Posts tonen met het label eenzaamheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eenzaamheid. Alle posts tonen

maandag 11 november 2024

De eenzaamheid van een fundamenteel sociale diersoort

Op verzoek van Sozio - Vakblad voor sociaal professionals en het sociaal domein maakte ik een bewerking van een aantal berichten op dit blog die samen ook als LinkedIn-Nieuwsbrief verschenen. 

Die bewerking is ondertussen verschenen in Sozio 3, 2024, dat gewijd was aan het thema 'Afgeschakeld'.

Voor de volgers van dit blog hieronder te lezen.

 

Juist doordat mensen zo fundamenteel sociaal zijn, zijn er omstandigheden waaronder ze afhaken

Henk de Vos

 

Bijna de helft van de Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder voelt zich eenzaam, waarvan bijna 15% sterk eenzaam. Eenzaamheid ontstaat door het wegvallen van belangrijke contacten of door het zich terugtrekken uit een sterk competitieve omgeving. Via een verhoogde ontstekingsactiviteit leidt dit tot gezondheidsproblemen. Bovendien raken eenzamen meer op zichzelf gericht, waardoor ze nog eenzamer worden.

Bijna de helft heeft ooit in het leven een psychische aandoening gehad, waarvan 29% een angststoornis, 26% een stemmingsstoornis, zoals depressie, en 17%  een alcohol- of drugsstoornis. Ook is het bekend dat het ervaren van sociale onveiligheid (verlies, intimidatie, vernedering, verraad), gemeenschappelijk is aan de kans op vrijwel alle psychische aandoeningen.

Een onbekend, maar aanzienlijk deel van die eenzamen en psychisch kwetsbaren leeft in een sociaal isolement, zelfgekozen of door omstandigheden. Het gaat om jongeren die thuiszitten in plaats van naar school gaan. Schattingen variëren van ruim 3000 tot 20.000. Maar ook  personen met verward gedrag, die alleen in beeld komen als er overlast wordt gemeld bij de politie. In 2023 werd er een recordaantal meldingen van 141.724 geregistreerd.

Daarnaast bestaan er nog een onbekend aantal anderen die zich uit de samenleving hebben teruggetrokken of hebben moeten terugtrekken. Dat kan er aan liggen dat ze door armoede de middelen ontberen om deel te nemen aan de samenleving. In 2022 leefden 335.000 van de bijna 7,7 miljoen huishoudens in armoede. Leden van die huishoudens zijn minder vaak actief in een vereniging, doen minder vaak vrijwilligerswerk en voelen zich vaker eenzaam. 

En aan de andere kant van de inkomens- en vermogensverdeling is er natuurlijk ook de groep extreem rijken, de miljardairs, waarvan velen zich in hun eigen cocon hebben teruggetrokken en hun middelen in de politiek en media aanwenden om hun bevoorrechte positie te beschermen. In plaats van aan de maatschappij deel te nemen, proberen ze die naar hun hand te zetten. Dat is ook een vorm van afhaken.

We leven kortom in een maatschappij met een grote, divers samengestelde groep van afgehaakten of ´afgeschakelden´, waarvan je niet meer kunt zeggen dat ze deelnemen aan de samenleving.

Dat is natuurlijk in brede kring bekend. Maar de vraag is of die brede kring wel genoeg doorheeft wat hier eigenlijk aan de hand is. Want is het niet zo dat de mens een bij uitstek sociale diersoort is? Met een fundamenteel sociale natuur, die een sociale inbedding nodig heeft om zich goed te voelen en goed te functioneren? Zou het dan niet tot veel meer verontrusting moeten leiden dat zoveel mensen zijn afgeschakeld?

Uit sociaalwetenschappelijk onderzoek komen veel aanwijzingen naar voren voor die fundamentele sociale natuur. Als je inzicht wilt in wat het precies betekent om wel deel te nemen, om niet afgeschakeld of uitgesloten te zijn, dan is het zaak om daarvan kennis te nemen.  Zodat je uiteindelijk inzicht krijgt in wat er allemaal bij komt kijken als je afgeschakelden helpt om weer deel te nemen. En als je een samenleving zou willen waarin iedereen meedoet.

Gelukkiger zijn door anderen te helpen, om te delen en te schenken.

De fundamenteel sociale menselijke natuur blijkt er bijvoorbeeld uit dat mensen met hoge bloeddruk door geld aan iemand te schenken in plaats van het zelf te besteden hun bloeddruk verlaagden. In het algemeen weten we uit onderzoek dat prosociaal gedrag (delen, schenken, anderen bijstaan, met anderen rekening houden) positieve effecten heeft voor de donateur.

Zo was er een onderzoek waarin meer dan 200.000 mensen verdeeld over 136 landen ondervraagd werden. Hieruit bleek dat mensen die in de vorige maand geld hadden gegeven aan een goed doel gelukkiger of tevredener waren met hun leven dan mensen die dat niet hadden gedaan. Dit verband bestond in elk van de zeven onderscheiden cultureel/geografische gebieden: Afrika, Azië, Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europa, Latijns Amerika, Iran en het Midden-Oosten en de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.

Ook vroegen de onderzoekers aan mensen (in een beperkter aantal landen) om terug te denken aan een besteding die ze hadden gedaan ten behoeve van iemand anders (prosociaal) of aan een besteding voor zichzelf. Degenen die gevraagd waren terug te denken aan een prosociale besteding scoorden daarna hoger op een vragenlijstje voor subjectief welbevinden dan degenen die hadden teruggedacht aan een besteding voor zichzelf. En hoger dan degenen die aan geen van tweeën hadden teruggedacht. Ook lieten ze mensen iets voor zichzelf aanschaffen of iets voor een goed doel. Ook dan voelden de mensen die iets hadden aangeschaft voor een goed doel zich beter dan degenen die iets hadden aangeschaft voor zichzelf. Dit wijst er op dat de oorzakelijke richting van het verband inderdaad die is van het iets geven naar het zich beter voelen.

In een ander onderzoek verdeelden de onderzoekers proefpersonen over een groep, die in het vooruitzicht werd gesteld dat ze geld zouden krijgen om aan anderen weg te geven, en een groep met het vooruitzicht dat ze geld zouden kregen om voor zichzelf te besteden. Daarna waren beide groepen gelukkiger dan ze daarvoor waren, maar dat gold meer voor de  groep die geld weggaf dan voor de groep die het voor zichzelf besteedde.

Vervolgens kregen de proefpersonen in het laboratorium de gelegenheid om verschillende opties te accepteren of af te wijzen, waarin een zelfgekozen andere persoon een bepaald bedrag aan geld zou ontvangen tegen een verlies aan geld voor de proefpersoon zelf. Het ging er dus om hoe prosociaal je bent ook als het jezelf iets kost. Die taak voerden ze uit terwijl hun hersenactiviteit werd gemeten met een fMRI-scan.

Het bleek toen dat de groep die geld had weggegeven prosocialere keuzes maakte en zich na afloop gelukkiger voelde. Dat was ook af te lezen aan de verschillen in activiteit van de hersengebieden die onder meer samenhangen met prosociaal gedrag (de temporaal-pariëtale junctie), met beloond worden en het hebben van een goed gevoel (het ventrale striatum en de orbitofrontale cortex) en de activiteit van de verbindingen tussen die gebieden.

Ook is er een overzichtsstudie waarin onderzoekers 27 experimentele studies bij elkaar haalden. Hierbij, ging het om prosociaal gedrag dat ook echt werd uitgevoerd, in plaats van dat proefpersonen zich dat voorstelden. In totaal waren er ruim 4000 proefpersonen, meestal studenten.

Een voorbeeld van de opzet van zo'n onderzoek is dat de mensen de instructie kregen om gedurende een week elke dag vijf keer iets aardigs te doen voor iemand anders (voor iemand de deur openhouden, een vreemde groeten, iemand helpen met studeren) en daar elke avond verslag van te doen. Een ander voorbeeld is dat de mensen een geldbedrag kregen dat ze weg konden geven of voor zichzelf konden houden. In vrijwel alle studies werd de proefpersonen gevraagd hoe gelukkig, tevreden of hoe goed ze zich voelden.

Alles bij elkaar genomen, kwam daar uit dat prosociaal gedrag een positief welzijnseffect heeft, dat qua grootte vergelijkbaar is met de effecten van interventies als mindfulness, positive thinking en count your blessings.

Een zinvol leven leiden

In het onderzoeksterrein van de positieve psychologie maken onderzoekers onderscheid tussen twee opvattingen over wat geluk is:

  1. de hedonische opvatting: geluk is gelijk aan de subjectieve ervaring van plezier en tevredenheid;
  2. de eudaimonische opvatting: geluk is er bij het streven naar een zinvol leven en een nobel doel dat de bevrediging van egoïstische behoeften overstijgt.

Dat onderscheid wordt nog duidelijker als je kijkt naar hoe die twee versies worden gemeten. Hedonisch geluk is meestal het antwoord op een vraag als: "Hoe gelukkig zou u zeggen dat u bent de laatste tijd?" in de vorm van bijvoorbeeld een rapportcijfer tussen 0 en 10. Daartegenover meten onderzoekers de eudaimonische versie bijvoorbeeld met de volgende acht uitspraken, waarbij je kunt aangeven in welke mate je het er mee eens of oneens bent.

1.      Ik leid een doelgericht en zinvol leven.

  1. Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol.
  2. Ik ben betrokken bij en geïnteresseerd in mijn dagelijkse bezigheden.
  3. Ik draag actief bij aan het geluk en welbevinden van anderen.
  4. Ik ben kundig en capabel in de bezigheden die voor mij belangrijk zijn.
  5. Ik ben een goed mens en leid een goed leven.
  6. Ik ben optimistisch over mijn toekomst.
  7. Mensen respecteren mij.

Oké, maar dan zullen mensen die het zeer met deze uitspraken eens zijn, toch ook wel gelukkig zijn? Ja, dat is zo. De correlaties tussen de scores op deze twee maten is over het algemeen hoog. Maar dat is ook weer niet een perfecte samenhang. Maakt het dan wat uit of je meer gelukkig bent in de hedonische of meer in de eudaimonische versie?

Ja, want  onderzoekers vonden een intrigerend verschil in de samenhang van de beide versies van geluk met de werking van het immuunsysteem op het niveau van genenexpressie. Bij mensen met een hogere score op eudaimonisch geluk vonden ze onder andere een lagere expressie van pro-inflammatoire genen. Tegenover juist een hogere expressie bij mensen met een hoog hedonisch geluk.

Anders gezegd, de kans op ontstekingen is lager als je eudaimonisch gelukkig bent dan wanneer je hedonisch gelukkig bent. Biologisch en voor je gezondheidstoestand maakt het dus verschil.

En dat is opmerkelijk, want het lijkt er op dat mensen subjectief gezien weinig tot geen verschil ervaren tussen hedonisch en eudaimonisch geluk. Je voelt je in beide gevallen oké, zoals blijkt uit het feit dat je in beide gevallen even weinig last hebt van depressieve symptomen. Maar op het biologische niveau is er wel degelijk een verschil en dat heeft (op den duur) gezondheidseffecten.

Het is natuurlijk ook weer niet zo dat het hedonische geluk slecht voor je is. Want de positieve gezondheidseffecten ervan zijn bekend. Maar beter is dus het eudaimonische geluk.

Kortom: voel je je gelukkig? Oké. Prima. Maar is je leven ook wel doelgericht en zinvol? Heb je ook wel waardevolle sociale relaties? Ben je dagelijks betrokken en geïnteresseerd? Draag je actief bij aan het welzijn van anderen? Doe je dingen waarin je kundig en capabel bent? Ben je een goed mens? Ben je optimistisch? Respecteren andere je?

Als dat alles zo is, dan zou het kunnen dat je een ietsje minder (hedonisch) gelukkig bent, terwijl dat dan toch beter voor je is. De evolutie heeft ons kennelijk gestuurd in een richting waarin betrokkenheid bij anderen, ontplooiing van onze talenten en het leiden van een zinvol en goed leven bijdragen aan onze gezondheid en overleving.

Hebben mensen dat zelf door?

Als dit alles zo is, dan zullen mensen toch zelf ook door hebben dat het goed is om niet alleen maar aan zichzelf te denken, maar ook aan anderen?

Daar zijn inderdaad aanwijzingen voor. Denk maar aan de alom bekende aansporing uit de Bijbel ’Het is zaliger te geven dan te ontvangen’.

Maar zo eenvoudig ligt het ook weer niet. Want er is onderzoek dat laat zien dat volwassenen juist verwachten dat een egoïstische keuze hen gelukkiger zal maken dan een altruïstische, terwijl het omgekeerde, naderhand, het geval bleek te zijn. Misschien zijn volwassenen al te veel geïndoctrineerd door het opgegroeid zijn in een maatschappij waar veel, zo niet alles, om geld lijkt te draaien. En zijn ze er ten onrechte in gaan geloven dat geld gelukkig maakt doordat het je in staat stelt om je materialistische behoeftes te bevredigen.

Dan zou het bij kinderen dus anders moeten liggen. En dat blijkt inderdaad het geval. Onderzoekers lieten voorschoolse kinderen keuzes maken over het wel of niet weggeven van attractieve stickers. Waarbij de kinderen met behulp van plaatjes van gezichten (de Facial Affective Scale) konden aangeven hoe ze zich verwachtten te voelen en hoe ze zich voelden nadat ze de keuze gemaakt hadden.

Het bleek toen dat kinderen wel degelijk doorhadden dat ze zich door stickers te delen beter zouden voelen. En vooral ook dat ze zich slechter zouden voelen als ze alles voor zichzelf zouden houden. Bovendien gaven de kinderen die meer dit inzicht hadden ook meer stickers weg.

Dat je je door prosociaal gedrag gelukkiger voelt, is dus een besef dat voorschoolse kinderen al (of nog!) hebben. Het zou goed kunnen zijn dat dat inzicht ondersneeuwt bij het opgroeien in een statuscompetitieve en materialistische maatschappij.

Het belang van de sociale omgeving

Alles goed en wel, maar wat zegt al dat onderzoek nu over ons gedrag in het dagelijks leven? Want daar zijn we niet altijd omgeven door anderen die zich ook prosociaal gedragen. We hebben ook contacten met anderen die zich juist competitief opstellen en die het niet per se goed met ons voor hebben. Worden we er dan ook gelukkiger van als we ons hulpvaardig en genereus opstellen? Worden we dan juist niet als zwak gezien en wordt er dan niet van onze goedgevigheid geprofiteerd?

Natuurlijk is dat zo. Onderzoek wijst daar ook op. Onze sociale natuur is flexibel. Of wij vrijgevig en hulpvaardig zijn, hangt er van af of anderen dat ook zijn. Anders gezegd, prosociaal gedrag lokt prosociaal gedrag uit. Cruciaal is of onze sociale omgeving veilig is, dat wil zeggen dat de mensen om ons heen zich prosociaal gedragen. Dan doen wij daar graag en spontaan aan mee. Maar bij onveiligheid, dus als anderen zich competitief opstellen, dan zijn we meteen op onze hoede en laten we niet over ons heen lopen.

En dat betekent natuurlijk dat we alleen dan gelukkiger worden van ons prosociale gedrag als de anderen om ons heen zich ook zo gedragen. En het betekent dat we ons ongelukkig voelen als onze sociale omgeving onveilig is. Als we voortdurend met anderen moeten concurreren en als het voortdurend over winnen of verliezen gaat. We zitten dan in een sociaal inferieure toestand, die gepaard gaat met de stress van de statuscompetitie. We gaan niet meer als gelijken met elkaar om. Want die toestand gaat altijd over in een statushiërarchie, waarin het zaak is om daar zo hoog mogelijk in terecht te komen.

Het is precies als die sociaal inferieure toestand optreedt, dat we het fenomeen van de afhakers en afgeschakelden zien. Degenen onder aan de hiërarchie die de hoop hebben opgegeven en zich uit de strijd hebben teruggetrokken. En degenen aan de top, die alles in het werk stellen om vooral niets van hun exorbitante rijkdommen kwijt te raken.

Voor de welzijnseffecten van prosociaal gedrag moeten we dus vooral kijken naar het collectief, de groep of de maatschappij.

Landen vergeleken

Landen kun je vergelijken op de mate van ongelijkheid en op de mate waarin die menselijke sociale natuur is vormgegeven in wetten en regelingen op het gebied van sociale zekerheid en sociale bescherming.

Een voorbeeld van het eerste is een onderzoek naar de effecten van de mate waarin de burgers van een land ongelijkheid in macht en invloed en daarmee gepaard gaande verschillen in privileges als onvermijdelijk accepteren en zich daarbij neerleggen. Die “machtsafstand” is een van de dimensies waarmee Geert Hofstede landen naar hun cultuur onderscheidde. Machtsafstand staat voor de mate waarin de statuscompetitie in een land is neergeslagen in een stabiele statushiërarchie.

Het blijkt dat de burgers van landen met een geringere machtsafstand gelukkiger zijn. Om de gedachten te bepalen: de machstafstand in landen als Noorwegen en Nederland is lager en de burgers zijn er gelukkiger, terwijl het omgekeerde geldt voor landen als Turkije en Hongarije.

Ook zijn inwoners van landen met meer sociale zekerheid en sociale bescherming (verzorgingsstaten) tevredener met hun leven. Onderzoekers analyseerden gegevens van de landen die bij de OECD (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) zijn aangesloten over de periode van 1981 tot 2007. Ze keken naar de verbanden tussen de omvang van de verzorgingsstaat in een land en de tevredenheid met het leven. Het blijkt dan dat de volgende vier indicatoren voor de mate van overheidsingrijpen in de werking van de markt elk in grote mate de tevredenheid met het leven vergroten:

  • Het totaal van overheidsuitgaven als percentage van het bruto nationaal product (BNP), dus naast de sociale zekerheidsuitgaven ook de uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, consumentenbescherming, fysieke infrastructuur, en dergelijke.
  • De sociale zekerheidsuitgaven als percentage van het BNP.
  • De toegankelijkheid, het bereik en de hoogte van de uitkeringen.
  • De mate van regulering van de arbeidsmarkt (werknemersbescherming).

Die verbanden zijn inderdaad sterk, sterker dan of vergelijkbaar met effecten van getrouwd zijn (versus alleenstaand), van werkloos zijn (versus betaald werk hebben) en een hoger inkomen hebben. Vooral de effecten van de derde en de vierde indicator zijn sterk, dus van de overheidsinterventies die mensen beschermen tegen de risico's van het marktmechanisme.

Zou het zo kunnen zijn dat die verzorgingsstaten vooral gunstig uitwerken voor de lagere inkomens? Omdat die misschien van al die uitgaven en regelingen en herverdeling het meest profiteren? Terwijl de hogere inkomens juist vooral de hogere belastingen moeten opbrengen? Nee hoor, ook de hogere inkomensgroepen voelen zich tevredener als ze in een meer uitgebouwde verzorgingsstaat wonen.

Slot

Wat valt uit dit alles op te maken over het fenomeen van de afgeschakelden? Dat we in een maatschappij leven die maar beperkt tegemoetkomt aan onze fundamenteel sociale natuur. We zouden met zijn allen gelukkiger zijn als we meer een sociaal veilige kring om ons heen hebben, waarbinnen we er voor elkaar zijn. Een samenleving dus, waarin eenzaamheid een zeldzaam fenomeen is. En als we met zijn allen meer wetten en regelingen tot stand zouden brengen die zorgen voor sociale zekerheid en sociale bescherming.

Dat is natuurlijk niet zomaar geregeld. Tot die tijd verdienen de afgeschakelden onze hulp en ondersteuning. Alleen al door die aan te bieden, helpen we hen om weer hoop te krijgen op het (weer) deel uitmaken van een sociaal veilige kring. De kring die mensen nu eenmaal nodig hebben voor een gelukkig en gezond leven.

 

Literatuur

CBS (2023). Armoede en sociale uitsluiting 2023. 19 december. https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2023/51/armoede-sociale-uitsluiting-2023

Dijn, A. de (2022). De prijs van democratie Eén euro, één stem. De Groene Amsterdammer, 43.

Hofstede, G. The 6-D model of national culture. https://geerthofstede.com/culture-geert-hofstede-gert-jan-hofstede/6d-model-of-national-culture/

Kinderombudsman (2024). Te veel kinderen krijgen geen onderwijs, zorgen om blijvende problematiek van thuiszitters.12 april. https://www.kinderombudsman.nl/nieuws/te-veel-kinderen-krijgen-geen-onderwijs-zorgen-om-blijvende-problematiek-van-thuiszitters

Politie (2024). Geen geweld, maar een gesprek. 8 februari. https://www.politie.nl/nieuws/2024/februari/7/00-geen-geweld-maar-een-gesprek.html

Vos, H. de (2013). Te geven is zaliger dan te ontvangen. Toegepaste sociale wetenschap, 25 februari. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2013/02/geven-is-zaliger-dan-ontvangen-maar-de.html

-         (2013). Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter. Toegepaste sociale wetenschap, 9 oktober. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2013/10/gelukkig-zijn-is-prima-maar-een-zinvol.html

-          (2014). De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven. Toegepaste sociale wetenschap, 3 juni. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2014/06/de-verzorgingsstaat-verhoogt-de.html

-         (2016). Geld schenken verlaagt hoge bloeddruk. Toegepaste sociale wetenschap, 23 mei. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2016/05/geld-schenken-verlaagt-hoge-bloeddruk.html

-         (2016). De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen. Toegepaste sociale wetenschap, 10 oktober. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2016/10/de-weg-van-eenzaamheid-en-sociale.html

-         (2016). Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt? Toegepaste sociale wetenschap, 14 juni. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2016/06/hebben-kinderen-beter-dan-volwassenen.html

-         (2017). Prestatiedruk, competitie, stress en ziek worden. Toegepaste sociale wetenschap, 17 januari. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2017/01/moeten-presteren-competitie-chronische.html

-         (2017). Door eenzaamheid raak je meer op jezelf gericht, waardoor je nog eenzamer wordt. Toegepaste sociale wetenschap, 11 juli. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2017/07/door-eenzaamheid-ben-je-meer-op-jezelf.html

-         (2018). Door helpen gelukkiger. Toegepaste sociale wetenschap, 10 april. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2018/04/door-helpen-gelukkiger-alle-onderzoek.html

-         (2018). Hoe minder statushiërarchie in een land, hoe minder corruptie en hoe meer welvaart en hoe gelukkiger. Toegepaste sociale wetenschap, 18 april. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2018/04/hoe-minder-statushierarchie-in-een-land.html

-         (2020). Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. Toegepaste sociale wetenschap, 28 oktober. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2020/10/een-sociologie-die-ertoe-doet-een.html

-         (2024). Een sociaalwetenschappelijk zicht op psychische aandoeningen. Toegepaste sociale wetenschap, 29 maart. https://toegepastesocialewetenschap.blogspot.com/2024/03/een-sociaalwetenschappelijk-zicht-op.html

https://www.staatvenz.nl/kerncijfers/eenzaamheid

https://cijfers.trimbos.nl/nemesis/kerncijfers-psychische-aandoeningen/samenvatting-kerncijfers/

vrijdag 17 december 2021

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 2. Een leven met meer verbinding

Een ander populair-sociaalwetenschappelijk boek over de wenselijkheid van een maatschappij met meer gemeenschapsgerichtheid is De kracht van verbinding. Sociale verbintenis als sleutel tot een betere gezondheid en een fijnere wereld van Vivek Murthy. Het is de vertaling van Together: The Healing Power of Human Connection in a Sometimes Lonely World. 

Terwijl het in het boek dat ik in het vorige bericht besprak ging om de wenselijkheid van meer gemeenschapsgerichtheid afgezet tegen de grote mate van statuscompetitie in onze huidige maatschappij, zet Vivek Murthy die wenselijkheid tegenover de plaag van de grote mate van eenzaamheid. 

Het boek bestaat uit twee delen. De vijf hoofdstukken van deel 1 gaan over de problemen van eenzaamheid, de evolutionaire achtergronden daarvan, de verschillen in eenzaamheid tussen culturen, de toename van eenzaamheid en over het gegeven dat eenzaamheid vaak verborgen is ("Eenzaamheid is een meester in het zich vermommen.").

De drie hoofdstukken van Deel 2 gaan over wat het zoal betekent om meer gemeenschapsgerichtheid (verbinding) tot stand te brengen. Dus over de moeilijkheid van contacten maken, die vergroot wordt als we door die eenzaamheid slecht over onszelf gaan denken. Zelfinzicht en zelfcompassie zijn behulpzaam. Vaak wordt natuurlijk die moeilijkheid overwonnen. Murthy geeft daar fraaie voorbeelden van. (Denk in dat verband ook even terug aan Peter Lovenheim's In the Neighborhood). En hij benadrukt het grote belang van verbinding tussen gezinnen voor het opgroeien van kinderen.

Vivek Murthy is de Surgeon General van de Verenigde Staten, een functie die wij niet kennen. Misschien vergelijkbaar met het voorzitterschap van onze Gezondheidsraad. Zie hier meer over hem.

Dit boek en het vorige gaan over de wenselijkheid van meer gemeenschapsgerichtheid in relaties tussen mensen. Dat zullen we nog vaker tegen komen. Maar gemeenschapsgerichtheid gaat natuurlijk ook over de mate waarin mensen een democratische verzorgingsstaat vormgeven. Dat zal ook nog aan de orde komen. Hier het vervolg.

dinsdag 12 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1

We zijn nu, in 2020, beland in een cruciale periode van de mensheidsgeschiedenis, die zal moeten uitwijzen of we met zijn allen in staat zijn om de gevaren van pandemieën, van de door ons zelf veroorzaakte klimaatverandering, van de grote ongelijkheid en van het bestaan van vernietigingswapens het hoofd te bieden.

Maar als je een grote stap terugdoet, dan valt te constateren dat we ook al sinds de landbouwrevolutie van zo'n 10.000 tot 8.000 jaar geleden in een soort van crisis verkeren. Natuurlijk, die overgang naar landbouw heeft op den duur ook allerlei wenselijkheden voortgebracht: welvaart, wetenschap, techniek, cultuur. Maar daarnaast is er het bekende gegeven dat we, als groepsdier dat erop is voorbereid om samen te werken en te delen in een groep van vertrouwde anderen, in een radicaal andere samenleving zijn terechtgekomen. 

Zo een ingrijpende verandering in de leefomgeving komt in het dierenrijk vaak alleen maar voor als hij gepaard gaat met uitsterving van de soort. Dat ons dat nog niet is overkomen, wijst erop dat wij opvallend flexibel zijn en ons behoorlijk goed kunnen aanpassen. 

Maar die aanpassing gaat ook weer niet zo ver dat je niet allerlei bestaande problemen kunt aanwijzen die met die mismatch te maken hebben tussen waar wij qua aanleg op zijn voorbereid en waar wij na onze geboorte in terechtkomen. Een probleem dat zich opdringt is het opvallende feit van het op zo grote schaal voorkomen van psychische aandoeningen. Zie het eerdere bericht Is slechts een op de vijf mensenlevens een leven zonder een psychische aandoening?

Daarin ging het erom dat in onze huidige sociale omgeving veel geconfronteerd worden met de uitdagingen van statuscompetitie en eenzaamheid, uitdagingen omdat ze niet stroken met onze behoeften aan sociale veiligheid en vertrouwdheid. Het omgaan met die uitdagingen is vaak "succesvol", maar gaat ook dan gepaard met stress. Denk aan het bericht over allostatische belasting en de levensloop. 

En daarmee zou in verband kunnen staan dat we op die grote schaal lijden aan psychische aandoeningen. Ik citeer uit dat eerdere bericht:

Er zijn schattingen dat per jaar tegen de 40 procent last heeft van enige psychische aandoening (angststoornis, depressie, slapeloosheid, somatomorfe stoornis, alcohol- en drugsverslaving of ADHD). Dat die stoornissen te maken hebben met het soort omgeving waaraan mensen zich moeten aanpassen, lijkt waarschijnlijk als je bedenkt dat de meeste problemen beginnen gedurende de adolescentie en jongvolwassenheid. Zie Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis? (...)
Wat zou dat betekenen als je zou kunnen kijken naar hoeveel mensen gedurende hun leven tenminste één periode doormaken waarin ze aan een psychische aandoening lijden? Of anders gezegd, hoeveel mensen blijven er gedurende hun leven van gevrijwaard?
Het nieuwe onderzoek Enduring Mental Health: Prevalence and Prediction geeft daar een antwoord op. Zie ook Mental Illness Is Far More Common Than We Knew. De onderzoekers volgden een generatie inwoners van een stad in Nieuw-Zeeland van de geboorte tot dat ze 38 jaar waren. Wat de jaarlijkse prevalentie betreft, wijkt de stad niet af van wat een normaal gemiddelde is. Het blijkt dan dat voor ruim 80 procent van deze generatie geldt dat ze op tenminste enig moment in hun leven een (overigens vaak korte) periode doormaakten waarin ze last hadden van een psychische aandoening. Slechts 17 procent bleef van enige aandoening gevrijwaard.
Andere studies wijzen in dezelfde richting. Het meemaken van een periode van psychisch lijden lijkt dus eerder de norm dan een uitzondering.

Of al dat psychisch lijden inderdaad uit die mismatch tussen aanleg en omgeving voortkomt, staat natuurlijk nog te bezien. Want er zijn immers nogal wat verschillende soorten psychische aandoeningen. Denk aan het psychiatrische classificatiesysteem van de DSM-5, waarin een indrukwekkende veelheid van aandoeningen met bijbehorende symptomen en behandelingen wordt onderscheiden. Met als concrete uitwerking dat betaling van een behandeling door een zorgverzekeraar afhankelijk is van een DSM-classificatie.

Al die aandoeningen zullen toch niet allemaal een en dezelfde oorzaak kunnen hebben?

Maar nieuwe inzichten werpen daar een ander licht op. Want er zijn sterke aanwijzingen dat er aan die veelheid van diagnoses, van depressie tot ADHD tot schizofrenie, een gemeenschappelijke factor, of een beperkt aantal dimensies, ten grondslag ligt. Daarop werd recent gewezen in Nature door Michael Marshall: The hidden links between mental disorders. 

Dat maakt natuurlijk nieuwsgierig naar de aard van die mogelijk onderliggende factor en daarmee naar de mogelijkheid om die te verbinden met die mismatch tussen aanleg en omgeving. Dus dook ik in de literatuurverwijzingen. Over wat dat opleverde meer in het volgende bericht.

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.