Hier de nieuwe editie van mijn wekelijkse LinkedIn-Nieuwsbrief.
Als je sociale wetenschap beoefent, dan is het onvermijdelijk, ja,
zelfs wenselijk, dat je sociaalwetenschappelijke inzichten en je eigen
persoonlijke ervaringen en geschiedenis met elkaar in verband brengt.
Wat die persoonlijke geschiedenis betreft, denk ik in deze tijd van
het jaar vaak terug aan wat misschien mijn vroegste herinnering is. Een
herinnering aan een gebeurtenis aan het eind van mijn tweede levensjaar,
ik werd geboren op 3 juni 1943, die enkele weken voor de Bevrijding van
de Duitse Bezetting plaats vond. Die had er mee te maken dat mijn vader
(Hendrik de Vos, 1907 - 1998) bij het Verzet betrokken was geraakt en
dat er een deel van de in december 1944 door de Engelsen ten behoeve van
het Verzet gedropte wapens bij ons in de bijkeuken verborgen lag. Over
hoe die daar waarschijnlijk terecht kwamen schreef ik op Toegepaste Sociale Wetenschap een reeks berichten die begon op 4 mei 2021 met Het is vandaag 4 mei. Over een vroege herinnering en de wapens bij ons in de bijkeuken.
Als je opgroeit ben je geneigd om alles wat je aantreft als
"normaal' te beschouwen. Je hebt immers nog geen vergelijkingsmateriaal.
Dat betekent dat je pas veel later, bij het ouder worden, oog krijgt
voor hoe die vroege ervaringen je denken en je kijk op de wereld hebben
beïnvloed. Die vroege ervaringen slaan ook op de jaren na de Bevrijding,
toen ik de toen heersende sfeer in me opnam. Er waren vreselijke dingen
gebeurd, maar dat was nu achter de rug en we zouden er met zijn allen
voor zorgen dat zoiets nooit meer zou kunnen gebeuren. Er waren lessen
geleerd. Er zijn kwade krachten, maar die kunnen door het goede worden
overwonnen en onderdrukt. En dat zal ook gebeuren.
Met die instelling ging ik in 1965 in Groningen sociologie studeren.
Ik had een bepaald beeld van het vak, namelijk dat het zou bijdragen
aan een "goede" maatschappij, die tegemoetkomt aan de behoeften van
mensen. Bij mijn afscheid van de vakgroep Sociologie in 2010 sprak ik
daarover: Om mens en menselijkheid - Over sociologie.
Maar ik kwam in een heel ander vak terecht, waarin ik natuurlijk,
wederom bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal, flink werd meegezogen.
Pas gaandeweg en heel veel later ontstond er de ruimte om weer terug te
keren naar die gedachte van een goede maatschappij. En dus naar een
sociologie die ertoe doet, die inzichten verschaft in de krachten van
het goede en de krachten van het kwade. Ik schreef daarover in 2020 in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.
Diezelfde ruimte was er ook om weer stil te staan bij die vroege
ervaringen. En dus bij de vraag of die vreselijke dingen die er gebeurd
waren, ook inderdaad nooit meer zouden gebeuren. Wat zou daar
sociaalwetenschappelijk over kunnen worden gezegd? Dus ging ik het
onderzoek volgen naar hoe het rechts-extremistische, statuscompetitieve
wereldbeeld (het kwaad) weer opnieuw de kop kon opsteken. Zie een van de
vorige edities van deze Nieuwsbrief: De AIVD waarschuwt voor de gevaren van rechts-extremisme. Maar waardoor is dat rechts-extremisme toch zo toegenomen?
En ik ging me afvragen onder welke voorwaarden de goede krachten,
die van het gemeenschapspatroon, sterk genoeg zijn om zich tegen dat
rechts-extremisme te weer te stellen. Wat doet een bevolking als
rechts-extremisten de de democratie omver willen werpen en de macht
proberen te grijpen en overal vijanden zien die onderdrukt of zelfs
"geëlimineerd" moeten worden? Of als die rechts-extremisten een ander
land binnenvallen en aan zich willen onderwerpen?
Dat zijn heel algemene vragen, maar ik dacht in het bijzonder aan
het heel specifieke geval van hoe de Nederlandse bevolking reageerde op
de Duitse bezetting, de onderdrukking en de Jodenvervolging. Daarover
begon ik op 16 augustus vorig jaar een reeks berichten, op zoek naar een
antwoord. Dat heb ik nog niet gevonden en misschien vindt ik dat nooit.
Maar lees hieronder het resultaat tot nu toe. Een long read, met de nodige aanpassingen, weglatingen en toevoegingen.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 1
Het algemene beeld van de Bezetting is dat er zich in ons land een
verzetsbeweging ontwikkelde, maar hoe groot was die? Bij het NIOD kom je
de schatting tegen van 45.000 personen die in georganiseerd verband
verzet pleegden. Dat getal tref je ook aan bij Shirley Haasnoot en Bas
Kromhout (10 grote Nederlandse verzetshelden),
die eraan toevoegen dat die door honderdduizenden anderen gesteund en
geholpen werden. Dat verzet riskant was, blijkt er uit dat er aan het
eind van de oorlog van die 45.000 nog zo'n 35.000 in leven waren.
Tijdens de oorlogsjaren werden zo'n 20.000 mensen wegens verzetsdaden
opgepakt. Er bestaat ook een schatting
dat zo'n vijf procent van de bevolking (van 9 miljoen) actief was in
het verzet, waartegenover er ook zo'n vijf procent actief meewerkten,
collaboreerden, met de Duitsers. De rest "was niet ‘fout’ maar steunde
ook geen verzet of vervolgden en ging zo goed en zo kwaad als dat ging
door met het dagelijkse leven."
De bezetting door de Duitsers was een overname van het gezag van een
soevereine staat en dus een geval van onderdrukking en overheersing van
de bevolking van die staat. Hij kwam voort uit het extreem
statuscompetitieve wereldbeeld van het Hitler-bewind,
waarin Duitsland door oorlog andere landen aan zich diende te
onderwerpen, omdat vermeende vijanden, het "internationale Jodendom"
voorop, dienden te worden geëlimineerd. Eenzelfde wereldbeeld zien we
nu, in 2022, weer om zich heen grijpen, met allerlei idiote samenzweringstheorieën, maar dat terzijde.
Even afgezien van die vijf procent die met de Duitsers
collaboreerden, en die de bezetting dus niet als overheersing en
onderdrukking ervoeren, welke reacties konden er sociaalwetenschappelijk
gezien van Nederlanders worden verwacht? Heel algemeen geformuleerd,
vallen er drie reactiemogelijkheden op bedreigingen te onderscheiden,
die van het vechten of vluchten (beide mobilisatie met angst) en die van
de immobilisatie en terugtrekking (immobilisatie met angst). Denk aan
de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges, die helder wordt beschreven
door Stanley Rosenberg in in De nervus vagus als bron van herstel. Zie ook hoofdstuk 2 (Body-Brain Connections) van The Body Keeps the Score van Bessel van der Kolk (Nederlandse vertaling: Traumasporen).
Weer heel algemeen geformuleerd, konden Nederlanders er dus na de
Duitse inval en gedurende de bezetting voor "kiezen" om te vechten, dus
actief verzet te plegen, te vluchten, zoals naar Engeland, zoals velen
in mei 1940 deden of dat probeerden, of zich terug te trekken. Er waren
er ook honderden die zichzelf om het leven brachten (zie De zelfmoordgolf van mei 1940). Eerlijk gezegd weet ik niet of je dat als ultieme vlucht moet zien of als ultieme terugtrekking.
Van dat vluchten afgezien, was er dus een kleine minderheid die er
vroeger of laten voor koos om te vechten. Dus om actief verzet te
plegen. En een grote meerderheid die daar niet voor koos, oftewel om dat
ze zich terugtrokken, oftewel om andere redenen. Want er zullen
misschien veel meer zijn geweest van degenen die zo goed en zo kwaad
mogelijk doorgingen met hun dagelijks leven, die wel mee hadden willen
doen met het verzet als ze maar de mogelijkheden daartoe hadden gezien.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 2. Waardoor mislukte de Februaristaking?
Zonder ook maar iets af te doen aan het belang van het Nederlandse
verzet tegen de Duitse bezetting van 1940 - 1945, kun je je toch
afvragen waardoor dat verzet niet veel massaler was.
Een bezetting door een vreemde mogendheid, dat is toch iets waar je
massaal tegen in opstand komt? Denk even aan het verzet van de
Oekraïense bevolking tegen de invallende Russen. Er gingen filmpjes rond
van Oekraïners die demonstreerden tegen Russische soldaten en hen
uitjouwden. Er waren veel vrijwilligers die zich aanmelden om te
vechten. Daarbij vergeleken liet de Nederlandse bevolking de Duitse
inval gelaten over zich heen komen. Terwijl toch niet meer dan zo'n vijf
procent, van de bevolking sympathiseerde met de Duitsers.
Ook na de inval van mei 1940 nam het verzet, nogmaals, hoe belangrijk en heldhaftig ook, nooit massale vormen aan. De Februaristaking van 24 februari 1941
had daarvan het begin kunnen zijn. Tienduizenden Amsterdammers legden
het werk neer als protest tegen de Jodenvervolging en de verplichte
tewerkstelling in Duitsland. Het verzet breidde zich uit naar Hilversum,
Haarlem en Utrecht. Maar de Duitsers grepen hard in, waarbij doden en
gewonden vielen. Op de Historiekpagina Februaristaking (1941) – Protest tegen de Jodenvervolging wordt gemeld dat de staking na twee dagen werd beëindigd, "ook onder druk van het Amsterdamse gemeentebestuur".
Het is zaak om bij dat laatste verder stil te staan. Want dat die
Februaristaking toch helaas al vrij snel in elkaar zakte, zal ermee te
maken hebben gehad dat het een spontane actie was, zonder centrale
inspiratie en coördinatie. Waarbij je natuurlijk ook meteen bedenkt dat
onderlinge communicatie, zonder internet en sociale media (zoals in
Oekraïne nu), uiterst moeilijk was. En juist bij een spontane
collectieve actie, met een potentieel grote steun, is het van cruciaal
belang dat iedereen geïnformeerd raakt over die grote actiebereidheid
van anderen. Als daar onzekerheid over is, dan wordt de kans op succes
al gauw veel kleiner.
In termen van de Dual Mode-theorie
gesteld, valt het meedoen aan het verzet, hier het meedoen aan die
staking, te zien als een vorm van gemeenschapsgedrag. We zijn met zijn
allen, in het bijzonder onze Joodse landgenoten, slachtoffer van
overheersing en onderdrukking. Onze morele gemeenschapsintuïties
vertellen ons dat we daartegen in opstand moeten komen. Dat doen we voor
onszelf, maar juist ook voor elkaar. En in het bijzonder voor degenen
die het meest gevaar lopen.
Maar voor iedereen individueel geldt dat het van groot belang is om
te weten hoeveel anderen er net zo over denken en bereid zijn om actie
te ondernemen. In plaats van zich bij de onderdrukking neer te leggen en
de ogenschijnlijke veiligheid van berusting en terugtrekking te zoeken.
Als inderdaad velen actiebereid zijn, en hun gemeenschapsintuïties
willen volgen, dan moet de informatie daarover zich over iedereen
verspreiden. Waarna, Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, de kans op een geslaagde collectieve actie snel toeneemt.
Het kan dus zo geweest zijn dat het snel verzanden en mislukken van
de Februaristaking er een gevolg van is geweest dat de informatie over
de grote actiebereidheid zich niet goed kon verspreiden. Waarbij ook de
afhoudende rol van het Amsterdamse gemeentebestuur van belang kan zijn
geweest. Als dat gemeentebestuur, en andere overheidsdienaren, meer hun
nek hadden uitgestoken, en als het nieuws daarover zich had kunnen
verspreiden, dan had dat ook iets verteld over de onderliggende
actiebereidheid.
In dat verband is de vergelijking met Denemarken interessant. Denk aan het bericht Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord.
De Deense regering en het koningshuis bleven na de Duitse inval aan en
accepteerden een "vreedzame bezetting". Daar valt van alles over te
zeggen, maar het had als voordeel dat regering en koning zich nog
enigszins een onafhankelijke rol konden toe-eigenen en dat ook deden.
Zo moet Koning Christiaan X hebben laten weten dat hij zelf ook de
davidsster zou gaan dragen als dat zou worden opgelegd aan zijn joodse
onderdanen. Dergelijke berichten moeten invloed op de Denen hebben gehad
en hen hebben geholpen bij het bepalen van wat het juiste gedrag was.
Ook al omdat mensen van elkaar wisten dat ze van die berichten op de
hoogte waren. Het kan een element zijn geweest dat er voor gezorgd heeft
dat de Deense bevolking wel, en de Nederlandse bevolking niet, met
zoveel succes hun Joodse landgenoten hebben gered.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 3. De bereidheid tot verzet was waarschijnlijk
veel groter, maar genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen,
ontbrak
Nog lang na de Tweede Wereldoorlog, en na de Holocaust van het
Hitlerbewind, leek het vanzelfsprekend dat bedreigingen van de
democratie vanuit rechts-extremistische hoek tot het verleden zouden
behoren. De gedachte was dat de mensheid belangrijke lessen had geleerd.
Maar het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw leert ons hoe
naïef die hoop was. Het statuscompetitieve, rechts-extremistische
wereldbeeld is weer helemaal terug en is in tal van landen een groot
gevaar voor de democratie. De actuele vraag is of de verdediging van de
democratie op tijd zal komen.
Of dat we eerst weer een periode moeten doormaken waarin de kwade kant
van de menselijke sociale natuur ruim baan krijgt. Met daarbij meteen de
vraag of de door ons veroorzaakte klimaatverandering ons daarvoor wel
voldoende tijd zal gunnen.
Wat kunnen we in dat verband van de gebeurtenissen uit het verleden
leren? Zoals van de gebeurtenissen in het door het extreemrechtse
Hitlerbewind bezette Nederland van 1940 tot 1945. Waardoor was het
verzet van Nederlanders tegen die bezetting en onderdrukking niet veel
massaler? Was er een massaler verzet mogelijk geweest?
In de sociale wetenschap is een bepaalde benadering van zo'n
probleem van collectieve actie gangbaar, namelijk die van de door het
economisch denken geïnspireerde rationele keuzetheorie.
Aanhangers van die theorie, als ze nog bestaan, vatten problemen van
collectieve actie op als meerpersoonsgevangenendilemma's, dat wil zeggen
als sociale situaties waarin het weliswaar voor iedereen beter zou zijn
om met zijn allen bij te dragen aan de collectieve actie, maar waarin
het voor iedereen individueel beter is om dat niet te doen. Zie voor
uitleg de wikipediapagina.
De voorspelling van de rationele keuzetheorie is dan ook dat in zulk
soort sociale situaties collectieve actie niet tot stand komt. Nederland
in 1940-1945 zou dus dichter in de buurt komen van die voorspelling dan
Denemarken in 1940-1945.
Over de waarde van die rationele keuzebenadering ontstonden al snel
twijfels. Op dit blog stond ik in 2012 stil bij het in 1970 verschenen
artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal-psychologen H.H. Kelley en A.J. Stahelski. Zie Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen.
Uit dat onderzoek bleek dat een grote groep mensen in een situatie
van collectieve actie erop uit is om met anderen samen te werken. Maar
tegelijk met de mogelijkheid rekening houdt dat er anderen kunnen zijn
die daar niet op uit zijn. Afhankelijk van hun inschatting of waarneming
hoeveel anderen ook op samenwerking uit zijn, zullen ze er voor kiezen
om samen te werken. Hoe meer anderen samenwerken, hoe groter hun
bereidheid om dat ook te doen. Hoe minder, hoe kleiner hun bereidheid.
Daarnaast was er een kleinere groep die ervan uitging dat anderen nooit zullen samenwerken en die dat dus ook zelf niet deden.
Van beide groepen kun je zeggen dat ze zich gedroegen volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie.
Samenwerken is een vorm van gemeenschapsgedrag en volgens die stelling
vertonen mensen meer gemeenschapsgedrag hoe meer anderen dat ook doen.
Dat is het gedrag van de eerste, grotere, groep. Daarentegen keek de
tweede, kleinere, groep met een statuscompetitieve blik naar de sociale
wereld, waardoor ze ook zelf kozen voor competitie in plaats van
samenwerking. Geheel in overeenstemming met Stelling 2. Zoals ik in dat
bericht uit 2012 al opmerkte, luidde dat artikel van Kelley en Stahelski
indertijd voor mij het einde van de rationele keuzetheorie in. Waar
vele jaren later de Dual Mode-theorie voor in de plaats kwam.
Toegepast op de situatie waarin Nederlanders zich bevonden gedurende
de Duitse bezetting van 1940-1945, kun je dus als verklaring voor het
beperkte karakter van het verzet aanvoeren dat misschien veel meer
Nederlanders tot verzet bereid waren, maar er te weinig op vertrouwden
dat anderen dat ook waren. Ze kregen te weinig signalen van die
bereidheid. Bedenk wederom dat er geen internet en sociale media waren.
Alle informatie moest komen van horen zeggen. En er was niet meer, zoals
in Denemarken wel, een nog enigszins onafhankelijke overheid die zich
tot woordvoerder van die grote bereidheid kon opwerpen.
Dus mislukte de Februaristaking. Dus was er geen massale opstand
tegen de Jodenvervolging. Dus ging voor de niet-Joodse Nederlanders het
gewone leven door terwijl hun Joodse landgenoten zich moesten laten
registreren en de door henzelf betaalde en door een Nederlandse fabriek
vervaardigde Jodenster moesten dragen. En stapsgewijs van het publieke
leven werden uitgesloten. En uiteindelijk per trein, met Nederlands
personeel, naar Westerbork en verder werden afgevoerd.
Dat kon allemaal gebeuren. Driekwart van de Nederlandse Joden werd door het Hitler-bewind vermoord. Door het ontbreken van massaal verzet, werd de Holocaust helaas maar weinig in de weg gelegd.
Nogmaals, natuurlijk met erkenning van en waardering voor wat er wel
aan verzet was. Maar navrant is het wel dat de bereidheid tot verzet
waarschijnlijk veel groter was, maar dat een belangrijke voorwaarde daar
voor, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 4. Had het verzet groter kunnen zijn als meer
mensen gevraagd waren om er aan deel te nemen?
Dat er gedurende de Duitse Bezetting van 1940-1945 niet een massaler
verzet was, kan eraan gelegen hebben dat er wel een grote bereidheid
tot deelname aan het verzet was, maar dat er tegelijk onvoldoende zicht
was op de bereidheid van anderen.
Daarbij moeten we bedenken dat verzet allerlei vormen aannam en had
kunnen aannemen. Er was de Februaristaking van 1941, de april-mei
staking van 1943 en de Spoorwegstaking van 1944. Er was het onderbrengen
van en de hulp aan onderduikers, Joodse landgenoten of degenen die zich
aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland onttrokken. Dat hield ook
in dat voedselbonnen en persoonsbewijzen werden vervalst en dat
overvallen op bonnenbureaus en bevolkingsregisters werden gepleegd. En
er waren sabotageacties, liquidaties en er was de illegale pers.
Maar dat alles verhinderde dus niet dat driekwart van de Joodse
landgenoten werden weggevoerd en vermoord. Directie en personeel van de
Spoorwegen hadden kunnen weigeren om daaraan mee te werken. Directie en
personeel van het bedrijf dat de Jodensterren vervaardigde, hadden
kunnen weigeren om die opdracht aan te nemen. Politieagenten hadden op
grotere schaal kunnen weigeren om mee te werken aan het oppakken en
deporteren van Joodse landgenoten. Zie de Historiekpagina De Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog.
Dat alles was natuurlijk niet zonder persoonlijke risico's geweest,
maar die waren naar alle waarschijnlijkheid geringer geweest, hoe meer
er aan hadden meegedaan.
Hoe was dat laatste te bereiken geweest? En hoe zou het te bereiken zijn in soortgelijke situaties?
Dat voert me terug op de beslissing van mijn vader, toen hem ergens
in 1943 gevraagd werd om mee te werken aan de hulp aan onderduikers. Zie
Over de voedselvoorziening aan onderduikers tijdens de bezetting (vervolg).
Wat hem gevraagd werd, bracht risico's met zich mee en hij had thuis
vrouw en twee kinderen, mijn vijf jaar oudere broer en ikzelf, geboren
op 3 juni 1943. Hij had tot dan niet aan het verzet deelgenomen. Hij
zocht niet het gevaar en het avontuur. Maar hij moet wel al snel tot de
conclusie zijn gekomen dat hij niet kon weigeren. Hier was een goede
zaak waar hij aan moest bijdragen.
Hoeveel anderen, evenmin op zoek naar gevaar en avontuur, zouden ook
zo hebben beslist, als ze maar gevraagd waren? Gevraagd om niet mee te
werken aan het oppakken van Joodse landgenoten? Gevraagd om te weigeren
de treinen te laten rijden waarmee die werden afgevoerd? Gevraagd om te
weigeren de Jodensterren te vervaardigen? Gevraagd om onderduikers op te
nemen of hen te helpen?
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 5. Over hoe het Duitse volk zelf niet in verzet
kwam
Bezetting, terreur en vervolging vormen een bijzonder geval van het
vaker voorkomende verschijnsel van het collectief bedreigd zijn,
waartegen een verdediging mogelijk zou zijn als maar genoeg mensen
daaraan zouden meedoen. En dat laatste is dus vaak niet zo. Hoe komt
dat?
Een ander geval van collectief bedreigd zijn is de situatie waarin
de Duitsers zelf verkeerden gedurende de opkomst van Hitler in de jaren
dertig en na het uitbreken van de oorlog, met de inval in Polen, in
1939. Hoewel de steun voor Hitler opliep, haalde hij bij de laatste
Rijksdagverkiezing voor de machtsovername, op 5 maart 1933, geen
meerderheid. En na de aanvankelijke economische (en militaire) successen
werd het voor de Duitse bevolking al gauw duidelijk dat die succesvolle
economie niet voor hun welzijn bedoeld was, maar voor het voeren van
een roekeloze oorlog die slechts op een ramp kon uitlopen.
Onder die oorlogseconomie en onder die oorlog had ook het Duitse
volk zelf te lijden, dus nog afgezien van het leed dat aan anderen werd
toegebracht. Er was weliswaar enig verzet en er waren een of twee
mislukte aanslagen op Hitler. Maar ook toen de meeste Duitsers al wel
door hadden gekregen dat ze zich door een narcistische fantast hadden
laten begeesteren en dat het niet goed zou aflopen, bleven ze passief en
zelfs apathisch en kwam er geen volksopstand.
Ik bladerde even door The Wages of Destruction
van Adam Tooze. Nadat de militaire successen duidelijk tot het verleden
behoorden en de geallieerde bombardementen op de Duitse steden waren
begonnen, was er van die aanvankelijke begeestering weinig meer over.
Tooze schrijft daarover (p. 602-3):
...the impact of the events of July 1943 (het bombardement op
Hamburg) cannot be exaggerated. Even the most rabid adherents of the
Third Reich could hardly deny that 'the end was nigh'. (...) Not
surprisingly, as the news from Hamburg leaked, the Gestapo picked up
reports of shock and dismay from across the country. (...) The SD noted
that party members were no longer wearing their party badges in public
and people were avoiding the Hitler salute wherever possible. Speer (Albert Speer)
found that even party audiences no longer responded to his boasts about
the triumphs of the armaments miracle. Amongst senior industrial
leaders, the SD reported, there was no longer anyone who believed in the
possibility of a German victory. To admit as much in public, however,
was extremely dangerous.
Dat laatste slaat op de terreur van het bewind tegen de eigen
bevolking. Een onafhankelijke rechtspraak bestond al lang niet meer.
Tooze (p. 603):
The politcization of the judiciary, which had taken on ever more
aggressive forms since the beginning of the war, was intensified. By
1943 the courts were issuing death penalties against Germans for
defeatism and sabotage at the rate of a hundred a week. Even prominent
businessmen were no longer immune. (...) In the autumn of 1943 two
senior branch managers of the Deutsche Bank were arrested and executed
for making defeatist remarks. A designated board member of the
electricity giant RWE suffered the same fate...
Het is natuurlijk moeilijk om nog een goed beeld te krijgen van wat dit voor de Duitse bevolking betekende. Als je The German War. A Nation Under Arms, 1939-1945 van Nicholas Stargardt er op naslaat, dan lees je (p. 373-4):
Most ominously for a Security Service primed to prevent a repeat of
the 1918 revolution, during the course of August 1943 it reported
growing public dissent. When the Lord Mayor of Göttingen boarded a train
from Hamburg, refugees spotted his golden Party badge and told him
quitley that there would be a reckoning. A woman even held her sleeve up
to his nose so that he could smell the stench of the smoke on her
clothes. Party officals were so often abused and threatened in public,
especially in cities which had recently been bombed, that in the late
summer of 1943 many stopped wearing their uniforms and Party badges in
public. (...) In Marburg, Lisa de Boor was thrilled: "'Everywhere in the
streets, in the shops, at the station, people are talking to one
another saying that it can't go on like this.'
Ook lees je daar dat het onder de Duitse bevolking rond ging dat de
bombardementen een wraakactie waren voor wat de Duitsers de Joden hadden
aangedaan (p. 375):
As evacuees from northern and western Germany brought tales of
horror they had endured to the unscathed south and east of the country,
everywhere 'terror bombing' was ascribed to 'the Jewish retaliation'.
Nazi propaganda had played its part in preparing this response by
insisting that the Jewish lobby in London and Washingtom was behind the
bombing in an attempt to exterminate the German nation. But the tenor of
popular reasoning was now different: it was what the Germans had done
to the Jews that had provoked them to use their power to bomb German
cities.
Wat er meteen op wijst dat de bevolking behoorlijk goed op de hoogte was van de massamoord op de Joden. Denk ook aan Peter Longerichs "Davon haben wir nichts gewusst!". Die kennis drong zich nu natuurlijk op, maar dat zette ook nu niet aan tot verzet. Stargardt (p.380):
The regime could demand silence from the German people, but it could
not alter the fact that the shared secret of the murder of the Jews had
been broached openly across Germany and that such talk did not
strenghten support for the regime. But it did not provoke real action
either: dissent never progressed beyond the talk of regime change and a
separate peace.
Het bleef dus bij woorden. De verschrikkingen gingen door. Tot
uiteindelijk die narcistische fantast, waar ze al zo lang op waren
uitgekeken, op 30 april 1945 in zijn Berlijnse bunker zelfmoord pleegde.
Gedurende zijn leven kwam het Duitse volk niet in verzet.
Wat maakt dat collectief en massaal verzet tegen terreur en
onderdrukking zo moeilijk van de grond komt? Wat hield de Nederlanders
tegen gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945? Wat hield de Duitsers
zelf tegen, nadat ze doordrongen waren geraakt van de ware aard van het
Hitler-bewind?
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 6. Over de immobilisatiereactie, het belang van
wat anderen doen en het "Ontwaakt, verworpenen der aarde!"
Onderdrukt worden is een toestand van sociale onveiligheid, waarop
mensen, afhankelijk van de omstandigheden en de toestand van hun
autonome zenuwstelsel, reageren met vluchten (flight), het plegen van verzet (fight) of met die immobilisatiereactie.
Reacties die dus voortkomen uit de diepere lagen van de menselijke
sociale natuur. Geen weloverwogen, "rationele" daden (in het geval van
vluchten of vechten) en niet een weloverwogen, "rationeel" afzien van
daden, maar immobilisatie, verstijfd zijn door angst, verdringing,
dissociatie, terugtrekking, blokkering.
Mensen zijn nu eenmaal geen "koele kikkers", als die al bestaan,
maar wezens van vlees en bloed en met een autonoom zenuwstelsel.
Waardoor het niet plegen van verzet er dus ook uit kan voortkomen dat
mensen immobiliseren, verstijfd zijn door angst en in die toestand zo
goed mogelijk proberen door te leven, zichzelf voorhoudend dat er niets
anders op zit.
En als de onderdrukking een collectieve bedreiging is, dan hebben we
in het geval dat veel mensen terechtkomen in die immobilisatiereactie
dus te maken met een collectief trauma. De afwezigheid van verzet komt
niet door weloverwogen passiviteit of onverschilligheid, maar door angst
en blokkering.
Individuele trauma's, angststoornissen en daarmee samenhangende
aandoeningen kunnen behandeld worden en vaak met succes. Succes bestaat
er dan uit dat het "sociale betrokkenheidssysteem", dus het
gemeenschapspatroon, zodanig geactiveerd wordt dat mensen uit dat
statuscompetitiepatroon van de immobilisatie kunnen ontsnappen. Daarmee
leren ze dat het niet langer nodig is om naar de wereld te kijken als
vol van gevaren en bedreigingen. Het herwonnen gevoel van veiligheid
maakt dat ze weer op anderen betrokken kunnen zijn. Denk aan de op het
autonome zenuwstelsel gerichte therapie op basis van de
polyvagaaltheorie zoals uiteengezet door Stanley Rosenberg in De nervus vagus als bron van herstel. Of denk aan het werk van psychiater Bessel van der Kolk.
Maar hoe doe je dat met een collectief gevoel van onveiligheid? Dat
bovendien niet een nasleep is van in het verleden ervaren onveiligheid,
zoals met individuele trauma's, maar voortkomt uit bedreigingen in het
hier en nu.
Precies hier komt de Dual Mode-theorie
binnen en wel in het bijzonder Stelling 2. Die houdt immers in dat
mensen beïnvloed worden door wat ze in hun sociale omgeving ervaren. Hoe
meer gemeenschapsgedrag je ervaart, hoe veiliger je sociale omgeving en
hoe meer ook jouw gemeenschapsgedrag wordt geactiveerd. Dus hoe
actiever jouw sociale betrokkenheidssysteem. En andersom, hoe meer je in
aanraking komt met statuscompetitiegedrag, in dit geval in de vorm van
blootstelling aan onderdrukking, hoe onveiliger je sociale omgeving en
hoe sterker jouw terugtrekkingsreactie.
Daar is dus tegenwicht nodig. Die kan er zijn als de onderdrukten
over elkaar geïnformeerd raken en over elkaars bereidheid om in verzet
te komen. En verzet tegen onderdrukking is een vorm van
gemeenschapsgedrag. Het is de strijd tegen het statuscompetitiepatroon
en een strijd die je niet alleen voor jezelf, maar ook voor alle andere
onderdrukten voert. Als de onderdrukten uit hun isolement bevrijd
worden, en dus over elkaars bereidheid tot verzet geïnformeerd raken,
dan groeit het tegenwicht tegen ieders terugtrekking en verlamming. Door
de met elkaar gedeelde bereidheid tot het gemeenschapsgedrag van het
verzet, gloort er hoop..
Kort gezegd, collectief en massaal verzet zal opbloeien hoe meer de
informatie zich verspreidt over ieders bereidheid tot verzet. Vandaar
het belang van demonstraties in de straten en op de pleinen. Vandaar het
belang van sociale media. Mensen moeten het van elkaar weten. Vandaar
ook de pogingen van de onderdrukkers om die informatieverspreiding tegen
te gaan. Door censuur, propaganda en afsluiten van het internet.
En vandaar ook het belang van gebeurtenissen die de onderdrukten een
indruk geven van de algemene bereidheid tot verzet. En die dat verzet
uitlokken. Zo'n uitlokkende gebeurtenis was in Iran de dood van de
22-jarige Mahsa Amini, die vanwege het niet juist dragen van de
hoofddoek door de "moraliteitspolitie" was opgepakt. Niet alleen was
iedereen daar verontwaardigd over, ook was iedereen er meteen van
overtuigd dat ieder ander daar verontwaardigd over was. Die overtuiging
zorgde er voor dat mensen de straat opgingen in de vaste verwachting dat
ze niet de enige zouden zijn. Dus massale demonstraties, die op hun
beurt weer nieuwe demonstraties uitlokten.
Toch nog even terug naar die rationele keuzetheorie. Merk op dat het
voor die theorie niet uitmaakt wat mensen weten over de bereidheid van
anderen. Hoe klein of groot die bereidheid ook is, het blijft voor ieder
individu de beste ("rationele") optie om niet mee te doen. En wel te
profiteren van wat andere eventueel doen. Een mistroostig, maar vooral
ook onrealistisch mensbeeld.
Als het inderdaad zo is dat die immobilisatiereactie tot het
menselijk gedragsrepertoire behoort, dan zou je mogen verwachten dat
mensen daar ook zelf weet van hebben. Dat het tot de algemeen gedeelde
kennis behoort. Dat lijkt ook het geval. We hebben er immers naast een
sociaalwetenschappelijke vakterm als immobilisatie ook woorden voor in
onze omgangstaal: verstijfd door angst, blokkering, terugtrekking.
Woorden waarvan iedereen weet wat er mee bedoeld wordt.
Ik dacht ook even aan de eerste vier woorden van de Internationale: "Ontwaakt, verworpenen der aarde!" Hier de vertaling door Henriëtte Roland Holst
uit 1899 van de oorspronkelijk Franse tekst. Daarin worden onderdrukten
opgeroepen om te ontwaken. Ontwaken uit de sluimer van de
immobilisatie. En wordt gewezen op de groeiende bereidheid om in verzet
te komen: "Reed‘lijk willen stroomt over de Aarde, en die stroom rijst
al meer en meer".
Na deze omweg gaan we in het volgende bericht weer terug naar de
vraag waarmee deze reeks begon: waardoor was er niet een massaler verzet
van de Nederlanders tegen de Duitse bezetting en de Jodenvervolging van
1940-1945?
Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt
iedereen, ook de onderdrukker, zich onveilig. - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 7.
Dat gedurende de Duitse Bezetting slechts zo'n vijf procent van de
Nederlandse bevolking actief was in het georganiseerde verzet, hield ook
in dat het verzet maar weinig zichtbaar was. De indruk kon niet
ontstaan dat massaal verzet op het punt stond door te breken. Juist
omdat het zo gering van omvang was, moest het zich in het verborgene
afspelen. Van een doorbraak naar demonstraties in straten en op pleinen
is het nooit gekomen.
Dat kwam natuurlijk ook doordat de bezetter erop uit was, zoals
onderdrukkers dat altijd zijn, om verzet in de kiem te smoren. Die
immobilisatiereactie is precies wat de onderdrukker beoogt te bereiken.
Dus intimidatie, door buitensporig geweld, represailles, martelingen.
Het Duitse bombardement op Rotterdam in mei 1940 had natuurlijk ook de
bedoeling om te intimideren. Het behoort tot het "natuurlijke "gedrag
van de onderdrukker om angst en vrees aan te jagen.
Het sociale patroon van de onderdrukking is dat van de
statushiërarchie, waarin de onderdrukker zijn eigen veiligheidsgevoel
najaagt door de onveiligheidsgevoelens van de onderdrukten, dus van
iedereen, zoveel mogelijk aan te wakkeren. Denk aan de paranoia van
Stalin en zijn schrikbewind, waarin iedereen elke nacht van zijn bed kon
worden gelicht.
En denk aan de paranoia van Poetin en de vele moordaanslagen op zijn
tegenstanders, de "verraders". Op 7 oktober 2006, op Poetins
verjaardag, werd de kritische journaliste Anna Politkovskaja vermoord,
nadat eerder een poging was gedaan haar te vergiftigen. Zulke
vergiftigingspogingen waren er meer. En er waren opvallend veel tegenstanders die omkwamen doordat ze uit het raam vielen of overboord sloegen. Niet alleen om die personen uit de weg te ruimen, maar vooral ook vanwege de algehele intimidatie die er het effect van is.
Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt iedereen
zich onveilig. De onderdrukten zijn verstijfd van angst. En de
onderdrukker lijdt aan paranoia.
Over verzet in Rusland tegen Poetin en een oproep om de angst te
overwinnen - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders
reageerden op de Duitse Bezetting - 8
De 23-jarige activist en oud-student wiskunde aan de Moskouse
Staatsuniversiteit Dimitri Ivanov werd tot 8,5 jaar strafkolonie
veroordeeld wegens "ondermijning van de autoriteit van het Russische
leger". Geert Groot Koerkamp berichtte erover in de Volkskrant.
Ivanov is een voorbeeld van iemand die tegen een onderdrukkende en
intimiderende macht in verzet komt. De heersende macht in Rusland,
Poetin en de mensen om hem heen, willen Groot Rusland terug en kunnen
daarom een zelfstandig en democratisch Oekraïne niet tolereren. Vandaar
de inval, de "speciale militaire operatie". Die minder voorspoedig liep
dan gedacht.
Bovendien hadden de machthebbers in het Kremlin al vanaf het begin
door dat die inval bij de Russische bevolking niet alleen maar op
instemming kon rekenen. Dus moest kritiek worden onderdrukt en moest er
een beeld van massale steun gefabriceerd worden. Daarom werd besloten
dat kritiek, ja, zelfs het gebruik van het woord oorlog, streng moest
worden bestraft. Bedenk dat Rusland geen onafhankelijke rechtspraak
kent.
Ivanov deelde via een mede door hem opgericht Telegramkanaal
berichten over het optreden van Russische troepen in Boetsja en over
bombardementen op Marioepol. Dat was in strijd met de officiële
berichtgeving van het ministerie van Defensie en moest dus worden
bestraft.
Opvallend is dat Ivanov in de rechtszaal vanuit de kooi waarin hij
verbleef het woord mocht voeren. Waarschijnlijk toegestaan om de schijn
van vrijheid min of meer in stand te houden. Geert Groot Koerkamp haalt
de volgende citaten aan van wat hij gezegd heeft.
Mijn mening is dat je je niet moet overgeven aan je angst, maar moet
doorgaan met de strijd, jezelf blijven. Mijn voorbeeld moet u niet bang
maken, integendeel. Waar we ons ook bevinden, we kunnen heel veel doen
voor ons land en het moment dichterbij brengen waarop, onvermijdelijk,
deze oorlog zal stoppen.
Ze willen iedereen bang maken, in Rusland en daarbuiten. Ik ben niet
bang en heb iets te zeggen. U moet begrijpen dat Rusland niet hetzelfde
is als Poetin. Wij hebben niet op hem gestemd en hij heeft ons niet
gevraagd deze oorlog te beginnen met onze naaste buren. Ik weet dat
tientallen miljoenen mensen hier in Rusland tegen deze criminele oorlog
zijn.
Veel Russen hebben vrienden en familieleden in Oekraïne, weet hij.
We voelen de pijn. Deze oorlog is een grote tragedie voor alle
Oekraïners, maar het is ook een tragedie voor Russen die in vrede willen
leven met hun buren en nu lijden onder een dictatuur. We beleven een
duister moment in onze geschiedenis. Maar de grootste duisternis gaat
vooraf aan de zonsopkomst.
Wat hier gebeurt is iconisch voor het algemene verschijnsel van een
angst aanjagende onderdrukker waartegen iemand in verzet is gekomen die
oproept om niet aan die angst toe te geven. Een oproep aan tientallen
miljoenen anderen die ook verzet zouden willen plegen, maar bij wie met
succes angst is aangejaagd.
Dat wil zeggen dat de onderdrukking hen in de "immobilisatiereactie op ervaren onveiligheid" heeft doen belanden.
In het Nederland van 40-45 was er, en in het Rusland van nu is er,
een grote meerderheid die door angst en intimidatie niet in verzet komt
en een kleine minderheid die de angst overwint. Als je bedenkt dat er in
beide gevallen ook een minderheid was en is die het land ontvluchtte,
dan heb je de drie mogelijke reacties op ervaren onveiligheid compleet:
vechten (verzet plegen), vluchten en immobilisatie door angst.
De grote vraag is natuurlijk hoe je kunt bereiken dat in zulke
gevallen van onderdrukking meer mensen hun angst overwinnen en in verzet
komen. Want als er maar genoeg van hen zijn, dan is er uitzicht op
succesvol verzet.
"Hoe heeft dit alles hier kunnen gebeuren?" - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 9
De EO-documentaire Gaat dit over ons? Herdenken in Nederland polderland
van Alfred Edelstein gaat over de vraag hoe het zo lang kon duren voor
er ons nationale herdenkingsbeleid aandacht werd besteed aan de
Jodenvervolging. Lang ging het alleen maar over de gesneuvelde
militairen en de verzetshelden. Daan Scheider haalde in de VPRO-gids Bart Wallet aan, hoogleraar Joodse studies:
‘Voor het uitzonderlijke leed dat de Joden, Roma en Sinti is
aangedaan was in het nationale verhaal na de oorlog geen ruimte,’ stelt
Bart Wallet, hoogleraar Joodse Studies. De Joden werd het zwijgen
opgelegd en van de Roma en Sinti werd in de in die tijd nog überhaupt
niet gerept. Om die reden kozen zij ervoor hun leed in eigen kring te
herdenken.
Waarna het schrijnende relaas volgt van de pogingen van de na de
oorlog overgebleven Joodse gemeenschap om op het Jonas Daniël
Meijerplein, waar in 1941 de eerste grote razzia's plaatsvonden, een
monument op te richten ter nagedachtenis aan degenen die waren
afgevoerd. De gemeente Amsterdam traineerde dat initiatief. In plaats
daarvan werd in 1952 op datzelfde plein het beeld van De Dokwerker onthuld, ter nagedachtenis aan de Februaristaking van 1941.
Het leed van de Joden moest letterlijk plaatsmaken voor het
heldhaftige zelfbeeld van Nederland als verzetsland. 'Symbolischer kun
je het niet hebben,' aldus Wallet.
Dat die Februaristaking, "in heel bezet Europa het enige massale en openlijke protest tegen de jodenvervolging" (Joods Monument, Februaristaking),
wordt herdacht, is natuurlijk zeer terecht. Maar de verdenking ligt wel
erg voor de hand dat de herdenking ervan, samen met de stilte rond de
Jodenvervolging zelf, ook diende om een slecht geweten te sussen.
Het heeft wel heel lang geduurd voor die stilte op nationaal niveau
werd doorbroken. Pas in 2020 bood de Nederlandse staat bij monde van
premier Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de
Jodenvervolging. En pas in 2021 werd in Amsterdam het indrukwekkende Holocaust Namenmonument
opgericht, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Die
allerprangendste vraag – hoe heeft dit alles hier kunnen gebeuren? –
werd door de Nederlandse overheid te lang omzeild, maar wordt in de
documentaire onomwonden beantwoord. In de woorden van schrijver Wim de
Wagt:
‘Het Namenmonument laat zien waar een teveel aan consensus en
coöperatief medewerken en een gebrek aan weerbaarheid toe kunnen leiden.
Dat is de schaduwzijde van het Nederlandse poldermodel.’
Die verwijzing naar het Nederlandse poldermodel als antwoord op die prangende vraag verraste mij.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 10
Nederlanders legden er zich gedurende de Duitse bezetting van
1940-1945 bij neer, of werkten er zelfs aan mee, dat driekwart van hun
Joodse landgenoten door de Duitsers werden afgevoerd en vermoord. Dat is
een zo beschamende constatering dat er na 1945 lang over werd gezwegen.
Maar de vraag hoe dat kon gebeuren is in menselijk opzicht zo cruciaal,
en van zo groot belang voor het menselijk vermogen tot zelfinzicht, dat
hij niet blijvend kon worden genegeerd.
En hij is ook sociaalwetenschappelijk van het allergrootste belang.
De Duitse bezetting was een geval van onderdrukking, dus van een
toestand waarin het statuscompetitiepatroon actueel is in de vorm van
een statushiërarchie. Het gevaar daarvan is dat hij overgaat in een
stabiele "evenwichtstoestand",
dat wil zeggen in een toestand waarin er van binnenuit geen verandering
meer optreedt. In feite was dat gevaar gerealiseerd, want Nederland was
voor de bevrijding afhankelijk van krachten van buitenaf, van de
inspanningen van de Geallieerden.
Na die te lange periode van stilzwijgen kon gaandeweg het inzicht
naar boven komen dat we hier te maken hebben met een schandvlek in onze
nationale geschiedenis. In 2005 was het zover dat de Nederlandse
Spoorwegen hun excuses ervoor aanboden dat de organisatie zo gewillig de
Duitse opdracht uitvoerde om de Joodse Nederlanders en de Roma en de
Sinti naar het doorgangskamp Westerbork te transporteren en zich daar
voor liet betalen. Daarna was er nog heel wat voor nodig om de stap te
zetten naar een financiële compensatie voor overlevenden en
nabestaanden. Zie Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord.
Ook werd er aan het NIOD de opdracht verstrekt voor een diepgaande
onderzoek naar de rol van de Spoorwegen met betrekking tot het
faciliteren van de Duitse oorlogs- en vernietigingsindustrie. Centraal
staat de vraag naar het functioneren van verschillende bestuurslagen,
afdelingen en individuen van De Nederlandse Spoorwegen tijdens de
bezetting, evenals hun betrokkenheid bij, en verantwoordelijkheid voor,
het uitvoeren van (transport)opdrachten op last van de Duitsers
gedurende het verloop van de oorlog. (Onderzoek naar De Nederlandse Spoorwegen tijdens de Tweede Wereldoorlog)
En pas in 2020 (!) bood de Nederlandse staat bij monde van premier
Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de
Jodenvervolging. Gevolgd in 2021 door de oprichting in Amsterdam van het
indrukwekkende Holocaust Namenmonument, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Eerder, in 2007, werd in ons land begonnen met het plaatsen van de struikelstenen of "stenen des aanstoots" in het trottoir voor de huizen waar verdreven en vermoorde Joden woonden.
Een en ander heeft natuurlijk de nodige aandacht gekregen. Maar je
kunt je afvragen of aandacht alleen voldoende is om lessen te kunnen
trekken over hoe het kon gebeuren. Hoe het kon gebeuren dat de
Nederlandse bevolking en het ambtenarenapparaat toekeken of zelfs
meewerkten aan het isoleren, de verontrechting, de deportatie en het
vermoorden van een deel van de bevolking. En die vraag is zoals gezegd
ook van fundamentele sociaalwetenschappelijk belang.
Gelukkig worden historici, ook driekwart eeuw na de Bevrijding, niet
moe het materiaal aan te dragen dat voor het beantwoorden van die vraag
noodzakelijk is. In 2020 verscheen Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie van Rob Bakker (ruim 700 bladzijden) en vorig jaar Buitengewone transporten. Deportaties van Joden, Roma en Sinti uit Nederland, 1940-1945 (ruim 300 bladzijden).
De vluchtreactie en de immobilisatiereactie in mei 1940 - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 11
Nadat Nederland de vechtreactie op de Duitse inval in 1940 met de
capitulatie vooralsnog had afgesloten, was er gaandeweg de bezetting het
vechten in de vorm van het ondergrondse verzet.
Maar er was ook de vluchtreactie. Er waren Nederlanders die erin
slaagden om Engeland te bereiken. Maar vooral was er natuurlijk de
vlucht van koningin Wilhelmina, het koninklijk huis en de ministers naar
Engeland. Ze vertrokken hals over kop, zonder dat de ministers
instructies achterlieten voor hun secretarissen-generaal. Rob Bakker
daarover in zijn Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie (p. 40-46):
Ze (de secretarissen-generaal) werden in het diepe gegooid, met als enige boei de geheime Aanwijzingen,
ooit opgeschreven in 1937. ("Aanwijzingen betreffende de houding, aan
te nemen ... in geval van vijandelijken inval.") Daar werd op 20 mei via
de BBC van minister-president D.J. de Geer nog een boodschap aan
toegevoegd, overigens zonder overleg met zijn kabinet, dat het de plicht
was van de administratieve instanties 'zo goed zij kunnen met de Duitse
autoriteiten samen te werken en daardoor de bevolking zoveel mogelijk
te helpen'. De bevolking werd gevraagd zich 'kalm en hartelijk' te
gedragen. (...)
H. Colijn, viervoudig premier voor de oorlog en de belangrijkste vooroorlogse politicus, (...), meende in zijn brochure Op de grens van twee werelden
die op 25 juni werd uitgegeven, dat 'Duitsland zal bestemmen welke
positie Nederland na de vrede innemen zal'. Men moest accepteren deel
uit te maken van een 'Nieuw Europa' onder Duitse leiding.
Nadat in de eerste twee weken van de bezetting generaal en
opperbevelhebber Winkelman nog belast was met het militaire en civiele
gezag, ging het officiële gezag op 29 mei over op de bezetter in de
persoon van de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete Arthur Seiss-Inquart. De secretarissen-generaal waren bij zijn installatie in de Ridderzaal aanwezig.
Seiss-Inquart had na zijn installatie aan de secretarissen-generaal
gevraagd of zij bereid waren 'als goede Nederlanders' op hun post te
blijven. De secretarissen-generaal vroegen en kregen toestemming van de
niet meer in functie zijnde opperbevelhebber generaal Winkelman voor die
toezegging aan Seiss-Inquart.
Vervolgens lees je dat de secretaris-generaal H.M. Hirschfeld de
Duitsers ervan overtuigden dat ze met het College van
Secretarissen-generaals konden samenwerken. Het College verklaarde zich
bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden.
Daarbij werd de afspraak gemaakt dat een secretaris-generaal zonder
strafmaatregelen zou mogen aftreden als hij zijn werk niet meer in
overeenstemming zou vinden met zijn functie of geweten. Wat echter ook
inhield dat hij niet tegelijk kon aanblijven en de medewerking aan een
ongewenste maatregel weigeren. Van enig verzet in functie kon geen
sprake zijn.
In feite schikte het hele Nederlandse ambtenarenapparaat inclusief de rechters zich in de nieuwe verhoudingen.
Seiss-Inquart had in zijn eerste verordening de bepaling opgenomen
dat alle rechters, ambtenaren en leerkrachten moesten verklaren dat zij
de verordeningen en andere regelingen van de Reichskommissar en
van de aan hem ondergeschikte Duitse diensten stipt zouden uitvoeren en
dat zij geen enkele anti-Duitse handeling zouden plegen.
Dat mocht juridisch geen eed worden genoemd, want dat zou in strijd zijn geweest met het Landoorlogreglement
en dus als landverraad kunnen worden beschouwd. Daar schrok dus
iedereen voor terug. Uiteindelijk werd besloten tot een "plechtige
verklaring", die luidde:
'Ik verklaar hierbij plechtig dat ik, zolang ik mijn ambt waarneem,
de verordeningen en andere bepalingen van de rijkscommissaris en zijn
organen, naar eer en geweten zal naleven en mij zal onthouden van elke
handeling gericht tegen het Duitse rijk of de Duitse weermacht.'
Ik weet het niet, het is nu meer dan tachtig jaar geleden en dus
gemakkelijk om te oordelen, maar mij lijkt dit, weliswaar niet naar de
vorm, maar wel materieel, gewoon een daad van landverraad.
Dat alles is natuurlijk bekend. Maar je leest het toch met enige
huiver. Want in feite herkennen we hier de immobilisatiereactie, de
reactie van de volledige overgave. Na de vlucht van het staatshoofd en
de ministers voegde het hele ambtenarenapparaat zich zonder enige
terughouding naar wat de bezetter oplegde en nog kon opleggen. Elke
notie van verzet, van de vechtreactie, ontbrak.
Dat kan niet anders dan een geweldige invloed hebben gehad op de
reactie van de Nederlandse bevolking. De neiging tot immobilisatie, tot
het zich terugtrekken, zich neerleggen bij de nederlaag en de
intimidatie van de nieuwe machthebber, zal er natuurlijk al geweest
zijn. Maar die zal zowel door de vlucht van staatshoofd en regering als
door de totale overgave van het ambtenarenapparaat versterkt zijn.
Daarmee werden al meteen de voorwaarden gecreëerd waaronder je
inderdaad niet anders kon verwachten dat slechts zo'n vijf procent van
de bevolking daadwerkelijk tot verzet, tot de vechtreactie, overging.
En dus ook de voorwaarden waaronder de bevolking toeliet of er zelfs
aan meewerkte dat driekwart van de Joodse landgenoten en de Sinti en
Roma door de bezetter werden afgevoerd en vermoord.