Posts tonen met het label zelf-organisatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zelf-organisatie. Alle posts tonen

maandag 20 januari 2020

In een vluchtige maatschappij hebben mensen ontmoetingsplekken nodig

Update. Er is nu het bericht in het AD dat de gemeente Arnhem jaarlijks een half miljoen uittrekt om ontmoetingsplekken in buurten te stimuleren. "Dat de gemeente geld steekt in ontmoetingsplekken komt niet uit de lucht vallen. In bijna alle bestaande plannen die er al zijn voor de leefbaarheid in wijken geven Arnhemmers zelf aan dat zij het belangrijk vinden dat er in de buurt een gelegenheid is om elkaar tegen te komen en dat dit beter is dan langs elkaar heen leven of in een isolement te geraken."
Een sociaal vluchtige samenleving als de onze, waarin het moeilijk is om op volwassen leeftijd nog nieuwe vrienden te maken en waarin dus eenzaamheid voor velen op de loer ligt, vraagt om woonomgevingen waarin mensen elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Want hoe vaker je iemand ontmoet, hoe groter de kans dat er een vertrouwde relatie groeit en mensen voelen zich in vertrouwde relaties beter dan in vluchtige.
Zo begon mijn laatste bericht over het belang van ontmoetingsplekken voor mensen:
Ontmoetingsplekken dichterbij zorgen voor minder sociaal isolement en meer vertrouwen in andere mensen. Met daarin een verwijzing naar onderzoek waaruit dat belang blijkt.

In een vluchtige samenleving is het niet gegarandeerd dat mensen op dagelijkse basis in contact komen met vertrouwde anderen. Bij de fysieke en ruimtelijke inrichting van onze maatschappij hebben we met die menselijke basisbehoefte aan vertrouwde contacten te weinig rekening gehouden.

Sterker, in het naoorlogse sociaalwetenschappelijke denken heerste de opvatting dat die basisbehoefte als ouderwetse "territoriale integratie" naar de geschiedenis kon worden verwezen en succesvol zou kunnen worden vervangen door de nieuwe en eigentijdse 'functionele integratie". Zie nog eens het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde.

In lijn met die manier van denken hebben we Nederland sindsdien zo ingericht dat allerlei voorzieningen ruimtelijk geconcentreerd werden, vaak gepaard gaande met schaalvergroting, en dat wonen en werken ruimtelijk werden gescheiden. Dat was een proces waarin vergaand werd tegemoet gekomen aan de eisen en overwegingen van de markt en voor de economische welvaart. En waarin weinig oog was voor die "ouderwetse" sociale behoeften en dus voor sociale welvaart.

Daardoor zijn mensen meer in buurten en dorpen komen te wonen waarin ze elkaar niet zo goed kennen. Omdat ze moeten verhuizen in verband met baan en carrière. Of doordat ze meer tijd kwijt zijn aan woon-werk verkeer. Dat alles heeft eraan bijgedragen dat het moeilijker is geworden om sociale contacten te behouden. Vandaar dat we dat probleem van eenzaamheid kennen en van de psychische problemen die deels daarmee samenhangen (depressie, angststoornissen).

Als we meer vooruitziend waren geweest, en als de sociale wetenschappen daarbij hadden geholpen, dan hadden we er voor gezorgd dat mensen er op kunnen rekenen dat ze in hun woonomgeving een ontmoetingsplek tot hun beschikking hebben. Want we weten dus dat die helpen bij het met elkaar in contact komen. Elk buurtje en elk dorp zou als basisvoorziening een ontmoetingsplek dienen te hebben. Maar de markt zorgt daar niet voor. En de overheid laat het afweten.

Vandaar dat er nu zo nu en dan berichtjes in het nieuws komen over buurt- of dorpsbewoners die er samen in slagen, als een vorm van zelforganisatie, om zo'n ontmoetingsplek te creëren of in stand te houden.

Vorige week was dat het bericht in de Volkskrant van Jurre van den Berg over de inwoners van het Drentse dorp Langelo, die verenigd in een stichting er voor gezorgd hebben dat er in het dorp een café blijft bestaan: In Langelo beheert het dorp het laatste dorpscafé: de ziel is gered. En er was het bericht dat de inwoners van het Groningse dorp Sauwerd, verenigd in een coöperatie, de supermarkt in stand hebben weten te houden: NOS bezoekt Sauwerd vanwege strijd tegen leegloop: saamhorigheid in Sauwerd een voorbeeld voor andere dorpen.

Dat zijn mooie berichten. Maar je denkt meteen aan al die dorpen en buurten waarin zulke initiatieven niet lukken of niet eens op gang komen. En die dus niet het nieuws halen. En dat zijn dus precies die plekken waar de kans op eenzaamheid het grootst is.

Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke gemeente het standaard tot haar taken rekent om er voor te zorgen dat mensen in hun woonomgeving kunnen rekenen op de aanwezigheid van een ontmoetingsplek. Als dat zou lukken, dan zou het wel eens kunnen dat het huidige eenzaamheidsbeleid grotendeels overbodig wordt.

dinsdag 28 mei 2019

Waarom zou je de euro laten voortbestaan als die niet gebruikt wordt om de welvaartswinsten die mogelijk zijn ook te realiseren?

Hoe staat het er eigenlijk voor met de eurocrisis? Mijn laatste bericht daarover dateert al weer van ruim een jaar geleden: Paul de Grauwe herinnert er nog eens aan dat de euro zonder gezamenlijke aansprakelijkheid niet levensvatbaar is.

Zijn er intussen maatregelen genomen om die crisis op te lossen? Nee, dat is duidelijk niet het geval. Hoewel er niet meer de acute vrees bestaat dat de muntunie uiteen zal vallen, zijn de onderliggende problemen bepaald niet opgelost.

De EMU (Economische en Monetaire Unie) werd opgezet in de jaren 90 van de vorige eeuw en werd bezegeld met het Verdrag van Maastricht in 1992. Dat was in de hoogtijdagen van het neoliberalisme.
Het was toen nog niet bon ton om dat woord te gebruiken, vanwege de toen heersende mening dat het hier niet ging om een ideologie, maar om een stelsel van objectieve economische inzichten. Daar is bijna iedereen ondertussen anders over gaan denken.
Dat hield in dat allerwegen de overtuiging heerste dat alle economische problemen konden worden opgelost door "hervormingen". Hervorming was het toverwoord en iedereen knikte instemmend als dat woord voorbijkwam. Het ging erom dat meer op de werking van de markt moest worden vertrouwd en minder op wat de overheid zou kunnen doen. Niet alleen moest de overheid een kopje kleiner worden gemaakt, ook moest het inzicht dat de overheidsbegroting een stabiliserende functie voor de economie zou kunnen hebben, overboord worden gezet.

Met die "hervormingen" en een verbod op hoge begrotingstekorten, zoals vastgelegd in dat Verdrag van Maastricht, zou alles goed komen. En voor het monetaire beleid betekende een en ander dat alles erop gericht moest zijn om de inflatie op of dicht tegen de 2 procent te houden. Een werkgelegenheidsdoelstelling was taboe, want het waren immers die "hervormingen" die daar voor zouden zorgen. Bovendien was oplopende werkloosheid soms nodig om de lonen te laten dalen en dat was weer nodig om "concurrerend" te kunnen zijn.

De onvolkomenheden in deze redeneringen kwamen hardhandig aan het licht bij het uitbreken van de Grote Financiële Crisis in 2008 - 2010. Ik citeer even uit dat vorige bericht over de ontwerpfout waar Paul de Grauwe op wees:
Na de introductie van de euro ontstond de indruk, die ook niet werd weersproken, dat de obligaties van de eurozonelanden allemaal even veilig waren. Daardoor ontstonden er grote kapitaalsstromen naar de zuidelijke eurolanden. Denk aan de prachtige tolwegen die in Spanje werden aangelegd, waar nauwelijks op wordt gereden.
Toen de crisis uitbrak, bleek ineens dat de leningen aan die landen niet gegarandeerd werden. Ze hadden immers geen eigen centrale bank meer en de Europese Centrale Bank mocht niet te hulp schieten. Het had toen misschien nog goed kunnen worden opgelost, met wat goede wil van Duitsland en Nederland. Maar het werd al snel duidelijk hoe de zaken er voor stonden na de verklaring van Angela Merkel dat elk land afzonderlijk, en niet Europa gezamenlijk, garant moest staan voor zijn financiële instituties. Geen gezamenlijke aansprakelijkheid, dat was de voorwaarde waaronder Duitsland met de euro akkoord was gegaan.
Goed doordacht was dat natuurlijk niet. Want toen kwamen de problemen. De kapitaalsstromen gingen retour naar de landen die de fondsbeheerders veilig vonden, dus naar Duitsland en Nederland. Die daardoor heel lage rentes konden gaan betalen, waar snel stijgende rentes voor de zuidelijke landen tegenover stonden. Er kwam een run uit de landen die als zwak werden gezien. Zo zwak waren ze ook weer niet, maar waarom zou je hun obligaties opkopen als je binnen dezelfde muntunie ook bij veiliger landen terecht kunt?
Die run had tot het uiteenvallen van de euro kunnen leiden, als niet Mario Draghi had ingegrepen met zijn whatever it takes. Waar Duitsland en Nederland zich wel bij moesten neerleggen.
Maar het probleem zelf is daarmee niet afdoende opgelost.
Dat laatste blijkt er bijvoorbeeld uit dat, in tegenstelling tot de oorspronkelijke convergentiedoelstelling, de economieën van de centrale en de zuidelijke eurozonelanden na 2008 sterk uiteen zijn gaan lopen (zijn gaan divergeren). Die ontwikkeling van hoge werkloosheid, armoede en stagnatie in Italië, Griekenland, Portugal en Spanje tegenover economische groei in Duitsland en Nederland wordt uitgebreid geanalyseerd door Philip Poppitz in Multidimensional inequality and divergence: The Eurozone crisis in retrospect, dat besluit met:
Because divergence seems to be remaining high, European policies aimed at economic convergence and social cohesion are needed now more than ever. Otherwise, doubts as to the perspectives of the euro will continue to arise, and macroeconomic policies for the whole euro area will face increasing policy trade-offs amid the high heterogeneity within the monetary union.
En zie in het bijzonder ook deze analyse van Servaas Storm van de stagnatie van de Italiaanse economie sinds 2009: Lost in deflation:Why Italy’s woes are a warning to the whole Eurozone. Waarin hij erop wijst, tegen de heersende opinie in, dat die stagnatie er vooral ook aan moet worden toegeschreven dat de Italianen wat betreft de naleving van de regels van de eurozone (bezuinigingen en hervormingen) roomser dan de Paus zijn geweest. Het waren immers Italiaanse economen die de boodschap verkondigden dat door bezuinigingen de economie snel weer zou gaan groeien. Zie De oorsprong van de bezuinigingszeepbel uit 2012.

Dat er echt wat moet veranderen in de opzet van de muntunie lijkt nu eindelijk in bredere kring door te dringen. Die oorspronkelijke ontwerpfout bestaat eruit dat landen hun eigen centrale bank hebben opgegeven en dat de ECB, die daarvoor in de plaats is gekomen, alleen beleid mag voeren voor de eurozone als geheel.

Dat betekent dat er zich in tijden van crisis zogenaamde landenspecifieke schokken kunnen voordoen. Zoals omschreven in het citaat hierboven over Paul de Grauwe. Door toetreden tot de euro zijn landen de aanpassingsmechanismen kwijtgeraakt van begrotingspolitiek, wisselkoersen en eigen monetair beleid. De Grauwe pleit daarom voor risicodeling tussen eurozonelanden.

Dat kan op verschillende manieren. László Andor, die van 2010 tot 2014 lid was van de Europese Commissie , pleit al langer voor een basis werkloosheidsverzekering voor de eurozone, die landen zou helpen om schokken op te vangen.

Maar nu is vooral een budgettaire stabilisatiefunctie in discussie, inhoudende dat de eurzonebegroting wordt uitgebreid met een schokfonds, waarin landen elk jaar geld inleggen waaruit kan worden uitgekeerd aan landen die in tijden van crisis in de problemen zijn gekomen.

Het voorstel van zo'n schokfonds is al vorig jaar gedaan door het IMF. Ons eigen Centraal Planbureau heeft zich nu gebogen over de mogelijkheden van zo'n schokfonds: Een budgettaire stabilisatiefunctie.

Het CPB laat zien dat zulke landenspecifieke (asymmetrische) schokken veel voorkomen en dat landen inderdaad slecht zijn toegerust om ze geheel zelfstandig op te vangen. En dat zulks een groot verschil is met een normale muntunie, zoals die bestaat tussen de staten van de Verenigde Staten.

De conclusie is dan ook dat het goed zou zijn om ook de euro meer vorm te geven als een normale muntunie. Dat wil zeggen, het CPB komt tot de conclusie dat invoering van een schokfonds welvaartsverhogend is.

Maar het valt op dat daar meteen aan wordt toegevoegd dat invoering  niet nodig is voor het voortbestaan van de euro.

Want er zijn ook andere, deels al bestaande middelen. De bankenunie en kapitaalmarktunie kunnen vervolmaakt worden. En er zijn al uitzonderingsclausules op de begrotingsregels en er is het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM).

Maar om daar voor in aanmerking te komen moeten landen natuurlijk weer aan de voorwaarden voldoen van de "solide begrotingspositie".

Ik vind het eigenaardig. Want waarom zou je de euro laten voortbestaan als die niet gebruikt wordt  om de welvaartswinsten die mogelijk zijn ook te realiseren?

Ook het CPB gaat kennelijk nog uit van die neoliberale fantasie dat met een "solide begrotingspositie" altijd alles goed komt. En dat bezuiniging dus altijd de aangewezen weg is om uit de problemen te komen. De gevolgen daarvan voor de vraag en dus voor de kans op langdurige stagnatie, zoals Servaas Storm die beschrijft voor Italië, nee, die blijven buiten beschouwing.

Maar toch, mooi dat er nu eindelijk discussie is over wat er echt nodig is om de euro goed te laten werken. Met echt oog voor de te boeken welvaartswinsten, ook voor de landen die er tot nu toe zo bekaaid afkomen.
De problemen met de euro zijn juist ook sociaalwetenschappelijk interessant, want het gaat hier om een probleem van zelforganisatie, niet tussen personen, maar tussen nationale staten. Zie nog eens, uit 2012, De eurocrisis als voorbeeld van falende zelf-organisatie.

vrijdag 1 maart 2019

Voor een aangenamere maatschappij zijn er meer gelegenheden nodig voor samenwerking - van internationale samenwerking tot lokale zelf-organisatie

Willen we naar een aangenamere maatschappij, dan is het zaak om ons er rekenschap van te geven dat mensen zijn ingesteld op samenwerken en delen met anderen. Naast die instelling voor gemeenschapsgedrag is er natuurlijk ook de natuurlijke neiging tot statuscompetitie, maar die brengt ons niet naar een aangename maatschappij. Als we van die samenwerkingsbereidheid willen profiteren, dan moeten mensen voldoende in de gelegenheid zijn om in samenwerkingsverbanden te opereren. Zijn die er niet, dan leven mensen langs elkaar heen of schieten ze zelfs in de statuscompetitiemodus.

Gelegenheden tot samenwerking en delen kunnen in onze huidige maatschappij op verschillende niveau's bestaan. Er is het internationale niveau van de samenwerking tussen staten, van de Verenigde Naties en van de mensenrechtenverdragen. Uiterst actueel en belangrijk nu er de dreigingen zijn van de klimaatverandering.

En op het nationale niveau is het belangrijk dat het bevorderen van de onderlinge solidariteit in de vorm van de verzorgingsstaat goed herkenbaar is in het politieke speelveld. De sociaal-democratie. die precies daarvoor ooit in het leven werd geroepen, heeft zich in de hoogtijdagen van het neo-liberalisme en de "Derde Weg" slecht van die taak gekweten, maar daar lijkt verandering in te komen. Denk aan de laatste berichten over de ontwikkelingen in de Duitse SPD, aan Labour in Engeland en aan de opkomst van de jonge, "socialistische", Democraten (Ocasia-Cortez!) in de Verenigde Staten. (En de PvdA?)

Maar er is natuurlijk ook het lokale niveau van buurten en dorpen. Je zou kunnen denken dat het ook op die hogere niveau's nooit wat wordt als we op dat lokale niveau al langs elkaar heen leven.

Gelukkig dringt het besef door dat samenwerking en zelf-organisatie (buurtzelfbeheer) juist ook op dat lokale niveau van groot belang zijn. Denk nog even aan het bericht Van het afscheid van de wijkgedachte in 1955 naar de buurtrechten in 2015 - hoe het denken over de buurt veranderde. En denk aan de toegenomen noodzaak van lokale zelf-organisatie als gevolg van de steeds maar groeiende omvang van gemeenten.

Actuele ontwikkelingen in dat verband zijn er op het vlak van buurtrechten, in het bijzonder het recht voor bewonersinitiatieven om een gebouw, publieke ruimte of andere voorziening over te nemen van de gemeente en zelf te beheren.

Als je het LSA (Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners) volgt, dan blijf je aardig op de hoogte van die ontwikkelingen. Lees hier meer over voorbeelden in Rotterdam, Kaag en Brasem en Arnhem: Recht op overname: het kan wel!

woensdag 14 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 6

De derde stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de opkomst van de industrie en daarmee van het proletariaat, de stedelijke arbeidersklasse. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Door het proces van de enclosures, de privatisering van de gemeenschappelijke landbouwgronden, al vroeg begonnen in Engeland, maar zich in de negentiende eeuw uitbreidend over het vasteland, transformeerde de subsistence economy in een op winst gerichte economie, die in handen was van grootgrondbezitters. Onteigende kleine boeren en overbodig geworden boerenknechten trokken naar de steden, waar de nieuwe fabrieken voor een nieuwe vraag naar arbeid zorgden.

Er is een uitbundige historische literatuur waarin dit proces wordt beschreven en gedocumenteerd. In mijn boekenkast staan:
Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time
Robert L. Heilbroner, De ontwikkeling van de economische samenleving
J.L. Hammond en Barbara Hammond, The Village Labourer 1760 - 1832. A Study of the Government of England Before the Reform Bill
Brian Inglis, Poverty and the Industrial Revolution
Een klassieker, helaas niet in mijn boekenkast, is
E.P Thompson, The Making of the Englsih Working Class
Maar hier gaat het nu om de vraag wat er gebeurde met die morele gemeenschapsintuïties die in de landbouwsamenlevingen op het dorpsniveau tot uitdrukking waren gekomen in de collectieve zorg dat iedereen in staat was om het hoofd boven water te houden. Door de onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid waren de voorwaarden daar nog behoorlijk aanwezig om de morele intuïties van samenwerken en delen in de onderlinge verhoudingen te vertalen.

De trek naar de steden vond vaak plaats via de sociale netwerken die in het platteland hun oorsprong hadden. Die naar de stad meegenomen sociale verbanden maakten het mogelijk om elkaar bij te staan in geval van nood. Je kon bij ziekte of ongeval of overlijden van een naaste op wat hulp en bijstand van kennissen rekenen.

Die onderlinge hulpverlening werd gaandeweg breder georganiseerd, in Engeland in de vorm van de friendly societies, in Amerika van de fraternal societies (in mijn boekenkast: David T. Beito, From Mutual Aid to the Welfare State. Fraternal Societies and Social Services, 1890 - 1967) en in Nederland van de "bussen", de onderlinge fondsen, voorlopers van de ziekenfondsen en uitvaartverzekeringen.

We zien dus, aan het begin van de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, dat die morele intuïties van samenwerken en delen nog een concretisering vinden in de zelf-organisatie van de onderlinge hulpverlening. Die zelf-organisatie was niet volledig dekkend, want er was daarnaast ook nog de liefdadigheid en er waren de Armenwetten.

En gaandeweg het proces van industrialisering zien we dat wat aanvankelijk nog door zelf-organisatie geregeld wordt, overgaat naar oftewel de markt (commerciële verzekeringen) oftewel naar de overheid (sociale zekerheid, gezondheidszorg).

Die uitbreiding van zowel de markt als de overheid moet de voorwaarden hebben gecreëerd voor het proces naar democratisering van de overheid, dus voor de introductie van het algemene, passieve en actieve, kiesrecht.

En natuurlijk kon dat democratische idee dat iedereen moest mee kunnen beslissen, zo om zich heen grijpen doordat er nog steeds die morele gemeenschapsintuïties bestonden. De democratie was een poging om, na de ellendige ongelijkheden in de landbouwsamenlevingen, weer wat van de gelijkheid van de jagers-verzamelaarssamenlevingen terug te veroveren, maar nu op het grootschalige niveau van de nationale staat.

En nu, in 2018, weten we dat dat terugveroveren van de democratie en de gelijkheid nog steeds een opgave is. In het volgende bericht meer daarover.

woensdag 7 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 4

De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis, de overgang naar de landbouwsamenlevingen, is op de tijdlijn van de gehele geschiedenis nog maar kort geleden. Zo kort geleden, 8-10.000 jaar, dat het nu, in 2018, misschien nog wel te vroeg is om te concluderen dat het een verstandige stap was. En niet, zoals in de woorden van Jared Diamond, de grootste vergissing die de mensheid ooit gemaakt heeft. Zie het vorige bericht in deze reeks.

De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.

Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.

Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.

Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.

Maar helemaal weggevaagd was dat laatste ook weer niet. Het had zich teruggetrokken op het onderste niveau van het maatschappelijk bouwwerk. Het niveau van, zeg maar, de werkers op het land, de boeren die zich dorpsgewijs organiseerden en er zo zorg voor droegen dat iedereen genoeg opbrengsten had om er zelf van te leven en om aan de eisen van de kasteelheer te voldoen.

Dit hield bijvoorbeeld in dat de individueel bewerkte gronden, naast de gemeenschappelijke weidegronden, periodiek werden herverdeeld, zodat de beste gronden rouleerden. Een aardige beschrijving van die dorpsgemeenschappen vind je in Functional and historical explanations for village social organization in northern Europe van Robert H. Layton.

En, niet te vergeten, denk ook aan al die vormen van zelf-organisatie van boeren en vissers, die werden bestudeerd door Elinor Ostrom. Die voor haar werk in 2009 de Nobelprijs voor economie kreeg toegekend. Zie in dat verband de berichten op dit blog achter het label Elinor Ostrom.

Dat gemeenschapspatroon van samenwerken en delen wist zich dus in die landbouwsamenlevingen in het verborgene te handhaven. In het verborgene, in die zin dat de geschiedschrijvers er maar weinig aandacht voor hadden en zich vooral concentreerden op de beschrijvingen van de vorstenhuizen.

Dat het zich toch wist te handhaven, en in de menselijke sociale natuur aanwezig bleef, zorgde er voor dat er in de mensheidsgeschiedenis ook nog een derde stap kon worden gezet. Daarover meer in het volgende bericht.

maandag 8 februari 2016

Wat er mondiaal aan de gang is met lokale democratie (Rutger Bregman)

Lees vandaag vooral het verhaal van Rutger Bregman, die een fraai overzicht geeft van wat er mondiaal aan de gang is met lokale democratie, participatory budgeting en buurtzelfbeheer: In meer dan 1500 steden vindt nu een democratische revolutie plaats.

De hang naar lokale democratie en zelf-organisatie is een opmerkelijke ontwikkeling. Als je mijn berichten over zelf-organisatie en buurtzelfbeheer gevolgd hebt, kun je nu door Rutger Bregman bijgepraat worden over de nieuwste ontwikkelingen.

Zie voor activiteiten in Nederland ook de website van het LSA (Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners).

dinsdag 6 oktober 2015

De gemeenschap herontdekken

Lees vandaag als je ook maar even de tijd kunt vinden (11-15 minuten) dit fraaie bericht van Thomas van Heste op De Correspondent: De stad is van ons! Hoe jonge ideeënmakers de gemeenschap willen herontdekken.

Mooi, die herontdekking van het domein dat noch tot de markt, noch tot de staat behoort. Het domein dus van de commons, van het buurtzelfbeheer en van de zelforganisatie.

Zie voor meer achtergrond ook nog eens het bericht Om mens en menselijkheid - Over sociologie.

donderdag 8 januari 2015

Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie

Dit is een vervolg op het bericht Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland? van drie dagen geleden. Daar voor zijn er twee aanleidingen.

De eerste is dat Corine Hoeben, van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), mij opmerkzaam maakte (zie de link opmerkingen onderaan dat bericht) op onderzoek van het CPB waaruit blijkt dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen na fusies van gemeenten flink lager is dan daarvoor. Dit verschil blijft 7-8 jaar na de fusie bestaan. Dat bevestigt het vermoeden dat fusies van gemeenten, en meer in het algemeen, de ontwikkeling naar steeds grotere gemeenten, slecht is voor de betrokkenheid bij de lokale politiek. En dus slecht voor de lokale democratie.

Het CPB wijst overigens wel op een complicerende factor. Als je namelijk de opkomstpercentages naar gemeentegrootte vergelijkt, dan is dat percentage in grotere gemeenten niet alleen lager bij gemeenteraadsverkiezingen, maar ook bij verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer. Het verschil zal dus ook te maken hebben met andere verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten dan de betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je aanneemt dat geringe betrokkenheid bij de lokale democratie niet automatisch samengaat met geringe betrokkenheid bij de landelijke democratie. Een ander verschil kan zijn dat de bevolkingssamenstelling van grotere gemeenten, en dat zijn vooral de grote steden, sociaal-economisch verschilt van die van kleinere.

Maar dat neemt dus niet weg dat die afname van opkomstpercentages na fusies wijst op een oorzakelijk verband tussen gemeentegrootte en betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je gemeenten groter maakt, neemt de betrokkenheid af.

Dat spoort met de historische ontwikkeling van de opkomstpercentages. Uit de figuur blijkt niet alleen dat sinds 1978 de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen altijd zo'n 15 procent lager ligt dan bij Tweede Kamerverkiezingen, maar bovendien dat dit verschil groter wordt. Omdat in diezelfde periode gemeenten groter zijn geworden, zou je dat dus ook verwachten.

Overigens blijft natuurlijk de vraag boven de markt hangen waardoor dat verschil überhaupt bestaat? Zou het er aan kunnen liggen dat onze gemeenten al te groot zijn geworden? Ik zou benieuwd zijn naar een vergelijking met andere landen. Als zou blijken dat in de andere Europese landen, met gemiddeld veel kleinere gemeenten, de opkomstpercentages bij gemeenteraadsverkiezingen hoger zijn, dan valt daar een les uit te trekken.

De tweede aanleiding om op dat eerdere bericht terug te komen, is dat ik dat bericht besloot met te herinneren aan de aankondiging van minister Plasterk in het voorjaar van 2013 dat hij met gemeenten in overleg zou gaan over de instelling van wijk- en dorpsraden. Dat was een aanwijzing dat de minister zich ook zorgen maakt over de lokale democratie. De negatieve ontwikkeling van steeds maar grotere gemeenten zou je immers kunnen tegengaan door wijk- en dorpsraden in te stellen en die ook bevoegdheden te geven. Maar ik verzuchtte dat we nu twee jaar verder zijn en dat ik er nog niet veel van gemerkt had.

Maar ziedaar, ik wordt op mijn wenken bediend. Vanochtend stuurt de minister de nota Vitale lokale democratie: Richting en ruimte voor verandering (pdf) naar de Tweede Kamer. Hij kondigt daarin een wet aan die experimenten met lokale democratie mogelijk moeten maken. Hij wil initiatieven die al her en der in het land genomen worden om buurtbewoners formele buurtrechten te geven, wettelijk mogelijk maken en ondersteunen.

Het gaat om zaken als het recht van een buurtcollectief om mee te doen in aanbestedingen, het recht om als eerste te mogen bieden op land of vastgoed dat te koop komt in de buurt, of het recht om een plan voor buurtontwikkeling te maken.

Een waardevolle ontwikkeling. Zie ook mijn eerdere berichten Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal en Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving.

En zie het vervolg op dit bericht: Wat is het echte gat in de lokale democratie?

donderdag 23 oktober 2014

Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal

Het zou goed zijn als mensen weer meer zelf en gezamenlijk hun lokale omgeving, dus hun dorp of buurt, inrichten en beheren. Lokale zelforganisatie dus. Zie eerder mijn bericht Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving, waarin het o.a. ging over mandeligheid als juridische vorm van gezamenlijk eigendom van openbare ruimte.

Nu is er vandaag het pleidooi van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal voor het geven van buurtrechten aan buurtbewoners als die daar om vragen. Het AD besteedt er aandacht aan.

Wat zijn buurtrechten? Daarover kom je meer te weten op de website van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve bewoners. Het gaat om sterk door ontwikkelingen in Engeland geïnspireerde ideeën over het geven van specifieke rechten aan buurtbewoners.

Zoals het recht om mee te mogen doen bij openbare aanbestedingen van publieke diensten, zoals " op het terrein van wijkcentra, peuterspeelzalen, groenbeheer, ouderenvervoer of het beheer en behoud van een zwembad." De bewoners hebben er dan recht op dat de sociale waarde van de zelforganisatie wordt meegewogen bij de beslissing, zoals de bevordering van een actieve, sociale en betrokken buurt.

Of het recht om te mogen beschikken over maatschappelijk vastgoed, zoals een buurthuis. Of het recht op buurtplanning, het recht dus om inbreng te hebben in de fysieke inrichting van de buurt. Denk aan Ontmoetingsplekken in de buurt: markt, overheid, zelforganisatie? In dezelfde richting gaan natuurlijk ook de pleidooien voor participatory budgeting.

Natuurlijk zullen niet alle buurten meteen aanvragers worden van zulke buurtrechten. Er zijn nogal wat hindernissen te overwinnen voordat een buurt zichzelf goed organiseert. Kijk nog even naar de voorwaarden voor zelforganisatie in dat bericht hierboven. Maar als het gebeurt waar dat het geval is, dan is dat uiterst waardevol en belangrijk.

De mogelijke voordelen liggen niet alleen op het terrein van de kwaliteit van de geleverde diensten, die wel eens beter zou kunnen zijn als de bewoners het zelf doen. Nee, de voordelen zijn vooral ook indirect.

Want zelfbeheer zal bewoners meer met elkaar in contact brengen en hun betrokkenheid bij elkaar vergroten. En onderzoek wijst uit dat dat positieve gezondheidseffecten heeft. Zie het bericht  Gezondheid en sociale omgeving (4): maakt de buurt verschil? En wat zou je denken van de kans dat je hiermee ook een bijdrage levert aan de vermindering van eenzaamheid? Denk nog even aan Peter Lovenheim.

Ook weten we dat meer contacten tussen buurtbewoners er aan bijdragen dat het algemene vertrouwen van mensen in elkaar toeneemt. En dat vertrouwen is belangrijk voor de kwaliteit van samenleven en voor de werking van de democratie.

En we weten dat kinderen beter opgroeien in buurten waarin mensen elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen. Zie het bericht Sociale ontwikkeling en pro-sociaal gedrag.

Dat alles komt er op neer dat het geven van buurtrechten aan bewoners eigenlijk voor een groot deel een vorm van omwegbeleid is, beleid dus dat er op gericht is om indirect allerlei positieve effecten te bereiken, die er uit voortkomen dat mensen zich lokaal meer als een gemeenschap gedragen. Zie  Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

Belangrijke en ingrijpende ontwikkelingen gaan zelden snel en soepel. Maar ze moeten wel op gang komen. En dit pleidooi voor buurtrechten is een belangrijke stap.

donderdag 14 augustus 2014

Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving

Veel gemeenten zijn bezig met het bevorderen van buurtzelfbeheer. Buurtbewoners zijn dan samen verantwoordelijk voor het beheer van een gemeenschappelijke binnentuin of zelfs voor verlichting, bestrating en riolering. Die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid berust op de juridische vorm van de mandeligheid, gezamenlijk eigendom van een stuk openbare ruimte. Daar komt nogal wat bij kijken en daarom is er ook de Stichting Platform Mandeligheid, die informatie verstrekt en ondersteuning geeft.

Hoe succesvol is dat buurtzelfbeheer? De berichten daarover zijn wisselend. Charlotte Huisman deed drie dagen geleden in De Volkskrant verslag van de ervaringen in Almere. Daar is buurtzelfbeheer breed ingevoerd, maar sommige buurten willen nu het beheer teruggeven aan de gemeente. Het blijkt daar niet te werken. Niet alle bewoners willen meedoen, er zijn problemen met de vereiste deskundigheid en met het innen van de contributies. Ook zijn er buurten waar de bewoners vinden dat ze financieel opdraaien voor fouten die zijn gemaakt bij de aanleg van de infrastructuur, zoals de riolering.

Maar er bestaat ook succesvol zelfbeheer. Huisman geeft het voorbeeld van het gezamenlijke beheer van een binnentuin met twee gemeenschappelijke gebouwtjes die als buurthuis dienst doen. Er staan fitnessapparaten, een biljarttafel en schildersspullen. Er worden lezingen georganiseerd, zoals over de vraag Hoe groot is het heelal?, er wordt gezamenlijk voetbal gekeken en een bridgecursus gevolgd. Iedereen betaalt 40 euro per maand aan contributie. Over de hoogte van dat bedrag is wel een conflict geweest. Maar door het zelfbeheer en de gezamenlijke activiteiten hebben de bewoners elkaar beter leren kennen.

Hoeveel succesvol buurtzelfbeheer kun je eigenlijk verwachten? Als je bedenkt dat het hier om een vorm van zelforganisatie gaat, kom je terecht bij wat we weten over de voorwaarden voor zelforganisatie. Als je mijn eerdere bericht daarover naleest (volg de link in de vorige zin), dan verzucht je al snel dat de kans op succes wel erg klein is. Mij vielen een paar dingen op:
  1. Een voorwaarde is dat de grenzen van de te beheren "hulpbron" duidelijk zijn, de grenzen dus van wat tot de verantwoordelijkheid van de bewoners behoort en wat niet. Er moet dus geen onduidelijkheid bestaan over de vraag of de bewoners of de gemeente verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van fouten bij de aanleg van riolering. Als bewoners verantwoordelijk geacht worden, dan hadden ze daarvan op de hoogte behoren te zijn.
  2. De bewoners moeten de gedeelde verwachting hebben dat iedereen voldoende besef heeft van de voordelen van het zelfbeheer. Zoals het voordeel dat de buurt er op vooruitgaat als de wijze van beheer meer tegemoetkomt aan de wensen van de bewoners. Of de sociale voordelen dat de bewoners elkaar beter leren kennen, de buurt gezelliger wordt en er hulp en steun wordt uitgewisseld. Dat besef van die voordelen zal groter zijn als de bewoners verwachten, en van elkaar verwachten, dat ze langer in de buurt zullen blijven wonen. Residentiële stabiliteit (honkvastheid) is een belangrijke succesfactor. Dat vraagt om het soort ruimtelijke ordening dat daaraan bijdraagt. Zodanig dat mensen bij levensloop- en loopbaanveranderingen minder over grote afstanden hoeven te verhuizen.
  3. De bewoners moeten de gedeelde verwachting hebben dat ze het met zijn allen moeten doen en dat er geen alternatief is. Het gaat niet werken als te veel van hen er op rekenen dat de gemeente wel zal ingrijpen als de zaken niet goed lopen. Wat dat betreft helpt het dus niet dat er in Almere een procedure wordt ontwikkeld voor het teruggeven van de verantwoordelijkheid aan de gemeente. Het wordt dan te gemakkelijk om de uitdaging van het zelfbeheer aan je voorbij te laten gaan.
  4. De bewoners moeten gemakkelijk face to face kunnen overleggen over de regels van het zelfbeheer en veranderingen daarin. En over conflicten die daarover kunnen ontstaan. Een centrale ruimte, zoals een buurthuis, lijkt daarvoor een absolute voorwaarde. Niet alleen als plek om te vergaderen, maar ook als ontmoetingsplek. Veel informeel en terloops overleg is juist belangrijk en daarvoor moeten mensen elkaar zo nu en dan tegen komen. Dus meer in het algemeen zijn ontmoetingsplekken belangrijk, een winkelcentrumpje, horeca, speelplekken, bankjes. En omdat daar steeds minder van zijn, moeten gemeenten daarop beleid gaan voeren. Hoe meer ontmoeting, hoe meer succes je van zelfbeheer mag verwachten. Zelfbeheer vereist enige sociale controle.
Die "participatiemaatschappij", die is er natuurlijk niet in een handomdraai. Maar op het vlak van buurtzelfbeheer en buurtparticipatie is er zonder twijfel veel winst te behalen. Een een sociaal buurtleven, daar profiteert iedereen van. Zie ook nog eens Peter Lovenheim daarover. Update: En niet te vergeten: denk aan het belang van een sociaal buurtleven voor het opgroeien van kinderen!

donderdag 19 juni 2014

Waar je bij Porto Alegre ook aan moet denken: participatory budgeting

De Braziliaanse stad Porto Alegre is niet alleen bekend als de stad waar Nederland met 3-2 won van Australië (voetbal, u weet wel), maar ook als de stad waar de wereldwijde beweging van het lokale zelfbestuur begon. Daar ontwikkelde zich, dat moet rond 1990 geweest zijn, het systeem van participatory budgeting. Stadsbesturen reserveren een flink deel van hun begroting om per buurt de buurtbewoners mee te laten beslissen over de aanwending er van.

En als je die beweging wat hebt gevolgd, dan kun je niet anders concluderen dat dat het een succesverhaal is.

Bij gebrek aan tijd om daar nu over uit te weiden, alleen de link naar een recente studie: Improving Social Well-Being Through New Democratic Institutions (helaas betaalpoort, maar zie bijvoorbeeld ook Developing a Model of Participatory Democracy).

woensdag 26 februari 2014

De onvervulde behoefte aan ontmoetingsplekken en sociale contacten

Er is weer een levendige ontmoetingsplek bijgekomen. Het Utrechtse buurthuis De Pijler in de nieuwbouwwijk Veldhuizen in Vleuten-De Meern stond jaren leeg. Maar sociaal beheerder Adil Chebli heeft er samen met sociaal makelaar Bauke Spijkerman en vrijwilligers en met subsidie van de gemeente een succesvolle ontmoetingsplek van gemaakt. Zie Succes buurthuis door kennis van de wijk. Dat het gelukt is, moet er mee te maken hebben dat Chebli de buurt introk:
"Je moet de buurt kennen, weten wat er speelt als je mensen wilt bereiken. Ik ben dus vaak op straat te vinden, fiets rond, praat met de mensen, kom veel bij ze thuis. Inmiddels ken ik zo’n 65 procent van de bewoners."
Weer een aanwijzing dat er veel behoefte is aan ontmoetingsplekken en dat er niet genoeg aan die behoefte tegemoet wordt gekomen. In al die jaren dat het buurthuis in Veldhuizen leeg stond, was die behoefte er natuurlijk ook al. Maar spontaan komt een ontmoetingsplek pas tot stand onder speciale voorwaarden. Daarzonder moeten er mensen zijn die het voortouw nemen. En helpt het als de gemeente het belang er van inziet en een plek en subsidie beschikbaar stelt.

Dat er een onvervulde behoefte aan ontmoeting en sociale contacten bestaat, blijkt ook uit de CBS-publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten (pdf), waar ik het hier en hier over had. Bijna drie op de tien mensen zou graag vaker contact met vrienden willen, ruim een kwart vaker contact met familie en één op de tien vaker met buren.

En het zijn niet alleen de mensen met weinig contacten die er meer zouden willen. Van degenen die hun familie dagelijks zien of spreken wil 22 procent graag nog vaker contact, waarschijnlijk met andere familieleden dan degenen met wie ze al veel contact hebben. Voor vrienden is dat vergelijkbaar, met een percentage van 24. En 10 procent van degenen die al dagelijks contact met buren hebben, zou graag nog vaker contact hebben.

Dat er zo'n grote onvervulde behoefte is aan sociale contacten in onze maatschappij is natuurlijk niet verrassend. We leven in een marktmaatschappij, waarin we met zijn allen meer aandacht besteden aan behoeften die via de commerciële weg vervuld kunnen worden dan aan behoeften waarvoor zelforganisatie en een rol van de overheid nodig zijn.

donderdag 30 januari 2014

Ontmoetingsplekken door zelforganisatie? Hoe pessimistisch moet je zijn?

Wat valt er te zeggen over de kansen dat ontmoetingsplekken in buurten door zelforganisatie tot stand komen?

Om daar een antwoord op te vinden, liep ik de berichten op dit blog over zelforganisatie door. Laten we, sterk vereenvoudigend, zeggen dat voor succesvolle zelforganisatie aan twee voorwaarden moet zijn voldaan:
  1. De potentiële deelnemers aan de zelforganisatie moeten elkaar iets te bieden hebben. Ze moeten onderling afhankelijk zijn. Zoals die onderlinge afhankelijkheid van landbouwers of van vissers die samen landbouw- respectievelijk visgronden beheren. Denk aan het onderzoek van Elinor Ostrom. Uiteraard moeten ze die onderlinge afhankelijk ook beseffen en moeten ze inzicht hebben in wat dit voor hun gedrag betekent.
  2. De potentiële deelnemers moeten bovendien gemakkelijk met elkaar kunnen communiceren en hun gedrag moet zichtbaar zijn. Er moeten allerlei afspraken worden gemaakt, die ook nog eens van tijd tot tijd moeten worden bijgesteld. En het wel of niet nakomen van die afspraken, en de reacties van anderen daarop, moeten zoveel mogelijk voor iedereen zichtbaar zijn.
Bestaat die onderlinge afhankelijkheid er voor buurtbewoners die eenzaam zijn of dreigen dat te worden? Ja, natuurlijk, ze zijn sociaal van elkaar afhankelijk. Eenzaamheid hef je op door sociale contacten aan te gaan. Welnu, die liggen voor het oprapen, zou je zeggen.

Maar of mensen die onderlinge afhankelijkheid doorhebben, is maar de vraag. Want juist door die (dreiging van) eenzaamheid zijn mensen zich er maar weinig van bewust dat er in de straat en in de buurt ook nog anderen zouden kunnen wonen die ook eenzaam zijn. Ze komen elkaar niet tegen en kennen elkaar niet.

En dan komen we al meteen terecht bij die tweede voorwaarde, die van de gemakkelijke communicatie en onderlinge zichtbaarheid. Juist door die eenzaamheid is daar in de beginsituatie dus nooit aan voldaan. En dan zinkt je meteen de moed in de schoenen, want dat schiet dus niet op. Mensen zijn eenzaam, maar hebben daardoor niet door dat anderen in de nabijheid dat ook zijn en beseffen dus niet hun onderlinge afhankelijkheid.

Laten we zeggen dat dit de beginsituatie is. En dat die pessimistisch stemt. Maar laten we vervolgens kijken naar voorbeelden van succesvolle zelforganisatie en daaruit leren of wat meer optimisme gerechtvaardigd is. In volgende berichten daarover meer.

donderdag 13 juni 2013

Waar zijn de leuke initiatieven tegen de eenzaamheid? Petra Metz

Petra Metz reageerde als volgt op het bericht Door eenzaamheid meer stress, grotere kans op ontstekingen en eerder overlijden:
Ik wordt altijd zo treurig van zo'n website zoals van "De week tegen de eenzaamheid" vol met onderzoeken over eenzaamheid, uitspraken van experts en nog erger...een vragenlijst "Voel ik me eenzaam". Daar ga ik me pas eenzaam van voelen!
Ik mis op deze site de nadruk op leuke initiatieven zoals oma's die gezamenlijk mee breien aan een kunstwerk, internetclubjes, hoe fijn het is om een hond te hebben of hoe je met je kookkunsten een hoop mensen over de vloer kunt hebben én je nuttig kunt voelen (http://www.thuisafgehaald.nl/).
Ja, daar zit wat in. Er is niet alleen aandacht voor de problemen nodig, maar ook voor de oplossingen. Vooral als mensen zelf, door zelf-organisatie, die oplossingen bedenken en uitvoeren. En mensen doen zeker al heel veel om eenzaamheid tegen te gaan en om de sociale cohesie te bevorderen. Daar zou dit blog inderdaad meer aandacht aan hebben kunnen besteden, maar toch waren er al deze berichten:

Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplekken
Zelf-organisatie: Groen Dichterbij
Mini-bibliotheekjes in de buurt
Gemeenschappelijk wonen
Een rijk sociaal leven en sterke sociale cohesie zijn maakbaar: de Kersentuin
Is een sociaal buurtleven maakbaar?
LETS en Time Banks (vervolg)
Tellen honden en katten ook mee?

Genoeg tegenwicht tegen berichten waar je treurig van wordt?

woensdag 12 december 2012

Cooperatief ondernemen als alternatief voor het kapitalisme

Een klein, maar interessant, berichtje van Niels Bosma over Coopaname, een coöperatie van zelfstandigen in Parijs. Acht jaar geleden gestart en nu 500 personen tellend. Zie de link onderaan. Iedereen brengt eigen geld binnen, uiteraard, en draagt 10 procent af aan de coöperatie.  Het mooie is o.a. dat er door onderlinge ruil van arbeid een mate van werkzekerheid gecreëerd wordt. Net als in de Mondragón-coöperaties, waar ik eerder over schreef.

 Is er een opmars van de coöperatieve economie? Waardoor de doelstelling van "volledige" werkgelegenheid op een nieuwe manier weer serieus wordt genomen? Als de overheid het niet (meer) doet, dan doen wij het maar. Zelf-organisatie! Zie eerder dit bericht, met daarin de links naar de berichten over de Mondragón-coöperaties.

Cooperatief ondernemen

vrijdag 30 november 2012

Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen

Het is de tijd van het jaar dat de discussie over het vuurwerkverbod oplaait. Een tijd terug schreef ik onderstaande beschouwing voor Openbaar Bestuur over de algemenere vraag wanneer je als overheid iets moet verbieden en wanneer je dat beter niet kunt doen. Het gaat over het rookverbod in de horeca, over het verbieden van het gooien van zwerfafval op straat en vooral over dat vuurwerkverbod. Het is een genuanceerd, "wetenschappelijk", betoog, met noten en al. En de uitkomst is dat een verbod op knalvuurwerk op oudejaarsdag voor 18:00 uur wenselijk zou zijn. Hier aan de vergetelheid ontrukt, omdat de discussie nog steeds voortduurt. 

Update. Zie nu ook dit bericht. Update update. En zie nu ook Gaat het vuurwerkverbod werken?

Wanneer verbieden?

Henk de Vos
Dr. Henk de Vos, sociologie, Rijksuniversiteit Groningen.

Verschenen in Openbaar Bestuur 19 (12): 35-38 (december 2009)

Het kabinet ziet af van het voornemen om het afsteken van vuurwerk tijdens de jaarwisseling pas vanaf 18 uur toe te staan, in plaats van vanaf 10 uur ’s ochtends. Beperkte mogelijkheden tot inzet van politie zou handhaving bemoeilijken, volgens de Commissie De Graaff. Maar handhavingsproblemen werden ook verwacht bij het rookverbod in de horeca. En handhaving van het verbod om afval op straat te gooien ontbreekt. Waarom in het ene geval wel een verbod (roken in de horeca, afval op straat gooien) en in het andere niet (vuurwerk)?

De drie genoemde handelingen (roken, afval vuurwerk) hebben negatieve externaliteiten, vervelende gevolgen voor anderen, die daarvoor geen compensatie ontvangen. Vuurwerk op oudejaarsdag is meestal knalvuurwerk dat rond lopende groepen jongetjes afsteken. Buurtbewoners en passanten hebben last van de knallen en de rommel op straat en ademen de vervuilde lucht in. In dicht bebouwde buurten verspreidt de hinder zich over veel personen, waarvan sommigen ziek of ernstig ziek zijn. Ook bij het roken in de horeca en het gooien van afval op straat zijn er negatieve externaliteiten.

Economisch gezien gaat het om een vorm van marktfalen, want er is overconsumptie van het desbetreffende goed. Als de consumenten de externaliteiten in hun afweging zouden meenemen, zouden ze minder knalvuurwerk afsteken op oudejaarsdag, minder roken in de horeca en minder afval op straat gooien. Het probleem is dat ze dat niet of onvoldoende doen, waardoor de collectieve welvaart lager is dan zij zou kunnen zijn. De overheid kan proberen door accijnzen de vraag terug te dringen of een hoog BTW-tarief te heffen. Maar als de prijselasticiteit van het goed gering is (roken, vuurwerk) of als het goed geen prijs kent (afval op straat gooien), dan werkt dat niet. Blijft regulering over. Mogelijkheden zijn een vergunningenstelsel, voorlichting of een verbod (noot 1).

Voor roken en vuurwerk is een vergunningenstelsel geschikt. Hierdoor is het aantal verkooppunten beperkt. Gevaarlijk vuurwerk mag niet worden verkocht. Ook rookwaar is gevaarlijk (roken is dodelijk), maar het mag wel worden verkocht. Of de huidige beperking van het aantal verkooppunten de vraag vermindert, is niet bekend. Een nog verdere beperking zou illegale handel kunnen bevorderen.

Voorlichting kan de vraag terugdringen als de informatie overtuigend is. Dat is zo in het geval van meeroken en er is dan ook een voorlichtingsbeleid. Maar omdat roken verslavend is, kunnen we niet aannemen dat rokers rationeel op die informatie (in de media of op de verpakking) reageren. De werking ervan is beperkt. Voorlichting over het veilig afsteken van vuurwerk is er, maar voorlichting over de last van knalvuurwerk voor anderen ontbreekt. Het verbod op het afsteken van (knal)vuurwerk gedurende de rest van het jaar en het aanvankelijke voornemen van de regering om bij de jaarwisseling het afsteken van knalvuurwerk tot 18 uur te verbieden, wijst op inzicht in bestaan en omvang van die last. Over het afval op straat was er de voorlichtingscampagne Nederland Schoon. Op het ogenblik loopt het Impulsprogramma Zwerfafval 2007-2009, waarvan voorlichtingscampagnes deel uitmaken.

Tenslotte de mogelijkheid van een verbod. Er is een rookverbod in publieke gebouwen, in het openbaar vervoer en er is een verbod voor café- en restauranthouders om roken toe te staan, tenzij in aparte rookruimtes. Er is een verbod op het afsteken van knalvuurwerk met uitzondering van oudejaarsdag en jaarwisseling, maar de vraag is of die uitzondering niet moet worden ingeperkt tot na achttien uur. En er is een verbod op het gooien van afval op straat. De maximale boete daarvoor is tot € 75 verhoogd. In de economische beleidsliteratuur wordt het verbod aangeraden als de negatieve gevolgen van het gedrag ernstig zijn en de kosten van handhaving niet te hoog zijn. Dat brengt ons op het handhavingsprobleem.

Handhaving van verboden

Handhavingsproblemen hebben een bestuurlijke en een sociaalwetenschappelijke benadering. De Commissie De Graaf bekeek de handhaving van de overwogen uitbreiding van het vuurwerkverbod louter als een bestuurlijk probleem (noot 2). Er is een overheid en er zijn burgers en alle relevante processen spelen zich tussen deze twee entiteiten af. Voor processen tussen burgers (sociale processen) is geen aandacht. Naleving van een verbod is geheel afhankelijk van de pakkans en de hoogte van de sanctie. Bij een vuurwerkverbod op oudejaarsdag moet de politie-inzet hoger zijn, maar dat is onuitvoerbaar. Derhalve geen verbod. Maar handhaving van het verbod om afval op straat te gooien is eveneens onuitvoerbaar. Hetzelfde geldt voor het rookverbod in kleine cafés. Wat is wijsheid? Geen vuurwerkverbod op oudejaarsdag, maar dan ook geen verbod op het gooien van afval op straat en geen verbod op het roken in kleine cafés? Of in alle drie de gevallen wel een verbod?

Sociaal-wetenschappelijke inzichten kunnen hier uitkomst brengen. Het eerste is dat mensen eerder bereid zijn een wet na te leven als ze die inhoudelijk en procedureel rechtvaardig vinden (noot 3). Als een wet intermenselijke verhoudingen rechtvaardiger maakt en als de betrokkenen de kans hebben gehad gehoord te worden, is naleving ervan waarschijnlijker dan wanneer die louter door pakkans en strafmaat wordt bepaald.

Het tweede inzicht is dat mensen zich in hun gedrag sterk door wat anderen doen laten leiden (noot 4). Informatie over het gedrag van anderen heeft meer invloed op het eigen gedrag dan informatie over de wenselijkheid of de voordelen van dat gedrag. Opvallend is dat mensen zich er niet van bewust zijn, want ze denken dat die wenselijkheid of voordelen de grootste rol in hun beslissingen spelen. We zijn sterk sociaal beïnvloedbaar, maar dat weten we niet van onszelf (noot 5). Onze bereidheid om verboden na te leven op het terrein van negatieve externaliteiten is sterk afhankelijk van de informatie die we over het gedrag van anderen krijgen. Dat wij dat zelf slecht in de gaten hebben, doet vermoeden dat beleidsmakers daar evenzeer weinig zicht op hebben.

Tenslotte weten we dat mensen bereid zijn anderen te sanctioneren die het wederkerigheidsbeginsel overtreden, ook als dat iets kost (noot 6). Dat wijst er op dat de daad zelf een goed gevoel verschaft en dat is ook zo (noot 7). Ook leidt het tot de gewenste gedragsverandering. Mensen zien de voordelen in van de mogelijkheid elkaar te sanctioneren of leren dat snel in te zien (noot 8). In de maatschappelijke werkelijkheid kan sociale sanctionering assertiviteit en moed vereisen als je de overtreder niet kent. Maar veldonderzoek wijst uit dat als mensen onderlinge langdurige relaties hebben, ze normen in stand houden en overtredingen sanctioneren (noot 9). Sociale sanctionering heeft voordelen boven formele sanctionering. Sociale sancties zijn als een vorm van sociale afwijzing, ingrijpend voor de ontvanger. Maar omdat iedereen sancties kan ontvangen, maar ook kan geven, blijven mensen gelijkwaardig en dat maakt dat ze sancties en de dreiging daarmee gemakkelijker accepteren.

Naast pakkans en strafmaat zijn ook percepties van rechtvaardigheid en van het gedrag van anderen en processen van onderlinge sanctionering van invloed op het naleven van wettelijke verboden. Een verbod dat mensen rechtvaardig vinden, waarvan ze de indruk hebben dat anderen het naleven en aan de naleving waarvan zij en anderen bijdragen door sociale sanctionering, vereist geen grote politie-inzet om het te handhaven. Mensen lossen een externaliteitenprobleem onderling op als maar duidelijk is hoe de verdeling van rechten ligt en als ze die verdeling aanvaarden (noot 10). Zo is bijvoorbeeld algemeen aanvaard dat je op bezoek bij anderen niet het recht hebt om te roken en dat je dus om toestemming moet vragen. In zulke gevallen is rechtsduidelijkheid afdoende.

Knalvuurwerk, zwerfafval, roken

De sociaal-wetenschappelijke inzichten zijn op de externaliteitsproblemen van het knalvuurwerk, het afval op straat en het roken in de horeca toe te passen. Wetten die bedoeld zijn om negatieve externaliteiten terug te dringen, zijn gemakkelijk rechtvaardig te vinden, omdat ze stroken met het diepgewortelde wederkerigheidsbeginsel voor sociale interacties (wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet). In een democratisch land vinden we ze ook procedureel rechtvaardig. Er is een hoge mate van naleving te verwachten van een verbod op knalvuurwerk, op het gooien van afval op straat en op het roken in de horeca.

Dat klopt. Bijna niemand steekt knalvuurwerk af op andere dagen dan oudejaarsdag, de meeste straten zijn schoon en rokers zijn gestopt met roken in restaurants en eetcafé's. Dat jongens op oudejaarsdag wel knalvuurwerk afsteken, komt doordat de huidige wet het toestaat. Jongens ontlenen daar voldoende genoegen aan om het te doen en rotjes kosten vrijwel niets. De overlast oefent weinig remmende werking uit, omdat het gedrag officieel is toegestaan. Misschien zouden sommige ouders het willen verbieden en buurtbewoners willen ingrijpen, maar dat zou gemakkelijker en effectiever zijn als er een wettelijk verbod was. Het verbod zou attenderen op de onrechtvaardigheid van de veroorzaakte overlast en zou het sociale proces van controle en sanctionering bevorderen. Een eenmaal in gang gezette afname zou door sociale beïnvloeding tot beëindiging van het gedrag kunnen leiden.

Waarschijnlijk draagt het bestaan van een verbod ertoe bij dat de meeste straten schoon blijven. Omdat het verbod de onderlinge sanctionering vergemakkelijkt, zullen mensen daarop anticiperen. Zeker in buurten met weinig verloop, waar mensen elkaar kennen, is dat sociale mechanisme effectief. Sociale beïnvloeding zorgt er voor dat schone buurten schoon blijven. In anonieme omgevingen (binnensteden, grote winkelcentra, parkeerplaatsen langs de snelweg en rondom grote stations en scholen) is van sociale sanctionering minder te verwachten en dit zijn precies de meeste vervuilde gebieden. Sociale beïnvloeding draagt ertoe bij dat ze vervuild blijven. Een eenmaal vervuild gebied draagt de boodschap uit dat het verbod daar mag worden overtreden. Sociale beïnvloeding kan er ook voor zorgen dat een eenmaal schoongemaakt gebied schoon blijft, als het maar realistisch is te denken dat dat komt door het gedrag van anderen. Het plaatsen van veel afvalbakken kan daarbij helpen. Het maakt het gemakkelijker het afval niet op straat te gooien en versterkt de indruk dat anderen dat ook niet doen. Sommige gemeenten zijn dan ook overgegaan tot het plaatsen van meer afvalbakken. Tenslotte kunnen publiekscampagnes burgers oproepen straten schoon te houden en sluimerende rechtvaardigheidsoverwegingen activeren. Maar ze kunnen ook de boodschap uitdragen dat kennelijk veel mensen hun afval laten slingeren, want anders was die campagne niet nodig. Sociale beïnvloeding kan er dan toe leiden dat het effect averechts is. Evaluaties van de campagne Nederland Schoon wezen op toename van het aantal weggegooide blikjes en flesjes, een aanwijzing voor dit averechtse effect (noot 11). Informatie over hoeveel andere burgers aan een schoon milieu bijdragen, is effectiever. Amerikaanse energiebedrijven passen dit inzicht succesvol toe om hun klanten energie te laten besparen (noot 12).

Voorafgaand aan het rookverbod in de horeca waren rechtvaardigheidsoverwegingen kennelijk onvoldoende om van het roken af te zien. Dat kan met het verslavende karakter van het gedrag te maken hebben. Maar het kan ook zijn dat de afwezigheid van het verbod gezien werd als een aanwijzing dat het met de negatieve gevolgen voor anderen wel meeviel. Omdat er altijd wel iemand (de meest verslaafde) een sigaret opstak, werd het voor andere bezoekers gemakkelijker dit ook te doen. Invoering van het verbod was effectief, omdat het nog eens op de ernst van de negatieve effecten attendeerde en omdat het sociale sanctionering gemakkelijker en effectiever maakte. Eenmaal een toestand van niet-roken bereikt, blijft deze door sociale beïnvloeding ook gemakkelijk bestaan. Maar rokende stamgasten van kleine cafés kiezen er voor elkaars negatieve externaliteiten te ondergaan en zien het verbod als een ongerechtvaardigde inmenging in hun zelfgekozen arrangement. Omdat ze als rokers bij elkaar komen, werken onderlinge sanctionering en sociale beïnvloeding juist in de richting van het negeren van het verbod. Dezelfde personen steken in een restaurant geen sigaret op, omdat ze het verbod daar rechtvaardig vinden en omdat de sociale beïnvloeding er in de goede richting werkt.

Conclusies

Als de overheid overweegt iets te verbieden, is het belangrijk in de beleidsafweging rekening te houden met sociaal-wetenschappelijke inzichten. Deze wijzen op de voorwaarden waaronder burgers gemakkelijker een verbod accepteren en op de sociale processen die de kans op naleving vergroten of verkleinen. Ook zonder hoge handhavingskosten is het rookverbod een succes gebleken waar dat verwacht kon worden, in het openbaar vervoer en restaurants. Dat bewijst de kracht van het wederkerigheidsbeginsel en van het mechanisme van de sociale beïnvloeding. Het laat ook zien dat de werking van dat beginsel een duidelijk signaal van de democratische overheid nodig kan hebben. Het is jammer dat de overheid dat signaal niet wil geven als het gaat om het knalvuurwerk op oudejaarsdag.

Noten
1. D.L. Weimer & A.R. Vining (1999). Policy Analysis. Concepts and Practices. Upper Saddle River, N.J.: Prentice Hall.
2. Ministerie BZK (2008). Rapport Commissie overlast jaarwisseling.
3. T.R. Tyler (2000). Social justice: outcome and procedure, International Journal of Psychology 35 (2):117-125.
4. R.B. Cialdini, R.R. Reno & C.A. Kallgren (1990). A focus theory of normative conduct: Recycling the concept of norms to reduce littering in public places, Journal of Personality and Social Psychology 58: 1015-1026; K. Keizer, S. Lindenberg & L. Steg (2008). The spreading of disorder. Science 332: 1681-1685.
5. J.M. Nolan e.a. (2008). Normative social influence is underdetected, Personality and Social Psychology Bulletin 34 (7): 913-923.
6. E. Fehr en S. Gächter (2002). Altruistic punishment in humans. Science 415:137-140
7. D.J.-F. De Quervain e.a. (2004). The neural basis of altruistic punishment, Science 305: 1254-1258.
8. O. Gürerk e.a. (2006). The competitive advantage of sanctioning institutions, Science 312: 108-111.
9. R.C. Ellickson (1994). Order Without Law. How Neighbors Settle Disputes. Cambridge (Mass.): Harvard University Press.
10. R.H. Coase (1960). The problem of social cost, Journal of Law and Economics 3: 1-44.
11. R. Heijungs en G. Huppes (2005). Waarschijnlijkheidsstudie beleidsresultaten zwerfafval. Leiden: Centrum voor Milieuwetenschappen (CML)
12. L Kaufman (2009). Utilities turn their customers green, with eny. New York Times 30-01-2009

dinsdag 27 november 2012

Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid

Michael Tomasello, over wie ik eerder schreef (zie hier en hier), heeft samen met co-auteurs een prachtig artikel (pdf) geschreven over de evolutionaire grondslagen van het menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag. De link is naar het manuscript; het artikel is nu verschenen in Current Anthropology.

De auteurs laten zien dat het unieke menselijke vermogen tot gedeelde aandacht, communicatie, samenwerking en pro-sociaal gedrag kon ontstaan als aanpassing aan de mogelijkheid om er in situaties van onderlinge afhankelijkheid gezamenlijk beter van te worden. Het speltheoretische model voor zulke situaties is dat van de Hertenjacht (Stag Hunt). In dat model kan iedereen individueel overleven door op hazen te jagen, maar je kunt ook met zijn allen op herten jagen. Dat vereist samenwerking en coördinatie en de bereidheid om de veel grotere opbrengst eerlijk te delen. Of de bereidheid dat eerlijke delen af te dwingen als dat nodig mocht zijn. De oplossing van die gezamenlijk hertenjacht is precair, want zodra het vertrouwen in elkaar afbrokkelt, heeft iedereen nog altijd dat individuele alternatief van de hazenjacht.

Ik heb het artikel nu eenmaal en vrij snel gelezen, maar het is een uitvoeriger bestudering waard. Het sluit naadloos aan bij deze eerdere berichten over onderlinge afhankelijkheid als voorwaarde voor zelf-organisatie:

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie
Elkaar bij de les houden in zelf-organisatie

Ik heb in het verleden over de evolutionaire grondslagen van pro-sociaal gedrag altijd sterk in de richting gedacht die nu zo voortreffelijk door Tomasello c.s. wordt uiteengezet. Spannend dus om te volgen. Zie voor mijn eigen zeer bescheiden pogingen, samen met Evelien Zeggelink, Donald Elsas en Rita Smaniotto, waarin we onderlinge afhankelijkheid nog als een Prisoner's Dilemma modelleerden :

The emergence of reciprocal altruism and group-living (1994)
Reciprocal altruism in human social evolution (1997)
Reciprocal altruism under conditions of partner selection (2001)

Update. Oei, daar geef ik in de laatste zin zo maar een verkeerd beeld van het eigen werk. Die onderlinge afhankelijkheid modelleerden we juist niet als een gevangenendilemma. Dat kon ook niet omdat we de spelers in het model hun interactiepartners zelf wilden laten kiezen. Dat was toen in simulaties van het evolutionaire ontstaan van pro-sociaal gedrag nog nooit gedaan. Eigenaardig dat ik dat dan verkeerd opschrijf.

maandag 15 oktober 2012

Elkaar bij de les houden in zelf-organisatie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (16)

Een van de voorwaarden voor succesvolle zelf-organisatie is dat de deelnemers moeten beseffen dat ze zelf naleving van de samen opgestelde regels moeten afdwingen. De onderlinge afhankelijkheid houdt in dat iedereen aan het collectieve goed kan bijdragen, maar dat ook altijd de verleiding bestaat om te profiteren van de inspanningen van de anderen. Dat betekent dat de deelnemers elkaar bij de les moeten houden. Door elkaar er aan te herinneren waar het om gaat en waarvoor de regels bedoeld zijn. En om er iets van te zeggen als iemand de neiging om te profiteren niet kan weerstaan. Dat is de onderlinge sanctionering, waarzonder zelf-organisatie gedoemd is te mislukken.

In experimenteel laboratoriumonderzoek is vastgesteld dat mensen bereid zijn om sancties uit te delen, ook als dat met kosten voor henzelf gepaard gaat en ook als de positieve werking ervan, gedragsverbetering van de profiteurs, niet aan henzelf toevalt. Dit lijkt alleen maar verklaard te kunnen worden doordat profiteursgedrag boosheid oproept, die het toedienen van een sanctie belonend maakt. Dat slaat op het goede gevoel dat je krijgt als je "er iets van gezegd hebt". Zie nog eens het bericht Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie.

Vervolgonderzoek door Gürerk, Irlenbusch en Rockenbach heeft laten zien dat proefpersonen aanvankelijk niet allemaal inzien dat onderlinge sanctionering in zelf-organisatie noodzakelijk is. Als je mensen de keuze geeft om mee te spelen in een zelf-organisatiespel met die sanctiemogelijkheid en zonder die sanctiemogelijkheid, dan kiezen twee op de drie voor dat laatste. Het idee dat anderen jou kunnen bestraffen, schrikt hen blijkbaar meer af dan dat de mogelijkheid om anderen te kunnen bestraffen hen aantrekt. Maar naarmate het spel vordert, kiezen steeds meer deelnemers en uiteindelijk vrijwel iedereen voor het spel met de mogelijkheid van sanctionering. En dat doen ze niet voor niets, want de opbrengsten zijn steeds hoger als mensen elkaar kunnen sanctioneren. Het mooie is dat dat collectieve leerproces ook inhoudt dat uiteindelijk nauwelijks meer sancties te hoeven worden gegeven. Sancties werken zoals bedoeld en als ze een keer werken, hoeven ze niet meer te worden gegeven. (Dat laatste is verraderlijk, omdat de indruk er door kan ontstaan dat het ook zonder sancties kan, wat op den duur ook weer niet zo is.)

Nu is dat allemaal laboratoriumonderzoek. En de vraag is hoe levensecht dat eigenlijk is. Een sanctie geven doe je door een optie aan te klikken op je computerscherm, waardoor je ziet dat degene die je bestraft er een aantal punten op achteruitgaat. Bovendien zie je dat de sanctie jou zelf ook een aantal punten kost. En je beseft dat het bedoelde effect van de sanctie pas optreedt in de volgende ronde en dat dan de groepssamenstelling dan gewisseld is. Je profiteert dus niet zelf van het effect van je sanctie.

Hoewel daarmee veel ingrediënten van een levensechte zelf-organisatie aanwezig zijn, blijft toch staan dat een muisklik voldoende is. Die kost je wel een aantal punten, maar de vraag is of dat vergelijkbaar is met het probleem dat mensen in het echte leven ervaren bij het anderen aanspreken op hun gedrag. Je bent wel boos, maar misschien ook bang dat je die boosheid niet effectief onder woorden kunt brengen. Misschien ben je ook bang voor een agressieve reactie. Dus zijn mensen in het echte leven niet zo gemakkelijk bereid tot "sanctioneringsgedrag". (Zeg jij er wat van als je een groepje scholieren ziet die hun blikjes en snackverpakkingen om zich heen verspreiden en daar laten liggen als ze afdruipen?)

Maar dat hangt er maar vanaf. Als je nog eens terug kijkt naar die succesvolle zelforganisatie in de Paleo Sociale Omgeving, dan besef je dat daar sociale sanctionering eigenlijk nooit in een een-op-een relatie gebeurde. Informatie over elkaars gedrag wordt zo gemakkelijk en snel verspreid, dat er al heel veel geroddeld en overlegd is tussen degen die verontwaardigd zijn over het profiteursgedrag, waardoor het uiteindelijk sanctioneren veel meer een collectief gebeuren is dan een individueel. De "kosten" van sanctionering worden dus gedeeld en de verantwoordelijkheid er voor wordt verspreid. Dat is ook precies wat Christopher Boehm bedoelt met die omgekeerde dominantiehiërarchie van de Paleo Sociale Omgeving. En in veel gevallen heeft de overtreder de signalen opgevangen van dat collectieve proces van het voorbereiden van een sanctie. En dat is al genoeg. (Bovendien kent iedereen elkaar persoonlijk.)

In het echt is dus het geven van een sanctie wel iets heel anders dan een muisklik. Maar dat wijst er dus op dat in levensechte zelf-organisatie die gemakkelijke verspreiding van informatie, dus de continue onderlinge bereikbaarheid in het kader van langdurige relaties, heel belangrijk is.

NB. Dit blog houdt vanaf vandaag een week vakantie.

maandag 17 september 2012

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (14)

Als mensen onderling afhankelijk zijn, dan kunnen ze samen gedragsregels opstellen en als het lukt om elkaar aan die regels te houden, dan spreken we van een succesvolle zelf-organisatie. Maar wat is er voor nodig om elkaar aan die regels te houden?

Elinor Ostrom zegt daarover dat de deelnemers moeten beseffen, en dat van elkaar moeten weten, dat ze zelf naleving van de regels van dag tot dag moeten afdwingen. Ze moeten door hebben dat er niet een extern gezag is dat die klus van hen overneemt. Bovendien moeten ze de verwachting hebben dat iedereen zowel een principiële bereidheid heeft om zelf de regels na te leven, als de bereidheid om bij overtredingen die toch plaats vinden, de overtreder daarop aan te spreken. Anders gezegd, de overtreder te sanctioneren. Door er gewoon iets van te zeggen. Of, omdat dat niet altijd gemakkelijk is, er voor te zorgen dat ook anderen op de hoogte zijn en de overtreder op subtiele manier te laten weten dat er over zijn gedrag gepraat wordt. Dan gaat het om de zogenaamde sociale sancties, die er ook uit kunnen bestaan dat de overtreder wordt genegeerd (ostracisme). Vaak zijn subtiele aanwijzingen dat zo'n proces plaats vindt al genoeg om de overtreder op andere gedachten te brengen.

Boehm geeft mooie voorbeelden van sociale sancties, maar ook voorbeelden van hardhandiger sancties als de overtreder blijft volharden in zijn profiteursgedrag of in zijn pogingen om te domineren. Zie nog eens dit bericht. Dan gaat het om mensen die in het verband van de morele gemeenschap van jagers-verzamelaars, dus in die Paleo Sociale Omgeving, zijn opgegroeid en handelen. Zijn er aanwijzingen dat mensen ook nu nog bereid, of zelfs geneigd, zijn om sancties uit te delen aan mensen die meeprofiteren van de inspanningen van anderen?

Ja, die aanwijzingen zijn er als je afgaat op een reeks van experimentele studies, die begon met het artikel Altruistic punishment in humans (link naar pdf) van Ernst Fehr en Simon Gächter uit 2002. Zij lieten mensen een publieke goed-dilemma spelen. Dit kwam er op neer dat steeds vier personen elk €20 ontvingen en daarvan naar eigen goedvinden een deel konden bijdragen aan een groepsproject. Wat ze niet bijdroegen, mochten ze houden. Van iedere € die ze wel bijdroegen, kregen alle vier groepsleden €0,40, dus voor de groep als geheel €1,60. Als nu iedereen de gehele €20 zou bijdragen, dan zou iedereen met (80 x €0,40 =) €32 naar huis gaan. Dat is meer als je niet zou bijdragen, want dan bleef je op die €20 staan. Maar je zou nog beter af zijn als je zelf niet zou bijdragen en de anderen wel. Dat zou dus het profiteurs- of meeliftersgedrag zijn.

 Dit spel werd zes rondes lang gespeeld en na elke ronde werd iedereen geïnformeerd over de keuzes van zijn drie medespelers. De keuzes werden gelijktijdig gemaakt en alles gebeurde anoniem.

En er waren twee condities. In de "sanctie-conditie" werden de spelers er over ingelicht dat ze na elke ronde een of meer van de medespelers een sanctie konden geven. Die kon variëren tussen de 1 en 10 strafpunten, waarbij elke punt stond voor €3. Maar het geven van een strafpunt kostte ook iets, namelijk €1. In de "niet-sanctie-conditie" bestond die sanctiemogelijkheid niet.

Bovendien werden na elke ronde de groepen anders samengesteld. Je kon er dus niet van uitgaan dat je in de volgende ronde met dezelfde drie andere personen zou spelen. Dat betekende dat als je een medespeler een sanctie geeft en daarmee bewerkstelligt dat hij zich in de volgende ronde beter gedraagt, dat je daar dan niet zelf van profiteert. Vandaar dat het in de titel van het artikel gaat over altruïstische bestraffing: je hebt een sanctie gegeven, die misschien helpt om het gedrag van de profiteur te verbeteren, maar jou wel €1 per strafpunt kost, zonder dat jij het voordeel daarvan hebt.

Wat gebeurde er toen dit spel gespeeld werd? Allereerst bleek dat mensen bereid waren om sancties uit te delen. Ruim 84% gaf tenminste één maal een sanctie en een derde gaf meer dan vijf keer een sanctie. De sancties werden ook in de meeste (driekwart) van de gevallen gegeven zoals bedoeld, namelijk aan de profiteurs, en werden ook gegeven door degenen die het meeste bijdroegen. De straffen waren ook behoorlijk hoog, wat betekent dat de toedieners er van bereid waren  behoorlijk hoge kosten op zich te nemen.

En hadden de sancties het gewenst effect? Ja zeker, over het geheel genomen droegen de spelers in de "sanctie-conditie" meer bij aan het groepsproject dan in de "niet-sanctie-conditie". En bovendien bleek dat de gegeven sancties ook tot beter gedrag leidden: nadat een sanctie was ontvangen, was de bijdrage in de volgende ronde gemiddeld hoger dan in de vorige ronde. Dus ook in die zin is pro-sociaal gedrag een collectieve prestatie: elkaar (kunnen) sanctioneren maakt ons pro-socialer.

Wat was het precies dat mensen aanzette om sancties te geven, terwijl het geven daarvan iets kostte en de voordelen er van aan anderen toevielen? Uit een apart onderzoekje bleek dat er boosheid achter zat. Profiteursgedrag roept boosheid op en die boosheid brengt je er toe om die kosten van sanctionering wel te willen dragen. En ook bleek dat mensen die boosheid van anderen verwachtten als ze zelf zouden overwegen om zich als profiteur te gedragen.

En uit deze studie uit 2004 (pdf) bleek dat het toedienen van een sanctie ook inderdaad als belonend wordt ervaren. Profiteursgedrag maakt je boos en dan voelt het goed om iets te doen wat uit die boosheid voortkomt: de profiteur een lesje leren.

Deze studie van Fehr en Gächter heeft tot op de dag van vandaag geïnspireerd tot nieuw onderzoek. Daarover in volgende berichten meer.

vrijdag 14 september 2012

Zelf-organisatie en het baseline communisme van David Graeber - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (13)

David Graeber noemt, in zijn boek Debt. The First 5000 Years (hier de Nederlandse vertaling), de zelf-organisatie van de jagers-verzamelaars het baseline communisme. Bij die term communisme denken wij aan communistische staten, maar hij bedoelt er een moreel principe mee waarop economische relaties kunnen berusten, namelijk dat van "van iedereen naar vermogen en voor iedereen naar behoefte". De twee andere principes zijn die van de hiërarchie en die van de ruil. En hoewel de economische relaties in de Paleo Sociale Omgeving bovenal berustten op baseline communisme, denkt hij dat alle drie principes in elke maatschappij voorkomen.

Ik zal nog vaker op dit indrukwekkende boek terugkomen, maar wil om te beginnen stilstaan bij Graebers uitleg bij zijn stelling dat dat communisme inderdaad baseline is, in de zin dat het principe altijd aanwezig is. Op p. 95-98 schrijft hij:
"communism" is not some magical utopia, and neither does it have anything to do with ownership of the means of production. It is something that exists right now - that exists, to some degree, in any human society, although there has never been one in which everything has been organized in that way, and it would be difficult to imagine how there could be. All of us act like communists a good deal of the time. None of us act like a communist consistently. "Communist society" - in the sense of a society organized exclusively on that single principle - could never exist. But all social systems, even economic systems like capitalism, have always been built on top of a bedrock of actually-existing communism. (...)
 Almost everyone follows this principle if they are collaborating on some common project. If someone fixing a broken water pipe says, "Hand me the wrench," his co-worker will not, generally speaking, say, "And what do I get for it? "- even if they are working for Exxon-Mobil, Burger King, or Goldman Sachs. The reason is simple efficiency (...): if you really care about getting something done, the most efficient way to go about it is obviously to allocate tasks by ability and give people whatever they need to do them. One might even say that it's one of the scandals of capitalism that most capitalist firms, internally, operate communistically. True, they don't tend to operate very democratically. Most often they are organized around military-style top-down chains of command. But there is often an interesting tension here, becaue top-down chains of command are not particularly efficient: they tend to promote stupidity among those on top and resentful foot-dragging among those on the bottom. The greater the need to improvise, the more democratic the cooperation tends to become. (...)
This is presumably also why in the immediate wake of great disasters - a flood, a blackout, or an economic collapse - people tend to behave the same way, reverting to a rough-and-ready communism. However briefly, hierarchies and markets and the like become luxuries that no one can afford. Anyone who has lived through such a moment can speak to their peculiar qualities, the way that strangers become sisters and brothers and human society itself seems to be reborn. This is important because it shows that we are not simply talking about cooperation. In fact, communism is the foundation of all human sociability. It is what makes society possible. There is always an assumption that anyone who is not an enemy can be expected to act on the principle of "from each according to their abilities," at least to an extent: for example, if one needs to figure out how to get somewhere and the other knows the way. (...)
I will call this "baseline communism": the understanding that, unless people consider themselves enemies, if the need is considered great enough, or the cost considered  reasonable enough, the principle of "from each according to their abilities, to each according to their needs" will be assumed to apply.
Oké, dat beschrijft onze morele intuïties van gelijkheid en hulpvaardigheid en generositeit. En dat wijst er niet alleen op dat zelf-organisatie altijd op die intuïties opgebouwd kan worden, maar ook dat zelf-organisatie altijd, soms veel, soms maar heel weinig, aanwezig is. Het is geen curiosum. En dat moet ons ook iets leren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om in onze maatschappij (weer) meer zelf-organisatie te introduceren. Om dat wat we doen en wat we nodig hebben, (weer) meer zelf te organiseren dan we nu doen.