donderdag 18 december 2025

Voor de derde keer: Hoe zal het met Trump aflopen?

Op 19 maart 2018 vroeg ik me af hoe het met Trump zou aflopen. Dat was ten tijde van zijn eerste presidentschap. En in een fase daarvan waarin niet langer kon worden ontkend dat hij, als kwaadaardige narcist en foute leider, niet in staat was om te functioneren binnen de grondwettelijke beperkingen van het presidentschap. Voor zover hij nog adviseurs had die hem op die beperkingen wezen, stuurde hij ze de laan uit. In zijn grootheidswaan meende hij alleen nog te kunnen vertrouwen op wat in hem zelf opwelde, op zijn eigen intuïties. We weten nu dat hij, na twee mislukte pogingen om hem af te zetten (impeachments), en na twee rechterlijke veroordelingen, er toch in slaagde zijn termijn vol te maken, maar wel tegen een verkiezingsnederlaag opliep. 

Nog twee weken voorafgaande aan die verkiezingen, op 18 oktober 2020, vroeg ik me voor de tweede keer af hoe het met Trump zou aflopen. We weten nu dat hij weigerde zich bij zijn nederlaag neer te leggen, door zijn aanhangers het Capitool te laten bestormen en door pogingen om het vaststellen van de verkiezingsuitslag in zijn voordeel te beïnvloeden. Uiteindelijk verliet hij een dag voorafgaande aan de inauguratie van zijn opvolger het Witte Huis. Daarna kon de hoop postvatten dat het daarmee zou zijn afgelopen. Zijn opvolger, Joe Biden, voerde een economisch verstandig en succesvol, maar propagandistisch minder geslaagd, beleid. Dat aanleiding gaf om te denken dat een nieuw politiek tijdperk was aangebroken, waarin bestaanszekerheid voor iedereen weer leidraad zou worden voor het politieke handelen.

En nu maken we Trumps tweede termijn mee, doordat de Amerikaanse kiezers hem een tweede kans hebben gegeven. Het is een nog altijd onopgelost vraagstuk hoe die kiezers dat een verstandig idee hebben kunnen vinden. Hoe dan ook, in die tweede termijn zijn alle remmen los. Met een "beleid", als je dat nog zo kunt noemen, dat een chaotische resultante is van Trumps intuïties en van zijn afnemende inhibities en cognitieve vermogens en van de sinistere plannen van degenen die hem opnieuw in het zadel hebben geholpen, de fundamentalistische christelijk-nationalisten van de Heritage Foundation (Project 2025), de in de high tech-sector miljardair geworden ondernemers als Elon Musk, Jeff Bezos en Mark Zuckerberg en de naar de tijd van de Sovjet-Unie hunkerende dictator in het Kremlin. 

En we zijn voor de derde keer op een punt aangekomen waar de vraag zich aandient hoe het met Trump zal aflopen. Zijn "beleid" is zo impopulair dat de eerste aanhangers de moed bij elkaar rapen en afhaken. De Epstein Files komen een dezer dagen in de openbaarheid. De ongemakkelijke vraag is tot welke wanhoopspogingen hij in staat zal zijn. Om de aandacht af te leiden. Om het onvermijdelijke noodlot af te wenden.

Robert Reich heeft er slecht van geslapen (The real threat in Trump’s madness. I hate to say this, but it must be faced). En hij is niet de enige. 

dinsdag 9 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -25 - Bringing men back in

Er zijn al weer zestig jaar verstreken sinds ik mijn studie sociologie begon. Ik heb nog allerlei levendige herinneringen aan die tijd, en aan de eerste jaren dat ik daarna bij de Vakgroep Sociologie werkte, maar ik moet natuurlijk ook veel zijn vergeten. Wat ik bijvoorbeeld niet meer weet is wanneer ik voor het eerst hoorde of las over de socioloog George C. Homans (1910 - 1989). 

Ik vroeg me dat af, omdat Homans toen een van de weinigen, zo niet de enige, was die dat zo dominante structureel-functionalisme bekritiseerde en een alternatief te bieden had. Weliswaar een gebrekkig alternatief, maar toch.

Wat ik wel kan vaststellen is dat ik in 1971, het jaar dat ik afstudeerde en aan mijn universitaire loopbaan begon, zijn boek Social Behaviour. Its Elementary Forms, dat in 1961 in eerste druk uitkwam, en het boekje The Nature of Social Science uit 1967 kocht. (Ik schreef toen nog mijn naam en het jaartal in aangeschafte boeken). Homans was toen in de sociologie een bekende naam. Ik herinner me vaag discussies met medestudenten over wie wij de "grootste socioloog" vonden en dat daar naast Robert K. Merton ook de naam van Homans viel. Hij was in 1964 voorzitter van de American Sociological Association en zijn Presidential Address verscheen als tijdschriftartikel onder de titel Bringing Men Back In

Wanneer ik dat artikel voor het eerst las, kan ik niet meer achterhalen. Had ik maar een dagboek bijgehouden. Wel herinner ik me dat het veel indruk op me maakte. Dit is de eerste alinea. Bedenk dat dit zijn toespraak was, als jaarlijks roulerend voorzitter, tot de verzamelde Amerikaanse sociologen.

I am going to talk about an issue we have worried over many times. I have worried over it myself. But I make no excuses for taking it up again. Although it is an old issue, it is still not a settled one, and I think it is the most general intellectual issue-in sociology. If I have only one chance to speak ex cathedra, I cannot afford to say something innocuous. On the contrary, now if ever is the time to be nocuous. 

Dat issue is dat er in de sociologie sinds de jaren dertig een denkschool domineert, het structureel-functionalisme, die in de weg staat van de ontwikkeling van het vak:

 For a whole generation it has been the dominant, indeed the only distinct, school of sociological thought. I think it has run its course, done its work, and now positively gets in the way of our understanding social phenomena. And I propose to ask, Why? 

En vervolgens geeft hij een kritiek op dat structureel-functionalisme die in dezelfde lijn ligt van de twee mankementen die ik al besprak. En hij laat zien dat het denken in termen van een sociaal systeem met functionele vereisten waaraan moet zijn voldaan voor de instandhouding ervan, niet leidt tot een theorie als deductief stelsel van uitspraken waarmee je iets kunt verklaren. 

What the functionalists actually produced was not a theory but a new language for describing social structure, one among many possible languages; and much of the work they called theoretical consisted in showing how the words in other languages, including that of everyday life, could be translated into theirs. They would say, for instance, that what other people called making a living was called in their language goal-attainment. But what makes a theory is deduction, not translation.

En als je sociale verschijnselen wilt verklaren, wat de sociologie zou moeten willen, dan moet je theorie ontwikkelen die laat zien hoe die verschijnselen voortkomen uit het gedrag van mensen. De maatschappij is mensenwerk. Daarom moeten mensen en hun gedrag in het vak worden teruggebracht. Bringing men back in.

 If a serious effort is made to construct theories that will even begin to explain social phenomena, it turns out that their general propositions are not about the equilibrium of societies but about the behavior of men. This is true even of some good functionalists, though they will not admit it. They keep psychological explanations under the table and bring them out furtively like a bottle of whiskey, for use when they really need help. What I ask is that we bring what we say about theory into line with what we actually do, and so put an end to our intellectual hypocrisy. It would unite us with the other social sciences, whose actual theories are much like our actual ones, and so strengthen us all. Let us do so also for the sake of our students. I sometimes think that they begin with more understanding of the real nature of social phenomena than we leave them with, and that our double-talk kills their mother-wit. Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?  

Dat ik Homans graag citeer, komt ook doordat ik de eenvoud en helderheid van zijn stijl, en dus van zijn denken, hogelijk bewonder. Hij ging daar, in 1964, dwars in tegen wat gebruikelijk was. Hij stelde de gangbare gewichtigdoenerij aan de kaak. En riep op tot intellectuele eenvoud en eerlijkheid. 

Dat hij ertoe in staat was om tegen de consensus in te gaan, zal ook met zijn achtergrond te maken hebben gehad. Hij studeerde niet sociologie, maar Engelse en Amerikaanse literatuur, aan de Universiteit van Harvard. Hij ambieerde aanvankelijk om schrijver en dichter te worden en was kort werkzaam in de journalistiek. In 1988 publiceerde hij de dichtbundel The Witch Hazel. Gedurende de Tweede Wereldoorlog diende hij bij de Amerikaanse marine. 

Hij kwam in de sociologie terecht als "a matter of chance; or rather, I got into sociology because I had nothing better to do". Hij volgde colleges van de biochemicus en socioloog Lawrence Joseph Henderson en van de arbeidssocioloog Elton Mayo. In 1953 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Harvard. Dat zijn opleiding zich niet geheel binnen de muren van het vak sociologie afspeelde, zal het hem gemakkelijker hebben gemaakt om zich er afstandelijk een oordeel over te vellen. Zonder de nadelen van het in de gebruiken, de do's and dont's, van het vak gesocialiseerd zijn.

Maar hij had niet alleen kritiek, hij stelde ook een alternatief voor. Of beter gezegd, dat had hij al in 1961 gedaan met zijn Social Behaviour. Its elementary forms. Een gebrekkig alternatief, ik noemde dat al. Daarover meer in het vervolg.

dinsdag 2 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -24 - Had het met de sociologie ook anders gekund?

Recapitulerend: het vak sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: de eis van een curieuze wetenschapsopvatting (alleen "sociale feiten" tellen) en de eis van (de fictie van) het eigen domein. In de poging om aan die twee eisen te voldoen ging het vak de richting op van de theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie) en de richting van de macrosociologie. Maar ik kondigde nog een derde "richting" aan, die van het niet zo serieus nemen van die twee eisen. Hier het vorige bericht.

Als je er op terugkijkt, kun je haast niet anders concluderen dan dat die twee eisen irreëel waren. Ze stonden een vruchtbare ontwikkeling van het vak in de weg. En doordat het vak er nooit met zoveel woorden afscheid van heeft genomen, is dat eigenlijk nog steeds zo. Want doordat die twee eisen in de retoriek van het vak hun invloed bleven uitoefenen, ontstond er niet de ruimte om een theoretisch kader te ontwikkelen waarmee "de maatschappij als mensenwerk" kon worden bestudeerd en waarmee de uitkomsten van dat mensenwerk konden worden beoordeeld aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. De sociologie moest het doen en moet het tot op de dag van vandaag blijven doen zonder een realistisch normatief kader.

Dat was een stand van zaken die met zich meebracht dat die twee eisen weliswaar in de retoriek werden beleden, maar in de praktijk niet zo serieus werden genomen. 

En dat is al meteen vanaf het begin, dus in het werk van Durkheim, waar te nemen. Hij grijpt in zijn redeneringen achter zijn zoektocht naar "sociale feiten" (statistische verbanden tussen variabelen) vrijelijk terug op inzichten waarvan hij zelf ook zou toegeven dat ze tot het domein van de psychologie behoren. Of tot het domein van de alledaagse, en dus "onwetenschappelijke", kennis.  Denk aan zijn redenering hoe de arbeidsverdeling kan zorgen voor solidariteit. De solidariteit was er voorafgaand aan de arbeidsverdeling op gebaseerd dat mensen met elkaar overeenkomen en daarna op de omstandigheid dat mensen weliswaar verschillen, maar juist daardoor elkaar aanvullen. Als mensen met elkaar overeenkomen, dan leiden ze hetzelfde soort leven en raken ze gemakkelijk met elkaar vertrouwd. Maar ook, als mensen van elkaar verschillen, dan is de kans groot dat elk iets te bieden heeft waarover de ander niet beschikt. Dan zijn ze aanvankelijk misschien wel vreemden voor elkaar, maar doordat ze elkaar iets te bieden hebben, groeit er toch solidariteit.

Dat was niet een in de psychologie van Durkheims tijd bestaande theorie. Het is een (ad hoc) theorie van zijn eigen makelij, die hij ontleende aan zijn eigen alledaagse mensenkennis. In zijn eigen ogen dus onwetenschappelijk, maar wel noodzakelijk  voor het "ontdekken" van het wetenschappelijke "sociale feit" van het verband tussen de variabele "mate van arbeidsverdeling" en "mate van solidariteit". In die zin zijn in Durkheims werk allerlei psychologische theorieën aan te wijzen. Zie ook Three psychological theories of a classical sociologist uit 1975 van Siegwart Lindenberg (die in 1981 mijn copromotor was).

Het was dus een ongemakkelijke situatie waarin het vak sociologie zich met die twee mankementen had gemanoeuvreerd. Die psychologische en/of alledaagse inzichten werden weggezet als onwetenschappelijk, maar in de praktijk bleek je er niet zonder te kunnen.

Had dat niet anders gekund? Jazeker. Met Durkheim kreeg het vak sociologie een positivistische oorsprong, namelijk in het werk van Saint-Simon (1760 - 1825) en August Comte (1798 - 1857). De laatste introduceerde de term sociologie en zag het als taak van die nieuwe wetenschap om de wetten te doorgronden en te formuleren die de sociale werkelijkheid beheersen. In navolging van Saint-Simon meende hij dat er een historisch, 'wetmatige", ontwikkeling is in drie stadia, het theologische stadium, waarin verklaringen gezocht worden in bovennatuurlijke krachten, het metafysische stadium, waarin de verschijnselen teruggevoerd worden tot abstracte begrippen (de Ziel, de Rede) en het positieve stadium, waarin verschijnselen door middel van wetten door andere verschijnselen verklaard worden. Die "historisch wetmatigheid" doet denken aan Karl Marx. En het is inderdaad zo dat Marx al heel jong in aanraking kwam met de ideeën van Saint-Simon (George Lichtheim, Marxism. An historical and critical study, 1964, p. 20).

 Dat was dus het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. Maar er was ook het Angelsaksische denken, dat een heel andere weg was ingeslagen. Ik herinnerde me dat ik me in mijn proefschrift Verklaring en interpretatie in de sociologie in 1981 met Thomas Hobbes, John Locke en de Schotse moraalfilosofen had beziggehouden en zocht dat even op (p. 15-19). 

Hobbes kende, via zijn vriend de anatoom William Harvey (1578 - 1657), de natuurwetenschappelijke methode als het leren kennen van dingen door ze, in realiteit of in gedachten, te ontbinden in hun eenvoudigste elementen (de methode van ontbinding) en ze vervolgens uit deze elementen opnieuw samen te stellen (de methode van compositie). Deze compositie zal slagen als de 'eerste principes' zijn ontdekt die de eenvoudigste elementen sturen. In de natuurwetenschappen zijn de te ontbinden verschijnselen ons het meest vertrouwd. Dat zijn de dingen 'van middelbare grootte', die zich direct aan ons voordoen. En die eenvoudigste elementen en eerste principes moeten ontdekt worden. 

Maar in de sociale wetenschap (civil philosophy), zo redeneerde Hobbes, ligt dat precies andersom. Juist de eenvoudigste elementen, de individuen, en de eerste principes, de wetten van de menselijke natuur, zijn ons het meest vertrouwd.. Terwijl wat daaruit voortkomt, de maatschappij, de commonwealth, verder van ons af staat. Dat die maatschappij mensenwerk is, dat weten we al. En onze eigen geest en ons eigen handelen kennen we. 

Hobbes' omgekeerde methode (...) komt er dus op neer dat we niet hoeven te zoeken naar de eenvoudigste elementen en de eerste principes, omdat we ze reeds van zeer nabij kennen. De taak van de sociale wetenschap is niet om iets nieuws te ontdekken, maar om te laten zien hoe de staat (de maatschappij) ontstaat uit de werking van de ons bekende eerste principes. Van deze principes hoopte Hobbes dat de intuïtief net zo voor de hand zouden liggen als Euclides' axioma's. Hij zag ook sterke overeenkomsten tussen de sociale wetenschap en de meetkunde: beide zijn bewijzende wetenschappen, omdat ze zich bezighouden met objecten (resp. staten en meetkundige figuren), die door mensen gemaakt zijn. Omdat de objecten van de natuurwetenschappen dat niet zijn, moeten daarvan de elementen en principes worden ontdekt.

Hobbes bepleitte dus een sociaalwetenschappelijke werkwijze die precies tegengesteld is aan wat Durkheim voor ogen stond voor het vak sociologie. Hobbes' invloed reikte ver, tot het werk van Spinoza en via John Locke tot dat van de Schotse moraalfilosofen (David Hume, Adam Ferguson, Francis Hutcheson en Adam Smith). 

Maar niet zo ver dat het kon voorkomen dat dat vak sociologie zich vooral ontwikkelde als het vak met die twee mankementen, dat van die curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Hier het vervolg.

woensdag 26 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -23 - De structureel-functionalistische en de Marxistische macro-sociologie: overeenkomsten en verschillen

Tegenover het structureel-functionalistische mensbeeld van onbeperkte flexibiliteit, staat Marx' beeld van de door innerlijke drijfveren aangestuurde mens, die in zijn activiteit uitdrukking geeft aan wat in hem leeft. Hier het vorige bericht. Net zo als het structureel-functionalisme een denksprong maakte naar de maatschappij als een sociaal systeem, maakte ook Marx een denksprong, namelijk die naar de maatschappij als klassenstrijd. Want naast die innerlijke aansturing leeft er in de mens ook de hebzucht en daarmee de uiterlijke aansturing door de competitie met anderen, de statuscompetitie. Daardoor wordt zijn activiteit die van de vervreemdende arbeid en treedt hij in de maatschappelijke werkelijkheid in twee verschijningsvormen op, die van de arbeider en die van de kapitalist.      

Daar aangekomen neemt Marx het besluit, de denksprong, om het in het vervolg alleen nog over de maatschappij te hebben en wel over de maatschappij als klassenstrijd. Het markeert de overgang van de vroege Marx naar de latere Marx, die zich dan voorneemt om de vraag te beantwoorden hoe die strijd zich zal ontwikkelen en hoe die zal aflopen. De acteurs staan op het toneel, maar wat gaan ze doen?

Dat Marx dat besluit nam, kan er mee te maken hebben gehad dat er in zijn mensbeeld niet een bron van dynamiek besloten ligt. De arbeider kan niet anders dan zich neerleggen bij zijn afhankelijkheid van de vervreemdende arbeid. De kapitalist heeft als enige drijfveer zijn vervreemdende hebzucht, waardoor hij niet anders kan dan de arbeider uit te buiten en te concurreren met andere kapitalisten. Van beiden staat vast wat ze doen en blijven doen. De innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke natuur is veruiterlijkt: de behoefte aan innerlijke aansturing komt terecht bij de arbeider, maar wordt onderdrukt door de vervreemdende arbeid, en het uiterlijk aangestuurd worden, door hebzucht en competitie met anderen, verhuist naar de kapitalist. Het intrapersoonlijke conflict getransformeerd naar de maatschappelijke klassenstrijd.

Het proces dat zich dan op het toneel afspeelt, is een fase in Marx' historisch-materialistische visie op de geschiedenis, waarin de productiewijze allesbepalend is. Tucker omschrijft dat in The Marxian Revolutionary Idea als volgt (p.12-13):

The constitutive fact of society is that human productive activity, especially the material production on which all else depends, is social in nature. In other words, production for Marx is a process going on not simply between man and nature but also between man and man. This "social process of production" is the core of social process per se. Human society is fundamentally a society of production, a set of "social relations" that men enter in the activity of producing. (...) the social relations of production constitute the "basis" (Basis, Grundlage) of society, over which rises an institutional superstructure and to which there corresponds a social mind expressed in various "ideological forms" (religion, philosophy, art, etc.).

De vroegste productieverhoudingen waren die van slaven en slavenhouders en daarna die van lijfeigenen en landbezitters in het feodalisme. Nu zijn we in de fase van de arbeiders en kapitalisten aanbeland, die, zo neemt Marx zich voor om aan te tonen, onvermijdelijk zijn eigen vernietiging in zich draagt.

Want er is de drijfveer van de kapitalist om de "meerwaarde" van de arbeid die hem toevalt te maximaliseren. Door de werkweek van de arbeider zoveel mogelijk te verlengen en door de productiviteit van de arbeid te verhogen door mechanisering en door de arbeid steeds meer op te delen in zo eenvoudig mogelijke handelingen. In dat proces wordt de positie van de arbeider ellendiger en ellendiger (Verelendung) en loopt voor de kapitalist de verhoging van de meerwaarde tegen onvermijdelijke grenzen aan, waardoor zijn winstquote, de opbrengst van zijn kapitaal, zal dalen. Als uiteindelijk de potenties van deze kapitalistische productiewijze zijn uitgeput, dan is de tijd aangebroken voor een nieuwe fase en dat zal de maatschappij zijn waarin de vervreemding is opgeheven. Tucker citeert in Philosophy and Myth in Karl Marx (p. 221) uit Das Kapital (weer de Engelse vertaling):

Fanatically bent upon the expansion of value, he (de kapitalist) relentlessly drives human beings to production for production's sake, thus bringing about a development of social productivity which can alone form the real basis of a higher type of society, whose fundamental principle is the full and free development of every individual. 

Terwijl in de structureel-functionalistische macrosociologie de denksprong wordt gemaakt naar de maatschappij als een sociaal systeem, maakt Marx als macrosocioloog de denksprong naar de maatschappij die onvermijdelijk ('wetmatig") een aantal fases doorloopt. Er was oorspronkelijk het "primitieve communisme", daarna kwamen er drie fases van vervreemdende arbeid (de antieke slavenmaatschappij, het feodalisme, het kapitalisme), waarna de geschiedenis zal worden afgesloten met zoiets als het voldragen communisme. Daarin wordt de menselijke zelfverwerkelijking en daarmee het "van iedereen naar vermogen, voor iedereen naar behoefte" werkelijkheid.

In Das Kapital neemt Marx de taak op zich om de ijzeren wetmatigheid van die ontwikkeling, met name van die laatste stap, wetenschappelijk aan te tonen. Hij put zich uit in het vinden van aanwijzingen voor de steeds verder gaande Verelendung van de arbeider en de steeds maar dalende winstquotes voor de kapitalist. Maar het lukt hem duidelijk niet om de wetmatigheid van die ontwikkelingen aannemelijk te maken. Hij moet dat zelf ook hebben ingezien, want dat van Das Kapital tijdens zijn leven alleen het eerste van de drie delen voltooid werd (in 1867), lag er niet aan dat hij niet meer aan de rest toekwam. Ik herinner me van de Marx-biografie van Fritz J.Raddatz (niet meer in mijn boekenkast) dat toen Marx in 1883 overleed, hij het werken aan de voltooiing al lang had opgegeven. 

Dat hield overigens niet tegen dat veel "Marxisten" in die historische wetmatigheid bleven geloven. Mij schiet nu Ernest Mandel (1923 - 1995) te binnen, die je in de tijd dat ik studeerde gelezen hoorde te hebben. Lees eens over hem Ernest Mandel. Eerzaam strijder voor illusies dat Bart Tromp (1944 - 2007), met wie ik in onze studietijd goed bevriend was, in zijn laatste levensjaar voor Vrij Nederland schreef.

Terugkijkend op die twee macrosociologieën, die van het structureel-functionalisme en die van Marx, zijn er overeenkomsten en verschillen. Een overeenkomst is dat beiden zich voor de taak gesteld zagen om over de maatschappij te theoretiseren als een eigenstandig, op zichzelf staand, onderzoeksobject. Waar kun je je op baseren, als je zo veel mogelijk probeert te negeren dat die maatschappij nu eenmaal een product is van menselijk handelen? Het antwoord van de structureel-functionalisten was dat de maatschappij moest worden gezien als een sociaal systeem. In die tijd was de systeemtheorie opgekomen als een onomstreden wetenschappelijk project en dat kwam tegemoet aan het streven naar wetenschappelijkheid.

Marx vond die theoretische basis en de wetenschappelijkheid er van in het dubieuze idee van een historische wetmatigheid, dat geïnspireerd moet zijn geweest door de Hegeliaanse leer van de dialectiek. Tucker wijst in zijn Philosophy and Myth in Karl Marx op de analogieën met de moreel-religieuze mythe van de menselijke geschiedenis als een ontwikkeling van paradijs naar zondeval naar verlossing (p. 24):

Man, according to the Christian scheme, exists all through history in the state of sin and is redeemed from it only at the end. According to Marx,  man exists all through history in the state of enslavement, and the great change of self - deliverance from enslavement and entry into freedom - occurs only through the revolution with which the present final world-period is scheduled to close.Thus, for Marx the communist revolution is the means of attaining not material abundance (though that, in his view, will come too) and not jusitce in the distribution of goods, but the spiritual regeneration of man. (...) There is no possibility of comprehending the system of Marx at all deeply unless this redemptive idea is seen to lie at the core of it.

Naast die overeenkomst is er natuurlijk een in het oog springend onderscheid. De structureel-functionalisten ontbeerden een concept van een goede maatschappij en van maatschappijverbetering. Er waren alleen dat sociale systeem, de vereisten waaraan moest zijn voldaan voor de instandhouding daarvan en waaraan mensen geacht werden zich aan te kunnen passen. Marx daarentegen heeft de goede maatschappij voor ogen, die tegemoetkomt komt aan de menselijke behoefte tot zelfverwerkelijking. 

Maar een overeenkomst is dan weer dat bij allebei de gedachte ontbreekt dat mensen gemotiveerd kunnen zijn om samen in een politiek-democratisch proces maatschappijverbeteringen tot stand te brengen. In het structureel-functionalisme is de democratische overheid afwezig, anders dan in het polity domein, dat ten dienste staat van de instandhouding van het systeem. Bij Marx, die in zijn tijd natuurlijk nog niet een democratie meemaakte, is de overheid niet meer dan een instrument van de kapitalisten.

Een en ander moet wel iets te maken hebben met die opvallende voorkeur van het vak sociologie voor een toeschouwersrol. Met de omstandigheid dat het vak nooit een normatief kader heeft ontwikkeld.

woensdag 19 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -22 - Van Marx' visie op de menselijke sociale natuur naar zijn macrosociologie

Dat structureel-functionalisme als een vorm van macrosociologie was dus in de tijd dat ik studeerde en in de eerste jaren van mijn aanstelling aan de universiteit in het vak het meest invloedrijk. Hier het vorige bericht. Maar ik noemde al dat er een alternatief bestond, dat ik nu maar even de marxistische (macro-)sociologie noem. Marx werd, naast Weber en Durkheim, beschouwd als een van de drie klassieke sociologen, die nog altijd zo belangrijk werden gevonden dat wij er in het eerste studiejaar meteen uitgebreid mee dienden kennis te maken. 

Dat Marx juist toen in de belangstelling van sociologen stond, had er ook mee te maken dat er in 1953 (toegankelijke) uitgaven waren verschenen van niet eerder gepubliceerd werk. Die Frühschriften en Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie. Daaraan voorafgaand heerste het beeld van Marx als een econoom die op grond van zijn analyse van het kapitalistische stelsel in Das Kapital, waarvan alleen het eerste deel nog tijdens zijn leven, in 1867, verscheen, de onafwendbare ineenstorting daarvan voorspelde. Uit dat nieuw verschenen werk kon worden opgemaakt dat er onder die analyse  wel degelijk een inzicht viel aan te wijzen in de aard van de menselijke sociale natuur. Dat was de ontdekking van "de vroege Marx", die Erich Fromm in in 1961 inspireerde tot zijn Marx's Concept of Man en een jaar later tot Beyond the Chains of Illusion. My Encounter with Marx and Freud. 

Wat was dat inzicht in de menselijke sociale natuur? En hoe hing het samen met die voorspelling van de onvermijdelijke instorting van het kapitalisme? En waarom noem ik dat alternatief toch de marxistische macrosociologie?

Om dat uit te leggen, ging ik te rade bij wat ik van Marx, maar vooral over Marx, nog in mijn boekenkast heb staan. En ik bleef hangen bij Philosophy and Myth in Karl Marx van Robert C. Tucker, dat in 1972 verscheen en dat ik in 1977 aanschafte. Niet alleen aanschafte, maar ook intensief gelezen, want het staat vol met potloodonderstrepingen en -aantekeningen. Ik herinnerde me weer hoe dat boek mij destijds een heldere toegang verschafte tot de toch soms moeilijk toegankelijke geschriften van Marx zelf. Robert Tucker (1918 - 2010) verdiepte zich niet alleen in Marx, maar was ook een kenner van Rusland en de Sovjet-Unie. Over het werk van Marx schreef hij ook The Marxian Revolutionary Idea, dat in 1969 verscheen.

Wat Marx als de aard van de menselijke sociale natuur zag, wordt duidelijk uit zijn betoog over vervreemding en vervreemdende arbeid. Mensen moeten arbeid verrichten om in leven te blijven en in de menselijke geschiedenis is die arbeid altijd vervreemdend geweest. Tucker daarover (p.132-133):

The act of world history is man's becoming as man taken as a whole. For an ultimate revolution is required, according to Marx, in order to consummate it. Regarded at any prior point, the process presents itself under the aspect of estrangement. The history of externalization is an Entfremdungsgeschichte, a history of man's self-alienation. Man in history reifies himself in an objective world of material things (Sachenwelt). He becomes object to himself in this way, and 'looks at himself in a world that he has created'. When he does so, the objects into which he has externalized himself confront him as 'alien beings', and what he sees when he looks at himself in the vast aggregate of these objects is 'an alien and hostile world standing over against him'. (...) moreover, the experience of the objective world as alien and hostile is an experience of bondage or, as Marx prefers to phrase it, 'object-bondage' (Knechtschaft des Gegenstandes). What working man sees in the world that he has created is a gigantic fetter upon him.

 (Tucker citeert uit de Historisch-Kritische Gesamtausgabe, Berlijn, Marx-Engels Verlag, 1927-1932.)

Maar wat is er dan eigenlijk zo vervreemdend aan die menselijke arbeid? Dat bestaat eruit dat mensen in hun arbeid nooit volledig zichzelf zijn. Tucker (p.134 - 135):

... man has never been fully himself in this creative activity. This activity has never been 'self-activity' (Selbstbetätigung), by which Marx means free creativity in which a person feels thoroughly at home with himself, enjoys a sense of voluntary self-determination to action, and experiences his energies as his own. (...)

'The whole character of a species, its species-character, lies in the character of its life-activity', writes Marx, 'and free conscious activity is the species-character of man.' The lower animals also produce, he observes, but only under the spur of immediate physical need, whereas man produces even when free from physical need and he only genuinely produces when he is free from it. Spontaneous, voluntary producing activity is his element, and in such activity he expresses himself as an artist. Man for Marx is essentially an artistic being (...)

 Self-activity would be activity in which he experiences the productive powers latent in him as his own. (...) And whereas self-activity would be spontaneous and free, the essence of labour is compulsiveness. Labour, says Marx, is 'nicht freiwillig'. It is 'servitude'. It is by its very nature 'forced labour' (Zwangsarbeit), hence 'labour of self-sacrifice, of mortification'. (...) Accordingly, concludes Marx, labour does not belong to man's essence; it contradicts his species-character.

Daar hebben we dus een karakterisering van de menselijke natuur. De mens onderscheidt zich van andere diersoorten door zijn vermogen tot innerlijk aangestuurde activiteit, waarin hij dus uitdrukking geeft aan wat in hem leeft. De mens als kunstenaar. Maar wat is er dan aan de hand met arbeid dat die innerlijke aansturing belemmert?

Dat ligt er niet aan dat die arbeid nodig is om te overleven. Tucker (p.137-138):

A being who spontaneously tends to be productive might well experience self-activity in work that he performs for a living. Thus, a carpenter might derive creative satisfaction and a personal sense of fulfillment from the carpentry by which he lives. (...) There is no necessary connection between self-alienation and the need to work for a living.

Nee, en daar komt Marx' menselijke sociale natuur aan het licht, wat de arbeid vervreemdend maakt is het egoïstische motief om er rijkdom mee te vergaren.

Marx's alienated man is a man who produces 'under the domination of egoistic need'. This is the need 'outside' the labour process to which the proces is subordinated. The compulsion that transforms free creative self-activity into alienated labour is the compulsion to amass wealth. Marx portrays it (...) as a maniacal obsession with the accumulation of capital, a veritable fanaticism of appropiation of the world of created things, a lust for money. He entitles it 'greed' (Habsucht), and ascribes the concept of it to political economy: 'The only wheels that political economy sets in motion are greed and the war between the greedy - competition.' (...)

Thus he describes greed as a kind of acquisitive mania that sees in money the means of exercising power over everything. 

En dat kan niet anders betekenen dan dat die menselijke sociale natuur zo in elkaar zit dat de mens zichzelf in de weg zit, innerlijk tegenstrijdig is. Die wezenlijke behoefte aan innerlijk aangedreven spontane activiteit staat tegenover de eveneens wezenlijke egoïstische behoefte om rijkdommen te vergaren en daarin met anderen te concurreren. Met vervreemdende arbeid als resultaat.

En met als resultaat de klassenstrijd waaraan het kapitalisme uiteindelijk zal bezwijken. Want als de arbeid vervreemdend is, niet van mijzelf is, van wie is hij dan wel? Tucker (p. 145-146):

'If my own activity does not belong to me, and is an alien compulsive activity, to whom does it belong?' 'To a being other than myself', he replies, and then inquires further: 'who is this being?' To this his answer is: 'The alien being to whom the labour and the product of labour belong, in whose service and for whose enjoyment the labour is performed, can only be man himself (kann nur der mensch selbst sein) .... Not the gods, not nature, but only man himself can be this alien power over man (nur der Mensch selbst kann diese fremde Macht über den Menschen sein).' Thus, the alien being in whose service alienated man labours can be no other than himself. However, adds Marx in the same breath, himself apprehended as another man outside of himself:

(...) If he experiences his own activity as an unfree activity, he experiences it as activity in the service, under the domination, compulsion and yoke of another man (so verhält er sich zu ihm als der Tätigkeit im Dienst, unter der Herrschaft, dem Zwang und dem Joch eines andern Menschen). 

 En die andere mens kan niemand anders zijn dan degene die niet arbeid verricht, dus de kapitalist. 

He identifies this other man as the capitalist, whom he proceeds to describe as the non-worker (Nicht-Arbeiter). Instead of one being - working man alienated from himself in the labour process - there are now two. Man as such has vanished, and in his place two personalities, the worker and the capitalist, stand in hostile confrontation. Neither is fully human. (...)

But this self-alienated producing man was conceived by Marx as mankind or the human species. Hence the splitting of his personality means the splitting of humanity into warring classes of workers and capitalists. The war of self-alienated Marxian man with himself has become a class war across the battlefield of society. If the proletariat is for Marx the collective incarnation of Unmensch, the capitalist class is the collective incarnation of the unmenschliche Macht. As he sees it, mankind has split apart between these two forces, and the scene of history is set for the ultimate battle.

Wat hebben we? Een menselijke sociale natuur die innerlijk tegenstrijdig is. Die in twee verschijningsvormen ("persoonlijkheden") optreedt, die van de arbeider en die van de kapitalist, en diedaarmee een klassenstrijd ontketent. Waarmee een historische maatschappelijke ontwikkeling in gang wordt gezet. Anders gezegd, we begonnen met Marx' visie op de menselijke sociale natuur en we zijn opgeklommen naar zijn macrosociologie.

Daarover meer in het volgende bericht.

vrijdag 7 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 21 - Het normatieve humanisme van Erich Fromm

Dat structureel-functionalisme in de sociologie was dus onderdeel van een veel breder heersende manier van denken, in de woorden van Steven Pinker een ideologie, die nog lang bleef bestaan en eigenlijk ook nu nog grote invloed heeft. Er bestaat geen noemenswaardige menselijke sociale natuur. Mensen zijn zo flexibel dat ze in staat zijn zich aan te passen aan wat de maatschappij van hen vraagt. Er is dus ook in die menselijke sociale natuur, in wat mensen kunnen en willen, geen maatstaf aan te wijzen waarmee een maatschappelijke toestand en veranderingen daarin kunnen worden beoordeeld. Voor het vak sociologie moest dat wel betekenen dat het zich beperkte tot het doen van onderzoek, tot het aandragen van onderzoekresultaten, en het aan de politiek overlaten van wat daar mee te doen. Of en hoe de bestaande maatschappelijke toestand verbeterd zou kunnen worden, daar moest het vak zich niet mee bezig houden. Er was binnen de opleidingen sociologie vaak wel een specialisatie beleidssociologie, maar daar werd de sociologie van beleidsprocessen onder verstaan, niet een sociologie als aandrager van beleidsvoorstellen. Hier het vorige bericht.

Toch bestonden er, ook al in de tijd dat ik studeerde, ondanks die heersende ideologie, ook andere ideeën over hoe het vak sociologie eruit zou moeten zien. Want ik kwam daar al mee in aanraking nog voor ik ging studeren toen ik dat boekje Om mens en menselijkheid in maatschappij en politiek van Willem Banning las, dat in 1960 was verschenen. Daar komen we wel degelijk inzichten tegen in de aard van de menselijke sociale natuur, inzichten waar de sociologiebeoefening van uit zou behoren te gaan . En natuurlijk bestonden die er, ondanks dat voor hen vanwege die curieuze wetenschapsopvatting geen plaats was in het vak sociologie. 

En hoewel Banning in het vak sociologie een marginale figuur was, ik kwam zijn naam in mijn opleiding niet tegen, stond hij niet alleen. Hij stond in de traditie van critici van het kapitalisme en van het vak economie, van Karl Polanyi, R.H. Tawney en E.P. Thompson, die Tim Rogan bespreekt in zijn boek The Moral Economists. Dat was een kritiek die eruit bestond dat de bestaande maatschappelijke toestand, die van het kapitalisme, slecht tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur. Een kritiek waar het vak sociologie door zelfgekozen handicaps niet toe in staat was.

En Banning baseerde zich, zoals gezegd, op het werk van Erich Fromm (1900 - 1980), de psychiater die toen veelgelezen en tot op de dag van vandaag herdrukte boeken schreef. Die betoogde dat de inrichting van de maatschappij zo goed mogelijk tegemoet behoorde te komen aan de fundamentele levensbehoeften van de mens, te weten:

De behoefte om eenzaamheid te overwinnen
De behoefte om boven zichzelf uit te stijgen o.a. in scheppende arbeid
De behoefte aan liefderijke zorg
De behoefte aan identificatie met een “wij”
De behoefte om de wereld en zichzelf verstandelijk te begrijpen en aldus zijn leven inhoud te geven. 

Daar komt dus wel degelijk een menselijke sociale natuur tevoorschijn waaraan de maatschappelijke toestand kan worden beoordeeld. En wordt beoordeeld. 

In 1955 publiceerde Fromm zijn boek The Sane Society, in 1958 vertaald als De Gezonde Samenleving, met in ieder geval in 2013 een herdruk en met nu de aankondiging van de uitgever van een te verschijnen nieuwe editie. Daarin maakt Fromm meteen in het begin duidelijk dat zijn denken afwijkt van het dan heersende sociologisch relativisme (p. 12 van de editie uit 1958):

To speak of a whole society as lacking in mental health implies a controversial assumption contrary to the position of sociological relativism held by most social scientists today. They postulate that each society is normal inasmuch as it functions, and that pathology can be defined only in terms of the individual's lack of adjustment to the ways of life in his society. To speak of a "sane society" implies a premise different from sociological relativism. It makes sense only if we assume that there can be a society which is not sane, and this assumption, in turn, implies that there are universal criteria for mental health which are valid for the human race as such, and according to which the state of health of each society can be judged. This position of normative humanism is based on a few fundamental premises.

Daar vind je kort en bondig het verschil uitgelegd met dat sociologische structureel-functionalisme. En omdat het zo helder is ook nog dit citaat even verderop (p.14):

The point of view taken here is neither a "biological" nor a "sociological" one if that would mean separating these two aspects from each other. It is rather one transcending such dichotomy by the assumption that the main passions and drives in man result from the total existence of man, that they are definite and ascertainable, some of them conducive to health and happiness, others to sickness and unhappiness. Any given social order does not create these fundamental strivings but it determines which of the limited number of potential passions are to become manifest or dominant. Man as he appears in any given culture is always a manifestation of human nature, a manifestation, however, which in its specific outcome is determined by the social arrangements under which he lives. Just as the infant is born with all human potentialities which are to develop under favorable social and cultural conditions, so the human race, in the process of history, develops into what it potentially is. 

The approach of normative humanism is based on the assumption that, as in any other problem, there are right and wrong, satisfactory and unsatisfactory solutions to the problem of human existence.

Normatief humanisme. Om mens en menselijkheid. Er bestond dus in de tijd dat ik studeerde wel degelijk al een alternatief voor dat sociologisch denken waarin de menselijke sociale natuur flexibel is en waarin mensen zich aanpassen of dienen aan te passen aan wat de maatschappij van hen vraagt.

En hoewel dat alternatief niet onbekend was, de boeken van Erich Fromm waren bij het grote publiek populair, drong het niet door tot het vak sociologie. Net zo min als ik de naam Willem Banning tegenkwam gedurende mijn opleiding, was ook de naam Erich Fromm een grote afwezige. De sociologie had zichzelf opgesloten achter de tralies van die curieuze wetenschapsopvatting en die fictie van het eigen domein.

Daarop terugkijkend voelt het wat wrang dat ik me dat destijds, als student, maar nauwelijks realiseerde. Ik had wel het vage gevoel dat er iets mankeerde. Maar wat precies, dat werd me pas veel later duidelijk.  Hier het vervolg.

dinsdag 4 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 20 - Er was geen vak dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Waar waren we gebleven? De sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: dat van een curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Aan hoe het vak daarmee omging, zijn drie richtingen te onderscheiden. De eerste was die van de variabelensociologie, dus van zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. De tweede was die van de macrosociologie en de derde die van het het niet zo serieus nemen van die wetenschapsopvatting en van het eigen domein. We waren nog bezig met die richting van de macrosociologie. Hier het vorige bericht..

Die macrosociologie was er in twee gedaanten, die van het structureel-functionalisme en die van de marxistische sociologie. Voor ik naar die tweede overga eerst nog een enkele opmerking over het structureel-functionalisme.

De kern daarvan was de gedachte van de maatschappij als een sociaal systeem dat altijd naar een nieuw evenwicht tendeert, dat ook altijd het goede evenwicht is. Met de veronderstelling van een onbeperkt flexibele menselijke sociale natuur die geheel ondergeschikt is aan wat het systeem vraagt. Die veronderstelling leefde trouwens breder dan alleen in het vak sociologie. 

Het was de tijd van het Standard Social Science Model (SSSM), de term die de psychologen Leda Cosmides en John Tooby er in 1992 aan gaven. De menselijke sociale natuur zou figureren als een leeg blad (blank slate) dat door de invloed van de sociale omgeving, door de cultuur, dus top down, beschreven wordt (cultureel determinisme). Daartegenover bepleitten ze een psychologie die er juist uitdrukkelijk op gebaseerd is dat de mens een biologisch organisme is, dat dus het resultaat is van een evolutionair proces. Hun conclusie daaruit was dat de menselijke geest bestaat uit een soort blokkendoos van special-purpose modules, die zich in een proces van natuurlijke selectie ontwikkelden als oplossingen voor de uitdagingen waar mensen in het verre verleden aan blootstonden. Een bekend voorbeeld van zo'n module is de vaardigheid om snel bedrog te ontdekken (het cheater-detection mechanism). 

Steven Pinker betoogt in zijn The Language Instinct (1994) dat de invloed van de veronderstellingen van dat SSSM niet beperkt bleef tot de sociologie, maar zich zelfs uitstrekte tot het gehele "moderne intellectuele leven", waar het zelfs de vorm van een ideologie aannam (p.405-6): 

Modern intellectual life is suffused with a relativism that denies that there is such a thing as a universal human nature (...)
The doctrine underlying that relativism, the Standard Social Science Model (SSSM), began to dominate intellectual life in the 1920s. (...)
The SSSM has not only been the foundation of the study of humankind within the academy, but serves as the secular ideology of our age, the position on human nature that any decent person should hold. 

Op die kenschets van het vak psychologie is ook wel weer kritiek gekomen. David S. Wilson laat zien dat de waarheid ergens in het midden ligt tussen de blank slate-psychologie en de blokkendoos-psychologie (Evolutionary Psychology and the Standard Social Science Model: Regaining the Middle Ground). Bovendien wijst hij op interessante ontwikkelingen in de toegepaste psychologie, waar therapeuten zich weinig aantrokken van de academische discussies. En daar duikt de naam op van Steven C. Hayes, die we al tegenkwamen toen het over de menselijke neiging tot psychologische starheid ging, als een inadequate reactie op het ervaren van sociale onveiligheid.

Maar dan hebben we het over de latere ontwikkeling van het vak psychologie. Wat de sociologie betreft, liggen de zaken duidelijk anders. Er was voor Rudi Wielers en mij in 1999 nog meer dan genoeg reden om sociologen op te roepen zich meer open te stellen voor de biologie en mijn indruk is dat je een kwart eeuw later niet kunt zeggen dat die oproep veel heeft uitgehaald. En mijn in 2020 biologisch en neurofysiologisch onderbouwde sociaalwetenschappelijk zicht (Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen) is in het vak een wel heel vreemde eend in de bijt.

Terug naar de tijd dat ik studeerde. Dat het structureel-functionalisme toen zo veel invloed had, betekende dus ook dat het vak sociologie toen sterk neigde naar een toeschouwersrol. Er ontbrak een theoretisch kader waarmee de bestaande toestand van de samenleving kon worden beoordeeld. Waarmee beleidsvoorstellen konden worden gedaan voor verbetering, voor het dichterbij brengen van een toestand die meer tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. Want de maatschappij moest gezien worden als een sociaal systeem en dat zou uit zichzelf altijd wel in het goede evenwicht terechtkomen.

Vandaar dat het vak sociologie niet of nauwelijks een rol speelde, ja, zich terughoudend opstelde, in de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Dat was een duidelijke ontwikkeling in de richting van de sociaal superieure toestand van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. En een duidelijke reactie op het meegemaakt hebben van de sociaal inferieure toestand van een veroveringsoorlog, de bezetting en de genocide van de Holocaust. 

Er was dus geen wetenschappelijk vak dat in staat was om wat er zich had afgespeeld theoretisch te verwerken en dat de opgedane inzichten kon uitdragen. Dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Dat is om over na te denken nu we wederom te maken hebben met de dreiging van een ontwikkeling naar een sociaal inferieure toestand. Hier het vervolg.

maandag 27 oktober 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -19 - Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan

Het structureel-functionalisme was dus een vorm van macrosociologie waarin de theorievorming top down moest. Zich geheel moest voltrekken op het niveau van de samenleving, dus in de variabelentaal, waarin het gaat over verbanden tussen variabelen. Bovendien werd die samenleving geacht een sociaal systeem te zijn dat zich door terugkoppeling in stand houdt en waarin mensen geacht worden zo flexibel te zijn dat ze zich aanpassen aan wat het systeem vraagt. En waarin wordt genegeerd dat er een menselijke sociale natuur zou kunnen bestaan, met vaardigheden en behoeften, waaraan de uitkomsten van de werking van het sociale systeem kunnen worden beoordeeld. Hier het vorige bericht.

Het was, anders gezegd, een vorm van evenwichtsdenken, die, weliswaar geïnspireerd op de analogie met het biologisch organisme als een systeem, sterk overeenkomt met het economische evenwichtsdenken. Daarin gaat het immers om de markt met volledige concurrentie als een sociaal systeem dat zichzelf door voortdurende aanpassing in stand houdt. In beide gevallen, dat van het structureel-functionalisme en dat van het vak economie, was de gevolgtrekking die van de toeschouwersrol van het vak. Als je het sociale systeem, de samenleving of de markt, maar zijn werk laat doen, dan ontstaat er altijd weer een nieuw evenwicht en dat wordt geacht ook altijd het goede evenwicht te zijn. Zowel de structureel-functionalistische socioloog als de econoom roepen de overheid op om zo weinig mogelijk de goede werking van "hun" sociale systeem te verstoren. 

De vraag of een en ander dan ook tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen, komt niet in het gezichtsveld. In Parsons' The Social System niet doordat echte mensen worden gereduceerd tot actoren die streven naar het bereiken van bevrediging (attainment of gratifications) en het vermijden van ontberingen (avoidance of deprivations) en in de economie tot actoren die streven naar nut. Met in beide gevallen het uitdrukkelijke besluit om de vraag naar wat bevrediging en ontberingen en wat nut nu eigenlijk inhouden buiten de theorie te houden.  

Wat dat voor de socioloog betekende, valt aardig duidelijk te maken aan de hand van het in 1969 verschenen artikel Primary Group Structures and Their Functions: Kin, Neighbors, and Friends van Eugene Litwak. Daarin gaat het over het verdwijnen van de uitgebreide familie doordat kinderen verder van hun ouders weg gaan wonen. Is dat niet een negatieve ontwikkeling? Nee, want er is een terugkoppeling die eruit bestaat dat de telefoon wordt geïntroduceerd waarmee mensen gemakkelijk en snel over afstand kunnen communiceren. En de onderlinge hulpverlening? Grootouders die even bijspringen? Volwassen kinderen die de ouders een handje helpen (wat we nu mantelzorg noemen)? Ook daar is er een terugkoppeling, namelijk van de nieuwe mogelijkheid om geld over te maken. Het sociale systeem zorgt uit zichzelf voor nieuwe, passende ontwikkelingen. 

Merk op dat er in die redenering niet een menselijke sociale natuur opduikt, waarin er een behoefte aan face-to-face contact en aan de veiligheid en vertrouwdheid daarvan zou kunnen bestaan. En dat daardoor ook niet de problemen van sociale vluchtigheid en onzekerheid in beeld komen, die de kans vergroten op eenzaamheid en statuscompetitie. Dat er de problemen die we nu kennen, van eenzaamheid en van de "hypernerveuze samenleving", ooit zouden kunnen ontstaan, dat was in die structureel-functionalistische sociologie uitgesloten.

In de Nederlandse sociologie in de tijd dat ik studeerde (1965 - 1971) was er in dezelfde lijn het toen invloedrijke Wijk en stad: reële integratiekaders? uit 1955 van de toen nog jonge socioloog Jacques van Doorn (1925 - 2008), de latere hoogleraar en columnist en samen met Cor Lammers auteur van het in 1959 verschenen en vele malen herdrukte Moderne Sociologie. Een systematische inleiding.  

Van Doorn betoogde dat "de wijkgedachte" achterhaald was. Dat de buurt of de wijk als sociale omgeving tegemoet zou kunnen komen aan de menselijke behoefte aan sociale contacten, was volgens hem een "romantische visie" die we achter ons moesten laten. Ik citeer nu even mezelf uit 2015 (Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde):

Als je het betoog nu terugleest, dan merk je op dat het nog best genuanceerd is. Maar dat is minder het geval met de invloed die het heeft uitgeoefend. In de sociologie en in het beleid is er vaak naar verwezen als het afdoende "bewijs" dat mensen hun buurt als bron van sociale contacten niet meer nodig hebben. Geleerd gezegd: de ouderwetse territoriale integratie heeft definitief plaats gemaakt voor de moderne functionele integratie. In concreto betekende dat dat mensen hun contacten wel uit hun werk halen. Daar zijn medebuurtbewoners niet meer voor nodig.

En dat was ook een ontwikkeling die diende te worden toegejuicht. Die romantische, territoriale contacten, die waren maar benauwend en controlerend. Het was modern om meer "geobjectiveerde" contacten te hebben. Die term haalde Van Doorn bij Karl Mannheim (1893-1947) vandaan, overigens een interessant man, maar nu totaal vergeten. Dat "geobjectiveerd" betekent in feite: oppervlakkig en, jawel, functioneel.

Hadden mensen dan geen persoonlijke en meer diepgaande contacten nodig? Jawel, maar die vonden ze in het eigen gezin en dat was voldoende. Van Doorn spreekt ook over "gezinsindividualisme", wat hij niet ziet als een sociaal probleem. Ik kan het niet laten om een citaat op te nemen:

Wanneer men zich op het standpunt stelt, dat dit gezinsindividualisme niet op een moreel verval wijst, maar een van de symptomen is van een algemene tendentie in de samenleving, en dat er bovendien geen reden is om te veronderstellen dat dit gezinsisolationisme spanningen of conflicten oproept, kan men inderdaad niet van een zodanig sociaal knelpunt spreken.
Duidelijker vind je niet het optimisme van de naoorlogse sociologie verwoord. Het optimisme van de individualistische maatschappij waarin geen eenzaamheid zou bestaan, waarin mensen tevreden zouden zijn in hun sociaal geïsoleerde gezinnetje en met voor de rest alleen die geobjectiveerde contacten. Het was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Want de maatschappij verandert en mensen zijn zo flexibel dat ze zich aan elke verandering succesvol aanpassen.

 Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Hier het vervolg.

dinsdag 14 oktober 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -18 - Het vak sociologie was daar nog lang niet aan toe

In het top down van het structureel-functionalisme (hier het vorige bericht) liggen er voor mensen, nee, actoren, in het sociale systeem posities klaar met bijbehorende rollen om te bezetten en uit te voeren. Vanuit die macrosociologische gedachtesprong ontstaat de blik waarmee naar de sociale werkelijkheid wordt gekeken. Dat levert een confrontatie op, want dan blijkt dat er in die sociale werkelijkheid geen actoren, maar  echte mensen actief zijn, die zich soms wel en soms niet volgens de rol gedragen die het sociale systeem hen heeft toegewezen. Hoe daarmee om te gaan? Op die vraag bestonden in het structureel-functionalisme verschillende antwoorden. 

Een antwoord was dat er in het systeem zelf, in het bouwwerk van posities en rollen of in de verdeling daarvan over personen, foutjes konden sluipen. Zo kan iemand in een "rolconflict" terechtkomen als hij twee rollen moet combineren die lastig zijn te verenigen. Een voor de hand liggend voorbeeld dat je dan tegenkomt, denk aan wat we nu de werk-privébalans noemen, is het moeten combineren van de rol van werknemer met de rol van ouder in het gezin. Strikt functionalistisch door geredeneerd zou dat altijd een tijdelijk fenomeen moeten zijn, omdat het sociale systeem geacht wordt zich automatisch aan te passen. 

Een tweede antwoord was dat er zich een nieuw terrein van onderzoek opende, dat van het "afwijkende gedrag". De wikipediapagina Deviance (sociology) geeft daarvan een uitgebreid overzicht. Ook daarin komen we de gedachte tegen van een foutje in het sociale systeem als verklaring. Daarmee komen we op de anomietheorie, een wel degelijk interessante uitwerking van het structureel-functionalisme. 

Volgens die theorie, die teruggaat tot Emile Durkheim en werd uitgewerkt door Robert K. Merton (1910 - 2003) en anderen, ontstaat afwijkend gedrag als het sociale systeem wel de norm uitdraagt dat je in het leven naar materieel succes moet streven, maar tekortschiet in het verschaffen van de mogelijkheden om dat succes langs legitieme wegen te bereiken. In het bericht Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen? kwam de anomietheorie al even voorbij. Die toestand van anomie komt natuurlijk sterk overeen met wat ik een toestand van statuscompetitie noem. 

In deze beide antwoorden ligt de mogelijkheid van maatschappijkritiek besloten en van het aandragen van beleidsvoorstellen voor verbetering van het heersende sociale systeem, van maatschappijverbetering. Maar over het algemeen waren structureel-functionalistische sociologen daarin opvallend terughoudend. Het zou beter zijn om het sociale systeem de tijd te geven om zichzelf aan te passen.

Het derde antwoord tenslotte houdt in dat, weer heel strikt functionalistisch doorgeredeneerd, het afwijkende gedrag, omdat het nu eenmaal bestaat, wel een functie moet hebben. Hier dus geen foutje in het sociale systeem, maar juist een bevestiging van de goede werking ervan. Die functie zou er dan uit moeten bestaan dat het afwijkende gedrag iedereen er aan herinnert wat ook alweer de norm is. Ook hier gaan we terug naar Emile Durkheim, die in The division of labor in society betoogt dat de werkelijke functie van bestraffing van criminaliteit eruit bestaat dat het collectieve sentiment erdoor wordt versterkt (p.108):

Its true function is to maintain social cohesion intact, while maintaining all its vitality in the common conscience.

Ik heb het altijd een kromme redenering gevonden. Je postuleert een sociaal systeem, dat zichzelf in stand houdt. Dat houdt in dat het systeem normen genereert waar mensen zich aan moeten houden. Als ze dat doen, dan draagt dat dus bij aan de instandhouding van het systeem. Maar: als ze zich er niet aan houden, doet het dat ook. Want dan roept dat gedrag een reactie op, bestraffing, waardoor de sociale cohesie, dus de normopvolging, wordt versterkt. 

Of mensen de heersende normen volgen of die juist overtreden, het staat altijd in dienst van het sociale systeem. Het sociale systeem heeft op een of andere manier uitgevonden dat mensen ten behoeve van dat systeem normen moeten volgen. En het heeft uitgevonden dat als mensen dat niet doen, het ook goed is, want dat versterkt de normen en vergroot de kans op het opvolgen ervan.

Dat kan niet anders betekenen dan dat mensen nooit iets kunnen doen om dat sociale systeem te veranderen. Die kritiek van dat ingebakken conservatisme, daar zit dus wel wat in. 

Daar komt nog bij dat er uit dat top down van het structureel-functionalisme nooit een maatstaf tevoorschijn kan komen om de maatschappelijke toestand te beoordelen op de mate waarin die tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen willen en kunnen. Er is niet een menselijk streven naar welzijn of veiligheid noch een menselijk moreel streven van waaruit het sociale systeem wordt beoordeeld. Maatschappijkritiek kan niet anders worden behandeld dan als een vorm van afwijkend gedrag en heeft dan dus een functie ten behoeve van het bestaande sociale systeem.

Anders gezegd, er kan dus niet een noemenswaardige menselijke sociale natuur bestaan. En daarmee komen we op het "leerstuk" van de mens die aan de evolutie is ontstegen, die als een tabula rasa, een onbeschreven blad ter wereld komt, dat vervolgens door sociale beïnvloeding wordt vol geschreven, In Parsons The Social System komen we dat leerstuk hier tegen (p.32-3): 

It is furthermore in the present context of the problem of adequate motivation of role-expectation fulfillment that the basic significance for the social system of two fundamental properties of biological "human nature" may best be briefly brought to attention.

(Merk de aanhalingstekens op.) Wat zijn die twee fundamentele eigenschappen? In twee woorden: plasticiteit en beïnvloedbaarheid. 

The first of these is the much discussed "plasticity" of the human organism, its capacity to learn any one of a large number of alternative patterns of behavior instead of being bound by its genetic constitution to a very limited range of alternatives. (...) The limits of plasticity are for the most part still unknown.

Waarna een noot volgt, waarin Parsons de bewijslast legt bij degenen die anders beweren. 

Die tweede fundamentele eigenschap, de beïnvloedbaarheid (sensitivity) is natuurlijk meteen aan die plasticiteit gekoppeld. Alles komt van buiten, uit de sociale omgeving. 

Daar moeten we meteen bij bedenken dat de biologie, de psychologie en de neuropsychologie destijds nog maar weinig ontwikkeld waren. De term "genen" was inderdaad al wel in gebruik, maar het baanbrekende artikel over de structuur van het DNA van Francis Crick en James D. Watson verscheen in 1953, twee jaar na The Social System. De psychologie was nog geheel in de ban van het behaviorisme en dus van de extreme plasticiteit van de menselijke natuur. Skinners The Behavior of Organisms was in 1938 verschenen. Dat cognities en zelfs emoties onderwerp konden zijn van wetenschappelijk onderzoek, dat inzicht brak pas later in de twintigste eeuw door. Voor de biologie, en indirect voor de psychologie, was het werk van de vorig jaar overleden Frans de Waal, primatoloog en hoogleraar aan de faculteit psychologie van Emory University in Atlanta Verenigde Staten, van groot belang. Evenals het werk van de pas overleden Jane Goodall. Ook pas in de tweede helft van de vorige eeuw was er de ontwikkeling van het neuropsychologisch onderzoek

Tenslotte moeten we bedenken dat het in het vak psychologie ook lang duurde voor het onderzoek naar (de voorwaarden voor) menselijk welzijn zich ontwikkelde. Daniel Kahneman, Ed Diener en Norbert Schwarz hadden in 1999 met de uitgave van Well-Being. The Foundations of Hedonic Psychology het doel om een nieuw veld van psychologisch onderzoek aan te kondigen (p.ix):

Hedonic psychology - that could be its name - is the study of what makes experiences and life pleasant or unpleasant. It is concerned with feelings of pleasure and pain, of interest and boredom, of joy and sorrow, and of satisfaction and dissatisfaction. It is also concerned with the whole range of circumstances, from the biological to the societal, that occasion suffering and enjoyment. 

En ze merken op dat de belangstelling voor het menselijk welzijn tot dan in het vak psychologie en in de leerboeken ver te zoeken was. 

This pattern does not reflect the importance of the topics in people's lives, but it does reflect the history of the dominant themes of modern psychology.

Er bestond dus in de tijd van het structureel-functionalisme en de tijd dat ik studeerde geen vak psychologie dat inzichten aanleverde over wat mensen nodig hebben en zouden willen waarmee een samenleving en een maatschappelijke toestand kon worden beoordeeld. 

Natuurlijk bestonden die inzichten er wel in de maatschappelijke werkelijkheid. Ze zorgden er voor dat er in de naoorlogse politiek de gedachte bloeide van "de gemeenschap georganiseerd in de staat", van de opbouw van de verzorgingsstaat. 

Maar het vak sociologie, het vak dus, vervulde daarin vooral een toeschouwersrol. En dus kwam ik in  mijn studie niets tegen van de ideeën van Willem Banning in dat boekje Om mens en menselijkheid in maatschappij en politiek dat ik in 1963 gelezen had. Het vak sociologie was daar nog lang niet aan toe. Hier het vervolg.

maandag 6 oktober 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -17 - In het top down van het structureel-funcionalisme vervullen mensen hun rol

Alles moest top down. Voor de sociologie moet gelden dat het sociale systeem voorop staat en dat mensen daarvan een afgeleide zijn. Wat als sociologische theorie kan gelden, heeft betrekking op de eigenschappen en het functioneren van sociale systemen. Dat was het uitgangspunt van het structureel-functionalisme, dat in de tijd dat ik studeerde de voornaamste poging was om een macrosociologie te ontwikkelen. De oorsprong van die gedachte lag in de negentiende eeuw, in het werk van August Comte en Emile Durkheim. Zie het vorige bericht.

Hoe werd die gedachte verder uitgewerkt? 

Na de Tweede Wereldoorlog was er bovenal de uitwerking door Talcott Parsons (1902 - 1979) in zijn in 1951 verschenen The Social SystemIk heb dat boek destijds wel in handen  gehad, maar nooit helemaal gelezen. Daarmee was ik niet de enige, want het stond bekend als moeilijk en onleesbaar. Ik herinner me een college waar een van onze hoogleraren Parsons ideeën probeerde uit te leggen, maar moeite had om onze wat naïeve vragen goed te beantwoorden en, totaal vastgelopen in redeneringen, verzuchtte dat hij het allemaal ook niet bedacht had. 

Onze vragen kwamen eruit voort dat we kennis hadden van de bekende kritiek dat er in die ideeën, en in het structureel-functionalisme, een conservatieve houding was ingebakken. Als ik nu passages in dat boek lees, begrijp ik het beter dan wat ik me van toen herinner. Maar die kritiek van ingebakken conservatisme, die was en is terecht. Parsons is later goeddeels vergeten, maar dat conservatisme hangt er ongetwijfeld mee samen dat het vak sociologie nog altijd niet meer dan een toeschouwersrol ambieert. 

Parsons opent het boek met een uitleg over hoe hij topdown naar menselijk gedrag kijkt. De tweede alinea van dat eerste hoofdstuk (The action frame of reference and the general theory of action systems: culture, personality and the place of social systems) maakt meteen duidelijk wat hij aan het doen is:

The fundamental starting point is the concept of social systems of action. The interaction of individual actors, that is, takes place under such conditions that it is possible to treat such a process of interaction as a system in the scientific sense and subject it to the same order of theoretical analysis which has been successfully applied to other types of systems in other sciences.

We beginnen niet met inzichten in of veronderstellingen over wat mensen als een sociale diersoort kunnen en willen, om vervolgens te kijken tot welke soort(en) groepsvorming ze in staat zijn. Nee, aan het begin staat de denksprong dat in welke soort groep mensen ook leven, dat die groep altijd het karakter heeft van een systeem. Dus een eenheid vormt die door terugkoppelingsreacties op externe veranderingen zo reageert dat het systeem in stand blijft. (Vandaar natuurlijk die kritiek van dat ingebakken conservatisme.) We willen nu eenmaal dat de sociologie een zelfstandige wetenschappelijke discipline is en we denken dat het daar voor nodig is om een eigen domein te hebben. Dat moet wel het domein van "de sociale feiten" zijn en we bedenken (postuleren) dat dat domein als een systeem, net zo als alle andere systemen, bestudeerd kan worden.

Wat betekent nu die top down werkwijze voor hoe je naar mensen en hun gedrag kijkt?  Hoewel Parsons natuurlijk ook wel inziet dat het uiteindelijk om mensen gaat als biologische organismen (in the fundamental individual case biological organisms, p.4), moeten we daar verder van afzien. Mensen treden op als "actoren", die zich oriënteren op hun situatie en die situatie bestaat, in het sociale systeem, uit andere actoren, uit fysieke objecten en uit culturele uitingen, symbolen, taal. Gedrag bestaat er dan uit dat de actor gemotiveerd is. Waardoor? Wat wil de actor? 

De actor streeft naar het bereiken van bevrediging of voldoening (attainment of gratifications) en het vermijden van ontberingen (avoidance of deprivations. Aha, denk je dan, dan hebben we het dus over mensen als biologische organismen, die veiligheid zoeken en onveiligheid vermijden, waarbij veilig staat voor gunstig voor overleving en reproductie. Maar nee, dat is dus niet de bedoeling (p.4-5):

It is presumed that the ultimate source of the energy or "effort" factor of action processes is derived from the organism, and correspondingly that in some sense all gratification and deprivation have an organic significance. But though it is rooted in them the concrete organization of motivation cannot  for purposes of action theory be analyzed in terms of the organic needs of the organism.

Dat is dus een expliciete afwijzing van enige relevante relatie tot de biologie. Die relatie is buiten werking gesteld. Wat bevredigingen kunnen zijn en wat ontberingen kunnen zijn, dat wordt vervolgens volledig ingevuld door wat er vanuit het sociale systeem bij de actor binnenkomt. Hoe?

Welnu, de actor is actief in het sociale systeem, interageert en communiceert met anderen, en wordt zo onderdeel van een cultuur. Daardoor neemt hij "waarde-oriëntaties" in zich op, waarmee hij de sociale werkelijkheid leert kennen (cognitive standards), leert wat voldoening verschaft en wat ontbering oplevert (appreciative standards), en leert wat de morele verwachtingen zijn (moral standards). Kortom, alles wat actoren willen, dat komt voort uit de cultuur van het sociale systeem waar ze in opgroeien. Dat is niet een uniform proces, want actoren verschillen in de ervaringen die ze opdoen, waardoor zich verschillende persoonlijkheden ontwikkelen.

Daarmee hebben we dus een top down benadering van menselijk gedrag. Wat betekent dat nu voor de relatie met het vak psychologie? Dat vak kan natuurlijk voor het vak sociologie niet een leverancier zijn van inzichten in de menselijke sociale natuur. Parsons denkt bij psychologie aan persoonlijkheidspsychologie, aan het vak dat persoonlijkheidsverschillen tussen mensen bestudeert (p.18):

Roughly stated, tempting though such a procedure is, trouble arises from the attempt (...)  to treat "social motivation" as applied psychology in the sense that it is a direct application of personality theory. (...) Psychology, as the science of personality, is thus not the "foundation" of the theory of social systems, but one main branch of the great tree of action theory of which the theory of social systems is another. The common foundation is not the theory of the individual as the unit of society, but of action as the "stuff" out of which both personality systems and social systems are built up.

Nadat dus eerst de biologie aan de kant is gezet, wordt vervolgens het vak psychologie "onschadelijk gemaakt" door het in de top down benadering te incorporeren. 

In de rest van het boek en in zijn latere werk gaat het dan over de voorwaarden waaronder een sociaal systeem kan blijven voortbestaan. Over wat er voor nodig is om actoren zo te laten handelen dat ze doen waar "het systeem om vraagt". Het systeem blijft in evenwicht als genoeg aan vier functionele vereisten is voldaan:

  • aanpassing aan de omgeving (Adaptation)
  • realiseren van zijn doelen (Goal attainment)
  • integreren van zijn onderdelen (Integration)
  • instandhouding van zijn latente patroon, dat wil zeggen van de bestaande cultuur (Latency pattern maintenance)

Dat lijstje, bekend geworden als het AGIL-schema, roept allerlei vragen op, maar die probeer ik hier niet te beantwoorden. Waar het om gaat is de veronderstelling dat er op het systeemniveau "functionele vereisten" kunnen worden geïdentificeerd waaraan moet zijn voldaan. Als dat het geval is, dan bestaan er in het systeem posities die door personen worden vervuld, met bijbehorende rollen, dat wil zeggen verwachtingen omtrent het gedrag. Denk aan beroepen en functies in de politiek, de rechtspraak, het onderwijs. Als die posities maar goed genoeg uit die functionele vereisten voortvloeien en als personen zich maar goed genoeg over die posities verdelen en maar genoeg handelen volgens die bijbehorende rollen, dan gaat alles zijn gang en is er evenwicht. 

Mensen komen dus gedurende hun leven in posities terecht en handelen volgens de daarbij behorende rolverwachtingen. Dat onderdeel van het structureel-functionalisme ontwikkelde zich tot wat bekend werd als de roltheorie. Daarin gaat het erover dat personen baat hebben bij het vervullen van een sociaal omschreven en geaccepteerde rol, doordat het hen richting en zekerheid verschaft. Het bestaan van die posities en rollen is dus niet alleen goed voor de instandhouding van het systeem, maar ook voor de mensen die in die posities terechtkomen. Want, en daar komt alsnog, en ad hoc, een veronderstelling over de menselijke sociale natuur binnen: mensen hebben richting en zekerheid nodig.

Die roltheorie genoot in die tijd wel enige bekendheid, ook buiten het vak. Ik herinner mij een werkweek van de middelbare school, waar een spreker ons die roltheorie voorhield. Er lagen allerlei rollen in de maatschappij voor ons klaar en wij moesten ons inspannen om in zo'n rol terecht te komen en dan kwam het met ons wel goed. Ik voelde me ongemakkelijk en durfde bezwaar te maken. Want ik had er al wel een idee van dat je ieder mens zou moeten waarderen als een unieke, authentieke persoonlijkheid en zou dat niet in gevaar komen? Kon je mensen wel reduceren tot een rol die ze geacht werden te spelen en was het wel goed om dat te doen? Ik herinner me dat de spreker verrast was door deze tegenwerping. Hij had de theorie zo verinnerlijkt dat zijn blik op de wereld er door bepaald werd. Dat viel me tegen, want ik zag bij hem op.

Veel later, toen ik sociologie studeerde of misschien pas toen ik socioloog was geworden, moest ik hier aan terugdenken. Want ik realiseerde me dat mijn tegenwerping te maken had met wat in het structureel-functionalisme het thema was van het "afwijkend gedrag". Maar dit bericht is al lang genoeg. Daarover meer in het vervolg