Posts tonen met het label taalontwikkeling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taalontwikkeling. Alle posts tonen

zaterdag 22 augustus 2026

Liever praten dan luisteren - Een sociaalwetenschappelijk zicht op het probleem dat we te weinig luisteren

Laten we het weer eens over luisteren hebben. Ik had het daar eerder over in  Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie en In een gemeenschapsrelatie luister je naar elkaar. En in een vluchtige relatie kan goed luisteren een middel zijn om een gemeenschapsrelatie tot stand te brengen. Maar met een risico.

De aanleiding om er opnieuw bij stil te staan is het essay Luisteren is geen wondermiddel, wel een kunst die je kunt leren van Rick Pullens, dat eerder dit jaar in Trouw verscheen. Daarin gaat het erover dat we zo weinig en steeds minder naar elkaar luisteren. Het is bij mijn weten nooit echt onderzocht, maar je komt vaak dat vermoeden of zelfs de overtuiging tegen. Pullens haalt filosoof Miriam Rasch aan, die in Luisteroefeningen; over aandacht en ontvankelijkheid  stelt dat luisteren ‘Een zeldzame vaardigheid (is), die veel mensen zijn kwijtgeraakt of misschien wel nooit hebben geleerd’. Het zal best waar zijn, want de tegenovergestelde klacht, dat mensen teveel luisteren en te weinig praten, die hoor je eigenlijk nooit.

In het domein van de persoonlijke relaties kom je het probleem tegen in de vorm van het door elkaar heen praten. Doordat de meesten liever praten dan luisteren, wordt iedereen die iets probeert te vertellen voortdurend onderbroken. Als we met zijn tweeën zijn, wachten we vaak nog wel onze beurt af. Dat wordt met zijn drieën al wat lastiger en met vier of meer ontaardt het gesprek al snel in aan kakofonie van onafgemaakte zinnen en uitroepen. Zonder een goede voorzitter gebeurt hetzelfde met vergaderingen. 

In het publieke domein van de onpersoonlijke relaties wordt het liever praten dan luisteren in verband gebracht met de maatschappelijke polarisatie. Pullens vertelt dat Miriam Rasch vaak de reactie kreeg dat haar onderwerp van groot belang was "in deze tijden van polarisatie". Daarmee zal worden gedoeld op het verschijnsel dat mensen zo overtuigd zijn van hun eigen gelijk dat ze niet meer in staat zijn tot een gesprek, een dialoog, met andersdenkenden. Mensen zijn dan zo vertrouwd met de eigen mening, dat ze een tegengestelde mening alleen nog maar als een aanval kunnen zien. Een aanval op hoe volgens jou de wereld in elkaar zit, die daarom niet meer met argumenten kan worden bestreden, maar alleen met een tegenaanval. Niet de andere mening moet worden bestreden, maar de persoon die hem uitdraagt. Overigens: mijn indruk is dat we niet in tijden van polarisatie leven, maar in tijden van rechts-extremisme. 

Sociaalwetenschappelijk gezien valt er over praten en luisteren wel het een en ander te zeggen. Mensen begonnen er al eerder mee, maar waren zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden volledig in staat om te praten en naar het praten van anderen te luisteren. Rond die tijd moet het proces van de ontwikkeling van het vermogen om taal te leren voltooid zijn geweest. Lees Taalontwikkeling voor een mooi overzicht van hoe dat leren in de eerste levensjaren in zijn werk gaat. En merk op dat het luisteren naar praten en het graag willen luisteren daar een wezenlijke rol in speelt. In dat proces leren kinderen niet alleen om anderen, maar ook zichzelf, toe te spreken. Dus om een innerlijke dialoog te voeren, waardoor ze het typisch menselijke zelfbewustzijn ontwikkelen. Lees (nog eens): Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. Taal, dus praten en luisteren, en zelfbewustzijn zijn nauw met elkaar verbonden.


Terence Deacon vraagt zich in zijn The Symbolic Species af (p.384) hoe dat taalvermogen, such an unlikely and novel means of social communication as the use of symbols, in de menselijke evolutie heeft kunnen ontstaan. Wat was er zo'n 40 tot 50 duizend jaar geleden met onze verre voorouders aan de hand dat mensen taal gingen gebruiken om te communiceren? Dat ze gingen praten en luisteren? Dat het sindsdien bestaat, betekent dat we er op geselecteerd werden om het te kunnen. En betekent dat het van cruciaal belang moet zijn geweest voor onze overleving en reproductie.

En dat was natuurlijk zo. Want alleen met een coöperatief groepsleven, met samenwerken en delen, waren jager-verzamelaars in staat om hun kinderen groot te brengen. Dat wij naast het bij zoogdieren meest voorkomende statuscompetitiepatroon in ons gedrag ook in staat zijn tot het unieke gemeenschapspatroon, moet er wel mee te maken hebben dat ooit de coöperatieve zorg voor kinderen (cooperative breeding) onze evolutie binnenkwam. Die coöperatieve zorg, dus hulp bij die zorg door anderen dan de eigen moeder en zelfs door niet-verwante groepsleden, stond ermee in verband dat kinderen zo vroeg en onrijp werden geboren dat een groot deel van de hersengroei en -ontwikkeling zich nog na de geboorte voltrok. 

Daardoor raakten pasgeborenen er op voorbereid om in hun eerste levensjaren de sociale motivaties en vaardigheden op te doen die hen deelgenoot maakten van een gemeenschap. Waarin intensief moest worden gecommuniceerd vanwege dat samenwerken en delen. Zonder de gelijktijdige ontwikkeling van dat gemeenschapspatroon zou dat vroeg en onrijp geboren worden een evolutionair doodlopende weg zijn geweest. Praten en vooral ook goed kunnen luisteren was veel meer dan een kers op de taart, alleen voor de gezelligheid, het was cruciaal voor het voortbestaan. 

vrijdag 1 april 2022

Het voordeel van taal en bewustzijn is er alleen als het vermogen tot systematiseren samen gaat met aandacht voor details - En over autisme en grote wetenschappers

Deze reeks berichten, hier het vorige bericht, begon met de vraag wat het betekent om geen zelfbewustzijn en taal te hebben, maar wel geheugen. Om inzicht te krijgen in wat het betekent om, als mensen, naast dat geheugen ook taal en zelfbewustzijn te hebben, leek het goed om eerst zo goed mogelijk te begrijpen wat de afwezigheid daarvan betekent. 

Zo makkelijk is dat laatste niet, want als wij mensen iets willen "begrijpen",  gebruiken we welhaast onvermijdelijk (zelf-)bewustzijn en taal. Iets gaan begrijpen is immers het tot dan onbekende en vreemde herkennen als een geval van een al bestaand en bekend inzicht. In termen van David Bohm: het onbekende, onverwachte onderbrengen bij een of meer bestaande vooronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit. Vooronderstellingen die in de vorm van taal zijn vervat en een filter vormen waarmee we naar de wereld kijken. 

En vanwege de sterke samenhang tussen taal en zelfbewustzijn, is het moeilijk, misschien wel onmogelijk, om je voor te stellen (te begrijpen) hoe het is om wel, zoals alle leven, een geheugen te hebben, maar geen zelfbewustzijn en taal. Zie (nog eens) Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen. 

Het zou vereisen dat we ontsnappen aan dat filter van vooronderstellingen en, ja, hoe?, "maagdelijk" naar de wereld kijken. Zoals wezens zonder taal en bewustzijn, dus dieren, kijken. Denk terug aan Temple Grandin, die betoogt dat haar autisme het mogelijk maakt om niet geabstraheerd, maar gedetailleerd, waar te nemen en zo dieren beter te begrijpen. Zie Over vooronderstellingen, waarneming, autisme en bewustzijn - En over Temple Grandin.  Door dat filter hebben wij maar beperkt oog voor details.

Dat alles roept natuurlijk de vraag op wat het voordeel is, als het een voordeel is, om bewustzijn en taal te hebben. Een te grote vraag om nu even tussendoor te beantwoorden. Maar voor de hand liggend is dat we er door in staat gesteld werden om wetenschap te bedrijven. Om, al abstraherend, regelmatigheden en patronen in de waargenomen wereld te ontdekken. Om onze kennis te vergroten. Waar je echter meteen aan moet toevoegen dat wetenschap alleen dan voortschrijdt als er ook oog is voor details, dus voor gevallen en waarnemingen die juist met die regelmatigheden en patronen (theorieën, wetten) in strijd zijn. Want alleen daardoor komen we tot betere, diepere, inzichten. 

Kortom, dat voordeel is er alleen als dat vermogen tot veralgemenisering samen gaat met de aandacht voor de bijzondere gevallen, voor de details waaraan die algemeenheden worden getoetst. Juist de combinatie van die twee is wetenschap. 

En dat brengt je zomaar op het idee dat het geen toeval is dat de grote wetenschappers, de onderzoekers die doorbraken in de menselijke kennis teweeg hebben gebracht, ook een autistisch trekje gehad moeten hebben. Neem nu de drie grootste wetenschappers die je dan meteen te binnen schieten: Newton, Darwin en Einstein. Van alle drie wordt met goede redenen vermoed dat ze trekken van Asperger hadden. Zie Einstein and Newton showed signs of autism en Darwin ‘had Asperger’s Syndrome’. 

En in de studie Talent in autism: hyper-systemizing, hyper-attention to detail and sensory hypersensitivity betogen Simon Baron-Cohen e.a. dat de groep van zeer getalenteerde autisten juist wordt gekenmerkt door de combinatie van sterke neiging tot systematiseren en uitzonderlijk oog voor detail.

In het volgende bericht terug naar het mysterie van het geheugen. Want alles begon met geheugen.

woensdag 9 februari 2022

Taal en waarneming - Het gaat niet om verschillen tussen talen, maar om het verschil tussen wel of geen taal

Bepaalde inzichten in de invloed van taal op hoe wij de wereld waarnemen, staan bekend als de Sapir-Whorf hypothese. Volgens die hypothese beïnvloedt de taal die wij spreken hoe wij denken en de wereld waarnemen. Het is daarom niet verwonderlijk dat we hem tegenkomen in het hoofdstuk over taal in het boek van Jospeh LeDoux, waar het in het vorige bericht over ging.  

In al het onderzoek waar die hypothese aanleiding toe heeft gegeven, gaat het om de vraag of mensen die verschillende talen spreken ook verschillend denken en waarnemen. De vraag dus of verschillende talen verschillende vensters op de werkelijkheid openen. In veel van dat onderzoek wordt bijvoorbeeld gekeken of verschillen tussen talen in de verbale indeling van het kleurenspectrum gepaard gaan met het verschillen in het waarnemen van dat spectrum.

Er was een tijd waarin de meer extreme variant van de Sapit-Whorf hypothese, die inhield dat er geen objectieve werkelijkheid zou kunnen bestaan, enige populariteit genoot. Daar kwam veel kritiek op. De aanhangers van die extreme variant leken te beweren dat je door de taal te bestuderen eigenlijk ook al de werkelijkheid onderzocht. Ik verwoordde die kritiek in 1981 in mijn proefschrift Verklaring en interpretatie in de sociologie.

Maar later onderzoek leverde wel aanwijzingen op dat de taal die mensen spreken zeker invloed heeft op hoe ze de wereld waarnemen. LeDoux wijst er ook op dat de Sapir-Whorf hypothese weer volop terug is in de psychologie.

Hoe dan ook, die hele discussie trekt de aandacht weg van het fundamentelere punt van de invloed van taal, welke taal dan ook, op denken en waarnemen. Als je in staat bent om je ervaringen in de vorm van taal in je geheugen op te slaan, dan krijgen die ervaringen een "bestendige" vorm, waar je over kunt nadenken, die je met anderen kunt delen en die tot een meer globale, in plaats van gedetailleerde, waarneming leiden. 

Twee hoofdstukken verder, getiteld The Cognitive Coalition, beschrijft LeDoux die meer globale, dus door verwachtingen beïnvloede, waarneming als top-down processing, te onderscheiden van de bottom-up processing van de niet door verwachtingen beïnvloede waarneming. Daar (p. 252) geeft hij ook een voorbeeld door dat hem door zijn collega Charan Ranganath werd aangereikt.

Charan Ranganath offers the example that a glass of apple juice and a glass of beer (once it settles) can look very similar. if you are visiting your child in a nursery school, however, you do not see beer, while if you are in a bar, you do.

Bottom-up is er geen verschil, maar top-down zie je of appelsap of bier.

Het gaat dus niet om verschillen tussen talen, maar om het verschil tussen wel of geen taal. LeDoux (p. 235):

What matters is what underlies talking - what language does for cognition. In Kinds of Minds, the philosopher Daniël Dennett put it this way: "The kind of mind you get when you add language to it is so different from the kind of mind you can have without language that calling them both minds is a mistake." Elswhere, Dennett says that "language lays down tracks on which thoughts can travel".

Vanaf het moment dat wij onze eerste taal aanleren, slaan we ervaringen op in de vorm van taal in ons langetermijngeheugen, die vervolgens onze waarnemingen beïnvloeden en globaler maken. (We nemen niet een gelige vloeistof waar, maar "appelsap" of "bier".) 

Dat komt ermee overeen dat hersenonderzoekers zijn gaan inzien dat in onze hersenen de circuits voor waarnemen en geheugen niet gescheiden, maar nauw geïntegreerd zijn. Daarover gaat LeDoux's hoofdstuk 48 (Perception and memory share circuits). 

En dan zie je ineens dat daarmee David Bohms stelling wordt onderbouwd dat onze waarnemingen van de werkelijkheid zo sterk worden beïnvloed door onze vooronderstellingen, door de in ons geheugen opgeslagen "vertalingen" van onze ervaringen.

Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

dinsdag 8 februari 2022

Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? Over het filter van vooronderstellingen, taal, zelfbewustzijn en geheugen

Wij nemen de wereld waar door een filter van vooronderstellingen, van ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, die de neerslag vormen van de toestanden van voorbereid zijn waarmee we geboren worden en van de ervaringen die we daarna opdoen. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Als die ervaringen tussen mensen verschillen, dan zullen ook die vooronderstellingen verschillen en dus ook hoe mensen de wereld waarnemen. In dat vorige bericht ging het om verschillen tussen hoe jagers-verzamelaars de wereld waarnamen en hoe mensen dat gingen doen na de landbouwrevolutie. 

Maar zoals we eerder zagen, doen tijdgenoten, zeker in een pluriforme maatschappij als de huidige, maar so wie so na die landbouwrevolutie, verschillende ervaringen op en nemen ze daardoor de wereld waar door verschillende filters van vooronderstellingen. 

Dat is waarom David Bohm wijst op het belang van een dialoog tussen mensen, waarin ze hun vooronderstellingen en hun oordelen over de vooronderstellingen van anderen opschorten, waardoor ze niet alleen van hun eigen ervaringen kunnen leren, maar ook van de ervaringen van anderen. Want de optelsom van verschillende filters van vooronderstellingen moet wel een rijker beeld geven van de werkelijkheid dan elk filter afzonderlijk. In de woorden van Bohm, die ik eerder al citeerde:

Het doel van een dialoog is niet om dingen te analyseren, om een debat te winnen of meningen uit te wisselen. Het doel is om onze eigen mening op te schorten en daarnaar te kijken - en om te luisteren naar de mening van anderen, en die eveneens op te schorten om erachter te komen wat dat alles te betekenen heeft. Als we de betekenis zien van al die meningen samen worden we deel van een gemeenschappelijk denken; ook al zijn we het misschien niet helemaal met elkaar eens. Zo kan blijken dat onze individuele meningen niet zo belangrijk zijn als we dachten - dat ze gebaseerd zijn op vooronderstellingen. Als we al onze meningen bij elkaar zien, kan het zijn dat we ons als groep creatief in een andere richting gaan bewegen. We zouden de waardering voor al die betekenissen eenvoudig met elkaar kunnen delen; en daar zou onaangekondigd waarheid uit kunnen voortkomen - zonder dat we daarvoor kiezen.
 
Dat gefilterd door vooronderstellingen, en dus geabstraheerd, de werkelijkheid waarnemen, is een typisch menselijke eigenschap, die ermee samenhangt dat wij in staat zijn tot zelfbewustzijn en tot het communiceren door middel van taal. Ik liep daar al op vooruit in het bericht over Temple Grandin, die erop wijst dat "normale" mensen de wereld altijd heel globaal waarnemen, terwijl autisten veel meer in staat zijn om details waar te nemen. En daardoor dieren veel beter kunnen begrijpen. 

Die samenhang wordt duidelijk als je het boek The Deep History of Ourselves. The four-billion-year story of how we got conscious brains van neurowetenschapper, psycholoog en psychiater Joseph LeDoux erbij neemt. Ik probeer nu en in volgende berichten om de interessante passages daaruit samen te vatten.

Waar te beginnen? Misschien met het hoofdstuk over taal (p. 234-240), dat begint met:

Do you talk to yourself? Most people do. We use a kind of inner monologue, sometimes referred to as "self-talk", when thinking, daydreaming, making decisions, solving problems, or regulating our emotions, and when weaving narratives to account for behavior controlled nonconsciously.

Dat hoofdstukje - het boek telt 66 hoofdstukjes van elk enkele pagina's - bestaat vooral uit een overzicht van wat andere onderzoekers hebben gezegd over het belang van taal voor bewustzijn, denken en waarnemen. Waarmee het voorbereidt op het volgende hoofdstuk, waarin duidelijk wordt gemaakt hoe bij mensen waarneming en geheugen dezelfde hersencircuits delen.

Maar eerst dus over taal. Dat wij al heel jong taal aanleren, betekent niet alleen dat we taal gebruiken om met anderen te communiceren, maar ook door dat met onszelf te doen. En het vermogen tot die innerlijke dialoog, ook wel (na)denken genoemd, heeft grote gevolgen. Citaat van Oliver Sacks:

It is through inner speech that the child develops his own concepts and meanings; it is through inner speech that he achieves his own identity; it is through inner speech, finally, that he constructs his own world.
 
Waarop LeDoux vervolgt met:

Language and deliberative thought, and even consciousness, are closely entwined.

Het vermogen tot zelfbewustzijn, denken en taal zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. 
 
De aanwijzingen dat dat zo is, komen nog aan de orde. Maar ik denk ook aan een persoonlijke aanwijzing, die te maken heeft met twee heel vroege herinneringen, die lijken terug te gaan tot kort voor het einde van mijn tweede levensjaar. Dat is volgens onderzoek met de spiegelproef de periode dat het zelfbewustzijn "doorbreekt". 
 
In beide gevallen herinner ik mij niet alleen de omstandigheden, maar ook dat er iets tegen mij gezegd werd en wat dat iets was. In het ene geval was dat "We hebben je gehoord". Dat zei mijn moeder tegen mij toen ze terugkwam van de buren en ze mij door de dunne tussenmuur hadden gehoord. Ik had op een met een vloeipapiertje omwikkeld kammetje geblazen. En in het andere geval was dat "Ze hebben het over jou", dat mijn nichtje tegen mij zei toen mijn moeder en mijn tante het kennelijk over mij hadden. Beide herinneringen kwamen op dit blog eerder aan de orde, de eerste in het bericht Het is vandaag 4 mei. Over een vroege herinnering en de wapens bij ons in de bijkeuken en de tweede in Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.
 
Het zijn natuurlijk maar particuliere herinneringen, maar het lijkt mij frappant dat ik in beide gevallen door middel van taal op mijn bestaan werd gewezen (je, jou). En dat ik al zoveel taal beheerste dat ik begreep wat er tegen me gezegd werd. En dat ik naar mijn beste herinnering me in beide gevallen verplaatste in degenen die mij gehoord hadden (mijn moeder en de buurvrouw) en die het over mij hadden (mijn moeder en mijn tante). Ik werd ertoe aangezet om aan mezelf te denken vanuit het gezichtspunt van anderen. En toen was er mijn zelfbewustzijn. Moeilijk voorstelbaar dat dat ook zonder taal had kunnen gebeuren. En dus zonder anderen.

Bovendien komt daarmee de belangrijke rol van het geheugen in het blikveld. Want die periode voorafgaand aan het doorbreken van het zelfbewustzijn staat bekend als de periode van de childhood amnesia, de periode waaraan we geen herinneringen kunnen hebben. De ervaringen die we in die periode doormaken, kunnen wel heel belangrijke gevolgen hebben, maar er is nog geen (lange termijn-)geheugen waarin ze worden opgeslagen en waaruit ze kunnen worden teruggehaald.

Tussenstand: we hebben het filter van vooronderstellingen waarmee we de wereld waarnemen en we hebben taal, zelfbewustzijn en geheugen. Hier het vervolg.

vrijdag 28 januari 2022

Over David Bohms onderscheid tussen participerend denken en letterlijk denken - en over de vraag of we ons verantwoordelijk kunnen voelen voor onze planeet

David Bohm wijst erop dat wij mensen, anders dan andere dieren, de wereld om ons heen, maar ook onszelf en ons denken, op een heel bepaalde manier waarnemen. Namelijk door het filter van onze vooronderstellingen. Vooronderstellingen waarmee we geboren werden en die we gedurende onze levensloop op grond van de ervaringen die we opdoen hebben bijgesteld en uitgebreid. (Zie hier het vorige bericht). 

Dat eerste hebben we nog gemeen met andere dieren, maar dat laatste doen wij op een unieke manier, doordat wij vroeg in ons leven de stap maken naar zelfbewustzijn en waarschijnlijk gelijk daarmee taal aanleren. Dat gemeenschappelijke met andere dieren bestaat eruit dat we, doordat we levende wezens zijn en dus het resultaat van een evolutionair proces, erop zijn voorbereid dat de wereld veilig of onveilig kan zijn en dat het zaak is om veiligheid te zoeken en onveiligheid te mijden. 

Dat gemeenschappelijke houden we bij ons, maar daar komen, zo ongeveer aan het einde van ons tweede levensjaar, zelfbewustzijn en taal bij. Met grote gevolgen, zo groot dat ze moeilijk zijn te overzien. In feite heeft Bohm het daarover in zijn boek Dialoog, waarvan ik me aanvankelijk afvroeg of het triviaal of juist heel diepzinnig was. Ik neig nu naar het laatste.

Als je iets als diepzinnig ervaart, dan is dat iets niet zo eenvoudig uit te leggen. Ook niet voor jezelf uit te leggen. Dat moet dus in kleine stapjes gebeuren, want je kunt het geheel (nog) niet overzien. Wat nu volgt, dat bestaat dus uit een aantal kleine stapjes na elkaar. Waarbij bovendien elk stapje voorlopig is en naderhand kan worden bijgesteld. De lezer, en ikzelf, moeten dus enig geduld hebben

Ik begin ermee een aantal passages van Bohm naar voren te halen. Bohms betoog bestaat uit twee delen, een deel over het feit van die vooronderstellingen en een deel over de moeilijkheid en noodzaak van dialoog als mensen met verschillende vooronderstellingen naar de wereld kijken. Ik blijf voorlopig bij dat eerste deel.

In hoofdstuk 7 (Participerend denken en het onbegrensde) onderscheidt Bohm twee soorten denken; het participerend denken en het letterlijk denken. Dat hoofdstuk begint zo (p. 137):

In vroegmenselijke culturen, en in zekere zin ook nu nog, bestond er iets wat 'participerend denken' wordt genoemd. Mensen in dit soort culturen hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van de dingen die ze zagen - dat alles in de wereld met elkaar verbonden was, en dat de geest van alle dingen ten diepste één was. Zo leefde onder Eskimo's de overtuiging dat er veel, heel veel zeehonden waren, maar dat al die zeehonden een manifestatie waren van de ene zeehond - de geest van de zeehond. Die ene zeehond manifesteerde zich in vele zeehonden. Daarom baden ze tot de geest van de zeehond om zich aan hen te manifesteren, zodat ze te eten zouden hebben. Ik vermoed dat indianen uit Amerika de buffel op een vergelijkbare manier zagen. Dit soort culturen hadden het gevoel dat ze deel uitmaakten van de natuur. En ze waren er zich scherp van bewust dat ook hun denken deel was van de werkelijkheid.

Bohm zal zich hier baseren op antropologische literatuur over de Eskimo's, maar het boek bevat geen verwijzingen. Dat participerende slaat er dus op dat die vroege mensen zich onderdeel voelden van, ja, van wat? Van 'het geheel', de wereld, de natuur. Merk op dat woorden hier tekort schieten. En dat zal eraan liggen dat er nog geen taal en zelfbewustzijn bestonden zoals wij die kennen. 

Maar ergens in de mensheidsgeschiedenis veranderde dat. Bohm (p. 138-9):

Mer dan een miljoen jaar heeft de mens zo gedacht. In de laatste vijfduizend jaar is ons denken radicaal veranderd.

Ook hier weer ontbreekt een verwijzing. Maar het gaat er nu niet om of die vijfduizend jaar wel of niet klopt. Ergens in de tijd heeft die verandering plaatsgevonden.

Onze hedendaagse cultuur zegt: 'Dat is onzin. Aan dat soort ideeën geven we geen aandacht meer.' De manier van denken die wij in onze tijd prefereren, wordt dan ook wel 'letterlijk' denken genoemd.

Letterlijk denken meent dat ons denken een weerspiegeling is van de werkelijkheid zoals die is - het pretendeert ons te kunnen vertellen hoe de dingen werkelijk zijn. We zijn geneigd om het te zien als de beste manier van denken. (...) Owen Barfield heeft het letterlijk denken wel getypeerd als idolatrie of afgoderij. Een religieus beeld symboliseert een macht die groter is dan wij of verwijst naar een bepaalde spirituele kracht. Op den duur wordt dat beeld vereenzelvigd met die kracht - letterlijk. (...) Je zou kunnen zeggen dat wij onze woorden en onze gedachten op eenzelfde manier hebben verheven tot afgodsbeelden. We pretenderen dat ze beschrijvingen van en uitspraken over de werkelijkheid zijn zoals die is. Maar in werkelijkheid kunnen woorden die pretentie nooit hebben. We hechten er te veel waarde aan. Taal kan een deel van de werkelijkheid weergeven, maar nooit de 'gehele' werkelijkheid.

Nu hebben we wel een verwijzing. En wel naar het boek Saving the Appearances van Owen Barfield uit 1965. Daar had ik nog nooit van gehoord, maar na even googelen denk ik dat dat misschien wel heel onterecht is. 

Dat letterlijk denken slaat er dus op dat wij door het filter van onze vooronderstellingen (woorden, gedachten) naar de werkelijkheid kijken, maar dat filter niet of niet meer als zodanig ervaren. Met als gevolg dat we onze woorden en ons denken te serieus nemen.

Nu benadrukt Bohm dat dat letterlijke denken ook in die vroegmenselijke culturen al bestond, maar dat het toen beperkt bleef tot het domein van de "eenvoudige technische doeleinden" (p. 141-2):

Een half miljoen jaar geleden hadden de mensen het letterlijk denken niet echt nodig. Ze leefden in kleine groepen van jager-verzamelaars. Ze kenden elkaar en gebruikten deze vorm van denken alleen voor eenvoudige technische doeleinden. Maar toen kwam de landbouwrevolutie. Er ontstonden veel grotere gemeenschappen. Voor deze samenlevingen was meer organisatie nodig, meer orde ook en technologie. Het belang van letterlijk denken nam toe. Men begon de samenleving te organiseren en zei: 'Jij hoort hierbij, jij daarbij. Jij moet dit doen, jij dat.' De mensen werden steeds meer gezien als afzonderlijke objecten - ook andere volken. Mensen werden gebruikt voor een bepaald doel. Ja, hoe verder de samenleving zich ontwikkelde, des te meer men het denken ging gebruiken als middel tot een doel. (...) Het participerend denken fragmenteerde en verdween naar de achtergrond.

Maar in die achtergrond is het er nog wel. Bohm beschrijft dat dan als de "kosmische dimensie", waar mensen nog steeds een verlangen naar hebben. Naar "een verbond met de natuur", waar we met het letterlijke denken een einde aan maakten. Waardoor we gingen denken dat we de natuur, moeder aarde, onbeperkt konden exploiteren. Maar (p. 147):

Die luxe positie hebben we niet meer. We kunnen niet langer onbeperkt op de natuur vertrouwen.

Toen de mensheid dit begon te beseffen leidde dat tot een grote psychologische verandering. Het was alsof iemand tegen ons zei: 'Je kunt niet meer op je moeder rekenen. Je staat er nu alleen voor.' Dat is de situatie waarin we nu verkeren - want of de aarde het overleeft hangt van ons af. Dat geeft een nieuw perspectief: het laat zien dat we als mensen werkelijk verantwoordelijk zijn voor deze planeet. De vraag is: wat is de grond van dit alles? Wie zijn wij?

Uit welke innerlijke bron kunnen we putten om bij dat gevoel van verantwoordelijkheid te komen? Wat zou het fundament van die mogelijkheid kunnen zijn?

Bohms antwoord dat daarop volgt, en dat het boek afsluit, is niet zo gemakkelijk kort of in een citaat samen te vatten. Maar het lijkt me er op neer te komen dat dat participerende denken van de achtergrond naar de voorgrond moet worden gehaald en dat mensen daartoe in staat zijn. We kunnen boven de begrensdheid van het letterlijk denken uitstijgen. We kunnen onze aandacht richten op "het onbegrensde", op het grotere geheel waar we allen deel van uitmaken (p. 150):

Het is mogelijk dat er zowel begrensde aandacht is, zoals concentratie, als onbegrensde aandacht - van fundamentele aard. Door zulke aandacht komen we bij steeds subtielere niveaus van de impliciete orde - de algemenere lagen van het hele proces. Op deze algemene niveaus verschilt het bewustzijn van de ene persoon nauwelijks van het bewustzijn van de ander. Dit impliciete en stilzwijgende denken, dat de basis vormt van het bewustzijn, wordt door alle mensen gedeeld.

En dat gedeelde bewustzijn, het besef van gemeenschappelijkheid en van deel zijn van de planeet, dat zou het fundament zijn van dat gevoel van verantwoordelijkheid, van het verbonden zijn met de natuur, dat we nodig hebben om te kunnen overleven. 

En als dat er eenmaal is, dan hebben we natuurlijk toch dat letterlijk denken nodig om de technische kennis te verwerven die anders handelen mogelijk maakt. Niet langer de planeet exploiteren, maar beheren en er voor zorgen. Wat tegelijk betekent zorgen voor onszelf en voor de volgende generaties.

Dat zijn grote woorden. Maar tegelijk een eerste stapje. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

dinsdag 11 januari 2022

Over vooronderstellingen, waarneming, autisme en bewustzijn - En over Temple Grandin

In David Bohms pleidooi om meer in dialoogvorm met elkaar te communiceren dan in debatvorm vallen twee inzichten te onderkennen. Zie hier het vorige bericht. Het inzicht van de vooronderstellingen en het inzicht van verschillen in vooronderstellingen tussen mensen.

Het eerste inzicht is dat aan al onze meningen en oordelen vooronderstellingen ten grondslag liggen. Vooronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit, die resulteren uit de ervaringen die we in het verleden hebben opgedaan. Die ervaringen zijn opgeslagen in ons geheugen. Daarbij speelt op een of andere manier een rol dat wij taal beheersen. Daardoor kunnen die opgeslagen ervaringen de vorm van taalconstructies aannemen en dus van abstracties. De werkelijkheid wordt er niet in gepresenteerd, maar gerepresenteerd. Er is iets mee gebeurd, er is geselecteerd, ingedeeld, geordend, kortweg geabstraheerd.

Daardoor kijken we anders naar de wereld. Globaler, met minder aandacht voor details. 

Hier ligt een uitweiding voor de hand die je bij Bohm niet tegenkomt. Temple Grandin beschrijft dat haar autisme maakt dat ze met veel meer oog voor details naar de wereld kijkt dan niet-autisten doen. En dat ze daardoor zo goed in staat is om zich te verplaatsen in hoe dieren de wereld waarnemen. Citerend uit Animals in Translation. The woman who thinks like a cow, dat ze samen met Catherine Johnson schreef:

Unfortunately, when it comes to dealing with animals, all normal human beings are too abstractified, even the people who are hands-on. That's because people aren't just abstract in their thinking, they're abstract in their seeing and hearing. Normal human beings are abstractified in their sensory perceptions as well as their thoughts. (p. 30)

When an animal or an autistic person is seeing the real world instead of his idea of the world that means he's seeing detail. This is the single most important thing to know about the way animals perceive the world: animals see details people don't see. They are totally detail-oriented. That's the key.

It took me almost thirty years to figure this out. During all that time I kept a growing list of small details that could spook an animal without realizing that "seeing in details" was a core difference between animals and people. (p. 31)

Verderop in het boek lees je een interessante passage over de samenhang tussen globaal waarnemen en bewustzijn:

My other reason for thinking everyone has the potential for extreme perception (detailwaarneming) is the fact that animals have extreme perception, and people have animal brains. People use their animal brains all day long, but the difference is that people aren't conscious of what's in them. (...) A lot of what animals see normal people see, too, but normal people don't know they're seeing it. Instead, a normal person's brain uses the detailed raw data of the world to form a generalized concept or schema, and that's what reaches consciousness. Fifty shades of brown turn into just one unified color: brown. That's why normal people see only what they expect to see - because they can't consciously experience the raw data, only the schema their brains create out of the raw data.

Normal people see and hear schemas, not raw sensory data. (p. 65)

(Met dank aan Liesbeth Sterck, die mij het boek van Temple Grandin op 3 juni 2010, toen ik, op mijn verjaardag, afscheid nam van de Rijksuniversiteit Groningen, cadeau deed.)

Daarmee zijn we geattendeerd op de samenhang tussen dat eerste inzicht, dat van het altijd met vooronderstellingen kijken naar de wereld, en het "hebben" van bewustzijn. Dat verband komen we ook nog tegen bij David Bohm. En, zoals dan zal blijken, bij Jospeh LeDoux in zijn The Deep History of Ourselves. The four-billion-year story of how we got conscious brains, dat ik al aankondigde in Over body-mind therapieën als individuele oplossingen voor individuele problemen - En over een collectieve oplossing.

Wordt vervolgd.

donderdag 25 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 13

Als je je aanhoudend of terugkerend onveilig voelt, loop je het gevaar daar met psychologische starheid - starheid in waarnemen en denken - op te reageren en daardoor een angststoornis, een depressie of een andere psychische aandoening te ontwikkelen. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Die starheid bestaat eruit dat we de negatieve gedachten en gevoelens die we door die onveiligheid hebben, proberen te vermijden en te bestrijden. We piekeren, maken ons zorgen en zijn voortdurend voorbereid op nieuwe gevaren. En we proberen om afleiding te vinden, zoals door hard te werken of onophoudelijk druk in de weer te zijn, om maar te voorkomen dat de pijn en de angst, of de herinneringen daaraan, ons overvallen en overweldigen. Steven C. Hayes noemt dit onze Innerlijke Dictator.

Dat wij te maken kunnen hebben met die Innerlijke Dictator ligt er aan dat wij in staat zijn om taal te leren. Want het leren van taal behelst het leren leggen van relaties en het kunnen denken in relaties. Dat verwijst naar een omvangrijke lijn van onderzoek onder het trefwoord Relational Frame Theory, waarvan ik deze samenvatting vond: An introduction to Relational Frame Theory: Basics and Applications. Maar mijn ervaring is dat het goed doorgronden daarvan een behoorlijke investering vraagt. Gelukkig zijn er ook eenvoudiger samenvattingen (for dummies), zoals deze: What is Relational Frame Theory? A Psychologist Explains. 

Relaties leggen en denken in relaties kunnen we doordat we niet alleen in staat zijn tot associëren (klassieke conditionering; de hond van Pavlov die een belletje associeert met eten), maar ook tot het leggen van het omgekeerde verband (bij eten denken aan dat belletje). En precies daaruit bestaat het leren van taal. Niet alleen leren babies het woord mamma te associëren met een bepaalde persoon, maar ook komt het woord mamma spontaan bij hen op als die persoon er is. Daarmee is dus een relatie tussen een woord en een persoon gelegd.

Die vaardigheid is volgens Hayes uniek menselijk. Je kunt een chimpansee leren om een abstract symbool aan te wijzen als hij een sinaasappel ziet, maar als je hem dat symbool laat zien dan is hij niet in staat om een sinaasappel op een fruitschaal aan te wijzen.

Taal leren is dus niet woorden leren associëren met iets in de werkelijkheid, maar het leren leggen van relaties. En als je dat een keer kunt, "dingen" met elkaar in verband brengen, dan gaat het heel snel. Als je relaties 'verwacht", kun je per dag honderden nieuwe woorden leren. En je kunt die woorden met elkaar in verband brengen, dus zinnen maken. Zo ontstaat het taalvermogen. En het vermogen om in taal, in symbolen, te denken. En daarmee ons voorstellingsvermogen oftewel het vermogen om abstract te denken.

Met het leren van taal bouw je een steeds complexer wordend netwerk van relaties op, niet alleen tussen woorden (symbolen) en dingen, personen of gebeurtenissen, maar ook tussen de gedachten die je hebt. En die gedachten kunnen een heel reële betekenis krijgen, doordat ze de "concreetheid" van woorden en zinnen aannemen. We kunnen ons immers moeilijk voorstellen wat denken zonder taal is.

Hayes (p. 71):

with relational thinking, we can connect things that have no physical relation to one another and don't appear together in time and place. Not only can we, but we constantly do, and the connections become extremely complex.

Onderdeel van dat proces is dat we ook onszelf een plaats geven in dat web van relaties. Dat wil zeggen, het besef van onszelf oftewel ons zelfbewustzijn. Want dan gaat het om de relatie tussen de waarnemer en het waargenomene. Kinderen leren dat "hier" gebonden is aan de positie die de spreker inneemt en dat "hier" voor de ander "daar" is. Zelfbewustzijn is daarmee ook meteen het vermogen in om je in een ander te verplaatsen en van daaruit naar de wereld en naar jezelf te kijken.

Dat zou er op wijzen dat het ontstaan van zelfbewustzijn niet alleen sociale interactie vereist, maar dat taalontwikkeling daar een essentieel onderdeel van is. En dat ligt eigenlijk voor de hand, maar had ik mij nog niet gerealiseerd. Zie hier mijn eerdere berichten over zelfbewustzijn.

Daarmee is de grondslag gelegd voor de ontwikkeling van het verhaal of de verhalen over jouzelf en de relaties met anderen. Hayes (p. 73-74):

perspective-taking also supports storytelling about ourselves that is more content-based and evaluative, and that part is hard to put on a leash. With the rise of our verbal problem-solving ability, the Dictator Within is born,(...). As we begin to create our story of who we are, for example, we also start to compare ourselves to others, and to social ideals of who we should be. Thus the unfortunate side effect of the same cognitive skills that allow a sense of ourselves as conscious human beings is that we often soon become self-critical, or excessively seek to be attended to, to be important or notable based on the specialness of our self-stories. We have begun to fashion the conceptualized self, and this imagined self often takes on the illusion of being our "real" self. We begin to become the content of our stories, and the Dictator comes fully into power.

The problem is not the presence of a self-story; we all need one. But when we disappear into this ongoing storytelling - when we fuse with the story - all sorts of mental health and life-satisfaction challenges follow.

Kortom, relaties, taal, zelfbewustzijn, je kunnen verplaatsen in anderen en naar jezelf kijken, en zo een verhaal over jezelf maken, waarin je het goed kunt doen, maar ook kunt tekortschieten. 

Met al die ingrediënten ben je terechtgekomen in een maatschappij waarin het niet gegarandeerd is dat anderen zich altijd om je bekommeren. Waarin je buiten dat kleine eilandje van het gezin waarin je opgroeit, een plaats moet zien te verwerven. Moet leren om te gaan met de uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie. Dus met de uitdagingen van sociale onveiligheid.

En daar ligt het gevaar van die psychologische starheid op de loer. Meer daarover in volgende berichten. Hier het volgende bericht.

maandag 11 november 2019

Meer over de sociale oorsprong van zelfbewustzijn - bij mensen en bij chimpansees

Laat in ons tweede levensjaar heeft zich bij ons het zelfbewustzijn ontwikkeld. Zie het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.

Die overgang van het niet naar het wel "hebben" van zelfbewustzijn wordt door onderzoekers vastgesteld met de spiegeltest. Voorafgaand aan die overgang geef je er geen blijk van dat je jezelf in een spiegel herkent, daarna wel. Als er nog geen zelfbewustzijn is, is er wel het besef van het eigen lichaam, dat we met andere diersoorten gemeen hebben.

Waardoor is het zo dat wij wel zelfbewustzijn ontwikkelen (en met ons enkele andere primaten, zoals chimpansees) en andere diersoorten niet (mogelijke uitzonderingen zijn onder meer olifanten en dolfijnen)?

Een bekend antwoord daarop is de sociale cognitie hypothese, die al in 1982 werd opgeworpen door Gordon Gallup in Self‐awareness and the emergence of mind in primates. Het houdt in dat het vermogen tot zelfbewustzijn een bijproduct is van de evolutie van vaardigheden om in een groep te functioneren. Voor dat functioneren helpt het om je bedoelingen over te kunnen brengen op anderen (communiceren), om je in anderen te kunnen verplaatsen en om te beseffen dat anderen een blik op de wereld kunnen hebben die anders is dan die van jou (Theory of Mind).

Met die hypothese komt overeen dat het zelfbewustzijn zich ontwikkelt in en door sociale interactie met vertrouwde anderen, zoals ik beschreef in dat bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering:
Als wij, volwassenen en oudere kinderen, het kind maar genoeg engageren, wat het trouwens gemakkelijk zelf uitlokt, dan "groeit" dat zelfbewustzijn.
En dat lijkt dus sterk op hoe wij onze eerste taal leren. In dat bericht ging het ook over onderzoek dat het vermoeden van dat sociale karakter van zelfbewustzijn ondersteunt: Social awareness and early self-recognition.

Meer ondersteuning komt er nu van het onderzoek Mirror self-recognition and its relationship to social cognition in chimpanzees, waaruit blijkt dat bij chimpansees het doorstaan van de spiegeltest samenhangt met prestaties op verschillende testen voor sociale cognitie. Chimpansees die zichzelf in de spiegel herkennen zijn sociaal vaardiger dan degenen die dat niet doen, in de zin dat ze begrijpen wat het is om iets aan te wijzen en om aandacht te vragen, dat ze iemands blik volgen, dat ze het doorhebben als ze geïmiteerd worden en dat ze een besef hebben van het unieke gezichtspunt van een ander, dus doorhebben wat een ander vanuit zijn positie wel en niet kan waarnemen (perspective taking).

Dat zelfbewustzijn die sociale oorsprong heeft, en dus al bij chimpansees aanwezig is, doet vermoeden dat verschillen in de wijze van groepsleven tussen chimpansees en mensen iets vertellen over wat zelfbewustzijn in beide gevallen inhoudt. We kunnen er hetzelfde woord voor gebruiken, maar dat chimpansee-bewustzijn en mensen-bewustzijn niet identiek aan elkaar zijn, lijkt waarschijnlijk.

En dat zal ermee samenhangen dat de chimpanseegroep het karakter heeft van een statushiërarchie, terwijl de menselijke egalitaire jagers-verzamelaarsgroep sterk gebaseerd is op samenwerken en delen. Voor dat samenwerken en delen, en dus voor de daarvoor benodigde onderdrukking van de statuscompetitie, lijken veel verder ontwikkelde sociale en communicatieve vaardigheden nodig te zijn dan voor het in standhouden van een statushiërarchie.

Dat zou verklaren waarom mensen wel taal ontwikkelden en chimpansees niet.

Wat ook weer invloed moet hebben gehad op de aard van ons zelfbewustzijn. Want die taal heeft het mogelijk gemaakt dat ons zelfbewustzijn ook inhoudt dat we een innerlijke dialoog kunnen voeren, onszelf kunnen toespreken. Zonder taal zal dat bij een chimpansee niet zo goed lukken, ook al is er zelfbewustzijn.

dinsdag 6 januari 2015

Veel praten met kinderen is beter voor hun ontwikkeling dan veel voorlezen

Kinderen veel voorlezen is goed voor hun ontwikkeling, dat weten we. Maar nu blijkt dat veel tegen kinderen praten nog beter is. Dat is de uitkomst van de studie Does reading to infants benefit their cognitive development at 9-months-old? An investigation using a large birth cohort survey (betaalpoort).

De Ierse onderzoekers ondervroegen een representatieve steekproef van ouders van 9 maanden oude kinderen. De opzet van het onderzoek was om te kijken of het klopt dat veel voorlezen goed is voor de ontwikkeling van kinderen. Maar als vergelijking werd de moeder o.a. ook gevraagd naar hoe veel ze tegen het kind praatte terwijl ze met andere dingen bezig was, zoals met het huishouden.

Het blijkt dan dat zowel voorlezen als praten positief samenhangen met communicatie- en probleemoplossingsvaardigheden van het kind. Maar verrassend was dat praten flink meer bijdroeg aan die vaardigheden dan voorlezen.

Om wat voor vaardigheden ging het precies? Daarvoor moet je te rade gaan bij de Ages and Stages Questionnaire.  Bij communicatie gaat het bijvoorbeeld om geluidjes maken (da, ga, ka, ba), hetzelfde geluidje herhalen als iemand dat heeft gemaakt, een spelletje als kiekeboe kunnen spelen en opdrachten zoals "Kom eens hier" kunnen uitvoeren. En bij probleemoplossing om vaardigheden als een speeltje van de ene hand naar de andere brengen, twee speeltjes kunnen oppakken, in elke hand een, en vasthouden, en proberen om een lekkernij uit een fles te bemachtigen.

Doordat de onderzoekers allerlei controlevariabelen meenamen, kunnen ze aannemelijk maken dat het verband ook inderdaad oorzakelijk is. Dus dat het meer voorlezen, maar vooral dus het meer praten, bijdroeg aan de ontwikkeling van die vaardigheden. Bijvoorbeeld: de ontwikkeling gaat sneller bij borstvoeding en niet te vroeg geboren zijn. Dat zou kunnen betekenen dat de kinderen die borstvoeding kregen en niet te vroeg geboren waren, zich sneller ontwikkelden en daardoor meer voorlezen en praten van de ouders uitlokten. Maar de verbanden bleven bestaan bij statistische controle.

Veel met taal in aanraking komen doordat er veel met je gepraat wordt, blijkt dus belangrijker dan voorlezen. Hoe dat komt? De onderzoekers suggereren dat het er aan ligt dat dat praten meer gebeurt en betrekking heeft op de wereld om je heen. Verwijzingen in taal naar wat er echt om je heen is en gebeurt, dringen waarschijnlijk meer door en beklijven meer dan naar een abstracte wereld van een verhaal. Ook als dat met plaatjes wordt ondersteund. De wereld om je heen is nu eenmaal echter dan de wereld van een plaatje. Dit zou overeenkomen met de ideeën van de leertheoreticus Vygotsky (zie bijvoorbeeld hier).

Als dat praten zo belangrijk is, dan verwacht je dat het meer meemaken dat anderen dan je eigen moeder tegen je praten, ook bevorderlijk is voor de ontwikkeling van die communicatieve en oplossingsvaardigheden. Wat dit onderzoek daarover kan zeggen is niet eenduidig. Meer oppas door familie, zoals door grootouders, blijkt significant bij te dragen aan de communicatieve vaardigheden. Wat dus sterk pleit voor het terugdringen van het sociale isolement van gezinnen.

Maar meer formele kinderopvang gaat juist ten koste van die vaardigheden. Dat komt overeen met het vermoeden dat er op de crèche misschien niet zoveel tijd is om met elk kind te praten.

En je zou verwachten dat het hebben van meer oudere broers en zussen een gunstig effect heeft. Maar dat blijkt juist negatief uit te werken. En dat is wel verrassend.

Bij dat alles moeten we bedenken dat de ontwikkeling van kinderen natuurlijk meer omvat dan precies die vaardigheden waar het in dit onderzoek om gaat.

Update. Toevallig is er vandaag ook het artikel The Talking Cure van Margaret Talbot in The New Yorker over programma's in de Verenigde Staten om te bevorderen dat armere en lager opgeleide ouders meer met hun kinderen praten. Het schijnt inderdaad zo te zijn dat rijkere en hoger opgeleide ouders dat meer doen. In dat Ierse onderzoek hierboven was dat ook het geval, zij het dat er in de regionen van de hoogste opleiding weer minder gepraat werd. Overigens meldt Talbot dat de kans op praten met de kinderen sterk stijgt als de televisie uit staat.

maandag 17 maart 2014

Waarom muziek? Omdat er daarzonder geen taal zou zijn

Hoewel sommigen (zo'n 2-3 procent) met muziek "niets hebben", speelt muziek een grote rol in ons leven. Veel mensen maken graag muziek en nog veel meer luisteren er naar. Dat vinden we opvallend omdat muziek eigenlijk geen nut lijkt te hebben. Hoe valt de plaats van muziek in ons leven evolutionair te verklaren?

Margreet Vermeulen schreef daarover zaterdag in De Volkskrant het artikel Human Beatbox. Ze interviewt hersenonderzoekers die zich met die vraag hebben beziggehouden. Interessant artikel. Maar mij viel op dat het mogelijke verband tussen muziek en taal niet aan de orde komt. Er is alleen de opmerking dat er veel meer onderzoek naar taal is dan naar muziek.

Opmerkelijk, omdat er zich toch meteen aan je opdringt dat taal en muziek allebei gaan over communiceren. Dat taal is om te communiceren, spreekt vanzelf. Maar muziek is natuurlijk ook een communicatiemedium. Margreet Vermeulen vermeldt al dat iedereen het er over eens is dat muziek het groepsgevoel verhoogt en de samenwerking bevordert. Samen muziek maken of samen op muziek dansen. Dat daar iets gecommuniceerd wordt, dat lijkt wel duidelijk.

Maar muziek en taal zouden wel eens veel nauwer kunnen samenhangen. Denk eens terug aan het bericht Muziek, taal en coöperatief grootbrengen van kinderen. Dat verwijst naar onderzoek dat doet vermoeden dat baby's eigenlijk naar muziek luisteren als wij tegen ze praten. En dat wij intuïtief op diezelfde lijn gaan zitten, omdat wij tegenover baby's niet "het woord voeren", maar een babytaal hanteren.

En die babytaal, met veel herhalingen, ritme en melodie (waaristiedan? waaristiedan? enzovoort) lijkt net als de brabbeltaal van die baby's zelf veel op muziek. Er is eerst de synchronisatie door middel van zoiets als muziek en die lijkt een soort vloer te leggen waarop taal zich ontwikkelt. Taal zou dus zonder die oorspronkelijke muziek niet kunnen ontstaan.

En dat betekent dus ook dat het coöperatief grootbrengen van kinderen ten grondslag ligt aan zowel taal als muziek. Want dat baby's en wij die synchronisatie willen, is kenmerkend voor de coöperatieve zorg. Baby's zijn er op voorbereid dat ze niet alleen de eigen moeder, maar ook andere nabije personen, voor zich moeten zien te engageren. De moeder kan het niet alleen. Er is hulp van anderen nodig (allocare). Vandaar dat baby's hun muzikale brabbeltaal gebruiken om door ons schattig gevonden te kunnen worden. Ze zijn niet in zichzelf gekeerde wezentjes, maar uit op contact. En wij zijn er op voorbereid om dat alles schattig te vinden en om er een warm en zorgzaam gevoel bij te krijgen.

Vandaar dat andere soorten die aan coöperatieve zorg doen, neem de klauwaapjes, datzelfde interactiepatroon tussen pasgeborenen en volwassenen kennen. Jonge klauwaapjes hebben ook een soort brabbeltaal, die door volwassen aapjes wordt beantwoord. Wie weet, ontwikkelen klauwaapjes ooit ook eens taal.

Om het evolutionaire raadsel van de muziek op te lossen, lijkt het dus zaak om muziek niet los van de taal te zien.

maandag 24 september 2012

Muziek, taal en coöperatief grootbrengen van kinderen

Er zijn nieuwe ontwikkelingen op het gebied van onze inzichten in hoe wij als baby's en kleuters taal en muziek leren. En daarmee in de evolutionaire oorsprong van taal en muziek.

In Music and early language acquisition maken Anthony Brandt, Molly Gebrian en L.Robert Slevc aannemelijk dat er in de vroege ontwikkeling van kinderen eerst muziek is en dat dan pas de taal zich ontwikkelt.

Waar begint alles mee? Met onze onbedwingbare neiging om tegen baby's te gaan praten. Maar we doen dat niet door "het woord te voeren", maar door een soort babytaaltje te spreken, wat Engelsen "motherese" (of "parenthese") noemen. Dat is een vereenvoudigd en repetitief soort taal, met overdreven intonatie en ritme. Niet alleen de eigen moeder praat zo met haar baby, maar ook de vader, familieleden en zelfs vreemden. Er is iets met het zien van een baby dat mensen er gemakkelijk toe brengt om "ta-ta-ta" en "waaristiedan? waaristiedan?" te gaan zeggen.

Te gaan zingen, had ik bijna opgeschreven en er is ook veel voor te zeggen om dit meer muziek dan taal te noemen. En wat baby's terug doen, of zelfs uit zichzelf al doen, is een soort brabbeltaal produceren die daar erg op lijkt en die ook veel met muziek gemeen heeft. Een citaat uit het artikel (mijn vertaling):
In het eerste levensjaar horen baby's taal als een voor hen bedoelde en vaak herhaalde vocale voorstelling. Ze luisteren er naar niet alleen vanwege de emotionele inhoud, maar ook voor de ritmische en fonemische (klank-)patronen. Zoals Newham zegt: "... terwijl het verbale kind later zulke geluiden organiseert naar de regels van het woordenboek, ordent de baby, die daarmee nog niet bekend is, ze naar een intuïtief, creatief en aangeboren gevoel voor toonhoogte, melodie en ritme op een manier die direct verwant is aan het componeren van muziek." (...) Als geluiden verbonden worden met betekenis, krijgt de verwijzende functie van taal steeds meer de aandacht van het kind, omdat het sociale belang daar van groot is. Echter, tijdens het eerste levensjaar overheerst een ander soort van luisteren. Muziek als een kunstvorm zou wel eens een manier kunnen zijn om deze heel vroege periode, toen de wereld als een concert op ons overkwam en toen zinnen nog slechts geluiden waren, te laten voortduren in ons volwassen leven.
Zie bijvoorbeeld deze YouTube video en bepaal of je wel of niet muziek hoort.Ik zou zeggen: muziek.
2 month old Baby Talking: Says I Love You! - YouTube:

'via Blog this'

Dit is een interessante gedachte, ook al omdat er redenen zijn om te denken dat muziek ook fylogenetisch, dus in de evolutie van de menselijke soort, aan taal is voorafgegaan. De gedachte is echter ook nieuw omdat tot nu toe, als ik het wel heb, sinds Chomsky, werd uitgegaan van een aangeboren taalmodule. Die zou er moeten zijn omdat anders niet zou kunnen worden verklaard hoe de ingewikkelde, hiërarchische, structuur van taal aangeleerd kan worden. Door het "hebben" van die module zouden kinderen dus eerst taal leren en zou het vermogen tot muziek zich later ontwikkelen. De auteurs verwijzen naar Steven Pinker, die in How the Mind Works (1997) muziek opvatte als een soort auditief gebakje zonder enig biologisch nut. Als nu zou blijken dat muziek nodig is om taal te kunnen leren, dan is dat inzicht daaraan wel volledig tegenovergesteld.

Toevallig is er recentelijk ook How hierarchical is language use? verschenen, waarin Stefan L. Frank, Rens Bod (van de Universiteit van Amsterdam) en Morten H. Christiansen betogen dat het met die ingewikkelde, hiërarchische structuur van taal eigenlijk heel erg meevalt. Ze laten zien dat je inderdaad een hiërarchische structuur aan onze taal kunt onderkennen. Zinsdelen zijn delen van een groter geheel van een zin of van zinsdelen die weer deel zijn van een groter geheel, enzovoort. Maar als je naar het gebruik van taal kijkt, dan kun je zinnen net zo goed, of beter, opvatten als opeenvolgingen van zinsdelen. En volgens de auteurs zijn er veel overwegingen om die sequentiële structuur als fundamenteler te beschouwen.

Als ze gelijk hebben, dan zou dat precies sporen met het inzicht dat muziek vooraf gaat aan de taal, zowel evolutionair (fylogenetisch) als in de individuele ontwikkeling (ontogenetisch). Muziek, een opeenvolging van klanken, zou dan de grondslag hebben gelegd en leggen voor het koppelen van klanken aan betekenissen. Waarmee een sequentiële structuur ontstaat, die zo complex kan worden, dat je er een hiërarchie in kunt aanwijzen.

Blijft nog de vraag waarom wij mensen als enige diersoort muziek en taal kennen. Dat moet er mee te maken  hebben gehad dat wij in onze Paleo Sociale Omgeving onze kinderen coöperatief groot brachten. En dat was nodig geworden door onze toegenomen onderlinge afhankelijkheid. Moeders waren niet langer in staat om het zorgen en groot brengen in hun eentje te doen. Zorg door anderen (allocare) was nodig. Dat betekende een selectie op het vermogen van baby's om niet alleen de eigen moeder, maar ook anderen te engageren. Dus door contact te maken. En in te spelen op het vermogen van volwassenen en oudere kinderen om brabbeltaal schattig te vinden en er op te reageren. Brabbeltaal zou dan als functie hebben om ook van anderen zorg los te krijgen dan van de eigen moeder. Vergelijk dat met de chimpansees, waar moeder en jong heel lang onafscheidelijk zijn en de jongen er het zwijgen toe doen. Andere verzorgers zijn niet nodig, dus waarom zou je ze proberen voor jou te engageren?

Daarmee komt overeen dat de klauwaapjes, die hun jongen ook coöperatief grootbrengen (zie nog eens dit bericht), ook een soort gebrabbel kennen waarmee hun jongen zorg uitlokken. Anders gezegd, de klauwaapjes maken muziek! Alleen is dat bij hen (nog) niet tot een taal geëvolueerd.

Zie hier een aardig filmpje over klauwaapjes: Common Marmosets are Highly Social - YouTube:

'via Blog this'

dinsdag 17 januari 2012

Babies leren taal ook door liplezen

Bij babies gaat vanaf ongeveer zes maanden het gebrabbel over in de eerste lettergrepen en nog wat later in het eerste "mamma" of "pappa". We nemen aan dat dat vooral gebeurt doordat volwassenen veel tegen hen praten. Het bekende "waar is tie dan?" en dat soort pogingen tot communicatie waar we ons gemakkelijk aan overgeven als we een baby voor ons hebben.

Nu hebben onderzoekers uitgevonden dat babies bij het aanleren van hun eerste lettergrepen en woordjes ook gebruik maken van liplezen. Terwijl ze daar voor vooral naar de ogen kijken, gaan ze na omstreeks zes maanden naar de lippen kijken. Zo zullen spiegelneuronen actief worden die imitatie van de mondbewegingen oproepen. Na ongeveer een jaar richten ze zich weer meer op de ogen.

Zie de link onderaan dit bericht. En zie daar een foto van een van de "proefpersonen".

Dit kan een klein verschil zijn, met grote gevolgen, tussen mensenbabies en jongen van klauwaapjes. Het is bekend dat klauwaapjes ook onderling brabbelen en dat hun jongen daar al heel snel mee beginnen. Maar bij hen gaat dat brabbelen niet over in taal. Zie ook dit bericht.

Natuurlijk kun je niet zeggen dat als die klauwaapjes babies nu ook maar zouden liplezen, dat ze dan ook taal zouden leren. Want er moet al taal zijn om dat liplezen zin te verlenen. Het is zo'n voorbeeld van het niet weten wat er het eerst was. En waarschijnlijk is het ontstaan van taal bij mensen in heel kleine stapjes over en weer gegaan. Steeds een iets rijker repertoire van klanken en mondbewegingen (en gelaatsuitdrukkingen) en steeds iets meer aandacht van babies voor mondbewegingen. En ontwikkeling van spiegelneuronen.

Het interessante is dat klauwaapjes, net als mensen, hun kinderen coöperatief grootbrengen, waardoor ze ook net als mensen behoorlijk altruïstisch zijn.
Study: Babies try lip-reading in learning to talk:

'via Blog this'