dinsdag 2 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 7

Voor ik doorga met de vraag via welke wegen de "fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid" leiden tot een psychische aandoening, eerst twee aanvullingen op eerdere berichten in deze reeks. Zie hier het vorige bericht.

De eerste aanvulling gaat over de vraag hoeveel mensen lijden aan een psychische aandoening, in een jaar of op enig moment in hun leven. In het eerste bericht van deze reeks verwees ik naar publicaties die daar informatie over verschaffen. Dat ging o.a. om de Nieuw-Zeelandse studie Enduring Mental Health: Prevalence and Prediction, waarin van de voor de bevolking representatieve steekproef die tot hun 38ste levensjaar gevolgd werd, slechts 17 procent niet op enig moment aan een psychische aandoening had geleden. Vastgesteld met periodieke interviews door getrainde interviewers met klinische ervaring. Uit deze en andere studies trekken de onderzoekers de conclusie dat "experiencing a diagnosable mental disorder at some point during the life course is the norm, not the exception."

Ook noemde ik de studie The size and burden of mental disorders and other disorders of the brain in Europe 2010, waarin op basis van bestaand onderzoek, her-analyse van bestaande data en surveys voor de 27 landen van de Europese Unie, Zwitserland, IJsland en Noorwegen werd geschat dat ruim 38 procent van de bevolking (inclusief kinderen en ouderen) per jaar aan een psychische aandoening lijdt.

Ik vroeg me af of gegevens voor Nederland gemakkelijk te vinden zijn. Als je daarnaar op zoek gaat, kom je uit bij de website van De Staat van Volksgezondheid en Zorg, die cijfers geeft van het bevolkingsonderzoek NEMESIS-2. Daarin worden mondelinge interviews afgenomen, die resulteren in psychiatrische diagnoses. Er blijkt dan dat 18 procent van de bevolking tussen 18 en 65 jaar in de afgelopen 12 maanden aan een psychische aandoening heeft geleden.

En aan de Zorgthermometer ggz valt te ontlenen dat 43 procent van de Nederlanders tussen 18 en 64 jaar op enig moment te maken krijgt met een psychische aandoening. Waarbij ik aanneem dat het gaat om een in contact met de ggz gestelde diagnose.

Verschillen in al die percentages kunnen te maken hebben met de wijze van vaststelling (interviews of officiële diagnoses) of met de leeftijdscategorie. Maar hoe dan ook, de conclusie dat het lijden aan een psychische aandoening een veel voorkomend en "normaal" verschijnsel is, lijkt gerechtvaardigd. En dat wettigt, zoals gezegd, de veronderstelling dat de oorzaak of oorzaken van psychische aandoeningen ook een normaal verschijnsel zijn.

Dat was de eerste aanvulling. De tweede betreft berichten die je zo nu en dan tegenkomt over het probleem van de in de geestelijke gezondheidszorg verkeerd gestelde diagnoses. Zo was er vorige week in Trouw het artikel Twaalf jaar lang slikte Kaya 32 pillen per dag tegen borderline, alleen klopte die diagnose niet. Daarin gaat het over 96 patiënten met een ernstige psychische aandoening die opnieuw werden onderzocht, waaruit bleek dat ongeveer de helft in het verleden een verkeerde diagnose had gehad.

Dat onderzoek kan best kloppen. Maar we zagen ook dat het heel veel voorkomt dat patiënten met een diagnose later een andere diagnose krijgen. En nog later nog weer een andere. Dat is het verschijnsel van de comorbiditeit.

Dat zou natuurlijk kunnen betekenen, en dat zal het ook wel eens betekenen, dat die eerdere diagnoses fout waren. Maar het kan ook betekenen dat er aan al die verschillende diagnoses een gemeenschappelijke factor ten grondslag ligt, de p-factor, die op het ene moment een andere diagnose uitlokt dan op een ander moment. Eruit voortkomend dat het ervaren probleem nu eenmaal als een aandoening van de DSM-5 moet worden gediagnosticeerd. 

In dat verband is dat bericht in Trouw interessant. Want daarin zegt de directeur van MIND, het landelijk patiënten- en familieplatform, Marjan ter Avest:

De blik van de GGZ is vaak te beperkt (...). De nadruk ligt te zeer op de diagnose, terwijl we hier met een veelkoppig monster te maken hebben. Juist bij deze patiënten is het belangrijk om een totaalbeeld te hebben, om de leefsituatie, de omstandigheden en de kwaliteit van leven ook mee te wegen.

Dat veelkoppige monster is misschien wel een fraaie uitdrukking voor wat onderzoekers de p-factor noemen. Dat wat aan al die verschillende aandoeningen gemeenschappelijk is. Eén monster, maar wel met veel verschillende koppen.

Als het inderdaad om één monster gaat, dan is het misschien ook niet zo adequaat om steeds maar de "juiste kop" te willen vinden. De juiste diagnose met de daarbij behorende, precies daarop afgestemde behandeling. 

En precies die conclusie trekken Caspi en Moffitt in het artikel waar deze reeks berichten grotendeels op is gebaseerd:

If p were real, how might clinical practice change? The most radical implication of p is that clinicians could potentially deliver the same treatment to all, regardless of a patient’s diagnosis at the time he or she presents to the clinician.
Een pleidooi dus voor een "transdiagnostische" of universele psychotherapie.  Waaruit die zou kunnen bestaan, of zelfs al bestaat, meer in een van de volgend berichten. Maar ook in dat bericht in Trouw gaat het over zoiets als een universele therapie:

MIND ziet heil in de herstel- en zelfregiecentra, die in steeds meer steden uit de grond schieten. Ter Avest: “Op initiatief van patiënten en familie bieden ze herstelcursussen, ontmoetingsplekken, zorg-informatie, levensperspectief en zicht op werk. Het probleem is alleen: wie betaalt? De verzekeraar, de gemeente of zijn instellingen bereid om te investeren? Dat is in veel regio’s onduidelijk.”

En daar stuit je dus op dat vervelende probleem van hoe onze huidige gezondheidszorg gefinancierd wordt. Je hebt een diagnose nodig. Een diagnose die past binnen de DSM-5. Anders geen geld. Een wijze van financiering waarin geen plaats is voor een p-factor. Zie hier het volgende bericht.

maandag 1 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 6

Als het inderdaad zo is dat aan het ontstaansproces van alle psychische aandoeningen "fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid" ten grondslag liggen (zie hier het vorige bericht), langs welke weg of langs welke wegen voltrekt zich dan dat proces?

Caspi en Moffitt noemen drie van zulke wegen. (Eigenlijk vier, maar de vierde slaat op genetische verschillen is stressgevoeligheid.) 

De eerste weg noemen ze stress inbedding en dat slaat erop dat onveiligheid neurale veranderingen in bedreigingssystemen teweegbrengt die de kwetsbaarheid voor het optreden van latere aandoeningen vergroten. Daarbij verwijzen ze naar literatuur die suggereert dat die aanvankelijke veranderingen adaptief zouden kunnen zijn, dus een adequaat antwoord op bedreigingen, maar dat ze niet meer passen bij latere, niet-bedreigende omgevingen. Als dat aanvankelijke adequate gedrag dan toch in stand blijft, is er de kans op wat we dan een psychische aandoening noemen.


Maar nu alvast mijn vertaling van deze weg in termen van het duale mensbeeld (de Dual Mode-theorie) dat je op dit blog zo vaak tegenkomt. Volgens dat mensbeeld zijn kinderen er bij hun geboorte op voorbereid om op te groeien in een zorgzame gemeenschapsomgeving. Waarin er voor hen gezorgd wordt en waarin ze die ervaren zorg beantwoorden, als en zodra ze daartoe in staat zijn, met hetzelfde gedrag. Door dat zorgzame gedrag waarmee ze omringd worden, ervaren ze de omgeving waarin ze terecht zijn gekomen als veilig en een gevoel van veiligheid roept gemakkelijk gemeenschapsgedrag op. Vandaar dat heel jonge kinderen vaak al geneigd zijn tot hulpvaardigheid. Zie Zijn wij van nature goed? Ja, maar...

Maar de menselijke sociale natuur is flexibel. Als die zorgzame omgeving niet of maar beperkt wordt aangetroffen, dan ligt er ook nog dat andere gedragspatroon klaar, dat van de statuscompetitie. Als de omgeving onveilig blijkt te zijn, met mishandeling of emotionele verwaarlozing, dan zal statuscompetitiegedrag in verschillende varianten de kop opsteken. En omdat kinderen doorgaans niet kunnen "vluchten", zal dat de vorm aannemen van "vechten", dus verdedigen, of van verschillende vormen van "berusting" of "onderdanigheid". Wat in de polyvagaaltheorie van Stephen Porges de reactie van bevriezing of immobilisering wordt genoemd. Je wordt bedreigd en kruipt als reactie in je schulp. Om maar zo weinig mogelijk aanleiding te geven tot nog meer agressieve bejegening.

Het punt van die stress inbedding lijkt nu te zijn dat kinderen (of adolescenten) door die statuscompetitiereactie (vechten of bevriezen) anders naar de wereld gaan kijken. Overal en altijd gevaar en bedreigingen zien. Of nog een stap verder: door hun eigen gedrag gevaar en bedreiging uitlokken. Denk aan die heel vroege experimenten van Kelley en Stahelski die lieten zien dat competitief gedrag hetzelfde gedrag van anderen uitlokt. Terwijl dat niet had gehoeven als je maar in staat was geweest om dat allesoverheersende beeld van gevaar en bedreiging los te laten.

En daarmee wordt wat begon als aanpassing aan de omgeving een "psychische aandoening". Als de vechtreactie overheerst, gaat het om een externaliserende stoornis, met agressief en antisociaal gedrag. En als de bevriezingsreactie overheerst, wordt het een aandoening binnen de internaliserende categorie: depressie, angststoornis, sociale fobie.

Dat was de eerste weg van onveiligheid naar een psychische aandoening. In een volgend bericht meer over die twee andere wegen. Zie hier het volgende bericht.

zondag 31 mei 2020

Zondagochtendmuziek - What Makes This Drummer Great? Jimmy Cobb RIP (1929-2020)

Jazzdrummer Jimmy Cobb is overleden. Tja, als je ouder wordt, maak je vaker mee dat mensen wegvallen, uit je nabije omgeving of verder weg, die je alleen heel indirect gekend hebt. Schrijvers, kunstenaars, onderzoekers. En musici. Jimmy Cobb was zo'n naam die vaak voorbijkwam. Ik kan er zelf iets over zeggen, maar veel beter kan Rick Beato dat.

dinsdag 26 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 5

In het vorige bericht in deze reeks zagen we dat de p-factor die gemeenschappelijk lijkt te zijn aan alle psychische aandoeningen, nauw verbonden is met psychologisch-traumatische ervaringen in de vroege jeugd, maar vooral ook in de adolescentie. Een trefwoord is kindermishandeling, maar dat omvat zowel fysieke, seksuele en emotionele mishandeling als emotionele verwaarlozing. In de adolescentie valt dan te denken aan gepest of buitengesloten worden, als vormen van mishandeling door anderen, maar ook als mishandeling door, ja, door dat wij met zijn allen kinderen verplichten om een groot deel van hun leven door te brengen in de sociaal onveilige omgeving van de school.
 
Dat laatste mag bij sommige lezers de wenkbrauwen doen fronsen, want het is toch "normaal" dat kinderen naar school gaan, maar bedenk dat pesten op school veel voorkomt, voor kinderen ernstige gevolgen heeft, dat scholen wettelijk verplicht zijn om antipestprogramma's uit te voeren en dat het ministerie van Onderwijs het nodig vindt om tweejaarlijks de sociale veiligheid op scholen te laten monitoren. Lees meer daarover in mijn artikel Sociale veiligheid op scholen, dat verschijnt in de juni-aflevering van Pedagogiek in Praktijk.

En bedenk ook dat als psychische aandoeningen zoveel voorkomen (Is slechts één op de vijf mensenlevens een leven zonder psychische aandoeningen?), dat de oorzaken daarvan, dus ook de oorzaken van die p-factor, onvermijdelijk ook veel moeten voorkomen. Dus dat die oorzaken gelegen zijn in wat wij met zijn allen als "normaal" zijn gaan ervaren. Onderzoek naar hoe kinderen opgroeien in "minder ontwikkelde" samenlevingen laat meteen het grote verschil zien met wat wij "normaal" vinden. Zie de berichten Onze maatschappij is bijna ingericht op emotionele verwaarlozing van kinderen en Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De !Kung en Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.

Terug naar de vraag hoe je die p-factor zou omschrijven. In het artikel van Caspi en Moffitt, waar ik me in deze reeks berichten op baseer, kom je uiteindelijk deze korte maar veelzeggende omschrijving tegen:

What this research (and clinical experience) implies is that loss, intimidation, humiliation, betrayal—fundamental threats to one’s physical and psychological safety—increase the risk of mental disorder, broadly.
 
Verlies, geïntimideerd en/of vernederd en/of verraden worden - fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid - vergroten de kans op psychische aandoeningen, welke dan ook.

Veel woorden heb je er niet voor nodig, maar wat er staat is inderdaad nogal fundamenteel en veelzeggend. Maar ook weer niet verrassend, want we wisten immers dat mensen een groepsdier zijn, dat geëvolueerd is in een samenlevingsvorm van vertrouwde anderen waarin samengewerkt en gedeeld werd. Waarin het vanzelfsprekend deel uitmaken van zo'n kring cruciaal was voor het gevoel van veiligheid waar dieren op zijn ingesteld om naar te streven

Deze reeks berichten blijkt langer te worden dan ik in het begin verwachtte. Maar Caspi en Moffitt hebben nu eenmaal veel te vertellen. In het volgende bericht gaat het over wat ze te melden hebben over de stappen waarlangs die fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid leiden tot het optreden van psychische aandoeningen. Blijf lezen!

maandag 25 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 4

Er lijkt dus een gemeenschappelijke factor, de p-factor, ten grondslag te liggen aan de vele verschillende vormen van psychische aandoeningen. Een eerste benadering van wat die factor inhoudt is een verwardheid in gedachten en manier van denken en een beheerst worden door irrationele, ongewenste gedachten. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Caspi en Moffitt staan stil bij zowel genetisch als neurologisch onderzoek dat aanwijzingen verschaft in lijn met het bestaan van die p-factor. Uit een meta-analyse van fMRI-studies waarin mensen met verschillende psychische aandoeningen werden vergeleken met een controlegroep van mensen zonder zulke aandoeningen, bleek dat er verschillen waren in hersenactiviteit, met nauwelijks differentiatie tussen die aandoeningen (schizofrenie, bipolariteit, obsessief-compulsieve stoornis, angststoornis en depressie). Uit ander onderzoek bleek het vooral te gaan om hersengebieden die betrokken zijn bij aandacht en cognitieve controle, in het bijzonder bij het registreren en verwerken van informatie. Informatie van buitenaf, maar ook informatie over de eigen gedachten en emoties.

Daar komen de duidelijke aanwijzingen bij dat er invloeden vanuit de omgeving een rol spelen die gemeenschappelijk zijn aan vrijwel alle psychische aandoeningen en die kunnen worden samengevat als: blootstelling aan trauma. Caspi en Moffitt gaan in het bijzonder in op het trauma van kindermishandeling (fysiek, seksueel, emotioneel en emotionele verwaarlozing). En noemen in dat verband drie onderzoekslijnen.

Zo is er als eerste het onderzoek dat laat zien dat kindermishandeling bij vrijwel alle psychische aandoeningen een rol heeft gespeeld (p.838-839):

it is more difficult to identify a disorder to which childhood maltreatment is not linked than to identify a disorder to which it is linked with specificity (91). Childhood maltreatment is a risk factor in the history of people with mood disorders, anxiety disorders, behavioral disorders, and substance use disorders as well as schizophrenia, psychosis, and psychotic-like experiences and symptoms (92–94). Childhood maltreatment also predicts disorder that is comorbid, persistent, and even treatment resistant (95–97).
 
Ten tweede blijkt het voor de aard van de gevolgen niet veel uit te maken om welke vorm van mishandeling het gaat. 

En tenslotte zijn er aanwijzingen dat het niet alleen gaat om de vroege jeugd, maar juist ook om stressvolle ervaringen in de adolescentie, die ernstige en moeilijk behandelbare gevolgen kunnen hebben. Caspi en Moffitt verwijzen naar het overzichtsartikel Heightened stress responsivity and emotional reactivity during pubertal maturation: Implications for psychopathology

Daarin gaat het erover dat er juist in de adolescentie een verhoogde reactiviteit is op ervaren stress en emoties. Dat zal er ongetwijfeld aan liggen dat adolescenten zich moeten zien te handhaven in de leeftijdshomogene groep van medeleerlingen. Die verhoogde reactiviteit is voor sommigen een meer of minder succesvolle aanpassing aan die stressvolle omgeving, maar hangt bij grotere kwetsbaarheid samen met die psychische aandoeningen die juist vaak in deze leeftijdsperiode de kop opsteken (depressie, angststoornis, eetproblemen, verslaving, schizofrenie).  Denk in dat verband ook aan de negatieve lange-termijn effecten van pesten en gepest worden.

Over wat deze drie lijnen nu eigenlijk inhouden over de aard van die p-factor en vooral over de oorzaken ervan meer in het volgende bericht. Waarin het ook zal gaan over de implicaties voor behandeling en preventie. Zie hier deel 5.

zondag 24 mei 2020

Zondagochtendmuziek - François Couperin - Les Ombres Errantes + Presentation (reference record...

De Zwervende Schaduwen van Francois Couperin (1668 - 1733), voor klavecimbel geschreven, maar hier op piano uitgevoerd door Iddo Bar-Shaï. De langzame stukken nodigen uit tot bezinning en reflectie. Hoognodig, maar je moet daar ook weer niet in blijven hangen. Vandaar ook de snelle en virtuoze stukken ertussendoor.

Eerder kwam Couperins muziek voor viool langs op de zondagochtendmuziek. Toen vroeg ik me af:

Misschien ben je pas ontvankelijk voor deze muziek als je eerst tot rust bent gekomen. Maar het zou ook kunnen zijn dat het luisteren ernaar je tot rust brengt.

In de straat waar ik woon hebben kinderen tekeningen voor het raam gehangen met in het midden met grote letters: Het komt goed. Bij het eerste langzame stuk moest ik daar ineens aan denken.

maandag 18 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 3

Ligt er een gemeenschappelijke factor ten grondslag aan die veelheid van psychische aandoeningen die wordt onderscheiden in de DSM-5? En hangt de aard van die factor er mee samen dat er een mismatch bestaat tussen onze aanleg en de sociale omgeving waarin we zijn terechtgekomen?

In het vorige bericht waren we, aan de hand van de onderzoekers Caspi en Moffitt, zo ver gevorderd dat een driedeling mogelijk blijkt, waarin internaliserende en externaliserende stoornissen en schizofrenie worden onderscheiden. 

Maar ook die driedeling blijkt verder te kunnen worden gereduceerd. Caspi en Moffitt geven drie aanwijzingen in die richting.

In de eerste plaats blijkt dat zelfs ook deze drie domeinen met elkaar samenhangen. Anders gezegd, de kans dat iemand met een aandoening in het ene domein ook een aandoening in een van de twee andere domein heeft, is behoorlijk groot. De correlaties die worden gevonden liggen rond de 0,5.

In de tweede plaats blijkt dat als je mensen blijft volgen dat een aandoening uit het ene domein later net zo goed gevolgd kan worden door een andere aandoening uit een ander domein dan uit hetzelfde domein.

En tenslotte blijkt dat de overerfbaarheid van aandoeningen zich weinig aantrekt van die driedeling.

Dit leidde ertoe dat onderzoekers serieus rekening gingen houden met de mogelijkheid van het bestaan van een enkele factor die staat voor iets dat de vatbaarheid voor psychische aandoeningen, welke dan ook, bepaalt. De eerste publicatie die daaruit voortkwam, dateert uit 2012: Is there a general factor of prevalent psychopathology during adulthood?     

In 2014 bouwden Caspi, Moffit en anderen daarop voort: The p Factor: One General Psychopathology Factor in the Structure of Psychiatric Disorders?  En toen ontstond ook de naam p-factor, naar analogie met de g-factor die ten grondslag ligt aan de verschillende vormen van intelligentie.

Maar wat is die p-factor? Bedenk dat het tot dan uitsluitend ging om statistische analyses, zonder een theoretisch vermoeden zoals dat van die mismatch tussen aanleg en omgeving. Voor een mogelijke inhoudelijke invulling lopen Caspi en Moffitt vier vermoedens langs: neuroticisme (emotionele instabiliteit), gebrekkige impulscontrole, gebrekkig intellectueel functioneren (in een maatschappij die hoge eisen stelt) en verwardheid in gedachten en manier van denken.

Die laatste mogelijkheid vinden ze het meest intrigerend. Want het optreden van irrationele, ongewenste gedachten is niet alleen kenmerkend voor psychoses, maar ook voor depressies, angststoornissen, eetstoornissen, posttraumatische stress, somatoforme klachten (lichamelijke klachten zonder aanwijsbare fysieke oorzaak), dissociatie (verlies van contact met de werkelijkheid), verslavingsstoornis en antisociaal gedrag.

Stel dat het inderdaad zo is dat die p-factor zo sterk te maken heeft met die verwardheid in gedachten en manier van denken, met het onvermogen om irrationele, ongewenste gedachten te onderdrukken, hoe valt dan te verklaren dat dat patroon zoveel voorkomt? Zoveel dat kennelijk slechts één van de vijf mensenlevens er van gevrijwaard is? En kan dat dan te maken hebben met die mismatch? Meer in het volgende bericht. (Hint: denk aan het bericht Door eenzaamheid meer paranoïde gedachten.)

zondag 17 mei 2020

Zondagochtendmuziek - Joyce DiDonato sings "À Chloris" by Reynaldo Hahn

Je kunt er verder van alles van denken, maar The Call To Unite, georganiseerd door Opra Winfrey en Tim Shriver, is een appèl op ons vermogen tot het kijken naar de wereld met de wij-met-zijn-allen blik. Dat appèl is er natuurlijk vaker en hoort er ook vaak te zijn, in een wereld waarin die andere blik, het ieder-voor-zich, moeilijk valt te onderdrukken. Maar juist in deze tijd van de corona pandemie, een cruciale periode in de mensheidsgeschiedenis, hebben we die oproep extra nodig en zijn we er ontvankelijk voor. 

Een van de deelnemers was Joyce DiDonato, die vanuit haar woonkamer À Chloris zingt van Reynaldo Hahn, die we eerder dit jaar al eens tegenkwamen. Met als toelichting: 
 
My song - one of the most beautiful I know - is about love. Wishing each of you an abundance of love within and around you. If we can nurture that, we are rich beyond measure. From my home to yours...

 

donderdag 14 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 2

Wat zijn de aanwijzingen dat er aan de grote diversiteit aan psychische aandoeningen, zoals geclassificeerd in de DSM-5, een gemeenschappelijke factor ten grondslag ligt? Dat was de vraag die in het vorige bericht aan de orde kwam, met als achtergrond dat het feit dat psychische aandoeningen zoveel voorkomen te maken zou kunnen hebben met de mismatch tussen onze aanleg en de aard van de sociale omgeving waarin we tegenwoordig leven.

Aanleiding tot het stellen van die vraag is ook het begin deze maand in Nature verschenen artikel The hidden links between mental disorders. Daarin wijst Michael Marshall op het vele recente onderzoek dat probeert om meer te weten te komen over de biologische grondslag van al die aandoeningen in plaats van het steeds maar gedetailleerder classificeren. Het meest radicale voorstel dat daaruit naar voren komt is dat er een enkele factor is die mensen vatbaar maakt voor psychopathologie. Een overzichtsartikel waar Marshall in dat verband naar verwijst is All for One and One for All: Mental Disorders in One Dimension uit 2018 van het gerenommeerde onderzoekersduo en echtpaar Avshalom Caspi en Terrie E. Moffit. Dat geeft wel een heel fraai overzicht van voor mij deels bekende, maar deels ook nieuwe inzichten.

Het verhaal begint met de de voorloper van de DSM-5, de DSM-3, die dateert van 1980 en die de hoop wekte dat alle aandoeningen er netjes mee konden worden geclassificeerd met bijbehorende symptomen en behandelingen. Maar dat viel tegen. Een van de eerste opduikende problemen was het verschijnsel van de comorbiditeit. Het bleek dat het voldoen aan de diagnostische criteria voor een aandoening vaak samen gaat met het voldoen aan de criteria van een andere aandoening. Van de mensen die over een periode van 25 jaar gevolgd werden, bleek van de groep die op enig moment voor een aandoening gediagnosticeerd werd, 66 procent op enig ander moment ook voor een tweede aandoening een diagnose te krijgen. En van de groep met twee diagnoses kreeg 53 procent op enig moment een derde diagnose, waarvan weer 41 procent een vierde diagnose kreeg. (Het ging in totaal om zeven verschillende diagnoses: angststoornis, depressie, ADHD, gedragsstoornis, verslaving, bipolaire stoornis en schizofrenie.)

Dat zette natuurlijk aan het denken. Het suggereerde dat een minder fijne indeling realistischer zou zijn. Die ook werkbaarder zou zijn voor behandelaars. Dat leidde tot een onderzoek waarin werd uitgezocht of een bekende tweedeling van aandoeningen die veel werd gebruikt voor kinderen ook geldig zou kunnen zijn voor volwassenen. Het gaat om de tweedeling in internaliserende (angst en depressie) en externaliserende stoornissen (agressie, delinquentie en hyperactiviteit/impulsiviteit). Want waarom zou die voor jeugdigen bruikbare tweedeling ineens niet meer gelden na de overgang naar volwassenheid?

En inderdaad, een zogenaamde confirmerende factoranalyse van een groot databestand leverde op dat de comorbiditeit vooral plaatsvond binnen deze twee categorieën. Een internaliserende categorie met stemmings- en angststoornissen, zoals depressie, algemene angststoornis, paniekstoornis en sociale fobieën en een externaliserende categorie met verslavingsgeneigdheid en antisociaal gedrag.

Maar dat liet de schizofrenie buiten beschouwing, het aanhoudend lijden aan psychotische verschijnselen. Dat lag eraan dat in veel onderzoek daar niet naar gevraagd werd omdat het minder zou voorkomen en omdat verondersteld werd dat mensen op vragen daarnaar niet zouden willen of kunnen antwoorden. Maar later bleek dit allebei niet te kloppen. En dus werd de indeling uitgebreid met een derde categorie, die van de schizofrenie, met klachten als psychotische ervaringen, hallucinaties, achterdochtigheid, verlies van contact met de werkelijkheid (dissociatie) en ongeorganiseerde gedachten.

Een driedeling dus. Maar ook dat bleek niet de oplossing. Meer daarover in het volgende bericht.

woensdag 13 mei 2020

Waarom vinden we het moeilijk om te luisteren en praten we zo vaak door elkaar heen?

In de Volkskrant van vandaag heeft Gijs Beukers een interview met Kate Murphy, de schrijfster van het boek Je luistert niet. Volgens Murphy luisteren we steeds minder naar elkaar, terwijl luisteren naar anderen ons wel veel kan opleveren. Je maakt meer vrienden door goed te luisteren dan door veel zelf te praten. En door te luisteren leer je nog eens wat.

Hoe komt het dan dat we zo weinig luisteren? En zijn we dat inderdaad minder gaan doen?

Om met dat laatste te beginnen: in dat boek gaat het over onderzoek dat laat zien dat mensen inderdaad in de laatste decennia minder naar elkaar zijn gaan luisteren. In het interview dat de Guardian met Murphy had lees je daarover dat de tijd die Amerikanen (neem ik aan) besteden aan naar elkaar luisteren als percentage van de tijd dat ze wakker zijn in de afgelopen eeuw is afgenomen van 42 procent naar 24 procent. Ik heb het boek nog niet en weet dus niet welk onderzoek dat is.

Maar aangenomen dat het klopt dat we minder naar elkaar zijn gaan luisteren, waar zou dat dat aan liggen? Een antwoord is dat we meer naar een scherm zitten te kijken. Murphy in de Volkskrant:

"Wanneer je ergens door een buurt loopt", schrijft Murphy, "leunt er bijna niemand meer over een schutting die je wenkt om een praatje te maken. Het enige teken van leven is de blauwe gloed van een tv- of computerscherm ergens boven."
 
Daar zit iets in. En het lijkt te verwijzen naar het verschijnsel van de supernormale stimulus, waar Deirdre Barrett eerder op wees in haar boek Supernormal StimuliHow Primal Urges Overran Their Evolutionary Purpose. en waar ik het over had in het bericht Gezondheid en sociale omgeving (18): televisie is een supernormale stimulus. Een supernormale stimulus is een overdreven versie van een prikkel waar we instinctmatig in geïnteresseerd zijn, omdat die interesse in ons evolutionaire verleden heeft bijgedragen aan onze overleving en voortplanting. Het kan zijn dat die overdreven versie ons zo gaat intrigeren dat we de normale, natuurlijke versie negeren. 

Het overgrote deel van wat we op televisie zien is sociaal van aard. We kijken naar een aanhoudende opeenvolging van sociale episodes, geacteerd of niet geacteerd, in speelfilms, sitcoms, spelprogramma's, reality shows, talkshows, datingshows en wat niet al. En we volgen televisiepersoonlijkheden alsof we met hen een persoonlijke relatie onderhouden. Dat alles komt tegemoet aan onze oeroude behoefte aan "het sociale" en omdat alles om de kijkcijfers draait, is het ook precies daarop afgestemd.

Met als grote "voordeel" dat we er nauwelijks moeite voor hoeven te doen. We hoeven alleen maar de afstandsbediening te pakken. Voor dat praatje over de schutting moeten we naar buiten en dan is het nog maar de vraag of de buurman beschikbaar is. Over het algemeen levert televisiekijken ons geen goed gevoel op en het maken van een praatje wel. Maar we trappen in de val van de supernormale stimulus. Televisiekijken fungeert als een substituut voor echte sociale contacten, er ook uit blijkend dat mensen die meer aangeven eenzaam te zijn ook meer televisiekijken

Naast het televisiekijken zijn natuurlijk ook de sociale media in de plaats gekomen van echt naar anderen luisteren. Niet alleen doordat we ons in een echt gesprek door onze telefoon laten afleiden. Ook doordat we die media gebruiken om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren, te "verkopen". Uit het Volkskrant-interview:
Op social media proberen we likes te krijgen door onszelf op een voetstuk te plaatsen, zegt Murphy. "Die neiging verplaatst zich naar het normale leven. Mensen geven je voortdurend hun elevator pitch (korte presentatie waarin iemand zichzelf of zijn product probeert te verkopen, red.) en denken daardoor aardig gevonden te worden." Mensen maken van zichzelf een merk. Het gevolg, zegt Murphy, is dat we vooral zenden en nog maar zelden ontvangen.
In dat normale leven hebben we een cultuur ontwikkeld waarin onze relaties zo vluchtig zijn geworden dat we ons voortdurend moeten presenteren. Vrij spel dus voor onze neiging tot statuscompetitie. In de New York Times omschreef Kate Murphy dat als volgt:
a culture of “aggressive personal marketing” where “to be silent is to fall behind. To listen is to miss an opportunity to advance your brand and make your mark … Listening is often regarded as talking’s meek counterpart,” she writes. “Value is placed on what you project, not what you absorb ... The very image of success and power today is someone miked up and prowling around a stage or orating from behind a podium. Giving a TED talk ... is living the dream.”
Die sociale vluchtigheid is maximaal als we iemand nog niet kennen. In de Volkskrant:
Als we ons aan iemand voorstellen, maken we ons zo druk over hoe we overkomen dat we de meest basale informatie niet eens horen.
Dat je voortdurend moeten presenteren, jezelf verkopen, leidt er niet alleen toe dat je maar liever zelf aan het woord bent dan dat je de moeite neemt om te luisteren, maar ook dat we in een gezelschap zo vaak door elkaar heen praten. Want luisteren zou de indruk kunnen wekken dat de spreker meer aandacht verdient dan jij. Dat zou het begin kunnen zijn van een statusverschil. Vandaar het verschijnsel dat we elkaar zo vaak niet laten uitpraten. Zie Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie.