Wie ben ik eigenlijk? Waarom stellen we ons die vraag zo vaak en waardoor is het vinden van een antwoord zo moeilijk?De powerpoint-presentatie is hier te bekijken.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
dinsdag 23 april 2019
Wie ben ik eigenlijk? Waarom stellen we ons die vraag zo vaak en waardoor is het vinden van een antwoord zo moeilijk?
Morgen naar Nijmegen om voor Quo Vadis, dispuut van C.S.F.R. Nijmegen, een lezing te geven over:
zondag 21 april 2019
Zondagochtendmuziek - J.S. Bach - Cantata BWV 92 "Ich hab in Gottes Herz und Sinn" (J.S. Bach ...
Nu eens niet de Matthäus of de Johannes, maar een prachtige uitvoering van Bachs Cantata BWV 92 "Ich hab in Gottes Herz und Sinn" vanuit de kerk van Troger in Zwitserland door de J.S. Bach Foundation.
Op de website van Eduard van Hengel lees je over die cantate:
Op de website van Eduard van Hengel lees je over die cantate:
Het koraal Ich hab in Gottes Herz und Sinn mein Herz und Sinn ergeben, waarop de cantate is gebaseerd en waaraan zij haar titel ontleent, werd in 1647, kort voor het einde van de verwoestende Dertigjarige Oorlog (1618-1648) gepubliceerd door de liederendichter en predikant Paul Gerhardt. (...)
Paul Gerhardts lied telt twaalf tienregelige coupletten, waarvan Bachs tekstdichter de eerste en de laatste gewoontegetrouw ongewijzigd bestemt voor een openingskoor en een slotkoraal. Maar in zijn parafrases van de tussenliggende coupletten citeert de tekstdichter ook Gerhardts coupletten 2, 5 en 10 in extenso. Zo ontstond een maar liefst negendelige koraalcantate: de langste van de serie koraalcantates, die meestal slechts zes delen omvatten. En bovendien met in de delen 2, 7 en 8 uitzonderlijk lange lappen tekst, waarvan je je kunt afvragen hoe blij de componist daarmee is geweest.
vrijdag 19 april 2019
Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 4
Update. Zie nu ook deel 5 van deze reeks: Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten.Volgens de Dual Mode-theorie zijn er in het sociale leven twee evenwichten mogelijk: het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht, en verschaft het gemeenschapsevenwicht van die twee het hoogste welzijn. Zie hier het vorige bericht in deze reeks over hoe het maatschappelijk belang van het vak sociologie kan worden vergroot.
Cruciaal in het tot stand komen van het ene dan wel het andere evenwicht is dat mensen zich in hun eigen gedrag sterk laten leiden door welk gedrag ze in hun omgeving het meeste waarnemen. Afhankelijk van de omvang van de groep, is die waarneming meer of minder direct.
In een kleine groep kunnen mensen elkaars gedrag direct waarnemen. In dat geval is de kans groot dat een van de twee evenwichten snel tot stand komt. Ik denk even aan Michael Tomasello, die in een interview naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek Becoming Human. A Theory of Ontogeny opmerkt:
When people are in a small group of people they know – family, friends, small communities – they're incredibly cooperative compared to other apes. When people tell me how uncooperative humans are, I say, "You have the wrong baseline. You should hang around chimpanzees sometime!"Anders gezegd: in kleine groepen van familie, van vrienden en in kleine gemeenschappen (het woord is veelbetekenend) gedragen mensen zich niet alleen gemakkelijk gemeenschapsgericht, maar nemen ze dat ook gemakkelijk van elkaar waar. Waardoor het gemeenschapsevenwicht snel tot stand komt en stabiel is, dus inderdaad een evenwicht is.
Maar ik moet er ook aan denken dat het vandaag de Landelijke Dag tegen het Pesten is. En bij dat pesten gaat het vaak over een heel andere groep, die van de schoolklas. Dat is ook een kleine groep, maar hij is kunstmatig samengesteld. Met leerlingen van dezelfde leeftijd, die elkaar bij de aanvang van het schooljaar vaak nog niet goed kennen.
We hebben dan te maken met een toestand van sociale vluchtigheid, die gemakkelijk statuscompetitie uitlokt. Leerlingen weten nog niet wat ze aan elkaar hebben en willen vermijden om als zwak en als loser te worden gezien. Dat leidt tot stoerdoenerij en tot jezelf verheffen ten koste van de ander.
En voor je het doorhebt, ontstaat er een schoolklas met een statushiërarchie, met de meest populaire(n) aan de top en een rangordening naar status van de rest. Iedereen zit dan in de statuscompetitiemodus. Met pestgedrag van boven naar beneden en ondergeschiktheid en berusting van beneden naar boven.
Daarbij "helpt" dat ieders gedrag meestal heel goed waarneembaar is. Meestal direct, maar vaak ook via geroddel. Er kan dus snel een statuscompetitie-evenwicht ontstaan, waaruit maar moeilijk valt te ontsnappen. Denk even aan het onderzoek waar het over ging in het bericht Meer statushiërarchie in de schoolklas leidt tot meer strijd om populariteit en daarmee tot meer agressie en pesterij.
En sta er ook even bij stil dat het ontstaan van dat "pestevenwicht" kan worden tegengegaan door de schoolklas minder kunstmatig samen te stellen. Want het blijkt dat een natuurlijker samenstelling, dus leeftijdsgemengd, gunstiger is voor het uitlokken van gemeenschapsgedrag. Dat vervolgens ook gemakkelijk waarneembaar en dus snel tot een gemeenschapsevenwicht kan leiden.
Dat zou op de Landelijke Dag tegen het pesten wel wat meer aandacht mogen krijgen: dat in leeftijdsgemengde klassen pesten de helft minder voorkomt dan in leeftijdshomogene klassen. Zie het bericht van nu al weer meer dan twee jaar geleden: Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging.
En het vak sociologie zou dus maatschappelijk belangrijker kunnen worden door meer oog te ontwikkelen voor de voorwaarden waaronder het ene dan wel het andere evenwicht tot stand komt.
dinsdag 16 april 2019
Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 3
In deel 2 van deze reeks ging het om de derde stelling van de Dual Mode-theorie, die inhoudt dat:
Net zo als voor de eerste twee stellingen, mogen we ook van de derde stelling eisen dat er empirische evidentie voor bestaat.
Als je daarnaar op zoek gaat, dan vind je wel veel onderzoek dat laat zien dat gemeenschapsgedrag (pro-sociaal gedrag) welzijnsverhogend en dat statuscompetitiegedrag welzijnsverlagend is, maar weinig onderzoek waarin daarbij rekening is gehouden met de sociale omgeving . In het bijzonder met hoeveel anderen hetzelfde of juist het tegengestelde gedrag vertonen.
Denk enerzijds aan het onderzoek waaruit blijkt dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt (Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen) en et onderzoek naar de positieve gezondheidseffecten van het verlenen van sociale steun (Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is).
En anderzijds aan de aanwijzingen dat statuscompetitiegedrag stressverhogend is. Zie de berichten
Gezondheid en sociale omgeving (7): de stress van statuscompetitie en eenzaamheid en Prestatiedruk, competitie, stress en ziek worden. Over de amygdala en het voortdurend alert moeten zijn.
- de eerste twee stellingen samen impliceren dat er in het menselijke sociale leven twee evenwichten kunnen bestaan, een waarin allen gemeenschapsgedrag en een waarin allen statuscompetitiegedrag vertonen
- het gemeenschapsevenwicht een hoger welzijn verschaft dan het statuscompetitie-evenwicht.
Net zo als voor de eerste twee stellingen, mogen we ook van de derde stelling eisen dat er empirische evidentie voor bestaat.
Als je daarnaar op zoek gaat, dan vind je wel veel onderzoek dat laat zien dat gemeenschapsgedrag (pro-sociaal gedrag) welzijnsverhogend en dat statuscompetitiegedrag welzijnsverlagend is, maar weinig onderzoek waarin daarbij rekening is gehouden met de sociale omgeving . In het bijzonder met hoeveel anderen hetzelfde of juist het tegengestelde gedrag vertonen.
Denk enerzijds aan het onderzoek waaruit blijkt dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt (Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen) en et onderzoek naar de positieve gezondheidseffecten van het verlenen van sociale steun (Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is).
En anderzijds aan de aanwijzingen dat statuscompetitiegedrag stressverhogend is. Zie de berichten
Gezondheid en sociale omgeving (7): de stress van statuscompetitie en eenzaamheid en Prestatiedruk, competitie, stress en ziek worden. Over de amygdala en het voortdurend alert moeten zijn.
Maar daarnaast is er ook het onderzoek naar de welzijnseffecten van het verkeren in een meer gemeenschapsgerichte omgeving dan wel in een meer statuscompetitiegerichte omgeving. Zie bijvoorbeeld In een veilige sociale omgeving, waarin mensen elkaar vertrouwen, leven mensen langer en Hoe meer gemeenschap en hoe minder statuscompetitie, hoe gezonder we zijn en hoe langer we leven. O ja, zie ook De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.
Al dat onderzoek vergelijkt individuen op hun gedrag dan wel op hun sociale omgeving. Je zou natuurlijk onderzoek willen waarin gedrag en omgeving allebei zijn meegenomen, zodat je zou kunnen toetsen of welzijnseffecten van gedrag inderdaad afhankelijk zijn van de aard van de sociale omgeving. Maar tot nu toe komen onderzoekers niet op het idee om zulk onderzoek te gaan doen. Of ik zie het nu even helemaal over het hoofd.
Tenslotte heb je het onderzoek waarin niet individuen, maar samenlevingen worden vergeleken. Ik denk dan aan studies die laten zien dat burgers van verzorgingsstaten, samenlevingen dus waarin de gemeenschapsintuïties meer zijn geïnstitutionaliseerd in wetgeving, gelukkiger zijn dan burgers van andere landen. Denk aan Verzorgingsstaat, welvaart en geluk / Het World Happiness Report 2013 en De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven. En niet een klein beetje!
Al met al veel aanwijzingen die sterk doen vermoeden dat het gemeenschapsevenwicht naar welzijn te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.
Dat is een belangrijk inzicht, omdat het een richting wijst waarin een maatschappelijk belangrijker vak sociologie zich zou kunnen ontwikkelen. Ontwikkel je tot een vak met empirisch onderbouwde deskundigheid op het terrein van de voordelen en van de bevordering van gemeenschapsgerichtheid.
Natuurlijk valt hier meer over te zeggen. En is er dus een kans dat deze reeks wordt voortgezet. Update. Zie nu ook deel 4.
zondag 14 april 2019
Zondagochtendmuziek - Karol Mossakowski improvises on Le Chemin de la Croix, Paul Claudel (Saint Sulpice)...
De film Lazzaro Felice van Alice Rohrwachrer, die ik gisteravond zag, is een magisch-realistisch drama, waarin alles draait om uitbuiting en, in contrast daarmee, onschuld. Het is ook een actuele film en het is navrant dat er kennelijk nu, in 2019, voldoende aanleidingen bestaan om zo'n film te maken.
Uitbuiting was toch iets van het verleden? Van de negentiende eeuw, waar Marx en Engels zo indringend over schreven? Een mooie bespreking van de film vind je in het Belgische FILMMAGIE. En hier is het interview dat de Volkskrant had met Rohrwacher.
In de film komt een scene voor waarin de hoofdrolspeler, de onschuldige en dus onwereldse Lazzaro, tijdens een dienst de kerk uit wordt gestuurd, waarna hij de orgelmuziek met zich mee naar buiten neemt. Die blijft hem daar magisch vergezellen.
Na wat zoeken vond ik hier, Full Cast & Crew, de naam van de organist, die in beeld komt als hij tevergeefs de toetsen aanslaat om de muziek in de kerk te laten klinken. Die muziek klinkt wel, maar volgt het spoor van Lazzaro. Die organist blijkt Karol Mossakowski te zijn, die organist is van de kathedraal van Lille.
Hier improviseert hij op het orgel van de Saint Sulpice in Parijs op het gedicht Le Chemin de la Croix van Paul Claudel. De improvisatie begint na 25 minuten.
Uitbuiting was toch iets van het verleden? Van de negentiende eeuw, waar Marx en Engels zo indringend over schreven? Een mooie bespreking van de film vind je in het Belgische FILMMAGIE. En hier is het interview dat de Volkskrant had met Rohrwacher.
In de film komt een scene voor waarin de hoofdrolspeler, de onschuldige en dus onwereldse Lazzaro, tijdens een dienst de kerk uit wordt gestuurd, waarna hij de orgelmuziek met zich mee naar buiten neemt. Die blijft hem daar magisch vergezellen.
Na wat zoeken vond ik hier, Full Cast & Crew, de naam van de organist, die in beeld komt als hij tevergeefs de toetsen aanslaat om de muziek in de kerk te laten klinken. Die muziek klinkt wel, maar volgt het spoor van Lazzaro. Die organist blijkt Karol Mossakowski te zijn, die organist is van de kathedraal van Lille.
Hier improviseert hij op het orgel van de Saint Sulpice in Parijs op het gedicht Le Chemin de la Croix van Paul Claudel. De improvisatie begint na 25 minuten.
vrijdag 12 april 2019
Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 2
Dit is deel 2 van een reeks berichten over het vak sociologie. Hier lees je deel 1.
En hier lees je deel 3 en hier deel 4.Het vorige bericht besloot ik met de constatering dat de twee stellingen van de Dual Mode-theorie aanvulling behoeven met een derde stelling. Dit bericht gaat over die derde stelling.
Maar eerst maar even voor het gemak die eerste twee stellingen aangehaald:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.Die twee gaan over wat mensen wat hun sociale gedrag betreft kunnen. Maar wil de theorie dienstig zijn aan het vergroten van het maatschappelijk belang van het vak sociologie, dan moet hij ook iets te zeggen hebben over wat mensen willen, over hun behoeften. Daarover gaat de derde stelling;
Stelling 3. De combinatie van de twee vorige stellingen impliceert dat er in een menselijke samenleving twee evenwichten mogelijk zijn: een waarin iedereen handelt volgens het gemeenschapspatroon en een waarin iedereen handelt volgens het statuscompetitiepatroon. Van die twee evenwichten komt het gemeenschapsevenwicht beter tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht.De rest van dit bericht en de berichten die er nog wel op zullen volgen, dienen om deze derde stelling toe te lichten.
Eerst maar even over dat begrip evenwicht. Dat slaat op een toestand waarin niemand het een goed idee vindt om voor het andere gedragspatroon te kiezen dan wat hij nu uitvoert. Dat is hetzelfde evenwichtsbegrip als dat van de economie en de speltheorie. Een toestand dus waarin alleen exogene factoren, dus invloeden van buitenaf, kunnen zorgen voor veranderingen.
Waarom dat zo is, blijkt uit Stelling 2. Als iedereen alleen maar in aanraking komt met het gemeenschapspatroon, dan zal iedereen precies daarvoor kiezen. En als iedereen alleen maar in aanraking komt met het statuscompetitiepatroon, dan zal iedereen ook daarvoor kiezen. (Kiezen steeds tussen aanhalingstekens, want veel van de invloed die anderen uitoefenen, voltrekt zich onbewust.)
Van die twee evenwichten die mogelijk zijn, is dus het gemeenschapsevenwicht het beste. In de zin dat het beter tegemoetkomt aan de menselijke behoeften. En dus een hoger welzijn verschaft.
Dat betekent dat we Stelling 3, sterk gestileerd, in het plaatje hieronder kunnen afbeelden. Lees door onder het plaatje.
Het plaatje beeldt de situatie af waarin een persoon i, een lid van een groep of samenleving, zich bevindt. Vanaf het punt linksonder zie je op de horizontale as het aantal andere personen van die groep of samenleving die kiezen voor het gemeenschapspatroon (NG - 1). Stel dat we het hebben over de Nederlandse samenleving, dan staat N - i dus voor alle Nederlanders behalve de persoon i. Helemaal rechts kiezen alle andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag en helemaal links kiezen nul andere Nederlanders voor gemeenschapsgedrag, en dus voor statuscompetitiegedrag.
Op de verticale as is afgebeeld hoeveel welzijn de persoon i ontleent aan oftewel de keuze voor het gemeenschapspatroon (G) oftewel de keuze voor het statuscompetitiepatroon (S). We zien dat het welzijn heel laag is (C) als i de enige is die kiest voor gemeenschapsgedrag, maar toeneemt met het aantal anderen dat voor het gemeenschapspatroon kiest. Het maximale welzijn (A) is bereikt als alle anderen dat doen.
En we zien dat het welzijn dat i zou ontlenen aan statuscompetitiegedrag (B) behoorlijk hoog is als alle anderen voor datzelfde gedrag kiezen, maar afneemt met het aantal anderen dat kiest voor gemeenschapsgedrag. i komt dan steeds meer in aanraking met gemeenschapsgedrag en heeft dan steeds minder een goed gevoel als hij doorgaat met statuscompetitiegedrag (en dus een lager welzijn) en/of krijgt steeds meer te maken met sociale afwijzing en afkeuring (en dus een lager welzijn).
Wat Stelling 3 zegt is dat punt A hoger ligt op de welzijnsas dan punt B. Het gemeenschapsevenwicht A komt meer tegemoet aan de menselijke behoeften dan het statuscompetitie-evenwicht B. A is het optimale evenwicht en B het sub-optimale evenwicht. Bedenk dat wat in het plaatje voor persoon i wordt afgebeeld, net zo geldt voor alle andere personen.
Ingewijden in de speltheorie zullen het plaatje hebben herkend als een variant van het plaatje waarmee het N-persoons gevangenendilemma vaak wordt afgebeeld. In dat dilemma gaat het om de keuze tussen Cooperate en Defect (vergelijkbaar met gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag), waarbij Defect altijd een hoger welzijn (in de speltheorie "nut") oplevert dan Cooperate. In dat geval is er dus alleen meer het sub-optimale evenwicht waarin iedereen kiest voor Defect. We zagen al dat proefpersonen zich niet zo goed houden aan de voorspelling van de speltheorie dat iedereen kiest voor Defect. Zie het bericht Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen.Natuurlijk geeft het plaatje een sterk gestileerd beeld van een heel ingewikkelde sociale situatie. Het is ook niet meer dan een geraamte dat voor concrete toepassingen veel vlees en bloed nodig heeft. Zoals inzichten in de geïnformeerdheid van mensen over het gedrag van anderen. En dus in welke signalen ze daarvan krijgen, zoals via de media. En inzicht in mogelijke verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot het ene dan wel het andere patroon en verschillen in hun beïnvloedbaarheid door wat anderen doen.
En het cruciale punt is dus de "welzijnswinst" die geboekt wordt bij een verschuiving van evenwicht B naar evenwicht A. In het volgende bericht ga ik in op alle empirische aanwijzingen die we hebben voor de stelling dat die welzijnswinst er inderdaad is.
woensdag 10 april 2019
Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft- deel 1
Dit is deel 1 van wat een reeks berichten lijkt te gaan worden.Vorige week werd ik in het kader van het oral history-project over de geschiedenis van de sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen geïnterviewd door Arie Glebbeek. Het ging onder meer over mijn verwachtingen van het vak sociologie toen ik dat in 1965 begon te studeren. En over wat er van die verwachtingen is terechtgekomen nu ik daar in 2019 op terugkijk.
Heel in het kort: sociologie stelde toen, qua theorie en qua onderzoek, nog maar heel weinig voor. Maar het leek het vak van de toekomst te gaan worden. En ik hoopte en verwachtte dat het zou gaan uitgroeien tot een discipline die naar omvang en maatschappelijke invloed vergelijkbaar zou zijn met economie, rechten en psychologie.
Die verwachting is niet uitgekomen. Daarover schreven Arie en ik ooit: Heeft de sociologie een toekomst? Over de hardnekkige onvolledigheid van de sociologische beroepsopvatting. Dat was al in 2000, maar ook daarna is er weinig veranderd. Sociologie leidt eerst en vooral onderzoekers op, terwijl verreweg de meeste afgestudeerden niet in het onderzoek terechtkomen. Dat sociologie een vak zou moeten zijn dat leert systematisch na te denken over beleidsverbetering, en dus voorbereidt op beleidsfuncties, dat is een gedachte die je nog steeds maar weinig tegenkomt.
Wat mijn eigen sociologiebeoefening betreft, ben ik na verschillende omzwervingen, zoals die in de rationele keuzetheorie en de public choice, wel ergens terechtgekomen. De volgers van dit blog hebben daarvan een idee. Wil de sociologie een maatschappelijk belangrijk vak zijn, dan moet het kort gezegd beschikken over empirisch onderbouwde inzichten in wat mensen kunnen (hun gedrag) en in wat ze willen (hun behoeften).
Die empirische onderbouwing bestaat er enerzijds uit dat die inzichten plausibel moeten zijn vanuit het gezichtspunt van wat we weten over de menselijke evolutie, in het bijzonder van de evolutionaire achtergronden van de menselijke sociale natuur. En anderzijds uit het in overeenstemming zijn met sociaalwetenschappelijk onderzoek dat aanwijzingen verschaft over dat gedrag en die behoeften.
Mij lijkt dat "mijn" Dual Mode-theorie behoorlijk aan deze eisen tegemoetkomt. Die theorie houdt in dat de menselijke sociale natuur ambivalent is, in de zin dat mensen in hun onderlinge verhoudingen over twee gedragspatronen beschikken, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, die aan elkaar tegengesteld zijn. Zie voor toelichting de berichten achter het label Dual Mode-theorie, in het bijzonder
- Is de mens van nature goed? Ja. Maar hij is ook van nature slecht. Hij is dus van nature flexibel
- Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.Stelling 1 heeft dus een plausibele evolutionaire achtergrond. In dat verband is het niet toevallig dat hij sterk overlapt met de evolutionair onderbouwde inzichten van de life history theory. Zie voor een recent overzicht daarvan Developmental Adaptation to Stress: An Evolutionary Perspective van Bruce Ellis en Marco Del Giudice.
Daarnaast is er overeenkomst met verschillende sociaalwetenschappelijke onderzoekslijnen. Zoals met het onderzoek naar agency (statuscompetitiegedrag) en communion (gemeenschapsgedrag) als dimensies van menselijk gedrag, dat teruggaat tot The duality of human existence: An essay on psychology and religion van David Bakan uit 1966. Zie de studie Agency and communion attributes in adults’ spontaneous self-representations voor een recenter overzicht.
Naast die onderzoekslijn is er ook die van de relational models theory van Alan P. Fiske. Daarin worden er vier gedragspatronen onderscheiden, te weten communal sharing, authority ranking, equality matching en market pricing. Maar die theorie ontbeert een evolutionaire onderbouwing. En uit een factoranalyse van door proefpersonen beschreven relaties komen uitgerekend alleen communal sharing (overeenkomend met gemeenschapsgedrag) en authority ranking (overeenkomend met statuscompetitiegedrag) naar voren. Zie Relational models theory: A confirmatory factor analysis.
Stelling 2 komt behoorlijk overeen met de aanwijzingen die er bestaan voor de life history theory. Volgens die aanwijzingen komen mensen terecht in een snelle levensstrategie (statuscompetitiegedrag) als ze in een onveilige sociale omgeving opgroeien, dat wil zeggen in een omgeving met veel statuscompetitiegedrag. Daarentegen "kiezen" ze voor een langzame levensstrategie (gemeenschapsgedrag) als ze opgroeien in een veilige sociale omgeving, dat wil zeggen een omgeving met veel gemeenschapsgedrag.
Verder is er het onderzoek dat aanwijzingen verschaft dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is en dat het in aanraking komen met statuscompetitie datzelfde gedrag uitlokt. Denk ook aan het vele onderzoek naar de effecten van de peer group op het gedrag van adolescenten en aan het recente onderzoek dat pesten (een vorm van statuscompetitie) meer voorkomt in schoolklassen die meer een statushiërarchie kennen.
Oké. Maar dan hebben we het vooral gehad over wat mensen kunnen. Dat wil zeggen, tot welk gedrag of tot welke gedragspatronen ze in staat zijn. Het gaat er ook om wat mensen willen. Anders gezegd, om wat ze het liefste zouden willen, wat het meest met hun behoeften overeenkomt.
En daar valt meer over te zeggen dan wat uit die twee stellingen naar voren komt. Sterker, er is een derde stelling nodig. Daarover meer in deel 2, dat morgen of overmorgen zal verschijnen.
Update. Lees hier verder voor deel 2.
dinsdag 9 april 2019
Sociale media en de angst te worden buitengesloten
We weten dat de generatie die opgegroeid is met de sociale media in vergelijking met vorige generaties meer tijd doorbrengt op die sociale media en daar tijdsbesteding aan face-to-face contacten voor heeft ingeleverd. Uit onderzoek van Jean Twenge in de Verenigde Staten kwam naar voren dat:
Het zou dus kunnen dat die nieuwe technologische ontwikkeling van de sociale media met zich mee brengt dat we vaker ten prooi vallen aan de vrees te worden buitengesloten. Dat zou dan staan tegenover het voordeel dat je gemakkelijker contact houdt.
Die vrees te worden buitengesloten is so wie so al groter onder de condities van sociale vluchtigheid, die zo kenmerkend zijn voor onze huidige manier van samenleven. We zijn er als groepsdier op ingesteld om relaties te hebben die zo vanzelfsprekend zijn dat je zelden of nooit bang hoeft te zijn dat anderen jou buitensluiten. Nu we veel meer vluchtige contacten hebben, ontbreekt vaak die vanzelfsprekendheid. En dat stelt ons voor uitdagingen.
Hoe ermee om te gaan dat die vrees voor uitsluiting vaker de kop opsteekt?
De nieuwe studie Why Do People Experience the Fear of Missing Out (FoMO)? Exposing the Link Between the Self and the FoMO Through Self-Construal wijst erop dat je minder last hebt van die vrees voor uitsluiting als je jezelf meer ziet als een onafhankelijk iemand.
Zo'n zelfbeeld van een onafhankelijk iemand betekent dat je jezelf meer ziet als een autonoom en op zichzelf staand individu. Dat aan zichzelf genoeg heeft. Daartegenover kun je jezelf ook zien als iemand die zich door onderlinge afhankelijkheid sterk met anderen verbonden voelt. In het sociaalwetenschappelijk onderzoek kom je die tegenstelling tegen als die tussen een independent en een interdependent self-construal. Een baanbrekend artikel is Culture and the Self. Implications for Cognition, Emotion, and Motivation van Markus en Kitayama uit 1991. Zie ook Wat is geluk? Culturele verschillen.
Volgens die nieuwe studie kun je de uitdaging van hoe om te gaan met het op de loer liggen van buitengesloten te worden dus beter aan als je je maar niet teveel verbonden voelt met anderen. Zie jezelf als onafhankelijk en autonoom, als iemand die anderen niet nodig heeft, en dan vermijd je dat vervelende gevoel van er niet bij te horen.
Daar zit wat in. Maar toch. Misschien lukt het je om dat autonome zelfbeeld in de lucht te houden. Als een aanpassing aan de sociale vluchtigheid waar we nu eenmaal mee te maken hebben.
Maar zou het dan ook lukken om eenzaamheid buiten de deur te houden? En om een zinvol leven te leiden?
Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.Met negatieve gevolgen:
Bovendien zijn de adolescenten die elke dag op de sociale media actief zijn en minder vrienden in het echt ontmoeten, precies degenen die zich vaker eenzaam en buitengesloten voelen. En ze hebben een grotere kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten.Een deel van de verklaring daarvoor kan zijn dat je via die sociale media voortdurend wordt geïnformeerd over hoe leuk anderen het samen hebben, terwijl jij dan alleen thuis zit. En niemand informeert anderen over hoe het is om alleen thuis te zitten.
Het zou dus kunnen dat die nieuwe technologische ontwikkeling van de sociale media met zich mee brengt dat we vaker ten prooi vallen aan de vrees te worden buitengesloten. Dat zou dan staan tegenover het voordeel dat je gemakkelijker contact houdt.
Die vrees te worden buitengesloten is so wie so al groter onder de condities van sociale vluchtigheid, die zo kenmerkend zijn voor onze huidige manier van samenleven. We zijn er als groepsdier op ingesteld om relaties te hebben die zo vanzelfsprekend zijn dat je zelden of nooit bang hoeft te zijn dat anderen jou buitensluiten. Nu we veel meer vluchtige contacten hebben, ontbreekt vaak die vanzelfsprekendheid. En dat stelt ons voor uitdagingen.
Hoe ermee om te gaan dat die vrees voor uitsluiting vaker de kop opsteekt?
De nieuwe studie Why Do People Experience the Fear of Missing Out (FoMO)? Exposing the Link Between the Self and the FoMO Through Self-Construal wijst erop dat je minder last hebt van die vrees voor uitsluiting als je jezelf meer ziet als een onafhankelijk iemand.
Zo'n zelfbeeld van een onafhankelijk iemand betekent dat je jezelf meer ziet als een autonoom en op zichzelf staand individu. Dat aan zichzelf genoeg heeft. Daartegenover kun je jezelf ook zien als iemand die zich door onderlinge afhankelijkheid sterk met anderen verbonden voelt. In het sociaalwetenschappelijk onderzoek kom je die tegenstelling tegen als die tussen een independent en een interdependent self-construal. Een baanbrekend artikel is Culture and the Self. Implications for Cognition, Emotion, and Motivation van Markus en Kitayama uit 1991. Zie ook Wat is geluk? Culturele verschillen.
Volgens die nieuwe studie kun je de uitdaging van hoe om te gaan met het op de loer liggen van buitengesloten te worden dus beter aan als je je maar niet teveel verbonden voelt met anderen. Zie jezelf als onafhankelijk en autonoom, als iemand die anderen niet nodig heeft, en dan vermijd je dat vervelende gevoel van er niet bij te horen.
Daar zit wat in. Maar toch. Misschien lukt het je om dat autonome zelfbeeld in de lucht te houden. Als een aanpassing aan de sociale vluchtigheid waar we nu eenmaal mee te maken hebben.
Maar zou het dan ook lukken om eenzaamheid buiten de deur te houden? En om een zinvol leven te leiden?
zondag 7 april 2019
Zondagochtendmuziek - Beatrice Rana records Bach: The Goldberg Variations (Aria) BWV 988
De jonge Italiaanse pianiste Beatrice Rana verovert de wereld. Dat lees je her en der naar aanleiding van de concerten die ze in Nederland heeft gegeven. Zoals het concert eergisteren in TivoliVredenburg met Amsterdam Sinfonietta, waar ze Bach en Bartok speelde. En waar ik helaas, helaas, niet bij was.
Dat Rana nog jong is, ze is van 1993, zou niet moeten uitmaken. Maar het is toch opmerkelijk als je luistert naar hoe ze Bachs Goldbergvariaties speelt. Jong zijn blijkt heel goed te kunnen samengaan met "calm maturity" (Le Monde). Hier kun je een filmpje zien over de opname die ze van de Goldbergvariaties maakte.
Dat Rana nog jong is, ze is van 1993, zou niet moeten uitmaken. Maar het is toch opmerkelijk als je luistert naar hoe ze Bachs Goldbergvariaties speelt. Jong zijn blijkt heel goed te kunnen samengaan met "calm maturity" (Le Monde). Hier kun je een filmpje zien over de opname die ze van de Goldbergvariaties maakte.
dinsdag 2 april 2019
Maatschappelijke en persoonlijkheidsfactoren die van invloed zijn op het aanhangen van een rechts-extremistisch wereldbeeld
We zagen dat er aan de rechts-extremistische kant van het politieke spectrum twee wereldbeelden worden aangehangen: een beeld dat de wereld gevaarlijk is en een beeld dat de wereld een strijdtoneel is.
Het beeld dat de wereld gevaarlijk is, dat chaos, anarchie en kwaadwillende lieden elk moment kunnen opduiken, blijkt vooral samen te hangen met het hoog scoren op Right-Wing Authoritarianism (RWA), dat wil zeggen met het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld.
Terwijl het beeld dat de wereld een strijdtoneel is, een amorele jungle, vooral samenhangt met hoge scores op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO), dat wil zeggen met gefascineerd zijn door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is van groepen en met de innerlijke behoefte om jezelf en je groepsgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien.
Maar weten we meer over de factoren die van invloed zijn op de kans dat mensen zulke wereldbeelden gaan aanhangen?
Jazeker. Via de studie uit 2013 waar ik in het vorige bericht naar verwees, kwam ik terecht bij
Personality, Ideology, Prejudice, and Politics: A Dual‐Process Motivational Model uit 2010. Daarin wordt onderzoek aangehaald en besproken dat wijst op maatschappelijke en persoonlijkheidsfactoren die mensen doen neigen naar een rechts-extremistisch wereldbeeld.
Het beeld dat de wereld gevaarlijk is, dat chaos, anarchie en kwaadwillende lieden elk moment kunnen opduiken, blijkt vooral samen te hangen met het hoog scoren op Right-Wing Authoritarianism (RWA), dat wil zeggen met het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld.
Terwijl het beeld dat de wereld een strijdtoneel is, een amorele jungle, vooral samenhangt met hoge scores op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO), dat wil zeggen met gefascineerd zijn door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is van groepen en met de innerlijke behoefte om jezelf en je groepsgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien.
Maar weten we meer over de factoren die van invloed zijn op de kans dat mensen zulke wereldbeelden gaan aanhangen?
Jazeker. Via de studie uit 2013 waar ik in het vorige bericht naar verwees, kwam ik terecht bij
Personality, Ideology, Prejudice, and Politics: A Dual‐Process Motivational Model uit 2010. Daarin wordt onderzoek aangehaald en besproken dat wijst op maatschappelijke en persoonlijkheidsfactoren die mensen doen neigen naar een rechts-extremistisch wereldbeeld.
Je ziet die factoren links in het plaatje hieronder, dat een uitbreiding is van het plaatje dat je in het vorige bericht tegenkwam. (Lees door onder het plaatje.)
Wat persoonlijkheid betreft, blijken er twee van de Big Five-persoonlijkheidsdimensies voorspellend te zijn voor een rechts-extremistisch wereldbeeld.
Als je lager scoort op de dimensie Openheid voor nieuwe ervaringen, dan voorspelt dat het meer aanhangen van een gevaarlijk wereldbeeld. Anders gezegd, mensen die zo hangen aan hun overtuigingen dat ze zich liever afsluiten voor nieuwe, mogelijk tegengestelde informatie, neigen er meer toe om de wereld als gevaarlijk te zien. Dezelfde, maar zwakkere, samenhang is er met de dimensie Zorgvuldigheid (zelfdiscipline, plichtsbesef, betrouwbaarheid, ordelijkheid).
En een lage score op de persoonlijkheidsdimensie Aangenaamheid (Agreeabkeness) blijkt voorspellend te zijn voor het aanhangen van het competitieve wereldbeeld, de wereld als een amorele jungle. Het gaat dan om mensen die afstandelijk zijn, onvriendelijk, weinig coöperatief en die hun eigen belangen boven die van anderen stellen.
Tenslotte zijn er ook aanwijzingen dat maatschappelijke factoren de kans op het aanhangen van een rechts-extremistisch wereldbeeld vergroten.
In lijn met het onderzoek dat een grotere economische bestaansonzekerheid het succes van rechts-extremistische politieke partijen vergroot, zien we dat het zich bedreigd voelen het gevaarlijke wereldbeeld doet ontstaan en dat ongelijkheid en conflict het competitieve wereldbeeld uitlokt.
Wat persoonlijkheid betreft, blijken er twee van de Big Five-persoonlijkheidsdimensies voorspellend te zijn voor een rechts-extremistisch wereldbeeld.
Als je lager scoort op de dimensie Openheid voor nieuwe ervaringen, dan voorspelt dat het meer aanhangen van een gevaarlijk wereldbeeld. Anders gezegd, mensen die zo hangen aan hun overtuigingen dat ze zich liever afsluiten voor nieuwe, mogelijk tegengestelde informatie, neigen er meer toe om de wereld als gevaarlijk te zien. Dezelfde, maar zwakkere, samenhang is er met de dimensie Zorgvuldigheid (zelfdiscipline, plichtsbesef, betrouwbaarheid, ordelijkheid).
En een lage score op de persoonlijkheidsdimensie Aangenaamheid (Agreeabkeness) blijkt voorspellend te zijn voor het aanhangen van het competitieve wereldbeeld, de wereld als een amorele jungle. Het gaat dan om mensen die afstandelijk zijn, onvriendelijk, weinig coöperatief en die hun eigen belangen boven die van anderen stellen.
Dat degenen die zelf onvriendelijk zijn en weinig coöperatief ook een wereldbeeld hebben waarin anderen competitief zijn, is geheel in overeenstemming met de studie van Kelley en Stahelski uit 1970 die ik besprak in Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen.De rechts-extremistische medemens blijkt dus gemiddeld genomen een minder aangenaam mens te zijn, die minder open staat voor nieuwe informatie.
Tenslotte zijn er ook aanwijzingen dat maatschappelijke factoren de kans op het aanhangen van een rechts-extremistisch wereldbeeld vergroten.
In lijn met het onderzoek dat een grotere economische bestaansonzekerheid het succes van rechts-extremistische politieke partijen vergroot, zien we dat het zich bedreigd voelen het gevaarlijke wereldbeeld doet ontstaan en dat ongelijkheid en conflict het competitieve wereldbeeld uitlokt.
Abonneren op:
Posts (Atom)

