dinsdag 15 september 2020

Een wettelijke taakopdracht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen - Over morele intuïties en het domein van de markt

Wat mogen we van ondernemingen verwachten? Natuurlijk dat ze zich net als iedereen aan de wet houden. Maar er is naast de wet ook nog de moraal. Dus het geheel van onze gemeenschapsintuïties, die gaan over elkaar bijstaan, of in ieder geval elkaar geen schade berokkenen, en over eerlijk delen. Dat zijn inderdaad intuïties, dus geen vastomlijnde inzichten die voor alle omstandigheden in wetsteksten vertaald kunnen worden. Vandaar dat we naast en boven en onder de wet ook altijd nog de moraal hebben.

Daarom verwachten we van elkaar, als "natuurlijke personen", niet alleen het volgen van de wet, maar ook moreel gedrag. Een helpende hand toesteken als dat nodig is, eerlijk delen, elkaars autonomie respecteren en loyaal zijn. En omdat het in dit geval om inbedding in persoonlijke relaties gaat, creëren we dat morele gedrag met elkaar. We verwachten het van elkaar en het voelt meestal goed om aan die verwachtingen te voldoen. In die gevallen waarin we verwachtingen beschamen, laten anderen ons weten dat ze teleurgesteld of zelfs boos zijn. Wat ons weer herinnert aan het belang van moreel gedrag in het sociale verkeer. Moreel gedrag is dus een uitkomst van een sociaal proces, zoals ook pro-sociaal gedrag dat is.

Maar ondernemingen, en dus hun directeuren, opereren meestal niet in dat web van persoonlijke relaties. Ze zijn marktdeelnemers en hebben in die hoedanigheid vooral vluchtige, onpersoonlijke en zelfs anonieme relaties met anderen. Maar hun gedrag kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben. 

Dat is een sociale omgeving die niet als vanzelf moreel gedrag doet ontstaan. En hoewel mensen morele wezens zijn, zijn ze niet onvoorwaardelijk moreel. Als moreel gedrag niet verwacht wordt, kun je er dus niet van uitgaan dat anderen zich moreel gedragen. Er is dan dus niet de sociale veiligheid die moreel gedrag uitlokt. Sterker, op de markt concurreer je met elkaar. 

Een sociale omgeving dus die gemakkelijk dat andere patroon, dat van de statuscompetitie uitlokt. In de aanvalsvariant, anderen de loef afsteken of te slim afzijn, of in de verdedigingsvariant. En dan kan  moreel gedrag geheel of gedeeltelijk uit het zicht verdwijnen. Dat kan dus betekenen dat een en dezelfde persoon zich binnen dat web van persoonlijke relaties als vanzelfsprekend moreel gedraagt en als ondernemingsdirecteur morele normen aan zijn laars lapt. Denk aan Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog.

Er is dus naast dat domein van de persoonlijke relaties ook het domein van de markt. Maar er is ook nog het domein van de democratische overheid, van wat wij met zijn allen willen. Denk aan het OMOP-schema. En wij met zijn allen kunnen via het democratische proces te kennen geven wat wij van marktdeelnemers, van ondernemingen en ondernemingsdirecteuren, verwachten.

Precies daarover gaan de discussies over "maatschappelijk verantwoord ondernemen". Discussies die niet toevallig de kop weer opsteken nu een periode van neoliberalisme op zijn eind lijkt te lopen. Waarin het Friedman-adagium domineerde dat ondernemingen niets anders behoren te doen dan het behartigen van de belangen van de aandeelhouders. Natuurlijk met als restrictie dat ze zich aan de wet dienen te houden. Maar afgezien daarvan zou het speelveld vrij moeten zijn van morele verwachtingen. Dat speelveld zou immers de wonderlijke eigenschap hebben dat het juist ook zonder verwachtingen van moreel gedrag tot voor iedereen heilzame uitkomsten zou leiden. U weet wel, de beroemde onzichtbare hand.

We zagen al dat nog voor deze periode een aanvang nam, in 1965, Kenneth Boulding zich in de discussie met Milton Friedman met argumenten tegen deze opvatting keerde. Lees nog eens de reeks berichten die ik daaraan wijdde, te beginnen met Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding. Nu we de gevolgen van dat Friedman-adagium hebben meegemaakt, gaan we inzien dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In dat kader is het boeiend om te zien dat er nu weer, geheel in de geest van Kenneth Boulding, gepleit wordt voor het expliciet en wettelijk invoeren van morele verwachtingen voor het gedrag van ondernemingen. Zie het pleidooi van 25 Nederlandse hoogleraren dat verscheen in het blad OndernemingsrechtNaar een zorgplicht voor bestuurders encommissarissen tot verantwoorde deelname aan hetmaatschappelijk verkeer.  Hier is de samenvatting: 

De liberalisering van de kapitaalmarkten heeft als neveneffect dat andere productiefactoren verhoudingsgewijs aan belang hebben ingeboet. Het denken in aandeelhouderswaarde is in de praktijk dominant geworden, ook in de Nederlandse context. De norm van het vennootschapsbelang waarborgt blijkens periodieke maatschappelijke erupties onvoldoende dat vennootschappen zich daadwerkelijk verantwoordelijk gedragen in de samenleving. Om die reden bepleiten 25 hoogleraren ondernemingsrecht de introductie van responsible corporate citizenship in de wettelijke taakopdracht van bestuurders en commissarissen. Bestuurders dienen ervoor te zorgen dat de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer deelneemt als een verantwoordelijke vennootschap; commissarissen houden hierop toezicht. Verder stellen zij voor in de wet op te nemen dat vennootschappen een statutaire bestaansgrond (purpose of raison d’être) kunnen formuleren. Daarmee leggen zij op vrijwillige basis hun uiteindelijke doel en hun leidende beginselen vast. Over de verantwoordelijkheid voor de impact van de vennootschap op menselijk, sociaal en natuurlijk kapitaal kan expliciete verantwoording in de jaarstukken worden voorgeschreven. Zo kan het vennootschapsrecht de inbedding van ondernemingen in de samenleving versterken.

Ik vind het een fraai en doordacht pleidooi, dat precies op het goede moment komt. We hebben immers geleerd hoe dat moreel vrije speelveld van de markt zich kan ontwikkelen. Lees Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer

En merk op hoe wet en moraal zich in dit voorstel verhouden. De opdracht tot "verantwoordelijk" handelen wordt in de wet opgenomen. Terwijl tegelijk niet precies kan worden omschreven wat die verantwoordelijkheid inhoudt:

Een verantwoordelijke vennootschap draagt verantwoordelijkheid jegens haar werknemers, is verantwoordelijk voor de gevolgen van haar handelen in de gemeenschappen waarin zij opereert en voor de gevolgen van haar handelen voor milieu en klimaat. Het streven naar winstgevende continuïteit op lange termijn moet ingebed zijn in deze brede verantwoordelijkheid. De inhoud van de zorgplicht van het bestuur en de raad van commissarissen voor een verantwoordelijke deelname van de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer moet mede aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval worden bepaald.

In die laatste zin staat precies wat nu eenmaal inherent is aan onze morele gemeenschapsintuïties. Ze sturen ons gedrag, maar als intuïties, niet als voorschriften. Beoordelingen "in de concrete omstandigheden van het geval" zijn dus onvermijdelijk. Net zo als dat in het domein van de persoonlijke relaties het geval is. Maar die onderliggende morele intuïties, die zijn bij iedereen aanwezig. Ook, als het goed is, bij de bedrijfselite die nu zegt niets te voelen voor "wettelijk opgelegd 'goed gedrag'".

zondag 13 september 2020

Zondagochtendmuziek - BIMHUIS TV | Eric Ineke Jazzexpres feat Tineke Postma | Early Show

Vanmiddag weer eens naar een concert! In TivoliVredenburg spelen Eric Ineke Jazzexpres featuring Tineke Postma. Met een eerbetoon aan Charley Parker. En ter promotie van de CD Charley Parker: What kinda bird is this? Het is geloof ik uitverkocht. 

Hier speelden ze op 5 september in het Bimhuis.

vrijdag 11 september 2020

Dirk Bezemer over het aandeelhouderkapitalisme - Lees Een land van kleine buffers!

Iedereen moet Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer lezen. Ik ben nog niet zo heel ver gevorderd - er is veel te veel dat gelezen moet worden - , maar wil er al wel aandacht aan besteden. Want al in het begin geeft Bezemer een wel heel heldere en beknopte omschrijving van wat er zich afspeelt onder het regime van het aandeelhouderkapitalisme waar wij nu al tientallen jaren onder leven. 

Denk nog even terug aan de discussie tussen Milton Friedman, de aanjager van dat aandeelhouderkapitalisme, en Kenneth Boulding in 1965. Ik schreef daarover in het bericht Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding en de berichten die daarop volgden. Iedereen liep achter Friedman aan, maar het begint nu eindelijk tot velen door te dringen dat we beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

Wat dat achter Milton Friedman aanlopen ons heeft opgeleverd, daarvan geeft Dirk Bezemer een fraaie samenvatting, die op p. 37 begint. Het gaat daar over financiële stromen die reële doelen hadden kunnen dienen, maar die naar de vermogensmarkten zijn toegeleid. Ik citeer een passage:

Lonen zijn een reservoir dat afgetapt kan worden door hervormingen naar een flexibele arbeidsmarkt. Hierdoor stijgt de bedrijfswinst. De toekomstige verdiencapaciteit van adolescenten is een reservoir dat afgetapt kan worden door het studieleningstelsel. Huishoudinkomens zijn een reservoir dat afgetapt kan worden door het te verpanden via hypotheekschuldgroei, Hierdoor stijgt de winst in de financiële sector. Bedrijfswinst op haar beurt, en winst in de financiële sector, is een reservoir dat afgetapt kan worden door dividenden, inkoop van aandelen en onttrekkingen en bonussen, waardoor het vermogen van aandeelhouders, directeuren-grootaandeelhouders en topmanagement wordt vergroot. Zo ziet 'financieel gaat voor reëel' eruit.

De publieke sector is een reservoir dat afgetapt kan worden door 'hervormingen' die leiden tot overschotten, waardoor de staatsschuld daalt en de buffer van de staat groeit. De buffer van de staat is een reservoir dat afgetapt kan worden door belastingontwijking en steunoperaties aan banken en grote bedrijven. Hierdoor stijgt de bedrijfswinst, die weer afgetapt kan worden door dividenden, inkoop van aandelen, onttrekkingen en bonussen... en zo verder.

En zo verder. En dan zijn we nog maar op p. 38. Lezen dat boek.

Na de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010 hadden we natuurlijk al moeten inzien dat niet Friedman, maar Boulding gelijk had, toen in 1965. Maar toen dachten de kiezers nog dat het een goed idee was om juist de VVD de grootste partij te maken. 

woensdag 9 september 2020

Of pro-sociaal gedrag je gelukkiger maakt, hangt er van af of degenen met wie je omgaat zich ook pro-sociaal gedragen - Over eudaimonisch welzijn en de Dual Mode-theorie

We zagen al aanwijzingen voorbijkomen dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt. Mensen voelen zich beter als ze anderen bijstaan, met anderen rekening houden en iets goeds doen voor anderen. 

Er is nu de pas verschenen meta-analyse Rewards of kindness? A meta-analysis of the link between prosociality and well-being, waarin het gaat om 201 onafhankelijke steekproeven met in totaal bijna 200.000 onderzochte personen. Pro-sociaal gedrag was soms informeel, zoals het helpen van vrienden, en soms formeel, zoals vrijwilligerswerk.

Over dat geheel genomen was er een zwak, maar statistisch significant, positief verband tussen pro-sociaal gedrag en welzijnsindicatoren (hedonisch of eudaimonisch geluk, psychisch functioneren en fysieke gezondheid). Dat het verband zwak is, hoeft niet te verbazen als je bedenkt dat er natuurlijk meer zaken zijn die ons welzijn beïnvloeden.

Onder dat gemiddelde zit een grote spreiding van de uitkomsten verborgen. In sommige studies was het verband veel sterker en in andere veel zwakker. De onderzoekers keken naar allerlei zogenaamde moderatoren die die verschillen zouden kunnen verklaren. Zo bleek bijvoorbeeld dat het verband groter was als het om het eudaimonische geluk ging. Daar kom ik zo op terug. Ook was het verband groter als pro-sociaal gedrag met een gevalideerde schaal was gemeten, dat wil zeggen met een vragenlijstje over hoe vaak je in bijvoorbeeld de afgelopen veertien dagen iets pro-sociaals hebt gedaan. En het verband was sterker bij informeel dan bij formeel pro-sociaal gedrag.

Zoals al eerder opgemerkt, is er het manco aan al dit onderzoek dat geen rekening wordt gehouden met de sociale omgeving van de onderzochte personen. Zie deel 3 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? Want het valt immers te verwachten dat het pro-sociale gedrag van anderen jou het veiligheidsgevoel verschaft dat jouw eigen pro-sociale gedrag uitlokt. Mensen zijn van nature altruïstisch, maar dan wel in een veilige en hen goedgezinde sociale omgeving. Zie Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt. 

En het zou goed kunnen dat de wel of niet aanwezigheid van een veilige sociale omgeving, dus van een sociaal netwerk van anderen die zich ook pro-sociaal gedragen, de belangrijkste moderator is voor het verband met welzijn. Als jij je pro-sociaal zou gedragen in een statuscompetitieve en dus onveilige of zelfs vijandige omgeving, dan wordt je daar meestal niet gelukkiger van. Vandaar immers Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Mensen zijn wel goed, maar niet gek.

Dat je gelukkiger wordt van pro-sociaal gedrag zou volgens die gedachte sterk afhangen van hoeveel anderen in jouw omgeving dat ook doen. Pro-sociaal gedrag is minder een kenmerk van individuen dan van sociale netwerken. Maar dat inzicht is nog maar heel weinig tot sociaalwetenschappelijk onderzoekers doorgedrongen.

Die gedachte wordt overigens wel opvallend ondersteund door de al genoemde bevinding van deze meta-analyse dat het verband groter is als welzijn is opgevat als eudaimonisch welzijn. Want hoe wordt dat eudaimonische welzijn gemeten? Met een vragenlijstje van 8 items waarvan twee precies slaan op de aard van die sociale omgeving, namelijk "Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol" en "Mensen respecteren mij". Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter

Anders gezegd, eudaimonisch welzijn is dus eigenlijk niet een individueel kenmerk, maar een kenmerk van een sociaal, "ego-gecentreerd", netwerk. Van jou en de mensen met wie je omgaat. En wat blijkt? Dan komt er precies uit wat de Dual Mode-theorie voorspelt: de mate waarin pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt, hangt af van de mate van pro-sociaal gedrag van de sociale omgeving.

maandag 7 september 2020

Aanvullende zorg door familieleden draagt bij aan ontwikkeling van peuters - Meer aanwijzingen voor belang van coöperatieve zorg

Het is maar een klein onderzoekje, maar toch belangrijk om te vermelden. Al was het maar om aandacht te vragen voor dit soort onderzoek, dat veel meer gedaan zou moeten worden.

Waar gaat het om? Om de studie Familial allomaternal care exposure is predictive of infant development die net is verschenen. Daarin gaat de Amerikaanse antropologe Britt Singletary na wat het voor de ontwikkeling van peuters (13 - 18 maanden) uitmaakt of ze meer of minder sociaal contact hebben met anderen dan de eigen moeder. Dat is dus het thema van het belang van coöperatieve zorg voor kinderen (allomaternal care). Zie de berichten op dit blog achter het label cooperative breeding

In het vorige bericht ging het over het belang van die mate van coöperatieve zorg voor de geneigdheid tot pro-sociaal gedrag. Hier gaat het over het belang daarvan voor de algehele ontwikkeling van peuters, dat wil zeggen voor de sociaal-emotionele, cognitieve, motorische en taalontwikkeling.

Daaruit komt naar voren dat die algehele ontwikkeling wordt bevorderd door de mate waarin de peuter intensieve zorg heeft ervaren van familieleden van buiten het gezin. Dat verband is in sterkte vergelijkbaar met het bekende gegeven dat meisjes zich sneller ontwikkelen dan jongens.

Het onderzoek maakt daar geen melding van, maar je denkt natuurlijk meteen aan de rol die grootouders spelen in die intensieve zorg van buiten het gezin. Denk aan Grootouders van belang voor pro-sociaal gedrag van kleinkinderen. En denk aan de Grootmoederhypothese

Zoals gezegd, het is maar een klein onderzoek. De moeders van 52 jongetjes en 50 meisjes werden ondervraagd. Dat zulk onderzoek maar weinig wordt gedaan, kan er aan liggen dat het wat meer inspanning, en dus geld, kost om die zorg van buiten het eigen gezin in kaart te brengen. In dit onderzoek werden moeders niet alleen geïnterviewd, maar werd hen ook gevraagd om gedurende twee weken een dagboek bij te houden.

Maar het kan ook zijn dat sociaalwetenschappelijk onderzoekers niet zo bekend zijn met de theorie over het belang van coöperatieve zorg. Zie nog eens het vorige bericht. Ook onderzoekers groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. En als je dan niet verder kijkt dan je neus lang is, en je je dus niet realiseert hoe merkwaardig dat eigenlijk is, dan kom je niet op het idee om daar onderzoek naar te doen. Het is niet toevallig dat Britt Singletary antropologe is.

zondag 6 september 2020

Zondagochtendmuziek - The Lick Quartet - David Bruce

David Bruce is componist, maar ook een groot verteller over muziek. Hier legt hij uit dat de Hongaarse componist Györgi Ligeti de meester is van de muzikale illusies zoals M.C. Escher de meester was van de visuele illusies: The M.C.Escher of Music? En vraagt hij zich af hoe het komt dat Escher bij het grote publiek zo bekend is geworden, terwijl Ligeti tot nu toe alleen van "de kenners" waardering krijgt.

Maar David Bruce is dus zelf ook componist. En zijn muziek had ik wel veel eerder willen ontdekken. Zoals zijn The Lick Quartet, dat hier op 6 november 2019 werd uitgevoerd door het Dover Quartet in het Amsterdamse Concertgebouw. 

De eerste reactie is: mind blowing. Mee eens. Iemand anders reageert met: This whole thing is cute in the way that Tati movies are cute (while still being very intricate undertakings).

donderdag 3 september 2020

Over hoe het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar pro-sociaal gedrag zou moeten profiteren van een biologisch inzicht - en daarmee over het maatschappelijk belang van de sociologie

In het onderzoek naar pro-sociaal gedrag bij mensen zijn twee gescheiden lijnen te onderscheiden, een sociaalwetenschappelijk en een biologische. Door dat gescheiden zijn profiteert het sociaalwetenschappelijk onderzoek nauwelijks van biologische inzichten. Daarop kom ik zo terug. Eerst die twee onderzoekslijnen.

Er is de sociaalwetenschappelijke onderzoekslijn, die zoekt naar verklaringen voor het optreden van pro-sociaal gedrag. Dat kan gaan om het zoeken naar de situationele voorwaarden. Zoals onderzoek naar wat maakt dat omstanders iemand die in nood verkeert wel of niet te hulp schieten. Of onderzoek naar wat de kans vergroot of verkleint dat een kennelijk op straat verloren, gefrankeerde en geadresseerde brief door iemand op de bus wordt gedaan. Of, last but not least, onderzoek waar het in het vorige bericht over ging naar pro-sociaal gedrag dat uitgelokt wordt door het waarnemen van pro-sociaal gedrag van anderen.

Maar het kan ook gaan om het zoeken naar verklaringen voor verschillen tussen mensen in hun geneigdheid tot pro-sociaal gedrag. Neem het onderzoek dat laat zien dat mensen die empathischer zijn, zich dus beter kunnen verplaatsen in anderen, meer neigen tot pro-sociaal gedrag. Of het onderzoek dat suggereert dat de geneigdheid tot pro-sociaal gedrag met het ouder worden toeneemt. En ook hier, nog eens last but not least, is er het onderzoek dat laat zien dat het hebben van een groter netwerk van persoonlijke relaties, van vrienden en familie die elkaar ondersteunen, samengaat met meer pro-sociaal gedrag.

Daarnaast en gescheiden daarvan bestaat er dus ook de biologische onderzoekslijn. Die zoekt naar verklaringen voor het gegeven dat mensen in vergelijking met andere dieren en met hun naaste verwanten opmerkelijk vaak pro-sociaal gedrag vertonen. En ook niet alleen reactief, dus als reactie op signalen van hulpbehoevendheid van anderen, maar vooral ook proactief, dus spontaan en kennelijk vanuit zorg voor het welzijn van anderen. Het is dat proactieve dat die soort en mate van menselijke samenwerking (hyper-coöperatie) mogelijk maakt die in het dierenrijk nogal uniek is. Wat is er in de evolutionaire geschiedenis van mensen gebeurd dat kan verklaren waardoor mensen zo hyper-coöperatief zijn geworden?

Het onderscheid tussen deze twee onderzoekslijnen bestaat eruit dat de sociaalwetenschappelijke lijn op zoek is naar proximate verklaringen en de biologische lijn naar ultimate verklaringen. In het bericht Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring beschreef ik het verschil als volgt:

een ultimate verklaring geeft een antwoord op de vraag hoe een bepaald gedragspatroon in de evolutie heeft kunnen ontstaan. En vertelt ons dus hoe dat gedrag in het verleden meer heeft bijgedragen aan overleving en voortplanting dan mogelijke alternatieve patronen.
Daarentegen vertelt een proximate verklaring iets over de situaties waarin dat gedrag optreedt. Waarin het wordt getriggerd.

Of over wat maakt dat in een bepaalde situatie de ene persoon zich wel pro-sociaal gedraagt en de ander niet.

Het gaat er nu om dat het biologische onderzoek theoretisch richting zou kunnen geven aan het sociaalwetenschappelijke onderzoek. Wat dat biologische onderzoek inhoudt, wordt fraai duidelijk in het artikel The evolutionary origin of human hyper-cooperation, waar ik al in 2014 bij stilstond in het bericht Coöperatieve zorg voor kinderen is de beste verklaring voor spontaan pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers, onder wie Judith M. Burkhart en Carel P. van Schaik, voerden een gestandaardiseerd experiment uit bij 24 apensoorten, waaronder mensen(kinderen). Klik op de link naar dat vorige bericht om te zien hoe dat experiment werd uitgevoerd. En ze gingen na in hoeverre verschillen in pro-sociaal gedrag tussen die soorten verklaard konden worden uit verschillen in hersenomvang, sociale tolerantie, samenwerking bij jagen, aanwezigheid van sterke sociale banden en de mate van coöperatieve zorg voor jongen/kinderen (cooperative breeding).  (Ik sluit maar even aan bij het spraakgebruik dat we bij dieren spreken over jongen en bij mensen over kinderen.)

Het bleek toen dat uitsluitend dat laatste, dus de mate van coöperatieve zorg, samenhing met spontaan pro-sociaal gedrag. Je ziet het gevonden verband afgebeeld in het onderstaande plaatje. Lees daaronder verder.


Op de horizontale as zijn de soorten gerangschikt naar de mate van coöperatieve zorg en op de verticale as naar de mate waarin spontaan pro-sociaal gedrag kon worden vastgesteld. Er is een duidelijk verband: hoe meer coöperatieve zorg, hoe meer pro-sociaal gedrag. De onderbroken lijn is de regressielijn zonder "ons" (Homo sapiens) en de doorgetrokken lijn met "ons".

Waarom is dit zo'n belangrijk resultaat? Omdat het in overeenstemming is met het vermoeden dat pro-sociaal gedrag door sociale veiligheid wordt uitgelokt. Zie het bericht Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt van twee weken geleden. In soorten met veel coöperatieve zorg, dus met veel pro-sociaal gedrag ten opzichte van jongen/kinderen, wordt je geboren en groei je op in een veilige sociale omgeving. En het is die ervaren sociale veiligheid die er toe aanzet om gemakkelijk anderen te hulp te schieten. Het is immers vanaf het geboren worden het "normale" gedrag. De vrees dat anderen van jouw goedgeefsheid zouden willen profiteren, komt niet bij je op. En wordt ook niet bewaarheid.

Het is ook het basale inzicht waar sociaalwetenschappelijk onderzoekers veel aan zouden kunnen hebben. Het vertelt immers dat wij weliswaar een apensoort zijn met een groot vermogen tot coöperatieve zorg voor kinderen, maar dat wij in de hedendaagse samenleving nog maar heel beperkt naar dat vermogen handelen en kunnen handelen. Die coöperatieve zorg voor kinderen is nog maar een fractie van wat hij was in die lange periode dat wij als jagers-verzamelaars samenleefden. Buiten het eigen gezin ervaren opgroeiende kinderen nog maar beperkt de sociale veiligheid die hen tot pro-sociaal gedrag zou aanzetten. En zelfs binnen gezinnen kennen we de problemen van kindermishandeling en -verwaarlozing. 

Voor het sociaalwetenschappelijk onderzoek zou een en ander betekenen dat je meer pro-sociaal gedrag kunt verwachten hoe meer mensen sociale veiligheid ervaren. Vandaar die twee last-but-not-least toevoegingen in de twee onderzoekslijnen waarmee dit bericht begon. Het waarnemen van pro-
sociaal gedrag en deel uitmaken van een groter sociaal netwerk zorgen voor meer pro-sociaal gedrag. 

Dat is het fundamentele (en biologische) inzicht waar het sociaalwetenschappelijk onderzoek zich op zou moeten richten. En het inzicht dat meteen duidelijk maakt wat het grote maatschappelijk belang van de sociale wetenschappen zou kunnen, en moeten, zijn. Creëer een maatschappij die in het teken staat van de sociale veiligheid die mensen nodig hebben. Zie de reeks berichten over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak zou kunnen worden, die hier begint.

zondag 23 augustus 2020

Zondagochtendmuziek - Víkingur Ólafsson: Tiny Desk (Home) Concert

De IJslandse pianist Víkingur Ólafsson, die eind vorig jaar optrad in TivoliVredenburg, Utrecht, geeft een TinyDesk Concert vanuit zijn huis in Berlijn. Bach, Rameau en Debussy. 

Ólafsson doet originele dingen, zowel wat uitvoering betreft als repertoirekeuze. En kan daar heel boeiend over vertellen.

woensdag 19 augustus 2020

Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt

Hoe komt het dat het pro-sociale gedrag van anderen de kans vergroot dat we ook onszelf meer pro-sociaal gaan gedragen? Wat verklaart dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is? Die aanstekelijkheid was op dit blog al eerder aanleiding om het woord gemeenschapsgedrag te prefereren boven pro-sociaal gedrag, omdat daar al dat sociale beïnvloedingsproces in besloten ligt. Het gaat om gedrag "als in een gemeenschap", dus om gedrag dat je oftewel met zijn allen doet of helemaal niet. Maar omdat het woord gemeenschapsgedrag vooralsnog alleen op dit blog is ingeburgerd, hou ik het nu maar even bij pro-sociaal gedrag.

Dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is, zagen we in eerdere berichten langskomen: Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk, Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit en Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven. En zie ook Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit en de berichten over het verschijnsel van crowding-in.

En er is nu de nieuwe studie Prosocial modeling: A meta-analytic review and synthesis, waarin uit een meta-analyse van 88 studies met in totaal 25.354 proefpersonen blijkt dat er alles samengenomen een gematigd positief effect is van het waarnemen van pro-sociaal gedrag op het eigen pro-sociale gedrag. Het gaat dan om zaken als het doneren van geld, het geven van fooi, het oprapen van iets voor iemand die dat per ongeluk heeft laten vallen, iemand te hulp schieten en het kiezen voor samenwerken in plaats van profiteren.

Maar nu terug naar de vraag wat daarvoor de verklaring zou kunnen zijn. In die nieuwe studie worden drie gangbare verklaringen genoemd: imitatie van het gedrag, de neiging tot conformeren en de neiging om het doel van het gedrag over te nemen (goal contagion). En het zou kunnen zijn dat het een zogenaamd onderzoekerseffect is, dat wil zeggen de neiging van proefpersonen om te voldoen aan wat ze denken dat de onderzoeker van hen wil. De auteurs concluderen dat die verklaring van goal contagion het beste uit de bus komt. Mensen zouden dus als ze zien dat een persoon iemand anders helpt, daardoor zelf ook besluiten dat het goed is om anderen te helpen.

Dat is interessant. Want het zou aardig passen in het vermoeden dat bij mij steeds meer is komen bovendrijven, namelijk dat pro-sociaal gedrag een reactie is op signalen die erop wijzen dat je je bevindt in een veilige sociale omgeving. Of op signalen die je eraan herinneren dat je sociale omgeving eigenlijk best wel veilig is. Een veiligheid die eruit bestaat dat mensen bereid zijn om anderen te helpen en om bij te springen als dat nodig is.

Dat vermoeden gaat terug op de gedachte dat alle dieren, en dus ook mensen, voor de uitdaging staan om zich zoveel mogelijk te bevinden in een veilige omgeving, een omgeving die gunstig is voor overleving en reproductie. Eerder in de mensheidsgeschiedenis was die veiligheid er in de groep van jagers-verzamelaars waarin samengewerkt en gedeeld werd. In die groep was pro-sociaal gedrag niet alleen veilig om uit te voeren, omdat je er op kon rekenen dat anderen er geen misbruik van maakten, maar ook omdat je eigen overleving en reproductie er baat bij had. Je deelde mee in de opbrengsten van het samenwerken. Sociale onveiligheid bestond uit het niet deel uitmaken van zo’n groep en in je eentje moeten zien te overleven.

In de huidige samenleving is die veilige omgeving er meestal wel in het gezin waarin een kind opgroeit. (Meestal, want we kennen helaas ook het probleem van kindermishandeling.) Daardoor leren kinderen al snel om op de zorgzaamheid die ze ervaren te reageren met hulpvaardigheid. Denk weer even aan die dreumesen die te hulp schieten. En aan al die studies van Michael Tomasello en medewerkers waaruit blijkt dat kinderen al heel jong anderen helpen als ze daartoe in staat zijn. Dat is hun natuurlijke reactie op de zorgzame omgeving die ze in het gezin aantreffen.

De natuurlijkheid van die reactie blijkt eruit dat in een toestand van ervaren veiligheid de nervus vagus (de zwerfzenuw) gematigd geactiveerd is, wat precies de lichamelijke toestand is (rest and digest) waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Terwijl in een toestand van onveiligheid oftewel die zwerfzenuw bovenmatig wordt geactiveerd, waardoor je in het statuscompetitiepatroon schiet (fight or flight), of sterk verlaagd geactiveerd (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of angststoornis. Zie De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. En denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges.

Maar in de huidige maatschappij is het gezin maar een klein eilandje in een grote zee van sociale vluchtigheid en daarmee kans op statuscompetitie. Bij het ouder worden is er buiten dat eigen gezin dus de onzekerheid over het gedrag van anderen en dus de mogelijkheid van de sociale onveiligheid van de statuscompetitie. En dat is precies de omgeving waarin we niet alleen "nieuwe" sociale veiligheid zoeken (dus vrienden willen maken), maar ook het pro-sociale gedrag dat we tegenkomen beschouwen als signalen voor het bestaan van sociale veiligheid. "O ja, mensen zijn eigenlijk heel goedaardig en behulpzaam." Dat besef vergroot ons veiligheidsgevoel, waardoor we ook zelf gemakkelijker te hulp schieten.

En dat komt dus wel wat overeen met die goal contagion-verklaring van die auteurs van die nieuwe studie. Maar het verschaft ook een onderliggende mechanisme: pro-sociaal gedrag draagt bij aan sociale veiligheid, die op zijn beurt weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

maandag 17 augustus 2020

Wat er valt te leren van de opstand in Belarus

In Belarus (Wit-Rusland) voltrekt zich een revolutie, in de vorm van een volksopstand tegen de al sinds 1994 heersende dictatuur van Alexander Lukashenko. Zie hieronder de berichtgeving van BBCNews van gisteren.


Ik weet niet meer van Belarus dan de gemiddelde volger van het nieuws. Een aantal jaren geleden verbleven we op een rondreis door de Baltische staten twee nachten in de Litouwse hoofdstad Vilnius, niet ver van de noordelijke grens met Belarus. De oppositiekandidate Svetlana Tichanovskaja, die protest aantekende tegen de twijfelachtige verkiezingsoverwinning van Lukashenko, vluchtte naar Litouwen, waarschijnlijk nadat zij en haar gevangengenomen echtgenoot door het regime waren bedreigd. Haar kinderen had ze eerder in veiligheid gebracht.

Daar in Vilnius, een levendige en cultureel interessante stad, had ik een beeld van het nabije Belarus van een gesloten en achtergebleven land, waarvan de bevolking zich had neergelegd bij de heersende dictatuur. Maar dat was er denk vooral op gebaseerd dat er zo weinig bekend was over het land. Aan Wikipedia ontleen ik nu dat de economie in de jaren negentig met 30 procent instortte, maar tussen 2004 en 2008 jaarlijks met 10 procent groeide. Maar na 2011 stagneerde de economie en was er tot 2018 een lichte daling van het bbp per hoofd van de bevolking. 

Die indruk van een, dus tot voor kort, stabiel land kan er mee te maken hebben dat de economie nog sterk gedomineerd wordt door de grote staatsbedrijven die uit het communistische tijdperk dateren. Er is niet de golf van privatiseringen geweest zoals die er in Rusland wel was en die daar onder de bevolking grote bestaansonzekerheid creëerde. En het Putin-bewind aan de macht bracht en nauw daarmee verbonden de gang van oligarchen die half Londen opkocht. In Belarus ging het dus een tijd economisch behoorlijk goed, waarna die stagnatie volgde.

Dat laatste komt overeen met de revolutietheorie van James C. Davies, die de kans op een spontane revolutie het grootst acht als een periode van voorspoed de hoop op nog betere tijden aanwakkert, die vervolgens door verslechteringen wordt gefrustreerd. Zie Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand?

Maar die theorie houdt er nog geen rekening mee dat het voor een spontane revolutie nodig is dat mensen niet alleen gefrustreerd zijn, maar ook dat van elkaar weten. De bereidheid om de straat op te gaan en te demonstreren kan er al bij iedereen zijn, maar zolang mensen nog twijfelen aan de bereidheid van anderen, kan er nog lange tijd niets gebeuren. Er is dan een sociaal informatietekort. Iedereen is de heersende dictatuur beu, die niets anders is dan een extreme statushiërarchie, en zou een democratie willen. Een regering voor wie een mensenleven wat waard is, zo als een geïnterviewde deelneemster aan de Mars voor de Vrijheid uitriep.

Maar voor het doorbreken van een heersend statuscompetitiepatroon, in de vorm van een collectieve berusting in de dictatuur, is nodig dat genoeg mensen van elkaar weten dat ze zullen meedoen aan de opstand. Aan het kenbaar maken dat het tijd is voor democratie, dus voor het ruim baan geven aan de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag.

In die toestand kunnen relatief kleine daden een proces in gang zetten dat bliksemsnel dat informatietekort opheft. Als één iemand het risico neemt om op te staan, in dit geval dus Svetlana Tichanovskaja, dan kan de volksopstand zomaar een feit zijn.

Er valt dus wel wat te leren van de gebeurtenissen in Belarus. Timothy Snyder stond daar gisteren bij stil in de Washington Post, speciaal met betrekking tot de toestand in de Verenigde Staten. Waar zich natuurlijk ook een strijd om de democratie afspeelt. Zie What Americans should learn from Belarus.