Posts tonen met het label levenssatisfactie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label levenssatisfactie. Alle posts tonen

donderdag 27 juli 2023

Door gemeenschapsgedrag van jezelf en van anderen voel je je gelukkiger. Geen aanwijzingen voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en contact met de natuur

Het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de voorwaarden voor je gelukkig voelen is nog maar van recente datum. Verreweg de meeste studies zijn nog in deze eeuw gepubliceerd. Wat leren we van dat onderzoek?

Daarover gaat de nieuwe studie A systematic review of the strength of evidence for the most commonly recommended happiness strategies in mainstream media. De auteurs, Dunigan Folk en Elizabeth Dunn, zochten alle studies bij elkaar die waren uitgevoerd om te checken of een of meer van de vijf in de media meest aanbevolen strategieën om gelukkiger te worden, ook inderdaad het beoogde effect hadden. Die strategieën waren:

  • Dankbaarheid uiten naar anderen of gebeurtenissen in je leven door te schrijven in een dankbaarheidsschriftje, denken aan hoe gelukkig je bent, schrijven van dankbaarheidsbrieven aan anderen
  • Sociale interactie: sociale omgang en contact opnemen met vrienden en familie, gesprekken voeren met vreemden en sociabeler zijn
  • Mindfulness/meditatie of loving kindness meditation beoefenen, ademhalingsoefeningen doen
  • Fitness en fysieke activiteit: fysiek actief zijn, zoals gewichtheffen, fietsen, hardlopen, wandelen, sportbeoefening of yoga
  • In de natuur zijn: meer tijd in de natuur doorbrengen, wandelen in de natuur, planten in huis halen

Naast geluk, werden in die studies termen als subjectief welzijn, tevredenheid met het leven, positieve gevoelens e.d. gebruikt.

Van de vele gepubliceerde studies die gevonden werden, ruim 11.000, bleven er na selectie uiteindelijk slechts 57 over die aan de gestelde kwaliteitseisen voldeden. Een van die eisen was dat ze van te voren geregistreerd waren, waarmee publication bias werd uitgesloten. Dat laatste slaat op het niet ter publicatie aanbieden als de voorspelde effecten niet gevonden worden. Dat er zoveel studies afvielen, wijst er op dat er heel veel onderzoek gepubliceerd wordt, en in de publiciteit komt, dat niet aan strenge eisen voldoet.

Uiteindelijk komt daaruit naar voren dat er in feite geen aanwijzingen bestaan voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en in de natuur zijn op de mate van geluksgevoelens. Wel zijn er aanwijzingen voor positieve effecten van dankbaarheid en sociale interactie.

En laat dat nu precies zijn wat je had kunnen voorspellen als je was uitgegaan van het sociaalwetenschappelijke inzicht van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Dus van de Dual mode-theorie. Want volgens dat inzicht is het streven naar sociale veiligheid fundamenteel aan het menselijke sociale gedrag en wordt die veiligheid bereikt door gemeenschapsgedrag en sociale verbondenheid met anderen met datzelfde gedrag. Die sociale verbondenheid creëert de neurofysiologische toestand van ontspanning en daarmee de de geluksgevoelens, het subjectieve welzijn, de tevredenheid met het leven of hoe je die ervaring van ontspanning maar wilt noemen.

Kortom, die aanbevelingen om vaker dankbaar te zijn en om meer sociale omgang met anderen te hebben, die sporen geheel met dat fundamentele inzicht over de aard van de menselijke sociale natuur. Gelukkig worden is niet zo gemakkelijk in je eentje, hoeveel je ook mediteert, hoe fysiek actief je ook bent of hoeveel tijd je ook in de natuur doorbrengt. 

Als dat alles niet samengaat met het deel uitmaken van een kring van gemeenschapsgedrag over en weer, dan levert het niet veel op aan geluksgevoelens. (Dat die aanbeveling van dankbaarheid een positief effect heeft, zal er aan liggen dat je op het bestaan van die kring wordt geattendeerd.)

Een ander komt er mee overeen dat het leiden van een zinvol leven, ook wel eudaimonisch geluk genoemd, wat onder meer inhoudt dat je "actief bijdraagt aan het geluk en welbevinden van anderen", opmerkelijk positieve effecten heeft, die zelfs samenhangen met een betere werking van je immuunsysteem. Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

woensdag 2 november 2022

Als de politici van een land het een goed idee gaan vinden om de verzorgingsstaat te versoberen, dan verlaagt dat de levenstevredenheid van de burgers van dat land.

We zagen al het grote belang van de sociale zekerheidswetten van de verzorgingsstaat voor het welbevinden van mensen. Zie het bericht (uit 2014): De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven. En niet een klein beetje!

Daarin vermeldde ik onderzoek waarin landen van de OECD werden vergeleken over de periode 1981 tot 2007. Daaruit kwam naar voren dat de volgende vier indicatoren voor de mate van overheidsingrijpen in de werking van de markt elk in grote mate de tevredenheid met het leven vergroten:

  • het totaal van overheidsuitgaven als percentage van het bruto nationaal product (BNP), dus naast de sociale zekerheidsuitgaven ook de uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, consumentenbescherming, fysieke infrastructuur, e.d.
  • de sociale zekerheidsuitgaven als percentage van het BNP
  • de toegankelijkheid, het bereik en de hoogte van de uitkeringen
  • de mate van regulering van de arbeidsmarkt (werknemersbescherming)

En inderdaad niet zo'n klein beetje. Vooral de derde en de vierde indicator, dus de overheidsinterventies die mensen beschermen tegen de risico's van het marktmechanisme, hadden sterke effecten op de tevredenheid met het leven, ongeveer even sterk als het hebben van werk vergeleken met werkloos zijn. 

De resultaten komen ermee overeen dat de verzorgingsstaat, dus de institutionele vormgeving van de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee, sterk tegemoetkomt aan de fundamentele menselijke behoefte aan bestaanszekerheid. Er valt dus veel voor te zeggen dat de ontwikkeling van verzorgingsstaten, vooral in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, een beweging was in de richting van het gemeenschapsevenwicht en als morele vooruitgang mag worden opgevat. 

Er is nu nieuw onderzoek dat deze inzichten bevestigt. Richard Easterlin en Kelsey J. O'Connor keken binnen landen naar de effecten van veranderingen in de generositeit van de sociale zekerheidsregelingen. Het ging om de hoogte, duur en toegankelijkheid van werkloosheidsuitkeringen, en om beschikbaarheid en generositeit van oudedagsvoorzieningen en ziektekostenverzekeringen. Daar werd een generositeitsindex van gemaakt en van toen Europese landen (Spanje, Italië, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Groot-Brittannië, Finland, Denemarken en Zweden) werd de ontwikkeling van die index vastgesteld voor de periode 1981-1982 tot 2017-2018. 

Het blijkt dan dat de veranderingen in die generositeitsindex significant samenhangen met veranderingen in de tevredenheid met het leven. Als de politici van een land het een goed idee gaan vinden om de verzorgingsstaat te versoberen, dan verlaagt dat de levenstevredenheid van de burgers van dat land. Met waarschijnlijk als tussenliggend mechanisme dat door die versobering de bestaansonzekerheid toeneemt. 

Het is een belangrijke aanvulling op dat eerdere onderzoek waarin landen werden vergeleken. Als je landen vergelijkt, dan blijkt dat de economische welvaart (het BBP) veel uitmaakt voor de levenstevredenheid. Maar in dit onderzoek bleken veranderingen in het BBP in een land niet significant met veranderingen in de levenstevredenheid samen te hangen. Het gaat niet om armer of rijker worden, maar om afname of toename van bestaansonzekerheid. 

Een belangrijk inzicht. Voor politici en voor kiezers.

vrijdag 28 oktober 2022

Door de verleidingen van de statuscompetitie piekt de stress op middelbare leeftijd. Wat te doen?

Update. Hoe maak je zo'n algemeen inzicht op basis van de cijfers concreet? Welnu, lees 'Ik moest die ratrace loslaten. Het is geen race' in het FD over Rutger Jonkman, geboren in 1991, die hard op weg was om carrière te maken op de Zuidas en met een angststoornis thuis kwam te zitten.

Het was al bekend dat als je mensen langere tijd volgt en ze steeds vraagt naar hun welbevinden of tevredenheid met het leven, dus als je longitudinaal onderzoek doet, dat dan blijkt dat die levenstevredenheid gedurende de levensloop een dal laat zien. Tot een jaar of 40 daalt de tevredenheid, om daarna weer langzaam toe te nemen. Dat gegeven wordt soms wel geïnterpreteerd als het bestaan van een midlife crisis. Zie eerder het bericht Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe. 

Nu is er nieuw onderzoek dat hetzelfde fenomeen laat zien voor meer objectieve indicatoren voor hoe goed of slecht mensen zich voelen: The Midlife Crisis. 

De onderzoekers haalden longitudinale data bij elkaar over ongeveer 500.000 bewoners van rijkere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, Australië, de Verenigde Staten, Nederland, Frankrijk. Statistische analyses wezen toen uit dat de middelbare leeftijd het meest stressvol is, terwijl dat de leeftijd is dat de meeste mensen bijna op de top van hun inkomen zitten en nog niet last hebben van ouderdomsziekten. Dat die periode zo stressvol is, blijkt eruit dat dan de cijfers pieken voor: depressie, angststoornis, zelfmoord, zelfmoordgedachten, slaapproblemen, migraine, stress op het werk en alcoholverslaving. 

Tot die middelbare leeftijd nemen al die stressindicatoren toe en daarna nemen ze weer af. Geheel in lijn met dat dat dal in de tevredenheid met het leven.

De verklaring voor dit fenomeen lijkt er niet in te liggen dat ouders tot die leeftijd nog de zorg hebben voor hun kinderen. Ook lijkt het niet (alleen maar) een selectie-effect te zijn, het effect dus van het vroegtijdig overlijden van degenen met de meeste stress. 

Een mogelijke verklaring die de onderzoekers "intuïtief aantrekkelijk" vinden is die van de teleurgestelde ambities. Dat zou betekenen dat we de eerste veertig jaar van ons leven verleid worden tot het nastreven van te hoge, onrealistische, ambities en dat we op middelbare leeftijd onder ogen moeten zien dat we die niet zullen kunnen realiseren. We moeten dan dus anders over het leven en over onszelf gaan nadenken. Maar dat is een opgave.

De onderzoekers noemen de interessante studie Unmet aspirations as an explanation for the age U-shape in wellbeing van Hannes Schwandt uit 2016, die laat zien dat mensen ten onrechte verwachten dat hun tevredenheid met hun leven gedurende de jongvolwassenheid zal toenemen en pas op veel latere leeftijd zal afnemen. Dat dal in hun tevredenheid op middelbare leeftijd zien ze dus niet aankomen, integendeel, ze verwachten daar een piek. 

Ook noemen de onderzoekers de mogelijkheid dat de wijsheid pas met de jaren komt, dus pas op latere leeftijd, met een verwijzing naar Individual and societal wisdom: explaining the paradox of human aging and high well-being.

Opvallend is dat die twee mogelijke verklaringen sterk overeenkomen met de verklaring die zich aandient als je er naar kijkt met de blik van de Dual Mode-theorie. We worden geboren en groeien op in een maatschappij waarin we niet alleen met het gemeenschapspatroon, zoals meestal in het ouderlijk gezin, maar ook met het statuscompetitiepatroon te maken krijgen. Vooral bij het opgroeien en de jongvolwassenheid staan we sterk bloot aan de verleidingen van het statuscompetitiepatroon. We moeten op school beter presteren dan anderen. We moeten concurreren op de arbeidsmarkt. Vrijwel alles wat we waarnemen, het gedrag van anderen, de sociale media, de televisieprogramma's, de reclame, duwt ons in de richting van de statuscompetitie. Die altijd alleen maar verliezers kent, omdat zelfs de "winnaars" zich nimmer veilig kunnen voelen.

Die statuscompetitie doet ons uit het oog verliezen dat we ons beter zouden voelen als we hadden kunnen kiezen voor het gemeenschapspatroon. Maar die keuze kunnen we maar heel beperkt in ons eentje maken. Veel meer mensen, ja, iedereen, zou dat moeten doen. Maar dat zou niets minder dan een maatschappijverandering vereisen. Een grootscheepse beweging weg van het statuscompetitie-evenwicht en in de richting van het gemeenschapsevenwicht.

Dan zou dat merkwaardige fenomeen, dat we ons tot en met die middelbare leeftijd steeds slechter gaan voelen en pas daarna weer beter, verdwijnen. We zouden vanaf het begin een leven kunnen leiden dat recht doet aan de wenselijkheden van het gemeenschapspatroon en de onwenselijkheden van het statuscompetitiepatroon weet te vermijden. 

In plaats van een leven waarin de wijsheid pas heel laat tot ons komt.

dinsdag 12 oktober 2021

Statuscompetitiegedrag verlaagt het welbevinden, maar minder in een statuscompetitieve omgeving - precies zoals door de Dual Mode-theorie voorspeld

Stelling 3 van de Dual Mode-theorie houdt in dat de sociale toestand van het gemeenschapsevenwicht beter is voor mensen (naar welbevinden en gezondheid) dan de toestand van het statuscompetitie-evenwicht. Zoals te lezen in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen. In het gemeenschapsevenwicht handelt iedereen volgens zijn/haar morele gemeenschapsintuïties (wij-met-zijn-allen) en in het statuscompetitie-evenwicht volgt iedereen zijn/haar neigingen tot statuscompetitie (ieder-voor-zich).

Wat de empirische evidentie voor die stelling betreft, zagen we dat er wel onderzoek is dat laat zien dat  het eigen gemeenschapsgedrag en het verkeren in een meer gemeenschapsgerichte sociale omgeving positieve effecten heeft op het welbevinden. Maar we zagen ook dat onderzoek ontbreekt waarin beide, dus zowel het eigen gedrag als de aard van de sociale omgeving, zijn meegenomen. Onderzoekers komen kennelijk niet gemakkelijk op het idee om dat soort onderzoek te doen.

Waardoor het nog niet mogelijk is om te toetsen of het inderdaad zo is dat het effect van het eigen gedrag afhankelijk is van de aard van de sociale omgeving. Stelling 3 impliceert namelijk dat gemeenschapsgedrag goed voor je is, maar dat daar wel voor nodig is dat anderen in je omgeving zich ook zo gedragen. Als anderen zich meer statuscompetitiegericht gedragen, dan is het maar beter om daaraan mee te doen, want anders laat je over je heen lopen. En andersom, als jij je statuscompetitiegericht gedraagt en anderen om je heen gemeenschapsgericht, dan laten die anderen je wel weten dat zulk gedrag niet gewaardeerd wordt. Het negatieve welzijnseffect van statuscompetitiegedrag zou dus groter moeten zijn in een gemeenschapsomgeving dan in een statuscompetitie-omgeving.

Er is nu de nieuwe studie Belief in a zero-sum game and subjective well-being across 35 countries met resultaten die die verwachting ondersteunt. Het gaat om een onderzoek onder ruim 7000 studenten verdeeld over 35 landen.

Daarin werd een schaal gebruikt voor de mate waarin iemand gelooft dat de sociale wereld een nul-som spel is, dat wil zeggen een wereld waarin mensen altijd tegenover elkaar staan. Wat de een wint is altijd een verlies voor de ander. Het gaat om uitspraken als

  • Meestal zijn de belangen van mensen strijdig met elkaar
  • Het leven is als een tenniswedstrijd - iemand wint altijd doordat de ander verliest
  • Als iemand veel voor anderen doet, dan gaat hij of zij er zelf op achteruit
  • Het leven is zo ingericht dat als iemand wint, er anderen zijn die verliezen
Hoe meer je het daar mee eens bent, hoe meer je de wereld ziet als een nul-som spel. Dit is uiteraard gemakkelijk op te vatten als een maat voor de neiging tot statuscompetitie. Als je denkt dat de wereld zo in elkaar zit, dan zul je ook zelf tot nul som-gedrag oftewel statuscompetitiegedrag geneigd zijn.

Het onderzoek laat zoals verwacht zien dat het meer geneigd zijn tot statuscompetitie slecht is voor het welbevinden. Degenen die meer geneigd zijn tot statuscompetitie hebben meer negatieve gevoelens, minder positieve gevoelens en daardoor een lagere tevredenheid met het leven.

Maar doordat die studenten verdeeld waren over 35 landen, konden de onderzoekers ook nagaan in hoeverre dit verband afhing van de gemiddelde statuscompetitiegerichtheid per land. Zou het verschil maken of je medestudenten meer of minder tot statuscompetitie geneigd zijn? Is het negatieve effect van je eigen statuscompetitie kleiner als je medestudenten ook meer tot statuscompetitie geneigd zijn? 

En dat laatste bleek inderdaad het geval te zijn. In een meer antagonistische omgeving is het maar beter om je daar bij aan te passen. Statuscompetitie lokt statuscompetitie uit. Terwijl statuscompetitie slecht uitpakt voor jouw welzijn als anderen meer gemeenschapsgericht zijn, is dat minder het geval als anderen meer statuscompetitiegericht zijn.

Precies zoals door de Dual Mode-theorie voorspeld. De menselijke sociale natuur is flexibel. In een veilige, en dus gemeenschapsgerichte omgeving, is gemeenschapsgedrag goed voor je. Maar in een onveilige, en dus statuscompetitieve, omgeving is het beter voor je om, als zelfbescherming, aan die statuscompetitie mee te doen.

woensdag 15 mei 2019

Meer aanwijzingen voor de positieve welzijnseffecten van gemeenschapsgedrag - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 9

Update. Zie nu ook deel 10 van deze reeks: Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat.
Als het vak sociologie in het onderzoek en in de beleidsadvisering zich expliciet zou oriënteren op het gemeenschapsevenwicht als doeltoestand, dan is daar natuurlijk voor nodig dat de wenselijkheid van die toestand voldoende, of liever nog uitbundig, empirisch onderbouwd is. In deel 3 van deze reeks berichten verwees ik al naar onderzoek dat die onderbouwing verschaft. (Zie hier het vorige bericht in deze reeks: Wat is eigenlijk een sociaal probleem? De socioloog kan het je niet vertellen.)

Daar is nu de studie Communal Motivation and Well-Being in Interpersonal Relationships:An Integrative Review and Meta-Analysis bijgekomen.

Het gaat hier om een overzicht en meta-analyse van 100 gepubliceerde en niet-gepubliceerde studies naar de welzijnseffecten van communal motivation. Die term communal motivation slaat op de geneigdheid tot zorg voor en bezorgdheid over het welzijn van anderen. Om die vast te stellen wordt een lijstje met veertien stellingen gebruikt, waarvan je moet aangeven in hoeverre je het er mee eens of oneens bent. Voorbeelden zijn (met een sterretje omgekeerd gecodeerd):
  • When making a decision, I take other people’s needs and feelings into account.
  • I’m not especially sensitive to other people’s feelings.*
  • I believe people should go out of their way to be helpful
  • I often go out of my way to help another person
  • When I have a need, I turn to others I know for help
Je kunt hier de gehele schaal bekijken. En je ervan overtuigen dat de overeenkomst met gemeenschapsgedrag groot genoeg is om de termen door elkaar te gebruiken. Inclusief de veronderstelling dat gemeenschapsgedrag samen gaat met de verwachting van hetzelfde gedrag van anderen. Zie Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen.

Uit de meta-analyses komt naar voren dat meer gemeenschapsgedrag inderdaad samen gaat met een hoger welzijn (tevredenheid met het leven, meer positieve en minder negatieve emoties). 

En als wordt onderscheiden tussen gemeenschapsgedrag-in-het-algemeen en relatiespecifiek gemeenschapsgedrag, dan blijken beide meer welzijn op te leveren voor zowel de persoon zelf als voor de partner. Dit zou eraan kunnen liggen dat partners overeenkomen in de mate van gemeenschapsgedrag ( door het beïnvloedingseffect en/of door het selectie-effect), maar dat blijkt hier alleen te gelden voor het relatiespecifieke gemeenschapsgedrag. Dat laatste wijst er op dat mensen onderling gemeenschapsgedrag bij elkaar uitlokken, zoals verwacht door de Dual Mode-theorie.

Kortom, meer aanwijzingen voor de positieve welzijnseffecten van gemeenschapsgedrag en van een gemeenschapstoestand in een sociale groep (in dit geval een partnerrelatie).
Terzijde: het gaat hier om een onderzoekslijn die al in 1979 is begonnen met Interpersonal attraction in exchange and communal relationships van Margaret S. Clark en Judson Mills. Opvallend daarin is dat gemeenschapsgedrag niet wordt gecontrasteerd met statuscompetitiegedrag, maar met ruilgedrag. Met dat laatste wordt gedoeld op de geneigdheid van het berekenende "voor wat, hoort wat". Zie hier voor de schaal. Volgens Clark en Mills zouden dit de twee patronen zijn waarmee je het menselijke sociale gedrag kunt bestrijken. Maar dat betekent dus dat ze een blinde vlek hebben voor de meer kwaadaardige kanten van het menselijke sociale gedrag, die wel deel uitmaken van het statuscompetitiegedrag.

dinsdag 10 april 2018

Door helpen gelukkiger - Alle onderzoek op een rij

Er kwam al eerder op dit blog onderzoek voorbij dat doet vermoeden dat pro-sociaal gedrag een goed gevoel geeft. Zie Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever en Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen.

Hoewel mensen dat zelf niet altijd goed doorhebben, volwassenen minder dan kinderen, is het niet heel verrassend. Want wij zijn een sociale diersoort, die in de Paleo Sociale Omgeving succesvol heeft weten te overleven door groepsgewijs samen te werken en te delen. En omdat die periode zo ongeveer 98 procent van het bestaan van de mensheid heeft uitgemaakt, zijn wij erop geselecteerd om ons prettig te voelen als we niet alleen aan onszelf denken, maar ook aan anderen.

Er is nu een overzichtsstudie, met een meta-analyse, verschenen die de aanwijzingen versterkt dat we inderdaad van pro-sociaal gedrag gelukkiger worden: Happy to help? A systematic review and meta-analysis of the effects of performing acts of kindness on the well-being of the actor.

De onderzoekers, met Oliver Scott Curry als eerste auteur, verzamelden 27 experimentele studies, waarin het ging om pro-sociaal gedrag dat ook echt werd uitgevoerd, in plaats van dat proefpersonen zich dat voorstelden. In totaal waren er ruim 4000 proefpersonen, waarvan 35 procent mannen, met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar. Wat betekent dat de meeste studies onder studenten waren uitgevoerd.

Een voorbeeld van de opzet van zo'n onderzoek is dat de proefpersonen de instructies kregen om gedurende een week elke dag vijf keer iets aardigs te doen voor iemand anders (voor iemand de deur openhouden, een vreemde groeten, iemand helpen met studeren) en daar elke avond verslag van te doen. Een ander voorbeeld is dat de proefpersonen een bedrag aan geld kregen dat ze weg konden geven of voor zichzelf konden houden. In vrijwel alle studies werd de proefpersonen gevraagd hoe gelukkig of tevreden of hoe goed ze zich voelden.

Alles bij elkaar genomen, kwam daar uit dat pro-sociaal gedrag een positief welzijnseffect heeft, dat qua grootte vergelijkbaar is met de effecten van interventies als mindfulness, positive thinking en count your blessings. De onderzoekers daarover:
Together, these results suggest that policy-makers and practitioners are correct to see kindness interventions as effective ways of improving well-being. And they support the general claim that, as social animals, humans possess a range of psychological mechanisms that motivate them to help others, and that they derive satisfaction from doing.

maandag 29 januari 2018

Wat gebeurde er omstreeks 1970? De welzijnsparadox: van geld rijker, maar sociaal armer?

Jan-Pieter Smits, van de Universiteit Eindhoven en het CBS, is de geestelijk vader van een nieuwe welzijnsindex. Die is zo samengesteld dat je er zo goed mogelijk landen mee kunt vergelijken. Zie in dat verband het rapport CONFERENCE OF EUROPEAN STATISTICIANSRECOMMENDATIONS ON MEASURINGSUSTAINABLE DEVELOPMENT.

Die index bestaat uit een groot aantal indicatoren, waaronder: tevredenheid met het leven, inkomensongelijkheid, beloningsverschil mannen-vrouwen, obesitas, levensverwachting en statusongelijkheid in levensverwachting, (jeugd-)werkloosheid, opleiding en statusongelijkheid in opleiding, woonomstandigheden, vrije tijd, interpersoonlijk vertrouwen, opkomst bij verkiezingen en aandeel vrouwen in de volksvertegenwoordiging. Zie hier voor het complete overzicht (stuurt je naar hoofdstuk 8 van dat rapport).

Met een beperktere set van 15 indicatoren keek Smits, samen met Harry Lintsen, Frank Veraart en John Grin naar de ontwikkeling van het welzijn in Nederland in de periode 1850 - 2007. Als je dan een vergelijking maakt met de ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking, met de groei van de economie, dan levert dat dit intrigerende plaatje op.


Je ziet dat als je beide indexen in 1850 op 100 stelt, dat dan vanaf omstreeks 1900 de welzijnsindex uitgaat boven de BNP. Maar dat slaat drastisch om omstreeks 1970. We zien de opmerkelijke stijging van de welvaart na de Tweede Wereldoorlog, maar we zien ook dat de welzijnsgroei daar sterk bij achterblijft. Helaas is de recentere ontwikkeling, in en na de Grote Financiële Crisis van 2008-2010 nog niet in het plaatje verwerkt.

Zoals in het persbericht van de Universiteit Eindhoven opgemerkt, hebben we vanaf 1970 te maken met een welzijnsparadox: we zijn wel rijker geworden, maar niet tevredener.

En dat zet je natuurlijk aan het denken over wat er na 1970 is gebeurd. Ik deed dat eerder in Geld en 'de rest'. Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Met als conclusie dat het overheidsbeleid te eenzijdig gericht is geweest op de groei van de economische welvaart en zich te weinig gelegen heeft laten liggen aan de negatieve repercussies van meer marktwerking en de terugtredende overheid op de sociale welvaart. Intrigerend om dat nu zo fraai in een grafiek te zien afgebeeld.

Het maakt wel nieuwsgierig naar wat precies die 15 indicatoren zijn. Het persbericht is daar vaag over, maar meldt dat er een boek zit aan te komen waarin een en ander uit de doeken wordt gedaan. Om in de gaten te houden.

woensdag 14 juni 2017

Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.

Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.

In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
  1. I think it is better to be yourself, than to be popular.
  2. I don’t know how I really feel inside.*
  3. I am strongly influenced by the opinions of others.*
  4. I usually do what other people tell me to do.*
  5. I always feel I need to do what others expect me to do.*
  6. Other people influence me greatly.*
  7. I feel as if I don’t know myself very well.*
  8. I always stand by what I believe in.
  9. I am true to myself in most situations.
  10. I feel out of touch with the ‘real me.’*
  11. I live in accordance with my values and beliefs.
  12. I feel alienated from myself.*
Hoe minder je de uitspraken met een sterretje op jou van toepassing vindt en hoe meer de andere uitspraken, hoe meer je het gevoel hebt dat je authentiek kunt zijn.

Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.

Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.

De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.)  Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.

En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.

Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?

dinsdag 18 oktober 2016

Meer over het littekeneffect en het angsteffect van werkloosheid - En over het belang van volledige werkgelegenheid

In het huidige sociaal-economische beleid, dat sterk geïnspireerd is door de neo-liberale fantasiewereld van zoveel mogelijk marktwerking en een zo klein mogelijke overheid, wordt lichtzinnig omgesprongen met werkloosheid. Het lijkt al weer lang geleden dat volledige werkgelegenheid als doel van het macro-economische en het begrotingsbeleid vanzelfsprekend was.

Die vanzelfsprekendheid kwam voort uit het inzicht dat je als overheid (wij met zijn allen) een verantwoordelijkheid draagt voor het realiseren van bestaanszekerheid voor je burgers. En in de maatschappij waarin wij leven is betaald werk voor vrijwel iedereen de basis van die bestaanszekerheid.

De toename van bestaansonzekerheid als gevolg van dat neo-liberale beleid is goed gedocumenteerd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid. De negatieve gevolgen daarvan zijn bekend. Mensen hechten aan stabiliteit. Bestaansonzekerheid blijkt gepaard te gaan met fysieke pijn en een een groter gebruik van pijnstillers. Zie Het basisinkomen is een (de?) oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid.

En we weten dat werkloosheid de bestaansonzekerheid aanwakkert, niet alleen bij de werklozen zelf, maar ook bij de werkenden. Waardoor werkloosheid een breed scala aan ernstige negatieve effecten heeft, ook voor de kinderen van werklozen. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. En we kennen de negatieve effecten van baanonzekerheid. Zie Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid.

Er waren dus heel goede redenen om als overheid volledige werkgelegenheid als belangrijk doel voorop te stellen. Temeer omdat het macro-economische instrumentarium ook voorhanden is om dat doel te bereiken.

Maar in de neo-liberale fantasiewereld is werkgelegenheid slechts een middel om andere doelen te bereiken. De fantasie is dat het voor economische groei, de maat voor menselijk welzijn, noodzakelijk is dat het bereik van het marktmechanisme zo groot mogelijk moet zijn en dat van de overheid zo klein mogelijk. En dat de markt altijd weer als vanzelf naar evenwicht tendeert als je dat proces maar zijn gang laat gaan. Update. En de fantasie dat het bereikte evenwicht ook altijd het best mogelijke is.

Werkloosheid is in die fantasie niet meer dan een middel op weg naar dat evenwicht. Een aanwijzing dat de lonen te hoog zijn. En dus zorgt het leger van
werklozen er als vanzelf voor dat de lonen omlaag gaan. Werkloosheid wordt dus eigenlijk weg gedefinieerd: iedereen vindt werk, als hij maar niet een te hoog loon wil. Vandaar ook die neo-liberale behoefte om uitkeringen te verlagen en uitkeringstrekkers het leven moeilijk te maken.

Al met al een lange inleiding tot waar het vandaag eigenlijk om gaat. Onderzoekers van de Gentse Universiteit hebben gegevens van de European Social Survey (ESS) geanalyseerd op het verband tussen werkloosheid en de latere levenstevredenheid. En ze doen daarvan verslag in ESB: De gevolgen van (jeugd)werkloosheid voor de latere levenstevredenheid.

Hun analyses zijn belangrijk voor hoe we de langdurende negatieve gevolgen van werkloosheid moeten begrijpen. Bekend is dat werkloosheid een zogenaamd littekeneffect heeft en een angsteffect. Het littekeneffect houdt in dat werkloos geweest zijn een blijvend lagere levenstevredenheid tot gevolg heeft. Ook als je daarna weer werk gevonden hebt, blijft er een litteken achter.

Een deel van dat negatieve effect hangt er mee samen dat werkloos geweest zijn de angst vergroot dat nog een keer te worden. Anders gezegd, de werk- of baanonzekerheid neemt er door toe.

Uit de analyses blijkt nu dat beide effecten bestaan voor de gehele steekproef, dat wil zeggen voor alle 25 tot 69-jarigen. Dus ook als je dat angsteffect meeneemt, blijft het littekeneffect significant. Mensen zijn angstiger geworden, maar ook zonder die vrees om weer werkloos te worden, is de levenstevredenheid blijvend lager.

Maar als je kijkt naar de groep van jongeren (25 tot 34 jaar), dan blijkt dat daar de gehele achteruitgang van levenstevredenheid als gevolg van werkloosheid kan worden toegeschreven aan het angsteffect. Werkloos geweest zijn op jonge leeftijd verlaagt het welzijn door de toegenomen angst voor herhaling. Maakt jongeren onzeker en met die angst en onzekerheid staan ze dus aan het begin van hun werkzame leven.

Wel curieus, en tekenend voor de neo-liberale tijdgeest, dat de auteurs volstaan met beleidsaanbevelingen op het vlak van de begeleiding van werklozen en het vergroten van hun inzetbaarheid. De gedachte dat hun bevindingen aanleiding zouden kunnen geven om weer eens na te denken over dat belang van volledige werkgelegenheid, die komt niet bij hen op.

donderdag 23 juni 2016

Zullen we door het basisinkomen betere keuzes gaan maken over hoeveel we werken?

De vierde en vijfde vraag over het basisinkomen, die ik hier stelde naar aanleiding van Ik werk, dus ik ben, luidden:
Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?
Die vragen hangen met elkaar samen. Het gaat er enerzijds om wat (betaald) werk voor mensen betekent, anders en meer dan dat je er geld mee verdient. Dat behelst overigens meer dan dat je aan je werk, meer of minder, je identiteit ontleent. Het hebben van werk (in plaats van werkloos te zijn) en het werk als bezigheid hebben ook effecten op geluk en welbevinden. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee, waarover zo meteen meer.

Anderzijds hangt het antwoord op die vraag er natuurlijk mede van af wat het werk te bieden heeft. Van de kwaliteit van de banen en van de arbeidsomstandigheden. En een van de verwachte effecten van invoering van een basisinkomen is dat mensen gemakkelijker een baan kunnen weigeren, waardoor werkgevers er toe aangezet worden om betere banen aan te bieden.

Maar wat weten we van de effecten van werk op geluk en welbevinden?

Allereerst weten we dat het hebben van werk in vergelijking met werkloosheid een grote bijdrage levert aan geluk en welbevinden. Maar dat komt vooral door de grote negatieve effecten van werkloosheid. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. De ervaring van werkloosheid doet de tevredenheid met het leven ongeveer 2 punten dalen op een schaal van 1-10. Bovendien laat werkloos geweest te zijn een litteken achter. Je houdt er angst en onzekerheid aan over, waardoor het vroegere tevredenheidsniveau niet meer bereikt wordt. En we weten dat werkloosheid van een ouder negatief uitwerkt op de kinderen.

Naast een groot individueel, is werkloosheid ook een maatschappelijk kwaad. Alleen al doordat hoge werkloosheid ook de werkenden ongelukkiger maakt. De vrees voor baanverlies neemt toe en daardoor staan ook de werkenden onzekerder in het leven.

Je kunt een en ander verklaren met behulp van de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan. Volgens die theorie hebben mensen drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid met anderen. Het hebben van werk betekent dat je iets kunt en dat je in je eigen levensonderhoud kunt voorzien en dat zorgt dus voor competentie en autonomie.

We leven in een maatschappij waarin betaald werk dus van groot belang is voor in ieder geval twee van de drie basisbehoeften.

Maar dit alles betekent bepaald niet dat werk ons zo gelukkig maakt. Het is vooral het schrikbeeld van de werkloosheid dat ons er zo toe aanzet om een baan te hebben, werkzekerheid te hebben en carrière te maken. Dat verklaart ook dat het geluk sterk toeneemt bij werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ze zijn dan immers verlost van dat stigma van incompetentie.

Het is misschien vooral dat schrikbeeld dat jong-volwassenen er toe aanzet om zoveel te investeren in opleiding, baan en carrière. Waarna met het ouder worden de opbrengsten van al die inspanningen toch wat blijken tegen te vallen. Neem nu de U-vorm van het geluksniveau gedurende de levensloop. Tot zo ongeveer 40 jaar blijkt de tevredenheid met het leven af te nemen, waarna er weer een toename is. Dat zou kunnen komen doordat we in de eerste helft van ons leven nog teveel verwachten van de opbrengsten van werk en carrière en dat we dat pas later doorkrijgen.

Dat zou goed kloppen met het inzicht van onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman dat de tevredenheid met ons leven zou toenemen als we minder zouden werken. Want boven een redelijk inkomensniveau maakt meer geld ons niet of nauwelijks duurzaam gelukkiger. En de vrijkomende tijd zouden we goed kunnen besteden aan het onderhouden van sociale contacten, waarvan de bijdrage aan ons geluk groot en wel duurzaam is. Het belang van die basisbehoefte aan verbondenheid met anderen lijken we te onderschatten.

Bij wijze van conclusie: het zou goed kunnen zijn dat de invoering van een basisinkomen een gunstige invloed heeft op onze keuzes met betrekking tot betaald werk en carrière.

woensdag 7 oktober 2015

Floreren/gedijen als grondslag voor breed welvaartsbegrip?

Vandaag is in de Tweede Kamer de constituerende vergadering van de tijdelijke commissie Breed welvaartsbegrip. Die commissie moet gaan uitzoeken of het bruto binnenlands product (BBP) wel voldoet als maatstaf voor onze welvaart. En of het niet nodig is om aanvullende indicatoren standaard op te nemen en te betrekken bij het politieke debat en de beleidsontwikkeling.

Het eenvoudige idee achter die vraag is dat het in het BBP om alles draait waar geld bij te pas komt en dat daardoor veel zaken die ons welbevinden beïnvloeden buiten de boot vallen. Om de gedachten te bepalen: als ik een vriend help met een klus, als een normale vriendendienst, dan is dat slecht voor het BBP. Als hij een klusbedrijf had ingehuurd, dan was er een economische transactie geweest in plaats van een vriendendienst, en die had wel mee geteld in het BBP.

Anders gezegd, onze welvaart, gemeten in het BBP, neemt toe als wij minder om niet voor elkaar doen en in plaats daarvan meer uitgeven aan commerciële dienstverlening. Vermarkting heet dat. De grote waarde van het iets voor elkaar doen en het welbevinden dat daaruit voortvloeit, dat telt niet mee in het BBP. Denk dan even aan alle berichten op dit blog over het verband tussen sociale contacten (en pro-sociaal gedrag) en ons welbevinden en onze gezondheid.

Het is in feite nog erger, want als wij als gevolg van een gebrek aan sociale contacten eenzaam en ziek worden, dan doen we een beroep op de gezondheidszorg, waardoor het BBP stijgt. Goed voor onze welvaart dus. Ja, dat is bizar. Dat er ook zoiets als sociale welvaart bestaat, nee, daarvan is in het BBP niets bekend.

Maar in de Tweede Kamer is er terughoudendheid, want vooralsnog mag de commissie alleen aan het werk met fase 1 van het beoogde onderzoek. In die fase gaat het om de vraag of het BBP nog wel voldoet. Vervolgfasen zouden er uit bestaan dat onderzocht wordt welke aanvullende maatstaven en indicatoren eventueel gebruikt en/of ontwikkeld zouden moeten worden. Zie de brief van het presidium van de TK met het onderzoeksvoorstel.

Kennelijk bestaat er bij een groot deel van de Tweede Kamer flinke tegenzin en willen die Kamerleden maar het liefst zo gauw mogelijk tot het besluit komen dat het BBP als maatstaf voldoende is en dat nader onderzoek overbodig is.

Er zijn allerlei goede redenen om eens goed na te denken over dat BBP als enige maatstaf voor welvaart. Sterker, er is al veel over nagedacht. Neem het lijvige en doorwrochte Report by the Commission on theMeasurement of EconomicPerformance and Social Progress (pdf) van Stiglitz, Sen en Fitoussi en een keur van deskundigen, dat in 2009 in opdracht van de toenmalige Franse president Sarkozy werd uitgebracht. Het had voor hand gelegen dat de commissie als opdracht had gekregen om dit rapport als uitgangspunt te nemen, om op die wijze meteen aan de vervolgfasen te kunnen beginnen. Eerder vandaag wees Merijn Knibbe in een tweet op het belang van dit rapport.

Trouwens, het idee dat je zou kunnen besluiten dat het BBP voldoet zonder kennis te hebben genomen van aanvullende maatstaven en criteria, is nogal eigenaardig. Zonder te weten wat je mist, neem je dan het besluit dat wat je hebt voldoet.

Een ontwikkeling die sterk bij deze discussie aansluit, is de opkomst van de positieve psychologie. Terwijl de psychologie er tot nu toe vooral op gericht is om psychische afwijkingen als depressie en angststoornissen te behandelen, bestudeert de positieve psychologie de tegengestelde pool, die van het menselijk floreren en gedijen. Het gaat dan om de vraag of je kunt bepalen wat dat precies is en wat je kunt doen om het te bevorderen.

Een interessante studie in die richting is Flourishing Across Europe: Application of a New Conceptual Framework for Defining Well-Being van Felicia Huppert en Timothy So. Zij ontwikkelen een operationalisering van floreren/gedijen door van de bekende en algemeen aanvaarde criteria voor depressie en angststoornissen de tegenpolen te bepalen. Langs die weg komen ze tot een lijst van 10 aspecten van floreren/gedijen:
  • gevoel van competentie
  • emotionele stabiliteit
  • geëngageerd zijn
  • gevoel van zinvolheid
  • optimistisch zijn
  • positieve gevoelens hebben
  • positieve relaties hebben
  • veerkrachtig zijn
  • zelfvertrouwen hebben
  • je vitaal voelen
Vervolgens vinden ze in bestaand onderzoek, de European Social Survey, indicatoren voor elk van deze aspecten. Dat onderzoek is uitgevoerd in 23 Europese landen. En dan komen allerlei interessante inzichten naar voren. Zoals dat het geheel van deze 10 aspecten bepaald niet gevangen wordt door de ene vraag naar de tevredenheid met het leven. Het heeft dus zin om breder te kijken dan naar een algemeen oordeel.

Maar wat vooral opvalt is dat naast de economische welvaart (dat BBP), zaken van belang zijn voor de mate van floreren/gedijen als: minder inkomensongelijkheid, meer sociale zekerheid (verzorgingsstaat!), goede toegang tot de gezondheidszorg en lage werkloosheid.

En dat pleit er wel degelijk voor om een bredere welvaartsmaatstaf te hanteren dan het BBP. Hopelijk komt de commissie Breed welvaartsbegrip er aan toe om zich hierop te bezinnen.
Update. Zie ook het vervolgbericht: Hoe is het om te floreren en goed te gedijen? En hoeveel mensen floreren/gedijen?

woensdag 29 oktober 2014

Materialisme maakt ongelukkig - daarover is nu weinig twijfel meer

Hoe materialistischer mensen zijn ingesteld, dus hoe meer ze geld, bezit en status najagen, hoe minder gelukkig ze zijn.

Er is al veel onderzoek dat daar op wijst. Maar nu hebben onderzoekers al die studies bij elkaar geveegd en met een zogenaamde meta-analyse gekeken wat dat als geheel oplevert. Zie The relationship between materialism and personal well-being: A meta-analysis (betaalpoort).

Het ging om 175 studies, met in totaal 258 verschillende steekproeven. Omdat een derde daarvan niet gepubliceerd was, konden ze het probleem van de publication bias vermijden. Dat slaat op het probleem dat wetenschappelijke tijdschriften artikelen met negatieve resultaten liever niet publiceren. De overgrote meerderheid van de onderzoeken zijn verschenen na 2000.

Uit de analyse blijkt dat hoe je ook materialisme meet en hoe je ook geluk meet, dat dat voor de resultaten weinig uitmaakt. Mensen die meer status najagen door middel van geld en bezit zijn minder gelukkig, minder tevreden met hun leven en hebben meer kans op psychische problemen als depressie en angststoornissen.

En dat blijft staan ook als je rekening houdt met allerlei demografische factoren (samenstelling van de steekproef, opleiding, beroep, inkomen, leeftijd) en landenkenmerken (nationaal inkomen, ongelijkheid).

Interessant is wel dat het verband minder sterk is voor mensen die werkzaam zijn in beroepen waarin materialisme normaler is, zoals in het zakenleven, banken, reclame en marketing. Als je daar materialistischer bent, dan heb je het "voordeel" dat je niet afwijkend bent. En dat draagt weer een beetje bij aan je welbevinden.

Dat komt geheel overeen met de verwachting van de Dual-Mode theorie dat mensen hun sociale strategie (statuscompetitie of gemeenschapsgedrag) aanpassen aan wat in hun sociale omgeving het meeste voorkomt. Ter vermijding van de negatieve reacties op het uit de pas lopen. Person-environment fit noemen de onderzoekers dat.

Strikt genomen kun je op basis hiervan niet meer zeggen dan dat er een (negatieve) samenhang is tussen materialisme en geluk. En dus niet dat materialisme per se de oorzaak is van minder gelukkig zijn, zoals ik wel zeg in de titel van dit bericht. Maar dat oorzakelijke verband is wel erg plausibel. Wat niet uitsluit dat het daarnaast ook zo is dat mensen die om een of andere reden ongelukkiger zijn, daardoor meer geld, status en bezit gaan najagen. Allebei zou waar kunnen zijn. En mocht dat zo zijn, dan krijg je dus een vicieuze cirkel van materialisme dat ongelukkiger maakt en ongelukkig zijn dat materialistischer maakt, enzovoort.

Interessant vond ik bovendien dat in een aantal studies ook was gekeken naar de drie behoeften van de zelfbeschikkingstheorie: autonomie, competentie en verbondenheid met anderen. En het blijkt dan dat het verband tussen materialisme en ongelukkig zijn tot stand komt via een lage mate van bevrediging van die drie behoeften. Hoe materialistischer je bent, hoe minder autonomie, competentie en verbondenheid met anderen je in je leven ervaart. En dat laatste zorgt er dan voor dat je je ongelukkig voelt.

woensdag 8 oktober 2014

Economische groei maakt alleen dan gelukkiger als de groei gestaag is, dus zonder recessies

In de pas verschenen studie Individual Experience of Positive and Negative Growth is Asymmetric: Global Evidence from Subjective Well-Being Data laten onderzoekers zien dat ons geluk minder positief wordt beïnvloed door perioden van economische groei dan negatief door perioden van recessie. Het negatieve effect van recessie domineert over het positieve effect van groei. Zie Busts hurt more than booms help: New lessons for growth policy from global wellbeing surveys voor een korte samenvatting van het onderzoek, dat vandaag op Vox verscheen. Update. Zie nu ook dit YouTube-filmpje over het onderzoek.

De onderzoekers analyseerden databestanden van een groot aantal landen, waaronder de data van Eurobarometer. De uitkomst kan worden samengevat in de figuur hieronder.



Op de verticale as staat de economische groei per jaar in percentages, die dus positief en negatief kan zijn. En op de horizontale as zie je veranderingen in tevredenheid met het leven, wat ik maar even kortheidshalve geluk noem. Naar links toe de afname in geluk en naar rechts de toename. Het gaat er dus om wat er linksonder en rechtsboven gebeurt.

Je ziet dan dat positieve economische groei samengaat met een toename van geluk. We zien de lijn rechtsboven stijgen. Naar linksonder kijkend zien we de verwachte afname van geluk bij recessie, dus in perioden van negatieve economische "groei". Maar wat meteen opvalt is dat de afname van geluk in recessies veel groter is dan de toename in perioden van groei. De onderzoekers melden dat die afname tussen de twee en acht maal groter is dan de toename, afhankelijk van land en periode. In de landen van de Europese Unie is de afname zes maal zo groot dan de toename.

Dat dit zo is, klopt met het al bekende inzicht, o.a. naar voren gebracht door Baumeister en door Kahneman en Tversky, dat wij mensen geneigd zijn om sterker te reageren op negatieve ontwikkelingen dan op positieve. In ons evolutionaire verleden was het waarschijnlijk beter om meer op tegenslag en bedreigingen gespitst te zijn dan op voorspoed. Een keer een bedreiging over het hoofd zien, kan immers fataal zijn.

Daarmee samenhangend hebben wij een sterke afkeer van onzekerheid. Dezelfde economische groei in een bepaalde periode maakt dan minder gelukkig als dat gepaard is gegaan met op- en neergang dan wanneer de groei gestaag en doorlopend is geweest. De toenames van geluk in goede tijden worden in dat eerste geval tenietgedaan door de grotere afnames in slechte tijden.

Het mooie is dat de onderzoekers dit ook naar voren brengen als een verklaring voor het bekende gegeven dat economische groei ons niet gelukkiger lijkt te maken. Ik opperde die verklaring nu bijna een jaar geleden in het bericht Mensen hebben liever een gestage geringere inkomenstoename dan een per saldo grotere, maar met ups en downs. En over wat dat voor het beleid betekent. Daarin stond het plaatje hieronder, dat laat zien dat bij een sterke stijging van het gemiddelde inkomen van Amerikanen tussen 1957 en 2002, het percentage van mensen dat zich zeer gelukkig voelt, precies gelijk is gebleven.

Money doesn't buy happiness
Een verklaring hiervan is dus dat die inkomenstoename het saldo is geweest van toenames en afnames. Die afnames waren er door recessies en werkloosheid. En die hebben er wat geluk betreft meer ingehakt dan de toenames.

Conclusie: politici, hou er alsjeblieft rekening mee dat mensen zekerheid nodig hebben. Dat is niet een zwakke eigenschap die je met schouderophalen en "kom op!" kunt afdoen. Zo zitten wij mensen in elkaar.

Maar degenen die het goed hebben, en het goed blijven hebben in tijden van recessie, hebben daar geen boodschap aan. Politici, die het ook meestal goed hebben, zouden daarvan doordrongen moeten zijn. Laat dus periodes van recessie niet langer duren dan nodig is, als je ze al niet kunt voorkomen.

Laten we nu net in tijden leven waarin dat advies door de bezuinigers volledig in de wind wordt geslagen. Denk ook nog eens aan het bericht Werkloosheid is erger dan inflatie. Vertel het de politici!

donderdag 5 juni 2014

Overdrijven we hoe gelukkig we zijn?

Als je gevraagd zou worden om aan te geven hoe gelukkig je bent op een schaal van 1 tot 10, dan is de kans groot dat je jezelf een cijfer geeft in de buurt van de 7,5. Dat is de gemiddelde score voor geluk die Nederlanders zichzelf geven en daarmee staan wij op de vierde plaats van de rangorde van landen naar gemiddeld geluk, volgens het World Happiness Report 2013.

Opvallend is dat de noordelijke en westelijke Europese landen en landen als Canada en Australië hoog in die rangorde staan. Dat kan er aan liggen dat deze landen een behoorlijke verzorgingsstaat hebben en we weten dat de verzorgingsstaat bijdraagt aan de tevredenheid met het leven.

Maar het zou daarnaast ook kunnen liggen aan de individualistische cultuur in deze landen. Want in een individualistische cultuur zijn mensen meer bezig met statuscompetitie. Dat wil zeggen dat ze zichzelf veel met anderen vergelijken, dat ze proberen om op anderen indruk te maken en zich beter voor te doen dan ze werkelijk zijn. En dat lijkt er mee samen te gaan dat ze geluk meer als een individueel kenmerk opvatten dan mensen doen in meer collectivistische culturen. Ik citeer mezelf (Wat is geluk? Culturele verschillen):
Mensen die in de Europees-Amerikaanse, individualistische cultuur opgroeien, zien de persoon als een onafhankelijk iemand die anderen beïnvloedt. En ze zien geluk als samenhangend met hoe goed je over jezelf denkt (self-esteem), met hoe optimistisch je bent en met het nastreven van het eigen geluk. Geluk is dus altijd subjectief en persoonlijk.

Daarentegen zien mensen uit de Oost-Aziatische, collectivistische cultuur de persoon als een met anderen wederzijds verbonden iemand die zich aan anderen aanpast. Geluk hangt niet samen met hoe goed je over jezelf denkt, maar juist met zelfkritiek en discipline. Die kritische houding ten opzichte van zichzelf leidt tot onderlinge sympathie en dus tot onderlinge verbondenheid. Daardoor is geluk altijd meer relationeel, intersubjectief, gemeenschapsgebonden en collectief.
Dat doet vermoeden dat wij Nederlanders, individualistisch als we zijn, de neiging hebben tot zelfverheffing. En daarmee ook de neiging om te overdrijven hoe gelukkig we zijn. We zouden het niet kunnen verdragen om minder gelukkig te zijn dan anderen. Vandaar misschien dat nogal hoge rapportcijfer.

 Uit het nieuwe onderzoek Motivated Happiness: Self-Enhancement Inflates Self-Reported Subjective Well-Being blijkt inderdaad dat mensen die meer geneigd zijn tot zelfverheffing ook zichzelf sterker zien als meer dan gemiddeld gelukkig en tevreden met het leven. Die neiging tot zelfverheffing werd gemeten met de self-deceptive enhancement schaal, bestaande uit stellingen als "Ik ben een volledig rationeel persoon", waarvan je moet aangeven hoe eens of oneens je het er mee bent. Hoe hoger je scoort, hoe meer je jezelf onrealistisch positief beoordeelt. (Ik zocht de volledige schaal op internet, maar hij blijkt alleen op commerciële basis te worden verstrekt.) O ja, ik zag ergens dat er inderdaad de samenhang is met narcisme die je zou verwachten.

Zelfverheffing blijkt zelfs een sterke voorspeller te zijn van (zelf gerapporteerd) geluk. Dat zou je natuurlijk ook zo kunnen opvatten dat zelfverheffing misschien wel echt gelukkiger maakt. Zeker in een cultuur waarin zelfverheffing de norm is. Misschien is zelfverheffing wel een authentiek bestanddeel van geluk.

Maar dat is nog maar de vraag. Want de onderzoekers laten ook zien dat mensen zich laten beïnvloeden door wetenschappelijke informatie over de wenselijkheid en de voordelen van het je gelukkig voelen. Mensen die die informatie kregen, gaven daarna aan zich sterker meer dan gemiddeld gelukkig te voelen dan mensen die die informatie niet hadden gekregen.

Kennelijk schroef je je rapportcijfer voor geluk op als je hoort dat gelukkig zijn zo belangrijk is. En dus waarschijnlijk ook in een cultuur waarin je gelukkig hoort te zijn, omdat je anders misschien als een loser wordt gezien. Dat we ons geluk overdrijven, ja, daar zit wel wat in.

dinsdag 3 juni 2014

De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven. En niet een klein beetje!

Nu onze neoliberale politiek-economische machthebbers halsstarrig blijven geloven dat de verzorgingsstaat moet worden teruggedrongen en we meer "op eigen benen" moeten staan, is het goed om het onderzoek naar de welzijnseffecten van de verzorgingsstaat te blijven volgen. Er is nu de studie Assessing the Impact of the Size and Scope of Government on Human Well-Being (betaalpoort).

De onderzoekers analyseerden gegevens van de landen die bij de OECD zijn aangesloten over de periode van 1981 tot 2007. Ze keken naar de verbanden tussen de omvang van de verzorgingsstaat in een land en de tevredenheid met het leven. Het blijkt dan dat de volgende vier indicatoren voor de mate van overheidsingrijpen in de werking van de markt elk in grote mate de tevredenheid met het leven vergroten:
  • het totaal van overheidsuitgaven als percentage van het bruto nationaal product (BNP), dus naast de sociale zekerheidsuitgaven ook de uitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, consumentenbescherming, fysieke infrastructuur, e.d.
  • de sociale zekerheidsuitgaven als percentage van het BNP
  • de toegankelijkheid, het bereik en de hoogte van de uitkeringen
  • de mate van regulering van de arbeidsmarkt (werknemersbescherming)
Die verbanden zijn inderdaad sterk, sterker dan of vergelijkbaar met effecten van getrouwd zijn (versus alleenstaand), van werkloos zijn (versus betaald werk hebben) en een hoger inkomen hebben. Vooral de effecten van de derde en de vierde indicator zijn sterk, dus van de overheidsinterventies die mensen beschermen tegen de risico's van het marktmechanisme. Laten we het onder ogen zien: mensen houden nogal van een beetje zekerheid.

In de analyses werd uiteraard voor van alles gecontroleerd. Op het niveau van individuen voor gezondheid, interpersoonlijk vertrouwen, kerkbezoek, werkloosheid, opleiding, inkomen, geslacht, burgerlijke staat, aantal kinderen en leeftijd. Ook werd met andere verschillen tussen landen rekening gehouden.

Zou het zo kunnen zijn dat die verzorgingsstaten vooral gunstig uitwerken voor de lagere inkomens? Omdat die misschien van al die uitgaven en regelingen en herverdeling met meest profiteren? Terwijl de hogere inkomens juist vooral de hogere belastingen moeten opbrengen? Nee hoor, ieders tevredenheid met het leven neemt toe met de toename van elk van die vier indicatoren hierboven. Ook de hogere inkomensgroepen voelen zich tevredener als ze in een meer uitgebouwde verzorgingsstaat wonen.

Het is dus niet verwonderlijk dat de steun voor de verzorgingsstaat groot is. En dat mensen geen kleinere overheid willen, ook als dat gepaard zou gaan met lagere belastingen.

vrijdag 21 maart 2014

Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er de studie Longitudinal Evidence for a Midlife Nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets, waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd. Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Britannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het er aan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van wordt? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is (Geluk en ouder worden). Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan (Succesvol ouder worden en omgaan met emoties). En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn (Maakt ouder worden minder empathisch? Of maakt het selectiever?) En zo laten we de stress van de statuscompetitie achter ons.

Ik denk dus dat het aan de grote mate van statuscompetitie ligt die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang oetans (Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being).

dinsdag 18 februari 2014

Bewoners van rijkere landen zijn tevredener met hun leven, maar ervaren hun leven als minder zinvol. En over religie

Shigehiro Oishi en Ed Diener gingen in de studie Residents of Poor Nations Have a Greater Sense of Meaning in Life Than Residents of Wealthy Nations (betaalpoort) niet alleen na of bewoners van rijkere landen tevredener zijn met hun leven, maar ook of ze meer hun leven als zinvol ervaren. Dat eerste bleek wel te kloppen, maar het tweede niet.

Sterker, het was juist omgekeerd: bewoners van armere landen ervaren hun leven als zinvoller. Preciezer gezegd, ze antwoorden de vraag "Voelt u dat uw leven een belangrijk doel of betekenis heeft?" meer bevestigend dan bewoners van rijkere landen. Als je naar de scatterplot in het artikel kijkt, dan zie je bijvoorbeeld dat bewoners van arme landen als Ethiopië en Sierra Leone veel meer vinden dat hun leven zinvol is dan bewoners van rijke landen als Frankrijk, Spanje, Japan en Hong Kong.

Waar kan dat aan liggen? De onderzoekers wijzen op eerder onderzoek dat uitwijst dat tevredenheid met het leven vooral bepaald wordt door de beschikking over de zaken die gemak verschaffen, zoals elektriciteit, telefoon, televisie en computers. Zaken die in armere landen minder aanwezig zijn.

Maar waar zou dan de ervaring van een zinvol leven van afhangen? De onderzoekers kijken vooral naar de rol van religie. En het blijkt te kloppen dat bewoners van armere landen religieuzer zijn en dat religie samengaat met het meer ervaren van een doel in het leven. Maar dan gaat het om de samenhang tussen gemiddeldes. Als je naar het wel of niet religieus zijn van individuen kijkt, dan blijkt dat de rijkdom van een land het leven minder zinvol maakt, onafhankelijk van religie. Dat wil zeggen dat het niet alleen het minder religieus zijn is dat maakt dat bewoners van rijkere landen minder een doel in het leven ervaren.

Waar kan het nog meer aan liggen? Waar de onderzoekers iets over kunnen zeggen, zijn onderwijs, aantal kinderen en de mate van individualisme. En inderdaad: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe minder kinderen en hoe individualistischer, hoe minder het leven als zinvol ervaren wordt.

Wat hiervan te denken? We weten dat het gevoel een zinvol leven te leiden voor je gezondheidstoestand gunstiger is dan de tevredenheid met je leven. Zie nog eens het bericht Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter, dat in die richting lijkt te wijzen. Er is dus "iets" in die armere landen dat zorgt voor een meer zinvol leven en in dat opzicht gezondheidsbevorderend is. Uiteraard wordt dat teniet gedaan door een veelheid van gezondheidsverslechterende factoren: armoede op zich, slechtere hygiëne, woonomstandigheden, minder medische voorzieningen en wat niet al. En dat rijkere landen dat "iets" minder hebben, betekent dus dat de betere medische voorzieningen in die landen daar voor althans voor een deel compenseren.

Wat dat "iets" is, zou kunnen samenhangen met die geringere mate van individualisme. Mensen zijn er meer op elkaar aangewezen en dat geeft meer gevoelens van onderlinge betrokkenheid en voor anderen iets te kunnen betekenen.

En we weten dat zo een sociale omgeving gezondheidsbevorderend is. Zie nog eens Gezondheid en sociale omgeving (2): sociale steun ontvangen, waarnemen en geven. Daarmee komt overeen wat de onderzoekers ook vaststellen, namelijk dat het zelfmoordcijfer in rijkere landen hoger ligt dan in armere landen. En dat die samenhang deels verklaard wordt doordat bewoners van die rijkere landen minder een doel in het leven ervaren. Als je geen doel in het leven hebt, dan krijg je eerder zelfmoordgedachten. Dat "iets" is dus die sociale omgeving van grotere onderlinge betrokkenheid en gemeenschapsgevoel. En dat staat tegenover de grotere kans op eenzaamheid en statuscompetitie in de rijkere landen.

Tot slot nog even over de rol van religie. Die is kennelijk belangrijk. En dat zal er mee te maken hebben dat religie het gemakkelijker maakt om een doel in het leven te hebben. Dat doel wordt je als het ware van buiten of van boven af automatisch aangereikt. Als je niet religieus bent, dan moet je op eigen kracht je leven zin geven, zeker in een individualistische samenleving. De uitdaging is dan om zelf te bepalen wat het doel en de zin van het leven zouden kunnen zijn. En veel mensen kunnen die uitdaging heel goed aan.

Maar sommige gelovigen denken daar anders over. Neem de Amerikaanse republikeinse Senator  Mike Fair, die denkt dat jonge mensen niet tegelijk in evolutie kunnen geloven en een doel in het leven kunnen hebben. Als je niet in God gelooft, dan zou het leven zinloos zijn. Daarom vindt hij dat creationisme en intelligent design op scholen onderwezen moeten worden.

maandag 15 april 2013

Gaat het echt goed met kinderen in Nederland? Drie kanttekeningen

Ja, het gaat goed met kinderen in Nederland. Dat wijst het UNICEF-rapport Child Well-Being in Rich Countries. A Comparative Overview uit. Het welzijn van kinderen is zowel objectief als subjectief gemeten en bij beide indicatoren staat Nederland bovenaan op een lijst van 29 rijkere landen. (Nou ja, rijk, landen als Griekenland, Roemenië en de Baltische landen zijn niet zo rijk, zou je denken.) Maar wat houden die indicatoren nu precies in?

Bij dat objectieve welzijn gaat het om:
  • materieel welzijn (hoeveel kinderen in armoede leven)
  • gezondheid en veiligheid (geboortegewicht, kindersterfte, inentingen)
  • opleiding (onderwijsdeelname, schooluitval, schoolprestaties)
  • gezondheids- en risicogedrag (obesitas, ontbijten, fruit eten, bewegen, teenagerzwangerschappen, roken, alcoholgebruik, cannabisgebruik, vechten, gepest worden)
  • huisvesting en veiligheid omgeving (aantal kamers per persoon, huisvestingsproblemen, moordcijfers, luchtvervuiling)
Nederland staat hier dus bovenaan, gevolgd door de Noord-Europese landen, Duitsland, Luxemburg en Zwitserland. Onderaan staan (in deze volgorde) Griekenland, de Verenigde Staten (!), Litouwen, Letland en Roemenië.

Oké, hoe zit dat dan met het subjectieve welzijn? Daarvoor gebruikt UNICEF de volgende 4 maten:
  • tevredenheid met het leven: kinderen van 11, 13 en 15 jaar oud is gevraagd om op een ladder van 0 ("slechtst mogelijke leven") tot 10 ("best mogelijke leven") aan te geven hoe tevreden ze met hun leven waren. Landen zijn gerangordend naar het percentage kinderen dat hun tevredenheid met een 6 of hoger waardeert.
  • relaties: kinderen werd gevraagd of ze gemakkelijk ze met hun vader en met hun moeder kunnen praten en of klasgenoten aardig en behulpzaam zijn. Landen gerangordend naar percentage dat bevestigend beantwoordt.
  • subjectieve opleiding: een vraag naar hoeveel druk het schoolwerk oplevert en een vraag naar hoe leuk het op school is
  • subjectieve gezondheid: een vraag naar hoe goed de eigen gezondheid wordt beoordeeld en een vraag naar gezondheidsklachten
En wat blijkt? Nederland staat bij de eerste twee weer bovenaan. Bij tevredenheid met het leven gevolgd door IJsland, Spanje, Finland en Griekenland. Hekkensluiter is daar weer Roemenië. Bij relaties wordt Nederland gevolgd door IJsland (weer), Zweden, Denemarken en, verrassing, Roemenië. Onderaan staan Griekenland, de Verenigde Staten en Frankrijk. (Zie voor de rangorde op de andere twee maten het UNICEF-Working Paper Children's Subjective Well-Being in Rich Countries.)

Wat valt op? Drie kanttekeningen. In de eerste plaats valt op dat de rangorde voor tevredenheid met het leven eigenlijk de rangorde is voor de geringste ontevredenheid. Nederland staat bovenaan omdat wij het laagste percentage kinderen hebben die hun leven het cijfer 5 of lager geven. Je zou wel willen weten of wij ook het land zijn met de hoogste gemiddelde tevredenheid, maar het rapport geeft daarover geen uitsluitsel. Waarom niet is mij een raadsel. Een gewone rangorde naar de gemiddelde tevredenheid zou informatiever zijn.

Maar belangrijker is die maat voor relaties. Want wat verstaat UNICEF onder het domein van relaties dat belangrijk is voor het subjectieve welzijn van kinderen? De relatie met de ouders en de relatie met de klasgenoten. Anders gezegd: UNICEF gaat uit van het sociaal geïsoleerde gezin, waarin het kind vooral tijd doorbrengt met de eigen ouders en met de leeftijdsgenoten op school. Wat voor het welzijn en voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen juist cruciaal is, of een kind ook contacten heeft met oudere en jongere kinderen en met volwassenen anders dan de eigen ouders, dat is dus helemaal niet meegenomen! Over de variatie die daarin tussen landen bestaat, komen we  niets te weten. Als het klopt dat Nederland het land is waar kinderen de meeste tijd doorbrengen met alleen de eigen ouders, dus het land met de meest sociaal geïsoleerde gezinnen, dan zou die rangorde wel eens anders hebben kunnen uitvallen als die leeftijdsgemengde relaties ook waren meegenomen. Ik vind het vreemd.

Ten slotte is het goed om stil te staan bij wat jongeren onder tevredenheid met het leven zouden kunnen verstaan. Waar denken ze aan bij "het best mogelijke leven"? We weten dat jongeren onder geluk vooral verstaan hoeveel opwindende en nieuwe ervaringen ze meemaken. Zie de studie The Shifting Meaning of Happiness en mijn bericht Geluk en ouder worden. Terwijl mensen bij het ouder worden bij geluk meer denken aan vredigheid en meer inzicht hebben in hun eigen authentieke behoeften, waardoor ze minder bezig zijn met hoe ze op anderen overkomen. Het best mogelijke leven zou voor kinderen dus wel eens het leven kunnen zijn met de meeste "sensatie" en het meeste "succes" in de ogen van anderen.

Het land met de meest tevreden kinderen zou dan het land zijn dat zijn kinderen wat die zaken betreft de meeste ruimte en dus de meeste vrijheid geeft. Zou dat er mee overeenkomen dat Nederland volgens dat Working Paper dat ik hierboven noemde, bij de landen hoort waar kinderen de minste druk van het schoolwerk ervaren? En school het leukste vinden?

donderdag 11 april 2013

Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders

Nu we meemaken dat de politieke machthebbers in Europa met, het lijkt wel, onverschilligheid extreem hoge werkloosheidscijfers aanvaardbaar of zelfs wenselijk achten (als een middel om de lonen naar beneden te brengen en zo de concurrentiekracht te vergroten), is het goed om stil te staan bij de negatieve gevolgen van werkloosheid op degenen die dat treft. En: bij de negatieve gevolgen voor hun kinderen.

Aan die gevolgen voor werklozen zelf besteedden Rudi Wielers, Peter van der Meer en ikzelf aandacht in het overzichtsartikel Verhoogt werk ons welzijn? Zie daarover ook dit bericht. Onderzoek wijst uit dat de ervaring van werkloosheid de tevredenheid met het leven fors doet dalen, ongeveer 2 punten op een 10-puntsschaal. Zie de studies Unhappiness and Unemployment (betaalpoort) en Why Are the Unemployed So Unhappy? Evidence From Panel Data (pdf).

Die lage tevredenheid blijft ook bij langdurige werkloosheid bestaan; er treedt niet een aanpassingsproces op. En sterker, ook als je daarna weer werk vindt, dan heeft de ervaring van werkloos te zijn geweest een blijvende invloed op het niveau van welzijn dat mensen nog kunnen bereiken. Werkloosheid lijkt levenslang littekens na te laten Zie Scarring: The Psychological Impact of Past Unemployment (betaalpoort) en Unemployment Alters the Set Point For Life Satisfaction (betaalpoort).

Daaraan kan nu toegevoegd worden dat dat litteken er vooral uit bestaat dat mensen die een keer werkloos zijn geweest, daar een angst aan overhouden om dat nog een keer te moeten meemaken. Werkloos te zijn geweest creëert angst en onzekerheid. Zie Scarring of Scaring? The Psychological Impact of Past Unemployment and Future Unemployment Risk (pdf).

En er zijn nu zelfs aanwijzingen dat de ervaring van werkloosheid slecht uitwerkt op de kinderen die de werkloosheid van hun vader hebben meegemaakt. Uit de studie The Impact of Fathers’ Job Loss during the Recession of the 1980s on their Children’s Educational Attainment and Labour Market Outcomes (betaalpoort) blijkt dat kinderen van vaders die in de economische recessie van de jaren 80 van de vorige eeuw in Engeland werkloos werden, slechtere eindexamenresultaten behaalden en een grotere kans hadden op jeugdwerkloosheid. En de onderzoekers maken plausibel dat die negatieve gevolgen ook echt veroorzaakt werden door de werkloosheid van de vader (in plaats van een zogenaamd selectie-effect). Deze negatieve gevolgen waren vooral groot aan de onderkant van de arbeidsmarkt. We weten niet wat hier het psychologische mechanisme is, maar het zou kunnen dat kinderen die werkloosheid van hun vader meemaken, er minder op vertrouwen dat hun inspanningen voor school en werk ook echt resultaten zullen afwerpen. Als ze je zo maar op straat kunnen zetten, ja, wat heeft het dan allemaal voor zin?

Uiteraard hebben al deze effecten niet alleen een psychologisch (welzijns-)aspect, maar ook hebben ze grote economische kosten.

Dit alles maakt het navrant dat politieke leiders op zo grote schaal een (kortzichtige) obsessie hebben met overheidsschulden en ten behoeve daarvan het ooit algemeen omarmde streven naar volledige werkgelegenheid geheel aan de kant hebben gezet. Werkloosheid is in hun denken een middel geworden om evenwicht op de overheidsbegroting te bewerkstelligen. Een slecht middel. En een evenwicht dat niet nodig is. Denk eens beter na over de echte prioriteiten, zou je zeggen.

vrijdag 7 december 2012

Als je emotioneel minder stabiel bent, is geld belangrijker voor je

Het is bekend dat mensen met een hoger inkomen iets gelukkiger of tevredener met hun leven zijn dan mensen met een lager inkomen. Ook weten we dat een inkomenstoename (tijdelijk) iets gelukkiger en tevredener maakt. Maar dan vergelijken we gemiddeldes en daar kan veel achter schuil gaan. De aandacht voor wat daar achter schuil gaat neemt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek toe. Ik werd daarop geattendeerd door het lezen van het boek Mijn brein is niet jouw brein van Richard J. Davidson en Sharon Begley, dat handelt over de grote verschillen tussen mensen in emotionele stijl. Verschillen die je niet opmerkt als je alleen maar gemiddeldes vergelijkt.

Evenzo blijken verschillen in persoonlijkheid schuil te gaan achter de gevonden samenhangen tussen inkomen en geluk of levenstevredenheid. Uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat van de bekende vijf persoonlijkheidsdimensies het vooral de mate van neuroticisme is die er voor zorgt dat, gemiddeld genomen, mensen met een hoger inkomen tevredener zijn met hun leven en dat een toename van inkomen tevredener maakt. Als je neurotisch bent, ben je minder emotioneel stabiel, laat je je meer beïnvloeden door negatieve gebeurtenissen en ben je meer bezig je met anderen te vergelijken. Door deze beide eigenschappen of een van de twee, dat weten we nog niet, is kennelijk de tevredenheid van neurotici meer afhankelijk van hoeveel geld ze verdienen.

Als we dus zeggen dat geld gelukkiger maakt, dan blijkt dat in het bijzonder te gelden voor degenen onder ons die meer emotioneel onstabiel zijn. Die meer last ondervinden van negatieve gebeurtenissen en die meer de neiging hebben om zich met anderen te vergelijken.

Daar zou je uit kunnen afleiden dat het bevorderen van emotionele stabiliteit (ja, zo onveranderbaar is persoonlijkheid niet) een bijdrage zou kunnen zijn tot een minder eenzijdig-materialistische maatschappij. Anders gezegd, als we (gemiddeld genomen) emotioneel stabieler waren, dan waren we (gemiddeld genomen) minder materialistisch. Dat vond ik wel iets om over na te denken.