de hardwerkende ondernemers, en de meerderheden de takers, de klaplopers die zo hoog mogelijke uitkeringen willen.

James M. Buchanan, zie weer het vorige bericht, bepleitte in datzelfde verband om toch vooral de mythe van de noodzaak van begrotingsevenwicht in stand te houden. Hij was zich er wel degelijk van bewust dat het economisch gezien onzin was om van de overheid te eisen dat ze nimmer meer mogen uitgeven dan er binnenkomt. En dat elke nieuwe uitgave meteen moesten worden gedekt met een nieuwe belastingverhoging. Maar het was beter om de mythe van het huishoudboekje zoveel mogelijk in stand te houden, want de democratische overheid moest immers aan banden worden gelegd. Zie Buchanan, Popular Myths, and the Social Responsibility of Economists, noot 18, die ik voor de liefhebbers maar even in zijn geheel citeer: 

In the mid‐1950s, having an “annually balanced budget”—in its strictest form, it simply means that the budget of the state should always, and annually, be balanced—was debated. On the one hand, it was viewed as “orthodox” (Soloway 1957, p. 37), “a hallmark of sound or orthodox finance.” (Fackler 1957, p. 330). But, on the other hand, this “fiscal commandment” was losing “much of its sanctity” (Soloway 1957, p. 40). Indeed, an annually balanced budget was not without problems. It could generate inflation and was too constraining for the economy, especially in periods of crisis—“an annually balanced budget is neither possible nor desirable under adverse economic conditions” (Fackler 1957, p. 340). Buchanan, for his part, believed that this rule was a “myth” but nonetheless insisted on sticking to it. The reason can be understood indirectly in the only reference he made in a published article about that. In “Wicksell on Fiscal Reform: A Comment” (Buchanan 1952b), he regretted that “the ‘myth’ of the annually balanced budget” had been “abandon[ed] … as a result” he explained, “of the Keynesian impact on fiscal policy.” (Buchanan 1952b, p. 602) He thus blamed Keynes and the Keynesians. In his notes for the “fiscal philosophy” project, Buchanan insisted that “[i]t has been some fifteen years since Mr. Keynes set off the chain reaction which exploded completely the myth of the annual balanced budget” (Buchanan 1951–52, IV, p. 2). It had become so out of fashion that, preparing a seminar presentation, Buchanan joked about “a young graduate student” who was “in awe” because he had seen “an ancient gentleman walked past. For he had seen in person the only living being economist who still believed in the annual balanced budget as the fundamental principle of fiscal policy.” (for more details, see Marciano 2020).

Dat is een mistroostige visie op de democratie, logisch voortkomend uit een mistroostige visie op de menselijke natuur. Ik noemde al dat die public choice-economen weinig geïnteresseerd waren in een empirische onderbouwing van hun stellingen. Economie bestond, en bestaat, overwegend uit mathematische afleidingen uit enkele eenvoudige veronderstellingen. Paul Romer, ooit hoofdeconoom van de Wereldbank, bekritiseerde in 2016 die werkwijze als "Assume A, assume B, ... blah blah blah .... And so we have proven that P is true." (The Trouble With Macroeconomics). 

Op dit blog kom je. zoals bekend bij de volgers ervan, een heel andere visie op de democratie, en op de menselijke natuur, tegen. Volgens die visie is de democratie een hedendaagse poging om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven en te institutionaliseren. Die intuïties fluisteren ons in dat we met elkaar rekening moeten houden, dat iedereen meetelt, dat rechtvaardigheid goed is en dat we overheersing van de een door de anderen afkeuren. Denk aan "De gemeenschap, georganiseerd in de staat..." als grondslag voor de naoorlogse verzorgingsstaat. Wat inhoudt dat de verzorgingsstaat de natuurlijke uitkomst is van de democratie. Buchanan vond die visie romantische en illusoire onzin. 

Laten we eens het onderzoek erbij halen. Er is vast meer, maar toevallig was er recentelijk de studie What Motivates People to Vote? The Role of Selfishness, Duty, and Social Motives When Voting. Daaruit komen aanwijzingen naar voren voor een grote meerderheid van (Amerikaanse) burgers die meedoen aan verkiezingen omdat ze daartoe door morele gemeenschapsintuïties gemotiveerd worden. 44 procent zegt te stemmen "to support people and causes that I care about, so that those people and causes may be more successful", 23 procent "because I think it is the right thing to do and I feel better about myself when I do.” en 18 procent "because it makes me feel like I am participating in something larger than myself: it makes me feel like I am part of a community.”

Daartegenover staat slechts 13 procent die duidelijk uit eigen belang-overwegingen zijn stem uitbrengt, "to increase my income or reduce my expenses: for example, I vote because there is a potential economic benefit, such as reducing taxes or increasing government benefits.”

Aanwijzingen dus dat die mistroostige visie van dat vulgair neoliberale economische denken op de democratie weinig steun vindt in het empirisch onderzoek.

In een volgend bericht meer daarover. Hier het volgende bericht.

dinsdag 3 november 2020

Over de neoliberale wens om de democratische overheid grondwettelijk in te perken. En over James Buchanan en de Chileense grondwet

De tweede complicatie van de morele rechtvaardiging voor het vulgair-economisch neoliberale denken is die van het vetorecht. Zie hier het vorige bericht. Die morele rechtvaardiging bestaat er uit dat alles moet voldoen aan de eis van vrijwilligheid. Niemand mag worden gedwongen om een verlies te accepteren. En dat komt inderdaad overeen met de morele gemeenschapsintuïtie van de vrijheid van overheersing.

Die complicatie van het vetorecht duikt op zodra die neoliberale economen hun veronderstelling dat iedereen zich uitsluitend laat leiden door eigenbelang, gaan loslaten op de democratische overheid. In die neoliberale visie is de overheid hoogstens een noodzakelijk kwaad (en in de libertaire variant van het neoliberalisme alleen maar een kwaad). Er moeten nu eenmaal ook collectieve besluiten worden genomen, dus democratisch en dus met een of andere besluitvormingsregel. In de praktijk is dat dan de meerderheidsregel.

En die meerderheidsregel zet de deur open voor verliezende minderheden. Nu kun je daar tegenin brengen dat je verlies en winst niet per besluit moet bepalen, maar over een reeks van besluiten. Winst en verlies kunnen dan op den duur zo over iedereen worden gespreid dat er per saldo geen verliezers zijn en misschien zelfs alleen maar winnaars. Maar daar brengen die neoliberale public choice-economen, zoals James Buchanan, dan weer tegenin dat dit mechanisme van stemmenruil onvermijdelijk leidt tot een steeds maar uitdijende overheid. Wat weer ten koste zou gaan van de markt en de markt is uiteindelijk de bron van welvaart bij uitstek. Dus zijn er met een meerderheidsregel uiteindelijk toch altijd verliezers.

De oplossing zou er dan uit moeten bestaan dat een grondwet moet worden ontworpen die dit mechanisme aan banden legt en die dus bij benadering een vetorecht introduceert. Dit leidde tot de school van de constitutional economics, met Buchanan als voorman, die daar in 1986 zelfs de Nobelprijs voor ontving. 

Een concrete uitwerking daarvan was de grondwet die in Chili tot stand kwam tijdens de dictatuur van Augusto Pinochet. Die grondwet moest voorkomen dat een linkse meerderheid besluiten zou kunnen nemen. We zagen dat de Chilenen zich kortgeleden in een referendum met een ruime meerderheid van 78 procent hebben uitgesproken voor vervanging van die grondwet. Er is discussie over in hoeverre die Pinochet-grondwet mede op advies van Buchanan tot stand kwam. 

Buchanan bracht namelijk in 1980 een bezoek aan Chili op uitnodiging van personen die dichtbij het regime stonden. In lezingen pleitte hij voor een grondwet met strenge beperkingen aan de macht van de democratie. De overheidsbegroting zou altijd in evenwicht behoren te zijn. Tot nieuwe uitgaven zou slechts kunnen worden besloten als er een dekking met verhoging van belastingen tegenover zou staan. En besluiten van enige betekenis zouden slechts met supermeerderheden genomen moeten kunnen worden:

"It must be ensured that a system exists in which only a large majority, 2/3 or 5/6 of the legislative body, can approve each new expense".

Dat citaat is uit Democracy in Chains. The deep history of the radical rights stealth plan for America van Nancy MacLean (p. 159).  Volgens MacLean stelde Buchanan zich daarmee willens en wetens in dienst van een brute dictatuur, die tegenstanders opsloot en martelde en de media aan banden legde. Met een dictator aan het hoofd die zijn macht misbruikte om zichzelf te verrijken. Het is opmerkelijk dat Buchanan weliswaar zijn Chileense lezingen keurig in zijn biografische gegevens bleef vermelden, maar zich later nooit kritisch heeft uitgelaten over dat Pinochet-bewind en de mogelijke invloed die hij daarop had uitgeoefend. 

Volgens MacLean was die invloed er wel degelijk (p. 165):

Nor did Buchanan ever publicly criticize the final constitution as promulgated by the junta. On the contrary, he continued to promote constitutional revolution, thereafter more single-mindedly, and to seek out support from wealthy funders who might help effect it. From this we can only conclude that he was well aware of the Pandora's box he had helped open in Chile for the genuine, not merely metaphorical, corruption of politics, but he valued economic liberty so much more than political freedom that he simply did not care about the invitation to abuse inherent in giving nearly unchecked power to an alliance of capital and the armed forces.

Dat is nogal vernietigend. Een verdediging van Buchanan geeft Andrew Farrant in What Should (Knightian) Economists Do? James M. Buchanan's 1980 Visit to Chile.

Dat is één aspect van de complicatie van het vetorecht. Het grondwettelijk willen inperken van de democratische overheid kan juist vrij baan geven aan de dictatuur van een zichzelf verrijkende elite.

Maar er is een tweede aspect. En dat heeft te maken met die veronderstelling dat ook in de democratie iedereen zich uitsluitend laat leiden door het eigen belang. Dat er ook morele gemeenschapsintuïties zouden kunnen bestaan, wordt door Buchanan als romantische onzin terzijde geschoven. 

Ik noemde al dat je daar enige empirische onderbouwing voor zou willen. Als je daar naar op zoek gaat, wat Buchanan dus niet deed, dan vind je juist sterke aanwijzingen voor het tegendeel. Kiezers in een democratie blijken in hun stemgedrag juist sterk door morele gemeenschapsintuïties (altruïsme, gevoel van morele verplichting) te worden gedreven. Daarover in het volgende bericht meer.

vrijdag 30 oktober 2020

De zwartgallige visie van het vulgair-economische neoliberale denken op de democratische overheid

Dat het vulgair-economische neoliberale denken in de afgelopen tientallen jaren in het denken over politiek en maatschappij zo kon domineren, kan er zoals gezegd mee te maken hebben dat er een morele rechtvaardiging voor viel te geven. Dat was het morele primaat van vrijwilligheid, dat besloten lag in het uitgangspunt van de consumentensoevereiniteit, het beginsel dat de persoon zelf de beste beoordelaar is van zijn/haar eigen welzijn. In de sociale ruimte van de markt gaan individuen vrijwillige transacties met elkaar aan met als uitkomst een Pareto-optimaal evenwicht. De best denkbare collectieve uitkomst omdat niemand er iets bij inschiet. En omdat er dus geen verliezers zijn, heeft niemand een reden om er tegen te zijn. Dat appelleert aan de morele gemeenschapsintuïtie van de vrijheid van overheersing.

In het vorige bericht ging het over een van de twee complicaties van dat morele primaat van vrijwilligheid, de complicatie namelijk dat wat voor iemands welzijn het beste is afhankelijk is van wat anderen doen. Waardoor er niet één, maar twee evenwichten mogelijk zijn, een goed evenwicht (gemeenschap) en een slecht evenwicht (statuscompetitie). Dat leidde tot de conclusie dat de echte uitdaging niet die is van de economie (hoe marktwerking te bevorderen), maar die van de sociologie en de sociale wetenschappen (hoe het gemeenschapsevenwicht dichterbij te brengen en het statuscompetitie-evenwicht zoveel mogelijk te vermijden).

Maar er is ook die tweede complicatie, die van het vetorecht. Die komt binnen als we bedenken dat dat vulgair-economische neoliberale denken niet alleen op de markt, maar ook op de overheid werd losgelaten. Dat is bekend geworden als de public choice-theorie. De grote voorman daarvan was James M. Buchanan, waar ik in 2013 over schreef, naar aanleiding van zijn overlijden. Zoals je daar kunt lezen, was ik nog langer geleden een bewonderaar van Buchanan, vooral vanwege zijn boek The Limits of Liberty. Buchanan was van mening dat je als econoom die de markt bestudeert, er van uitgaat dat mensen hun eigen belang nastreven, dat je dat dan ook moet doen als je het gedrag van politici en ambtenaren bestudeert. Ik vond dat toen, ik was nog jong en onervaren, wel een interessante (verfrissende?) benadering.

Die opvatting, die de grondslag vormde voor die public choice-school, wordt in het eerder dit jaar verschenen artikel van Alain Marciano Buchanan, Popular Myths, and the Social Responsibility of Economists omschreven als:

Buchanan insisted that political decisions are self‐interested—“there is no representation of the public interest in the modern state” (p. 10) or “[t]he planners in modern society are essentially simple and selfish men, and will remain so” (p. 17). Hence, as Buchanan put it, economists “must assume that public policy is made by simple‐minded men who, on the whole are more interested in promoting sectional or group interests than the more vaguely defined social interest.” (p. 17) Obviously, he did not wait until the end of the 1970s to insist that we should replace “romantic and illusory set of notions about the workings of governments … with more realistic notions” (Buchanan 1979). He had already done that in the early 1950s. Similarly, Buchanan was not very romantic about voters—“there are rather severe limits to the intelligence of a citizenry” (p. 5) or “there seems to be definite limits to the political and economic wisdom of the average voter in the modern democracy” (p. 11).17

Dat er zoiets als een publiek of algemeen belang bestaat waar politici, uitvoerenden en kiezers door gemotiveerd kunnen zijn, dat moet dus als romantische en illusoire onzin terzijde worden geschoven. Je moet de overheid net zo bestuderen als je de markt bestudeert, dus met als uitgangspunt dat iedereen allen maar de eigenbelangen nastreeft. Dat de democratie een collectieve uitingsvorm zou kunnen zijn van onze morele gemeenschapsintuïties, de gedachte die je tegenkomt in mijn reeks blogberichten over de democratie in de mensheidsgeschiedenis, dat is volgens Buchanan een onrealistische en romantische gedachte. 

Als je die lijn volgt, en Buchanan bleef dat tot aan zijn dood doen, dan moet je met de democratische overheid altijd oppassen. Want terwijl al die individuele eigenbelangen op de markt tot een heel goede uitkomst leiden, kunnen ze in de democratie de meerderheidsregel misbruiken om deelbelangen te behartigen. Met minderheden die niet meeprofiteren, ja, zelfs verliezen moeten incasseren. Coalities kunnen elkaar aan meerderheden helpen voor uitgaven waarvan de kosten steeds mede door minderheden worden gedragen. En zo krijg je een steeds maar uitdijende overheid. Zie nog eens dat vorige bericht over Buchanan.

Dat is een nogal zwartgallige visie op de democratische overheid. Waarvoor je enige empirische onderbouwing zou wensen, maar die vond Buchanan duidelijk niet nodig. Daarover later meer. Maar de implicatie ervan was dat je de democratische besluitvorming flink aan banden moet leggen. En dat leidde binnen die public choice-school tot interesse in hoe grondwetten er uit zouden moeten zien en in de vraag hoe mensen gezamenlijk en in overleg tot een goede grondwet zouden kunnen besluiten. Precies daarover gaat dat al genoemde boek The Limits of Liberty.

En ook daarin is dat Pareto-optimum, waarin er dus geen verliezers behoren te zijn, de leidende gedachte. De democratie zou eigenlijk zo moeten functioneren dat er net zo als op de markt geen verliezers kunnen bestaan. Idealiter zou dus iedereen, consequent doorgeredeneerd, een vetorecht behoren te hebben. Want dan kan iedere verliezer een besluit tegenhouden.

En dan zijn we dus bij die tweede complicatie, die van het vetorecht, terechtgekomen. Want met een vetorecht voor iedereen zou een democratie natuurlijk nooit kunnen functioneren. Dus moest daar door die public choice-denkers en de vulgair-economische denkers van het neoliberalisme iets op worden gevonden. Wordt vervolgd. Zie hier het vervolgbericht.

maandag 27 november 2017

De opkomst van het Grote Geld en de extreemrechtse ideologie van de kleine overheid - Hoe kon het gebeuren?

In een wat mildere vorm (maar wie zal zeggen wat er nog komt) maken we in Europa mee wat in de Verenigde Staten, met het Trump-bewind, nu misschien op zijn hoogtepunt is: de dominantie van de neoliberale, maar vooral ook extreemrechtse, ideologie van het Grote Geld en de kleine overheid.

Trump heeft kiezers weten te trekken met beloftes aan de gewone man, maar zijn "beleid", als je wat hij doet als hij niet twittert en niet golft zo mag noemen, komt er op neer dat het Grote Geld regeert.

Er ligt een belastingplan klaar ten gunste van de allerrijksten en ten nadele van de middenklassen en de armen en zieken. De opzet ervan is ook dat het begrotingstekort zal oplopen, daarmee argumenten leverend om te snijden in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg (Obamacare). De banken en het bedrijfsleven worden en zullen worden gedereguleerd. Milieuwetgeving? Weg ermee. Consumentenbescherming? Linkse hobby. Al met al: de overheid moet een kopje kleiner gemaakt.

Hoe heeft het zover kunnen komen? De twee boeken die Diane Ravitch bespreekt in de New York Review of Books bespreekt (Big Money Rules), geven een deel van het antwoord. Het Grote geld regeert.

In Democracy in Chains: The Deep History of the Radical Right’s Stealth Plan for America doet Nancy MacLean verslag van haar onderzoek naar de rol die econoom en Nobelprijswinnaar James M. Buchanan in de ontwikkelingen heeft gespeeld. Buchanan had een als realisme verpakte cynische kijk op de politiek in een democratie.

Politici zijn, net als iedereen, alleen maar geïnteresseerd in hun eigen belang. In een democratie met een meerderheidsstelsel betekent dat noodzakelijkerwijs dat ze hun oren laten hangen naar de profiteurs, en zij die dat willen worden, van overheidsprogramma's en -voorzieningen. Ze zullen dus steeds meer van die programma's (sociale zekerheid, gezondheidszorg, volkshuisvesting, gratis onderwijs) aanbieden, waardoor de overheidsuitgaven groeien en de belastingen omhoog gaan.

Allemaal ten koste van de rijken, die immers getalsmatige in de minderheid zijn. Hoe te voorkomen dat de democratie een  Leviathan wordt, met een steeds maar uitdijende overheid, waarin de rijke niet meer rechtmatig van zijn rijkdom kan genieten?

MacLean laat in haar boek zien hoe de Republikeinse miljardair Charles Koch in contact kwam met Buchanan en hem en zijn universiteit sponsorde. Later volgden andere rijke donors.

Ik geloof niet dat Buchanan zich in dienst stelde van de Grote Geld. Maar zijn idee dat de democratie een gevaar oplevert voor de (in zijn ogen gerechtvaardigde) wens van de rijken om hun rijkdom in stand te houden, spoorde natuurlijk precies met wat die miljardairs voor ogen hadden.

Lang geleden verdiepte ik mij in het werk van Buchanan en was ik, ik geef het toe, een bewonderaar van zijn The Limits of Liberty. Between Anarchy and Leviathan (uit 1975). Bij zijn overlijden in 2013 schreef ik dit blogbericht: Dreigt de overheid te groot te worden? Aanleiding voor deze vraag: het overlijden van James M. Buchanan.

In een volgend bericht over dat andere boek dat Diane Ravitch bespreekt: The One Percent Solution: How Corporations Are Remaking America One State at a Time.

donderdag 10 januari 2013

Dreigt de overheid te groot te worden? Aanleiding voor deze vraag: het overlijden van James M. Buchanan

Dreigt de overheid te groot te worden? Is er een in de democratie ingebakken mechanisme dat de overheid steeds maar laat uitdijen? En moet daar niet paal en perk aan gesteld worden?

Deze vragen komen op naar aanleiding van het overlijden van de Amerikaanse econoom James M. Buchanan. Hij is 93 jaar geworden. Zie onderaan de link naar het bericht in de New York Times dat daar gisteren melding van maakte. James Buchanan maakte naam met het toepassen van het economische gedragsmodel op de democratische besluitvorming. Hij was daarmee een van de twee grondleggers van het Public Choice specialisme binnen de economie (de andere was Gordon Tullock). Binnen dat specialisme legde hij zich ook toe op het probleem hoe strikt economisch gemotiveerde mensen in staat zijn om gezamenlijk een grondwet te ontwerpen en probeerde hij te laten zien hoe zo'n grondwet er uit zou zien. Dat werd het terrein van de Constitutional Economics. Hij kreeg voor zijn werk in 1986 de Nobelprijs voor economie.

Ik was ooit een bewonderaar van James Buchanan. Dat moet eind jaren 70 en begin jaren 80 van de vorige eeuw zijn geweest. Buchanan ontwikkelde een "niet-romantische" visie op het functioneren van de politiek. Hij vond dat je als econoom, die als hij het marktgedrag van mensen bestudeert, er van uit gaat dat mensen zich laten leiden door hun individuele eigenbelang, daar ook van uit moet gaan als je de politiek en het openbaar bestuur analyseert. En dat je dus niet moest aannemen dat politici en bureaucraten "idealistisch" gemotiveerd zijn om het algemene belang te dienen. Dat kunnen ze misschien wel van zichzelf zeggen, of van zichzelf denken, maar ga er maar van uit dat ze zich in hun feitelijke gedrag laten leiden door eigenbelang.

Dat was een nuchtere benadering die mij in die tijd wel aanstond, ontevreden als ik was met het lage analytische niveau van het vak sociologie. Ik las dus The Calculus of Consent (eerste druk 1962) van Buchanan en Tullock en The Limits of Liberty van Buchanan. Dat laatste boek verscheen in 1975 en het staat nog in mijn boekenkast. Ik heb het weer even tevoorschijn gehaald. Dat ik het zeer intensief heb bestudeerd, blijkt er wel uit dat het van de eerste tot de laatste pagina vol staat met potloodstrepen en aantekeningen onder en boven aan de pagina's. Geen wonder, want ik heb er ook heel wat jaren colleges aan gewijd.

Natuurlijk is niet alles mij bij gebleven. Wat me wel weer meteen te binnen schoot, is het mechanisme van de stemmenruil (logrolling). Dat houdt in dat veel voorstellen op zichzelf niet de vereiste meerderheid halen, maar dat er wel meerderheden kunnen ontstaan als parlementariërs een deal maken. In de trant van: als jullie ons voorstel aan een meerderheid helpen, doen wij hetzelfde met een voorstel van jullie. Als dit gebeurt, kan het er toe leiden dat een serie voorstellen die niet "efficiënt" is (in de zin dat de collectieve welvaart er niet door toeneemt), toch wordt aangenomen en in beleid wordt omgezet.

Dit was volgens Buchanan en Tullock een van de oorzaken van de volgens hen te veel uitdijende omvang van de overheid. Vooral Tullock was er goed in om steeds maar te laten zien hoe de overheden na de Tweede Wereldoorlog exorbitant in omvang groeiden. (Ja, logisch, de verzorgingsstaat werd opgebouwd.)

In The Limits of Liberty ging Buchanan na hoe een grondwet zou kunnen ontstaan die dit soort mechanismen niet zou toelaten. Dit zou een grondwet moeten zijn die maximaal individuele vrijheid toestaat, dus individuen tegen de overheid beschermt, terwijl ze tegelijk natuurlijk die overheid ook nodig hebben. Hij gaat daarbij heel consequent uit van Pareto-optimaliteit als eis waar alles aan moet voldoen. Dat houdt in dat alleen welvaartsverbeteringen zijn toegestaan waarbij niemand er op achteruitgaat. En dat betekent praktisch gezien dat een grondwet dus zo in elkaar zou moeten zitten dat hij met unanimiteit zou worden aangenomen. En dat betekent weer dat de voorafgaande status quo, met de daarin bestaande ongelijkheden, dus in stand blijft nadat de grondwet is aangenomen. Want de rijkeren willen natuurlijk niet iets inleveren en dat hoeven ze ook niet, want ze hebben veto-recht. Update. Zie nu ook het bericht Er zijn goede economische argumenten voor minder ongelijkheid voor meer over dat Pareto-criterium.

Het aardige is dat deze redeneringen enigszins duidelijk maken wat er in de actualiteit aan de hand is. Want wat zien we? Politiek rechts grijpt de economische crisis aan om de overheid een kopje kleiner te maken. De crisis is een mooie aanleiding om te bezuinigen. Want de overheid is te groot geworden. En tegelijkertijd is er het Europese besluit dat landen geen tekort mogen hebben dat hoger is dan 3 procent. En moet er in de Verenigde Staten van jaar tot jaar worden besloten om het wettelijk vastgesteld plafond van de overheidsschulden te verhogen. Eerst worden allerlei wetten aangenomen, waarvan de uitvoering geld kost. En als al die kosten opgeteld boven dat plafond uitkomen, dan moet eerst een wet worden aangenomen om dat plafond te verhogen. En er zijn de Republikeinen die serieus menen dat de exorbitant rijke Amerikanen in bescherming moeten worden genomen tegen de "gulzige" overheid die hen wat meer belasting wil laten betalen.

Dit alles is er volledig op gebaseerd dat overheden die innerlijke tendens hebben om steeds maar door te blijven groeien. En daar moet dus een rem op worden gezet. Dat werk van Buchanan en andere conservatieve denkers heeft dus een grote invloed gehad.

Maar het bizarre is dat die hoge  overheidstekorten helemaal niet zijn ontstaan door stemmenruil (en door bureaucratische uitdijing). Ze zijn ontstaan doordat overheden de financiële sector te hulp moesten schieten. (En in de V.S. bovendien door de belastingverlagingen van de regering-Bush.) Het is dus wel zaak om nog maar eens goed na te denken over de vraag of die analyses van Buchanan (en Tullock) eigenlijk wel onverkort kunnen worden gehandhaafd.

James M. Buchanan, Economic Scholar, Dies at 93 - NYTimes.com:

'via Blog this'