zondag 13 oktober 2019

Zondagochtendmuziek - Paul Badura-Skoda - His last recital on May, 31st, 2019 in the Vienna Mu...

Paul Badura-Skoda, een van de grote pianisten van de twintigste eeuw, is op 25 september overleden. Hij is 91 jaar geworden.

Op zijn negentigste gaf hij in Wenen een Beethoven-recital met de laatste drie pianosonates. Toen hem werd gevraagd of hij niet te oud was geworden voor zo'n veeleisend programma, moet hij volgens dit In Memoriam in de New York Times hebben geantwoord: “Ninety is quite a good age. I’m very well prepared.”

Hier speelt hij Schubert, Schuman en Mozart vier maanden voor zijn overlijden.

vrijdag 11 oktober 2019

Afscheid nemen is een uniek menselijke eigenschap en zou te maken kunnen hebben met onze neiging tot piekeren

We nemen afscheid van elkaar als we uit elkaar gaan. We drukken elkaar de hand of omhelzen elkaar. En als we verwachten elkaar binnenkort weer te zien, zeggen we "Tot ziens" of zelfs "Tot gauw".
Klopt mijn indruk dat we tot voor kort ook "Tot ziens" zeiden in de gevallen waarin we die verwachting van elkaar weer te zien niet hadden? Zoals tussen vreemden. Ik zeg in zulke gevallen nog wel eens "Tot ziens", maar hoor dan vaak terug "Prettige dag verder" of een variant daarvan. Tot ziens tussen vreemden is natuurlijk ook wat vreemd en kennelijk zijn we daar met zijn allen mee opgehouden.
Afscheid nemen lijkt een unieke menselijke eigenschap te zijn. Veel dieren kennen wel het elkaar begroeten. Zo wijst de studie "Parting Is Such Sweet Sorrow", But Only For Humans? uit dat in het wild levende chimpansees elkaar wel begroeten na afwezigheid, maar nooit afscheid nemen als ze uit elkaar gaan.

Waarom nemen wij als waarschijnlijk enige diersoort afscheid van elkaar? De onderzoekers suggereren dat het te maken zou kunnen hebben met ons besef van onze eigen dood. Veel dieren kennen wel een doodsbesef, maar dan in de zin dat ze het door hebben als iemand anders is gestorven. Ze lijken niet stil te staan bij hun eigen sterfelijkheid.

Wij wel. Hoewel, we zijn er van op de hoogte, maar we zijn ook vrij goed in het verdringen ervan. Zie Is het verdringen van het doodsbesef een sociaal proces? - VPRO Zomergasten in 5 minuten: Frans de Waal.

Dat altijd deels verdrongen besef van de eigen sterfelijkheid zou er mee te maken kunnen hebben dat we afscheid nemen van elkaar de gewoonste zaak van de wereld vinden. We zullen elkaar immers een poos niet zien en wie weet wat er in die tussentijd allemaal gebeurt. We houden ons bezig met de toekomst en, vaak met hoop op gunstige voorvallen, maar ook vaak met gepieker over mogelijke negatieve gebeurtenissen. Wie weet, wie weet, is dit onze laatste ontmoeting. Dat kunnen we niet zomaar voorbij laten gaan en dus omhelzen we elkaar.

Want wij zijn waarschijnlijk ook de enige diersoort die in staat en geneigd is tot piekeren. Tot getob over de toekomst. Piekeren en afscheid nemen horen misschien wel bij elkaar.

donderdag 10 oktober 2019

Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie

Na de (verschrikkingen van) de Tweede Wereldoorlog was er een algemeen gedeeld inzicht dat de mate van ongelijkheid binnen de perken moest worden gehouden. Vandaar dat veel landen hoge marginale tarieven in de inkomstenbelasting kenden en vandaar dat veel landen zich inspanden om de algemene toegang tot het onderwijs te vergroten.

Maar die periode ligt al weer een poos achter ons en dat inzicht is op de achtergrond geraakt. Inkomens- en vermogensverschillen zijn in veel landen sterk toegenomen. Dat heeft de deur opengezet naar sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de negatieve effecten van die toegenomen ongelijkheid.

Zo zijn er aanwijzingen dat een toename van ongelijkheid de statuscompetitie tussen mensen aanwakkert, doordat inspanning gericht op verwerven en behoud van status meer kunnen opleveren als de verschillen groter zijn. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van statuscompetitie.

Ook kennen we de gevaren van grote ongelijkheid voor het behoud van de democratie. De exorbitant rijken zijn erop gebrand om hun positie te verdedigen tegen uitkomsten van het democratische proces, die over het algemeen, in de democratie telt immers iedereen evenveel mee, in de richting gaan van meer gelijkheid (het gemeenschapsevenwicht). En dus zal het Grote Geld zijn overvloedige middelen inzetten om die uitkomsten te beïnvloeden, door manipulatie en bedrog via de media en door omkoping van politici.

Voor het vermoeden dat toename van ongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert (het statuscompetitie-evenwicht dichterbij brengt), zijn er nu nieuwe aanwijzingen. Ik noemde al dat mensen ook zelf inzien dat meer ongelijkheid een individualistisch en competitief normatief klimaat met zich meebrengt. Dus dat ze in hun sociale omgeving meer statuscompetitie verwachten waar te nemen als de ongelijkheid groter is.

Daar kunnen we nu de nieuwe studie “Our Country Needs a Strong Leader Right Now”: Economic Inequality Enhances the Wish for a Strong Leader aan toevoegen. Daaruit komt naar voren dat studenten in landen met een grotere ongelijkheid meer van mening zijn dat hun land een sterke leider nodig heeft.

Dat wordt bevestigd in onderzoek naar Australiërs die verschillen in hun oordeel over de mate van ongelijkheid in hun land. Degenen die meer ongelijkheid waarnemen, hebben meer een hang naar een sterke man als leider, die het niet zo nauw neemt met de regels van de democratie. En het komt naar voren uit onderzoek waarin mensen wordt gevraagd zich voor te stellen in een meer gelijke dan wel een meer ongelijke maatschappij te leven.

In alle drie gevallen is er een interessante tussenliggende factor: de mate van anomie die mensen in hun maatschappij waarnemen of in die fictieve maatschappij verwachten. Anomie (letterlijk normloosheid) is een begrip dat geïntroduceerd werd door Emile Durkheim (1858 - 1917), die er mee bedoelde dat het kapitalisme wel iedereen aanzet om het hoogste te willen bereiken, maar tekort schiet in het verschaffen van de middelen daartoe.

Een toestand dus waarin iedereen het maar zelf moet uitzoeken. Waarin niemand te vertrouwen is, van niemand moreel gedrag verwacht kan worden en waarin de overheid ineffectief is en illegitiem. Ene toestand die gemakkelijk kan worden aangeduid als die van het statuscompetitie-evenwicht.

Anomie als tussenliggende factor kan met dit plaatje worden afgebeeld:


De getallen bij de pijltjes geven aan hoe sterk het betreffende verband is. Hoe meer sterretjes hoe sterker. Als je anomie toevoegt aan de analyse, zie je dat de verbanden met Waargenomen ongelijkheid en de vraag naar een sterke leider heel sterk zijn, terwijl het rechtstreekse verband tussen ongelijkheid en vraag naar een sterke leider in sterkte is afgenomen (van 1,52 naar 1,37). Anders gezegd, het rechtstreekse verband wordt deels verklaard door de omweg via anomie. De omweg dus van de statuscompetitie.

Eigenlijk komen we met het huidige onderzoek dicht in de buurt van wat Durkheim meer dan een eeuw geleden al voor zich zag.

dinsdag 8 oktober 2019

Over Theda Skocpol, de Tea Party, Trump en de Republikeinse partij - en over het statuscompetitiepatroon

Naar aanleiding van het eredoctoraat dat de Nijmeegse Radboud Universiteit volgende week aan haar uitreikt, heeft de Volkskrant een interview met de Amerikaanse sociologe/politicologe Theda Skocpol: ‘Trump is slechts het symptoom van een dieper probleem’.

Theda Skocpol heeft een indrukwekkend oeuvre op haar naam staan. Lees het pas verschenen A Conversation withTheda Skocpol, waarin ze zelf haar intellectuele loopbaan en haar werk toelicht. 

Ik ken dat werk onder meer van haar boek, samen met Vanessa Williams,
over de opkomst van de Tea Party en de daarmee samenhangende radicalisering en verrechtsing van de Amerikaanse Republikeinse Partij: The Tea Party and the Remaking of Republican Conservatism (2012, 2013, 2016).

Die Tea Party was een merkwaardige mix van een beweging van onderop, ondersteuning door miljardairs uit het bedrijfsleven, zoals de Koch Brothers, en van mediaberoemdheden als Glenn Beck en Sean Hannity. Die erin slaagden om van de Republikeinse partij een extreemrechtse koers te laten varen, die uitliep op het met illegale middelen, waaronder inmenging door Rusland, aan de macht komen van Donald Trump.

Hoe die ontwikkeling verder zal verlopen, dat kunnen we nu van dag tot dag volgen. Er zit een afzettingsprocedure (impeachment) aan te komen, maar ook als die slaagt, blijft er het probleem van die extreemrechtse, antidemocratische koers van de Republikeinse partij. Voorlopig is de democratie in groot gevaar in het machtigste land ter wereld, dat lang als democratisch voorbeeld diende.

Ik las dat boek over de opkomst van de Tea Party, waarin Skocpol en Williamson leden van die beweging hebben geïnterviewd en geprobeerd hebben om hun beweegredenen te begrijpen, al weer een paar jaar geleden. Toen ik het vanochtend weer eens uit de kast pakte, vond ik er de aantekeningen in terug die ik er destijds bij maakte. 

Een van die aantekeningen gaat over de vraag welke aanwijzingen het boek verschaft voor de gedachte dat die Tea Party-aanhangers onderdeel waren (en zijn) van die beweging in de richting van het statuscompetitiepatroon waar ik het eerder (in 2017) over had: We maken een tijd mee waarin het statuscompetitiepatroon gaat overheersen in het publieke domein.

Ik kwam toen tot de volgende vier aanwijzingen:
  1. het aanhangen van de ideologie van de kleine overheid, die zoveel mogelijk de markt zijn werk moet laten doen. Maar die kleine overheid moet wel: streng straffen, immigranten buiten de deur houden, abortus verbieden en het homohuwelijk verbieden.
  2. het afwijzen van sociale zekerheid en de herverdelende verzorgingsstaat. Bijstand alleen voor degenen die dat echt verdiend hebben en dat zijn er maar weinigen. De anderen zijn klaplopers en profiteurs. Afwijzen van collectieve verzekering tegen ziektekosten (Obamacare), want waarom zouden de gezonden moeten meebetalen voor de zieken.
  3. het denken in racistische/etnische scheidslijnen: de zwarten en de Latino's zijn minder hardwerkend, minder intelligent en minder betrouwbaar.
  4. de neiging om te denken dat mensen in het algemeen niet zijn te vertrouwen, overeenkomend met de twee wereldbeelden van het rechts-extremisme.
Skocpol en Williamson schreven voor de 2016-editie van hun boek een epiloog, toen Trump nog slechts een van de Republikeinse kandidaten was voor het presidentschap. Die eindigt met de volgende twee zinnen:
Eventually, the Republican Party will either moderate or die, but not quickly. The after-effects of the Tea Party disruption will continue to weaken the GOP - and will also bedevil American government and politics for some time to come.
Voorspellende woorden. Over hoe dat zal aflopen, weten we nu, in 2019, elke dag, ja, elk uur, iets meer. Maar inderdaad, het gaat niet snel genoeg.

donderdag 26 september 2019

Mensen hebben inzicht in de negatieve effecten van grote ongelijkheid op het normatieve klimaat (meer statuscompetitie)

Sociaalwetenschappelijk en economisch onderzoek heeft veel aanwijzingen opgeleverd over de sociale en economische nadelen van grote (inkomens- en vermogens-)ongelijkheid. De opsomming van die nadelen, voor zover ze op dit blog zijn langsgekomen, kun je nog eens nalezen in het bericht
Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht.

Veel van die negatieve effecten lijken er mee samen te hangen dat grotere ongelijkheid meer statuscompetitiegedrag uitlokt. Aanwijzingen voor dat laatste vind je in studies waarnaar wordt verwezen in het recent verschenen Economic inequality enhances inferences that the normative climate is individualistic and competitive. Zo zijn mensen in meer ongelijke maatschappijen meer bezig met zichzelf boven anderen te verheffen, zijn ze minder vriendelijk voor elkaar, zijn ze minder bereid om anderen te helpen en vertrouwen ze elkaar minder.

Die nieuwe studie laat zien dat mensen zelf ook inzicht hebben in dat effect van grotere ongelijkheid. De onderzoekers gingen in drie experimenten, uitgevoerd in Spanje, Australië en de Verenigde Staten, na wat mensen zich voorstelden wat het normatieve klimaat zou zijn in een (fictieve) maatschappij met een hoge mate van ongelijkheid vergeleken met een (fictieve) maatschappij met een geringe mate van ongelijkheid.

Daaruit kwam naar voren dat van een meer ongelijke maatschappij verwacht werd dat mensen zichzelf zien als onafhankelijker van elkaar, meer berekenend zijn in hun onderlinge relaties, meer gericht zijn op hun eigen belang dan op het algemeen belang en meer competitie dan samenwerking om zich heen waarnemen.

En omgekeerd: bij minder ongelijkheid zullen mensen zich meer onderlinge verbonden voelen, zullen ze genereuzer zijn in hun onderlinge relaties, zullen ze meer gericht zijn op het algemene belang en zullen ze meer samenwerking dan competitie om zich heen waarnemen.

Wat in onderzoek naar voren komt is iets waar mensen zelf ook vaak inzicht in hebben op grond van hun verzamelde dagelijkse ervaringen. En mensen zijn er dus goed van op de hoogte dat grote ongelijkheid niet goed is voor een gunstig en aangenaam sociaal en normatief klimaat. Dat het verminderen van ongelijkheid een beweging in gang zet in de richting van het gemeenschapsevenwicht.

Waarmee je goed kunt verklaren dat mensen een voorkeur hebben voor de arrangementen van de verzorgingsstaat die de ongelijkheid binnen de perken houden.

En dus over het algemeen linkser zijn dan de huidige politici. Zie (uit 2017): Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen.

dinsdag 24 september 2019

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 18 - Spannende tijden voor de democratie - en meer aanwijzingen voor de eerste twee stappen

In de loop van de negentiende, maar vooral vanaf het begin van de twintigste eeuw, zette zich in veel landen de beweging door in de richting van de democratische staatsvorm. Dat was een uiterst belangrijke ontwikkeling gezien vanuit het verloop tot dan toe van de mensheidsgeschiedenis.

Zie over de plaats van de democratie in die mensheidsgeschiedenis de vorige zeventien berichten op dit blog, die nu bijna een jaar geleden begon met De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1. En hier is het vorige bericht: De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 17 - Over een politieke partij, de Amerikaanse Republikeinen, als verlengstuk van het Grote Geld. Je kunt die reeks, voorwaarts of achterwaarts, volgen door in die berichten op de links naar het volgende dan wel het vorige bericht te klikken.

Ik noemde die ontwikkeling naar de democratie de derde stap in de mensheidsgeschiedenis. De eerste stap bestaat eruit dat onze vroegste voorouders in staat bleken om zich te ontdoen van de sociale vorm van de statushiërarchie als organisatieprincipe van de onderlinge verhoudingen.

Die statushiërarchie, en de statuscompetitie die ermee gepaard gaat, kennen we als de bij de primaten, denk aan de chimpansees, overheersende sociale vorm. Hij staat bekend als het alfa-mannetjes model. Een mannetje vecht zich naar de top van de hiërarchie, beheerst de gang van zaken in de groep en monopoliseert de voortplanting.

Die eerste stap was inderdaad fundamenteel voor het ontstaan van de menselijke soort. Het was een sociale uitvinding, die een antwoord was op de uitdaging waaraan die eerste mensen werden blootgesteld, namelijk dat ze alleen door middel van samenwerken en delen van voedsel konden overleven. Dat lukte alleen door de ongelijkheid in de groep binnen de perken te houden, dus door een egalitaire samenlevingsvorm. En dus door de neiging tot statuscompetitie, die natuurlijk nog steeds aanwezig was, individueel en collectief te onderdrukken.

Dat laatste lukte door statuscompetitiegedrag af te keuren en er, collectief, als dat nodig was met sancties op te reageren. En als dat nodig was, met sociale uitsluiting of zelfs fysiek geweld tot executie aan toe. Denk wat dat laatste betreft aan Richard Wrangham's The Goodness Paradox. The Strange relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Die collectieve onderdrukking bracht op den duur met zich mee dat geselecteerd kon worden op de vermogens om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag bij het opgroeien in de groep gemakkelijk aan te leren. Je hoort anderen als gelijken te beschouwen, je hoort met anderen rekening te houden, je hoort je voor anderen en voor de groep in te spannen en je hoort bij te dragen aan de sociale harmonie. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid van jagers-verzamelaars.

Daar kwam, zoals we zagen, verandering in bij de overgang naar de landbouwsamenlevingen, ongeveer 8000 tot 10.000 jaar geleden. Dat was de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Uit het vierde bericht in deze reeks:
De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.
Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.
Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.
Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.
Waarna dus nog maar heel recent de derde stap in de mensheidsgeschiedenis zich begon te voltrekken, de overgang naar de democratie op het niveau van de nationale staten. En nog recenter de internationale erkenning van mensenrechten. Beide als collectieve pogingen om die nog steeds bestaande morele gemeenschapsintuïties van samenwerking en delen en gelijke rechten opnieuw vorm te geven. Nu niet in de kleine groep van jagers-verzamelaars, maar op het niveau van nationale staten en van de wereldbevolking.

En vandaag de dag maken we mee of die derde stap wel of niet bestendig is. Zal de democratie zich weten te handhaven? Nu hij in allerlei landen bedreigd wordt. In het Verenigd Koninkrijk is er vandaag het vonnis van het Hooggerechtshof dat het naar huis sturen van het parlement door de regering-Johnson onwettig was en moet worden beschouwd als niet te hebben plaats gevonden. In de Verenigde Staten zit de lang verwachte afzettingsprocedure van "president" Trump er nu aan te komen.

Ontwikkelingen die hoopvol stemmen, maar de tijden zijn spannender dan je zou wensen.

Laten we maar even weer afstand nemen en terugkijken op de grote lijn en dus op die eerste twee stappen in de mensheidsgeschiedenis.

Een mooi overzicht van alle aanwijzingen die er bestaan voor die stappen, voor die egalitaire verhoudingen in de jagers-verzamelaarsgroepen en voor de terugval in de statuscompetitie en -hiërarchie, dus in de ongelijkheid en de despotie van de landbouwsamenlevingen, valt te lezen in Making and unmaking egalitarianism in small-scale human societies van Chris von Rueden.

De meeste daarvan zijn hier op dit blog al eens langsgekomen. Maar misschien kom ik er nog een kee rop terug.

zondag 22 september 2019

Zondagochtendmuziek - Miles Davis Quintet - Germany 1967-11-07

Na de zondagochtendmuziek van vorige week vroeg ik me af of  er meer opnamen van het Miles Davis Quintet uit de jaren 60 van de vorige eeuw beschikbaar zijn.

En ja, dat is wel degelijk het geval. Hier opnamen uit 1967, kennelijk gemaakt in West-Duitsland en Zweden. Wel met een andere samenstelling: naast Miles met de grootheden Wayne Shorter op de tenorsax, Herbie Hancock aan de piano, Ron Carter, bas en Tony Williams, drums.

Jazz op zijn allerbest.

donderdag 19 september 2019

Waarom stagneren de lonen? Er is nog veel verborgen werkloosheid

Hoe komt het dat in veel landen de werkloosheid sinds de jaren na de Grote Financiële Crisis flink gedaald is en dat toch de lonen niet of nauwelijks zijn gestegen? (En dat daarmee samenhangend de inflatie maar niet echt wil toenemen?) Je zou immers verwachten dat dalende werkloosheid leidt tot een grotere krapte op de arbeidsmarkt, die maakt dat werkgevers hogere lonen moeten aanbieden om werknemers aan te kunnen trekken.

Dat de lonen toch stagneren, zou eraan kunnen liggen dat die werkloosheid minder gedaald is dan uit het meestal gehanteerde werkloosheidscijfer (wel of geen betaald werk hebben) naar voren komt. Want dat cijfer houdt geen rekening met de verborgen werkloosheid, die eruit bestaat dat er mensen zijn die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken. Dat kunnen werkende armen zijn die graag uit hun armoede zouden willen ontsnappen. In de Engelstalige literatuur wordt die verborgen werkloosheid aangeduid met underemployment.

Vandaag vraagt Norbert Häring daar aandacht voor: Wie unfreiwillige Teilzeitarbeit die Reservearmee der Arbeitslosen ersetzt.

Daarin verwijst hij naar het NBER-paper Underemployment in the US and Europe, dat al een jaar geleden verscheen, maar nu als artikel uitkomt in de Industrial and Labor Relations Review. David N.F. Bell en David G. Blanchflower laten daarin voor de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en veel van 25 andere Europese landen zien dat weliswaar de werkloosheid is teruggekeerd op het niveau van voor de crisis, maar dat zulks niet geldt voor de verborgen werkloosheid.

En bovendien blijkt dat een verklaring te zijn voor die achterblijvende loongroei. Want als je met die verborgen werkloosheid rekening houdt, dan is die achterblijvende loongroei precies wat je zou verwachten.

Het valt anders gezegd nogal mee, of eigenlijk tegen, met die krapte op de arbeidsmarkt. De echte werkloosheid, dat wil zeggen de niet-gerealiseerde vraag naar uren arbeid, is veel hoger dan uit het eenvoudige werkloosheidscijfer blijkt. Vooral in landen waarvan gezegd wordt dat "het nu beter gaat", zoals in Italië, Spanje, Portugal en Ierland, is dat het geval. Zo veel beter gaat het dus helemaal niet.

We kennen dus nog in hoge mate het verschijnsel van het industriële reserveleger, zoals Karl Marx dat beschreef in zijn Das Kapital (1867).

Of we kennen het weer, want het na-oorlogse sociaaleconomische beleid was tot in de jaren 70 immers nog gericht op de doelstelling van de volledige werkgelegenheid. Een beleid waarmee dat vernederende en inhumane reserveleger voorgoed tot de geschiedenis zou gaan behoren. Zie nog eens het bericht van begin vorig jaar: De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Update. Ook voor Nederland geldt dat de verborgen werkloosheid een verklaring vormt voor de achterblijvende loongroei. Zie De Nederlandse loon-Phillips-curve opnieuw bekeken.

woensdag 18 september 2019

Waarom het niet klopt dat we nu kunnen investeren doordat we in het verleden zo goed hebben bezuinigd

Dit is een vervolg op het bericht van gisteren: Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.
Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei

Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu geld lenen om te investeren.

Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. 

In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. 

Maar denk ook aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet meer worden hersteld.

dinsdag 17 september 2019

Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

Update. Zie nu ook deze mooie analyse van de achtergronden van de in Duitsland, eindelijk, oplaaiende discussie over de zinvolheid van het beleid gericht op begrotingsevenwicht (de Duitse bezuinigingszeepbel): German rebalancing—out of exit options.
Update. Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei. Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu investeren.
Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. En denk aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet worden hersteld.
Sinds 2011, het jaar dat ik dit blog begon, staan er berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel. Die term sloeg op het sociale verschijnsel dat politici en beleidsmakers in veel landen na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 een obsessie ontwikkelden met begrotingstekorten van de overheid en gingen uitdragen dat overheden zo veel en zo snel mogelijk moesten bezuinigen als antwoord op de door Crisis ontstane problemen.

Ik noem dat een sociaal verschijnsel, omdat die opvatting niet spoorde met wat de economiehandboeken voorschreven. Er was geen rechtvaardiging voor die consensus te vinden in de mainstream van het vak economie. Denk aan wat Nobelprijswinnaar Paul Krugman allemaal heeft geschreven over de economische ongeletterdheid van de voorstanders van bezuinigen. Een mooi overzicht daarvan lees je in zijn What Have We Learned From The Crisis?

En denk in ons land aan de pogingen van econoom en VVD-lid wijlen Johan Witteveen (ex-minister van Financiën en ex-voorzitter van het IMF) om Mark Rutte en andere VVD-voormannen er van te overtuigen dat hun verhaal over het overheidstekort niet klopte. Het meest dodelijke daarvan, voor die VVD-voormannen, was wel dat ze volgens Witteveen wisten dat het verhaal niet klopte, maar er toch naar handelden. Zie, uit 2012: Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie".

En denk in ons land aan alle pogingen van Bas Jacobs om de voorstanders van bezuinigen als remedie tegen de gevolgen van de crisis op andere, en betere, gedachten te brengen. Uit 2016: Bas Jacobs: De vraag moet zo krachtig worden gestimuleerd dat overbesteding en inflatie ontstaat.

Er leek dus het verschijnsel van de sociale zeepbel ten grondslag te liggen aan die merkwaardige consensus onder politici, in Nederland, in Duitsland, in Groot-Brittannië en in de Eurogroep van ministers van Financiën van de eurozone, dat juist nu de overheidstekorten zo snel mogelijk moesten worden teruggedrongen. Bij gebrek aan economische geletterdheid kregen degenen die het eerst en het hardst riepen bijval van anderen, waardoor nog weer anderen zich daarbij aansloten, want als zoveel mensen iets roepen, dan zal dat wel kloppen. Zie nog eens mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat die sociale zeepbel zo maar uit het niets kon ontstaan en groeien. Er lagen ook wel degelijk belangen (het Grote Geld) en ideologische overtuigingen (de ideologie van de kleine overheid) aan ten grondslag.

Maar als het goed is, loopt een sociale zeepbel op den duur leeg, doordat hij niet is opgewassen tegen de feiten en de feitelijke ontwikkelingen. Dat is met de bezuinigingszeepbel nu al een poos aan de gang. Zo is in Duitsland, nota bene het land van het huishoudboekje van die schwäbische Hausfraude discussie opgelaaid over de zinvolheid van het in de Grondwet vastgelegde (!) beleid van de Schuldenbremse of de schwarze Null.

En in Nederland? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.