Posts tonen met het label cooperative breeding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cooperative breeding. Alle posts tonen

woensdag 1 mei 2024

Meer onderzoek over het belang van de door kinderen ervaren sociale veiligheid in het gezin voor de kans op gemeenschapsgedrag

Hoe komt het dat we in vrijwel alle hedendaagse menselijke samenlevingen een mix waarnemen van gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag? 

Dat ligt er natuurlijk aan dat beide gedragspatronen nu eenmaal deel uitmaken van de menselijke sociale natuur. Die twee patronen liggen klaar om geactiveerd te worden. In een sociaal veilige omgeving, dat wil zeggen een omgeving waarin gemeenschapsgedrag veel voorkomt, wordt het gemeenschapspatroon geactiveerd. En in een sociaal onveilige omgeving, dus waarin veel statuscompetitiegedrag voorkomt, is het statuscompetitiepatroon een passend antwoord, waardoor dat geactiveerd wordt. Anders gezegd, beide patronen versterken zichzelf. Zie voor meer uitleg Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Die mix van de twee gedragspatronen is er doordat beide sociale omgevingen, de veilige en de onveilige, in onze huidige samenlevingen voorkomen. En omdat we weten dat een sociaal veilige samenleving, waarin dus overwegend gemeenschapsgedrag geactiveerd wordt, beter uitpakt voor menselijk welzijn en gezondheid, is het dus een belangrijke opdracht om die sociale veiligheid te bevorderen. 

Een van de wegen waarlangs we dat kunnen doen, bestaat eruit dat we er zo goed mogelijk voor zorgen dat kinderen opgroeien in een sociaal veilige omgeving. En in onze samenleving bestaat die omgeving voor het grootste deel uit die van het gezin. (Een andere weg bestaat eruit er voor te zorgen dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd zijn en dus meer contacten onderhouden met familie, grootouders, vrienden en buren.) 

Nu is er al veel sociaalwetenschappelijk onderzoek dat wijst op het belang van een sociaal veilige opgroei-omgeving voor de ontwikkeling van kinderen en hun welzijn later in het leven. Denk alleen maar aan de grote rol die vroege sociale onveiligheid speelt in de kans om een of meer psychische aandoeningen te ontwikkelen. Maar ik probeer bij te houden wat daar zoal voor nieuw onderzoek bijkomt.

Zo is er nu de nieuwe studie Developmental antecedents of adherence to masculinity norms: A 9-year longitudinal study of urban Chinese families, waarin de onderzoekers een groep kinderen in het Chinese Nanjing volgden vanaf de geboorte tot ze tien jaar waren. Ze waren er in geïnteresseerd of het onderschrijven van mannelijkheidsnormen op tienjarige leeftijd beïnvloed werd door het onderschrijven van de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen door de ouders en/of door de kwaliteit van de zorg die de kinderen ontvingen.

Het aanhangen van die mannelijkheidsnormen werd vastgesteld door de kinderen te vragen in hoeverre ze het eens waren met uitspraken als 

  • I do not let it show to my friends when my feelings are hurt,
  • It is necessary for me to fight others in order to gain respect,
  • I usually figure out things on my own rather than rely on others for help
  • I cannot respect a friend who backs down from a fight. 
  •  Even when something is bothering me, it’s important to act like nothing is wrong around my friends.
  • If I tell my friends my worries, I will look weak

Daaruit valt meteen op te maken hoe groot de overlap is tussen die mannelijkheidsnormen en het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Vrouwen kennen ook de neiging tot statuscompetitie, maar zijn er over het algemeen minder vatbaar voor dan mannen. Zie over het verband tussen mannelijkheid en statuscompetitie ook Mannen, mannelijkheid en statuscompetitie en Statuscompetitie en de eercultuur. We kunnen dus dat aanhangen van mannelijkheidsnormen probleemloos gelijkstellen aan het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon.

Het blijkt nu dat het meer of minder onderschrijven van de traditionele rolverdeling door de ouders geen enkel verband had met de verschillen in het geactiveerd zijn van dat statuscompetitiepatroon van hun kind. Er zijn dus uit dit onderzoek(je) geen aanwijzingen dat kinderen dat "mannelijkheidsgedrag" van hun ouders overnemen of dat ze met hun ouders een genetische aanleg voor dat gedrag delen.

Wel was er een duidelijk verband tussen wat ik maar even de kwaliteit van de zorg noemde. Daarbij ging het om de sensitiviteit waarmee de moeder met het kind omging. Die werd door observatie vastgesteld op twee momenten, toen het kind 14 maanden en 24 maanden oud was, en werd onderscheiden in drie dimensies. Ik neem voor het gemak maar even de omschrijving van de onderzoekers over:

follow-the-lead practices, intrusiveness, and positive regard (NICHD Early Child Care Research Network, 1999, 2003). 

The follow-the-lead dimension in parenting indicates the degree to which the mother follows the child’s social gestures, expressions, and signals and responds appropriately; a high score in follow-the-lead indicates the mother is child-centered and is attuned to the child’s needs and interests consistently and promptly.

Intrusiveness in parenting assesses the level at which the mother imposes her agenda on the child without accommodating the child’s different needs for the pace of interaction and level of activity; high scores in intrusiveness indicate the mother frequently interrupts the child’s behaviors and leads the interactions. 

The positive regard scale rates the mother’s level of positive and warm interactions with the child; high scores in positive regard indicate that the mother shows a range of positive and warm facial and verbal expressions.

En daaruit is gemakkelijk op te maken dat die moederlijke sensitiviteit een goede benadering is van de sociale veiligheid waarmee het kind in het gezin opgroeit. Hoe beter de moeder reageert op de behoeften en interesses van het kind, hoe minder ze het kind de eigen agenda oplegt en hoe meer positiviteit en warmte ze het kind geeft, hoe groter de sociale veiligheid die haar kind ervaart.

De sociale veiligheid in het gezin is dus ook volgens dit onderzoek(je) een voorspeller van het op latere leeftijd geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon dan wel het gemeenschapspatroon. Hoe geringer die sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het statuscompetitiepatroon. En andersom, hoe meer ervaren sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het gemeenschapspatroon.

Waarbij ware te bedenken dat het effect van die sociale (on)veiligheid groter zal zijn hoe meer het gezin sociaal geïsoleerd is. Want als er meer contacten zijn met familie, grootouders (!), vrienden en buren, dan kunnen die een extra bron vormen van sociale veiligheid, die kan compenseren voor een gebrek eraan in het gezin. Er is dan meer een benadering van de coöperatieve zorg voor kinderen, die zo belangrijk was voor het evolutionaire succes van onze vroegste voorouders.

dinsdag 5 maart 2024

Een nieuw onderzoek dat er weer eens op wijst hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen

De nieuwe studie Sensitive Responsiveness and Multiple Caregiving Networks Among Mbendjele BaYaka Hunter-Gatherers: Potential Implications for Psychological Development and Well-Being wijst er nog eens op hoe de sociale omgeving waarin kinderen tegenwoordig opgroeien afwijkt van wat in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars leefden gebruikelijk was. 

Die tegenwoordige sociale omgeving wordt erdoor gekenmerkt dat gezinnen in grote mate sociaal geïsoleerd leven. In de berichten op dit blog achter het label "sociaal isolement van gezinnen" lees je niet alleen over de mate van dat sociale isolement en dus over de vele tijd die kinderen met alleen de eigen ouders doorbrengen, maar ook over de aanwijzingen dat het voor de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen beter is om ook buiten het eigen gezin vertrouwde contacten met oudere kinderen en met andere volwassenen te hebben. 

Zo is er het vele onderzoek naar het belang van veilige gehechtheid voor kinderen en zijn er de aanwijzingen dat het sociale isolement van gezinnen de kans vergroot op het ontwikkelen van een angstige of een vermijdende hechtingsstijl. Zie Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? Hoe minder opgroeiende kinderen ervaren dat er ook buiten het eigen gezin vertrouwde anderen zijn bij wie ze zich veilig voelen, hoe groter de bekende angst voor vreemden en hoe moeilijker de overgang naar volwassenheid. 

Anders gezegd, kinderen groeien weliswaar op in de gemeenschapsomgeving van het eigen gezin, maar zijn onzeker of zie die omgeving daarbuiten wel zullen aantreffen. Die sociale onveiligheid vergroot de kans op de activering van het statuscompetitiepatroon, ook al doordat kinderen in het onderwijssysteem te maken krijgen met de leeftijdshomogene groepen waarin ze zich moeten zien te handhaven. Zie ook Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen.

Die nieuwe studie doet verslag van onderzoek uitgevoerd bij een jagers-verzamelaarsgroep, de Mbendjele, in het Congolese regenwoud. De Mbendjele zijn mobiel en egalitair. Een kamp bestaat uit tussen de 20 en 80 personen, verdeeld over verschillende kerngezinnen met een lage gemiddelde verwantschap. Naast de eigen moeder zijn er andere volwassenen (allomothers) die een grote bijdrage leveren aan de zorg voor kinderen. We zien duidelijk het patroon van de coöperatieve zorg. Als een kind huilt, is er vrijwel altijd en meteen een geruststellende reactie, die vaak fysiek is. In  40 tot 50 procent van de gevallen afkomstig van een "allo-moeder", die ook een ouder kind kan zijn. Kinderen groeien in een veilige sociale omgeving op en kunnen ervan uitgaan dat die gedurende hun leven blijft bestaan.

Het onderzoek wijst er weer eens op hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen. Die oorspronkelijke sociale omgeving van coöperatieve zorg was er voor verantwoordelijk dat het gemeenschapspatroon sterk werd bevorderd en het statuscompetitiepatroon weinig kans kreeg om te worden geactiveerd. 

In de huidige manier van samenleven moeten we vele malen meer moeite doen om iets te bereiken wat daar zelfs maar in de buurt komt. Terwijl we de voordelen van dat gemeenschapspatroon kennen en evenzeer de nadelen van dat statuscompetitiepatroon. 

We willen natuurlijk graag alle voordelen van het moderne leven. Neem de hoogontwikkelde medische zorg. Maar we moeten nog zien uit te vinden hoe we die kunnen combineren met een voor mensen geschiktere sociale omgeving. 

Waarin we meer samenwerken, niet alleen bij het grootbrengen van de kinderen, maar ook bij het in stand houden en beschermen van wat de aarde ons te bieden heeft.

dinsdag 26 april 2022

De eerste aanzetten tot coöperatieve zorg voor kinderen waren al aanwezig bij de Australopithecus

Dat wij naast het bij zoogdieren meest voorkomende statuscompetitiepatroon in ons gedrag ook in staat zijn tot het unieke gemeenschapspatroon, moet er wel mee te maken hebben dat ooit het patroon van coöperatieve zorg voor kinderen (cooperative breeding) onze evolutie binnenkwam. Die coöperatieve zorg, dus hulp bij die zorg door anderen dan de eigen moeder en zelfs door niet-verwante groepsleden, stond ermee in verband dat kinderen zo vroeg en onrijp werden geboren dat een groot deel van de hersengroei en -ontwikkeling zich nog na de geboorte voltrok. 

Daardoor raakten pasgeborenen er op voorbereid om in hun eerste levensjaren de sociale motivaties en vaardigheden op te doen die hen deelgenoot maakten van een gemeenschap. Waarin intensief werd gecommuniceerd (taal!) en waarin werd samengewerkt en gedeeld. Zonder de gelijktijdige ontwikkeling van dat gemeenschapspatroon zou dat vroeg en onrijp geboren worden een evolutionair doodlopende weg zijn geweest.

We zullen wel nooit precies weten wat in het verre verleden deze ontwikkeling in gang heeft gezet. Zie op dit blog eerdere berichten over die coöperatieve zorg, zoals:

Er is nu de nieuwe studie Dynamic finite-element simulations reveal early origin of complex human birth pattern. die suggereert dat het rechtop gaan lopen (bipedal locomotion) een cruciale rol heeft gespeeld en dat het begin daarvan al aanwezig moet zijn geweest bij de Australopithecus, die leefde tussen de 4,3 en 2 miljoen jaar geleden. Het rechtop gaan lopen leidde tot een zodanige verandering van het bekken dat geboortes gecompliceerder werden. En dat zette een selectie in gang op een geringere hersenomvang bij de geboorte. 

Dat die hersenen daarna doorgroeiden zal er mee te maken hebben gehad dat het rechtop lopen, waardoor de handen vrijkwamen, al een eerste stap was in de ontwikkeling van dat samenwerken en delen. Met die vrijgekomen handen konden niet alleen baby's gedragen worden, maar ook voedsel, dat dus gemakkelijker gedeeld kon worden. Er konden wapens mee gemaakt en gedragen worden, die gebruikt konden worden om zich tegen roofdieren te beschermen en om op prooidieren te jagen. En bovendien om de nog altijd aanwezige neiging tot statuscompetitie binnen de groep te onderdrukken, doordat egoïsten en degenen die toch nog de baas wilden spelen gemakkelijker gecorrigeerd en ontmoedigd konden worden. Denk aan Richard Wranghams The Goodness Paradox.

Tenslotte, er konden werktuigen mee gemaakt en meegenomen worden, zoals ten behoeve van voedselbereiding. Denk ook in dat verband weer (!) aan Richard Wrangham, maar dan nu aan zijn boek over het grote belang van voedselbereiding voor de menselijke evolutie: Koken : Over de oorsprong van de mens.

Dat de eerste aanzetten tot vroeg geboren worden en coöperatieve zorg al bij de Australopithecus bestonden, zou ermee overeenkomen dat de vroegst gevonden stenen werktuigen dateren van 3, 3 miljoen jaar geleden, ver voordat zo'n 300.000 jaar geleden Homo sapiens op het toneel verscheen.

maandag 7 september 2020

Aanvullende zorg door familieleden draagt bij aan ontwikkeling van peuters - Meer aanwijzingen voor belang van coöperatieve zorg

Het is maar een klein onderzoekje, maar toch belangrijk om te vermelden. Al was het maar om aandacht te vragen voor dit soort onderzoek, dat veel meer gedaan zou moeten worden.

Waar gaat het om? Om de studie Familial allomaternal care exposure is predictive of infant development die net is verschenen. Daarin gaat de Amerikaanse antropologe Britt Singletary na wat het voor de ontwikkeling van peuters (13 - 18 maanden) uitmaakt of ze meer of minder sociaal contact hebben met anderen dan de eigen moeder. Dat is dus het thema van het belang van coöperatieve zorg voor kinderen (allomaternal care). Zie de berichten op dit blog achter het label cooperative breeding. 

In het vorige bericht ging het over het belang van die mate van coöperatieve zorg voor de geneigdheid tot pro-sociaal gedrag. Hier gaat het over het belang daarvan voor de algehele ontwikkeling van peuters, dat wil zeggen voor de sociaal-emotionele, cognitieve, motorische en taalontwikkeling.

Daaruit komt naar voren dat die algehele ontwikkeling wordt bevorderd door de mate waarin de peuter intensieve zorg heeft ervaren van familieleden van buiten het gezin. Dat verband is in sterkte vergelijkbaar met het bekende gegeven dat meisjes zich sneller ontwikkelen dan jongens.

Het onderzoek maakt daar geen melding van, maar je denkt natuurlijk meteen aan de rol die grootouders spelen in die intensieve zorg van buiten het gezin. Denk aan Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen. En denk aan de Grootmoederhypothese. 

Zoals gezegd, het is maar een klein onderzoek. De moeders van 52 jongetjes en 50 meisjes werden ondervraagd. Dat zulk onderzoek maar weinig wordt gedaan, kan er aan liggen dat het wat meer inspanning, en dus geld, kost om die zorg van buiten het eigen gezin in kaart te brengen. In dit onderzoek werden moeders niet alleen geïnterviewd, maar werd hen ook gevraagd om gedurende twee weken een dagboek bij te houden.

Maar het kan ook zijn dat sociaalwetenschappelijk onderzoekers niet zo bekend zijn met de theorie over het belang van coöperatieve zorg. Zie nog eens het vorige bericht. Ook onderzoekers groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. En als je dan niet verder kijkt dan je neus lang is, en je je dus niet realiseert hoe merkwaardig dat eigenlijk is, dan kom je niet op het idee om daar onderzoek naar te doen. Het is niet toevallig dat Britt Singletary antropologe is.

donderdag 3 september 2020

Over hoe het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar pro-sociaal gedrag zou moeten profiteren van een biologisch inzicht - en daarmee over het maatschappelijk belang van de sociologie

In het onderzoek naar pro-sociaal gedrag bij mensen zijn twee gescheiden lijnen te onderscheiden, een sociaalwetenschappelijk en een biologische. Door dat gescheiden zijn profiteert het sociaalwetenschappelijk onderzoek nauwelijks van biologische inzichten. Daarop kom ik zo terug. Eerst die twee onderzoekslijnen.

Er is de sociaalwetenschappelijke onderzoekslijn, die zoekt naar verklaringen voor het optreden van pro-sociaal gedrag. Dat kan gaan om het zoeken naar de situationele voorwaarden. Zoals onderzoek naar wat maakt dat omstanders iemand die in nood verkeert wel of niet te hulp schieten. Of onderzoek naar wat de kans vergroot of verkleint dat een kennelijk op straat verloren, gefrankeerde en geadresseerde brief door iemand op de bus wordt gedaan. Of, last but not least, onderzoek waar het in het vorige bericht over ging naar pro-sociaal gedrag dat uitgelokt wordt door het waarnemen van pro-sociaal gedrag van anderen.

Maar het kan ook gaan om het zoeken naar verklaringen voor verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot pro-sociaal gedrag. Neem het onderzoek dat laat zien dat mensen die empathischer zijn, zich dus beter kunnen verplaatsen in anderen, meer neigen tot pro-sociaal gedrag. Of het onderzoek dat suggereert dat de geneigdheid tot pro-sociaal gedrag met het ouder worden toeneemt. En ook hier, nog eens last but not least, is er het onderzoek dat laat zien dat het hebben van een groter netwerk van persoonlijke relaties, van vrienden en familie die elkaar ondersteunen, samengaat met meer pro-sociaal gedrag.

Daarnaast en gescheiden daarvan bestaat er dus ook de biologische onderzoekslijn. Die zoekt naar verklaringen voor het gegeven dat mensen in vergelijking met andere dieren en met hun naaste verwanten opmerkelijk vaak pro-sociaal gedrag vertonen. En ook niet alleen reactief, dus als reactie op signalen van hulpbehoevendheid van anderen, maar vooral ook proactief, dus spontaan en kennelijk vanuit zorg voor het welzijn van anderen. Het is dat proactieve dat die soort en mate van menselijke samenwerking (hyper-coöperatie) mogelijk maakt die in het dierenrijk nogal uniek is. Wat is er in de evolutionaire geschiedenis van mensen gebeurd dat kan verklaren waardoor mensen zo hyper-coöperatief zijn geworden?

Het onderscheid tussen deze twee onderzoekslijnen bestaat eruit dat de sociaalwetenschappelijke lijn op zoek is naar proximate verklaringen en de biologische lijn naar ultimate verklaringen. In het bericht Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring beschreef ik het verschil als volgt:

een ultimate verklaring geeft een antwoord op de vraag hoe een bepaald gedragspatroon in de evolutie heeft kunnen ontstaan. En vertelt ons dus hoe dat gedrag in het verleden meer heeft bijgedragen aan overleving en voortplanting dan mogelijke alternatieve patronen.
Daarentegen vertelt een proximate verklaring iets over de situaties waarin dat gedrag optreedt. Waarin het wordt getriggerd.

Of over wat maakt dat in een bepaalde situatie de ene persoon zich wel pro-sociaal gedraagt en de ander niet.

Het gaat er nu om dat het biologische onderzoek theoretisch richting zou kunnen geven aan het sociaalwetenschappelijke onderzoek. Wat dat biologische onderzoek inhoudt, wordt fraai duidelijk in het artikel The evolutionary origin of human hyper-cooperation, waar ik al in 2014 bij stilstond in het bericht Coöperatieve zorg voor kinderen is de beste verklaring voor spontaan pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers, onder wie Judith M. Burkhart en Carel P. van Schaik, voerden een gestandaardiseerd experiment uit bij 24 apensoorten, waaronder mensen(kinderen). Klik op de link naar dat vorige bericht om te zien hoe dat experiment werd uitgevoerd. En ze gingen na in hoeverre verschillen in pro-sociaal gedrag tussen die soorten verklaard konden worden uit verschillen in hersenomvang, sociale tolerantie, samenwerking bij jagen, aanwezigheid van sterke sociale banden en de mate van coöperatieve zorg voor jongen/kinderen (cooperative breeding).  (Ik sluit maar even aan bij het spraakgebruik dat we bij dieren spreken over jongen en bij mensen over kinderen.)

Het bleek toen dat uitsluitend dat laatste, dus de mate van coöperatieve zorg, samenhing met spontaan pro-sociaal gedrag. Je ziet het gevonden verband afgebeeld in het onderstaande plaatje. Lees daaronder verder.


Op de horizontale as zijn de soorten gerangschikt naar de mate van coöperatieve zorg en op de verticale as naar de mate waarin spontaan pro-sociaal gedrag kon worden vastgesteld. Er is een duidelijk verband: hoe meer coöperatieve zorg, hoe meer pro-sociaal gedrag. De onderbroken lijn is de regressielijn zonder "ons" (Homo sapiens) en de doorgetrokken lijn met "ons".

Waarom is dit zo'n belangrijk resultaat? Omdat het in overeenstemming is met het vermoeden dat pro-sociaal gedrag door sociale veiligheid wordt uitgelokt. Zie het bericht Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt van twee weken geleden. In soorten met veel coöperatieve zorg, dus met veel pro-sociaal gedrag ten opzichte van jongen/kinderen, wordt je geboren en groei je op in een veilige sociale omgeving. En het is die ervaren sociale veiligheid die er toe aanzet om gemakkelijk anderen te hulp te schieten. Het is immers vanaf het geboren worden het "normale" gedrag. De vrees dat anderen van jouw goedgeefsheid zouden willen profiteren, komt niet bij je op. En wordt ook niet bewaarheid.

Het is ook het basale inzicht waar sociaalwetenschappelijk onderzoekers veel aan zouden kunnen hebben. Het vertelt immers dat wij weliswaar een apensoort zijn met een groot vermogen tot coöperatieve zorg voor kinderen, maar dat wij in de hedendaagse samenleving nog maar heel beperkt naar dat vermogen handelen en kunnen handelen. Die coöperatieve zorg voor kinderen is nog maar een fractie van wat hij was in die lange periode dat wij als jagers-verzamelaars samenleefden. Buiten het eigen gezin ervaren opgroeiende kinderen nog maar beperkt de sociale veiligheid die hen tot pro-sociaal gedrag zou aanzetten. En zelfs binnen gezinnen kennen we de problemen van kindermishandeling en -verwaarlozing. 

Voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek zou een en ander betekenen dat je meer pro-sociaal gedrag kunt verwachten hoe meer mensen sociale veiligheid ervaren. Vandaar die twee last-but-not-least toevoegingen in de twee onderzoekslijnen waarmee dit bericht begon. Het waarnemen van pro-
sociaal gedrag en deel uitmaken van een groter sociaal netwerk zorgen voor meer pro-sociaal gedrag. 

Dat is het fundamentele (en biologische) inzicht waar het sociaalwetenschappelijk onderzoek zich op zou moeten richten. En het inzicht dat meteen duidelijk maakt wat het grote maatschappelijk belang van de sociale wetenschappen zou kunnen, en moeten, zijn. Creëer een maatschappij die in het teken staat van de sociale veiligheid die mensen nodig hebben. Zie de reeks berichten over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak zou kunnen worden, die hier begint.