donderdag 26 september 2019

Mensen hebben inzicht in de negatieve effecten van grote ongelijkheid op het normatieve klimaat (meer statuscompetitie)

Sociaalwetenschappelijk en economisch onderzoek heeft veel aanwijzingen opgeleverd over de sociale en economische nadelen van grote (inkomens- en vermogens-)ongelijkheid. De opsomming van die nadelen, voor zover ze op dit blog zijn langsgekomen, kun je nog eens nalezen in het bericht
Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht.

Veel van die negatieve effecten lijken er mee samen te hangen dat grotere ongelijkheid meer statuscompetitiegedrag uitlokt. Aanwijzingen voor dat laatste vind je in studies waarnaar wordt verwezen in het recent verschenen Economic inequality enhances inferences that the normative climate is individualistic and competitive. Zo zijn mensen in meer ongelijke maatschappijen meer bezig met zichzelf boven anderen te verheffen, zijn ze minder vriendelijk voor elkaar, zijn ze minder bereid om anderen te helpen en vertrouwen ze elkaar minder.

Die nieuwe studie laat zien dat mensen zelf ook inzicht hebben in dat effect van grotere ongelijkheid. De onderzoekers gingen in drie experimenten, uitgevoerd in Spanje, Australië en de Verenigde Staten, na wat mensen zich voorstelden wat het normatieve klimaat zou zijn in een (fictieve) maatschappij met een hoge mate van ongelijkheid vergeleken met een (fictieve) maatschappij met een geringe mate van ongelijkheid.

Daaruit kwam naar voren dat van een meer ongelijke maatschappij verwacht werd dat mensen zichzelf zien als onafhankelijker van elkaar, meer berekenend zijn in hun onderlinge relaties, meer gericht zijn op hun eigen belang dan op het algemeen belang en meer competitie dan samenwerking om zich heen waarnemen.

En omgekeerd: bij minder ongelijkheid zullen mensen zich meer onderlinge verbonden voelen, zullen ze genereuzer zijn in hun onderlinge relaties, zullen ze meer gericht zijn op het algemene belang en zullen ze meer samenwerking dan competitie om zich heen waarnemen.

Wat in onderzoek naar voren komt is iets waar mensen zelf ook vaak inzicht in hebben op grond van hun verzamelde dagelijkse ervaringen. En mensen zijn er dus goed van op de hoogte dat grote ongelijkheid niet goed is voor een gunstig en aangenaam sociaal en normatief klimaat. Dat het verminderen van ongelijkheid een beweging in gang zet in de richting van het gemeenschapsevenwicht.

Waarmee je goed kunt verklaren dat mensen een voorkeur hebben voor de arrangementen van de verzorgingsstaat die de ongelijkheid binnen de perken houden.

En dus over het algemeen linkser zijn dan de huidige politici. Zie (uit 2017): Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen.

dinsdag 24 september 2019

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 18 - Spannende tijden voor de democratie - en meer aanwijzingen voor de eerste twee stappen

In de loop van de negentiende, maar vooral vanaf het begin van de twintigste eeuw, zette zich in veel landen de beweging door in de richting van de democratische staatsvorm. Dat was een uiterst belangrijke ontwikkeling gezien vanuit het verloop tot dan toe van de mensheidsgeschiedenis.

Zie over de plaats van de democratie in die mensheidsgeschiedenis de vorige zeventien berichten op dit blog, die nu bijna een jaar geleden begon met De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1. En hier is het vorige bericht: De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 17 - Over een politieke partij, de Amerikaanse Republikeinen, als verlengstuk van het Grote Geld. Je kunt die reeks, voorwaarts of achterwaarts, volgen door in die berichten op de links naar het volgende dan wel het vorige bericht te klikken.

Ik noemde die ontwikkeling naar de democratie de derde stap in de mensheidsgeschiedenis. De eerste stap bestaat eruit dat onze vroegste voorouders in staat bleken om zich te ontdoen van de sociale vorm van de statushiërarchie als organisatieprincipe van de onderlinge verhoudingen.

Die statushiërarchie, en de statuscompetitie die ermee gepaard gaat, kennen we als de bij de primaten, denk aan de chimpansees, overheersende sociale vorm. Hij staat bekend als het alfa-mannetjes model. Een mannetje vecht zich naar de top van de hiërarchie, beheerst de gang van zaken in de groep en monopoliseert de voortplanting.

Die eerste stap was inderdaad fundamenteel voor het ontstaan van de menselijke soort. Het was een sociale uitvinding, die een antwoord was op de uitdaging waaraan die eerste mensen werden blootgesteld, namelijk dat ze alleen door middel van samenwerken en delen van voedsel konden overleven. Dat lukte alleen door de ongelijkheid in de groep binnen de perken te houden, dus door een egalitaire samenlevingsvorm. En dus door de neiging tot statuscompetitie, die natuurlijk nog steeds aanwezig was, individueel en collectief te onderdrukken.

Dat laatste lukte door statuscompetitiegedrag af te keuren en er, collectief, als dat nodig was met sancties op te reageren. En als dat nodig was, met sociale uitsluiting of zelfs fysiek geweld tot executie aan toe. Denk wat dat laatste betreft aan Richard Wrangham's The Goodness Paradox. The Strange relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Die collectieve onderdrukking bracht op den duur met zich mee dat geselecteerd kon worden op de vermogens om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag bij het opgroeien in de groep gemakkelijk aan te leren. Je hoort anderen als gelijken te beschouwen, je hoort met anderen rekening te houden, je hoort je voor anderen en voor de groep in te spannen en je hoort bij te dragen aan de sociale harmonie. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid van jagers-verzamelaars.

Daar kwam, zoals we zagen, verandering in bij de overgang naar de landbouwsamenlevingen, ongeveer 8000 tot 10.000 jaar geleden. Dat was de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Uit het vierde bericht in deze reeks:
De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.
Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.
Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.
Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.
Waarna dus nog maar heel recent de derde stap in de mensheidsgeschiedenis zich begon te voltrekken, de overgang naar de democratie op het niveau van de nationale staten. En nog recenter de internationale erkenning van mensenrechten. Beide als collectieve pogingen om die nog steeds bestaande morele gemeenschapsintuïties van samenwerking en delen en gelijke rechten opnieuw vorm te geven. Nu niet in de kleine groep van jagers-verzamelaars, maar op het niveau van nationale staten en van de wereldbevolking.

En vandaag de dag maken we mee of die derde stap wel of niet bestendig is. Zal de democratie zich weten te handhaven? Nu hij in allerlei landen bedreigd wordt. In het Verenigd Koninkrijk is er vandaag het vonnis van het Hooggerechtshof dat het naar huis sturen van het parlement door de regering-Johnson onwettig was en moet worden beschouwd als niet te hebben plaats gevonden. In de Verenigde Staten zit de lang verwachte afzettingsprocedure van "president" Trump er nu aan te komen.

Ontwikkelingen die hoopvol stemmen, maar de tijden zijn spannender dan je zou wensen.

Laten we maar even weer afstand nemen en terugkijken op de grote lijn en dus op die eerste twee stappen in de mensheidsgeschiedenis.

Een mooi overzicht van alle aanwijzingen die er bestaan voor die stappen, voor die egalitaire verhoudingen in de jagers-verzamelaarsgroepen en voor de terugval in de statuscompetitie en -hiërarchie, dus in de ongelijkheid en de despotie van de landbouwsamenlevingen, valt te lezen in Making and unmaking egalitarianism in small-scale human societies van Chris von Rueden.

De meeste daarvan zijn hier op dit blog al eens langsgekomen. Maar misschien kom ik er nog een kee rop terug.

zondag 22 september 2019

Zondagochtendmuziek - Miles Davis Quintet - Germany 1967-11-07

Na de zondagochtendmuziek van vorige week vroeg ik me af of  er meer opnamen van het Miles Davis Quintet uit de jaren 60 van de vorige eeuw beschikbaar zijn.

En ja, dat is wel degelijk het geval. Hier opnamen uit 1967, kennelijk gemaakt in West-Duitsland en Zweden. Wel met een andere samenstelling: naast Miles met de grootheden Wayne Shorter op de tenorsax, Herbie Hancock aan de piano, Ron Carter, bas en Tony Williams, drums.

Jazz op zijn allerbest.

donderdag 19 september 2019

Waarom stagneren de lonen? Er is nog veel verborgen werkloosheid

Hoe komt het dat in veel landen de werkloosheid sinds de jaren na de Grote Financiële Crisis flink gedaald is en dat toch de lonen niet of nauwelijks zijn gestegen? (En dat daarmee samenhangend de inflatie maar niet echt wil toenemen?) Je zou immers verwachten dat dalende werkloosheid leidt tot een grotere krapte op de arbeidsmarkt, die maakt dat werkgevers hogere lonen moeten aanbieden om werknemers aan te kunnen trekken.

Dat de lonen toch stagneren, zou eraan kunnen liggen dat die werkloosheid minder gedaald is dan uit het meestal gehanteerde werkloosheidscijfer (wel of geen betaald werk hebben) naar voren komt. Want dat cijfer houdt geen rekening met de verborgen werkloosheid, die eruit bestaat dat er mensen zijn die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken. Dat kunnen werkende armen zijn die graag uit hun armoede zouden willen ontsnappen. In de Engelstalige literatuur wordt die verborgen werkloosheid aangeduid met underemployment.

Vandaag vraagt Norbert Häring daar aandacht voor: Wie unfreiwillige Teilzeitarbeit die Reservearmee der Arbeitslosen ersetzt.

Daarin verwijst hij naar het NBER-paper Underemployment in the US and Europe, dat al een jaar geleden verscheen, maar nu als artikel uitkomt in de Industrial and Labor Relations Review. David N.F. Bell en David G. Blanchflower laten daarin voor de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en veel van 25 andere Europese landen zien dat weliswaar de werkloosheid is teruggekeerd op het niveau van voor de crisis, maar dat zulks niet geldt voor de verborgen werkloosheid.

En bovendien blijkt dat een verklaring te zijn voor die achterblijvende loongroei. Want als je met die verborgen werkloosheid rekening houdt, dan is die achterblijvende loongroei precies wat je zou verwachten.

Het valt anders gezegd nogal mee, of eigenlijk tegen, met die krapte op de arbeidsmarkt. De echte werkloosheid, dat wil zeggen de niet-gerealiseerde vraag naar uren arbeid, is veel hoger dan uit het eenvoudige werkloosheidscijfer blijkt. Vooral in landen waarvan gezegd wordt dat "het nu beter gaat", zoals in Italië, Spanje, Portugal en Ierland, is dat het geval. Zo veel beter gaat het dus helemaal niet.

We kennen dus nog in hoge mate het verschijnsel van het industriële reserveleger, zoals Karl Marx dat beschreef in zijn Das Kapital (1867).

Of we kennen het weer, want het na-oorlogse sociaaleconomische beleid was tot in de jaren 70 immers nog gericht op de doelstelling van de volledige werkgelegenheid. Een beleid waarmee dat vernederende en inhumane reserveleger voorgoed tot de geschiedenis zou gaan behoren. Zie nog eens het bericht van begin vorig jaar: De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Update. Ook voor Nederland geldt dat de verborgen werkloosheid een verklaring vormt voor de achterblijvende loongroei. Zie De Nederlandse loon-Phillips-curve opnieuw bekeken.

woensdag 18 september 2019

Waarom het niet klopt dat we nu kunnen investeren doordat we in het verleden zo goed hebben bezuinigd

Dit is een vervolg op het bericht van gisteren: Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.
Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei

Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu geld lenen om te investeren.

Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. 

In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. 

Maar denk ook aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet meer worden hersteld.

dinsdag 17 september 2019

Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

Update. Zie nu ook deze mooie analyse van de achtergronden van de in Duitsland, eindelijk, oplaaiende discussie over de zinvolheid van het beleid gericht op begrotingsevenwicht (de Duitse bezuinigingszeepbel): German rebalancing—out of exit options.
Update. Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei. Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu investeren.
Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. En denk aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet worden hersteld.
Sinds 2011, het jaar dat ik dit blog begon, staan er berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel. Die term sloeg op het sociale verschijnsel dat politici en beleidsmakers in veel landen na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 een obsessie ontwikkelden met begrotingstekorten van de overheid en gingen uitdragen dat overheden zo veel en zo snel mogelijk moesten bezuinigen als antwoord op de door Crisis ontstane problemen.

Ik noem dat een sociaal verschijnsel, omdat die opvatting niet spoorde met wat de economiehandboeken voorschreven. Er was geen rechtvaardiging voor die consensus te vinden in de mainstream van het vak economie. Denk aan wat Nobelprijswinnaar Paul Krugman allemaal heeft geschreven over de economische ongeletterdheid van de voorstanders van bezuinigen. Een mooi overzicht daarvan lees je in zijn What Have We Learned From The Crisis?

En denk in ons land aan de pogingen van econoom en VVD-lid wijlen Johan Witteveen (ex-minister van Financiën en ex-voorzitter van het IMF) om Mark Rutte en andere VVD-voormannen er van te overtuigen dat hun verhaal over het overheidstekort niet klopte. Het meest dodelijke daarvan, voor die VVD-voormannen, was wel dat ze volgens Witteveen wisten dat het verhaal niet klopte, maar er toch naar handelden. Zie, uit 2012: Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie".

En denk in ons land aan alle pogingen van Bas Jacobs om de voorstanders van bezuinigen als remedie tegen de gevolgen van de crisis op andere, en betere, gedachten te brengen. Uit 2016: Bas Jacobs: De vraag moet zo krachtig worden gestimuleerd dat overbesteding en inflatie ontstaat.

Er leek dus het verschijnsel van de sociale zeepbel ten grondslag te liggen aan die merkwaardige consensus onder politici, in Nederland, in Duitsland, in Groot-Brittannië en in de Eurogroep van ministers van Financiën van de eurozone, dat juist nu de overheidstekorten zo snel mogelijk moesten worden teruggedrongen. Bij gebrek aan economische geletterdheid kregen degenen die het eerst en het hardst riepen bijval van anderen, waardoor nog weer anderen zich daarbij aansloten, want als zoveel mensen iets roepen, dan zal dat wel kloppen. Zie nog eens mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat die sociale zeepbel zo maar uit het niets kon ontstaan en groeien. Er lagen ook wel degelijk belangen (het Grote Geld) en ideologische overtuigingen (de ideologie van de kleine overheid) aan ten grondslag.

Maar als het goed is, loopt een sociale zeepbel op den duur leeg, doordat hij niet is opgewassen tegen de feiten en de feitelijke ontwikkelingen. Dat is met de bezuinigingszeepbel nu al een poos aan de gang. Zo is in Duitsland, nota bene het land van het huishoudboekje van die schwäbische Hausfraude discussie opgelaaid over de zinvolheid van het in de Grondwet vastgelegde (!) beleid van de Schuldenbremse of de schwarze Null.

En in Nederland? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

zondag 15 september 2019

Zondagochtendmuziek - Miles Davis with John Coltrane- March 21, 1960 Olympia Theatre, Paris

Gisteravond in de bioscoop de documentaire Miles Davis - Birth of the Cool gezien.

Sociaalwetenschappelijk gezien zet die natuurlijk aan het denken over wat het met iemand doet als hij een celebrity wordt. Hoe moeilijk is het om met de uitdagingen daarvan om te gaan en om desondanks een goed leven te leiden. En om goede muziek te maken en te blijven maken.

Je kunt daar natuurlijk verschillend over oordelen, maar mij lijkt dat Miles Davis zijn beste muziek maakte in de tijd van zijn Miles Davis Quintet, met John Coltrane, tenorsax, Wynton Kelly, piano, Paul Chambers, bas en Jimmy Cobb, drums.

Dit is uit 1960 in het Olympia in Parijs. Het is wel te snappen dat je in de problemen komt als je het hierna nog beter wilt doen.

donderdag 12 september 2019

Hoe te verklaren dat de Tinbergen-norm voor een rechtvaardige inkomensverdeling zo maar werd losgelaten?

Het is vijftig jaar geleden dat Jan Tinbergen (1903 - 1994), samen met Ragnar Frisch, de eerste Nobelprijs voor Economie ontving. Naar aanleiding daarvan wordt, terecht, her en der stilgestaan bij de invloed die zijn werk heeft gehad en nog heeft.

In ESB gaan Roelof Bos en Gelijn Werner in op de normatieve kant van zijn werk, op de normen en vuistregels waar overheden zich op zouden behoren te oriënteren om het welzijn van mensen te bevorderen: Normatieve kant van Tinbergen heeft flinke stempel op beleid gedrukt.

Een van de normen waar het om gaat is die van een rechtvaardige, en dus behoorlijk egalitaire,  inkomensverdeling. Er ging in de politiek een tijd lang een concretisering van die norm rond die inhield dat de verhouding tussen het inkomen van de laagstbetaalde en hoogstbetaalde niet zou behoren uit te gaan boven de 1:5. Maar die schijnt niet van Tinbergen zelf afkomstig te zijn.

Hoe dan ook, de norm van een rechtvaardige of redelijke inkomensverdeling is in (het denken over) de sociaaleconomische politiek enige tijd gemeengoed geweest. Maar dat is veranderd. Bos en Werner:
Sinds de jaren zeventig is de inkomensverdeling steeds sterker uiteen gaan lopen. Veranderingen in de structuur van de wereldeconomie, zoals globalisering en technologische ontwikkelingen, alsook de opkomst van het neoklassieke denken bij politici in de jaren tachtig en negentig, leidden ertoe dat de doelstelling van een gelijkmatige inkomensverdeling naar de achtergrond verdween.
Niet alleen dus als gevolg van structurele ontwikkelingen in de economie, maar ook door veranderingen in het denken van politici.  Het neoklassieke denken won aan invloed en kreeg vorm in wat we nu vrijuit de neoliberale politieke ideologie noemen. In die ideologie is gelijkheid niet een na te streven toestand.

De markt moet immers zijn werk doen en de inkomensverdeling is een resultante daarvan. Dat zette de bekende golf van privatisering, deregulering en terugtredende overheid in. Onderdeel van die golf was ook dat de hoogste tarieven in de inkomstenbelasting fors werden verlaagd. Tinbergen werd vergeten of zelfs doelbewust aan de kant geschoven.

Nu, in 2019, vragen we ons af hoe dat zo gemakkelijk heeft kunnen gebeuren. Tot de jaren zeventig was een rechtvaardige inkomensverdeling als sociaal-economisch beleidsdoel onomstreden. En daarna was het alsof hij nooit had bestaan. Hoe kan dat?

Dat zou ermee te maken kunnen hebben dat die norm voor een rechtvaardige inkomensverdeling nooit goed onderbouwd is. Niet door Tinbergen en niet door het vak economie.

Dat komt ook naar voren uit hoe Bos en Werner erover schrijven. Want daarin gaat het over twee mogelijke onderbouwingen voor die norm: "een persoonlijk waardestelsel" en "een economische analyse". Naast die economische analyse, die wijst op economische nadelen van te grote ongelijkheid, zou er dus alleen maar dat persoonlijke, en dus "willekeurige", waardestelsel zijn.

Ja, als dan dat neoklassieke denken ineens aan invloed wint, en die economische nadelen terzijde schuift, dan is er alleen nog het persoonlijke waardestelsel dat groeiende ongelijkheid zou kunnen tegenhouden. En dat is natuurlijk een zwak tegenwicht, want tegenover de waarden van de ene persoon staan die van de andere.

Maar er is natuurlijk naast die economische analyse ook een sociaalwetenschappelijke. Of die had er kunnen zijn, als de sociologie een maatschappelijk belangrijker was geweest.

Een vak met de empirisch onderbouwde beleidsdoelstelling om bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht tot stand te brengen en om bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht te vermijden.  Zie het bericht Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat (deel 10 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden?).

Een vak dus dat er met kracht van empirische argumenten op had kunnen wijzen dat een toename van ongelijkheid krachten in werking zet die de samenleving stuurt in de richting van het statuscompetitie-evenwicht, het evenwicht dat naar menselijk welzijn inferieur is aan het gemeenschapsevenwicht. Zie Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht  (deel 11 van diezelfde reeks).

De les is dus dat er naast een vak economie een vak nodig is dat een sociaalwetenschappelijk gefundeerde beleidsdoelstelling kan verschaffen. Zodat er naast een economische analyse meer bestaat dan "een persoonlijk waardestelsel".

dinsdag 10 september 2019

Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie

Charlotte Bouwman twitterde op 4 augustus:
Ik praat heel vaak door mensen heen. Onbewust. Waarom? Geen idee. Denk een mix van enthousiasme, angst voor stilte, snel denken en geen geduld. Wie heeft dit ook? Iemand tips?
Net zoals veel van degenen die hierop reageerden, herkende ik dat. Dat wil zeggen, ik herkende het verschijnsel van door elkaar heen pratende mensen.
Zelf praat ik niet graag door anderen heen. Het voelt niet goed om iemand te onderbreken. En natuurlijk ook niet om zelf te worden onderbroken. Ik ben geloof ik wel een goede toehoorder.
Wat je Charlotte moet toegeven is dat ze het als een probleem ziet. Ze zou het liever niet doen. Maar kennelijk heeft ze het vaak al gedaan voor ze het zich realiseert. En ze zou het liever minder doen.

Hoe komt het dat we vaak door elkaar heen praten? De eerste reactie op de tweet van Charlotte wijst op een mogelijk antwoord:
Een 'gewoon' groepsgesprek is vaak niets meer dan een wedstrijd om aandacht. Je kan voorstellen de spreekstok in te voeren, zoals bij de Indianen. Of een gespreksleider wil ook weleens helpen.
Een reactie verderop gaat in dezelfde richting:
Het is vaak ook onzekerheid volgens mij: het (onbewuste) idee dat je je moet laten gelden.
Het zou kortom kunnen zijn dat het door elkaar heen praten een verschijningsvorm is van onze neiging tot statuscompetitie. We zijn bang niet genoeg aan bod te komen. Dat anderen ons niet zien staan. Degene die het woord voert, heeft daarmee de aandacht, want anderen luisteren. Die aandacht heb jij dan dus niet.

O jee, dat zou zo kunnen worden opgevat dat jij minder voorstelt. Dat er in de groep het begin van een statushiërarchie bezig is te ontstaan, waarin jij misschien wel ergens onderaan belandt. Hoe voorkom je dat? Door je te laten gelden. Door tenminste dezelfde status te claimen als degene die op dat moment het woord voert. En het enige middel om dat te doen is om hem of haar te onderbreken.

Of om dat te proberen. Want als hij of zij zich niet laat onderbreken, dan zijn we bezig met door elkaar heen praten. Wat we dus zo vaak doen.

Als deze "analyse" iets voorstelt, dan zijn er twee situaties waarin we niet of minder door elkaar heen praten, die van de gevestigde, stabiele statushiërarchie en die van het ontbreken van statuscompetitie.

Als de statushiërarchie gevestigd is, dan is vooral degene aan het woord met de hoogste status en de anderen luisteren. Als ze al iets zeggen, dan is dat onderdanige bijval. In het geval dat er nog twee gegadigden zijn voor de top, dan zie je steevast, althans naar mijn ervaring met het universitaire leven, dat als de een het woord gevoerd heeft, de ander daar meteen op volgt.

Maar in een gesprek tussen goede vrienden kan de statuscompetitie ook geheel ontbreken. Er is dan niet meer de strijd om aandacht, want iedereen weet zich geaccepteerd. Die veiligheid maakt het mogelijk om in elkaar geïnteresseerd te zijn. Er kunnen zelfs stiltes vallen.

Waarmee verklaard is dat Charlotte Bouwman liever minder door mensen heen zou willen praten. Ze zou veel liever vaker gesprekken voeren met goede vrienden en vriendinnen, waarin onderlinge acceptatie vanzelfsprekend is. Waarin je in elkaar geïnteresseerd bent.

zondag 8 september 2019

Zondagochtendmuziek - Bach - Cantate Mein Herze schwimmt im Blut BWV 199 - Julia Doyle, Bernardini | Nederlandse Bachvereniging...

Bachs cantate Mein Herz schwimmt im Blut (BWV 1999) is gecomponeerd op een tekst waar je niet heel vrolijk van wordt. Neem de eerste zeven regels:
Mein Herze schwimmt im Blut,
weil mich der Sünden Brut
in Gottes heilgen Augen
zum Ungeheuer macht;
und mein Gewissen fühlet Pein,
weil mir die Sünden
nicht als Höllenhenker sein.
En zo gaat het nog een poosje door. Ik ben slecht en bega grote zonden.

Maar in het vervolg is er een verlossing, want omdat ik toch ootmoedig en vol berouw ben en mijn zonden en schuld beken, mag ik rekenen op Gods genade:
Wie freudig ist mein Herz,
da Gott versöhnet ist
und mir auf/nach Reu und Leid
nicht mehr die Seligkeit
noch auch sein Herz verschliesst.
De cantate illustreert, tekstueel en muzikaal, hoe het christelijk geloof, dat immers de morele gemeenschapsintuïties van samenwerken en delen aanbeveelt, probeert het probleem op te lossen van het bestaan van die andere kant van de menselijke sociale natuur, de geneigdheid tot de wandaden van de statuscompetitie (egoïsme, zelfverheffing, verraad). Die andere kant is er nu eenmaal, dat valt niet te ontkennen, maar als we ons van dat kwaad bewust zijn en berouw tonen dan is verzoening en verlossing mogelijk.

John Elliott Gardiner schrijft over deze cantate in zijn Bach. Muziek als een wenk van de hemel (p.550):
Wat Bach ons hier voorzet is niet zozeer een preek als wel een uitbeelding van de complexe psychologische en emotionele ontwikkeling van een individu in gewetensnood.
Waarna Gardiner prachtig analyseert hoe Bach die tekst en de achterliggende ideeën en emoties muzikaal vormgeeft.

Gisteren kreeg deze sopraancantate een prachtige uitvoering in de Utrechtse Domkerk door Tanja Obalski en Concerto da Fusignano onder leiding van Sascha Mommertz. (Want de zaterdagmiddagconcerten in de Domkerk zijn weer begonnen!)

En hier is de uitvoering door de Nederlandse Bachvereniging in de Waalse kerk in Amsterdam, met sopraan Julia Doyle. Die is eigenlijk niet te overtreffen.