Zoals gezegd, in een democratie kan een foute leider alleen maar aan de macht komen als er genoeg kiesgerechtigden zijn die hem als de redder in nood zien. Die dus in nood moeten verkeren, anders gezegd, die zich bedreigd en onveilig voelen. Het ideale werkterrein van de foute leider is daarom altijd een maatschappelijke toestand van grote onzekerheid, van toegenomen bestaansonzekerheid.
Die toestand kan door zittende regeringen zijn bevorderd als bij hen het (onjuiste) neoliberale idee heeft postgevat dat het voor de economie beter is als mensen minder zekerheid ervaren. Ze kunnen dan immers gemakkelijker worden geprikkeld om zich meer in te spannen. Regeringen voeren dan een beleid dat de zekerheden van de verzorgingsstaat, de sociale zekerheid, de regulering van de arbeidsomstandigheden, de consumentenbescherming, het door belastingpolitiek beperken van de inkomens- en vermogensongelijkheid, zo veel mogelijk terugdringt. Mensen zijn dan wel gedwongen om meer voor zichzelf op te komen en zich in te spannen, want de risico's zijn groter. Niet alleen valt er voor de winnaars meer binnen te halen, ook kunnen de verliezers lager eindigen. Er komen zowel meer miljardairs, en dus machtigen, als armen en daklozen, en dus machtelozen.
We hebben nu zo'n 40, 50 jaren achter de rug waarin zich dit proces heeft afgespeeld. De verschuiving van het iedereen-telt-mee van de democratische verzorgingsstaat naar het ieder-voor-zich van de door de opkomst van foute leiders bedreigde democratie.
Vanuit het sociaalwetenschappelijk zicht van dit blog bekeken gaat het dus om een ontwikkeling waarin sociale onveiligheidsgevoelens onder de bevolking zijn toegenomen, waardoor bij meer mensen het statuscompetitiepatroon zal zijn geactiveerd.
Ik probeer zo goed mogelijk het onderzoek bij te houden dat van belang is voor dat sociaalwetenschappelijke zicht, waarvan de kern zoals bekend bestaat uit de de Dual Mode-theorie. Zo is er nu de pas verschenen studie Value Foundations of Conspiracy Thinking: New Evidence From European Democracies.
In die studie gebruikt Victoria A. Haerter van de Universiteit van Bern data van de European Social Survey (ESS) om o.a. na te gaan of mensen die meer waarde hechten aan samenzweringstheorieën ook meer "zelfverheffingswaarden" aanhangen en juist minder "zelfoverstijgingswaarden". Dat is interessant, want dat waarde hechten aan samenzweringstheorieën zegt iets over hoe sociaal onveilig mensen zich voelen. En het aanhangen van die zelfverheffingswaarden, dus het jezelf verheven voelen boven anderen, zegt iets over het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Net zoals het aanhangen van die zelfoverstijgingswaarden informatief is voor het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon.
Eerst maar even over die samenzweringstheorieën. De neiging om in samenzweringen of complotten te geloven werd vastgesteld met behulp van deze drie uitspraken waarvan mensen moesten aangeven in hoeverre ze het er mee eens of oneens waren:
A small secret group of people is responsible for making all major decisions in world politics.
Groups of scientists manipulate, fabricate, or suppress evidence in order to deceive the public.
Coronavirus is the result of deliberate and concealed efforts of some government or organization.
Van de drie antwoorden werd het gemiddelde genomen. Het is niet moeilijk om in dat geloof in samenzweringstheorieën een maat te zien voor de sociale onveiligheidsgevoelens die iemand ervaart. Als je overal samenzweringen ziet, dan voel je je bedreigd en dat gaat ten koste van je gevoel van veiligheid.
Die zelfverheffingswaarden en zelfoverstijgingswaarden zijn onderdeel van de Schwartz Basic Human Value Survey, die standaard in de ESS wordt meegenomen. Zie ook de berichten Alleen in landen met minder sociale zekerheid maakte de Crisis jongeren competitiever en minder universalistisch en Waardenoverdracht ouders-kinderen is vooral genetisch - meer over de mythe van de opvoedbaarheid voor meer daarover.
Bij die zelfverheffingswaarden gaat het om het willen presteren (succesvol zijn, aan anderen laten zien wat je waard bent) en om het willen uitoefenen van macht (status en prestige, controle hebben, heersen over mensen). We herkennen daarin het geactiveerd zijn van het ieder-voor-zich van het statuscompetitiepatroon.
En bij die zelfoverstijgingswaarden gaat het om goedwillendheid (zorg hebben voor de anderen uit je omgeving) en universalisme (zorg hebben voor iedereen en voor het milieu). Daarin herkennen we het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon.
Met dat sociaalwetenschappelijke zicht verwachten we dat het aanhangen van zelfverheffingswaarden, dus het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon, samengaat met het geloof in samenzweringstheorieën, dus met het ervaren van sociale onveiligheid. En dat blijkt het geval te zijn voor tien van de 20 landen (Nederland, Zwitserland, Finland, Slowakije, Tsjechië, Estland, Litouwen, Ierland, Hongarije en Griekenland). In de overige landen was er geen verband of was het niet statistisch significant.
En we verwachten dat het aanhangen van zelfoverstijgingswaarden, dus het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon, juist samengaat met het niet geloven in samenzweringstheorieën. Als je vindt dat iedereen hoort mee te tellen, dan zie je de wereld eerder als sociaal veilig. En dat blijkt zelfs op te gaan voor alle landen, met uitzondering van Slovenië, waar statistische significantie niet wordt gehaald.
De uitkomsten bevestigen dus de gedachte dat het wel of niet ervaren van sociale veiligheid sturend is voor het geactiveerd zijn van het gemeenschapspatroon dan wel het statuscompetitiepatroon.
En wat politici de afgelopen veertig jaar gedaan hebben, is het voeren van een beleid waardoor mensen zich minder sociaal veilig zijn gaan voelen. Waardoor over het geheel genomen meer het statuscompetitiepatroon is geactiveerd. En waardoor er het ideale werkterrein van rechts-extremistische politieke partijen en van foute leiders tot stand is gebracht.
De sociaal inferieure toestand die we sociaalwetenschappelijk gezien juist met alle macht hadden moeten zien te vermijden.