Posts tonen met het label sociaal isolement van gezinnen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociaal isolement van gezinnen. Alle posts tonen

woensdag 1 mei 2024

Meer onderzoek over het belang van de door kinderen ervaren sociale veiligheid in het gezin voor de kans op gemeenschapsgedrag

Hoe komt het dat we in vrijwel alle hedendaagse menselijke samenlevingen een mix waarnemen van gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag? 

Dat ligt er natuurlijk aan dat beide gedragspatronen nu eenmaal deel uitmaken van de menselijke sociale natuur. Die twee patronen liggen klaar om geactiveerd te worden. In een sociaal veilige omgeving, dat wil zeggen een omgeving waarin gemeenschapsgedrag veel voorkomt, wordt het gemeenschapspatroon geactiveerd. En in een sociaal onveilige omgeving, dus waarin veel statuscompetitiegedrag voorkomt, is het statuscompetitiepatroon een passend antwoord, waardoor dat geactiveerd wordt. Anders gezegd, beide patronen versterken zichzelf. Zie voor meer uitleg Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Die mix van de twee gedragspatronen is er doordat beide sociale omgevingen, de veilige en de onveilige, in onze huidige samenlevingen voorkomen. En omdat we weten dat een sociaal veilige samenleving, waarin dus overwegend gemeenschapsgedrag geactiveerd wordt, beter uitpakt voor menselijk welzijn en gezondheid, is het dus een belangrijke opdracht om die sociale veiligheid te bevorderen. 

Een van de wegen waarlangs we dat kunnen doen, bestaat eruit dat we er zo goed mogelijk voor zorgen dat kinderen opgroeien in een sociaal veilige omgeving. En in onze samenleving bestaat die omgeving voor het grootste deel uit die van het gezin. (Een andere weg bestaat eruit er voor te zorgen dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd zijn en dus meer contacten onderhouden met familie, grootouders, vrienden en buren.) 

Nu is er al veel sociaalwetenschappelijk onderzoek dat wijst op het belang van een sociaal veilige opgroei-omgeving voor de ontwikkeling van kinderen en hun welzijn later in het leven. Denk alleen maar aan de grote rol die vroege sociale onveiligheid speelt in de kans om een of meer psychische aandoeningen te ontwikkelen. Maar ik probeer bij te houden wat daar zoal voor nieuw onderzoek bijkomt.

Zo is er nu de nieuwe studie Developmental antecedents of adherence to masculinity norms: A 9-year longitudinal study of urban Chinese families, waarin de onderzoekers een groep kinderen in het Chinese Nanjing volgden vanaf de geboorte tot ze tien jaar waren. Ze waren er in geïnteresseerd of het onderschrijven van mannelijkheidsnormen op tienjarige leeftijd beïnvloed werd door het onderschrijven van de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen door de ouders en/of door de kwaliteit van de zorg die de kinderen ontvingen.

Het aanhangen van die mannelijkheidsnormen werd vastgesteld door de kinderen te vragen in hoeverre ze het eens waren met uitspraken als 

  • I do not let it show to my friends when my feelings are hurt,
  • It is necessary for me to fight others in order to gain respect,
  • I usually figure out things on my own rather than rely on others for help
  • I cannot respect a friend who backs down from a fight. 
  •  Even when something is bothering me, it’s important to act like nothing is wrong around my friends.
  • If I tell my friends my worries, I will look weak

Daaruit valt meteen op te maken hoe groot de overlap is tussen die mannelijkheidsnormen en het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Vrouwen kennen ook de neiging tot statuscompetitie, maar zijn er over het algemeen minder vatbaar voor dan mannen. Zie over het verband tussen mannelijkheid en statuscompetitie ook Mannen, mannelijkheid en statuscompetitie en Statuscompetitie en de eercultuur. We kunnen dus dat aanhangen van mannelijkheidsnormen probleemloos gelijkstellen aan het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon.

Het blijkt nu dat het meer of minder onderschrijven van de traditionele rolverdeling door de ouders geen enkel verband had met de verschillen in het geactiveerd zijn van dat statuscompetitiepatroon van hun kind. Er zijn dus uit dit onderzoek(je) geen aanwijzingen dat kinderen dat "mannelijkheidsgedrag" van hun ouders overnemen of dat ze met hun ouders een genetische aanleg voor dat gedrag delen.

Wel was er een duidelijk verband tussen wat ik maar even de kwaliteit van de zorg noemde. Daarbij ging het om de sensitiviteit waarmee de moeder met het kind omging. Die werd door observatie vastgesteld op twee momenten, toen het kind 14 maanden en 24 maanden oud was, en werd onderscheiden in drie dimensies. Ik neem voor het gemak maar even de omschrijving van de onderzoekers over:

follow-the-lead practices, intrusiveness, and positive regard (NICHD Early Child Care Research Network, 1999, 2003). 

The follow-the-lead dimension in parenting indicates the degree to which the mother follows the child’s social gestures, expressions, and signals and responds appropriately; a high score in follow-the-lead indicates the mother is child-centered and is attuned to the child’s needs and interests consistently and promptly.

Intrusiveness in parenting assesses the level at which the mother imposes her agenda on the child without accommodating the child’s different needs for the pace of interaction and level of activity; high scores in intrusiveness indicate the mother frequently interrupts the child’s behaviors and leads the interactions. 

The positive regard scale rates the mother’s level of positive and warm interactions with the child; high scores in positive regard indicate that the mother shows a range of positive and warm facial and verbal expressions.

En daaruit is gemakkelijk op te maken dat die moederlijke sensitiviteit een goede benadering is van de sociale veiligheid waarmee het kind in het gezin opgroeit. Hoe beter de moeder reageert op de behoeften en interesses van het kind, hoe minder ze het kind de eigen agenda oplegt en hoe meer positiviteit en warmte ze het kind geeft, hoe groter de sociale veiligheid die haar kind ervaart.

De sociale veiligheid in het gezin is dus ook volgens dit onderzoek(je) een voorspeller van het op latere leeftijd geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon dan wel het gemeenschapspatroon. Hoe geringer die sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het statuscompetitiepatroon. En andersom, hoe meer ervaren sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het gemeenschapspatroon.

Waarbij ware te bedenken dat het effect van die sociale (on)veiligheid groter zal zijn hoe meer het gezin sociaal geïsoleerd is. Want als er meer contacten zijn met familie, grootouders (!), vrienden en buren, dan kunnen die een extra bron vormen van sociale veiligheid, die kan compenseren voor een gebrek eraan in het gezin. Er is dan meer een benadering van de coöperatieve zorg voor kinderen, die zo belangrijk was voor het evolutionaire succes van onze vroegste voorouders.

dinsdag 5 maart 2024

Een nieuw onderzoek dat er weer eens op wijst hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen

De nieuwe studie Sensitive Responsiveness and Multiple Caregiving Networks Among Mbendjele BaYaka Hunter-Gatherers: Potential Implications for Psychological Development and Well-Being wijst er nog eens op hoe de sociale omgeving waarin kinderen tegenwoordig opgroeien afwijkt van wat in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars leefden gebruikelijk was. 

Die tegenwoordige sociale omgeving wordt erdoor gekenmerkt dat gezinnen in grote mate sociaal geïsoleerd leven. In de berichten op dit blog achter het label "sociaal isolement van gezinnen" lees je niet alleen over de mate van dat sociale isolement en dus over de vele tijd die kinderen met alleen de eigen ouders doorbrengen, maar ook over de aanwijzingen dat het voor de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen beter is om ook buiten het eigen gezin vertrouwde contacten met oudere kinderen en met andere volwassenen te hebben. 

Zo is er het vele onderzoek naar het belang van veilige gehechtheid voor kinderen en zijn er de aanwijzingen dat het sociale isolement van gezinnen de kans vergroot op het ontwikkelen van een angstige of een vermijdende hechtingsstijl. Zie Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? Hoe minder opgroeiende kinderen ervaren dat er ook buiten het eigen gezin vertrouwde anderen zijn bij wie ze zich veilig voelen, hoe groter de bekende angst voor vreemden en hoe moeilijker de overgang naar volwassenheid. 

Anders gezegd, kinderen groeien weliswaar op in de gemeenschapsomgeving van het eigen gezin, maar zijn onzeker of zie die omgeving daarbuiten wel zullen aantreffen. Die sociale onveiligheid vergroot de kans op de activering van het statuscompetitiepatroon, ook al doordat kinderen in het onderwijssysteem te maken krijgen met de leeftijdshomogene groepen waarin ze zich moeten zien te handhaven. Zie ook Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen.

Die nieuwe studie doet verslag van onderzoek uitgevoerd bij een jagers-verzamelaarsgroep, de Mbendjele, in het Congolese regenwoud. De Mbendjele zijn mobiel en egalitair. Een kamp bestaat uit tussen de 20 en 80 personen, verdeeld over verschillende kerngezinnen met een lage gemiddelde verwantschap. Naast de eigen moeder zijn er andere volwassenen (allomothers) die een grote bijdrage leveren aan de zorg voor kinderen. We zien duidelijk het patroon van de coöperatieve zorg. Als een kind huilt, is er vrijwel altijd en meteen een geruststellende reactie, die vaak fysiek is. In  40 tot 50 procent van de gevallen afkomstig van een "allo-moeder", die ook een ouder kind kan zijn. Kinderen groeien in een veilige sociale omgeving op en kunnen ervan uitgaan dat die gedurende hun leven blijft bestaan.

Het onderzoek wijst er weer eens op hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen. Die oorspronkelijke sociale omgeving van coöperatieve zorg was er voor verantwoordelijk dat het gemeenschapspatroon sterk werd bevorderd en het statuscompetitiepatroon weinig kans kreeg om te worden geactiveerd. 

In de huidige manier van samenleven moeten we vele malen meer moeite doen om iets te bereiken wat daar zelfs maar in de buurt komt. Terwijl we de voordelen van dat gemeenschapspatroon kennen en evenzeer de nadelen van dat statuscompetitiepatroon. 

We willen natuurlijk graag alle voordelen van het moderne leven. Neem de hoogontwikkelde medische zorg. Maar we moeten nog zien uit te vinden hoe we die kunnen combineren met een voor mensen geschiktere sociale omgeving. 

Waarin we meer samenwerken, niet alleen bij het grootbrengen van de kinderen, maar ook bij het in stand houden en beschermen van wat de aarde ons te bieden heeft.

donderdag 19 oktober 2023

Kinderen hebben een gemeenschapsomgeving nodig om goed op te groeien. In plaats daarvan is er de "opvoed-omgeving".

Er zijn velerlei aanwijzingen dat de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien de afgelopen halve eeuw sterk is veranderd. Kinderen zijn steeds meer tijd gaan doorbrengen in het gezelschap en onder toezicht van de eigen ouders. Zie (uit 2016) Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling. Een deel van die toename lijkt eruit te bestaan dat kinderen vaker door ouders naar school of andere activiteiten worden gebracht en daar worden opgehaald in plaats van dat ze zich zelfstandig verplaatsen. En een ander deel kan er mee samenhangen dat gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn geraakt, waardoor kinderen minder tijd zijn gaan doorbrengen met in de buurt wonende grootouders, andere familieleden en vrienden van de ouders. Zie de eerdere berichten op dit blog over het sociaal isolement van gezinnen.

Ik ben in 1943 geboren en opgegroeid met grootouders en andere familie die in dezelfde straat woonden en veel andere familie binnen een straal van enkele kilometers. Mijn indruk is dat zulks in die tijd niet ongewoon was en tegenwoordig wel.

Er zijn bovendien aanwijzingen dat de tijd die kinderen op school doorbrengen en die ze aan huiswerk besteden is toegenomen. De auteurs van de pas verschenen studie Decline in Independent Activity as a Cause of Decline in Children’s Mental Well-being: Summary of the Evidence noemen zulke aanwijzingen voor de Verenigde Staten. Voor Nederland ken ik zulke aanwijzingen niet. Wel weten we dat er voor kinderen voor en buiten de school sinds de jaren zestig van de vorige eeuw de peuterspeelzalen, de formele kinderopvangvoorzieningen en de buitenschoolse opvang kwamen. Een toename dus van de tijd die kinderen onder toezicht doorbrengen. Dat opgeteld bij de toegenomen tijd die kinderen samen met ouders doorbrengen, moet wel betekenen dat er steeds minder tijd is overgebleven waarin kinderen zelfstandig met andere kinderen op straat of in de buurt spelen of in gezelschap van andere volwassenen doorbrengen.

In diezelfde studie bespreken de auteurs, Peter Gray, David F. Lancy en David F. Bjorklund, de aanwijzingen dat gedurende diezelfde periode het mentale welzijn van kinderen is afgenomen. Ze halen Amerikaanse cijfers aan die wijzen op een toename van angststoornissen tussen 1956 en de late tachtiger jaren bij kinderen van 9 tot 11 jaar en van depressie bij middelbare scholieren tussen 1950 en 2002. Recentere cijfers laten zien dat 36,7 procent van de middelbare scholieren tussen 14 en 18 jaar aangeven in het afgelopen jaar last te hebben gehad van aanhoudende gevoelens van triestheid en hopeloosheid. Geheel in lijn daarmee nam het zelfmoordcijfer van kinderen jonger dan 15 jaar fors toe. 

Wat Nederlandse cijfers betreft, weten we dat recentelijk van jaar op jaar ongeveer 1 op de 3 jongeren aangeeft in de laatste vier weken mentale klachten te hebben ervaren (gevoelens van stress, angst of somberheid) en dat ongeveer 14 procent aangeeft wel eens tot heel vaak serieus aan zelfdoding te hebben gedacht (RIVM, Mentale gezondheid jongeren). 

Doordat zulke cijfers ook zo nu en dan in het nieuws komen, kun je aannemen dat ze bij een groot publiek bekend zijn. Zo bekend dat het gevaar dreigt dat ze als "normaal" worden gezien. Waardoor ook de neiging ontstaat om er over na te denken in termen van individuele problemen met individuele oorzaken. Er is iets aan de hand met die jongeren die mentale klachten hebben en dus moeten die worden geholpen. Dat we hier met een collectief probleem hebben te maken, dreigt dan uit beeld te raken.

Precies daarover maken de ontwikkelingspsychologen Peter Gray en David F. Bjorklund en de antropoloog David F. Lancy zich zorgen. Ze wijzen er op dat het een, de verandering in de omgeving waarin kinderen opgroeien, te maken heeft met het ander, die toename van mentale klachten. Voor een gunstige ontwikkeling hebben kinderen het nodig om zelfstandig en samen met andere kinderen hun omgeving te leren verkennen en daarbij te ervaren hoe het is om met risico's om te gaan. Ook moeten ze leren om verantwoordelijkheden te dragen in een sociaal rijkere omgeving dan alleen die van de eigen ouders, de leraren en toezichthouders en die van de leeftijdsgenoten op school. (Een interessante verwijzing is die naar dit artikel dat vorig jaar in Nature verscheen: Young people need experiences that boost their mental health.) 

In termen van de Dual Mode-theorie: kinderen zouden in een sociaal veilige omgeving, dus een gemeenschapsomgeving, moeten opgroeien, maar wat wij kinderen tegenwoordig aanbieden is een "opvoed-omgeving". Dat is een omgeving waarin hen verteld wordt, door ouders en de school, hoe ze zich behoren te gedragen. We geloven dat alles goed komt als kinderen maar goed worden opgevoed. Ik noemde dat de mythe van de opvoedbaarheid. Het geloof in die mythe is een duidelijke aanpassing aan die veranderde sociale omgeving. Als kinderen nu eenmaal zoveel tijd doorbrengen met de eigen ouders en andere "toezichthouders", dan zit er niets anders op dan diegenen de taak toe te wijzen om "op te voeden". Waarbij we er tevens weinig oog voor hebben dat kinderen op school zich moeten zien te handhaven in de groep van leeftijdsgenoten, die gemakkelijk aanzet tot statuscompetitie en pesten (Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen.) Er komt al met al maar weinig terecht van die gemeenschapsomgeving die kinderen zo nodig hebben.

De negatieve effecten van dat opgroeien in een sociaal arme opvoed-omgeving zijn er volgens Gray, Lancy en Bjorklund op korte en op lange termijn. Op de korte termijn gaat het om aanwijzingen dat kinderen het meeste plezier ervaren als ze vrij, dus zonder toezicht, kunnen spelen en verantwoordelijkheden dragen. En aanwijzingen dat ze de op school doorgebrachte tijd als stressvol ervaren. 

En wat de lange termijn betreft, om aanwijzingen dat kinderen in de opvoed-omgeving maar moeilijk een interne locus of control ontwikkelen, dus het besef dat ze zelf in staat zijn om hun leven en hun welzijn te beïnvloeden. Als dat besef maar weinig ontwikkeld is, dan verhoogt dat de kans op angststoornissen en depressie.

dinsdag 10 augustus 2021

In een sociaal vluchtige maatschappij vergroot echtscheiding de kans op het ontwikkelen van een psychische aandoening

 Als je met wat afstand kijkt naar onze huidige manier van samenleven, dan valt op dat die gekenmerkt wordt door een grote mate van sociale vluchtigheid. Dat houdt in dat de stabiliteit, en dus vertrouwdheid, van ons sociale netwerk niet gegarandeerd is. In onze levensloop krijgen we te maken met verlies van relaties met vertrouwde anderen (familie, vrienden), met sociaal isolement en eenzaamheid en met het zoeken en  aangaan van nieuwe relaties. 

In de mensheidsgeschiedenis is dat een behoorlijk nieuwe toestand, die sterk afwijkt van de sociale stabiliteit en dus vertrouwdheid van de jagers-verzamelaarssamenlevingen (de Paleo Sociale Omgeving) waarin mensen verreweg het grootste deel van die geschiedenis hebben doorgebracht. Omdat wij een fundamenteel sociale diersoort zijn, die erop is ingesteld om in een vertrouwde sociale omgeving op te groeien, stelt die sociale vluchtigheid van onze huidige maatschappij ons voor grote uitdagingen. 

Dat wij fundamenteel sociaal zijn, betekent dat we hebben "geleerd" om veiligheid te associëren met het deel uitmaken van een kring van vertrouwde anderen. En dat betekent weer dat we in de problemen komen als die kring ontbreekt. Dat wil concreet zeggen dat we een psychische aandoening kunnen ontwikkelen. En op het niveau van de maatschappij betekent het concreet dat psychische aandoeningen veel voorkomen.

In de reeks berichten over psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving (hier het eerste bericht) zagen we dat al die verschillende psychische aandoeningen, die zo keurig in de DSM-5 geclassificeerd worden, een gemeenschappelijke factor lijken te hebben, met "verlies, geïntimideerd en/of vernederd en/of verraden worden - fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid -" als gemeenschappelijke oorzaak. En daarin herkennen we precies de uitdagingen van de sociale vluchtigheid: sociaal isolement, eenzaamheid en statuscompetitie.

Dit alles wijst erop dat de kans op het ontwikkelen van een psychische aandoening het grootst is in die fasen van de levensloop waarin die gemeenschappelijke oorzaak het vaakst de kop opsteekt. We zagen al dat dit het geval is in de fase van de adolescentie en de jonge volwassenheid, de fase waarin we de sociale veiligheid van het gezin verlaten en op zoek zijn naar nieuwe bronnen van die veiligheid. En we zagen dat het ontbreken van die veiligheid in het gezin een sterke voorspeller is van het ontwikkelen van een psychische aandoening. Beide wijzen er op dat in een sociaal vluchtige maatschappij gezinnen sterk sociaal geïsoleerd zijn. Daardoor maakt het veel uit of een gezin wel of niet sociale veiligheid verschaft. En daardoor is de fase van de adolescentie zo cruciaal in de levensloop.

Maar evenzeer maakt het daardoor veel uit of mensen wel of niet de veiligheid en vertrouwdheid van een partnerrelatie ervaren. Als er weinig andere vertrouwde relaties zijn, komt er veel neer op het wel of niet deel uitmaken van een partnerrelatie.

Precies in dat verband is er het vele onderzoek dat laat zien dat het verlies van een partnerrelatie, door echtscheiding, naast dus die fase van de adolescentie, sterk de kans vergroot op het ontwikkelen van een psychische aandoening. De nieuwe studie Relationship Dissolution and Psychopathology geeft van dat onderzoek een overzicht. 

Heel kort samengevat: hoewel ook het lijden aan een psychische aandoening de kans op echtscheiding vergroot, is er daarnaast een duidelijke bijdragen van het ervaren van een echtscheiding op de kans daarna een psychische aandoening te ontwikkelen. Uiteraard met allerlei factoren ("moderatoren") die die kans beïnvloeden, zoals of die echtscheiding zelf gewild is of niet en of er wel of niet ondersteunende vriendschapsrelaties zijn. 

Dat het verschil maakt of iemand na de echtscheiding wel of niet een nieuwe partner vindt, wijst op het grote belang van een partnerrelatie in een sociaal vluchtige maatschappij. 

vrijdag 4 december 2020

Montesquieu over de democratie van "de vrije burgers" - en dus niet voor het gewone volk dat de arbeid verricht

Voor zijn karakterisering van de staatsvorm van de democratische republiek kon Montesquieu zich uiteraard niet baseren op de democratieën die zo'n anderhalve eeuw later ontstonden met het algemeen kiesrecht. Hij deed het met wat hij wist over de democratie in "de oudheid", dus die van de oude Grieken. Zie hier het vorige bericht.

Wat hij daarover te melden heeft, begint met een klein betoog over het "verschil tussen de effecten van de opvoeding in de Oudheid en die van ons" (p.77-8). Daarin verwoordt hij een maatschappijdiagnose die heel modern aandoet en die je op dit blog tegenkomt als het probleem van het sociale isolement van gezinnen. Het probleem namelijk dat kinderen binnen het gezin waarin ze opgroeien over het algemeen wel de morele gemeenschapsintuïties van het samenwerken en delen aanleren, maar dat ze daarbuiten, bij de overgang naar school en volwassenheid ook te maken krijgen met de daar heersende statuscompetitie. Waar die gemeenschapsintuïties hen niet zo goed op voorbereiden. Ik citeer het even in zijn geheel:

De meeste volken van de Oudheid leefden in een staatsbestel waarin de deugd als beginsel gold. Was die deugd er krachtig ontwikkeld, dan werden er dingen tot stand gebracht zoals we die tegenwoordig niet meer zien, en die onze kleine zielen verbazen.

Hun opvoeding had in vergelijking met die van ons nog een voordeel: ze werd nooit verloochend. In zijn laatste levensjaar zei, hoorde, zag en deed Epaminondas nog dezelfde dingen als toen hij in zijn jongensjaren zijn eerste onderwijs kreeg.

Tegenwoordig ontvangen we drie verschillende of zelfs tegenstrijdige opvoedingen: de opvoeding van onze ouders, die van onze leermesters en die van de samenleving. Door wat die laatste opvoeding ons leert, begint alles te wankelen wat ons in de eerste twee is bijgebracht. Dat komt voor een deel doordat er bij ons een tegenstelling bestaat tussen de eisen van de godsdienst en die van de samenleving. In de Oudheid was deze tegenstelling onbekend.

Die laatste twee zinnen, die niet verder worden toegelicht, zullen er op slaan dat ouders en leermeesters nog die delen van de Bijbelverhalen bijbrachten waarin de (jagers-verzamelaars)moraal van samenwerken en delen wordt aanbevolen, terwijl "de samenleving" leerde dat er daar ook nog de statuscompetitie en de statushiërarchie bestaan. Waar andere delen van de Bijbelverhalen over gaan, die dienden ter legitimering van de ongelijkheid. Denk terug aan Het Oerboek van de mens. Montesquieu had voor die andere delen kennelijk weinig oog.

Hoe dan ook, waar hij op wijst is dat wat je in "de Oudheid" van je ouders en van je leermeesters leerde, dat was waarmee je je hele leven verder kon. De morele intuïties van elkaar steunen, elkaar niet willen overheersen en rechtvaardigheid waren de intuïties die nodig waren om in de democratische republiek te functioneren en om die democratie in stand te houden. Montesquieu omschrijft die intuïties als "de deugd", die inhoudt (p.78):

liefde voor de wetten en voor het land. Een dergelijke liefde, die wil dat het algemeen belang voortdurend voorrang krijgt op het eigen belang, voert aldus tot alle specifieke deugden, die niets anders zijn dan het geven van die voorrang.

Deze liefde hoort heel in het bijzonder bij een democratie, want alleen daar neemt iedere burger deel aan het bestuur. En met een bestuur is het zoals met alles op de wereld: het blijft slechts in stand als het liefdevol wordt gekoesterd.

Bij dit alles ware natuurlijk te bedenken dat dat Griekse democratische bestuur alleen de "vrije burgers" als deelnemers kenden. Die het verrichten van arbeid, het uitoefenen van ambachten en van landbouw,,  overlieten aan de onvrijen, de slaven. Montesquieu (p. 83):

We moeten ons realiseren dat in de Griekse stadstaten, vooral in die waar de hoogste prioriteit werd gegeven aan het krijgsbedrijf, alle arbeid en elk beroep waarmee geld kon worden verdiend, werden beschouwd als een vrij man onwaardig. 'De meeste ambachten, 'schrijft Xenophon, 'hebben een schadelijke invloed op het lichaam van degene die het ambacht uitoefent, want zo iemand moet in het donker of in de nabijheid van vuur werken, en heeft geen tijd voor zijn vrienden of voor de republiek.' Ambachtslieden bereikten de burgerstatus uitsluitend in enkele democratieën die reeds in verval waren geraakt. We kunnen dit lezen in het werk van Aristoteles, die verder nog stelt dat ze in een goede republiek nooit burgerrechten zouden krijgen.

Dat er ook de slaven waren, die dus niet deelhadden aan de democratie, dat vermeldt Montesquieu als een vanzelfsprekendheid. Een vanzelfsprekendheid die eruit zal zijn voortgekomen dat je in de monarchie immers ook het onderscheid had tussen de elite, waar Montesquieu zelf toe behoorde, en "het gewone volk". Waar verder niet veel woorden aan vuil hoefden te worden gemaakt. 

In het volgende bericht meer over de deugden van de democratie van die vrije burgers. Maar wat we hier al wel zien, is dat Montesquieu zich een democratie zonder een onderlaag van slaven die de arbeid verrichten, kennelijk niet goed kon voorstellen. Hij had nog geen vermoeden van de opkomst van het algemeen kiesrecht.

Het is overigens wel navrant dat we nu, in 2020, zoals in de Verenigde Staten, pogingen zien om de democratie weer terug te brengen tot een bestuur door de rijken, de miljardairs, met uitsluiting van de arme onderlaag die zoveel mogelijk van de stembus dient te worden weggehouden. En wier stemmen, als ze onverhoopt toch worden uitgebracht, als "onwettig" niet zouden behoren te worden meegeteld. Het voortbestaan van de democratie is niet zomaar gegarandeerd. Lees hier het volgende bericht.