Posts tonen met het label adolescentie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label adolescentie. Alle posts tonen

woensdag 15 december 2021

Populairwetenschappelijke literatuur over de wenselijkheid van gemeenschapsgedrag - 1. Over de kracht van innemendheid

Een normatief kader voor de sociologie kan eruit bestaan dat van de twee sociale evenwichten die mogelijk zijn het gemeenschapsevenwicht beter is voor mensen dan het statuscompetitie-evenwicht. Zie hier voor de empirische onderbouwing van dat normatieve kader.

Als dat normatieve kader inderdaad empirisch onderbouwd is, dan valt te verwachten dat je het ook aantreft in het denken van mensen over het sociale en maatschappelijke leven. En dat zagen we inderdaad in het vorige bericht. 

Ook valt te verwachten dat er een vraag is naar populair-sociaalwetenschappelijke publicaties over de wenselijkheid van een meer gemeenschapsgericht sociaal en maatschappelijk leven. Dit bericht en volgende berichten gaan over voorbeelden van boeken die aan die vraag tegemoetkomen. In een eerder bericht had ik het over populair-sociaalwetenschappelijke publicaties over de mate waarin ons sociaal en maatschappelijk leven door statuscompetitie gekenmerkt wordt.

In de loop van de tijd heb ik verscheidene populair-sociaalwetenschappelijke boeken aangeschaft waarin wordt gewezen op de wenselijkheid van meer gemeenschapsgerichtheid. Ik heb er nu een paar bijeengezocht, maar een nog grondiger tocht door mijn boekenkast zou nog meer kunnen opleveren. En dan zijn er ongetwijfeld nog boeken die ik gemist heb. Voor suggesties houd ik mij aanbevolen.

In dit bericht wil ik het hebben over Populair. De kracht van innemendheid in een wereld geobsedeerd door status van Mitch Prinstein, de in 1917 verschenen vertaling van Popular. The Power of Likability in a Status-Oriented World. 

Mitch Prinstein is hoogleraar in de psychologie en de neurowetenschap en een gerenommeerd onderzoeker op het gebied van statuscompetitie tussen adolescenten en de samenhang met depressie en zelfmutilatie. In dit boek geeft hij een fraai overzicht van al het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de menselijke neiging tot statuscompetitie (competitie om populariteit), zoals die vooral in de adolescentie de kop opsteekt, en naar de negatieve gevolgen van dat gedrag voor welbevinden en onze gezondheid.

En van al het onderzoek dat erop wijst dat het veel beter voor ons zou zijn om niet naar status te streven, maar om "innemend" te zijn, aardig te zijn voor anderen en daarmee door anderen geaccepteerd te worden. In die wederzijdse acceptatie, het iedereen-telt-mee, herkennen we natuurlijk het gemeenschapsgedrag. 

Het boek besluit dan ook met de aansporing om afscheid te nemen van onze obsessie met en verslaving aan status en in plaats daarvan te proberen om een innemend mens te zijn, om door anderen aardig gevonden te worden. Ik citeer (p. 233-234):

Dat laatste is niet altijd makkelijk in een wereld die geobsedeerd is door status. We worden voortdurend gestimuleerd om mensen met status te bewonderen, we beoordelen kwaliteit op basis van status en we schenken zelfs aandacht aan mensen met wie we het niet eens zijn, maar die wel status hebben. Alsof zichtbaar, dominant, machtig of cool zijn bewonderenswaardige eigenschappen op zich zijn (...).

Precies die moeilijkheid van gemeenschapsgedrag in een statuscompetitieve wereld vinden we terug in Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Maar alle onderzoeken die de afgelopen decennia zijn uitgevoerd en in dit boek zijn besproken hebben aangetoond dat het voortdurend nastreven van status tot een kans op allerlei grote levensproblemen leidt, zoals verslaving, eenzaamheid en depressiviteit. De inspanningen die nodig zijn om meer status te verwerven - agressief gedrag, geen rekening houden met de gevoelens van anderen, egoïsme -  zouden niet de inspanningen van onszelf of de samenleving moeten zijn die we waarderen (...).

Ik hoop dat dit boek heeft laten zien dat we ongeacht ons verleden allemaal de kans hebben om leukere, aangenamere mensen te worden, misschien zelfs wel honderden keren per dag. Daarvoor moeten we onze tieneropvattingen over wat 'het populairst' is vergeten en terugkeren naar wat we als kind hebben geleerd.

Hier gaat het dus over die eerste fase van ons leven, waarin we in de veiligheid van het gezin (als die veiligheid er is) gemeenschapsgedrag aanleren, en de tweede fase, die van school en adolescentie, waarin we met statuscompetitiegedrag in aanraking komen en dat gedrag als aanpassing daaraan overnemen.

Als we proberen om eerder een aangenaam persoon te zijn dan iemand met veel status, betekent dat dat we ervoor kiezen om anderen te helpen in plaats van dat we proberen om zelf meer aandacht en macht te krijgen, en dat we meer energie steken in het cultiveren van relaties in plaats van het vergaren van likes. Het betekent dat we ervoor kiezen om anderen het gevoel te geven dat ze welkom zijn en erbij horen in plaats van ons superieur te voelen. Je krijgt de meest bevredigende vorm van populariteit door te proberen je aan te passen in plaats van op te vallen, en door te doen wat je kunt om harmonie te creëren in plaats van je te richten op hoe je anderen domineert.

Natuurlijk spreekt hier de psycholoog. Die oproept tot gemeenschapsgedrag. De socioloog zou daarnaast ook aandacht vragen voor de "structurele" voorwaarden waaronder mensen gemakkelijker aan die oproep gehoor zouden kunnen geven. Denk bij voorbeeld even aan die structurele voorwaarde van leeftijdsgemengde groepen in het onderwijs, die het statuscompetitiegedrag (pesten) onder adolescenten zo sterk zou terugdringen. Zie Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen. 

Ga hier naar het vervolgbericht.

donderdag 2 december 2021

Over de problemen en het lijden die eruit voortkomen dat een toestand van voorbereid zijn overheerst die niet goed past bij de uitdagingen die de sociale omgeving stelt

Wat betekent het om voorbereid te zijn op gemeenschapsgedrag en op statuscompetitiegedrag en daarmee op te groeien in onze huidige maatschappij? 

In grote lijnen doen er zich twee complicaties voor. Het eerste treedt op als je opgroeit in een gezin waarin je onvoldoende het gemeenschapsgedrag, in de vorm van fysieke en emotionele zorgzaamheid, aantreft dat nodig is om bij jou dat klaarliggende gemeenschapspatroon tot ontwikkeling en voltooiing te kunnen brengen. Nogmaals (zie het vorige bericht), in termen van de hechtingstheorie: om een veilige hechtingsstijl te kunnen ontwikkelen. Maar denk ook aan de helaas voorkomende ellende van fysieke en emotionele verwaarlozing of zelfs mishandeling.

En met het tweede probleem krijg je te maken als je, of je nu wel of niet veilig gehecht bent, gedurende de adolescentie of jongvolwassenheid het ouderlijk gezin achter je laat en een maatschappij betreedt waarin naast dat gemeenschapspatroon vooral ook het statuscompetitiepatroon aanwezig is.

Wederom in grote lijnen kunnen zich dan twee soorten problemen ontwikkelen. De eerste soort ontstaat doordat je gemeenschapspatroon onvoldoende tot wasdom is gekomen. Waardoor het problematisch wordt om evenwichtige relaties aan te gaan en om daarin te functioneren. Je hebt niet geleerd om mensen te vertrouwen. 

Met als gevolg dat je "terugvalt" op dat evolutionair oudere patroon van het statuscompetitiegedrag. Denk aan de polyvagaaltheorie van Porges. Je ziet overal gevaar en het leven is stressvol. Afhankelijk van je inschatting van je eigen vermogens, schiet je in de verdediging en berusting van de "nederlaag", of ga je in de aanval en doe je mee met de competitie om de hogere statusposities. In het onderzoek naar adolescenten kom je die twee "strategieën" tegen als die van het internaliserende en externaliserende probleemgedrag. In termen van psychische aandoeningen gaat het in het eerste geval om een vergrote kans op een angststoornis of een depressie en in het tweede geval om sociopathie of een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Denk aan de evolutionaire psychiatrie van Stevens en Price.

Het tweede soort problemen kan zich ontwikkelen bij de overgang naar volwassenheid. Het is niet voor niets dat psychische aandoeningen zich zo vaak in juist deze levensfase ontwikkelen. Ook, of juist, als je gemeenschapspatroon tot wasdom is gekomen, kan het een grote uitdaging zijn om in de adolescentie met statuscompetitiegedrag geconfronteerd te worden. Het kan zijn dat je moeilijk leert om daarmee goed om te gaan. Om te onderkennen dat anderen het niet altijd goed met jou voor hebben. Het gevaar is dat dat je teveel blijft hangen in dat gemeenschapspatroon en voortdurend wordt teleurgesteld. Je toestand van voorbereid zijn past dan niet goed bij de sociale omgeving waarin je bent terechtgekomen. Misschien wordt je overmatig cynisch of depressief.

Al met al ontstaan dus de problemen, en het daarmee gepaard gaande lijden, doordat een toestand van voorbereid zijn overheerst die niet goed past bij de uitdagingen die de sociale omgeving stelt. Wat te doen? Payne en Crane-Godreau bespreken de verschillende therapieën die tegenwoordig worden aangeboden en die alle gemeen hebben dat "lichaam en geest" een eenheid vormen: de body-mind therapeutic and educational systems (BTES). En ze hebben gemeenschappelijk dat het lijden wordt verminderd door te leren je bewust te worden van het onbewuste proces waarmee je een toestand van voorbereid zijn in stand houdt die niet goed past bij de uitdagingen waar je mee te maken hebt. 

Gemakkelijk is dat natuurlijk niet. In de woorden van Payne en Crane-Godreau (ter herinnering: PS staat voor toestand van voorbereid zijn):

Since PS are primarily sub-cortical, it may not be easy for a person to be fully, reflectively aware of their PSs, especially in the case of persistent maladaptive PS. BTES claim that this lack of awareness is the major obstacle to being able to let go of the PS, and that by cultivating the capacity to attend to subtle aspects of proprioception and interoception (as well as attentional orientation and affective state) it is possible to become aware of the PS and of one's active (if involuntary) process of adopting and maintaining it.

Proprioception en interoception slaan op het waarnemen van en aandacht voor het eigen lichaam en de lichaamshouding en van de lichaamsorganen. Wordt vervolgd. Hier het vervolgbericht.

maandag 25 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 4

Er lijkt dus een gemeenschappelijke factor, de p-factor, ten grondslag te liggen aan de vele verschillende vormen van psychische aandoeningen. Een eerste benadering van wat die factor inhoudt is een verwardheid in gedachten en manier van denken en een beheerst worden door irrationele, ongewenste gedachten. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Caspi en Moffitt staan stil bij zowel genetisch als neurologisch onderzoek dat aanwijzingen verschaft in lijn met het bestaan van die p-factor. Uit een meta-analyse van fMRI-studies waarin mensen met verschillende psychische aandoeningen werden vergeleken met een controlegroep van mensen zonder zulke aandoeningen, bleek dat er verschillen waren in hersenactiviteit, met nauwelijks differentiatie tussen die aandoeningen (schizofrenie, bipolariteit, obsessief-compulsieve stoornis, angststoornis en depressie). Uit ander onderzoek bleek het vooral te gaan om hersengebieden die betrokken zijn bij aandacht en cognitieve controle, in het bijzonder bij het registreren en verwerken van informatie. Informatie van buitenaf, maar ook informatie over de eigen gedachten en emoties.

Daar komen de duidelijke aanwijzingen bij dat er invloeden vanuit de omgeving een rol spelen die gemeenschappelijk zijn aan vrijwel alle psychische aandoeningen en die kunnen worden samengevat als: blootstelling aan trauma. Caspi en Moffitt gaan in het bijzonder in op het trauma van kindermishandeling (fysiek, seksueel, emotioneel en emotionele verwaarlozing). En noemen in dat verband drie onderzoekslijnen.

Zo is er als eerste het onderzoek dat laat zien dat kindermishandeling bij vrijwel alle psychische aandoeningen een rol heeft gespeeld (p.838-839):

it is more difficult to identify a disorder to which childhood maltreatment is not linked than to identify a disorder to which it is linked with specificity (91). Childhood maltreatment is a risk factor in the history of people with mood disorders, anxiety disorders, behavioral disorders, and substance use disorders as well as schizophrenia, psychosis, and psychotic-like experiences and symptoms (92–94). Childhood maltreatment also predicts disorder that is comorbid, persistent, and even treatment resistant (95–97).
 
Ten tweede blijkt het voor de aard van de gevolgen niet veel uit te maken om welke vorm van mishandeling het gaat. 

En tenslotte zijn er aanwijzingen dat het niet alleen gaat om de vroege jeugd, maar juist ook om stressvolle ervaringen in de adolescentie, die ernstige en moeilijk behandelbare gevolgen kunnen hebben. Caspi en Moffitt verwijzen naar het overzichtsartikel Heightened stress responsivity and emotional reactivity during pubertal maturation: Implications for psychopathology. 

Daarin gaat het erover dat er juist in de adolescentie een verhoogde reactiviteit is op ervaren stress en emoties. Dat zal er ongetwijfeld aan liggen dat adolescenten zich moeten zien te handhaven in de leeftijdshomogene groep van medeleerlingen. Die verhoogde reactiviteit is voor sommigen een meer of minder succesvolle aanpassing aan die stressvolle omgeving, maar hangt bij grotere kwetsbaarheid samen met die psychische aandoeningen die juist vaak in deze leeftijdsperiode de kop opsteken (depressie, angststoornis, eetproblemen, verslaving, schizofrenie).  Denk in dat verband ook aan de negatieve lange-termijn effecten van pesten en gepest worden.

Over wat deze drie lijnen nu eigenlijk inhouden over de aard van die p-factor en vooral over de oorzaken ervan meer in het volgende bericht. Waarin het ook zal gaan over de implicaties voor behandeling en preventie. Zie hier deel 5.

vrijdag 5 januari 2018

Waardoor zijn adolescenten zo bezig met hoe ze op anderen overkomen?

We kennen in onze maatschappij het historisch gezien unieke arrangement dat we kinderen als scholieren een groot deel van hun dagelijks leven laten doorbrengen in de sociale omgeving van leeftijdsgenoten. En we weten dat die omgeving er een is die gemakkelijk statuscompetitie uitlokt, de strijd om wie stoer en cool is en wie er niet bij hoort en wie een loser is. Blader eens door alle berichten op dit blog achter het label adolescentie.

Een van de bekende en vervelende gevolgen daarvan is dat pesten en gepest worden een "normaal" onderdeel is geworden van deze leeftijdsfase.

Als je dat overdenkt, dan verwacht je dat de adolescentiefase nogal wat met zich meebrengt voor de sociale ontwikkeling. Want die omgeving van leeftijdsgenoten, de peer group, is meestal een van de thuissituatie gescheiden leefwereld, waarin iedereen erg bezig is met hoe hij of zij op anderen overkomt. Wordt ik wel geaccepteerd, is de vraag die zich voortdurend opdringt. Ben ik wel populair? Zie ik er wel goed uit? Beschik ik wel over de eigenschappen waarmee ik mij kan handhaven?

Je kunt verwachten dat de dringendheid van die vragen grote onzekerheid oproept. En dat daardoor gemakkelijk problemen ontstaan met extreme verlegenheid (self-consciousness), schaamte en angstigheid.

En inderdaad is er onderzoek dat met zulke verwachtingen overeenkomt. Ik kwam de verwijzingen tegen in de nieuwe studie Attention allocation towards own face is pronounced during middle adolescence: an eye-tracking study. En uit eerdere blogberichten leerden we al dat adolescenten:
  • sociaal kwetsbaar zijn, 
  • weinig het gevoel hebben dat ze zichzelf kunnen zijn, 
  • een grotere kans hebben op eenzaamheid als ze in het gezelschap zijn van klasgenoten, 
  • meer risico's nemen (stoer doen) als er peers bij zijn.
In die nieuwe studie gaat het over een mogelijke onderliggende verklaring. Als je in een omgeving komt te verkeren waarin iedereen erg bezig is met hoe hij of zij op anderen overkomt en met de vraag of anderen jou wel genoeg zien staan en of je wel populair genoeg bent, dan zul je grote belangstelling hebben voor je eigen kenmerken. Draag je wel de goede kleren? Is je gezicht wel leuk en interessant of stoer genoeg? Vandaar dat pubers veel tijd doorbrengen voor de spiegel.

Die bijzondere aandacht voor het eigen gezicht werd in dit onderzoek vastgesteld door jongens en jonge mannen naar een serie van tweetallen foto's te laten kijken met combinaties van zichzelf, van vrienden en van vreemden. De tweetallen werden kort naast elkaar gepresenteerd, waarna of links of rechts een plaatje tevoorschijn kwam waarop moest worden gereageerd. Die reactie was sneller als dat plaatje tevoorschijn kwam op de plek van de foto waar je de meest aandacht voor had gehad. Dat kon dus je eigen foto zijn of die van een ander.

En de groep midden adolescenten (15-17 jaar) bleek opvallend veel gefixeerd te zijn op het eigen gezicht. Terwijl die fixatie afwezig was bij de leeftijdsgroep van 11-13 jaar en die van 20-22 jaar. De onderzoekers zien dat als een aanwijzing dat vooral in de midden adolescentie de belangstelling voor de eigen positie in de sociale hiërarchie en de gevoeligheid voor reacties van anderen verhoogd zijn.

Dit werd bevestigd door de uitkomsten van het vragenlijstonderzoek. Juist in die leeftijdsgroep is de aandacht voor hoe je op anderen overkomt (public self-consciousness) het grootst en is de zelf-waardering het laagst.

Het is goed om je daarbij te bedenken dat die fixatie op jezelf en hoe je op anderen overkomt niet van nature hoort bij de adolescentie. Het is een vervelend effect van die historisch gezien unieke manier waarop wij onze kinderen laten opgroeien.

woensdag 29 november 2017

Adolescenten zijn sociaal kwetsbaar door gevoeligheid voor sociale afwijzing en weinig zelfbescherming

Het onderzoekje Development of self-protective biases in response to social evaluative feedback geeft een aardig inzicht in hoe adolescenten, en dus scholieren, omgaan met het probleem van hun eigenaardige sociale omgeving.

Die omgeving bestaat namelijk vooral uit leeftijdsgenoten en we weten dat die kunstmatige omgeving gemakkelijk statuscompetitie en pesten uitlokt. Zie Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait en Leeftijdsgemengde schoolklassen verminderen het pesten - Nieuwe aanwijzingen.

Dat zal eraan liggen dat je er in zulke leeftijdshomogene peer groups niet als vanzelfsprekend bijhoort. Je wordt beoordeeld en krijgt dus te weten of je wel "stoer" of "cool" of leuk of "gewoon" genoeg bent om te kunnen worden geaccepteerd. Omdat er buiten die groep ook weinig anders is, ben je wel erg gemotiveerd om te worden geaccepteerd en erbij te horen.

Maar er is altijd een behoorlijke kans om te worden afgewezen. Hoe ga je daarmee om?

In dat onderzoekje deden (slechts!) 107 proefpersonen van tussen de 10 en 23 jaar een beoordelingstest. Ze beoordeelden elkaar, op de basis van een ingestuurde foto, en moesten voorspellen hoe aardig anderen hen zouden vinden. Het ging er om hoe ze zouden reageren op een negatieve beoordeling door anderen, dus op sociale afwijzing. En het ging erom of daar bij de overgang naar volwassenheid iets in zou veranderen.

Wat daaruit naar voren kwam, kan met het plaatje hieronder worden duidelijk gemaakt.


Je ziet dat die adolescentiefase zich kenmerkt door een ronduit vervelende combinatie van een lage mate van zelfbescherming en een hoge mate van gevoeligheid voor sociale afwijzing. Precies die combinatie duidt op een hoge mate van sociale kwetsbaarheid. Je bent nog weinig in staat om je schouders erbij op te halen als je wordt afgewezen. En je wilt er tegelijk o zo graag bij horen.

Wat verandert er dan in die overgang naar de jongvolwassenheid dat die kwetsbaarheid afneemt? Het kan zijn dat je gaandeweg leert hoe je je beter kunt beschermen.

Maar het kan ook zijn dat je minder door alleen maar leeftijdsgenoten omringd wordt. Misschien doe je ervaringen op in een werkomgeving met collega's van verschillende leeftijden. Je kunt die kunstmatige peer group steeds beter achter je laten. Het erbij willen horen wordt minder een acuut probleem. En zo raak je minder onder de indruk van een afwijzing en ben je beter in staat tot zelfbescherming.

Merkwaardig hoe wij onze kinderen en adolescenten maar blijven bloot stellen aan die riskante groep van leeftijdsgenoten.

woensdag 14 juni 2017

Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.

Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.

In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
  1. I think it is better to be yourself, than to be popular.
  2. I don’t know how I really feel inside.*
  3. I am strongly influenced by the opinions of others.*
  4. I usually do what other people tell me to do.*
  5. I always feel I need to do what others expect me to do.*
  6. Other people influence me greatly.*
  7. I feel as if I don’t know myself very well.*
  8. I always stand by what I believe in.
  9. I am true to myself in most situations.
  10. I feel out of touch with the ‘real me.’*
  11. I live in accordance with my values and beliefs.
  12. I feel alienated from myself.*
Hoe minder je de uitspraken met een sterretje op jou van toepassing vindt en hoe meer de andere uitspraken, hoe meer je het gevoel hebt dat je authentiek kunt zijn.

Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.

Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.

De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.)  Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.

En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.

Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?

maandag 15 mei 2017

Na, en door, overgang naar voortgezet onderwijs meer statuscompetitie onder leerlingen

Hoe onze kinderen opgroeien verschilt sterk van de stabiele en leeftijdsheterogene sociale omgeving waar ze naar aanleg op zijn voorbereid en waar ze het beste in gedijen.

Want buiten het eigen gezin is er tegenwoordig vooral de leeftijdshomogene groep van de klasgenoten. We weten dat die omgeving gemakkelijk statuscompetitie uitlokt, de strijd om wie populair en wie cool en wie stoer is. En we weten dat het meedoen aan die competitie negatief uitwerkt op het welbevinden. En trouwens ook op de schoolprestaties. Zie nog eens de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait. En zie over het verband tussen statuscompetitie en pesten: Pesten is een vorm van statuscompetitie - Nieuwe aanwijzingen.

Daar komt bij dat die sociale omgeving weinig stabiel is. In een stabiele omgeving leren kinderen elkaar beter kennen, waardoor gemakkelijker onderlinge vertrouwdheid en vriendschappen ontstaan en waardoor de strijd om populariteit wordt teruggedrongen.

Maar door overgangen tussen onderwijsniveau's vinden er van tijd tot tijd reshuffles plaats in de groepssamenstellingen, die de kans op een opleving van de statuscompetitie doen toenemen.

Dat dat laatste inderdaad het geval is, blijkt uit de nieuwe studie The Trajectory of Popularity Goal During the Transition to Middle School. De onderzoekers volgden leerlingen voor en na die overgang en namen op gezette tijden een vragenlijstje af met onder meer vragen naar hoe belangrijk leerlingen het vonden om populair te zijn en om populariteit na te streven.

Het bleek toen dat het populariteitsdoel na de overgang naar het voortgezet onderwijs gedurende een bepaalde periode significant meer werd nagestreefd.

Wat bovendien naar voren kwam is dat leerlingen ook zelf die toename van de statuscompetitie waarnamen. En dus werden beïnvloed om er aan mee te doen. Ja, je past je aan aan wat je om je heen ziet gebeuren. Denk aan Het puberbrein en de peergroup.

Die kunstmatige sociale omgeving van leeftijdshomogeniteit en instabiliteit waaraan we onze kinderen blootstellen, die heeft door dat aanwakkeren van de statuscompetitie voorspelbare negatieve gevolgen.

En we hebben daar, zo lijkt het, onvoldoende oog voor.

maandag 14 maart 2016

Leeftijdsmenging maakt adolescenten voorzichtiger en minder kortzichtig

In de mensheidsgeschiedenis zijn kinderen altijd leeftijdsgemengd opgegroeid. Tot we het onderwijs en de school uitvonden en bedachten dat het wel efficiënt was om kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar te zetten. Dat bedachten we, als ik het goed heb, zo ongeveer in de negentiende eeuw, met misschien de toen opkomende fabrieksmatige productie als voorbeeld voor de organisatorische vormgeving van het onderwijsproces.

Nu pas, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, beginnen we door te krijgen dat het zo leeftijdsgesegregeerd laten opgroeien van onze kinderen, niet goed uitwerkt op hun sociale en morele ontwikkeling.

Gelukkig zijn er scholen met leeftijdsgemengde groepen, waardoor we kunnen vergelijken. En dan blijkt, uit Amerikaans onderzoek, dat kinderen op leeftijdsgemengde scholen hulpvaardiger zijn, zich minder eenzaam voelen en minder agressief zijn. En uit Nederlands onderzoek blijkt dat op leeftijdsgemengde scholen de helft minder gepest wordt.

Maken die verschillen wat uit voor de verder ontwikkeling van kinderen? Jazeker, want we weten dat de negatieve effecten van pesten en gepest worden doorwerken tot op jongvolwassen leeftijd.

Er is nu de nieuwe studie Adolescents in Peer Groups Make More Prudent Decisions When a Slightly Older Adult Is Present, die aanwijzingen toevoegt aan de gunstige effecten van leeftijdsmenging. De onderzoekers, onder wie Laurence Steinberg, laten zien dat mannelijke adolescenten (18-22 jaar) meer risico's nemen en kortzichtiger zijn in een groep van vier leeftijdsgenoten dan wanneer ze alleen zijn.

Dat wisten we, dat adolescenten minder verantwoord handelen door de groepsdruk van vriendjes van dezelfde leeftijd. Waarschijnlijk speelt statuscompetitie en stoer willen overkomen daarbij een grote rol.

Maar wat de onderzoekers ook laten zien, is dat dat negatieve effect geheel of grotendeels wegvalt als een van die drie andere groepsleden een ouder iemand is. In het onderzoek was dat een student van tussen de 25 en 30 jaar.

En dat gebeurde eenvoudigweg door de aanwezigheid van die oudere persoon. Die hoefde daar verder niets voor te doen.

Een sterke aanwijzing voor de waarschijnlijk meestal onbewust werkende positieve invloed van een leeftijdsgemengde sociale omgeving op het gedrag van adolescenten.

vrijdag 11 december 2015

Sociaal verantwoordelijkheidsgevoel van adolescenten neemt af bij het opgroeien

Als je niet een ieder-voor-zich maatschappij wilt, dan lijkt het nodig dat opgroeiende kinderen een sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen. Maar volgens dit Amerikaanse onderzoek Developmental Change in Social Responsibility During Adolescence: An Ecological Perspective (betaalpoort) lijkt het met die ontwikkeling nogal tegen te vallen.

In het onderzoek werden ruim 4000 adolescenten van tussen 9 en 18 jaar oud verspreid over acht schooldistricten in twee staten ondervraagd. Daarvan konden er 838 gedurende drie jaar gevolgd worden, met in elk jaar een interview. Hun sociaal/maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoel werd vastgesteld met behulp van zes uitspraken waarvan de pubers moesten aangeven hoe eens of oneens ze er het er mee waren. Elke uitspraak begon met "Het is voor mij erg belangrijk ...", waarna volgde (in mijn vertaling):
om anderen te helpen die het minder goed hebben
om mensen in mijn buurt (community) te helpen
 om mijn land te dienen
om een bijdrage te leveren aan de maatschappij 
 om andere leerlingen op school te helpen
om er aan bij te dragen dat nieuwe leerlingen zich welkom voelen
Je ziet dat sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel en pro-sociaal gedrag naar inhoud sterk overlappen. Op een schaal van 1 tot 5 was de gemiddelde score in de eerste ondervraging 3,88. Niet zo slecht, denk je dan. Maar als je kijkt naar hoe die score zich met het opgroeien ontwikkelt, dan blijkt dat die tot het zestiende levensjaar afneemt en daarna stabiel blijft.

Wat kan daarvan de oorzaak zijn? De onderzoekers gingen na of de aard van de sociale omgeving(en) waarin die adolescenten verkeren, van invloed is. Met het idee dat wat je in je eigen omgeving(en) meemaakt, je meer of minder aanzet tot het nemen van verantwoordelijkheid voor anderen. Als je anderen die verantwoordelijkheid ziet nemen, dan zul je dat zelf ook doen. En andersom.

Daarom werden de adolescenten ook ondervraagd over zaken als het sociale klimaat in het gezin, in hun buurt en op hun school en over of ze goede vrienden hadden die ze konden vertrouwen. Toen bleek inderdaad dat het sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel groter was bij een beter sociaal klimaat van gezin, school en buurt en bij het hebben van goede vrienden.

Maar bovendien bleek dat tegelijk met die afname van het sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel met het ouder worden ook dat sociale klimaat van gezin, school en buurt afnam, evenals het hebben van goede vrienden. (Dat sociale klimaat van de school werd onderscheiden in solidariteit tussen leerlingen en democratisch klimaat. Die solidariteit nam af en dat democratische klimaat bleef stabiel.)

Wat het precies is, wie zal het zeggen, maar er gebeuren dus dingen in die periode tussen 9 en 16 jaar die de sociale omgeving(en) van adolescenten negatief beïnvloeden. En die dus negatief uitwerken op hun sociaal/maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoel. De onderzoekers zeggen er dit over:
our study suggests that during middle adolescence, there may be a void in the supportive environments adolescents need to thrive. Other studies have found similar evidence of declines in family and school climate during middle adolescence (e.g., Eccles et al., 1993; Shanahan et al., 2007; Wang & Dishion, 2012; Wray-Lake, Maggs, et al., 2012). Moreover, transitioning to high school may negatively affect functioning, as adolescents are likely to perceive less teacher support and more hostile and competitive school climates (Barber & Olsen, 2004; Newman et al., 2007; Otis, Grouzet, & Pelletier, 2005). 
Ze wijzen dus op die kunstmatige (leeftijdshomogene!) en competitieve sociale omgeving van de school. En daarmee dus ook op de sociale instabiliteit als gevolg van verandering van school. Wat de kans vergroot op het verliezen van vriendschappen.

Maar denk er ook aan dat het sociale leven in deze levensfase begint te fragmenteren. Door de overgang naar de middelbare school, die meestal verder weg ligt, raken kinderen hun bindingen in en met de buurt kwijt. En ze gaan een andere sociale wereld in die vaak maar weinig verbindingen heeft met het eigen gezin. Omdat we al onze kinderen blootstellen aan deze uitdagingen, zijn we geneigd om de problemen te ontkennen. Of om ons er bij neer te leggen omdat "het nu eenmaal zo is".

We zouden ons er meer rekenschap van moeten geven dat wij met wat wij als institutionele vormgeving van het onderwijs bedacht hebben, de sociale behoeften van onze kinderen en adolescenten weinig serieus nemen. Denk bijvoorbeeld ook even aan Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait en De eenzaamheid van de adolescent - Nee, van de scholier!

Maar dit onderzoek wijst ons er dus ook op dat dit alles negatief uitwerkt op de ontwikkeling van sociaal/maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoelens. Waarmee we in feite de ieder-voor-zich samenleving bevorderen.

maandag 7 december 2015

Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever

Er is al veel bekend over de negatieve effecten van veel televisiekijken op gezondheid en gedrag. Zie hier mijn laatste bericht daarover: Televisiekijken is (ook) ongezond vanwege dat waar we naar kijken.

De nieuwe studie Effects of Viewing Relational Aggression on Television on Aggressive Behavior in Adolescents: A Three-Year Longitudinal Study (betaalpoort) voegt daaraan toe dat het veel naar programma's kijken met een hoge dichtheid van sociale agressie adolescenten in het werkelijke leven sociaal agressiever maakt. De onderzoekers volgden ruim 450 adolescenten drie jaar lang en konden laten zien dat de mate van blootstelling aan sociale agressie op televisie samenhangt met een verhoogde mate van sociale agressie in het werkelijke leven een jaar later. Het omgekeerde verband blijkt er niet te zijn: degenen die in het werkelijke leven sociaal agressiever zijn, gaan er niet toe over om meer sociaal agressieve televisieprogramma's te kijken.

Sociale agressie werd in het onderzoek omschreven als een vals en vaak verborgen soort agressie die de relaties of vriendschappen van anderen schaadt. Met als voorbeelden: roddelen, geruchten verspreiden, achterklap, relaties verstoren, anderen uitsluiten, vuile blikken, valse berichten sturen en iemands vrienden "stelen". Uiteraard valt pesten ook onder sociale agressie.

De onderzoekers ondervroegen adolescenten drie maal naar hun favoriete televisieprogramma's, steeds met een tussenpoos van een jaar. Beoordelaars deelden de programma's in naar hoeveel sociale agressie er in voor komt. Bovendien gaven de adolescenten aan hoe vaak ze zelf sociaal agressief waren. Het blijkt toen dat degenen die in een jaar veel keken naar programma's met veel sociale agressie in het volgende jaar zelf ook sociaal agressiever waren, ook als je rekening houdt met hun sociale agressie een jaar terug. Dat wijst op een oorzakelijke invloed van blootstelling aan sociale agressie op televisie.

De onderzoekers wijzen er op dat dit een ondersteuning is van het General Aggression Model, dat inhoudt dat het zien van agressie het gebruik er van aanvaardbaarder maakt. Dat komt weer overeen met de gedachte van de Dual-Mode theorie dat mensen kunnen "kiezen" uit statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag en dat ze zich daarbij laten leiden door hoeveel ze van deze gedragingen in hun omgeving waarnemen. En dat sociale agressie typisch statuscompetitiegedrag is, dat is wel duidelijk.

Die Dual-Mode theorie komt in verschillende berichten op dit blog ter sprake, maar wordt in dit bericht uitgelegd.

Ik bedacht me dat er vaak niet bij stilgestaan wordt dat er kennelijk in televisieprogramma's meer agressie (sociaal of fysiek) voorkomt dan mensen in hun eigen leven meemaken. Dat zou er aan kunnen liggen dat we alleen naar televisie kijken, of vooral blijven kijken, zo lang we door de inhoud ervan bezig gehouden worden. Als kijken ons niet genoeg fascineert, gaan we iets anders doen. Of schakelen we over naar een andere zender.

En het is nu eenmaal zo dat het zien van agressie veel mensen fascineert. Misschien alleen al omdat het opvallend is en de aandacht trekt. Dus helpt om de verveling en de alledaagsheid te doorbreken, die natuurlijk al gauw toeslaan zodra we op de bank gaan zitten.

En omdat alles om de kijkcijfers draait ("massa is kassa"), is er de programmamakers dus veel aan gelegen om genoeg agressie op het beeldscherm te brengen.

Hoe dit perverse mechanisme te doorbreken? Meer regulering van televisieprogramma's? Televisiezenders minder afhankelijk maken van kijkcijfers en dus van reclame inkomsten? Er valt nogal wat voor te zeggen om het televisiekijken minder aantrekkelijk te maken. Alles wijst er op dat we er nog altijd meer tijd aan besteden dan goed voor ons is.

Maar dat zal nog wel heel wat voeten in de aarde hebben. Voorlopig zouden we onze adolescenten er toe moeten zien te krijgen om minder op de bank te gaan zitten.

Tenslotte: het zou goed kunnen dat adolescenten tegenwoordig meer gamen dan televisiekijken. Zie voor gamen en agressie de berichten Gewelddadige videogames spelen verhoogt agressiviteit (nieuw onderzoek) en Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

vrijdag 4 december 2015

Adolescenten leren pro-sociaal gedrag door het te doen

Je zou denken dat pro-sociaal gedrag (hulpvaardigheid) wordt uitgelokt door het meeleven met anderen. En dat is ook zo. Degenen die zich gemakkelijker inleven in anderen en met hen meeleven (sympathie of empathische bezorgdheid) zijn ook meer geneigd om anderen te hulp te schieten.

Maar wat je misschien niet zou denken, dat pro-sociaal gedrag de empathische bezorgdheid vergroot, blijkt ook het geval te zijn. Onderzoekers volgden een groep adolescenten vijf jaar lang en ondervroegen hen jaarlijks over hun geneigdheid tot hulpvaardigheid en over hun empathische bezorgdheid. Zie de studie Longitudinal bidirectional relations between adolescents’ sympathy and prosocial behavior (betaalpoort).

Hulpvaardigheid werd gemeten met negen uitspraken als "I help people I don’t know, even if it’s not easy for me” en “I really enjoy doing small favors for people I do not know”. En empathische bezorgdheid met zeven uitspraken als  “When I see someone being taken advantage of, I feel kind of protective towards them”.

Doordat die metingen vijf maal herhaald werden, met steeds ongeveer een jaar er tussen, konden de onderzoekers nagaan wat de invloed was van empathische bezorgdheid op het pro-sociale gedrag een jaar later. Maar ook konden ze checken of het misschien zo was dat pro-sociaal gedrag van invloed is op de mate van empathische bezorgdheid een jaar later. En dat laatste bleek het geval te zijn. Zie de figuur.

Je ziet de vijf meetmomenten afgebeeld, met daarbij de leeftijd van de adolescenten op dat moment. De kruislingse pijlen staan voor de (statistisch significante) verbanden tussen pro-sociaal gedrag (empathische bezorgdheid) in het ene jaar en empathische bezorgdheid (pro-sociaal gedrag) in het daaropvolgende jaar. Je ziet overigens wel dat het eerste verband (.09) zwakker is dan het tweede (.16).

Het is een interessant resultaat. Want het laat zien dat die empathische bezorgdheid niet een vaste persoonlijkheidseigenschap is. Als dat zo zou zijn, dan zou het dus nooit wat worden met dat pro-sociale gedrag van iemand die zich maar slecht in anderen kan inleven en met hen meeleven.

Nee, het blijkt dat pro-sociaal gedrag die empathische bezorgdheid doet toenemen. De onderzoekers interpreteren dat als een soort positieve feedback. De ervaring van anderen bijstaan en van het zien van de gevolgen er van vergroten je geneigdheid (en/of van je vermogen?) tot empathische bezorgdheid.

Pro-sociaal gedrag blijk je dus te kunnen leren door het te doen. Learning by doing.

Je vraagt je af of wij dat wel genoeg onder ogen zien. Als je kijkt naar hoe wij onze kinderen laten opgroeien. Geven we ze wel genoeg kansen om pro-sociaal gedrag te leren? Denk ook aan Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten.

dinsdag 1 december 2015

Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten

Dat onze kinderen en adolescenten vooral onder leeftijdsgenoten opgroeien, zijn we normaal gaan vinden. Maar het is historisch gezien uitzonderlijk.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten.

donderdag 10 september 2015

Hoe krijg je een beter schoolklimaat? Meer over de eenzaamheid van de scholier

Als je verder doordenkt over de eenzaamheid van de scholier, dan kom je al snel tot het besef dat het inzicht in de sociale problemen die we creëren met onze leeftijdsgesegregeerde scholen in de afgelopen halve eeuw sterk is gegroeid.

Ik ging zelf in de jaren 50 en vroege jaren 60 naar het voortgezet onderwijs. Ik moest naar school drie kwartier fietsen en kwam in een geheel nieuwe sociale omgeving terecht. En ik herinner me dat als een geweldige schok. En ik zal niet de enige geweest zijn. Iedereen probeerde op zijn of haar manier een veilige plek te vinden en te creëren.

Vergeleken met tegenwoordig valt natuurlijk meteen op dat wij dat geheel zelfstandig moesten uitzoeken. Er was geen introductiekamp om elkaar beter te leren kennen. Er waren geen mentoren en mentorgesprekken en er was geen counseling. En er waren geen anti-pestprogramma's, maar daar bedenk ik meteen bij dat pesten toen ook weinig leek voor te komen.

In de decennia daarna is kennelijk het inzicht gegroeid dat er meer nodig was om op school een veilig sociaal klimaat tot stand te brengen. Maar het zou natuurlijk ook kunnen zijn dat het sociale klimaat slechter begon te worden. Waardoor, wie zal het zeggen?

Hoe dan ook, scholen doen nu van alles om leerlingen ook sociaal te begeleiden en om een aangenaam en veilig sociaal klimaat te creëren. Misschien niet genoeg, maar ze zien het probleem.

Des te opvallender dat er weinig aandacht is voor de onderliggende oorzaak, die kunstmatige, naar leeftijd gesegregeerde, regimentering van het schoolsysteem. Het zou een mooi voorbeeld zijn van omwegbeleid als het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen daar eens iets aan zou gaan doen. In plaats van dat we met zijn allen door gaan met symptoombestrijding.

woensdag 9 september 2015

De eenzaamheid van de adolescent - Nee, van de scholier!

Hoe zit dat met de eenzaamheid van adolescenten? Hoort eenzaamheid nu eenmaal bij die periode van het leven? Of hangt het er ook vanaf hoe wij in onze maatschappij het leven van de adolescent inrichten?

Voor dat laatste zijn er nu aanwijzingen uit de nieuwe studie Loneliness in the Daily Lives of Adolescents. An Experience Sampling Study Examining the Effects of Social Contexts (betaalpoort). Nederlandse en Belgische onderzoekers voerden een Experience Sampling Method - onderzoek uit bij 303 adolescenten van tussen de 12 en 16 jaar. Dat hield in dat ze gedurende 6 dagen, waarin een weekend, 9 maal per dag op willekeurige momenten via hun telefoon een seintje kregen om een aantal vragen te beantwoorden.

Die vragen gingen over hoe eenzaam ze zich voelden en over waar ze zich bevonden en met wie. Eenzaamheid werd gemeten met vier vragen over hoe "eenzaam", "geïsoleerd", "buitengesloten" en "verlaten" ze zich voelden.

Uiteraard kwam daar uit dat de jongens en meisjes zich eenzamer voelden als ze alleen waren dat wanneer ze met anderen waren. Maar het maakte wel uit met welke anderen en waar. Ze waren namelijk eenzamer in het gezelschap van klasgenoten op school dan in gezelschap van familie of vrienden.

Het blijkt dus dat de gekunstelde sociale omgeving die wij met de institutie van de school aan onze adolescenten opdringen, een omgeving is waar ze zich opvallend eenzaam voelen. De onderzoekers noemen het de niet door henzelf gekozen sociale omgeving waarin adolescenten terechtkomen. Die klasgenoten kunnen namelijk ook een bedreiging vormen. Want je kunt buitengesloten of afgewezen worden. Of je kunt slachtoffer van pesten worden.

Dat klopt allemaal. Maar ook kun je er aan denken dat die kring van klasgenoten niet alleen niet zelf gekozen is, maar bovendien ook nog eens een kring is van uitsluitend leeftijdsgenoten. Op school komen kinderen niet terecht in een natuurlijke sociale omgeving van verschillende leeftijden en generaties, waarin ze het beste gedijen en zich sociaal ontwikkelen. Tussen uitsluitend leeftijdsgenoten is er een grote kans op de vervelende effecten van de statuscompetitie. Denk nog eens aan de berichten Leeftijdsgemengde schoolklassen bevorderen vriendschappen tussen jongere en oudere kinderen - waardoor er minder gepest wordt en Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen.

Het is niet zozeer de adolescentie op zich die met eenzaamheid gepaard gaat, maar de leeftijdshomogene sociale omgeving van de school waaraan wij onze kinderen blootstellen. Raar dat we daar maar steeds zo onnadenkend mee blijven doorgaan.
Update. Zie over Nederlands onderzoek dat uitwijst dat pesten de helft minder voorkomt in leeftijdsgemengde schoolklassen: Meer over waardoor leeftijdsmenging pesten tegengaat.

vrijdag 6 maart 2015

Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait

De aard van het sociale leven van adolescenten is sterk institutioneel bepaald. Bepaald namelijk door de school en de regels die daar gelden. In het bijzonder de regel dat onderwijs groepsgewijs gevolgd wordt en dat groepen bestaan uit leerlingen van dezelfde leeftijd. Daardoor moeten adolescenten, en kinderen in het algemeen, hun weg zien te vinden in een groep van leeftijdsgenoten. Dat is niet een natuurlijke sociale omgeving, maar een die geconstrueerd is door de manier waarop wij ons onderwijssysteem vormgeven.

In de wijze waarop adolescenten in die kunstmatige sociale omgeving hun weg vinden, krijg je enig inzicht door het onderzoek naar sociale doelen van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Een recent voorbeeld van zulk onderzoek is de studie The Role of Goal Structures and Peer Climate inTrajectories of Social Achievement Goals During HighSchool (betaalpoort). Ik gebruik het als aanleiding om het een en ander te melden over dat onderzoek en de inzichten die het oplevert.

Dat onderzoek naar sociale doelen van leerlingen is er nog niet zo lang. Aanvankelijk waren onderzoekers op het terrein van het onderwijs er vooral in geïnteresseerd of leerlingen wel genoeg het doel nastreefden om op school goed te presteren. En dus deden ze onderzoek naar prestatiedoelen van leerlingen. In de hoop dat je die prestatiedoelen bij leerlingen zou kunnen aanwakkeren en zo de leerprestaties zou kunnen verbeteren.

Tot iemand ooit eens bedacht moet hebben, ik weet niet wie en wanneer, dat leerlingen op school ook een sociaal leven hebben en dat ze niet alleen voor de uitdaging staan om te presteren, maar ook voor die van de eisen van het sociale leven. Dat leidde het onderzoek in naar de sociale prestatiedoelen. Kennelijk met het idee dat op school alles om presteren draait, dus ook in het sociale leven.

Daaruit kwam het onderscheid naar voren tussen enerzijds het doel om jezelf sociaal te ontwikkelen en anderzijds het doel om populair te zijn. Het eerste doel zou je vriendschap kunnen noemen en het tweede status (in het onderzoek meestal populariteit genoemd). Ik licht kort toe wat beide inhouden.

Het doel vriendschap wordt, in de Social Achievement Goal Orientation Scale, gemeten met uitspraken als de volgende, waarvan je moet aangeven hoeveel je het er mee (on)eens bent:
  • In general, I strive to develop my interpersonal skills. 
  • I like friendships that challenge me to learn new things about myself.
  • I feel successful when I learn something new about how I relate to other people. 
  • It is important to me to work on improving the quality of my relationships with my friends
Als je zulke uitspraken onderschrijft, dan ben je dus sterk gericht op het aangaan en onderhouden van vriendschappen en op het ontwikkelen van de vaardigheden die daar voor nodig zijn. In de taal die ik op dit blog veel gebruik: je bent gemeenschapsgericht.

Maar je kunt ook meer op populariteit of status gericht zijn en dus op statuscompetitie. Want niet iedereen kan de hoogste status hebben. Uit het onderzoek naar dat populariteitsdoel komt dan weer het onderscheid naar voren tussen het nastreven van status en het vermijden van statusverlies. Volgens diezelfde schaal als hierboven wordt het nastreven van status gemeten met uitspraken als:
  • It is important to me to have “cool” friends.
  • I want to be friends with “popular” people.
  • It is important to me that others think of me as popular.
  • It is important to me to be seen as having a lot of friends.
En het vermijden van statusverlies met uitspraken als
  • My goal is to avoid doing things that would cause others to make fun of me.
  • I would be successful if I could avoid being socially awkward.
  • In social situations, I feel successful if I manage to avoid having others think I am a geek.
  • I try not to goof up when I am out with people
(Ik moest dat "goof up" even opzoeken en vond verprutsen als vertaling.) Als je dat eerste blokje uitspraken vergelijkt met de andere twee, dan kan je het grote onderscheid niet ontgaan. Het valt nagenoeg samen met het bij de lezers van dit blog bekende onderscheid tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag.

En als je dat onderscheid goed tot je laat doordringen, zou je op gedachten kunnen komen over wat het voor iemand betekent die meer op vriendschap gericht is dan wel meer op status. En als je dan kijkt naar het onderzoek dat daarnaar gedaan is, dan worden die gedachten  waarschijnlijk bevestigd. Want het blijkt dat adolescenten die meer het vriendschapsdoel nastreven, betere relaties met anderen hebben, een hogere zelfwaardering hebben, sociaal vaardiger zijn, meer persoonlijke groei ondergaan en meer pro-sociaal gedrag vertonen.

Daartegenover gaat dat nastreven van het statusdoel meer samen met problemen op sociaal vlak en daarover piekeren, meer agressie, minder gevoel van autonomie, minder goede relaties met anderen, minder persoonlijke groei, minder pro-sociaal gedrag, meer angstgevoelens en eenzaamheid en meer faalangst.

Let wel, dit alles gaat om samenhangen; over de oorzakelijke richtingen kun je je gedachten hebben.

Maar hoe dan ook, je zou wensen dat alle adolescenten in hoge mate dat vriendschapsdoel nastreven en dat statusdoel ver van zich werpen. Maar dat is helaas niet het geval. Uit onderzoek blijkt gelukkig meestal wel dat dat vriendschapsdoel onder de meeste adolescenten hoog scoort. Maar die twee vormen van het statusdoel, die onderling samenhangen, zijn ook ruim voorhanden.

Je kunt vermoeden, wat ik doe, dat onze institutie van de leeftijdshomogene schoolklas er toe bijdraagt dat dat statusdoel toch zo onmiskenbaar door leerlingen wordt nagestreefd. Zoals eerder gezegd, het ontbreken van oudere en jongere kinderen lokt uit tot strijd om populariteit en status. En dat staat in de weg van vriendschapsvorming.

Dat vermoeden vindt ondersteuning door de studie die ik in het begin van dit bericht noemde. Want de onderzoekers hebben die sociale doelen bij dezelfde leerlingen op verschillende tijdstippen gemeten. En dan blijkt dat leerlingen aanvankelijk, bij het begin van een nieuw schooljaar in een nieuwe klas, nog sterk fluctueren tussen die verschillende sociale doelen. Ze weten dan nog niet in wat voor sociaal klimaat ze terecht zijn gekomen.

Na verloop van tijd krijgen ze dat door en passen ze zich daarbij aan. Als ze een gunstig sociaal klimaat om zich heen zien, bijvoorbeeld dat leerlingen graag samenwerken in schoolactiviteiten, dan zie je ze opschuiven in de richting van dat vriendschapsdoel en weg van die statusdoelen. (Wat weer overeenkomt met de inzichten van de Dual Mode-theorie).

En ja, het is inderdaad zo dat de schoolprestaties beter zijn als leerlingen meer dat vriendschapsdoel nastreven. Die statusstrijd is demoraliserend. Kijk nog maar eens naar die negatieve effecten er van.

vrijdag 28 februari 2014

Adolescenten doen alleen stoer als er leeftijdsgenoten bij zijn. De conclusie ligt voor de hand

Ik maakte er al eerder melding van (Het puberbrein en de peergroup): onderzoek wijst er op dat adolescenten meer tot riskant gedrag overgaan als leeftijdsgenoten aanwezig zijn. Of als ze in de veronderstelling verkeren dat die toekijken. Dit in tegenstelling tot wanneer ouderen aanwezig zijn. En in tegenstelling tot volwassenen, waarbij dit effect niet optreedt. Het is een adolescentenverschijnsel.

De pas verschenen studie Peers Increase Adolescent Risk Taking Even When the Probabilities of Negative Outcomes Are Known geeft een overzicht van dat onderzoek. En voegt daar onderzoek aan toe dat laat zien dat dit leeftijdsgenoteneffect ook optreedt als adolescenten precies op de hoogte zijn van de risico's die ze lopen.

Bij hogere risico's op verlies gokten ze vaker in de hoop op winst als ze in de veronderstelling verkeerden dat een leeftijdsgenoot hun gedrag observeerde. Als de risico's lager waren, maakte het wel of niet geobserveerd worden niet uit. Dat doet vermoeden dat de drijfveer er achter te maken heeft met de wens om stoer en onbevreesd op leeftijdsgenoten over te komen. Laten zien dat je niet "kinderachtig" bent. Dat je meetelt en dat je niet zo makkelijk over je heen laat lopen. Kortom: meedoen in de statuscompetitie. Niet een loser willen zijn.

De onderzoekers trekken de conclusie dat het niet verwonderlijk is dat voorlichting aan pubers over risico's (van drugsgebruik, van roekeloos rijden, van onbeschermde seks) weinig effect blijkt te hebben. Want adolescenten zijn nu eenmaal vaak in elkaars gezelschap.

De conclusie die ze niet trekken en die voor de hand ligt, is dat het beter zou zijn om adolescenten meer leeftijdsgemengd te laten opgroeien. Dus om op te houden met leeftijdshomogene groepen in het onderwijs. Waardoor we ook de stoerdoenerij van het pesten zouden terugdringen. Dat adolescenten zo veel uitsluitend in elkaars gezelschap zijn, dat creëren we zelf door hoe we ons onderwijs vorm geven.

Raar dat die onderzoekers niet op dat idee komen.

donderdag 28 november 2013

De toename van psychische problemen is een echte toename, niet alleen maar een toename van diagnoses

Is de toename van psychische problemen of mentale stoornissen een echte toename? Of alleen maar een toename van het aantal diagnoses dat gesteld wordt?

Dat laatste zou kunnen vanwege de toename van het aanbod aan farmaceutische middelen en van psychotherapie die verlichting beloven en dat soms ook waarmaken. Het kan zijn dat mensen eerder dan vroeger hulp inroepen omdat die hulp er ook meer is. Er zou dan geen echte toename zijn, maar alleen maar een toename van diagnoses en behandelingen. Volgens die gedachte is de menselijke natuur nu eenmaal kwetsbaar voor psychische problemen en zijn we door groei van welvaart en wetenschap steeds beter in staat om daar iets aan te doen.

Maar het zou ook kunnen dat er een echte toename is. En dat dat toegenomen aanbod van pillen en psychotherapie daar een antwoord op is.

Een goede verklaring voor die echte toename zou zijn dat veranderingen in de sociale omgeving waarin mensen opgroeien en hun leven doorbrengen, een belangrijke oorzakelijke factor zijn voor allerlei psychische stoornissen, zoals depressie, angst- en aandachtsstoornissen. Zie ook hier en hier en hier. En die veranderingen zouden vooral te maken kunnen hebben met de toename van statuscompetitie waaraan wij onszelf en elkaar blootstellen. Er zijn velerlei aanwijzingen dat we er in afnemende mate in slagen om de jacht naar materiële welvaart, status en beroemdheid collectief te beperken of in meer onschuldige banen te leiden. Integendeel, het lijkt alsof die jacht steeds meer wordt aangewakkerd.En het is bekend dat we daardoor meer bloot staan aan de stress van statuscompetitie, sociaal isolement en eenzaamheid. Zie hier en hier.

Wat zou nu een aanwijzing zijn dat we te maken hebben met een echte toename? Die zou er uit bestaan dat de toename van psychische problemen groter is bij kinderen en jongeren dan bij volwassenen en ouderen. Want dat toegenomen aanbod van pillen en psychotherapieen is er voor alle leeftijdsgroepen. Daarentegen tikt die verandering in de sociale omgeving het eerst aan bij de nieuwe generaties, omdat die daarin opgroeien en er juist in die vormende leeftijdsfase mee geconfronteerd worden. Zie De sociale uitdaging van de adolescentie. Als je jong bent, moet je je nog bewijzen en die uitdaging is groter, hoe competitiever de maatschappij is.

Welnu, het lijkt er op dat inderdaad psychische problemen sneller toenemen bij kinderen en jongeren dan bij volwassenen en ouderen. De studie National Trends in the Mental Health Care of Children, Adolescents, and Adults by Office-Based Physicians (betaalpoort) geeft uitsluitsel, althans voor wat de Verenigde Staten betreft. Tussen 1995 en 2010 nam het aantal visites aan huisartsen voor psychische problemen, aan psychiaters en aan psychotherapeuten van kinderen en jongeren (beneden de 21 jaar) fors, en significant, sterker toe dan van volwassenen. Een sterke aanwijzing dat onze verslechterende sociale omgeving een oorzaak is van de toename aan psychische problemen.

dinsdag 4 juni 2013

De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie

De sociale omgeving die wij voor onze adolescenten creëren, is die van hun leeftijdsgenoten, hun peers. En in die omgeving moeten ze hun weg zien te vinden. Wat betekent dat?

Wij mensen zijn zo geëvolueerd dat we van nature uitgerust zijn met twee gedragspatronen, het gemeenschapsgedrag en het statuscompetitiegedrag.

Gemeenschapsgedrag bestaat uit het onderhouden van goede relaties met anderen en het met elkaar pro-sociaal gedrag tot stand brengen, door het goede voorbeeld te geven en zo nodig door elkaar terecht te wijzen (sociale controle). En statuscompetitie gedrag bestaat er uit, het woord zegt het al, dat je met elkaar in een strijd verwikkeld bent om de hoogste status en dat je weet te functioneren in een statushiërarchie als die er eenmaal is. Je domineert de anderen of je onderwerpt je aan anderen.

Kort gezegd, zul je gemeenschapsgedrag vertonen als anderen om jou heen dat ook doen. En zul je "kiezen" voor statuscompetitiegedrag als je dat gedrag om jou heen waarneemt. Het is slim om meer dan één gedragsrepertoire te hebben en de evolutie heeft daar "dus", door fenotypische plasticiteit, voor gezorgd. Zie Dual Mode-theorie.

Maar het is natuurlijk niet altijd even duidelijk in wat voor sociale omgeving je bent beland. Die onduidelijkheid creëren wij van dag tot dag voor onze adolescenten. Die groeien niet op, zoals in de Paleo Sociale Omgeving, in een leeftijdsheterogene groep van mensen die ze kennen en die elkaar kennen. Dat zou eenduidig wijzen in de richting van gemeenschapsgedrag. Maar in de leeftijdshomogene peer group van onze huidige maatschappij, waarvan de leden niet samen zijn opgegroeid, heerst er ambivalentie. Gaan we de gemeenschapskant op? Wat zou kunnen, want dat gedrag dat kennen we allemaal. Of beginnen we de statuscompetitie? Kan ook, want ook daartoe zijn we in staat.

En dat is precies de sociale uitdaging van de adolescentie. Dat die uitdaging reëel is, blijkt het het vele onderzoek naar wat pubers belangrijk vinden en zeggen na te streven. In zulk onderzoek, zoals in de pas verschenen studie Adolescents’ Social Status Goals: Relationships to Social Status Insecurity, Aggression, and Prosocial Behavior (betaalpoort) van Yan Li en Michelle F. Wright, krijgen pubers vragenlijstjes voorgelegd over wat ze nastreven. Zo wordt het nastreven van gemeenschapsgedrag (in het onderzoek sociale preference goal genoemd) gemeten door pubers te vragen in hoeverre ze deze vijf uitspraken onderschrijven:
1. I want to be well liked by my peers
2. I want to be accepted by my peers
3. I want to be perceived as a good person
4. I want to be accepting to my peers
5. I don’t want to be disliked
En bij statuscompetitiegedrag (popularity goal genoemd) gaat het om deze zes uitspraken:
1. I want to be popular among my peers
2. I want to be included in popular peer groups
3. I want to have influence over my peers
4. I want to be well-known among my peers
5. I want to be dominant among my peers
6. I want to be socially central among my peers
En wat blijkt nu? Kinderen en adolescenten onderschrijven in behoorlijke mate beide groepen uitspraken. Er is een gematigd positieve correlatie tussen die twee.

Dat wijst op die ambivalentie: de aard van de sociale omgeving laat nog beide mogelijkheden open. Nog, want gedurende het ouder worden blijken adolescenten meer voor het ene of het andere te kiezen. Daar moet een ingewikkeld sociaal proces aan ten grondslag liggen. Enerzijds komen sommigen toevallig terecht in een oftewel meer gemeenschapsomgeving oftewel meer statuscompetitie-omgeving en daar passen ze zich bij aan. Maar anderzijds creëren adolescenten ook zelf hun eigen sociale omgeving, door elkaar te selecteren. Degene die meer naar gemeenschapsgedrag neigen zoeken elkaar op, evenals degenen die meer neigen tot statuscompetitiegedrag. Anders gezegd, terwijl eerst iedereen wel alles wil, ontstaat er een proces van beïnvloeding en herschikking, waardoor er gemeenschapsgroepjes en statuscompetitiegroepjes uitkristalliseren. En zo komen adolescenten de volwassen maatschappij binnen. Vandaar dat onze maatschappij een amalgaam is van gemeenschap en statuscompetitie.

Wat zegt dit nu over het gedrag? Wat je zou verwachten. Als je statistisch constant houdt voor het nastreven van statuscompetitie, dan zijn degenen die meer streven naar gemeenschap minder (fysiek en relationeel) agressief en meer pro-sociaal. En andersom, degenen die meer statuscompetitie nastreven, vertonen meer agressief en minder pro-sociaal gedrag. Hier vind je dus de differentiatie tussen het zogenaamde positieve en het negatieve ontwikkelingstraject. Door de sociale uitdaging waaraan wij onze adolescenten blootstellen, kan het de goede kant opgaan, maar ook de verkeerde. En dat lijken wij vanzelfsprekend te vinden.

Die sociale uitdaging kan pubers natuurlijk ook onzeker maken. Onzeker over of ze wel aardig genoeg gevonden worden en onzeker over of ze wel populair genoeg zijn. En het blijkt nu dat die onzekerheid op zich maakt dat pubers meer neigen naar die statuscompetitie. Als een uitweg uit de onzekerheid. Onzekerheid maakt dat je vooral status gaat nastreven. Pijnlijk en jammer.

dinsdag 21 mei 2013

Zijn de negatieve effecten van leeftijdshomogene groepen nu eenmaal onvermijdelijk? Waarom zou dat zo zijn?

Doordat wij het vanzelfsprekend vinden om jongeren in leeftijdshomogene (peer) groepen te laten opgroeien, lijken we ook de nadelen van de statuscompetitie tussen jongeren die we daarmee uitlokken, als vanzelfsprekend te aanvaarden. Dat hoort er nu eenmaal bij.

Dat blijkt ook uit het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de adolescentie en de aard van die negatieve effecten van statuscompetitie. Dianna Murray-Close geeft in twee artikelen in de Juni 2013 - aflevering van de Journal of Research on Adolescence (betaalpoort) een mooi overzicht van het vele onderzoek naar de psychofysiologie van de peer relaties van adolescenten. Er komt daarin van alles langs, maar ik was in het bijzonder geïnteresseerd in de effecten van die statuscompetitie.

Status wordt in dat onderzoek vaak onderverdeeld in dominantie, het vermogen om de anderen in de groep te overheersen, aardig gevonden worden en populariteit (cool gevonden worden en in het sociale middelpunt staan). Die drie hoeven niet altijd gelijk op te lopen, maar blijft dat je op alle drie dimensies geaccepteerd kunt worden of afgewezen. Je kunt de door iedereen erkende boss en bully zijn, in de zin dat anderen zich aan jou grillen onderwerpen. Maar je kunt ook tot degenen behoren die zich laten overheersen en altijd maar moeten afwachten of ze er zonder kleerscheuren en emotionele blauwe plekken af komen. En je kunt door iedereen aardig gevonden worden, of populair zijn, maar je kunt ook worden afgewezen en altijd aan de zijlijn staan.

Dat alles maakt een wereld van verschil. Gedomineerd en/of afgewezen worden activeert de stress-systemen, zoals meetbaar aan verhoogd cortisolniveau en verhoogde bloeddruk. Maar de statushiërarchie kan ook instabiel zijn en dus de feitelijke competitie om status manifest. En dan moeten de bovenliggende partijen zich voortdurend verdedigen tegen bedreigingen van onderop, wat ook tot geactiveerde stresssystemen leidt. Uiteraard bevorderen we die manifeste statuscompetitie nog eens door exogene wisselingen van de groepssamenstellingen, zoals door de overgang naar het voortgezet onderwijs. De posities moeten dan opnieuw worden bevochten.

Dat we geneigd zijn al deze negatieve effecten als vanzelfsprekend te accepteren, kan er aan liggen dat ze ook weer niet altijd en niet bij alle kinderen optreden. Het lijkt vaak ook wel mee te vallen en dat maakt het gemakkelijker om de problemen maar niet onder ogen te zien. Dat het soms of vaak lijkt mee te vallen, komt er door dat kinderen verschillen in de mate waarin ze door hun sociale omgeving en dus door die peers beïnvloedbaar zijn. Er zijn aanwijzingen dat bij mensen met een verhoogde fysiologische stressreactiviteit de sociale omgeving gemakkelijker binnenkomt. Hun weerstand tegen sociale beïnvloeding is zwakker.

Dat leidt dan tot heel verschillende uitkomsten, naar gelang van de aard van de sociale omgeving. Als je met een verhoogde stressreactiviteit in een heel negatieve peer omgeving terecht komt, met veel statuscompetitie, dan is de kans groot dat je een negatief ontwikkelingstraject opgaat, met veel agressief en asociaal gedrag of met veel internaliserende problemen en depressieverschijnselen. Maar daar kan tegenover staan dat je ook het geluk kunt hebben in een positieve context terecht te komen, waarin peers gezamenlijk optrekken en niemand in de kou laten staan. Dan ben je in staat om juist daarvan sterk te profiteren en zo het goede en aangenamere pad in te slaan.

En de aard van de sociale omgeving kan ook via andere weg grote gevolgen hebben. Zo is een hoog testosteronniveau sterk bevorderlijk voor dominantiegedrag. In een statuscompetitieve peer groep leidt dat tot het bekende overheersings- en onderdrukkingsgedrag en tot gedragsproblemen. Maar in een positievere omgeving, waarin statuscompetitie niet op prijs wordt gesteld, leidt het tot leiderschapsgedrag ten bate van de groep.

Conclusie: als we geneigd zijn ons neer te leggen bij het bestaande sociale arrangement van die leeftijdshomogene groepen, dan kan dat er aan liggen dat we ook altijd wel voorbeelden bij de hand hebben waarin het met kinderen goed gaat. Die negatieve effecten zijn niet zo over de hele linie overheersend dat maatregelen urgent lijken te zijn. Dus laten we het er maar bij. En ook al die onderzoekers volstaan met het rapporteren van het bestaan van die negatieve effecten. Met de impliciete boodschap dat ze nu eenmaal onvermijdelijk zijn.

woensdag 17 april 2013

Het puberbrein en de peergroup

De april aflevering van Current Directions in Psychological Science is geheel gewijd aan onderzoek naar het puberbrein (betaalpoort). Flink wat leeswerk te doen.

Eerst maar even snel gekeken naar het artikel over de invloed van de peer group van Dustin Albert, Jason Chein en Laurence Steinberg.

Ze bespreken onderzoek waaruit blijkt dat de adolescentie een periode is van verhoogde neurologische en gedragsmatige ontvankelijkheid voor de sociale omgeving. Met een hypersensitiviteit voor sociale stimuli zoals gelaatsuitdrukkingen en sociale reacties. Dat kun je begrijpen, want het is de periode waarin je de vertrouwde sociale omgeving van het gezin van herkomst zo langzamerhand achter je moet laten.

En dat is in onze maatschappij precies die periode waarin relaties met leeftijdsgenoten (peers) op de voorgrond staan. Pubers voelen zich het gelukkigst met leeftijdsgenoten en oriënteren zich allereerst op de normen van de peer group.

Tegelijk zijn adolescenten nog bezig met de gestage rijping van het vermogen tot "top-down" cognitieve controle over impulsief gedrag. Het proces van groei van impulsonderdrukking, planning, flexibiliteit en toekomstoriëntatie is nog bezig.

Dat leidt er toe dat speciaal in de adolescentie de invloed van de leeftijdsgenoten groot is. In het laboratorium nemen adolescenten meer risico's om een geldelijke beloning te krijgen en zijn ze minder goed in het uitstellen van beloningen, maar alleen in de aanwezigheid van leeftijdsgenoten. Of als ze geloven dat ze door leeftijdsgenoten worden geobserveerd. Dit effect van aanwezigheid van leeftijdsgenoten bestaat niet bij volwassenen. Daarmee komt overeen dat bij pubers (en niet bij volwassenen) hersenstructuren die actief zijn bij de beoordeling van beloningen, actiever zijn als leeftijdsgenoten aanwezig zijn. Hoe groter die activiteit, hoe geringer ook de zelf-gerapporteerde weerstand tegen beïnvloeding.

Deze bevindingen komen aardig overeen met een citaat van een puber dat vermeld wordt in het boek The Culture of Adolescent Risk-Taking van Cynthia Lightfoot, waarmee de auteurs hun artikel openen:
It seems like people accept you more if you’re, like, a dangerous driver or something. If there is a line of cars going down the road and the other lane is clear and you pass eight cars at once, everybody likes that. . . . If my friends are with me in the car, or if there are a lot of people in the line, I would do it, but if I’m by myself and I didn’t know anybody, then I wouldn’t do it. That’s no fun.
Je zou zeggen dat zulk onderzoek aanleiding geeft om eens goed na te denken over hoe wij in onze maatschappij onze pubers zo extreem blootstellen aan contacten met uitsluitend leeftijdsgenoten. Goedbeschouwd is dat een merkwaardig arrangement, met veel vervelende gevolgen. De onderzoekers trekken echter niet die conclusie. Wel pleiten ze voor, jawel, preventieprogramma's, dat wil zeggen voor trainingen aan pubers om hun cognitieve controlevaardigheden te vergroten.

Dat lijkt de algemene trend: eerst laten we maatschappelijke arrangementen ontstaan waarin mensen niet goed gedijen en vervolgens vinden we dat ze getraind moeten worden om daar tegen bestand te zijn. Denk ook aan al die anti-pestprogramma's. Uiteindelijk moet iedereen een training ondergaan om beter tegen de maatschappij bestand te zijn.